HOOFDSTUK XX

Een week daarna reed Amadijs, de jeugdige schildknaap, die eigenlijk Alliene, de jonkvrouw, was, alleen, dwars door de foreesten, die scheidden de landen van Koning Assentijn, van Koning Wonder, van Koning Artur. Hij was op weg naar Camelot, waarheen Gawein hem gezonden had, om eindelijk te melden den dood van Mordret en Didoneel.

Zijn stille ijverzucht, als hij Gawein en Ysabele te zamen zag, leed te veel dan dat hij niet met klem van woorden Gaweins bezwaren overwonnen had om te gaan, en alleen de gevaarvolle foreesten door te tijgen. Trouwens, hij was niet vervaard; Alliene, de jonkvrouw, was niet vervaard. Armoede en rampspoed hadden haar in den vervallen burcht haar vaders geleerd geen vrees te voeden voor mogelijk ongeval; de wapenrusting haars broeders drukte haar niet te zwaar de tengere schouders; het zware zwaard vermocht zij zelfs te hanteeren. Draken scholen er niet meer in de spelonken der wouden; Alliene, die heette Amadijs, was dus op weg getogen met Gaweins boodschap: dat Mordret en Didoneel twee stille feloenen waren geweest maar nu verslagen en met genade van orisone ende vigelië begraven en dat het Scaec voor het oogenblik onvindbaar was....

Zekerlijk, het Scaec had zich niet meer vertoond en waarheen de queste te richten als het zich niet meer vertoonde...? Gawein toefde dus te Endi, verzoend met zijn schoonvader en vol minne voor Ysabele, die met hem las, in het breede boograam samen gezeten, zijne eigene jeeste: die van vroeger, toen hij het eerste Zwevende Scaec had gezocht—of die met hem jaagde, valk op vuist.... En Amadijs nu, weemoedig, reed de eindelooze foreesten door, onvervaard, maar zonder hope en blijdschap des levens, omdat de dingen der liefde zoo treuriglijk waren, omdat de een den ander liefde gaf en niet altijd liefde weêrom ontving.... Zoo liefde Amadijs Gawein en zoo liefde Gawein Ysabele, die toch een ander liefde met liefde als de princes zelve Amadijs had bekend...! En de schaduwen vielen weemoediglijk uit de dicht gebladerde boomen: er was nauwelijks gezeef van zonneschijn en tinteling van zonnerondten rondom den jongen ruiter, op den mossigen grond, over den met onkruid bewoekerden weg....

En de vogelen zwegen stil, om de wolken, die laag dreven, boven de boomenkruinen....

Een slang schuifelde soms....

Sloop tusschen rotsblokken, ritselend geheimvol, onder de dorrende bladeren, die verschrompelden en rotten van vocht, tusschen de dof roode zwammen....

Tot zware stemmen in de verte verduidelijkten, en het ros de zenuwige ooren spitste en Amadijs uitluisterde naar wie naderde met ontmoeting kwade of goede, die hem het gemoed zoû ontroeren.

Waar de weg wendde en de rotsen zoomden het ruige ravijn en de zonneschijn feller viel in het woud uit de opene lucht, den afgrond over en de schaduw dieper den schemer indrong, reed een drom van ridders aan....

Een drom, neen....

Amadijs telde er zeven slechts....

Maar hunne woorden waren geweldig, hunne breede rossen versperden den smallen weg, hunne rustingen rammelden van ijzeren en stalen rateling en zij schenen meer in aantal dan zij waren....

Amadijs, wel onderricht van wat ramp kan worden en tegenspoed, seinde zich achter zijn schild maar reed onvervaard door.

En genaderd de ridders, groette hij hen hoofsch met zijn speer en met Gods eere, die hij hun toe riep. De voorste, een reus, riep terug den groet en voegde er aan toe:

—Waarheen richt gij u, jeugdige knape, aan deze grenzen veler koninkrijken, wen ik u vragen darf? Zoo alleenlijk en jong van jaren te dolen door deze foreesten, dunkt mij moed boven uwe jaren?

—Ik zeg dank, heer ridder, zeide Amadijs; voor uwe hoofsche vrage, die ik geerne beäntwoord: ik richt mij tot Camelot, tot des grooten Konings Arturs hove, om hem kond te doen van drie zijner ridderen.

—Bij den goeden dage! bulderde de reus verwonderd.

En naast hem stotterde zijn makker:

—Bbbb...ij dd...en goeddd...en ddd...age!

Terwijl een derde achter hen schaterde van luiden lach:

—Bij den goeden dage!

En de vier anderen uitriepen:

—Bij Sint Michiel!

—Bij Sint Jan!

—Dit is met rechte jongstige fortuin! hernam, bulderend blijde, de reus. Want weet, wellieve knape, dat wij zijn zeven ridderen van Tafel-Ronde en dat wij zoeken Mordret en Didoneel, die zijn van Camelot gegaan en zij kwamen niet meer weêrom, zoodat onze heer Koning ons heette hen te zoeken; zij zijn hem harde dierbaar en hij vreest voor hunne levens.... Ik ben die gone, die is Bohort; mijn gezelle, hier naast mij, heet Ywein....

Ywein! herhaalde de stotteraar en stotterde niet, omdat hij op een w niet stotterde.

—Acglovael, bij mijne trouwe, ben ik! lachte de schateraar en sloeg joviaal uit zijn hand naar den knaap.

En de anderen galmden hunne sonore namen van Keltischen klank en die daverden geluidvol langs het ravijn en het woud door:

—Hestor en Meleagant!

—Galehot ik!

—En ik Sagremort, weet dat wel!

Toen lichtte Amadijs de ventalië van zijn helm omhoog.

En zeide zacht en bescheiden:

—Mijn hooge heer en en valiante baroenen! God van Hemelrijk deed mij genadiglijk uw zevenen op mijn eenzamen weg ontmoeten. Ik ben Amadijs, schildknape des heeren Gawein....

—Gawein!! bulderden zij allen en Bohort, haastig, ging door:

—Vertel mij, welzoete knape, van onzen Gawein. Want wij ontberen hem ook sedert dagen en Lancelot en Gwinebant zijn ten tweeden male uitgetogen om hem te zoeken.

—Hij toeft bij zijn schoonvader, den Koning Assentijn, verzekerde Amadijs. Maar hoort mij verder aan, o ridderen: geheimenis is niet meer van noode; neen, ik ben geen knape maar eene rampzalige jonkvrouwe: ik ben Alliene en Gawein beschermde mij toen Mordret en Didoneel mij ontschaakten uit den burcht mijns vaders!

Uitroepen van verrassingen en van verontwaardiging ontsnapten Koning Arturs ridders. Zij stegen in ijle af, bonden de paarden aan de boomen vast en zetten zich aan den rand van het ravijn rondom Amadijs, die hun vertelde van al dat gebeurd was. Dat Mordret en Didoneel twee feloenen zouden zijn geweest, was hun bijna ondenkbaar, maar nu herinnerden zij zich toch:

—Nooit ende nie hebben zij eene damosele bevrijd van andere feloenige ridderen, merkte kleine, dappere Meleagant op.

En zij beäamden het alle de andere zes: nooit hadden Mordret en Didoneel in alle die jaren belaagde damoselen bevrijd. Daarom wilden zij ook wel geloof hechten aan de woorden van deze, als Gaweins schildknecht, vermomde jonkvrouw en toen zij eindelijk weêr op zouden zitten, zeide Bohort:

—Jonkvrouwe Alliene, of Amadijs, als gij u heet, zes onzer zullen zekerlijk tijgen naar Amoreuse-Garde, den boozen burcht, waarvan gij spreekt en waar belaagde, damoselen gevangen worden gehouden door keytivige ridderen, gezellen van Didoneel en Mordret en die zes zullen de jonkvrouwen wel verlossen, weet dat wel, maar één onzer zal u begeleiden tot Camelot, opdat gij den Koning Artur konde doet. Zeg mij, wien kiest gij onder ons?

—Ik en weet niet, heer Bohort, zeide Amadijs.

