In de bakkerij is de bakker met zijn helper druk in de weer. Of 't schip ook slingert, stampt en schommelt als een notedop op de fel bewogen golven, het deert hen niet. Zij kneden en vormen het deeg met vaste hand tot tulbanden van ongeveer een half pond zwaarte.
Een repatrieerend onderofficier, bruin en mager, met de Atjeh-medaille op de borst, leunt tegen de deur en kijkt belangstellend naar binnen:
—'n Heele corvee, bakkertje!
—Nou!
—Allemaal Sinterklaaswerk?
—Ja sergeant! antwoordt de bakker, even 't tappelend zweet met een doek van zijn voorhoofd vegend.—Je kan d'r warm van worden.
—'t Is anders vervloekt koud van daag!
—'t Is nou geen gekheid hoor! 'k Moet in de tachtig tulbanden bakken voor de soldaatjes en de equipage en hoop letterbanket voor de passagiers—de kok heit nou z'n handen ook vol—als 't nou maar een beetje beter weêr wordt is 't niemendal, maar als we zoo blijven slingeren is 't zonde van de bovenste beste specie, die we voor de bakkerij gebruiken, want letterbanket is 'n zware kost, die 'n zeezieke maag niet verdraagt—afijn! 't mij een en 't zelfde—ik bak maar raak—maar ik zeg alsnog: 't is waarachtig zonde voor God!—maat geef de blom d'r is aan—en strooi nog wat suiker door 't beslag—daar heb je nou de kok, die maakt al drie dagen lang borstplaten met agrement voor de eerste klasse en voor de tweede zonder tierelantijntjes—Ik voor mijn, zie je, hou 't met de laatste, sergeant! want al dat gewriemel en gevinger op die suiker geef ik present,—ik heb ze liever zoo maar gewoon, zooals ze van d'r moer komen.—Neen! dankje, sergeant, onder m'n werk kan ik niet pruimen, je kan nooit weten hoe 'n blaadje tabak in je beslag raakt, en dat vleit niet. Ja, 'n sigaar wil ik wel van je hebben, die rook ik van avond!—
—Bakker!
—Wat blieft, hofmeester!
—Je moet zorgen, dat er morgenochtend versch krentenbrood ook is—de administrateur heeft 't daar net opgegeven.
—Is ie beduveld! Nou nog krentebrood ook? Ja wel zeker—ik heb daar niks te doen! Tulband, koek, brood, krentebrood. God zal me helpen! ik heb maar twee handen aan m'n lijf.... O! is u daar meneer!—jawel meneer, de hofmeester heeft 't me net gezeid, 'k zal d'r voor zorgen, meneer! O ja! 't gaat wel, meneer—we zullen wel 'n beetje poot-an spelen.—Ajo! maat, vooruit! sta niet te zaneken—zeker! meneer,—versch krentebrood—'t zal er wezen.... Kijk 'm daar gaan—hij hoeft 't niet te bakken, hij kan kommandeeren,—voor mijn part is 't nooit Sinterklaas.
De administrateur, die aan kok, bakker, sappieboer en bottelier zijn orders is gaan geven, keert terug naar zijn hut en neemt uit een doos een paar nette kleine surprises-cartonages die hij met meer andere te Port-Saïd heeft gekocht om voor de passagiers als cadeaux te worden gebruikt.
Hij begeeft zich naar een leegstaande familiehut eerste klasse, waar op de couchette kistjes vol bonbons, chocolade figuren pistaches en dragées zijn uitgestald. Twee, voor de zeeziekte immune passagiers zijn dáár bezig de surprises te vullen en in te pakken. Hij tikt aan.
—Wie daar? klinkt 't van binnen.
—Ik!
—O! administrateur is u 't? Kom er in, we zijn al een heel eind op streek—we hebben de pakjes bijna klaar.
—Mooi! ik heb hier nòg een paar aardigheden om te vullen.—Hoe is 't met de versjes?
—Ik schrijf juist het laatste, dat's voor den kolonel—dien hebben we dat leuke bonbon-doosje toegedacht, met die speelkaarten er op—luister eens:
—Heel goed!—en de andere gedichten?
—O, die zijn naar rato!
—Heeren! 'k maak je mijn compliment—als die gedichten geen panaceën tegen de zeeziekte zijn laat ik me kielhalen!
—Niet sarcastisch worden, administrateur!
—God zal me bewaren, hoop ik!—Ik ben u veel te dankbaar voor al de moeite die u je hebt getroost.—En hoe zullen we nu de zaak verder entameeren?
—Wel! Wij hebben zóó gedacht: Als nu de kommandant aan tafel en als de passagiers ìn het salon vereenigd zijn, zou ik willen zeggen, dat de Sint met een extra boot aan boord is gearriveerd, of zoo iets, dan zijn ze geprepareerd en later kan de hofmeester dan met 't koksmaatje een mand binnen brengen met de cadeautjes en kan hij een kleine speech afsteken—die hebben we ook al voor hem geschreven. Daarna houdt hij uitdeeling—een beetje strooien er bij en de festiviteit is in orde!
—Uitmuntend!—we zullen hoop ik een pleizierigen avond hebben.
Vijf December.
't Weder is een weinig opgeklaard, de buien zijn minder hevig en het regent niet meer—maar toch slingert de boot sterk genoeg om het meerendeel der passagiers onwel te maken.
Het eiland Monte Christo is in zicht geweest; nu nadert het stoomschip Elba.
Alles gaat aan boord zijn gewonen, regelmatigen gang. Er is ontbeten, gelunchd en gebitterd—alles behoorlijk op tijd!
Aan lij wandelen een paar passagiers, met overjassen aan en omhoog gezette kragen, heen en weêr.
—Beroerd weer! zegt de een, ik kan me nog niet wennen aan die kou—'k wou dat 'k nog goed en wel op Java zat; nu begint 't lieve leven weer, dat satansche klimaat gaat me nu al in de botten zitten.
—Ga dan beneden in het salon, meneer Vinkers.
—Ba! 'k zou je danken, daar is 't me weer te onfrisch en je ziet er niet anders dan vervelende, landziekige vrouwen en drenzende kinderen. De eene juffrouw ligt op de bank, languit te dreinen en de andere hangt als een slappe vaatdoek over de tafel en dan die weêrlichtsche kinderen; ze zaniken den heelen tijd over Sinterklaas, je wordt er misselijk van.
—Kom! 't zijn kinderen, ze hopen op een pretje van avond.
