EEN HUT BIJ DE KINDERKAMER.


—Ik zou u heusch aanraden om na de lunch zoo van tweeën tot vieren een dutje te doen, zoo'n kleine siësta is bepaald noodig in de warmte, zei de vriendelijke, jonge controleur, die met zijn ega tegenover mij aan tafel zat.

—Weldadiger dan zoo'n slaapje bestaat er niets! voegde het blonde vrouwtje er lachend bij.

—Gisteren heb ik 't al geprobeerd, Mevrouw, maar ik kon den slaap niet vatten; 't is altijd zoo druk aan dek, je hoort er allerlei geluiden, ze loopen voortdurend heen en weer en ...

—Ongewoonte, meneer! en terwijl 't controleursvrouwtje haar man guitig aanzag, zei ze:

—Charles kon in den beginne overdag ook niet slapen, maar nu ... soms moet ik manlief om half vijf schudden, ja? en heusch hij snurkt, foei!

—Och, als ik eens den slaap gevat heb zet ik studdy door, lachtte hij terug en zich over tafel vertrouwelijk naar mij toe buigend:—maar ik slaap in mijn hut, daar leg je rustig, je kunt je ontkleeden, afijn! je totaal lekker maken. Geloof me, doe zooals ik, ga op uw couchette liggen; 't is een afdoend middel....


De rijkelijke lunch had mij loom gemaakt. Ik voelde mijn oogen trekken en een dof gevoel in 't hoofd voorspelde mij dat ik ditmaal slapen zou. 't Was ook nog iets ongewoons voor mij om den ganschen dag, van 's morgens 6 uur af, in de lucht te zijn. De zee maakt meestal in den beginne den nieuweling moe en slaperig—ik besloot dus mijn hut op te zoeken. Aan boord waren reeds de meeste passagiers in in zalige rust; op 't dek lag de gepensionneerde majoor aan bakboord met open mond en afhangende armen in zijn luierstoel te slapen, naast twee Indische dames, die met pruimenmondjes en opgetrokken wenkbrauwen erg fatsoenlijk dommelden; tegen de kajuitskap leunend, snurkte op de bank de anders zoo spraakzame koffieplanter en aan stuurboord lagen, als de broertjes en zusjes van klein duimpje op één rei, zeven jonge dames en heeren, de vruchten van den al te weelderigen echt van een resident, die van verlof terugkeerde. 't Schip scheen als uitgestorven, want in den salon was niemand en zelfs in de kinderkamer zaten de drie Baboes met de aan haar zorgen toevertrouwde spruiten zachtkens druilend bijeen.

Pff, wat was 't benauwd in mijn hut, ze scheen me een oven toe—maar in de Roode zee is het nu eenmaal niet anders mogelijk.

Ik maakte mij lekker, deed jas, pantalon en overhemd uit en ging languit op de couchette liggen.

Zachtkens, regelmatig slingerde de boot heen en weer—van zeeziekte voel ik gelukkig nooit iets—en voor mij was die zachte schommeling zelfs een aangename beweging; 't was mij alsof ik gewiegd werd. Ik kan mij die periode uit mijn kindsheid natuurlijk niet meer voor den geest brengen, maar mij dacht, ongeveer zóó moet de beweging geweest zijn die mijn goede bezorgde moeder met haar voet aan mijn wiegje mededeelde.

Een, twee! E-é-é-n—twee-e-e! heen—terug! hé-é-én—terúg! 't Was inderdaad een weldadig gevoel, maar—in plaats van er door in te slapen, werd ik er helderder door en begon te luisteren naar al de geluiden, in de stilte rondom mij.

Achter, onder mij, hoorde ik de rusteloos wentelende schroefas en het ruischen en bruisen van het water, dat schuimend opspatte langs achtersteven, roer en boord. Onwillekeurig telde ik, ze vijf aan vijf afdeelend, de doffe dreunende slagen der machine en allengs meende ik woorden te hooren in de regelmatig wederkeerende korte rhytmische stooten van het aan stuurboord ontsnappend condensatie-water. 't Scheen mij alsof de boot, als medelijdend met de warme puffende passagiers, de woorden: ik-kan-niet gauwer—ik kan niet gauwer! voortdurend uitstootte.

Oah! ik geeuwde een paar malen. Was 't door slaap of zenuwachtigheid? Ik geloof door 't laatste, want ik bleef wakker en moest nolens volens naar dat eentonig ruischen en dreunen luisteren, terwijl het zweet mij aan alle kanten uitbrak, want de temperatuur in mijn hut was ongeveer 94°.

Groote hemel welk een hitte! en wij zijn nog niet eens midden in de Roode zee, hoe houd ik het verder uit? Die gedachte speelde mij door het hoofd en overweldigd door de benauwde warmte druilde ik eindelijk in en begon dadelijk onrustig te droomen van een grooten glasblazersoven, waarin men mij met de voeten vooruit wilde duwen. Een reusachtige woeste kerel stootte mij voort, steunend en hijgend: ik-kan-niet gauwer—ik-kan-niet gauwer!

Met een schrik, schokkend en trillend ontwaakte ik en keek op mijn horloge. Onbegrijpelijk! 'k had nog geen kwartier geslapen. Mijn gelaat droop van 't zweet, mijn kussen had een natten indruk van mijn hoofd gekregen en mijn goed kleefde me letterlijk aan 't lijf. Weg dus met alles wàt gemist kon worden, alleen mijn flanelletje bleef mij over. 'k waschte mij met het meer dan lauwe water uit mijn lavabo en dronk een half glas limonade.

'k Begon me nu erg moe en slaperig te gevoelen, mijn oogleden werden als lood.

Komaan! nu nog eens ernstig geprobeerd; met den vasten wil van te zullen slapen, zal 't, moet 't gelukken. Weer strekte ik mij op de couchette uit zoover ik kon, maar! ik heb lange beenen en daarom bleef ik, zooals men dat aan boord noemt, "opgeschoten liggen in een flauwe bocht." Iemand die wel eens op last van zijn dokter heete kamillen met vlier en anijszaad heeft gebruikt tegen een verkoudheid, die hij onder een berg wollen dekens en kussens bij een paar warme kruiken moest uitbroeien in een goed gestookte kamer, kan zich een flauw denkbeeld vormen van de warmte in de Roode zee.

Naast mij hoorde ik mijn buurman, een naar Indië terugkeerend ambtenaar snurken. Hij snurkte mooi, geweldig en artistiek. Eerst haalde hij krachtig door zijn neus op, met een kleine ontploffing in de keelholte elken ophaal besluitend—en dan stootte hij een geluid uit, melodisch en forsch tegelijk, als de erotische kreet van een jongen panther.

Aan de andere zijde van mijn hut zaagde een officier, die bij zijn lunch een stevig glas wijn had gedronken, een solo en achter mij hoorde ik van een jong mensch korte, stootende pff!-klanken, als ontsnapte er bij kleine tusschenpoozen stoom uit zijn mond.

'k Werd jaloersch! Gelukkige snorkers!—Waarom kon ik nu toch den slaap niet vatten—ik heb toch anders ook een zekere reputatie wat slapen betreft. Hoor ze nu doorzetten! Hé, hoe benijdde ik mijn buren! Had ik ook maar een stevig glas St. Emilion gedronken—mijn maag kan er niet tegen, jammer genoeg!

'k Besloot te gaan tellen, ik kwam tot driehonderd en vijftig, verder herinner ik me niet, want ik was langzaam ingedommeld om geen vijf minuten later weer klaar wakker te worden door een helsch lawaai naast mij.

Een zevental lieve kleine onschuldige kindertjes, die van het dek waren weggejaagd, omdat ze volgens den kwartiermeester, zoo gezeid, ofschoon 't zoo in haarlui natuur lei, "den beest speelden en de passagiers 't natuurlijk moevement van 't slapen rinuweerden", waren in de kinderkamer gestormd en maakten ruzie met een der baboes, die volgens 't zeggen van "le petit Alfred" lui avait chipée de chocolats praliné's!

In een allerzondelingst mengeloes van Hollandsch, Maleisch, Duitsch, Javaansch en Fransch werd het gesprek gevoerd en terwijl de jonge heer Alfred een blikken mokje greep en dat met een "Sâle bète!" naar 't hoofd van baboe no. I gooide, die grijnzend haar sirih-mond opende en betoel! verzekerde: "pas vrai chamais, moi makan chjocolat!"