—Zoo ik mij melden darf, zeide Galehot; zoude ik geerne dezen lieven schildknecht den mijne noemen wen Gawein hem niet heeft van noode en met hem terug keeren tot Camelot. Ziet, lieve gezellen—o Sagremort, trek zoo niet de wenkbrauwen op!—gij gaat allen die belaagde damoselen bevrijden uit Amoreuse-Garde maar willen zij wel bevrijd worden?

Acglovael schaterde om Galehots twijfeling, maar Sagremort zeide.

—Hij heeft recht, Galehot; willen die damoselen bevrijd of niet bevrijd worden: dat is de vrage?

—Riddd...erplicht, stotterde Ywein; is bbbe...laagde ddd...amoselen te bbb...evrijden!

Of zij bevrijd willen worden of niet, meende Hestor op modeste wijze, nu hij zijne meening ook kenbaar maakte en het was of hij zich verontschuldigde,

—Zoo zult gij, gezel Galehot, zeide Bohort; met Amadijs weder keeren tot Camelot, waar onze heere alleenlijk beidt met de koniginne en met Keye en angstiglijk uit spiedt naar tijdingen. En wij zessen, makkeren, wij gaan die damoselen bevrijden!

—Wij gaan eindelijk weder damoselen bevrijden! riep Meleagant, juichende blij.

—Wij gaan ddd...amoselen bevrijden, stotterde Ywein; of zij willen worden bevrijd of niet!

—Het is wèl een klein Aventuur te noemen, meende Hestor, die nooit van grootspraak hield.

Maar Sagremort zeide:

—Ik en weet eigenlijk niet of het een Aventuur is te noemen, maar het zoude wel kunnen gaan worden een Aventure... ja, ja, dàt wel!

—En daarom zitten wij zessen op! schaterde Acglovael en zette, ratelend van lach en van wapenene, zijn gemalieden voet in den breeden beugel.


HOOFDSTUK XXI

Intusschen doolden Lancelot en Gwinebant door andere foreesten rond, waar zij meenden Gawein te zullen vinden.

—Zoo wij slechts Merlijn hadden mogen zien, die leste tijden: hij hadde ons gezegd waar Gawein allicht ware te treffen.

—Wij en zagen Merlijn niet sedert dagen en maanden, zei Gwinebant.

—Hij is zekerlijk nog bezig met de draadlooze theorië, peinsde Lancelot.

Gwinebant antwoordde niet; hij wist, voor zich, dat Merlijn, al bleef onzichtbaar de toovenaar, hem iedere nacht, o zaligheid, deed droomen van schoone Ysabele, in zoete vië en amoreuselijk samenzijn en hij vroeg zich af, de schoone knaap, of Merlijn die droomen ook zocht te doen weven volgens draadlooze theorië...? Maar hij vroeg niets aan Lancelot en genoot liever zwijgend de herinnering van den laatsten droom: Ysabele's armen om zijn blonde hoofd, Ysabele's mond op zijn mond. En het kuiltje in zijn kin groef zich schalker.... De schemering zonk reeds grauwer door de dichte twijgen.

En laag in de boomen gloorde de weg zinkende zon.

Geene ontmoetingen hadden de ridders. En Lancelot meende reeds, dat deze dag des dolens er een verloren zoude zijn en dat zij herberg moesten zoeken. Want de dolende ridders op queste waren wel steeds gesteld op een bedde des nachts in burcht of kasteel, liefst een wonderbed, waarin hunne wonden den volgenden dag waren genezen. Gewond waren niet Lancelot en Gwinebant, maar zij hadden honger, hoe verliefd zij beiden ook waren en trouw. Zij spiedden dus beiden een weinig baloorig uit of geen torens tusschen de boomen uit staken, maar het scheen wel, dat eindeloos het foreest zich strekte....

Tot zij plotseling hoorden kreunen en kermen.

—Het Aventuur! zeide Lancelot en hief den vinger aandachtig op.

—Het Aventuur! herhaalde Gwinebant.

Het gekerm, het gekreun naderde aan. Het was niet van vrouwestem.... En met een wending van den weg werd zichtbaar een kar, getrokken door een armzalig paard en dat een dwerg geleidde. Het paard waren ooren en staart af gesneden en in de kar lag een half naakte ridder, gebonden handen en voeten en hij was het, die kermde en kreunde...

—De Kar! riep Gwinebant, hevig ontsteld.

—De Kar! riep ook Lancelot in grootste ontroering. De Kar der Schande! Gij, dwerg, zeg mij wien voert gij rond door de foreesten op deze schandekar?

De dwerg grinnikte; hij was idioot; maar de ridder op de kar kermde hooger.

—Heeren ridderen, wie gij ook zijt, ontfermt u mijner! Ik ben Lionel en ridder van Koning Clarioen van Noordhumberland, en hij beval mij naakt te werpen op de schandekar, opdat mij deze zinnelooze dwerg zoude voeren, alle straten door, alle wegen over, voorbij de burchten, dat uit de vensteren de bewoneren mij belachen zouden en onteeren! Heeren ridderen, de Koning Clarioen, hij beschuldigde mij van hem naar het leven te staan om mij meester van zijn troon te maken! Maar hij beschuldigt alle zijne ridderen van hem naar het leven te staan om zich meester van zijn troon te maken! Edele ridderen, dat is omdat hij geen oir en bezit, geen zoon of erfgenamen en hij zijne bruid Ysabele nog niet darf huwen.

—Ysabele! riep Gwinebant, heftig ontroerd. Welke Ysabele, ridder, zeg mij?

—Ysabele, die schoone, die is de kleindochter van den Koning Assentijn en princesse van Endi!

Gwinebant en Lancelot waren afgesprongen.

—Zweer mij, gij zijt onschuldig! drong Lancelot.

—Ik zweer, heer! riep de ridder. Ik Lionel, ik ben de zesde ridder uit Noordhumberland, die onschuldig wordt rond gevoerd op deze schandelijke tooverkar! O verlost mij, verlost mij, heeren!

—U verlossen... van de Schandekarre! riep Lancelot in hevigste ontsteltenis.

—Van de Schandekarre... u verlossen! riep radeloos Gwinebant.

En de beide ridders wierpen de armen op en riepen tot Sint Michiel.

Want de Kar te ontmoeten was groot ongeluk.

Want de Schandekar met het armzalige paard en den dwerg, die het leidde, was een tooverkar, een marteltuig en wie er in werd geworpen, werd er van zelve geboeid aan handen en voeten, en wie er in lag, geboeid, kon er alleen uit worden bevrijd door wie voor den geboeide, vrijwillig, de Kar besteeg. De Kar te ontmoeten was een ramp voor den dolenden ridder want het was ridderplicht den gemartelde te verlossen en in zijne plaats de Schandekar te bestijgen, maar de dolende ridder versloeg liever honderd reuzen en honderd draken daarbij.

Toen zeide Lancelot:

—Ik zal de Kar bestijgen....

—Neen!! riep Gwinebant uit, Lancelot omhelzende. Mijn zoete vriend, dat nie! Gij, de eerste aan den Hove, gij, die zit aan 's Konings rechterhand, gij, die onze koninginne lief hebt, gij, mijn gezel, dien ik minne: dat nie! Ik, ik ben de jongste, ik ben Gwinebant, die Ysabele minne; ik, ik zal de Schandekarre bestijgen!

En hij zette den voet op de kar.

Het was heel donker geworden....

Er was als een woedend gevecht op de Kar.

Het lichtte....

En de donder rolde....

Toen Lancelot de handen strekte, tastte hij en herkende niet Gwinebant maar Lionel. En hoorde hij Gwinebant, geboeid, liggende op de Schandekar, zich van pijn en smarte wringen en kermen en kreunen.

—Gwinebant! riep Lancelot smartelijk. Ik zal u bevrijden op mijne beurte...!

—Na twaalf uren! grinnikte de dwerg.

—Lionel! riep Lancelot. Sla mijn mantel om en bestijg mijns vriend paard! Dwerg, gij zot, zijt gij der burchten wel wijs?