—'t Zal wat lekkers wezen—je zult zien, er komt niets van terecht, want tegen den avond zal 't wel weer harder gaan waaien—wat denk jij er van Kees?
De kwartiermeester, die juist naast hen is gekomen met een paar kinderen, die even een luchtje moeten scheppen, aan de hand—vraagt met een leuk gezicht:
—Wâblief meneer?—Neen, niet loslaten Njo! Kees moet op je passen, dat je niet voor de haaien gaat, liefie.
—Of je niet denkt dat we van avond weer slechter weer krijgen?
Kees kijkt even naar de lucht, verzet met zijn tong zijn versnapering van de rechterwang in de linker en antwoordt dan:—Nou, dàt kan wel gebeuren als we Elba achter den rug hebben; d'r staat nog al wat zee en 't ziet er daar onder den wind wel naar uit of we van avond een beetje aan 't springen zullen komen.—Jongejuffrouw, blijf nou even zoet staan, we gaan dadelijk naar de kippetjes kijken, hoor!—Maar als 't zóó is, meneer, kan ik het niet helpen ... heit u anders nog iets?
—Dankje!
—Ah, daar is de dokter;—waar heb je zoo lang gezeten vandaag, dokter?
—'k Heb vast wat laxeerwater en pilletjes voor jelui klaar gemaakt tegen morgen.
—Wel zoo! Waarom?
—Och! na zoo'n Sinterklaas-avond zullen de magen aardig van streek wezen; 'n mooie uitvinding zoo'n feest—letterbanket en marsepijn is heerlijk goedje voor ons, medici!
—Hoezoo?
—Je krijgt er zulke prachtige obstructies van.
—Egoïst!
—Beste meneer! ik heb zóó weinig te doen tegenwoordig, hier aan boord, dat ik me schaam om m'n gage te toucheeren.
—'n Mooie aesculaap ben je—d'r zijn zeezieken genoeg, waarom cureer je die niet?
—Daar is geen kruid voor gewassen tot nog toe.
—'n Sterk bittertje, cognac, chartreuse, maagelixer....
—Dwaasheid! ze zit niet in de maag.
—Niet, waar dan?
—In de hersenen; ik hou zeeziekte voor 'n lichte hersenaandoening en daarom geloof ik dat afleiding, wilskracht, niet ziek willen wezen, er nog 't beste voor helpt. Zullen we eens wedden dat de meeste passagiers, die nu voor mirakel liggen, van avond alles vergeten en zoo lekker als kip zijn?
—'k Wou dat je waarheid sprak, dokter.
—Nu, je zult het beleven, als er maar veel pret is, gaat de zeeziekte overboord?
—'n Flesch champagne, dokter, als je waarheid hebt gesproken!
Half zeven! De bel voor het diner is geluid. De passagiers zijn samengekomen in het salon, van dek en uit de hutten. Er zijn er velen, die bleek en met blauwe kringen onder de oogen aan tafel zitten, maar op een paar dames na, die betoel, betoel ziek zijn en zooals Kees beweert: "geen halflood zeevleesch an d'r heele karkas hebben," zijn allen present.
Men heeft gehoord, dat na tafel den passagiers een verrassing wordt bereid en wat de bittertjes, chartreuses, bruispoeders en pillen niet deden, heeft nu de nieuwsgierigheid gedaan, hen namelijk in zooverre opgeknapt, dat ze aan tafel konden komen.
Er wordt druk gepraat.
De administrateur, een gezellig causeur, die verbazend goed den slag heeft om met dames te babbelen, doet wat hij kan om 't gesprek gaande te houden. De dokter werkt zijn geheele anecdoten-repertoire af en zelfs de meestal ernstige kommandant maakt gekheid met zijn tafelbuurtjes en houdt haar in spanning door gezegden als:—Ik weet al wat Sint Nicolaas u brengt juffrouw; je zal d'r van staan kijken als een kat voor een duivenhok, of:—Majoor, zet je maar schrap, de Sint brengt je van avond een gard.
Er wordt een stevig glaasje wijn gedronken, een paar malen vliegt aan de middagtafel een champagnekurk omhoog, en omdat de twee zijtafels niet voor de "hooge oomes" willen onderdoen, worden van lings en rechts ontploffingen gehoord.
—'n Jolig diner, van avond! zegt de bleeke jongeling, die naast de Indische dame met zeebeenen zit.
—O! Lekkèr—geheel lekkèr—zoo mag ik wel, merk u wèl niemand sakit laut, já?
—U heeft gelijk, mevrouw! er zijn geen zieken, maar 't is ook veel beter weêr geworden....
Bons, flang, ring, flang!... als wilde de zee die woorden logenstraffen, werpt zij een van de nougattempels, die als milieux de tafels versieren, door 't slingeren van de boot op borden en wijnglazen in gruizelementen.
—Allàh! u zeggen niet zoo gojang!—O, lo! veel erger dan anders, maar u niet merken door de pret jà!—
—Wat zei ik u? fluistert de dokter zijn buurman toe, we slingeren driemaal meer dan van morgen en als die miserabele taart er niet was, dan—Zie je, daar heb je 't al, Mevrouw Willemse staat op, nu voelt ze in eens weer de zee.
De kommandant, begrijpend dat hij in 't voordeel der goede stemming partij moet trekken van het geval, tikt aan zijn glas en zegt:
—Dames en heeren!
—Stilte! stilte! de kommandant wil toasten!
—Dames en heeren! maakt u niet bezorgd over dat schokje—'t was geen roller, maar 't was eene kleine aanvaring!
—Hè? Wat? Hoe?
—De boot van Sinterklaas is ons langs zij gekomen en zijn dolfijnen hebben even hun koppen tegen ons boord gestooten. We zullen het dessert laten afruimen en dan worden de heeren en dames, de groote en kleine kinderen, verzocht eerbiedig en met een gepast lied als: "Sinterklaas, goed heilig man" of iets dergelijks, den ouden heer te verwelkomen. U moet mij excuseeren, want ik word gewacht op de brug om over uw aller veiligheid te waken!
—Bravo leve de kommandant, hoera!
—Pang! Een flesch Moët knalt open!
—Eerst nog een glaasje op je gezondheid, kommandant.
—Nu goed dan, nog één! Je welzijn meneer Bergersma!
—Dank u!... Dames en heeren! hij leve, onze gezellige kommandant!
—Hiep hiep hoera! lang zal hij leven, lang zal hij leven in gloria! Gloria—a-a!