"Diam! Tais toi, Alfred!" klonk 't vinnig uit een hut,—stil toch kinderen! schreeuwde een andere damesstem, maar de oproerige jeugd hield niet op met joelen en tieren vóór een paar mama's eenige van haar spruiten met geweld hadden meêgenomen.

De kinderjuffrouw was reeds op 't rumoer toegeschoten en deelde koekjes uit aan de overige onschuldige kleinen, die nu lief bij mekaar zouden gaan zitten en een spelletje doen.

Een minuut of wat namelijk zoolang de voorraad zoetigheid strekte, bleef 't rustig, maar juist terwijl ik op 't punt was den slaap te vatten, zette een der lieve kindertjes een keel op en schreeuwde zóó erbarmelijk om màmè dat baboe no 2 het noodig vond hem ongemerkt een geniepige kastijding toe te dienen. De jongeheer—'t was bepaald een aankomende basso buffo—begon onmiddellijk een serie geluiden uit te stooten, die tot in de verste hoeken van het stoomschip moesten doordringen.

Zoo'n attaque in G majeur werkt gewoonlijk aanstekelijk, want de sinjo werd dadelijk zeer verdienstelijk gesecundeerd door een anderen knaap en twee kleine meisjes, die—de vrouwelijke natuur verloochent zich zelfs niet bij kinderen van vijf of zes jaar—uit pure goedhartigheid meêgilden.

Allengs ontstond een volkomen cacophonie, de executanten werden versterkt door de baboes, die haar diepe keel- en neusgeluiden—zoo'n Javaansche baboe heeft in haar stem iets onderaardsch—in het koor mengden, als de zware tonen van de contrabas, tusschen al de scherpe oboe en klarinetklanken der kindertjes.

—Ring! Flang! Ring! een blad met een karaf en een paar glazen werd van tafel gegooid. 't Klonk wel mooi! als was het de turksche trom en schel in dat orchest.

—Rang, Ring! Bons! twee blanke kleine vuistjes smeten een kop en schotel met een bordje over den grond.

—Alweer een zoodje kommaliewant naar de weerlich! bromde een basstem tusschen de zich allengs met meer kracht verheffende faussettonen en terwijl de eerste Signo zijn solo fortissimo, con fuoco! doorzette, raapte de toeschietende hofmeester de scherven op en stoof een Mama in sarong en kabaai met loshangende haren en een badhanddoek in de hand de kinderkamer binnen en diende den eersten solist een goed afgewerkten oorvijg toe, die even als het heftig bewogen dirigeerstokje van een orchest-directeur een plotseling forto fortissimo deed ontstaan.

—Mèmè, mèmè, zij slaèt me! O! o! hi, hi! hi!

—Wie slaèt je, kind?—wie? en woedend stoof de andere "mèmè" haar hut uit en begon met een onbeschrijfelijke, bijna elektrische snelheid van tong aan de andere dame te betoogen: "dat het niet te pès kwèm! volstrekt niet te pès kwèm! in 't geheel niet te pès kwèm! om je hènden èn ên èndermèns kind te slèn? Als er wèt te slèn is, ben ik zelf mèns genoeg om het te doen, begrijp u lieve mevrouw? Zoo iets is korang adjar, (gebrek aan opvoeding) en ik verzoek u dus allerbeleefdst om in 't vervolg uw hènden thuis te houden lieve mevrouw, wênt ênders zèl ik er den kèpitein over spreken, lieve Mevrouw!

De lieve Mevrouw, ook niet op haar mondje gevallen, gaf met veel minder snelle maar minstens even liefelijke stem te kennen, dat zij aan boord recht had op een rustig middagslaapje en dat het volgens haar bescheiden meening niet bepaald takt en opvoedkunde verried om in 't bijzijn van kinderen zoo'n scène te maken en dat zij haar man ging roepen, want dat zij het niet geraden achtte om met zoo'n hoogst beschaafde en lieve dame alleen te blijven, want een ongeluk zit in een klein hoekje.... De elektrische tong zweeg, gebluft door de vrij kalm gezegde woorden van de andere, die ik nog even en passant aan een der baboes een uitbrander hoorde geven.

't Was iets kalmer geworden; de lieve kindertjes keken ongetwijfeld met hun groote ronde onschuldige oogjes hun lieve mama's verwonderd na.

En inmiddels snurkte naast mij die ambtenaar onbezorgd verder, de officier zaagde volgens mijn berekening zijn vijfde bos hout en de jongeling stoomde, achter me, poeffend door! Gedempter klonken de stemmetjes. De buikspreektonen van de baboes uit de kinderkamer werden onduidelijker, waarachtig 't werd stil, een ongekende weelde doortintelde mij, en ik begon zachtjes aan in te dommelen. Onduidelijk hoorde ik nog het zeurig neusgeluid van baboe no. 2, die een klagend Maleisch liedje jankte, ik zag, slaapdronken mijn oogen even openend, flauwtjes dat het groene gordijn voor de opening van mijn hut zachtjes bewoog, 'k vernam nog vlak voor mijn deur het fluisteren van een paar kinderstemmen, vergezeld van 't rammelen van aardewerk—toen sliep ik in ... en dadelijk droomde ik. 'k Meende me op eens verplaatst te Amsterdam, midden in den zomer op de Egelantiersgracht. Mijn reukorgaan vertelde 't mij in den slaap en mijn hersens verwerkten half sluimerend het denkbeeld: "Zou die lucht ook besmettelijk zijn?"

De doktoren beweren wel dat zwavelwaterstof geen bacillen bevat, maar.... Ring, rang, flang! daar brak een of ander stuk porcelein vlak voor mijn hut. Onmiddellijk was ik klaar wakker en hoorde de klagende stem van een kleinen jongen, die snikkend uitriep: "ik kon 't niet helpen, Mientje heeft me omgegooid."

—Niet waar! hij doet 't expres—hij heeft er mij ook afgeduwd, hi, hi, hi!

—Hi! hi! hi! ada sapoenja potje! huilde Mientjes zusje, die nog maar enkel Maleisch sprak. Ik begreep volkomen haar droefheid, omdat ik nog kort te voren geleerd had dat ada beteekent: "het is" een sapoenja = mijn.

—Tida! (neen) griende een andere engel van een kind, ada Theodoortje poenja potje.

—Ik dacht wel dat ze daar niet veel zaaks uitvoerden, ze waren zoo erg zoet, riep een dame, haar hoofd uit een der hutten stekend.

—Goeie hemel wat 'n boel! Sepada, jongens? Een van de twee Javaansche jongens, die altijd zoodra ze niets te doen hebben als bruine terra cotta beelden onbewegelijk achter bij de badkamers of 't groote watervat hurken, stond langzaam op en neuzelde een: "Saja njonja!" terug.

—Allo! gauw opredderen, haal een emmer water. Foei, foei! kinderen, wat 'n historie. Met een paar putsen zeewater was, binnen een minuut of wat, alles in orde en ik hoorde den kwartiermeester, die om een of andere reden er bij kwam, zeggen:—'t Is alweer de oude geschiedenis; ze kennen hier niet omgaan met kinderen, daar moet je eigendommelijk slag van hebben, zie je? Ik heb dàt nou van natuurswege en zooveel als door de langdurigheid van omgang met de jeugd. De oudsten hou ik zoet met een praatje, of ik zet ze met een vrindelijk wezen op de'r voorman, maar dat kleine kaliber, dat mot je heel anders bewerken. Als ze schreeuwen, hou ik ze aan één been onderste boven, dat maakt derlui in eens stil, daar ben ze reëel van overdonderd vat je!—Als ze dan 'n beetje groezelig van kleur worden keer ik ze weer om als een zandlooper, dan komt 't bloed weer zooveel als op z'n standplaats terug—Ja! 't is een heele eigenaardigheid in je zelf om kinderen te kunnen behandelen, zooals 't hoort, dat kan je niet geleerd worden—dat's aangeboren—waarom heb jelui mijn niet bijtijds geroepen, dan was die pot ook niet gebroken, nou is d'r nog schade voor de hand....

