Zelfs terwijl gij zult denken, dat gij mij twijfelloos gevat
haddet, zie dan toe!
Reeds dadelijk merkt gij dat ik U ontgaan ben.
Want 't is niet ter wille van wat ik er in heb nedergelegd, dat
ik dit boek heb geschreven,
Evenmin zult gij het bezitten terwijl gij mij leest,
Evenmin kennen zij mij 't best die mij bewonderen en mij
hoogdravend prijzen,
Evenmin zullen zij die dingen naar mijn liefde (tenzij op zijn
best een zeer gering getal) die liefde
winnen,
Evenmin zullen mijne gedichten enkel goed doen, zij zullen
even veel kwaad doen als goed en meer nog
misschien,
Want alles is te vergeefs zonder dat waarop ik zinspeel en
waarnaar gij menigmaal kunt raden zonder het te
vatten;
Daarom verlaat mij nu het nog tijd is en ga uw weg.
NIET ENKEL IN WAT IK MIJ VAN DE BORST WERP
Niet enkel in wat ik mij van de borst werp,
Niet in mijn zuchten, in mijn wanhoop 's nachts, als ik in
strijd ben met mijzelf,
Niet in die lange, kwalijk onderdrukte bange zuchten,
Niet in de vele eeden en beloften die ik brak,
Niet in het krachtige en ontembare willen van mijn ziel,
Niet in de ijle levenskracht der lucht,
Niet in dit kloppen em bonzen van mijne slapen en polsen,
Niet in dat
wonderbare samentrekken en uitzetten in mijn
binnenste, dat eenmaal zal ophouden,
Niet in de vele wellustige wenschen die ik enkel aan de wolken
heb toevertrouwd,
Niet in de kreten, het gelach, de verwenschingen door mij
uitgestooten als ik diep in de wildernissen alleen
was,
Niet in het schor gehijg door vastgeklemde tanden,
Niet in klinkende en weêrklinkende woorden, kakelwoorden,
echo's daarvan, doode woorden,
Niet in het gemurmer mijner droomen terwijl ik slaap,
Noch in dat andere gemurmer dier ongelooflijke droomen van
elken dag,
Noch in de leden en zinnen van mijn lijf, die U voortdurend
aannemen en verstooten—niet
dààrin,
Niet in een hunner noch in allen, O aantrekkingskracht! O
mijns levens polsslag!
Wensch ik dat gij meer wordt gevonden of meer U-zelf bewijst
dan in deze zangen.
DE VREESELIJKE TWIJFEL VAN DEN SCHIJN
De vreeselijke twijfel van den schijn,
De onzekerheid ten slotte dat wij misschien misleid worden,
Dat misschien vertrouwen en hoop slechts hersenschimmen zijn,
Dat misschien het identieke leven aan gene zijde des grafs
slechts een mooie fabel is.
Misschien de dingen die ik waarneem, dieren, planten, menschen,
heuvelen, weerspiegelende en vloeiende
wateren,
De luchten van dag en nacht, kleuren, het vaste, en de vormen
slechts verschijningen (zooals ook zonder twijfel het
geval
is) en wat zij werkelijk zijn nog
onbekend,
(Hoe vaak treden zij uit zich-zelven naar voren als wilden zij
mij verlegen maken en mij bespotten!
Hoe vaak denk ik, dat ik noch iemand het geringste van hen
weet,)
Dat misschien hun schijn dien ik van mijn tegenwoordig
standpunt zie (en die schijn tenminste is zeker)
indien ik op
een geheel ander standpunt naar hen uitzie zal
blijken
anders te wezen (zooals die schijn dan ook even
zeker
anders zal zijn) en niets gemeen te hebben met den
schijn
van nu of in 't geheel niets is;
Deze en dergelijke
vragen worden wonderbaar beantwoord
door hen die mij liefhebben, mijn lieve
vrienden,
Wanneer hij die mij liefheeft met mij reist of langen tijd
naast mij zit, terwijl hij mijn hand in de zijne
houdt,
Als de ijle lucht, de ontastbaarheid, de zin dien woorden en
redenen niet bevatten ons omringt en in ons
doordringt,
Dan ben ik zalig van ongezegde en niet te zeggen wijsheid,
ik ben stil en vraag niets meer,
Wel kan ik de vraag van zijn en schijnen of die van het
identieke leven aan gene zijde des grafs niet
beantwoorden,
Maar ik ga voort of zit neder en stoor er mij niet verder aan,
ik ben tevreden,
Hij die mijn hand in de zijne houdt heeft mij volkomen
bevredigd.
