Galahad heengegaan, weggetrokken allen als de
ademwas
op glimmend staal,
Dood! Dood! Voor ons en voor alle tijden dood, die eenmaal
zoo machtige wereld, die nu ledige, onbezielde
schimmenwereld,
Die gulden, verblindende wonderwereld met al hare heerlijke
legenden en mythen,
Hare koningen en fiere kasteelen, hare priesters en strijdvaardige
ridders en schoone riddervrouwen,
Dood, de lijken in de wade, in de rusting, gedekt door de
kroon, bijgezet in het knekelgewelf.
Toen, in zijn koninklijke dicht, schalde Shakespeare hun
dood uit met de klaroen der eeuwen,
En heeft Tennyson's liefelijk, droevig rijm den lijkzang gezongen.
Ik zeg, vrienden, ik, zooal gij niet, zie de verheven zoekster,
('t is waar, hoewel altijd dezelfde, sinds dien veel
veranderd
op haar reis door eeuwen en landen,)
En, bezield als ooit, streeft zij er naar ons te vinden, met
kracht haar weg banende dwars door de warreling
heen,
Niet afgeschrikt door het gegons der machines en de schrille
stoomfluit,
Vindt zij draineer-pijpen, gazometers en fertilisators niet beneden
haar aandacht,
Glimlachend, bekoord, blijkbaar besloten bij ons te blijven,
Daar is zij! onze
moeder, onze vrouw, onze zuster, en bereidt
ons middagmaal!
4.
Maar hoe? Weet ik niet langer hoe 't behoort?
Ik leid de gast, O Columbia, uw huis binnen; (en wat anders
zou dan mijn levensdoel en dezer zangen doel
zijn?)
In naam der vrijheid een onsterflijk Welkom! Laat ons
juichen dat Europa tot ons komt!
En in het altijd en eeuwig der toekomst zijt beiden mijne
lieve zusters, oude en nieuwe wereld.
Vrees niet, Muze! Een echt nieuw leven en een echte nieuwe
tijd ontvangen U en zullen U bezielen,
Ik beken u oprecht, mijn volk is een vreemd, een wonderlijk
volk, het doet zijn eigen nieuwe doen,
Toch vindt gij er dezelfde oude menschheid in, dezelfde van
binnen en van buiten,
Dezelfde gezichten en harten, hetzelfde gevoel, hetzelfde
smachten naar het onbereikbare,
Dezelfde oude liefde, oude schoonheid, hetzelfde oude leven.
5.
Zwijge dan de verheerlijking van den oorlog, zwijge dan
oorlog zelf,
Weg van mijn huiverend zien, en dat het nimmer terugkome,
dat veld vol zwart gebrande, verminkte
lijken!
Die onbeschrijflijke hel met stroomen bloeds, waar ontketende
tijgers en wolven, wier tong uit den muil hangt,
geen
denkende menschen zich in verlustigen,
En daarvoor: verheft U, strijd van denkende hoofden en
nijvere handen,
Komt met onversaagde legerscharen, machinenbouwers,
Kom met uwe vaandels, arbeid, laat hen dartelen op den
wind,
Laat luide en klaar uwe trompetten schallen.
Zwijge dan de oude roman!
Zwijge novelle, spijt en spel van hovelingen,
Zwijge het
minnelied van suikerzoete rijmen, het lied dat
lusten en liefden van lediggangers
bezingt,
Enkel geschikt om gezongen te worden bij het banketteeren
in den nacht, als de late dansers huppelen op de
maat
van vroolijke klanken,
De ongezonde genoegens en buitensporige vermaken der
enkelen,
In geuren, gloed en wijn, onder het schitterlicht der kaarsen.
Voor U eerbiedwekkende, krachtige zusteren,
Verhef ik mijn stem om kunst en dichter te bezielen voor
onderwerpen die hunner waardiger zijn dan
dezen.