't Begon er nu aan te wanhopen, dat ik mijn vurig begeerd tukje zou kunnen doen, niettegenstaande de kwartiermeester zich nu ernstig met de zaak bemoeide en zooals hij beweerde: "zooveul als opschòoning hield" door eenigen van de ergste levenmakers boven op de campagne van de rookkamer te brengen met de hartige woorden: "nou doen ik jelui boven op de rookkamer, dáár ken jelui mekaar voor mijn part om hals brengen, als je de passagiers maar niet hindert.

't Scheen nu waarlijk rustig geworden in de kinderkamer, maar mijn slaap was over, ik kleedde mij weer aan en toen ik mijn hut uitkwam bleef ik een oogenblik staan kijken naar de drie baboes, die slaperig aan tafel bij elkanker zaten. Met kracht drong zich eensklaps de theorie van Darwin aan mij op. De eene, ongekapt en met reeds grijze haren, zag me lodderig aan, lachend met breedgetrokken mond, die evenals de kin, wat den vorm betreft, aan den chimpansé deed denken, terwijl haar voorhoofd, koonen en ooren weer aan den brul-aap herinnerden. Haar buitengewoon ontwikkelde buste rustte als een zak nat zand op de tafel en haar handen, die op de bruine klauwen van een waschbeer geleken, hielden spelend een lepel vast, waar zij nu en dan aan likte.

De tweede Javaansche kindermeid, minder oud en ook minder gezet, was misschien eenmaal in haar soort een "knap stuk" geweest, maar nu zag zij er uit alsof ze een paar maal voor oud en half fatsoen was opgeknapt, versteld en overgedaan. Als zij sprak dook haar stem uit haar onderbuik omhoog en baande zich met moeite een weg door haar ingedeukten neus.

Toch was zij ontegenzeggelijk van deze drie gratiën de bevoorrechte, aan wie Paris den appel, in dit geval bepaald een gedroogden, zou kunnen geven, want de derde baboe heb ik nooit voor een vrouw kunnen houden—ik geloof heusch nu nòg dat ze een verkleede "ouwe kerel" was. Zij bracht me onmiddellijk een half suffen bothobbelaar voor den geest, die behebt met pokputjes en bruin van vel, aan de vischmarkt met den naam van "Janus liplap, de spons" werd aangeduid.

De aanblik van die trits aanminnige vrouwen maakte mij somber, want ik dacht, zijn dat nu menschen naar Gods beeld geschapen?—Waar moet ik heen met mijn geloof? Weg dus! aan dek, in de frissche lucht! maar 't was daar ook niet frisch, integendeel warm, broeiïg—doch in ieder geval beter dan beneden ... ik stak een sigaar op en bleef over de verschansing kijken.


Wèl? vroeg de controleur mij familiaar aanstootend, dat's u zeker goed bevallen, die siësta in de hut. Heeft u nu niet rustiger geslapen?

—Vraagt u dat maar eens aan den kwartiermeester, die komt daar juist aan. Hé! Arie, zeg, vertel jij meneer eens hoe 't beneden was van middag!

—Met je welnemen meneer, ik laat me liever niet posetief verklarend over zulke dingen uit, want ik ben 'n loontrekkend persoon hier aan boord en niet eigen familjaar genoeg met de ouwers van de diverse rakkers en kleinighedens—maar dat kan ik je met de hand op 't hart verklaren, ze hebben allemaal d'r eigendommelijkheid—en een passagier die in 'n hut naast de kinderkamer wil slapen overdag mot iemand wezen, die doofstom geboren is met een goed humeur!


MULLER'S BUSTE


Muller was niet meer; de dichter, de hoog begaafde had eensklaps het aardsche tranendal verlaten.

De dagbladen hadden, met een zwart randje omlijst, vermeld, dat Johan Friedrich Adalbert Muller overleden was. Duitschland en Nederland betwisten elkander de eer hem te hebben zien geboren worden, maar Nederland triomfeerde, omdat Muller geen twee titteltjes op zijn U had en het bewezen werd, dat er vóór dezen Muller nog een andere leefde, die ergens in Holland kadetjes bakte, en bij den burgelijken stand als zijn vader stond ingeschreven. Eén rouwkreet klonk door 't gansche land en vond zijn echo in de harten van allen, die hem en zijn werken gekend hadden.

Toen hij nog leefde, waren velen zijn bewonderaars en aanhangers geweest, anderen hadden hun schouders opgehaald, om aan te duiden dat ze hèm niet heel veel en zijn werken zoo zoo vonden, en nog anderen hadden eenvoudig met hoog opgetrokken wenkbrauwen en een smadelijken glimlach gezwegen, om daardoor te zeggen, dat hij niets en wat hij dichtte nog minder was.

Na zijn dood echter waren alle partijen het plotseling met roerende smart er over eens, dat er in Nederland nooit eerder zoo'n Muller geboren was, en dat er ook waarschijnlijk nooit weer zóó een zou sterven. Niemand durfde meer iets ten nadeele van den afgestorvene zeggen, want de critikus van het grootste litteraire blad had Muller de eenige ware poëet van Nederland genoemd en de critikus was buitengewoon knap, die wist het, zei men—en men heeft altijd gelijk!

De uitgevers van Muller's gedichten maakten buitengewoon goede zaken, door op de nog onverkochte exemplaren de woorden tweeden druk te doen aanbrengen en 't publiek eerde den doode, door de uitgevers er af te helpen.

In alle winkels hingen photographie-portretten van den overledene. Immortellenkransen dienden als lijsten en de winkeliers verhoogden den prijs van 't visiteformaat met tien en van de cabinetsportretten met vijf en twintig cents.

Een comité vormde zich, om op Mullers graf een zijner waardig gedenkteeken—de circulaire vermeldde: "eenvoudig als de man zelf"—te stichten, terwijl eenige meer intieme vrienden bijeenkwamen, om de nagedachtenis van hun voortreffelijken vriend te eeren, door zijn loopende schulden zooveel mogelijk te vereffenen, want Muller was in alle opzichten een wáár poëet geweest en had ruim zooveel onbetaalde rekeningen als verzen nagelaten.

Nooit was er zooveel notitie van den Dichter genomen dan toen de koude aarde zijn eens zoo warm hart omsloot.

Lijkzangen en grafdichten verschenen bij de vleet en vonden plaats in dag- en weekbladen. Zelfs de Reizende Trompetter, het blaadje van den Boerenstand, gaf een nécrologie van den gestorven poëet, en aan het stot daarvan vier treffende regels:

"Treur, Neêrland, treur om Uwen Muller,

Nooit zong een Dichter blijer, guller,

Tot Godes en der menschen eer.

Nu is hij dood en zingt niet meer!"

't Was mode geworden, om over Muller rouw te bedrijven, zijn werken waren eensklaps meesterstukken geworden en zij, die ze vroeger niet begrepen, dweepten er nu mede. 't Scheen wel alsof 't publiek zich verheugde, dat Muller dood was, alleen om in de gelegenheid te zijn, de assche des beroemden te huldigen.

Kort na elkander verschenen bij een muziekuitgever: "Souvenir à Muller," élégie pour piano-forte à 4 mains, en "Sonnette posthume Mullerienne," fantaisie pour contrebasse avec accompagnement de piccolo.

In de modewinkels werden strikjes, en fichu'tjes à la Muller verkrijgbaar gesteld. De dames, begeerig naar een haute nouveauté, tooiden zich met die zaken, als hulde aan den te vroeg ontslapene. 't Stond wel niet altijd mooi bij haar toilet, die sapgroene kleur met geel achtigen weerschijn, maar 't was de geliefkoosde kleur des Dichters geweest; al zijn dichtwerken waren in omslagen van die kleur verschenen—en wat doet een vrouw al niet om naar de mode te zijn en tegelijkertijd gemakkelijk te bewijzen, dat zij ontwikkeld in haar smaak, de Muzen en haar zonen genegen is.

't Was dus niet te verwonderen dat de Heer Giovanni Capelli, de Italiaansche fabrikaat van gipsen-beelden en statuetten, op de gedachte kwam, om van den algemeen betreurden dichter een buste te doen vervaardigen en in den handel te brengen.

't Moest een sprekend gelijkend afbeeldsel zijn en tegelijk goedkoop opdat een ieder zich er van zou kunnen voorzien en voortaan in geen huis Muller's buste behoefde te ontbreken.