De dwerg grinnikte bevestigend.

—Zoo voer de kar! riep Lancelot. Voer de kar, deze geheele nacht van smarte, rond, tot wij des daags langs de burchten rijden, waar vrouwen en ridderen mijn zoeten gezel uit de vensteren zullen belachen en onteeren!

—Gwinebant, riep Lionel naar den jongeling op de Kar: hij lag er half naakt in zijn door tooverij ontgespte rustingstukken, maar Lancelot bedekte hem met een mantel. God zal u loonen! God zal u loonen, o mijn bevrijder!

En pijnlijk en nog na kermende van de geledene pijnen, besteeg hij Gwinebants paard....

De dwerg rukte, op het lamoen van de Kar gezeten, de teugels; het mizerabele paard trok aan....

Stortregen viel neêr....

—Ik ben zot maar van de burchten wijs! grinnikte de dwerg.


Wat was de vië schoon en goed, meende Gawein; wat was te ademen reeds zaligheid, want was te beminnen niet het Paradijs voor wie meent, dat hij bemind wordt! In den volzomer straalde de blauwe lucht wolkenloos boven den burcht, die breed, een stad gelijk, met zijne talrijke torens, zijne verweerde massa's stapelde tusschen de bosschen in den steeds nevelenden wadem, stijgende uit de ziedende tooverrivier. En met Ysabele dwaalde Gawein over de wallen en langs de grachten, de twaalf poorten nu in vredestijd open, zoodat zij de eene poort in, de andere poort uit, dwaalden en doolden, terwijl in den hof voor den burcht de oude Koning behagelijk zat onder de linde in den gezeefden zonneschijn te knikkebollen....

En zijne ridders bal speelden en de edelvrouwen zich vermeiden, zoo wel met de pagiën als met hare schoothondjes.

Maar Gawein ging steeds Ysabele ter zijde, als haar ridder, die ook in het aanstaande tornooi te harer hulde strijden zoû. En geen ridder was zoo hoofsch als Gawein: al wist hij niet te zeggen de dingen als de woordenrijke vinders doen, hij wist te doen de dingen der courtoisië, die een ridder doet voor de vrouwe zijner keuze. Hij liep een middag Ysabele's valk na, die was weg gevlogen.... Tot hij den vogel eindelijk vond, moede des vluchtens, in het struweel. Hij redde eens Ysabele's hondje, dat in een der grachten gevallen was en sprong in het water het reeds verdrinkende keffertje met levensgevaar te grijpen: het was hem bijna ondoenlijk de gracht weêr uit te komen. Toen las Ysabele in de jeeste van Lancelot—ook reeds door de clerken geboekt—dat Lancelot, na drie wintermaanden gekerkerd te zijn geweest door een vijandelijken koning—de traliën had verwrongen om eindelijk in Mei, in den kerkerhof, een prachtige roze te plukken, die hem denken deed aan zijn liefde, koninginne Guenever.... En Ysabele vroeg haar oom en ridder of hij ook, te harer hulde, zes kerkertraliën wilde verwringen, om een roze te plukken.... Zoo dat Gawein zich in een kerker op deed sluiten....

Er bloeide juist een rozenstruik voor het gevang en alle ridders en edelvrouwen en pagiën, rondom Ysabele, kwamen zien hoe Gawein de traliën wrong en wrong om, eindelijk, bevrijd, de roos te plukken, die hij legde aan Ysabele's voetje. En zij kuste hem dankbaar en alle ridders en edelvrouwen prezen Gawein als den hoofschte, maar hij verontschuldigde zich en zeide, hij had niet meer dan Lancelot gedaan. Toen gaf Ysabele aan Gawein haar gouden kam en rondom de tanden had zij drie harer goudblonde haren gewonden omdat zij gelezen had in de jeeste, dat Guenever eens aan Lancelot ook haar kam geschonken had met enkele heurer haren er in....


HOOFDSTUK XXII

Zoo was de vië goed en schoon, vol jolijt en solaes, meende Gawein, terwijl hij met Ysabele ging langs de grachten en over de wallen, waar hoog de zonnebloemen opstaken en boven de hooge stengelen hieven hare groote gouden zonnen, donker gehart, afstralend tegen het rosbruine steen der burchtmuren, met de enkele boogramen her en der verloren. En de zoete woorden, al was Gawein geen vinder, welden als water uit een wel Gawein uit het harte en sprak hij met zijn diepe stem en Ysabele, naast hem gaande, langs de lange zonnebloemenhaag, in hare witte, nauwe, even slepende kleed, de vlechten twee over den smallen rug, twee over den smallen boezem, hoorde ze met vreugde aan, hoe zij ook droomde, iedere nacht van Gwinebant, van Gwinebant! En zij herhaalde tot Gawein, dien zij geen oom meer heette maar Gawein, dat zij zekerlijk weldra zoû trouwen met den ouden Koning, Clarioen van Noordhumberland.... En Gawein begreep dat, omdat zij was de princes van Endi en het princessekroontje met drie puntjes hare slapen omgaf en omdat zij niemand dan een Koning kon trouwen en omdat alle Koningen in den ommetrek oud waren... Maar, zeide Ysabele, als zij heur princessekroontje geruild had voor de koninginnekroon van Noordhumberland, zoû zij toch wel "hoofsche ridders" willen hebben aan heur hof, één of twee, en zij wist niets van de Noordhumberlandsche ridders af en er zouden zeker, met hare vrouwen, ridders haar in bruidvaart vergezellen. Zoodat veel hoop Gawein werd gelaten en hij zoo gelukkig leefde aan Ysabele's zijde als hij nooit geleefd had naast wie hij ook had bemind, lace, zelfs niet ter zijde van de eerste Ysabele, dezer tweede Ysabele moeie en dochter Koning Assentijns. Zoo was het spansieren eindeloos, des morgens, na priemtijd, over de wallen en in de vergieren, in de zonlachende hoeken tusschen de muren en torens, den burcht om en eindeloos om; zoete wandelingen, poorten uit, bruggen over, de grachten groenblauw en grijs goudend, ringelend als breede gordelen rondomme en Gawein heugde zich niets meer van slachterij, die hij Destijds hier had aangericht. Tot zij, dien morgen, wederom den slothof naderden en groote beweging zagen en ook tal van hoofden, die bogen uit alle burchtramen, van staffieren en kamenieren en zij zelven zich haasten om mede te aanzien wat geschiedde, buiten, vóor den burcht, op den weg, die er heen geleidde, zichtbaar over de grachten heen van af den hof.

En met den Koning en het hof zagen Gawein en Ysabele, terwijl der edelvrouwen vele schoothondjes op de barbekanen keften, een schandekar, gevoerd door een dwerg, gezeten op het lamoen en in de schandekar lag een half naakte ridder en kermde van pijn en ter zijde reden twee ridders, de ventalië op geslagen.... Van zoo verre over de elf grachten heen en door den stadigen wasem van de ziedende tooverrivier, waren de ridders niet dadelijk te herkennen; niet alleen wie in de kar lag, ook de beide ruiters schenen bleek en moê, wellicht meer uitgeput dan zij zouden van tweestrijd of veldslag geweest zijn. Reeds ging onmeêdoogend, naar die costume en zede, der burchtgenooten gejoel en gejouw opgalmen, vooral dat der vele mindere serianten, die over de wallen krioelden om te kijken en hun spot te drijven met wie op een schandekar voort werd geleid door een onnoozelen dwerg....

Toen Gawein, met de hand voor de oogen:

—Bij mijne zoete Vrouwe van Hemelrijk! Bij caritate, wat zie ik! Herken ik in dien eenen ridder niet mijn gezel, Lancelot? Is het mogelijk, dat ik Lancelot herken!?

—Lancelot! juichte Ysabele. Is hij Lancelot, dien ik ginder schouw!? Lancelot, van wien ik juist geheel de schoone jeeste las?!