Zee en wind zijn weer vergeten en de algemeene vroolijkheid keert terug.
—Lang zal hij leven in gloria—a—a!
—Hiep, hiep, hoera!
In de hut van den hofmeester ligt alles overhoop. Op de couchette zit het koksmaatje reeds geheel gekleed, tusschen een grooten witten zak vol strooigoed en een stapel pakjes van allerlei vorm en kleur. Zijn voeten rusten op een mand vol papieren, snippers en stroo.
De hofmeester, in 't costuum van Sint Nicolaas, met de vlaspruik onder den bordpapieren mijter op 't hoofd, tracht voor een spiegeltje, dat de koksmaat vasthoudt, zijn baard aan te doen en de dikke linnenjuffrouw naait met groote steken, de vlag, die te lang onder de kimónó uithangt, een eind op.
—Stè èsjeblieft stil hofmeester, ik rèk ènders ook m'n equilibre kwijt—nog mèr en pèr steken, dèn ben jè klèr!
—Die baard is te groot, ik stik d'r in.
—Je moet 'm ook over je ooren hangen, hofmeester.
—O, zóó ja! nou is ie goed!—ben je nou klaar, juf?
—Dèdelijd! nog even je borstplooitjes en de kenten slippen nèzien.
—Dat geveugel an m'n lijf kan ik niet velen, laat dat maar waaien.
—'t Stèt zoo leelijk, wècht nu even, hé? Zoo, nu ben je klèr! Wèr is je vers, ken je 't vèn buiten?
—Geen steek d'r van juf—maar dat's niks. Hij moet 't me maar voorzeggen.
—Souffleeren! jè, dèt kèn wel. Vooruit nu mèr!
De hofmeester gaat de hut uit, deftig, met zijn bisschopsstaf in de hand; 't koksmaatje springt van de couchette, keert de mand met snippers om, doet de pakjes er in en gaat dan, met den zak op zijn rug en de mand vol pakjes aan de hand, hem achterna.
—Goddori! zegt de hofmeester, omkijkend, je bakkes!
—Wat zou m'n bakkes?
—'t Is nog wit—je bent immers 'n zwarte knecht.
—Dat 's waar ook! Zeg juf, geef me gauw een gebrande kurk.
—Dat duurt te lang, ik zal je wel anders helpen, neem maar inkt, dáár staat 't fleschje.
—Maar hofmeester, dat gaat er zoo moeilijk weer af.
—Hindert niet, je hoeft morgen niet naar je meissie: gauw, vooruit!
Een paar minuten later treedt Sint Nicolaas, gevolgd door zijn zwarten knecht, het salon binnen.
Deftig begroet hij al de aanwezigen met een—Dames en Heeren! ik ben Sinterklaas en ik kom jelui ereisies opzoeken en dat is m'n zwarte jongen, die—maak je buiging roetmop—de cadeautjes brengt.
—Hum! hum!... hij begint zijn vers:
Maar 'k kom nu ... Hm! Hm!... Ik kom nu ook ter zeehm! hm! Bliksem!—Hm! ter zee!—Hm!... Ja, Dames en Heeren of ik 't nou zeg of zwijg, ik ben m'n vers vergeten en die stommeling soeffleurt me niet, maar.... hij neemt het papier uit handen van den zwarten knecht, legt het op tafel en zegt:—Die er lust in heeft, kan 't zelf lezen, 't is heel aardig!... d'r zit 'n beetje inkt an, maar dat komt omdat we in de gauwigheid geen kurk hadden, Hm!... en nou zal ik ieder 't zijne geven.—Moriaan, strooi jij ondertusschen reis 'n beetje!
Met zijn groote handen grijpt de zwarte knecht in den zak en werpt bonbons, chocolaadjes, noten, amandelen, koekmoppen en pistaches om zich heen en over de passagiers, die gierend van 't lachen, als kleine kinderen aan 't grabbelen gaan.
Dan, terwijl de vroolijkheid steeds stijgt en de jongens warme wijn en Sintnicolaasgoed presenteeren, ontpakt de hofmeester zijn mand en geeft aan iedere dame en heer het voor hen bestemde pakje.
—Leve Sint Nicolaas! Leve de zwarte knecht! Hiep, hiep hoera!
—Sinterklaas, een glas champagne?
—Asjeblieft meneer Vinkers!
—Ha! Ha! Ha!
—Zwartje, jij ook een glas?
—Nou meneer, drinken we in ons apenland niet dikkels. Asjeblieft, wel twee!
—Bravo! Lang zullen ze leven!
Zeeziekte en schommelingen zijn totaal vergeten, hooger kleuren zich de aangezichten, lachend en schertsend vallen de passagiers nu en dan tegen elkander aan door 't stampen van het schip, maar niemand heeft er hinder van.
De dokter ledigt de gewonnen flesch champagne met de andere heeren.
Buiten huilt de storm; de opgezweepte golven slaan over 't schip en op de brug staat de kommandant in zijn oliepak en tuurt oplettend in de duistere verte!
In zijn hangmat in het halfduistere soldatenlogies ligt een fuselier. Het flauwe schijnsel van 't licht dat er brandt, beeft over zijn ingevallen wangen, 't glijdt langs zijn slappe rimpelige oogleden, waaronder de oogballen rusteloos trillen en laat even de klamme haarvlok zien, die, onder uit zijn politiemuts komend, tegen 't gele, beenige voorhoofd plakt. Hij is afgekeurd voor den dienst. Jenever en vrouwen hebben hem vóór den tijd oud gemaakt, buikziekte en moeraskoortsen deden het overige. Als een jonge grijsaard, een vroeg gesloopt organisme, ligt hij, half sluimerend, half soezend, onverschillig voor alles, behalve voor het "mokje" jenever, dat hem tweemaal per dag toekomt.
—Mo'je d'r niet is uitkomme? vraagt een kameraad, die in de eene hand een kom koffie houdend, met de andere een stuk tulband naar den mond brengt.—Ze benne knappies in de pret, hoor je wel? en hij wijst op een aantal soldaten en stokers, die achter in 't logies bij elkaar zitten, lachend en pratend.
—Kom! kerel, kruip d'r nou ook is uit, je lach je dood, ze hebben Sijbrands te pakken met een surprisie.
—Och la' me liggen.
—Mo' je tulband?
—Nee, stik!