Giovanni Capelli was een ondernemende geest een man van genie, zooals hij 't zelf uitdrukte. Eigenlijk heete hij Jan Haar, maar toen hij zijn zaak in gipsfiguren van een echten Piemontees overnam, was hij op 't geniale denkbeeld gekomen om zijn naam in 't Italiaans te vertalen. Giovanni Capelli klonk toch veel beter dan Jan Haar, 't scheelde minstens dertig percent op de verkoopprijzen.

Dat zijn limineus denkbeeld met goed gevolg was bekroond, bewees het groote magazijn, dat hij in een der hoofdstraten hield. 't Was een waar Pantheon, zooals Giovanni het met welgevallen noemde, want zijn winkel was altijd ruim voorzien van beroemde gipsen personen van beiderlei kunne, en gros en détail verkrijgbaar.

—Was er maar geen portret van dien snuiter, zei hij in zichzelf, dan maakte ik een brillante affaire—'k heb nog een paar gros staan van dien onverkoopbaren Duitschen philosoof; hm! een mislukte speculatie geweest, geen mensch lustte 'm hier; daar was best 'n Hollandsche van te maken; 'n beetje afnemen van den neus, 't haar wat afvijlen en ... maar enfin, dat gaat nu eenmaal niet, ze kennen den kerel hier te goed, jammer, jammer...!

Hij besloot dus een buste te laten maken door een jong modelleur, die eenmaal zijn adreskaartje had bezorgd. Giovanni was logisch en overlegde:—zoo'n jong artist wil graag naam maken door een bekend persoon te modelleeren—hm! dan moet hij voor mij voor een schuifje werken, dan helpen we mekaar ... d'r zit wel een masseltje aan. Eerst verkoop ik ze voor een daalder, dan voor een gulden, en eindelijk, als de loop er zoowat uitgaat, frisch ik de 30-cents-bazars er mee op....

Met die gedachten was Giovanni op weg getogen naar de nieuwe buurt, waar de beeldhouwer woonde en repte zich zoo snel zijn zwaarlijvigheid het toeliet. 't Was warm weêr en op zijn voorhoofd parelden de druppels van inspanning en haast.

Eindelijk had hij het huis bereikt en stond stil voor de deur; een klein bordje met de woorden: J. Bruin, Beeldhouwer, 3 × schellen, toonde hem, dat hij terecht was.

Hij schelde driemaal met duidelijke tusschenpoozen.... Knip! deed de deur en sprong een eindje open. Giovanni trad in 't portaal en ... zag niemand!

—Wie da-a-ar! klonk een schelle, oude vrouwenstem van boven.

—Woont hier Bruin de beeldhouwer?

—Jawel! kom u maar boven!

Is ie t'huis?

Kom u maar boven, drie hoog op de voorkamer!

Even fronste Capelli zijn borstelige wenkbrouwen en mat met één blik de hoogte der eerste verdieping—een oogenblik stond hij besluiteloos en streek over zijn embonpoint, maar in het volgende begon hij, zuchtend, de opstijging.

Toen hij twee hoog was, bleef hij even staan, om adem te scheppen en te pruttelen: "Dat artistenvolk woont ook altijd zoo eeuwig hoog—enfin! in 's hemels naam," en hij klauterde de laatste trap op.

Een kleine, magere oude juffrouw met een bont boezelaar voor en opgestroopte mouwen, keek hem met een dom-vinnig gezicht aan en vroeg, de mouwen over de nog van zeepsop dampende stokkerige armen neerslaande:—Most uwe bij Bruin wezen?

—Pff, Poeh! Pff. Jà, hè-hè! Jawel-juffrouw, sakkerloot-wat-woon-jelui-hoog!

—De trap is 'n beetje stijl; vooral voor dikkige menschen zooals uwe is 't een heele klim....

Pff, ja, geweldig steil, pff-Poeh!, maar goed licht hier. Capelli zag met zaakkundigen blik, dat 't atelier in de voorkamer was en uitmuntend licht had.

—Ga d'r maar in, meneer!

—O, dank u.... Giovanni trad binnen.

—Ja, ziet u—m'n zoon is op 't moment niet t'huis.

—Hê? pfft!

—Hij is de deur uit!

—Dat-had-je-me-wel eerder kunnen zeggen—Poeh! pfft! dan was ik waarachtig al die trappen niet opgeklommen.

—Dat dacht ik ook al, grinnikte de juffrouw en met een vluggen greep deed zij het bonten boezelaar van haar lichaam verdwijnen;—maar, ziet u, d'r is tegenwoordig al niet veel te doen in 't vak ... en als d'r nou iemand om 'm komt, dan denk je al, die brengt misschien wat te doen en daarom ... ziet uwé?

—Jawel, jawel, ik snap je, moedertje—hum! is dàt werk van je zoon? Capelli was het atelier eens rond gegaan en bekeek aandachtig een basrelief afgietsel.... Hm! dat ben je zelf, oudje.

—Hè, hè, há, ja—dat heit ie zoo ereis gemaakt uit tijdpasseering.

—'t Lijkt goed; heb je er bepaald voor geposeerd?

—N-neen—hij heit 't zoo maar gemaakt uit z'n hoofd.

—'t Is realistisch opgevat; 't doet 't best.... Capelli keek beurtelings de oude vrouw en 't afgietsel aan.

—Ja, d'r is nieks an vergeten, ziet u wel dat m'n wratje d'r ook op zit—'k heb er een op mijn linker wang, kijk maar O, Sjuul werkt heel netjes en sicuur, Heb u soms wat voor 'm te doen?

—Misschien wel; jammer dat ie niet t'huis is.... En dat? Hum! Giovanni bleef met de handen op den rug vol aandacht een vrouwentorso bekijken,—is dat ook werk van uw zoon? Zeker naar 't leven gedaan?

Het oude menschje aarzelde een oogenblik en wreef verlegen haar knokkelige handen over elkander, terwijl zij knorrig antwoordde:—Ja, naar 't bloote model.

—Zoo, zoo! Nu, 't is flink gedaan—hij zag eens rond, en omdat hij veel naaktstudies aantrof, zei hij zonder erg:

—Je zoon schijnt veel van 't naakt te houden.

Juffrouw Bruin kleurde een beetje, en meenend dat die meneer haar misschien minder netjes zou vinden, viel ze plotseling vrij heftig uit:

—Nou meneer, zóó erg is 't Goddank niet. Sjuul is een heel net, fatsoenlijk persoon, maar 't is tegenwoordig de mode; al die blootigheid is mijn anders altijd 'n doorn in m'n vleesch geweest en ik potersteer d'r nog alle dagen tegen....

—Zoo! De kunstkooper keek glimlachend om naar de oude juffrouw, die met opgetrokken neus vervolgde:

—'t Is de rug van Roosie, een jodenmeissie, maar dat's ook ál mooi wat ze an d'r lijf heit; een mond als een hooischuur en een neus commesi, zoo'n bom! Ik heb iedere keer al gezeid: Sjuul, 't komt niet te pas, dat je zoo'n messie in d'r nakendheid afmoderleerd; wat jullie an die akademie doen, kan ik niet beletten, die schandaligheid gaat me niet an, maar hier in huis wil ik 't niet zien gebeuren. Als je dan absoluut een bloote rug noodig heb, kan je de mijne krijge, dat's ten minste nog eigen onder mekaar, maar om zoo'n vreemd mensch ampart bij je te laten komen en priemelnakend voor je te zetten is ergerlijk en onchristelijk, en—zei ik—ik blijf d'r bij, hoor, anders ben ik als ouwer niet verantwoord—heb ik nou gelijk of niet meneer?

—Zeker, moeder, zeker! antwoordde Capelli zich eensklaps omkeerend: hij scheen opnieuw Roosie's rug met alle aandacht te beschouwen, terwijl juffrouw Bruin voortklaagde:

—'t Is een ramp tegenwoordig, je durft als ouwer niks meer tegen je kinderen zeggen, want ze slaan je, zoo gezeid, in eens dood door d'rlui meerdere geleerdheid. Verbeeld u, Sjuul zei: Och, moeder! je weet'r niks van; 't is immers alleen maar studeeren. Nou, m'n lieve mensch, nou vraag ik je? in mijn tijd was studeeren heel wat anders ... dat deën alleen dominees en dokters.

—'t Is blikslagers mooi gedaan! zei de kunstkooper halfluid.