—Hij is Lancelot, mijn schoonvader!! riep Gawein in hevigste ontroering tot Koning Assentijn. Hij is Lancelot en wien zal hij vergezellen in de Schandekar, zoo niet de geschandvlekte een ridder van goeden moed is! Om hem troost te bieden en eere te doen: niet ànders dan om dien zal Lancelot een op de vreeselijke Kar verzellen!

En Gawein, heftig ontroerd, liep de eerste opene poort uit en riep over de brug, over de eerste slotgracht, luid van stemme:

—Lancelot! Lancelot!

Lancelot zag smartelijk op; hij herkende....

En verrast riep hij:

—Gawein! Gawein, dien wij zochten!

Maar Gawein riep een tweeden kreet, smartelijker nog dan waarmeê hij Lancelot had geroepen:

—Wat zie ik! Gwinebant! Gwinebant!

Want hij herkende den ridder op de Kar!

Maar achter hem had een schelle vrouwekreet weêrklonken.

Het was Ysabele, die niet meer juichte om Lancelot; het was Ysabele, die, achter Gawein aanloopende, met velen der baroenen en edelvrouwen Gwinebant had herkend en uitriep:

—Gwinebant! O, Heiligen van Paradijs! Op de Karre ligt Gwinebant, mijn ridder met de mouwe, die voor mij dapperlijk streed in het leste tornooi!

En vóór haar grootvader en de baroenen het haar konden verhinderen, was zij met Gawein vooruit gesneld, was hen vóór gesneld, alle de poorten uit, alle de bruggen over, tot zij, het hondje aankeffende achter zich, gekomen was op den weg, waar langs de dwerg voerde zijn kar, met het mizerabele, verminkte paard.

—Lancelot! riep Gawein.

—Gawein! riep Lancelot. Wij zochten u!

En hij wierp zich af en de beide ridders omhelsden elkaâr.

—Lancelot! riep Gawein. Wat ligt mijn Gwinebant, onze jongste en schoonste gezel, op de Kar?!

—Hij ligt er om ridderlijken plicht! zei Lancelot. Hij ligt er om Lionel te bevrijden, die lag op de Kar schuldeloos! Wij waren uit getogen, Gawein, op queste naar u, die bleef zoek en ontmoetten de Kar en Gwinebant bevrijdde dezen hier: Lionel!

—Maar ik, heeren! riep Lionel; heb mijne krachten terug erlangd! Ik zal de Kar wederom bestijgen!

—Lionel! riep Lancelot. Aan mij is nu de beurte de Kar te bestijgen! En die dwerg zal mij voeren tot Camelot, waar ik mijnen Koning kond zal doen en Merlijn de Kar onttooveren zal!

—Neen! riep Ysabele. Mijn hooge heer, Lancelot, gij van wien ik las met Gawein, mijn ridder, uwe zoete jeeste, gij, de trouwste ridder van Kerstenheid, gij, de trouwe ridder van de "fonteyne aller schoonhede", koninginne Guenever—o hoe geerne zag ik haar niet!—gij moogt niet de Karre bestijgen! Het is Gawein, mijn oom maar ook mijn ridder, hij!, die de Kar bestijgen zal, om Gwinebant te verlossen!

En met de kreten der jonkvrouw mengden zich de ontroerde stemmen van Lionel, Lancelot en Gawein, die met malkanderen wedijverden in edelmoedigheden, wie de Kar bestijgen zoû.

Want Gawein aarzelde niet, hoofsche ridder, die hij was, te voldoen aan het bevel van Ysabele, die hij minde boven alles ter wereld. Hij zette, vóór,—garsoenen schoten op de paarden toe—Lancelot en Lionel hem konden verhinderen, zijn voet op de Kar... Er was als donder en weêrlicht uit blauwe lucht; de dwerg grinnikte; angstig hinnikte het mizerabele paard....

In de Kar lag Gawein...

En wrong zich, gebonden, de kleêren verscheurd.

Tusschen Lancelot en Lionel stond wankelend Gwinebant. Hij was heel bleek.

Hij hield de oogen gesloten, terwijl hem steunden zijn vrienden.

Hij scheen uitgeput van de pijnen, geleden die nacht in de onzalige Kar.

Toen hij de oogen opende, zag hij, tusschen tal van baroenen en vrouwen—o hoe heur aller schoothondjes kef-kef-keften omrond—eene jonkvrouw...

Zoo blond, zoo blank, zoo goud van haar, zoo wit van kleed, dat zij een engel scheen...

En vol liefde-angst zagen hare azuren oogen hem aan...

En hij herkende haar...

Eénmaal had hij haar gezien ten tornooie...

En hij had hare mouwe, die zij hem had gereikt, geslingerd rondom zijn helm...

En sedert had hij haar gezien, tallooze malen van onzegbaar geluk, in zijne droomen...

—Ysabele... murmelde hij.

—Gwinebant... stamelde Ysabele.

En hare witte handekens reikten hem toe.

Hij greep ze en kuste ze zacht.

—Ik zag u... stamelde hij.

—Ik zag u ook, Gwinebant, murmelde Ysabele.

Maar zij zeiden niet wáár zij malkanderen meer hadden gezien...

O, die leste tijden, iedere nacht!

In hunne droomen. Hoewel hij niet wist van de háre en zij niet van de zijne...

Rondom hunne elkander ontmoetende, zoet herkennende liefdeblikken, was het veel laweide, want de paarden hinnikten, steigerend aan de vuisten der garsoenen, die ze bedwongen...

De edelvrouwen riepen wi ende wacharme...

De baroenen huldigden met lof ende prise Lancelot en Lionel.

En de schoothondjes... o wat de schoothondjes razende keften!

Toen klakte de dwerg met de zweep.

—Ik ben die gone, die wijs is van de burchten! grijns-grinnikte de onwijze dwerg. Wij gaan tot Camelot in den lande van Logres en dan terug naar Noordhumberland!

Maar Lancelot, Lionel en al de baroenen wilden niet, dat de dwerg de Kar weg zoude rijden. En ook Koning Assentijn, die de poorte uit en de bruggen was over gekomen, wilde het niet.

—Wij en willen het niet! riepen zij allen. Den burcht in, dwerg! Hiér, in den burcht van Endi zal blijven de Karre! Den burcht in, dwerg, trots tooverië en Schandekar-wonder! Als Gawein onschuldig op de Karre geschandvlekt ligt uit edelmoedigheid, zal hij niet vertoond worden langs de straten, tot spot van keytieven en kaerelen! Den burcht in, dwerg!

En zij dwongen den dwerg de eerste brug over te rijden, door den heeten wasem heen van het ziedende water. De garsoenen geleidden de twee paarden weg...

De schoothondjes keften...

Het was een laweide van grootst belang en nauwelijks kon zich verstaanbaar maken de Koning, die noodde hoffelijk Lancelot, Lionel, Gwinebant zijne gasten te zijn. Hevig kermde Gawein en wrong zich, wrong zich op de Kar...

Hij wrong zich van de tooverpijn, die hem met scheuten schoot door de leden maar hij kermde vooral—want meer dan kermen was zijn klagen niet—omdat hij, vóór het mizerabele paard, dat de Kar trok... Ysabele zag gaan met Gwinebant, zijn jongen gezel, dien hij wel minde...

En hij leed ijverzucht want Ysabele, teederlijk,—meende hij—geleidde Gwinebant, die nog wankelde na, bleek, in zijn stukkende rusting...

Tot Gawein zag, dat Gwinebant glimlachte zijdelings naar Ysabele en haar, zekerlijk, bediedde dat het hem beter ging, hij, een ridder van Tafel-Ronde en die niet sterven zoû van één nacht onschuldig gelegen te hebben op de Schandekar. In der daad richtte zich ook Gwinebants ranke, breedschouderige gestalte, zoo jeugdig als van strijdengel, meende kermend Gawein, aan Sint Michiel gelijk! en Ysabele, zijdelings, glimlachte Gwinebant toe... En Gawein kermde en er was zùlk een laweide, dat plots donderend de Koning Assentijn uitriep, tusschen Lionel en Lancelot:

—Jonkvrouwen en vrouwen! Ik beveel u: doet zwijgen, en dadelijk, al uw onzalige schoothondjes want, mij mijne koningskrone! ik laat ze anders allen door de garsoenen in de grachten gooien!