—Nou dan niet! en met een schouderophalend: "Hij wordt suf," gaat de soldaat terug naar de anderen, die, bij, over en half op Sijbrands leunend, toekijken hoe deze een groot, in zeildoek genaaid, met teer en verf besmeerd pak openpeutert.
Een oogenblik wendt de zieke fuselier het hoofd om naar de zwak verlichte groep en terwijl een smadelijke glimlach om zijn bleeke, dunne lippen speelt, mompelt hij:—Flauwe mop!—sluit de oogen en draait zich zoover mogelijk om. Zijn oogen gaan weer een poos open staren naar den geligen scheepswand, waartegen nu en dan reusachtige schaduwen glijden van de heen en weer bewegende mannen, dan sluimert hij even in om dadelijk weer te ontwaken, door 't gelach en gejoel der anderen.
"Sunter klaassie bonne, bonne, bonne!" zingt er een met ruwe stem. "Gooi wat in de leege tonne!" kraait een ander. "Gooi wat in de huize!" blért een derde en lachend, vloekend en gillend vallen de overigen in met: "Dankie Sinterklaassie!" als een zwartgemaakte kolentremmer met een binnenstbuitengekeerde kapotjas aan, een ketting als gordel en een roode fez op 't hoofd, uit een linnenzak eenige handenvol noten, amandelen, koekmoppen en rozijnen, over de hoofden heen op tafel gooit.
—Flauwe mop! bromt de zieke nog eens en tracht den slaap te vatten, maar eensklaps rijst voor zijn geest het beeld van een vredig, eenvoudig tehuis in een groote stad, vol lichte straten en pleinen. Hij ziet lachende, stoeiende, grabbelende kinderen in een warm, gezellig vertrek; hij ruikt de chocolade en koeklucht in de kamer. Hij ziet de goedige, dikke moeder, die voor ieder een verrassing bereidde—de altijd bezige vader, zich nauwelijks tijd gunnend om even naar zijn jolig troepje te komen kijken en ... langzaam dommelt hij in, half droomend, half wakend. Allerlei herinneringen dwalen door zijn weeker wordend brein:—Een doorboemelde jeugd, leuke vrienden, lastige schuldeischers, bedrogen meisjes ... als in een warreling van beelden vliegen ze aan zijn gesloten oogen voorbij.
't Suist in zijn ooren—die drukke geluiden om hem heen roepen andere klanken terug in zijn slappe hersenen; lang vergeten stemmen komen weer!... Kind! alles is nu vergeten en vergeven, kom als een flinke kerel weêrom—was dàt niet moeders stem? Voelde hij daar niet vaders handdruk bij 't afscheid aan boord, toen hij wegging als koloniaal? Hoorde hij daar niet de muziek op den wal, het joelen en schreeuwen der vertrekkende troepen?
Hij ziet als in nevel moeders bleek, betraand gelaat, haar lang nog wuivenden zakdoek, en dan ... dan springt hij eensklaps als geëlectriseerd op uit zijn hangmat, want: "Extra oorlam!" aan de klok, heeft zijn oor getroffen.
Hij schudt zich een paar malen, smakt met de lippen, herhaalt nog eens:—Flauwe mop! en gaat zijn "mokkievol" halen.
't Sint Nicolaasfeest is voorbij.—Eenige passagiers zitten pratend aan 't ontbijt—de meesten zijn nog in hun hutten.
Aan dek is Kees bezig met het vastsjorren van een paar stoelen, voor de twee dames die betoel, betoel ziek zijn en op last van den dokter elken dag even aan dek moeten.
Een passagier, die ook lucht hapt, vraagt hem:
—En heb jij ook 'n goeie Sinterklaas gehad, Kees?
—Ik, meneer? 'k Heb gemaft in m'n kooi, 'k moest er niks van hebben. De pret is nou voorbij—maar je zal wel d'ris rare gezichten zien van daag—'t is maar de vraag waar 't door is, door de zeeziekte of door al de buitengewoonhedens die ze gisterenavond in d'r maag hebben gestouwd!
We zaten samen in 't hotel Egener te Probolingo aan 't ontbijt. Hij was na mij binnengekomen en had zich, op de in Indië gebruikelijke wijze, aan mij voorgesteld met de woorden:—Mag 'k eens even met u kennis maken. Mijn naam is Verbeke.
—Ik heet van Maurik!
—Justus van Maurik?
—Juist.
—Och! dat doet me plezier—ik heb in de kranten wel gelezen dat u een bezoek aan Indië brengt, maar 'k had nog niet het genoegen u te ontmoeten. En toch heb ik, vooral in den laatsten tijd, dikwijls aan u gedacht.
—Ei, hoe komt dat zoo?
—Wel! ik heb zoo nu en dan wat van u gelezen en daarbij dacht ik: als ik dien man sprak zou ik hem voor de curiositeit mijn levensgeschiedenis eens willen vertellen. Een auteur moet, dunkt me, graag zoo iets hooren, al is 't maar om zijn menschenkennis te verrijken of er later stof in te vinden voor een schets of novelle. 'k Heb dikwijls gedacht; hoe halen de schrijvers de dingen bij mekaar? Ze moeten zeker hier en daar lui vinden, die hen op de hoogte brengen van een en ander....
—Dat ziet u aan u zelf meneer ... hum?...
—Verbeke. Willem Frederik Hendrik Verbeke. Ja, 'k ben een Toewan! 'k heb drie mooie voornamen, maar daar koop je niet veel voor.... Dus 't zou u interesseeren als ik u vertelde, welk toertje ik al zoo door de wereld heb gemaakt?
—Natuurlijk, maar mag ik even mijn notitieboekje halen, dan teeken ik de hoofdpunten aan—mijn geheugen laat mij soms in den steek.
Hij lachte eventjes en streek met zijn hand over zijn dunnen rossigen knevel;—Ga gerust je gang, meneer, maar wanneer je 't avond of morgen mijn lotgevallen vereeuwigt, zet dân een anderen naam in je boek, asjeblieft? Ik heb nog veel familie in Holland en die lui mochten zich eens ergeren; 't zijn daar zulke brave zielen, weet u! Steunpilaren van de kerk. 'k Heb twee dominees in mijn familie en ettelijke ouderlingen. De witte das is erfelijk in ons geslacht.
—Steek eens op, meneer! 'n lichte sigaar—eigen fabrikaat, 't is meteen een adreskaartje van den fabrikant, al rookend vertelt men gemakkelijker.