GIJ DIE GETUIGEN ZULT IN DE VOLGENDE EEUWEN
Gij die getuigen zult in de volgende eeuwen,
Komt, ik wil U vertrouwen in het innigste onder dit onlijdelijk
uiterlijk, ik zal U zeggen hoe gij mij heeten
moet,
Noem mijn naam en hang mijn beeltenis op als van den man
die de teederste minnaar was,
Het portret van den vriend, den liefdezoeker, die door zijn
vriend, zijn liefdezoeker zeer teeder werd
bemind,
Die zich niet verhief op zijne zangen maar wel op de onmetelijke
zee van liefde in zijn ziel, die hij mildelijk
uitstortte,
Die vaak in groote verlatenheid waarde en dan dacht aan
zijne lieve vrienden, aan die hem lief
hadden,
Die vèr verwijderd van hem dien hij liefhad peinsde in slapelooze
nachten, vol onvoldaanheid,
Die maar al te goed de pijnlijke, pijnlijke vrees kende, dat hij
hem dien hij liefhad toch heimelijk onverschillig
was,
Wiens gelukkigste dagen die waren als, in de verte van alles,
in velden, wouden en op heuvels, hij en een ander
wandelden
hand in hand, zij tweeën alleen, van andere
menschen
verwijderd,
Die vaak in de straten drentelde zijn arm gebogen over den
schouder van zijn vriend, terwijl de arm van zijn
vriend
op zijn schouder rustte.
TOEN IK DEN AVONDSTOND HOORDE
Toen ik in den avondstond hoorde dat mijn naam in
het
Capitool met toejuichingen was ontvangen, was voor
mij de
nacht die volgde toch geen nacht van
geluk,
En later in welslagen of wanneer mijn voornemens verwerkelijkt
waren, was ik toch niet gelukkig,
Maar de dag dat ik mij met zonsopgang van mijn bed verhief
volkomen gezond, verfrischt, zingende, ademende
den
rijpen herfstadem,
Toen ik ten Westen de volle maan zag verbleeken en in het
morgenlicht verdwijnen,
Toen ik alleen over het strand wandelde en, ontkleed,
baadde, dartelend met de koele wateren en de zon
zag
opstijgen,
En toen ik dacht dat mijn lieve vriend, die mij teeder liefheeft,
op weg was naar mij toe, o toen was ik
gelukkig,
O toen smaakte elke bete mij zoeter en dien geheelen dag
voedde mijn brood mij beter en die heerlijke dag ging
heerlijk
voorbij,
En de volgende kwam met gelijke vreugd en met den volgende,
's avonds, kwam mijn vriend,
En dien nacht, toen alles rondom stil was, hoorde ik de
wateren langzaam rollen, rollen op het
strand,
Ik hoorde het gierend ruischen van water en zand die fluisterend
op mij toekwamen, om mij geluk te
wenschen,
Want hij dien ik boven alles liefheb lag slapend aan mijn
zijde onder hetzelfde dek in den koelen
nacht,
In de nachtstilte, in den herfstmaneschijn was zijn gezicht
naar mij toegekeerd,
En zijn arm lag zachtkens over mijn borst—en die nacht
was een nacht van geluk.
VIND IK IN U OPNIEUW EEN HART DAT ZICH DOOR MIJ VOELT AANGETROKKEN?
Vind ik in U opnieuw een hart dat zich door mij voelt aangetrokken?
Laat ik U dan dadelijk waarschuwen, ik ben zeker heel
anders dan gij denkt;
Denkt gij dat gij in mij uw ideaal zult vinden?
Denkt gij dat 't zoo gemakkelijk is mijn liefde te winnen?
Denkt gij dat mijn
vriendschap U onvermengde voldoening
zou schenken?
Denkt gij dat ik geloofwaardig ben en getrouw?
Ziet gij dan niet dieper dan den schijn, niet beneden mijne
zachte en verdraagzame woorden?