Toen stortten alle de vrouwen en jonkvrouwen toe op hare keffende hondjes en borgen de lieve beestjes in hare armen, aan hare boezems, in de schootplooien van haar gehevene kleed...


HOOFDSTUK XXIII

Maar blijde waren alle de burchtgenooten, de hoogste en ook de laagste, dat zij Gawein gespaard hadden van die schande op de vreeselijke Kar te worden rond gevoerd langs wegen en straat, om vertoond te worden aan allen, die hem zouden ontmoeten. En de dwerg voerde nu zijn Kar naar den burchthof en daar werd het paard, dat doodmoede was, uit gespannen en weg geleid. De Kar, waarop Gawein lag te kermen en te krimpen, werd onder de breedtakkige linde getrokken en allen om Gawein heen wrongen de handen want verlost kon hij eerst worden na twaalf uren zonder levensgevaar voor hem en zijn bevrijder. En om hem heen zwoeren Lancelot en Koning Assentijns baroenen, dat zij, zoodra de zon zonk, Gawein zouden verlossen, om beurten; zij beloofden het malkanderen met handslag.

Ysabele, met Gwinebant, naderde nu ook de Kar en zij begon te weenen, toen zij Gawein zoo zag krimpen.

—Gawein! riep zij. Mijn lieve ridder! Doet de tooverkar harde pijn? Ik en kàn u zoo onnoodig niet lijden zien!

—Ysabele! zeide Gawein, heel bleek. Het is niet zóó groote pijn! Het is meer prikken van muggen en steken van wespen maar méér en is het leed niet! En ik en zal niet meer kermen en krimpen als gij het niet aan kunt zien en als het uwe zoete oogen doet weenen!

Toen lag Gawein heel stil en sloot de oogen, terwijl ter zijde van de Kar grinnikte de dwerg. En de Koning zette zich bezorgd op zijn zetel en beval der ridders bal te spelen en met het werptafelspel. En hij beval jongen knapen te zingen en vedelaren te vedelen, opdat Gawein minder zoû lijden, zoo rondom hem er muziek klonk en voort ging de gewone vië, die des kasteels was in vredestijd. En steeds lag Gawein heel stil, de oogen gesloten en Ysabele dankte hem, dat hij niet meer kermde en kromp en Gwinebant dankte hem, dat hij hem wel had willen verlossen. Zoo gingen er enkele uren voorbij...

En het scheen bijna, dat Gawein niet meer leed, zoo stil lag hij...

O, de vreeslijke Kar, de Schandekar, die een tooverkar was, o de vreeslijke Kar van Clarioen van Noordhumberland! In alle andere rijken der oude Koningen rondom was zij reeds afgeschaft, die Kar van schande en van marteling en nog deed Clarioen haar door de landen gaan! O, zoo de baroenen haar dorsten vernietigen, die Kar, die alleen leidde één onzinnige dwerg! Maar tooverië en magië waren sterker dan alle baroenen ter wereld en de Kar wàs niet te vernietigen, alleen te onttooveren! O, zoo Merlijn maar te roepen was, maar Gwinebant noch Lancelot wisten, waar hij toefde, zeker steeds bezig met die zoo moeilijke, draadlooze theorië... Zoodat Lancelot zich droef bij den Koning zette en Gwinebant Ysabele verder geleidde langs de grachten en de zonnebloemen: al lag Gawein stille, het bleef toch pijnlijk voor de zoete princesse haar ridder op de Schandekar te zien! Tot plotseling boven van de tinnen galmde koperen torengeschal der torenwachters en de burchtzaten uit zagen: twee ruiters naderden en de drossaet des Konings, met staffieren en met garsoenen, ging hen door de opene poorten te gemoet en verwelkomden hen. Zij reden binnen en Lancelot herkende den eene: die was Galehot en de andere was zeker zijn schildknaap, maar Lancelot kende dien niet, zeide hij Koning Assentijn, die bijziende de oogen knipperde. Galehot en de schildknaap stegen af op het voorplein en Lancelot omhelsde zijn wapenbroeder en riep uit:

—Lace, Galehot, wel ontmoet ik u op een kwaden dag! Want zie, daar ligt Gawein, over de Schandekarre, die hij betrad uit edelmoedigheid om onzen Gwinebant te verlossen en de ure is nog niet daar, dat wij hem verlossen mogen!

Galehot—anders de gracelijk stil glimlachende—sloeg een oprechten jammerkreet uit en de schildknaap een nog schelleren. En terwijl Galehot den Koning begroette, herkenden alle de burchtgenooten den schildknaap. Die was Amadijs. Hij kwam met Galehot terug van Camelot, waar hij Koning Artur kond had gedaan en Koning Artur was blijde geweest, dat hij nu wist van Gawein, maar toen heel booze geworden, dat Gawein niet om het Scaec scheen te achten en toen had hij wi ende wacharme geroepen om Mordret en om Didoneel. En hij had Amadijs, en Galehot mede, bevolen dadelijk op weg te gaan, naar Endi, om Gawein te zeggen, dat hij oogenblikkelijk op queste moest naar het Scaec. Omdat alle zijne Tafel-Ronde-ridders er op uit waren, had Koning Artur, meldde Galehot, twaalf andere zijner hoogste baroenen tot Tafel-Ronde-ridders geslagen en die zaten nu om het jaspis-blad in de Ronde Zale te wachten tot Aventure zich voor zoû doen en dikwijls verstreek het uur van den maaltijd en wachtten zij nog... Toen Assentijn daarvan hoorde, schudde hij bedenkelijk het hoofd en bedacht, hoewel hij er uit hoofschheid tegen zijne gasten niets van repte, dat die Koning Artur van Logres, zoo belust op Aventuur, wel heel oud werd, ouder dan hij, Assentijn was. En dat het slecht voor de mage was zóó lang te wachten en niet te eten.

—Ik moet, bij mijn trouwe, bedenken, zeide Koning Assentijn tot Lancelot en Galehot; waar nu toch gij allen twaalf toeft van oude en eerste Tafel-Ronde. Om mij zie ik armen Gawein; gij, Lancelot; gij, Galehot en ginds dwaalt Gwinebant, de schoone knape, met mijne Ysabele in jeugendlijke sprake langs de zonnebloemen; die vertellen malkander zekerlijk van hunne droomen... Nu, dat zijn vier uwer, waar zijn dan de acht anderen, zeg?

—Didoneel en Mordret lijden pijnen in Vagevure, glimlachte gracielijk Galehot; als Amadijs melden kwam. En de zes anderen zijn Amoreuse-Garde belegeren gaan...

En Galehot vertelde alles en meldde ook Lancelot nu, hoe Mordret en Didoneel verslagen werden toen Gawein Alliene, die was Amadijs, verloste.

—Ja, ik! riep Gawein, met gesloten oogen, van de Kar. Ik, ik versloeg de feloenen, die met ons mede waagden aan te zitten aan Tafel-Ronde!

En hij lag weêr stil. En Lancelot was zeer verbaasd en droeve te moede en Koning Assentijn verwonderde zich in stilte, dat nog wel ridderen van Tafel-Ronde een slechten burcht hadden kunnen stichten in afgelegen foreest, waar zij geschaakte damoselen opsloten!

—Lace! riep Lancelot. Ik zal Gwinebant melden van Didoneel en Mordret.

Maar Assentijn hield hem tegen en zeide:

—Ik zoude dat laten, mijn lieve Lancelot! Gwinebant spansiert er zoo zoete met Ysabele langs die zonnebloemen: dat is de joghet, die zich verhoghet. Laàt ze... Mijne arme kleindochter, dat zoete kind, heb ik beloofd aan Clarioen van Noordhumberland en dat is mij niet wel te moede na al wat ik van dien ouden schalk hoore en zie. Schandekarren zijn niet meer te dulden enghienen, als zij met tooverië gaan en door ridderen moeten worden beklommen.... Zeg nu, mijn lieve Lionel—en de Koning richtte zich tot den Noordhumberlander—maak mij vroed van den hove daar ginder: hoe staat het daar wel bij dien Clarioen?