—Graag! Ja 'k heb al menig sigaartje van je naar den blauwen hemel geblazen en soms terwijl ik een boek van je las. Dan dacht ik zoo: wat 'n wonderlijke combinatie—sigarenfabrikant en schrijver—die man moet een goed standje hebben. Hij raakt ze van alle kanten ha, ha, ha!
—'t Is een dringende noodzakelijkheid dat ik fabrikant blijf, want van zijn pen kan men in Holland niet leven, daarvoor is 't land te klein, ergo....
—Verkoopt u sigaren. Koko blanda! Hollandsche sigaren in blikverpakking, gegarandeerd tegen wormen, insecten en vocht. Hij sprak snel en op één toon, als iemand die een les opzegt. Je ziet wel meneer, dat ik de reclame-biljetten uit je kistjes van buiten ken, maar je hebt schoon gelijk! Je moet turf opdoen zoolang je turven kunt, komt de oude dag dan heb je een beetje brandstof in huis om je stijve knoken bij te warmen. 'k Heb ook altijd zoo gedacht in den beginne, maar och! mijn turf is me tusschenbeiden door vrienden en buren afhandig gemaakt, en 'k ben er zelf ook wel 'n beetje ruw mee omgesprongen, Sepada!—hij riep den jongen:
—Minta whisky-soda? Mag ik u ook een glas offreeren?
—Dank u, 't is me nog te vroeg, 'k heb hier mijn thee nog staan.
—Och! ik drink ze alleen uit gewoonte om iets te hebben wat m'n tong vochtig houdt; 'k heb zeker 'n droge lever!—Sedikit whisky! zei hij tot den jongen, die hem inschonk. 'k Neem er maar een spoor whisky in, om een smaakje aan 't Apollinariswater te hebben. U zou kunnen denken, dat ik, hij maakte de bekende beweging, van dât hield. Och heer! neen, dat is 't geval niet, zoolang ik onder de tropen ben, heb ik in alle opzichten matig geleefd. 'k Heb dagelijks één enkel bittertje gebruikt uit oud-Hollandsche gewoonte, vóór den eten en 's avonds een toddy of een paar splitjes (half glas whisky soda) anders zag ik er zóó niet uit op mijn vijf en veertigste jaar en 'k ben toch van mijn twee en twintigste al in Indië. Kijk! 'k heb nog een goeien kop met haar en mijn oogen zijn ook nog perfect.
Ik keek mijn nieuwen kennis oplettender aan. Hij was een man van middelbare lengte, met een opgeruimd, bruingelig gelaat en helderblauwe oogen, die frank en vrij onder borstelige, rossige wenkbrauwen rondkeken. Zijn neus was nog al dik, maar met zeer bewegelijke vleugels, die op een zenuwachtig temperament wezen en als hij sprak, trok hij nu en dan zijn bovenlip in 't midden min of meer driehoekig op, zoodat onder zijn overhangenden dunnen knevel, de gave witte voortanden zichtbaar werden. Over 't geheel genomen, had hij iets goedigs zelfs iets kinderlijks in zijn uiterlijk, dat, ofschoon het een zeer burgerlijk type had, toch volkomen fatsoenlijk en volstrekt niet ordinair was.
In den loop van het gesprek viel 't mij op, dat hij de gewoonte had, om van tijd tot tijd een der punten van zijn langen snor in den mond te nemen en er op te bijten, terwijl hij zijn gedachten scheen te verzamelen. Zijn handen, ze waren zeer goed verzorgd, schoon sproeterig en zonverband van boven, hield hij ze al sprekend, geen oogenblik stil. Nu eens krabbelde hij met zijn lange zindelijke nagels aan de korte stoppels, die aan zijn kin uitbotten, dan weer plukte hij met zijn vingers aan zijn jaslapellen of streek door zijn kort geknipt, dik rosblond haar. Zijn geheele persoonlijkheid was overigens kalm, zijn manier van vertellen klaar, kort en duidelijk, soms bijna cynisch en zeker zou men hem een volkomen rustig man hebben kunnen noemen, indien niet zijn handen zoo voortdurend in beweging waren geweest.
—'k Ben in Friesland geboren, begon hij, op een klein dorp, waar mijn vader plattelands geneesheer was. 'k Heb nog een veel ouderen broer, die dokter is te Amsterdam—en ik ben ook begonnen met 't gymnasium, maar 'k had geen kop voor Latijn en Grieksch. Toen heb ik 't over een anderen boeg gegooid en ben gaan leeren voor den post- en telegraafdienst. 'k Was bijna klaar en zou examen doen, maar daar trof me een ongeluk met schaatsenrijden; ik kneusde mijn been erg, heel erg; 'k was er lang mooi mee! 't Genas eindelijk maar 't eene was cirka een halven decimeter korter geworden dan 't andere. Niets aan te doen, hoor! Ik was gesjochte, want even van te voren was voor de post- en telegraafbeambten de keuring ingesteld en ik kon dus met mijn te korte been naar huis hompelen.
Goeie raad duur! Wát te doen? In Holland liggen de baantjes niet opgeschept. 'k Had een broer in Indië, ook al dokter, dien 't naar den vleesche ging. 'k Had hem geschreven: Jan, mijn eene poot is voor goed opgetrokken en heeft mijn carriére in de war geschopt, kun jij me ook in je apeland gebruiken?
Jan was een goeie, hartelijke kerel en schreef me dadelijk terug: "Wim kom maar over, 'n aap meer of minder hindert hier niet. Ik zal je wel op een koffieland plakken, daar kun je zoo mank loopen als je wil!"
'k Ben een vol jaar bij hem blijven logeeren om aan 't klimaat te wennen en de taal te leeren, want ik kon me beter redden met boerenfriesch, dan met Maleisch of Javaansch, dat snap je wel. 'k Had 't Javaansch vrij gauw te pakken, Maleisch leerde ik van zelf onder de hand en toen ik zoo'n beetje van alles wat de planterij aangaat op de hoogte was, kwam ik als assistent op een koffieland. 'n Hondenbaantje hoor! Toen daarna in de tabak. Ja, ik heb misschien menig plantje verzorgd wat u later tot je onvergelijkelijke sigaren hebt laten verwerken. Van de tabak kwam ik in de suiker en van de suiker weer in de koffie: maar hoewel ik goed mijn brood had en zelfs een aardig stuivertje overlei, begon me dat eenzame leven op die plantage de keel uit te hangen. Eten en drinken heb je plenty, je kunt je zelfs vet mesten als je er lust in hebt—maar leven? Neen! dat doe je op zulke ondernemingen eigenlijk niet, je leidt een plantenleven. Daar ben ik de man niet naar, 'k ben een veel te jolige knaap, 'k hou van pret, van lachen, van dwaasheid op z'n tijd, en op zoo'n land is 't altijd en eeuwig koekoek-één-zang. Soms zag ik weken lang geen ander Europeaan, dan m'n collega, een saaie, droge vent, die me verveelde.