Gelooft gij dat ge met uwe voeten op de werkelijkheid voortschrijdt
naar een werkelijken held?
Is niet wel eens de gedachte in U op gekomen, o Droomer,
dat dit alles misschien niets is dan maya,
illusie.
IK ZAG IN LOUISIANA EEN LEVENSEIK
Ik zag in Louisiana een levenseik,
Hij stond ganschelijk alleen en het mos hing neer van zijne
takken,
Hij leefde daar zonder een enkelen kameraad, toch uitte hij
zich in blijde donkergroene bladen,
En zijn uitzien ruw, vrij en krachtig deed mij denken aan
mij-zelf,
Toch verwonderde ik mij hoe hij zich in blijde bladen kon
uiten, daar in de eenzaamheid zonder een makker aan
zijn
zijde, ik wist wel dat ik dit niet zou
kunnen,
En ik brak een twijg af met wat bladeren er aan en wond er
wat mos om,
En nam haar mee en hing haar in mijn kamer op, zoodat ik er
altijd het oog op heb,
't Was niet noodig om mij steeds aan mijne lieve vrienden
te doen denken,
(Want in den laatsten tijd, geloof ik, denk ik aan weinig
anders dan aan hen,)
Toch blijft die twijg mij een wonderbaar zinnebeeld en doet
me aan mannelijke liefde denken;
Hoe dan ook, die levenseik moge daar in Louisiana vroolijk
gedijen, alleenig in een groot vlak
land,
Hij moge zich kunnen uiten in blijde bladeren, terwijl hem
heel zijn leven lang geen vriend, geen die zijn
liefde
zoekt nabij is,
Ik weet maar al te goed dat ik 't niet zou kunnen.
AAN EEN VREEMDE
Voorbijgaande vreemdeling! gij weet niet hoe innig verlangend
ik U aanzie,
Gij moet zijn hem dien ik zoek, of haar die ik zoek ('t komt
in mij als een droom)
Ergens heb ik zeker een vreugdevol leven met U geleefd,
Terwijl wij elkaar voorbijgaan fluïdisch, liefdedorstend, rein
en volwassen, herinner ik mij alles weer
duidelijk,
Gij groeidet met mij op, waart een knaap met mij of een
meisje met mij,
Ik at met U en sliep met U, uw lichaam is niet enkel het
uwe gebleven noch heeft het mijne enkel het mijne
laten
blijven,
Gij geeft mij de vreugde van uwe oogen, gezicht, lijf, als wij
elkaar voorbijgaan, gij neemt in keer van mijn baard,
borst,
handen,
Het is mij niet vergund tot U te spreken, het is mij enkel
vergund aan U te denken als ik alleen ben of waak in
den
eenzamen nacht,
Ik moet op U wachten, ik twijfel er niet aan, dat 't mij vergund
zal zijn U eens opnieuw te ontmoeten,
Ik moet oppassen dat ik U niet verlieze.
IK HOOR DAAR WERD TEGEN MIJ GETUIGD
Ik hoor daar werd tegen mij getuigd, dat ik instellingen door
de eeuwen gewijd zocht te vernietigen,
Maar waarlijk ik ben noch voor noch tegen die door de
eeuwen gewijde instellingen,
(Wat toch heb ik met ze gemeen of met de vernietiging
er van?)
Ik wil slechts vestigen in de Mannahatta en in elke stad
dezer Staten, 't zij diep in het land of aan de
zee,
En in de velden en wouden en boven elke kiel klein of groot
die op de wateren dobbert,
Zonder gebouwen of wetten of besturen of eenige belijdenis,
De instelling van trouwe liefde tusschen kameraden.
ALS IK EENS NAGA WAT ROEM IS
Als ik eens naga wat roem is, roem van heldendaden, roem
van overwinningen door groote veldheeren bevochten,
dan
benijd ik die veldheeren niet,
En ik benijd evenmin den President in zijn presidentschap,
noch den rijkaard in zijn paleis,
Maar wanneer ik hoor spreken over de broederschap van hen
die elkaar liefhebben, hoe zij leefden,
Hoe zij zijde aan zijde gingen door het leven, door gevaren,
den blaam trotseerende, altijd vol liefde voor
elkaar, heel