En Assentijn hoorde Lionel uit, over het verre Noordsche rijk, waarheen zijne kleindochter ter bruidvaart zoû gaan en waar Clarioen iederen ridder, dien hij verdacht van hem naar de kroon te staan, wierp op de Schandekar!

Maar naast de Kar was Amadijs ontzet blijven staan, de edelvrouwen en baroenen rondom.

—Mijn heer! hijgde ten laatste Amadijs. Mijn heere Gawein! Gij, gij, de edelste, de overgelijklijke op de Schandekarre, gij!

De dwerg grinnikte.

—Dat en doet geene pijn, schildknaap! Zie toch, de ridder kermt niet en hij krimpt niet! Het is alleenlijk als van muggen en wesp! En ik weet den weg naar alle burchten maar ik weet ook van knapen en jonkvrouwen! Schildknapen hebben vaak zachte oogen, en weet gij, eene jonkvrouwe kan ook harde wel de Karre bestijgen!

Amadijs bloosde omdat een onzinnige dwerg hem had kunnen doorzien en de baroenen en edelvrouwen rondom, reeds gehoord hebbende van wat Galehot aan Lancelot en den Koning gemeld had, beweerden, dat zij altijd wel gedacht hadden, dat Amadijs een jonkvrouw was. Hoewel deze bewering niet geheel en al waar was en menige edelvrouw, die met Amadijs de zoete melodië had willen drijven, zeer teleur was gesteld in hare begeerten en zoo weinig toeschietelijken schildknaap in de eentonigheid van de kasteelvië zich niet had kunnen verklaren.

Gawein lag steeds stil...

De oogen gesloten, dacht hij aan Ysabele.

En leed hij zwijgend om haar. De baroenen en edelvrouwen bleven rondom, met troostenden roep, terwijl vedelden de vedelaren.

En de hoogstemmige knapen zongen.

En Amadijs vroeg wanhopig den dwerg:

—Wanneer heeft de tooverië uit gevierd? Wanneer kan een ander, knaap of jonkvrouw, mijn heere verlossen? Zeg mij, dwerg; na zonsondergang?

De dwerg grinnikte; de zon stond nog hoog aan het namiddaggeluchte en de zonnebloemen langs de muren en grachten straalden den gouden gloed terug...

Toen grinnikte de dwerg en fluisterde:

—Hoor, mijn zoete knape! Ik en ben niet zoo dul als zij denken! De baroenen dwongen mij den burcht binnen te rijden en de garsoenen spanden het rosside uit. Maar als de Karre niet en beweegt en hier stille staat onder de koningslinde om den ridder van alle lachter te sparen, vermag niets ende niemand hem te bevrijden... En wie op de Karre springt, waarschuw ik u, ligt mede geboeid ter neêr!

—O wi, o wacharme! riep Amadijs. Zal God van Hemelrijk dat dulden!

Ook de baroenen, die mede den dwerg hadden aangehoord, riepen:

—Bij Sint Michiel! Bij Sint Jan! Bij den rijken God van Hemelrijk!

Zij wilden den dwerg te lijf en hem als een worm vertrappen. Maar Lancelot, Galehot stortten toe, zelfs Gwinebant verliet Ysabele, om den dwerg te ontzetten. Ridderlijke daad zoû het niet zijn een dwerg te verdelgen en daarbij, zoo hij verdelgd ware, wie wist van de Karre en hare enghiene, zoo de voerder daar niet en ware? De dwerg, bevrijd uit den boozen drang der baroenen, grinnikte en zette zich spottend, gedrochtelijk, met de spichtige armen over de vergroeide knieën op het lamoen van de kar, terwijl doodstille Gawein leed en lag.

—Ik zal wachten! grinnikte de dwerg. Uw welgevallen zal ik, hooge heeren, wachten! Voor zonsondergang kan zelfs geen schildknape met zachte oogen of een baroen of valiante wigant den ridder uit de Karre verlossen, maar ik moet naar den Koning Clarioen terug: wees des gewes, hoe zot ik ook ben!

Woedend stonden de baroenen rondom de Schandekar en den dwerg. Plotseling betrok de lucht...

De gloed der zonnebloemen, waartegen Ysabele's figuurken blankte, wachtende angstig, dat Gwinebant zoû keeren, doofde...

Een zwarte wolk zonk over den burcht...

—Een tempeest? riepen de burchtgenooten. Een horeest!

Want het weêrlichtte...

Er rommelde donder en in die onweêrsbui naderde een heftig gesnor...


HOOFDSTUK XXIV

En boven den burcht, door de wolk heen, brak door met zwaar wiekengewapper een reusachtige fenixvogel, die straalde vreemd in eigen juweelachtige, pauwblauw geschakeerde glanzen...

—Merlijn! Merlijn! riepen de drie ridders van Tafel-Ronde, Lancelot, Gwinebant, Galehot.

Werkelijk, het was Merlijn, die op zijn vogel neêr daalde, in een wijden cirkel van zweefvlucht. Snorrend en hevig sidderend daalde de fenix maar zette zich toen luchtig en sierlijk vóór den Koning, en Merlijn steeg af uit des vogels rug. Merlijn was niet zoo heel jong meer, tegen het eind van den dag, als zijn jeugdbad had uitgewerkt en hij het de moeite niet waard had gevonden een tweede bad te nemen. Hij groette Koning Assentijn, die niet meer verbaasde dan overeen kwam met zijne koninklijke waardigheid en riep en jubelde:

—Eureka! Eureka! Ik heb de draadlooze theorieë gevonden! En ik kom mijn lieven Gawein verlossen!

Nu lachte hij luide. Terwijl hij lachte, scheen zijn baard te groeien, schenen zijne oogen als vlammen gloeien te gaan. Zijn gebaar uit wijde, purperen mouwen was zóó wijd, als of hij met zijn staf een tooverban trok om het geheele burchtplein heen. De lindeboom bewoog krakend alle zijn takken en bladeren in den fel waaienden wind. Een dichte nevel zonk neêr. Allen—de Koning, Lancelot, Gwinebant, Ysabele, Galehot, Amadijs, de baroenen en edelvrouwen, drongen tegen elkaâr, wèg van Merlijn en de Kar. Een wervelwind woei. Het duurde nauwlijks twee, drie blikken der oogen. De nevel trok op; de wind verwoei om den burcht; de zon straalde, zinkende, door; bij de zonnebloemen blankte op Ysabele; zij school half bezwijmende in de armen weg van Gwinebant en zij waren schoon en lieflijk om te aanzien. En voor Merlijns voeten versmeulde weg de Kar tot een witte asch, terwijl Gawein ongedeerd, hoewel verbijsterd, stond, als nog omgeven door Merlijns wijd gebaar.

—Tooverië! Tooverië!! riepen de baroenen en angstig de edelvrouwen, door elkaâr, dringende duwende.

Maar Gawein was verlost...

Over het burchtplein kroop een schildpad.

Merlijn schaterlachte......

Hij wees......

—Dat is de dwerg! zeide hij. Burchtzaten, opent den weg voor mijn schildpad! Hij keert terug tot Noordhumberland! Hij gaat konden Koning Clarioen van zijne Schandekarre!

En Merlijn schaterde zóo, dat alle de baroenen ook schaterden. De, door de edelvrouwen heel lang stil en achterbaks gehoudene, schoothondjes ontsnapten, liepen toe op den schildpad, die weg kroop en keften. Ysabele stortte naar Gawein met een vreugdekreet en omhelsde hem.