'k Schreef weer aan Jan: "Broêr" schreef ik, "als je niet wilt dat ik hier vastgroei of als een knol in den grond blijf zitten, kijk dan eens voor me uit naar wat anders."
—Kom maar hier—antwoordde Jan—dan zullen we op ons gemak voor je uitkijken.
Ik weer naar mijn broêr; die was toen al aan 't sukkelen. Beroerd hè? dat zoo'n dokter zich zelf niet cureeren kan en nog beroerder dat hij zoo precies weet wanneer ongeveer zijn lampje uitgaat.
Als je je rept Wim! zei hij, dan kan ik je misschien precies nog een handje helpen, vóór ik de pijp uitga. Nu dat heeft ie dan ook gedaan; door zijn toedoen en verlichting heb ik mijn examen kunnen doen als opzichter bij den Waterstaat. Tegenwoordig maken ze die examens heel wat zwaarder, maar toen ik het deed was 't nog zóó erg niet. Wel zat je zes dagen lang tegenover drie inspecteurs, die je, met permissie! 't hemd van je lijf vroegen, maar 't ging goed—ik rolde er heerlijk door met nog een ander; maar de rest werd afgewezen. Enfin! troost jelui je maar, zei ik, drie gekken kunnen meer vragen dan één verstandig mensch beantwoorden kan.
Ik lekker, dat vat je! En m'n broer had er deeg van; hij liep in zijn laatste schoenen, dat zag ik wel en den avond voor we hem dood in zijn bed vonden zei hij nog tegen me: Wim! dat hebben we 'm nog net gelapt, ouwe jongen! Kijk jij nou een beetje, dat mijn vrouw en kinderen goed naar Holland komen.
Goddank! ze konden leven, Jan was altijd zuinig en oppassend geweest.
Een heele poos ben ik opzichter bij den Waterstaat geweest, maar veel vooruitzicht had ik niet en 'k begon ook alweer genoeg te krijgen van dat dwarskijkersbaantje; 'k heb me nooit lang bij één ding kunnen bepalen, dat merk je wel! Daar gebeurde me iets wat je toeval of fortuin zou kunnen noemen. 'k Was te Samarang en maakte er kennis met een Engelschman. Toen die mijn naam hoorde vroeg hij: Ben jij soms een broêr van dokter Verbeke? Ja! dan doet 't me plezier je te ontmoeten ... jouw broer heeft mij radicaal van de spruw genezen, ik was destijds een arme slokker en hij heeft me nooit laten betalen: daar ben ik hem nog altijd dankbaar voor!
Ik vertelde hem, dat ik mijn bekomst had van den Waterstaat en dat ik wat anders wou beginnen. Well! zei de Engelschman, word aannemer. Je zegt immers dat je wat geld hebt—ik ben toevallig in de gelegenheid om je goed werk te bezorgen. Je kunt op mij rekenen! 'k Hoor hem nog zeggen:—Your brother cured my body, I shall cure your affairs! En hij hield woord! Ik nam mijn ontslag, werd aannemer en hij bezorgde mij plenty werk. Zie je, dat was nog eens een man die voor een ander wat over had.
Jongens, ik bofte toen zoo! In vier jaren tijd had ik een goeie zestigduizend gulden overgelegd, 'k had royaal geleefd en me waarachtig niet verkniesd. Was ik destijds aannemer gebleven dan zou 'k misschien nu een ton of wat in de wereld hebben, maar de duivel mag weten hoe 't kwam, ik kreeg van de aannemerij ook al weer genoeg. 'k Geloof dat ik toen, voor mijn doen, te veel geld had, en dat de broodkruimels me staken. Op aanraden van een goed vriend—de satan mag hem voor mijn part halen—kocht ik een koffieplantage.
De rakker wist wel dat 't ding geen geld waard was, maar hij kreeg zijn provincie en dáárom was 't hem te doen. Dat was God beter 't een landsman. Ja! van je vrinden moet je 't maar hebben.
't Begon me tegen te loopen; in de boontjes lukte 't niet. Eerstens waren de gronden niet goed en tweedens hielp Toewan Allah niet meê. Mislukte oogsten, ziekte in de boonen, slechte prijzen, alles werkte samen om me uit te kleeden. 'k Zat in een minimum van tijd in de beer en wel zóó dik, dat ik geen gat meer zag om er uit te komen.
'k Wist geen raad en dacht: waarom zal ik nou langer al die soesah hebben. Kinderen hou ik er niet op na, mijn familie in Holland zal me niet missen, ik blaas me een blauw boontje in m'n kop en Soedah!
Maar 'k heb het niet gedaan en weet je wie me terug gehouden heeft? Mijn huishoudster!
Je begrijpt wel dat 'k in Indië zoo'n nuttig meubel hebben moest, en toen ik er eenmaal toe overweging om zoo'n inventarisstuk aan te schaffen, heb ik er naar mijn beste weten een uitgezocht van goede kwaliteit. 'k Heb nog al een gelukkige hand in dat soort van zaken—en daarom trof ik 't zeker ook zoo best. Ik kreeg een Boegineesche, Sina heette zij. Mooi was ze zoolang ze heel jong was, later had ze toch een dragelijk gezicht, maar trouw! trouw meneer! als een hond. Ik heb haar achttien jaren lang bij me gehad, nu is ze sedert een paar maanden dood....
Verbeke zweeg even, beet op de punt van zijn knevel, keek naar zijn lange nagels, nam toen een teugje whisky-soda en vervolgde:
—Ja! ze is dood, 't onthandt me erg, want ze deed alles voor me. Enfin je kunt niet eeuwig bij mekaar blijven, hé? Maar om op mijn koffieplanterstijd terug te komen: ik wou me dan maar gewoonweg voor den kop schieten en 'k zou 't gedaan hebben ook, wanneer Sina me niet 't pistool uit de hand had geslagen. Ze gooide 't voor mijn oogen in de kali en zei:—Ben jij een man en kan jij je ongeluk niet dragen? Toewan Allah heeft je eerst rijkdom gegeven, dien heb je aangenomen—nu neemt hij je het geld weer af—moet je je daarom doodschieten? Foei! ik ben maar een zwakke vrouw, maar ik heb meer moed dan jij—Ajo! wees vroolijk; ik heb den goeden tijd met je doorgemaakt, ik zal je ook door den slechten helpen. We zullen er samen wel komen. Zij bracht mij een goede achthonderd gulden, die zij bespaard had en zei: dáár! dat heb ik nog, daar beginnen we weer mee!