Dat kunst en dichter het heden en de realiteit verheffen,
Dat de dichter niet voor enkelen zinge, maar voor den middelmaat-mensch
en diens roem van dagelijkschen wandel
en handel,
Dat hij in liederen roeme arbeid en het gistend leven, en hoe
dezen grootscher zijn dan alles,
Dat hij bezinge den handenarbeid van ieder en allen, het
ploegen, wieden en graven,
Het planten en kweeken van den boom, van den boomstruik,
het moesbed en de bloemen,
De dichter zegge, dat iedere man zijn grootsche taak in het
leven heeft en vervult en iedere vrouw
tevens;
De dichter zegge: neem hamer en zaag ter hand en gevoel
U-zelf hoog,
Hij zinge het lied van den timmerman, den stuc-werker, den
schilder,
Het lied van den kleêrmaker en kleêrmaakster, van de
dienstmaagd, van den stalknecht en den
portier,
En vooral prijze hij het vernuft, dat het wasschen, koken en
reinigen helpt door kleine uitvinding,
En vooral achte hij 't niet beneden zich-zelf de hand aan
den arbeid te leggen, welke ook.
Ik zeg: ik breng U, Muze, heden en hier,
Allen arbeid en allen plicht, verheven of gewoon,
Ik breng U het zwoegen, het gezonde zwoegen in het zweet,
het eindeloos zwoegen zonder rust,
Ik breng U de oude lasten van het werkzame leven en zijne
belangen en zijne vreugden,
Het huisgezin, de
bloedverwantschap, kinderen, man en
vrouw,
De welvaart van het huis, het huis zelf en wat het huis
toebehoort,
Levensmiddelen en het conserveeren van levensmiddelen,
door de scheikunde geholpen,
En al wat den mensch sterk maakt, den gezonden man, de
gezonde vrouw, den volkomen lang levenden
mensch,
Wat dien mensch in dit leven gezondheid en geluk schenkt en
zijn ziel loutert,
Voor het eeuwige toekomstige leven.
Dàn de jongste paringen der volken, hun arbeid, het onderling
verkeer der werelddeelen,
De stoomkracht, de sneltreinspoorwegen, gas en petroleum,
Al deze triomfen van onzen tijd: de kabels van den Atlantischen
Oceaan,
De Pacifiek-spoorwegen, het Suez-kanaal, de Mont-Cenis,
Gothard en Hoosac tunnels, de
Brooklyn-brug,
Deze geheele aarde door ijzeren banden omspannen, met de
stoomvaartlijnen die als draden over de zeeën
zijn getrokken,
Dezen wereldkloot in zijn tuimeling door het heelal breng
ik U.
UIT: EEN LIED VOOR DEN ARBEID
1.
Een lied voor den arbeid!
In den arbeid van machines en in den handarbeid en in den
arbeid op de velden vind ik de verklaring der
godskrachten,
Vind ik de godskracht zelf.
Arbeiders en arbeidsters!
Indien alle geleerdheid en haar nut en haar fraai mij ontstraalde,
zou dat dan veel zijn?
Indien ik een geleerd professor, een liefdadig landheer, een
wijs staatsman ware, zou dat dan veel
zijn?
Indien ik U was wat de patroon is die U in dienst neemt en
betaalt, zou U dat bevredigen?
De geleerde, de brave, de weldadige en dan nog dit: de
banaliteit,
Neem een man als ik: geleerd, braaf noch weldadig misschien,
maar de banaliteit verre.
Ik dienaar noch meester,
Ik verlang niet eerder het vele dan het weinige, wie ook
van mij geniet, ik verlang slechts wat mij
toekomt,
Ik wil uw gelijke zijn en gij zult mijn gelijke zijn.
Indien gij aan de werkbank staat in de werkplaats, sta ik U
zoo na als de naaste aan dezelfde bank,
Indien gij uw broeder of liefsten vriend beschenkt vraag ik
van U hetzelfde als gij aan broeder of liefsten
vriend
schenkt,
Indien uw minnaar, man, vrouw u dag en nacht lief is, moet
ik persoonlijk U even lief zijn,
Indien gij geschandvlekt, misdadig, ongelukkig wordt, zal ik
dat worden om uwentwil,
Indien gij U uwe
dwaze wetschennende daden herinnert,
zult gij dan denken dat ik mij niet herinner mijne
eigen
dwaze, wetschennende daden?