En toen boog zij eerbiedig voor Merlijn en riep juichend met hare vreugdestem:

—Groote Merlijn! Ik heb van u gelezen in de schoone jeesten, die de clerken sedert tien jaren boeken en nu zie ik u met mijn oogen! Gij zijt de goede toovenaar van hoogste lof! Gij verbranddet in tooverviere de Kar en zij versmeulde tot witte assch! Wees gebenedijd, gij, die Gawein, mijn ridder, verloste!

En zij boog diep en herhaaldelijk, beurende hare vlechten omhoog en alle de edelvrouwen volgden het voorbeeld van de princes.

Terwijl de Koning dreigend riep:

—Jonkvrouwen en vrouwen, zoo gij niet uwe schoothondjes...

Hij kon niet voltooien. Het laweide barstte los oorverdoovend. Er was gejuich van triomf aan alle ramen des burchts, over alle barbekanen. Maar de vele schoothondjes keften het hoogst, zonder zich te storen aan Koning Assentijns oude zenuwen....

Toen, van boven den hoogsten toren, galmde, brallende, koperen geschal, het signaal van den torenwachter.

De lagere torenwachters galmden hem na.

Allen keken uit, naar den weg.

Een ridder naderde en vroeg toegang.

Het was Sagremort: Gawein, Lancelot, Galehot, Gwinebant ijlden op hem toe.

Sagremort steeg af. De ridders voerden, met de baroenen en de edelvrouwen en de schoothondjes, Sagremort vóór den Koning.

Sagremort zeide:

—Edele heere Koning van Endi, hooge Assentijn! Mijn vijf gezellen: Bohort, Acglovael, Ywein, Hestor en Meleagant zijn gevangen in den burcht van Amoreuse-Garde, waar vele feloenige ridderen damoselen gevangen houden en te tijde en te ontijde belagen. Ik kwam langs uwen burcht en trof mijn valiante gezellen, zoo hielp mij Sint Michiel. Heere Koning, waarom ik niet en gevangen ben met die vijf anderen genomen? Omdat ik weifelde en twijfelde binnen te gaan, toen de damoselen aan de vensteren verschenen en lonkten en lokten met zoeten lach en lonk... Ik dacht: willen die damoselen wel worden bevrijd of... willen zij niet worden bevrijd. Dat is de vrage!

Zeide ik het u niet al?! riep Galehot.

Koning Assentijn sloeg de handen om zijn arme hoofd en zijn kroon gleed scheef. Een Schandekar, vijf ridders van Tafel-Ronde ten zijnent, vijf gevangen in een burcht van feloenen; daarbij nog Merlijn, de toovenaar, op een fenix; Clarioen van Noordhumberland een oude curliaen ende schalck, wien hij zijne kleindochter had beloofd; keffende schoothondjes, die niet waren tot zwijgen te brengen.

—Het is mij te veel! riep hij. Ik bezwijme!

En hij viel achter over in zijn zetel, maar Ysabele omringde zijn oude hoofd met hare ranke armen en lachte...


Een ruste was den vijf ridders van Tafel-Ronde wel van noode in den burcht van Endi. Zij konden toch dien avond voor vespermaal niet dadelijk vertrekken! De pagiën geleidden de gasten in verschillende kemenaden en zij wieschen zich in gulden bekkens met fijne dwalen en kleedden zich—er lagen steeds surcoet en hozen klaar voor dolende ridders. Lionel, die vooreerst niet naar Koning Clarioen dorst keeren, hoopte onder Koning Assentijns ridderschap te worden opgenomen; ook Merlijn bleef nog die nacht.

En na het maal, door heel eenvoudige tooverië, bracht Merlijn Gwinebant en Ysabele te zamen. Zij troffen elkaar ditmaal niet bij de zonnebloemen maar bij de donkerroode, bloeiende rozenstruiken, waarvan éene roos Gawein had geplukt na zes kerkertraliën te hebben verbroken: dat geurde daar van rozengeur onder aan de muren van den burcht en in de nieuwe maan, die in blauwe nacht wit op straalde en neêr vloeide over de barbekanen en speelde en spiegelde in de grachten; daar dwaalden Gwinebant en Ysabele.

Gedenk u des, Ysabele, gij gaaft mij de mouwe ten lesten tornooi...?

—Ik en vergat het nimmer, Gwinebant... Gij streedt en verwont te mijner eere...

—Ik dacht sedert steeds aan Ysabele...

—Ik dacht sedert steeds aan Gwinebant...

Merlijn luisterde om een hoek: hij was nu héél oud en de maan zilverde in zijn baard.

—Ik droomde u, zei Ysabele.

—Ik droomde u ook! zei Gwinebant en lachte verbaasd.

—Ik droomde u, dat gij kwaamt, in mijne kemenade en ik omhelsde u....

—Zoo zoete, zoo zoete droomde ik ook, dat ik u omhelsde! zeide Gwinebant verbaasd.

—Droomden wij malkanderen eenderlijk? vroeg Ysabele. Ik omhelsde u in deze maniere...

Zij sloeg om zijn blond, krispe hoofd hare armen en kuste hem lang op den mond.

—Eenderlijk, beäamde Gwinebant ontroerd om haar kus. Want ik omhelsde u in deze maniere....

En hij kuste haar en zij kusten malkanderen zoo als zij malkander in den droom hadden gekust en heel lang.

—Ik droomde u iedere nacht, na dien, zeide Ysabele.

—Ik droomde u ook iedere nacht! lachte Gwinebant verbaasd.

—Iedere nacht, zeiden zij beiden en kusten malkanderen lang.

—Ridder zijt gij van Koning Artur, zeide Ysabele. Maar, o Gwinebant, mijn ridder wensch ik u wel hartelijk...

—Ysabele, hebt gij mij lief?

—Harde lief heb ik u, Gwinebant...

—Ik heb u, Ysabele, ook harde lief...

Zoo lief... Zoo lief! zeiden zij beiden en zij kusten malkanderen lang.

—Ysabele, wilt gij dan mijne zoete wijf wezen?

—Wat denkt gij, Gwinebant! lachte zacht Ysabele. Ik ben eene princesse van Endi, kleindochter van Koning Assentijn. Ik zal een Koning trouwen: Clarioen van Noordhumberland....

—Dien ouden curliaen? vroeg Gwinebant. Gij en zult dien toch niet trouwen, Ysabele??

—Ik zal hem trouwen, Gwinebant, zeide Ysabele en kuste hem, lang.

Hij kuste haar, lang, terug.

—Ik zal hem trouwen, herhaalde zij. Ik moet toch eene koninginne worden en daar zijn geen andere Koningen rondom, die jonger zijn en eene koninginne hebben van noode. De prins Alidrisonder van Koning Wonder van Mirakeleland is mij te jong...

—Te jong, Ysabele? Wilt gij dan een ouden man?

—Ik wil een ouden Koning tot man, Gwinebant, zeide Ysabele.

Gwinebant kreunde van minnesmart, maar Ysabele kuste hem weg zijn kreunen en hij kuste haar: zij kusten malkanderen, lang.

—En ik wil u als mijn ridder, mijn Gwinebant.

—Hoe dat, o Ysabele, als ik u heb zoo lief, zoo lief?!

—Zoo als koninginne Guenever, die is Koning Arturs wijf, Lancelot tot ridder heeft. Dat weet gij zelve, mijn Gwinebant, en dat las ik in Lancelots jeeste. Amijs en amië zijn Lancelot en Guenever. Wij zullen amijs en amië zijn...

—O Ysabele, maar die oude schalk, Clarioen, die Koning, staat mij bitterlijk in den wege!

Zij kuste hem en hij kuste haar, lang.

—En Gawein, ging Ysabele voort; wil ik ook tot ridder hebben en amijs.

Gawein ook, Ysabele?!

—Ja, Gwinebant, ik bewonder harde Gawein, en heb hem ook heel lief; hij is mijn oom, maar hij is mijn ridder en mijn amijs.

—Ysabele, hij en is niet uw amijs... Gij weet nog niet wat een amijs is, zoete Ysabele....

—En weet ik niet wat een amijs is? Ik weet harde wel wat is een amijs. Ik wil een ouden Koning hebben tot man en ik wil twee amijsen hebben daarbij. Ik wil Clarioen hebben tot man en Gawein en u, Gwinebant, tot amijsen.