Sina's broer was tuinjongen bij me en haar vader had ik als mandoer op mijn land. Je begrijpt, met de familie van je huishoudster bemoei je je nooit—je blijft altijd Toewan tegenover die lui—maar toen ik met Sina 't land afging, waren ze erg beroerd, ze hadden kasian met ons.
—Ja, die vader van Sina was een wonderlijke kerel, goed van hart, maar een driftkop. Hij had in vroeger jaren, voor hij getrouwd was met Sina's moeder, een perkara gehad met een anderen inlander en wel door een haan—dat wil ik u even en passant vertellen, 't teekent zoo'n beetje de toestanden onder die lui.
Hij had namelijk een vechthaan, die zich meten zou met dien van zijn neef. U weet zeker wel dat de inlanders dolle liefhebbers zijn van hanengevechten en dikwijls bij die gelegenheden voor hun doen groote sommen verwedden. Soms zelfs verspelen zij op die manier hun heele hebben en houden, hun huis, hun sieraden, kortom alles! 't Is een passie, die hen volkomen beheerscht.
Nu gebeurde het dat de haan van mijn schoonvader het verloor, zijn neef lachte hem daarom uit, ze kregen woorden en om een eind aan de zaak te maken trok Sina's vader zijn kris en stak zijn soedara overhoop. Hij vluchtte naar Makassar, werd daar aangeworven als cavallerist en kwam in later jaren weer op Java terug. Daar nam hij een andere vrouw, zijn vorige was te Makassar gebleven, en kreeg een dochter, Sina, mijn huishoudster.
Hij was waarachtig een eerlijke flinke kerel, dat heeft hij me later bewezen, maar dat zal ik u strakjes vertellen, laat 'k nu bij mijn eigen lotgevallen blijven.
Met het geld van Sina begon ik weer zoo hier en daar een klein werkje aan tenemen. 'k Had nog genoeg relaties en 't gelukte me er weer in te komen. Eerst vlotte 't niet te best, maar eindelijk kreeg ik beter werk en binnen een groote anderhalf jaar had ik weer een dikke vijfduizend gulden over. Sina administreerde mijn duiten, begrijp je? En ze deed dat zóó goed, ze hield van zóó weinig huis en paste zóó op alle kleintjes, dat ik zelf verwonderd was dat we 't in ieder opzicht royaal hadden en toch zoo bitter weinig uitgaven. Daar kreeg ik op eens een groote aanneming voor Menado op Celebes, een werk waar een ferme duit aan te verdienen was. Ik moest er natuurlijk zelf heen, maar wou Sina niet mee nemen—'k had haar genoeg geld gegeven en voor alles gezorgd, zoodat zij 't goed kon hebben zoolang ik weg was—ze scheen zich te schikken in de scheiding, maar toen ik goed en wel op de boot zat, zag 'k haar op eens voor me, met haar vader. Ze kwamen me smeeken haar meê te nemen. Eerst wou ik er niet van weten; 'k was nijdig, want 'k vond het onhebbelijk dat ze me tegen mijn zin gevolgd was, gaf haar een frisch standje en zei tegen haar vader:—neem haar weer mee; 'k kan haar op reis niet gebruiken, maar ze lei als een hond aan mijn voeten, ze omvatte mijn knieën en riep: "ik zal sterven als mijn heer heengaat en ik weet hij kan mij niet missen, hij heeft Sina noodig om voor zijn geld te zorgen. Och! neem me meê anders kom je arm terug" en vader zei: "Sina heeft geen ander in haar hart, laat haar niet sterven?"
't Was een allernaarste historie, een scène van belang aan boord. Enfin! ik liet me verbidden en zei:—nu in Gods naam dan, blijf! Toen zoende ze mijn handen, mijn voeten, ze kroop voor me op den grond, meneer en met al die malligheid was de boot onder stoom gegaan en waren we al een heel eind van de pier. Schoonpapa had er evenmin op gelet als wij, maar toen hij zag dat ik Sina bij me hield, kreeg hij het in eens in de gaten.
Slamat djalan! riep hij ons toe, trok achter uit zijn hals zoo'n lang mes, dat hij op zijn rug onder zijn baadje had, nam 't tusschen zijn tanden en jumpte overboord. Hij zwom naar land, dat is voor zoo'n Boeginees maar een kleinigheid....
—En dat mes, meneer Verbeke?
—O! dat was voor 't geval dat hij een haai tegenkwam, maar 't is overbodig geweest, hij is goed en wel aan land gekomen. Sina en ik hebben sàmen—ja bepaald samen—dat werk te Menado afgemaakt en toen 't op zijn eind liep werd ik daar zwaar ziek; hevige koortsen. Toen was ik toch blij dat ik haar bij mij had. Ze heeft me verpleegd—dat doet geen soeur de charité beter—achttien dagen lang is ze niet van mijn bed weggeweest en toen ze zag dat de dokter mijn ziekte niet meester werd, heeft zij zelf in 't bosch kruiden gezocht en een drank gebrouwen, die me heel gauw er boven op hielp, 'k Herinner me niet alles van die ziekte, want ik was soms buiten westen, maar ik weet nog best dat ik niet kikken kon of ze stond voor me. Ze lei op een matje voor mijn bed, en was er met geen stok weg te slaan. Ja, 't was in haar soort een kranig mensch, maar ten slotte werd zij ook ziek en toen keerden we de rollen om en heb ik haar opgepast. Zij was gauw weer op dreef, want bij haar was 't alleen maar overspanning en vermoeienis en ze zei:
—Sina wordt van zelf beter nu jij beter bent.
Zoo ben ik dan weer een heelen tijd in de aannemerij gebleven, totdat ik ineens lust kreeg om een poos naar Holland te gaan. Natuurlijk kon ik Sina daarheen niet meênemen, mijn heele familie zou een onzedelijkheidsstuip hebben gekregen als ik met mijn bruine huishoudster was komen aanzetten. Ik sprak er met haar over; ze was in die dingen nog al beredeneerd en bevattelijk en zei zelf:—Ja, ik begrijp heel goed dat je eens naar je familie wilt en ook dat ik niet mee kan gaan, maar mijn hart zal bij je zijn—en kom je weerom?