—O, zoo!—Ja, uwe heit zeker ook zoo iets noodig; 't is treurig, alles wat ze komen bestellen is in de nakendigheid; wat zie jelui toch aan die bloote menschen?

—Wees maar gerust, juffrouw—ik heb nu juist een heel deftige bestelling voor je zoon, een ouweheerenkop.

—O, dat's goed, neem me dan niet kwalijk. Ja, als ik u goed bekijk, ziet u er ook veels te suffisant en te degelijk uit, om je met zulke goddelositeiten op te houwen. Stil! wacht even, daar is Sjuul, ik hoor 'm fluiten op de trap. Dat zal uwe net treffen, meneer! Zeit u maar assieblieft niks tegen Sjuul, assieblief, hij is zoo driftig. Ik ben nog van 'n ouwerwetsche burgerfamilie; men vader was stovenzetter in de Groote Kerk en ik zou d'r niks tegen hebben, dat m'n zoon in de kunst zat, als d'r maar fatsoenlijk brood in stak—maar 't is huilen tegenwoordig—hij kon genoeg werk krijgen, als ie maar niet zoo eigenwijs was—hij wil de onmogelijkheid, weet u—O, daar is ie!—Zij brak eensklaps haar woordenvloed af, deed de deur open en liet haar zoon binnen.

—Sjuul, daar is 'n meneer voor je, ik heb 'm zoolang gezelschap gehouwen ... dag meneer, dienaresse! en toen zachtjes, maar toch zóó dat Giovanni het hooren kon:—'t Eten staat klaar, jongen!

—Goed, moeder, goed! ga u asjieblieft maar heen, zei de jonge modelleur een beetje knorrig....—Meneer, gaat u niet zitten—laat moeder u staan!

—Neen, Sjuul, meneer liep uit z'n eigen rond.

—Jawel, 't is goed, moeder ... hij duwde haar zachtkens op 't portaaltje en toen tot Capelli:

—Waarmede kan ik u dienen?

—Ik heb een buste noodig—ik ben Giovanni Capelli. U kent mijn magazijn zeker wel.

—O ja, natuurlijk!

—'k Wou eens hooren wat u rekent voor een buste, naar een photo?

—Levensgrootte?

Neen! half....

—Marmer?

—Waarachtig niet! gips—maar in veel exemplaren.

—Dat 's moeilijk zóó te zeggen—U moet 't model in klei betalen en dan later zus of zooveel voor elk afgietsel—heb u de photo bij u?

Capelli nam een zorgvuldig in vloeipapier gevouwen cabinetportret uit den zak en toonde het aan Bruin:

—'n Mooie duidelijke photografie, hé?

—Schikt wel—is dat niet Muller de dichter, die pas overleden is?—de winkels hangen vol van die dingen.

—Juist, de groote Muller.

Bruin ging naar 't venster, hield de photo goed in 't licht, bezag haar aandachtig, nam een loep en keek nog eens met alle oplettendheid naar de details.

—Heeft u geen "en-face" portret?

—Neen, dit is het eenige wat bestaat.

—'t Is lastig, om alleen op zoo'n profiel af te gaan,—hij hield Capelli het portret en de loep voor—ziet u, daar zit iets in dien neus, dat ik niet heelemaal verklaren kan—'t is een min of meer gebogen neus, maar ... hm! er is iets vreemds aan ... kan u nergens een "en-face" krijgen? Dit is bovendien Rembrandtiek verlicht en dat liegt zoo—hebt u geen gewoon portretje, al is 't kleiner?

—Neen, ik heb er nog moeite voor gedaan, maar—Capelli gaf de loep en de photo terug—'t is toch een vrij gewone kop.

—Schrikkelijk gewoon, je zou niet zeggen, dat die vent zoo'n kraan is geweest; hij ziet er niets schrander uit; 'n vrij laag voorhoofd, uitstekende jukbeenderen, de mond en kin wat achteruit, geen baard, gewoon glad haar—'t Zal een lastig ding wezen om de gelijkenis goed te treffen.

—Ja, maar lijken moet ie en goed, heel goed ook. Dat is 'n conditio sine qua non, dat begrijp je wel, Meneer Bruin.

—Heeft u 'm persoonlijk gekend?

—Ik? Volstrekt niet, ik hou niks van verzen—maar er zijn genoeg lui, die hem goed hebben gekend. Weet u wat, maak een schets in klei en zie dan, dat je het oordeel inwint van menschen die hem dikwijls zagen, dan kom je er wel—ik zal je wel wat lui sturen....

—Was hij niet getrouwd?

—Neen!

—Geen broers of zuster?

—Ik geloof het niet—enfin! ik zal wel een paar menschen vinden; begin maar vast, want ik heb er haast meê. U begrijpt: 't is een speculatie op de Mode—als ik niet heel gauw kom met m'n buste, is er misschien al weer een andere dooie knul in trek en dan zit ik later met die prullen.

Het gelaat van den moddelleur betrok bij dat woord en min of meer kortaf zei hij:

—In allen gevalle lever ik artistiek werk en als u mij de afgietsels laat maken, is de eene zoo goed als de andere—maar u moet me geen hoop-werk laten maken, ik leen mijn naam voor zoo iets niet.

Kalm, jongmensch! bedaard aan, we zijn nog zoo ver niet, laat maar eens eerst 't model zien; over de rest spreken we nader.

Na een poosje loven en bieden, waarin de heer Giovanni Capelli een schitterend bewijs gaf, dat de natuur in zijn hersens het centrum van den handel tot een buitengewone afmeting had gebracht, werden zij het eens, vooral ook, omdat de kunsthandelaar den jongen artist had weten te overtuigen, dat ieder beginner, hoe knap hij ook was, protectie noodig had en dat één aasje geluk meer waard was dan een kilo verstand.

—Luister eens, jongmensch—zoo besloot Capelli zijn betoog: ik heb hier, terwijl je weg was, je werk eens bekeken; je bent een kraan, hoor, maar je hebt geen connectie en die kun je door mij krijgen. Ik weet niet hoe 't komt, beste jongen, maar zoodra ik je zag, voelde ik iets voor je—ik wil je voorthelpen—maar je begrijpt, ik ben zelf geen gefortuneerd man—het walletje moet bij het schuurtje blijven—als je me te duur bent, haal ik het zaakje niet aan. Doe jij nu je best op de buste van dien verzensmid, dan zal ik je naam bekend maken—dat is nu eigenlijk geen werk voor je, dat weet ik wel, maar ik heb wat in petto. Hm! daar hebben al heel wat artisten duim en vinger naar gelikt! en dat zul jij hebben, want nu ik dat ruggetje van dat model....

—Van Roosje?

—Juist! nu ik dat gezien heb, weet ik, dat jij de man bent dien ik hebben moet. Adieu! groet je Mama!

Bruin keek den vertrekkenden man na en dacht:—Wat 'n nobele vent!—Jonge artisten zijn gewoonlijk goed van vertrouwen. En Capelli keek, op straat gekomen, even omhoog naar 't atelier en grinnikte in zich zelf:

—'n Knap ventje, die lapt 't me voor een koopje!


II.



De buste stond op 't atelier in schets, 't was eigenlijk meer dan een schets, zoo mooi was ze uitgevallen.

Capelli zou dien dag met een paar vrienden van den overledene komen, om te zien hoe de gelijkenis was.

Bruin had den natten doek er af genomen en bekeek aandachtig, met het portret in de hand, zijn werk, nu en dan hier of daar even iets aan de klei veranderend of afnemend met een klein boetseerstokje.

Hij was er zelf nog al voldaan over, al kon hij niet weten of de gelijkenis volkomen goed was. Zijn moeder stond naast hem met de kat in haar armen en bromde—'t mensch bromde altijd:

—'t Is toch eeuwig zonde zoo als jij je tijd verleutert. Nou werk je al een week lang aan dat lamme ding en wat verdien je er an? 't Is de peine niet waard. Sjuul, Sjuul! als jij zoo doet, komen we nooit uit de armzaligheid. Is dat ding nou nog niet goed voor die "dikke."

Zij kon den naam Capelli niet goed onthouden.

—'t Is toch precies, zooals ie op 't portret staat.... Stil poessie, we gaan zoo naar de keuken—nou, stil dan liefie, je weet wel, hier op 't atelier mag je niet rond loope, dat wil Sjuul niet hebbe—nou stil dan Tommie!