Indien gij in het drinkgelag aan tafel zit, zit ik in het
drinkgelag tegenover U aan die tafel,
Indien gij een vreemde ontmoet in de straten en hem of
haar uw liefde schenkt, o ik ontmoet vele vreemden
en
schenk hun mijn liefde,
Nu, wat denkt gij dan van U-zelf?
Hebt gij gering gedacht van U-zelf?
Hebt gij den President hooger gesteld dan U-zelf?
Of den rijke er beter aan toe dan gij? Of de geschoolde
wijzer dan gij?
(Omdat uw gezicht vuil of puistig is, of omdat gij eens dronken
of een dief waart,
Of omdat gij ziekelijk, of rheumatisch, of een lichtekooi zijt,
Of omdat uw kracht gering is of gebroken, of omdat gij geen
vat vol geleerdheid zijt en uw naam nooit gedrukt
hebt
gezien,
Leidt gij daarvan af, dat gij iets minder onsterflijk zijt?)
2.
Zielen van mannen en vrouwen! U noem ik niet onzichtbaar,
onhoorbaar, ongevoelig en onvoelbaar,
Ik zal mij niet bemoeien voor of tegen U te pleiten om uit
te maken of gij al dan niet bestaat,
Ik erken openlijk wie gij zijt, al erkent niemand anders dat.
Volwassen, halfwassen, kind, van dit volk of elk ander volk,
in huis of buitenshuis, ik zie in den een dezelfde
waarde
als in den ander,
En ik zie al het andere door hen heen en achter hen.
Ik zie de vrouw en zij is geen zier minder dan haar man,
Ik zie de dochter en zij is even goed als de zoon,
Ik zie de moeder en zij is de volkomen gelijke van den
vader.
Kinderen van den onwetende en den behoeftige, knapen die
opgeleid worden in een vak,
Jonge mannen die
bij den boer werken en oude mannen die
bij den boer werken,
Matrozen, sjouwers, kustvaarders, landverhuizers,
Ik zie ze allen en zij zijn mij na, ik zie ver weg anderen en
zij zijn mij na,
Niet een ontgaat mij, en niet een wenscht mij te ontgaan.
Ik breng U wat gij 't meeste behoeft en toch steeds hebt
bezeten,
Het is geen geld, amours, kleed, eten, geleerdheid, maar het
is even goed,
Ik zend geen zaakwaarnemer of tusschenman, bied U geen
wissel van de waarde aan, maar geef U de waarde
zelf.
Daar is iets dat den mensch invloeit nu en steeds,
Niet in gedrukte woorden, noch in gepreekte of gepraten
woorden kan men 't vinden, het ontsnapt aan die
woorden,
Niet in een boek, niet in dit boek is 't te vinden,
Wie gij ook zijt het is 't uwe, het 'is niet verder van U dan
uw gehoor of uw gezicht,
Wat U het naaste, het gewoonste, het gereedste is spreekt er
U van en daaruit komt het U immer te
gemoet.
Lees in vele talen, toch leest gij hierover niets,
Lees de Boodschap van den President en gij leest ook
daarin niets hier over,
Niet in de rapporten van het Binnenlandsch Ministerie of
van het Ministerie van Financiën, niets in
dagbladen of
weekbladen,
Niets in de belasting- of pensioenberichten, niets in de prijsnoteeringen
of de mededeelingen van de Beurs.
3.
De zon en de kringloopende sterren in het firmament,
De appelvormige aarde en wij met ons leven van die aarde,
het is grootsch in zijn eeuwig gedobber,
Ik weet niet wàt het is behalve dat het grootsch is en dat
het geluk is,
En dat de beteekenis van ons leven niet ligt in een bespiegeling