Natuurlijk, zei ik, maar hoe vraag je dat zoo? Och I zei ze, misschien blijf je in Holland en zoek je daar een blanke, Europeesche vrouw. Dat zou ik je niet kwalijk nemen, want dat moet er voor ons vrouwen toch te avond of morgen van komen—maar kijk goed uit wie neemt. Je bent goedig en je moet een vrouw hebben die van je houdt,—ze wees op mijn been—die begrijpt dat Toewan Allah je al genoeg misdeeld heeft en die je goed behandelt. Als je met haar terug komt en ze is niet goed voor je—laat ze dan uit mijn weg blijven!
'k Had Sina nog niet zóó gezien, ze was compleet in de war en begon te huilen dat 'k er bepaald beroerd van werd. Ze heeft alles voor me in orde gemaakt, keurig, alles nieuw. Slaapbroeken, kabaaien, flanellen, zelf genaaid op de machine. Ja, ze was verduiveld handig en zorgzaam ook, want—hij lachte hartelijk—ze had zelfs een flesch obat (medicijn) in mijn koffer gedaan, voor 't geval dat ik weer eens zoo'n koorts mocht krijgen.
In Europa heb ik ruim anderhalf jaar genoten van alles wat te genieten was, te Parijs, Brussel, Berlijn, Weenen, Hamburg en Amsterdam, 'k Heb overal een lieve duit laten zitten. Wat 'k oververdiend had, was glad weg, maar gelukkig dat ik ook nog wat in Indië op de bank had gezet. Met dat kapitaaltje ben ik weer begonnen toen ik terug kwam. Sina was blij als een kind—verbeeld je.—Ze was mager geworden en stil, 't was net alsof ze zich mijn afwezigheid aangetrokken had—nu, misschien had ik haar ook eens moeten schrijven, maar ze kon niet lezen, daarom had ze er toch niets aan gehad, niet waar?
Ze fleurde heel gauw weer op en werd weer dik en vetjes, die inlandsche vrouwen hebben gauw aanleg tot corpulentie, als ze geen soesah hebben. Zij had zuinig geleefd terwijl ik weg was en wat ze over had kwam ons goed te pas, want we moesten 't toch zuinig overleggen, omdat door mijn verblijf in Europa mijn zaken een knauw hadden gekregen. De aannemerij lukte niet erg meer, maar Sina wist raad en toen hebben we een soort van handel opgezet. Zij had er een ongekenden slag van om voor weinig geld allerlei producten te koopen, ik liet haar maar scharrelen met de inlanders en leverde dan weer als tusschenpersoon aan exporteurs en handelaars. Onfortuinlijk ben ik eigenlijk nooit geweest, want als ik op droog geloopen was, kwam al gauw weer iets wat me vlot maakte.
We hebben aardig geld verdiend en omdat ik begreep, dat als ik 'reis uitkneep, Sina toch wat moest hebben, had 'k een heel flink huis van circa drie duizend gulden voor haar gekocht, op haar naam gezet, een aardig duitje op de spaarbank geplaatst en verschillende juweelen van iemand overgenomen.
En daar gaat ze me nu waarachtig dood, jammer! ze is tot 't laatst bij haar positieven gebleven en geen uur voor haar dood zei ze nog tegen haar vader: "Kijk eens voor hem—dat was ik, vat je?—naar een andere vrouw, want hij kan niet zonder, hij staat als een kind op z'n beenen"—hoe denkt zoo'n schepsel in zoo'n oogenblik aan zoo iets, hé? Ze is heel kalm gestorven en ze liet mijn hand niet los, dan toen haar vingers slap werden door den dood.
Ja! 't was een heele vreemdigheid toen ze weg was, 't kwam zoo plotseling; ze was maar een dag of acht ziek. 'k Was heusch erg onder den indruk, want je hecht je aan zoo'n mensch en u weet niet hoe ze je hier van alle kanten beduvelen en exploiteeren als je célibatair bent.
Sina's vader, dit wou ik u straks vertellen, was niets inhalig. Volgens de wet was hij haar erfgenaam, maar hij kwam bij me en zei:—Toewan, 't is allemaal van u gekomen, wat doe ik met al dat geld? Geef mij vijfhonderd gulden, dan koop ik een huisje, en haar juweelen, maar zoek er eerst alles uit wat je zelf hebben wil tot gedachtenis. De Boeginees viel me betoel mee! Hij ging zelf naar den notaris en liet het huis weer op mijn naam overschrijven. Ik betaalde hem vijfhonderd gulden en nam dezen ring, een mooie steen hé? En een paar brillanten oorknoppen, ze hadden me vierhonderd pop gekost, want ik dacht, die ouwe man heeft er toch niets aan en ik kan ze allicht voor een andere vrouw gebruiken.
Mijn vrouws broêr, de tuinman, kwam de vorige maand bij me en zei: 'k heb een goeie vrouw voor u, jong en zachtaardig, en de ouwe had er onderwijl ook al een opgescharreld, maar ik heb geen van beiden genomen—ik wil nu eens een Chineesche hebben, die zijn wat meer ontwikkeld en nu is er me een door een sobat aan de hand gedaan. Daarom zit ik nu hier in 't hotel, begrijpt u? 'k Heb met dien staartknaap afgesproken, dat we mekaar hier zouden treffen, dan zou hij me bij de familie van mijn aanstaande brengen. De vader wil haar niet te duur afgeven—en 't moet een lief vrouwtje wezen. Bevalt ze me, dan neem ik haar meê—anders ga ik alleen een poosje naar Japan, dat moet zoo'n mooi land zijn. Nu Sina dood is heb ik toch geen idée dat ik onze zaken kan doorzetten, dat inkoopen is mijn fort niet. Enfin! 'k zit nu nog goed in mijn duiten, die moeten weer eens rollen.
'k Heb voor alle eventualiteiten een levensverzekering van 3000 gulden genomen, dat 's voor mijn begrafenis en 't beredderen van mijn boel.
Die me er onder stopt mag dan de rest, die overschiet, houden—Ah! daar komt mijn Chinees—adieu! meneer, tot het genoegen u weer te zien, ik ga eens kijken of 't nieuwe inventarisstuk, dat hij offreert, me bevalt. Salut!