—Och, moeder, doe toch die nare kat naar achteren, dat beest is zoo wild; verleden week heeft ie 'n beeldje omgesprongen, dat me 'n hoop moeite kostte; 't was totaal weg!

—Nou ja, 'k hou 'm immers vast ... zeurde de oude vrouw.—Tommie, de baas kan je niet lijen, stom dier, maar de vrouw wel. Zeg, Sjuul, heb je nou geld voor den huisheer, de belasting moet ook betaald worden en de kruidenier moet ook al elf gulden hebben; dan bennen ze d'r geweest van de....

—Och, moeder hou op!—'k heb nog 'n paar kwartjes in m'n zak, dat 's alles, maar zoodra ik dit ding heb afgeleverd, zal ik je geld geven.

—Sjuul! je doet veels te veel moeite voor die dikke, je had in dien tijd, dat je aan die kop werkte meer kunnen verdienen, want 't was casueel, hé? Nou kwam d'r juistement werk ... zeg nou maar: 't is af en knoei d'r niet langer an.

—Zeur toch niet ouwe, je begrijpt er geen steek van—je weet niet wat een artist is ... ik kan 't niet zóó afleveren, 't ding bevalt me nog niet heelemaal!

—Nou ja, zóó fijn zullen ze toch ook niet kijken, 't is immers mooi genoeg voor 't geld. Stil Tommie! Jij leit veel te lang aan zoo'n ding te hannessen ... blijf d'r nou dan toch af met je vingers, wat je er aan de ééne kant opplakt, krab je d'r aan de andere kant weer af ... dat is monnikenwerk....

—Daar wordt gescheld, moeder! Ga nou asjeblieft heen en zorg dat er niemand anders boven komt, dan die heeren.

Een gestommel op de trap, een stuk of wat zuchten en kuchende geluiden, en aangevoerd door den blazenden en hijgenden Giovanni Capelli, betrad een viertal heeren Bruins' atelier.

—Pff! Poeh! Wat 'n toren! Ga binnen heeren!

—Verbazend hoog!

—Hé, hé!

—Een opstijging in optima forma!

—Mag ik u voorstellen, heeren! Mijn speciale vriend Jules Bruin, 'n veelbelovend talent, modelleur, beeldhouwer,—Mijnheer Drogers, letterkundige, Mijnheer Coquenard, particulier, Mijnheer Assman, criticus van De Morgenster en de Kunstbode.—Dr. Operling—recensent van de Dichtwarande—zelf ook beroemd door zijn verzen.

—Aangenaam! zei Bruin.

—Engeném! Meneer Drogers boog stijfjes het hoofd.

—Charmé! Een hartelijke handschudding van den heer Coquenard.

—Aangenaam kennis te maken! Twee vingers van den criticus raakten even Bruins hand aan.

Dr. Operling zei niets, maar hij liet zijn hoofd als een geknakte bloem op zijn gesteven overhemd vallen, even steunend.

—Daar zijn we nu,—zei Capelli, zijn hoed en stok op een stoel leggend:—Je hebt toch mijn briefkaart ontvangen, niet waar?

Zeker!

—We stonden juist op 't punt hierheen te gaan, toen mijn vriend Coquenard 't magazijn kwam inloopen. Zoodra hij hoorde, wat we bij je gingen doen, zei hij: dan ga ik mee, want Muller was een intieme, goeie vriend van me, niet waar Coquenard?

—Zeker 's—Oui certainement, 'k 'ebbe monsieur Mullere so dikwijlse keziee. O! 'ij was 'n éminente poéte—un homme charmant. Isse dat y?—Hij wees op de buste.

—Ja! vindt u dat hij lijkt—wacht! ik zal 't gordijn dáár 'n beetje laten zakken, de zon is wat fel—dat doet niet goed; de reflex van die witte huizen aan den overkant hindert.

—O, ne faites pas de façons—ikke kan eele koete sien, hm! hm!

Giovanni draaide als een kat om een stuk spek een paar malen rondom de buste, bekeek haar oplettend, voelde even, heel voorzichtig, met den vinger langs de nog vochtige klei en zei in zichzelven: 't Is goed gedaan, 't zit flink in mekaar;—toen, luid:—Nu, wat zeggen de heeren er van;—is 't Muller?

Monsieur Coquenard, die intusschen 't atelier rondwandelde, scheen hem niet te hooren, omdat hij zich in Roosje's rug verlustigde en zijn oogen niet kon afhouden van een kleine Venus-callipigos, die hem verleidelijk scheen toe te lonken.

Capelli nam intusschen Bruin even apart en zei:—ik breng je daar drie eminente lui—Mr. Drogers is één kluit geleerdheid—een man die je als artist heel nuttig kan zijn—en Assman en Dr. Operling, hm!—hij kuste zijn vingertoppen—zijn critici, zooals er maar weinig zijn. Zij behandelen alles wat kunst is. Sculptuur, muziek, tooneel-, schilderkunst, enfin alles en ... zie je, niet ouderwetsch, om den dood niet! Modern vat je? Kranig; Assman vóóral zet niet één, maar twee puntjes op de i.... Je moet je voordeel doen, vriend, met deze gelegenheid. Assman kan je onwaardeerbare wenken geven waarvan je als jong artist ontzaggelijk kunt profiteeren; 't is heusch waar, zoo'n kennismaking is wel een buste waard.

—Wèl, wèl! zei Bruin en keek met een benauwd wantrouwen naar den kunstcriticus, die, na met een diepzinnig gelaat het atelier te hebben rondgekeken, zonder plichtplegingen in den grooten lederen fauteuil was gaan zitten, die tegenover de piedestal met Muller's buste stond; hij zonk er in weg als 't ware.

Met de beenen over elkander, achterover geleund, drukte hij zijn hals en kin vóór in zijn hoogen staanden boord, zoodat zijn wangen over den boord kwabden, zette langzaam een gouden pince-nez op, trok nadenkend een paar malen aan het puntige bakkebaardje, dat zijn kin versierde en zei, gewichtig de wenkbrauwen fronsend, met neergetrokken mondhoeken:—Hum, hum! hum!

Dr. Operling stond achter den stoel met gekruiste armen, somber voor zich uit te staren en zei niets.

Capelli keek de critici vragend aan, zei ook: hum! hum, hum! en de heer Drogers, die op een afstand stond en de rechterhand boven de oogen hield, alsof hij in de verte een zonnig landschap of een schilderij wilde beschouwen, liet na een geleerd hum, hum, hum! een beschroomd lachje hooren, waarin iets blatends klonk. De Franschman was inmiddels alweer bij Roosje's torso en de Venus; 't was alsof hij aan die twee naaktstudies smulde.

—Maar Coquenard, kijk nu toch eerst eens naar de buste? vroeg Capelli verwijtend.—Jij als leek kunt misschien nog het objectiefst oordeelen, jij bent hier de Vox populi!

—Ah, oui! certainement—ik ebbe dadelijk kezien datte monsieur Muller wasse, zei hij als terloops en keerde zich weer om, magnetisch aangetrokken door de kleine Venus-figuur, die op een tafeltje stond:—Admirable, mooie meid! zei hij in zichzelf en toen luid: Monsieur Bruin, isse dat naare levend model?

—Natuurlijk!

—'Eele mooie vrouw, superbe forme—wone dat meissie 'iere in die stadte?

—'t Is 'n beetje geïdealiseerd natuurlijk, glimlachte de artist.

—O, maar toch en réalité bepaald 'eele skoon meissie.

—Kom, Coquenard! ouwe snoeper, kijk nu liever naar Muller—lijkt ie?

—Décidément—maare als ij een 'oed oppe 'adde, zou ik beter kan zekke—ik 'ebbe 'm nooit tête nue kezien, altijd met zijnen chapeau—zoo kroote 'ooge 'oed!

—Och kerel, je zeurt! Capelli werd knorrig, maar vroeg niet meer, omdat mijnheer Drogers, die een paar malen eenige stappen voor- en achteruit gedaan had, steeds met door de hand beschaduwde oogen, de buste beziende, eensklaps zijn min of meer geaffecteerde stem verhief en verklaarde:

—Ik ben misschien geen bevoegd beoordeelaer, wèt de èrtistieke uitvoering betreft, wènt ik ben niet meer den een kèmergeleerde, maer ik heb de waerdige men toch goed gekend—hij wès 'n collègae ven me—jèren lèng....

—Dus u zou hem dadelijk herkennen? vroeg Giovanni.

—Dèt is te zeggen—jae en neen—èls U me niet gezegd hèd, we gaen Muller's buste zien, zon ik niet zeggen, dèt dit Muller wes.

—C'est ça! zei Coquenard, even omziende; hij streek juist met zijn vleezige hand als liefkozend over Roosje's torso;—ç'est ça! alse Capelli niette 'adde kezekd—wij kaane Mullere zien, zou ikke mete wete dat het le brave homme was.

—Pèrdon! viel Drogers in,—de suggestie speelt hier wel een kleine rol, maer.... 't oordeel ken toch individueel en objectief zijn.... Els ik mijn meening ronduit zeggen mèg...?

—Zeker, asjeblieft! zei Bruin, die in zijn linnen kiel, met over elkander geslagen armen tegen den muur leunde. Fijntjes glimlachend keek hij met afwachtende oogen naar de drie heeren.

—Nu, den permitteer ik me deze opmerking: Ik heb hem in mijn herinnering veur me, toen we sèmen in de littéraire club: "De honingbij vèn den Hélikon" lid wèren. Daar zegen we mekaèr elken Woensdègèvend. Nu is het buiten kijf, dèt lèmplicht heel ènders is dèn dèglicht, mèr ... de mensen, "dés denkende Wesen èn sich," zooèls Kènt zegt, 't individu, blijft toch 't zelfde, niet waer?

Jawel, natuurlijk! antwoordde Bruin, omdat meneer Drogers hem met zijn kleine grijze oogjes scherp aankeek.

—Begrijpt u? Drogers wees op de buste,—dit is geen levend wezen—dit is geen soort vèn fèntoon in soliden vorm gebrècht en èls zoodènig heeft 't groote verdienste zonder twijfel, mèr....

—Lijkt ie nu, of lijkt ie niet? vroeg Capelli kortaf.

—Jè, dèt is uiterst moeilijk te bepèlen—èls ik 'm goed bekijk—de littèrator deed een stapje nader met vooruitgestoken hoofd—dèn is 't Muller wèl en toch is 't Muller niet....

—Dat snap ik niet goed, waarde heer!

—Meneer Capelli, permitteer me? U laet me niet uitspreken ... ik bedoel, ik herken in sommige opzichten den ontslèpene wèl, bijv. zijn dèsje 's frèppènt juist geobserveerd; hij droeg, zoo lèng ik hem kende, èltijd vèn die kleine vierkènte zijden strikjes onder een omgeslègen boord met overvêllende puntjes—juist zooèls de mijne—we kochten in één winkel.... Dèn zie ik—U neemt me tech niet kwèlijk, meneer Bruin?...

—O! in 't minst niet! De artist kwam wat dichterbij, met een uitdrukking op zijn gezicht, alsof hij in meneer Drogers een clown zag, die hem amuseerde.

—Dèn zie ik iets in de oogen daerentegen, dèt me niet bevèlt. Muller hèd heel licht blauwe oogen, die herken ik hier volstrekt niet, 't lijkt net een blindemèn. En dèn, om je de waerheid te zeggen, z'n neus, die wès énders.—De philoloog bewoog zijn hoofd naar links en rechts, bekeek den neus van den zaligen dichter aan alle kanten en zei:—Wonderlijk! 't is Muller's neus wèl en toch is 't z'n neus niet! Wèt er èn schort, zou ik niet kunnen zeggen, wènt ik ben geen modelleur-èrtist of beeldhouwer; 'k ben mèr 'n gewoon sterveling ... hè, hè ... mèr ... Muller hèd 'n kèrèkteristieke neus en dit is 'n bènéle neus. De mond is best, hij had die min of meer dunne lippen ... en toch ... Ik ben immers niet onbescheiden—u neemt toch niet kwélijk èls ik soms iets zeg, dèt u niet toegeven kèn?...

—Neen! neen! Waarachtig niet; ik luister met allebei m'n ooren—u spreekt zoo verstandig—ik leer van u—ik ben u dankbaar!

—O, meneer Bruin! De letterkundige trok een pruimenmondje en hief zijn rechterhand met een afwijzend, bescheiden gebaar op.—U is een welwillend mèn ... ik wou dèn maer zeggen, dat ik zijn mond wèl groot vind, en dèn heb ik dèt kuiltje op zijn bovenlip, onder zijn neus, nooit opgemerkt—misschien kwèm dèt wel, omdèt Muller destijds een knevel droeg en daerdoor zèl waerschijnlijk z'n mond niet normaal hebben geschenen—ook z'n kin vind ik niet weerom, hèd hij zijn kin wel zoo leelijk èchteruit?

—De photografie geeft die juist zóó aan.

—Jè, maer hij hèd er destijds zoo'n dingetje òp—hoe noemen ze 't ook weer, zoo'n sikje!

—Een jeune-France?

—Dèt is 't—jèwel, juist. Ziet u, meneer Bruin, dèt zèl 't verschil zijn; veur 't overige zit er mèchtig veel in die buste in! summæ summærum kèn ik toch niet ènders zeggen dan: 't Is Muller! Bovendien, —hier lachte de geleerde heer allerminzaamst tegen den artist—u heeft de photo en die kèn niet jokken—ik maek u wel m'n compliment—'k ben blij, dèt 'k uw chef-d'oeuvre gezien heb en kennis met u maekte....

Dank u! Bruin drukte, met meer vuur dan natuurlijk was, de hem toegestoken hand en op zijn gelaat stoeide even een lach, die in zijn donkerbruine oogen weggleed en daar bleef lichten, terwijl hij kalm en bescheiden vroeg:

—En wat is uw opinie, meneer Assman?

De critikus was in de houding, die hij had aangenomen, blijven zitten, schijnbaar geheel verdiept in de beschouwing der buste. Hij had geen enkel teeken van goed- of afkeuring gegeven, terwijl de heer Drogers sprak; nu draaide hij langzaam zijn hoofd naar Bruin, en met een zucht, als ontwakend uit diep gepeins, sprak hij, op ieder woord de noodige klem leggend:

—Laat me u eerst zeggen, dat ik de uitvoering van 't model, "l'oeuvre," het werk, begrijpt u, zeer verdienstelijk vind—u ziet, ik begin niet, zooals veel collega's van me doen, met af te breken, ik prijs uw habiliteit—Assman stak zijn gekromden rechterduim vooruit.—Ziet u, er zit dát wel in, dát weet u—dàt zeker iets, dat hm!—dat lekkere, dat smeuïge als 't ware, waardoor je, als u 't er nog meer in kon brengen, zou kunnen vergeten dat 't ding een bonk klei was, maar ... wat nu de gelijkenis betreft zeg ik, die den overledene herhaaldelijk zag: 't is 'm niet!

Dr. Operling schudde, langzaam somber voor zich uit starend, het hoofd—en zei niets!

Ah! kwam Giovanni.

—'t Is 'm in 't geheel niet!

—Dat 's ronduit gesproken, meneer Assman.

—Juist, meneer Bruin, dat is zoo mijn gewoonte; ik wind om mijn opinie geen doekjes—ik geef mijn oordeel niet af, vóór ik in mijn innerste overtuigd ben, dat ik objectief, zonder eenig aanzien des persoons, zonder eenige consideratie van welken aard ook, oordeelen kan, en daarom zeg ik u nu:—'t Is Muller niet!

—Wat mankeert er dan aan, meneer Assman?

—Voelt u niet als artist, wat ik bedoel?

—Neen, nòg niet!

—Laat me u dan zeggen, wat ik in dit beeld mis.

—Asjeblieft!

—Ik zie daar voor me een beeld; misschien lijkt het goed, wat neus, ooren, mond, voorhoofd, enfin! wat den uiterlijken vorm betreft; die laat ik er op 't oogenblik geheel buiten....

—Maar permitteer me, 't is juist de vorm, die....

—Neen, laat me uitspreken, meneer Bruin, u moet me goed begrijpen—ik ga dieper dan een ander—ik zoek de psyche—en die vind ik in die buste niet—ik mis de ziel!

—De ziel?

—Juist! ik heb den hoogbegaafden man gekend, zooals misschien weinig anderen; ik heb zijn gedichten gesavoureerd, mijnheer Bruin—ik heb hem, waar anderen hem verguisden, altijd de hand boven 't hoofd gehouden—omdat ik zijn mooie ziel kende en waardeerde. Hij was z'n tijd vooruit, hij was een moedig dichter, die radikaal met 't metruim, met 't rhythmus brak; hij rijmde niet met woorden, neen! hij sprak denkbeelden; hij zei z'n ziel uit in zijn sonnetten, in zijn balladen en oden, in zijn ... enfin in alles, wat hij schreef ... en als je hem zag, was zijn gelaat bezield: de vorm was voor hem echter heelemaal bijzaak, de inhoud, daar lachte hij meê—hij zei spontaan z'n intens mooie gedachten zóó, als ze opwelden in zijn geweldig brein. En dat vind ik heelemaal niet terug in die klomp grijze klei, die daar voor me staat ... zooals ik hem daar voor me zie, is 't die independente groote ziel niet; hij lijkt op iedereen, op een gewoon mensch!

—Maar z'n gezicht is ook heel banaal!

—Pardon!—zooals u of den ander hem misschien ziet, is hij gewoon, dat wil ik wel toegeven, maar jelui kijkt ook gewoon—Enfin, als u niet begrijpt, niet voelt, wat ik bedoel, kan ik het u niet zeggen, maar 't is Muller niet—Kan u niet wat meer ziel in dat ding leggen?

—Ik kan hem niet anders maken, dan hij was.

—Maar zóó was hij niet, meneer Bruin; ziet u geen kans den hevigen dichter meer te doen zien?

—Bezwaarlijk! Ik kan alleen den vorm teruggeven.

—Aha I daar heb ik u!—Juist, daar zit 'm de knoop, de vorm! de vorm! maar ik heb niets met dien vorm te maken, wanneer ik zoo'n buste als herinnering aan den Dichter wil koopen—en dát is toch het doel, waarmeê je ze in den handel brengt, nietwaar Capelli?—dan wil ik niet den stoffelijken mensch zien, maar den poëet—en een poëet bij de gratie Gods was Muller—een groot genie.

Dr. Operling keek met gekruiste armen, somber starend, smadelijk glimlachend naar de buste en zei niets.

—Oh! sans doute, un genie! viel monsieur Coquenard, die zijn ontdekkingstocht door 't atelier gestaakt had, eensklaps in.—IJ wasse een kroot genie, un homme admirable, altijdde aan die prak kiseer, veele distrait. Alsse 'y kwam dans mon mahasin, zek ikke tout de suite: Bonjour, monsieur Mullere—alweere parapluie verkete—verlore, éh!

—Wat bedoelt u?

—Eh, monsieur Bruine! eel simplement, dat 'y toujours kwam om een nieuw paraplue te koope—Monsieur le poète Mullere altijd verlieze son parapluie—ikke 'ebbe le pauvre homme verkokt wel 'onderd parapluie....

—Já, dan zal u hem zeker wel goed hebben gekend.

—Maar meneer Coquenard, viel de heer Assman eenigszins scherp in:—Hoe kan u een parapluie in verband brengen met zijn genialiteit?

—Hommes de gènie 'ebbe tokke nooite koeie mémoire—altijdde verkete dan ditte, dan datte....

—Maar dat doet toch aan de gelijkenis van deze buste niets af of toe; dat 's nonsens!

—En die siele dan, waarvan u spreeke? Alsse ik jugeere wil, of de man kelijkke op deze buste offe niete—'eb ik te kijk niete naare zijn siele, maare naare zijnen neuse, zijn oore en ook', (oog) "en un mot": ikke moete inspecteer la matiére, niette die impondérabilité, die qualité psychique; pardonnez moi, maare watte u zek van die siel isse meere nonsens dan mijn parapluie!

—Wat blieft u? Assmans oogen werden boos.

—Ikke blief niemendalle—u 'ebbe miskien meer keleerdheid dan ikke, maar ikke 'ebbe meer bon sens!—Alsse meneer Bruine zou opzetten willen un chapeau aan die buste, zal ikke u zek of la ressemblance, die kelijkenisse koet is.

—Een slappe hoed? vroeg Bruin lachend.

—Pardon! chapeau haute forme.

—Een hooge dop? Dien bezit ik niet.

—Neem den mijne, zei meneer Drogers, zijn hoed aanbiedend—'t kan best zijn dat meneer gelijk heeft.

—Te groot! lachte Bruin; hij verdrinkt er in ... maar wacht! ik zal hem er boven houden.—Zoo! wat dunkt u nu, meneer Coquenard?

—Sal wel luk! Oui, isse al beter, maar die neuse daar mankeere nok wat aan—ikke 'ebbe monsieur Mullere nooite zonder chapeau kezien ... maar tiens nu lijkke 'ij! Oui, oui, la ressemblance y est. Weet u watte: makke u 'm een 'oed van klei op die kop—en dan een andere neuse, tiens!

—Wat 'n laffe onzin! bromde Assman.

Dr. Operling bleef somber voor zich uitstaren en—zei niets. En Drogers vroeg zacht aan Capelli:—Zouden we niet maer liever heengaen—ik geloof dét we geen pés veurwaerts komen—de meeningen loopen te veel uiteen ... en met een blik op Assman, die er hoe langer hoe strijdlustiger begon uit te zien:—De gemoederen worden wèrm—ik geloof dét u beter zou doen, éndere opinies dén de onze in te winnen.

—'k Geloof dat je gelijk hebt, meneer Drogers;—Meneer Bruin, we zijn u dankbaar voor je ontvangst. 't Spijt me dat 't resultaat van ons bezoek niet beter is. U moet nog maar eens kijken, of u aan Muller's neus nog wat veranderen kan, want hoezeer de heeren ook van opinie verschillen, op één punt zijn ze 't eens: de neus van den Dichter deugt niet; daarin ligt de kardinale fout!

—Oui, ikke keloof 'ij 'adde meer zóó neuse.... Meneer Coquenard duwde met zijn wijsvinger zijn reukorgaan iets omhoog.

—Een wipneus? Geen kwestie van! zei Bruin, oplettend photo en buste vergelijkend.

—Neen, neen! dén eerder 'n dikkere, meer volumineuse. Dét réppeleer ik me ten minste wel. Muller héd iets pérticuliers aén z'n neus—maer wét 't wés...? De geleerde heer Drogers haalde de schouders op en trok zijn handschoenen aan. Dr. Operling ontvouwde zijn gekruiste armen, ontrimpelde zijn voorhoofd, keek nog eenmaal met een zucht naar Mullers buste, lachte toen smadelijk in zich zelf en drukte Bruins de hand ten afscheid.

—Pardon, meneer, zei Bruin, U heeft uw opinie nog niet gezegd: Vind u dat Muller lijkt?

Toen opende Dr. Operling zijn mond en sprak:—ik heb den man nooit gekend, wel van 'm gelezen—en als ik naar zijn gedichten oordeel, kan hij er wel zoo banaal hebben uitgezien. Bonjour!

Meneer Assman keek met souvereine minachting Dr. Operling na, en toen naar den parapluienkoopman, die hem met een spottend: á l'avantage; monsieur Assmanne, in den deurpost salueerde. Hij groette met een nuffige handbeweging Capelli, en zei, toen beiden vertrokken waren, op beschermenden toon:—Jonge vriend, je zult later wel leeren begrijpen wat ik bedoel; je bent nog wat te veel onder den indruk van 't genoten akademisch onderricht—je moet vrij, indépendent worden. Tegenwoordig is de vorm geheel bijzaak—'t komt er volstrekt niet meer op aan, of een portret of buste lijkt, zooals men dat vroeger noemde; al geef je, zoo gezegd, iemand, die rood is zwart haar, al zou je een man met een wipneus een arendsneus maken, 't doet er allemaal niet toe—als je maar zorgt, dat het onzienlijke er in zit. Begrijp me goed: al had je nu b.v. deze buste—hij tikte met zijn wandelstok tegen 't piédestal—op Muller's gelaat afgegoten, dan zou hij voor mij toch niet lijken, zoolang ik dat onbeschrijfelijke er in mis, dat psychische, dat niet gezien, maar alleen gevoeld kan worden.—Adieu!