—Ysabele, Ysabele, ziet gij niet, hoe ik lijde?

—Gij en moet niet lijden, mijn Gwinebant. Clarioen, die zal maar zijn de Koning, die mij tot koninginne maakt. Gij zult zijn mijn amijs en ook Gawein, omdat hij zoo veel toren in zijn harte zoû dragen, zoo hij niet mede mijn amijs mocht wezen. Met u samen.

—Hij en zal niet willen met mij samen uw amijs zijn, o Ysabele! Gij en weet niet wat een amijs heet, jonkver.

—Ik weet harde wel wat een amijs heet, ridder. Een Koning is, wie mij koninginne maakt, maar een amijs is wie met mij hoofschelijk de courtoisië drijft. In deze maniere...

En Ysabele omhelsde Gwinebant en kuste hem, lang.

—O Ysabele! zuchtte dronken Gwinebant, maar kuste haar, lang.

Van uit de burchtzale klonken de vedelen en knapestemmen.


HOOFDSTUK XXV

Gij en moogt niet ijverzuchtig zijn van Gawein, zeide Ysabele, zeer ernstig, met opgeheven vingerkijn. Ik en wil het niet, Gwinebant. Ik heb Gawein harde lief en wil hem geen leed doen en hij darf niet denken, dat ik u meer lieve dan hem. Hij heeft mij harde lief, Gwinebant en hij mag het niet denken...

—Maar wien hebt gij het meeste lief, Ysabele?

Ysabele omhelsde Gwinebant.

—Gwinebant! antwoordde zij en zag hem diep in de oogen.

Gwinebant sloot de zijne.

—Gaan wij, zeide de jonkvrouw. Ik wil u droomen, deez' nacht, mijn lief!

—O Ysabele! zuchtte Gwinebant.

—Zult gij mij droomen—deez' nacht, lief?

—Ja, ik! zeide Gwinebant. Ik zal u droomen en al onze kussen!

Zij gingen. Maar door heel eenvoudige tooverië wist Merlijn, die om een hoek had geluisterd, Gwinebant in de schaduw Ysabele te doen verliezen en haar Gawein te doen tegen komen, die haar zocht. En vond, terwijl Gwinebant haar verloor.

—Ysabele! riep blijde uit Gawein. Vind ik u eindelijk!

—Gawein! riep Ysabele. Zocht gij mij? Maar ik zocht u en harde blijde ben ik u gevonden te hebben!

—Ik en vond u niet in de burchtzale, zeide Gawein; waar de burchtzaten in feestelijk deduut te zamen zijn en aan den male, zag ik u met Lancelot zoo zoete spel drijven en samensprake vol courtoisië, dat ik niet en wist wat te denken, o Ysabele!

—O Gawein, mijn wellieve Gawein, verweet schalks Ysabele; wat verdacht gij mij van courtoisië met Lancelot te drijven! Lancelot, die is de amijs van de "fonteyne aller schoonhede", koninginne Guenever, bij wie ik alleenlijk maar een onnoozel en schamel maagdelijn ben; Lancelot, dien ik bewonder als een wigant van den Rijke van Logres, alleen vergelijkbaar met u, Gawein!

—Maar Ysabele, gij bewonderdet mij ook als een wigant van Logres' Rijk en Tafel-Ronde en toch zeidet gij mij, dat gij mij wel mindet! O Ysabele, zoo gij mij niet en mindet meer, mijn dood zoû het, Ysabele, wezen, mijn dood, die niet en was dat bekampen van vierwerf twintig man aan twaalver poorten elk van dezen burcht! Mijn dood, o Ysabele, zoude mij niet en komen van veldslag of tweestrijd, niet van draken of van reuzen, niet van queste of Aventure maar van een onnoozel en schamel maagdelijn, die eene princesse is en hoewel zij koninginne van de Noordhumbersche landen zal worden, Lancelot beminnen gaat, Guenevers amijs!

—O Gawein, hoe zoude ik Lancelot beminnen gaan, Guenevers amijs! Ik waag hem nauw in de oogen te blikken al zijn die zachte: hij is zoo hoogelijk verheven boven mij en hij is zoo trouw als een ridder niet en ooit was: de vinders hebben in zijne jeeste zijn trouwe boven alle lof verheven; hoe zoude ik, o Gawein, Lancelot gaan beminnen!

—Of mijn dood, Ysabele, zal komen van dat zelfde maagdelijn, zoo onnoozel en schamel, zoo zij Gwinebant beminnen gaat!

—O Gawein, hoe zoude ik Gwinebant gaan beminnen! Zoo zulke min, mijn Gawein, ware uw dood! Zoude ik uw dood willen en Gwinebant gaan beminnen? Ik en zoude het niet kunnen, Gawein!

—Zoo zeg mij, o Ysabele, zoo zweer mij, o Ysabele, dat gij noch Lancelot noch Gwinebant bemint! Want ik twijfelde tusschen die beiden, wie gij, o Ysabele, beminnen konst!

—O Gawein, eeden van minne zijn als vogelen met vlogelen, die vliegen door de luchten zoodra een ze los uit de handen laat! O Gawein, Ysabele neemt geen minne-eeden in den mond maar hoe kan zij Lancelot of Gwinebant beminnen gaan als zij u bemint, o Gawein!

—Zoo kus mij, zoete Ysabele......

Toen, in de zwarte schaduw van de burchtmuren, met de blauwe manenacht rondom, kuste Ysabele Gawein en Gawein Ysabele, lang. En geloofde hij, dat zij hem beminde en niet Lancelot en ook niet Gwinebant en ook niet Galehot en ook niet Sagremort en ook niet Lionel, den Noordhumberlander. En voelde hij, dat zijn liefde zijn leven was: al was hij ook nooit als Lancelot trouw geweest, zijne liefde zoude ditmaal kunnen worden zijn dood. En terwijl zij malkanderen kusten, lang, keek Merlijn steeds om den hoek en verdween toen en keek om een anderen hoek Amadijs. En de schildknaap hoorde juist Ysabele zeggen, schalk, aan het einde van den langen kus:

—Maar Gawein, mijne smarte zal mij komen, gepeis ik, van een ridder, die is niet Lancelot en niet Gwinebant en dien vergezelt een wel schoone schildknape. En die schildknaap is eene jonkver onder zijne maliëncotte en surcoet en ik zoude, om mijne ijverzucht te stillen, weten willen, Gawein: heeft de ridder zijn schildknape lief?

—O Ysabele! hoorde Amadijs antwoorden zijn heer Gawein. Hoe zoude ik Amadijs beminnen, die is Alliene, die ik ridderlijk verloste, ànders dan met pietate en met caritate, als een broeder zijn zijne zuster wel minnen zal: hoe zoude ik, Ysabele, Alliene beminnen als ik Ysabele minne, Ysabele, Ysabele alleen!

Toen kusten malkanderen Gawein en Ysabele lang en Amadijs vluchtte van daar......

Maar uit de burchtzale weêrklonken fanfaren......

En Gawein en Ysabele repten zich langs de donkere muren en torens binnen en de ridder geleidde de princes naar de voettrede van den troon, waar haar vader zat.

Want alle baroenen en edelvrouwen en alle de burchtzaten waren daar verzameld en Merlijn stond in het midden der zale.

En zeide:

—Gawein, mijn hooge wigant, wij wachtten u! Want nu gij van de Karre tot aller onzer blijdschap zijt verlost, is het mijn plicht u, na Galehots boodschap van Koning Artur, dat hij booze zoude zijn omdat gij vergeet van het Scaec, zijne eigene koninklijke stemme hooren te doen!

—Hoe dat, Merlijn!? verbaasde Gawein. Van zoo verre als Camelot ligt van Endi, zoudt gij kunnen mij Koning Arturs stemme doen hooren?

—Merlijn is der tooverkonst harde abel! zeide de Koning Assentijn goedmoedig. Laat hooren, Merlijn, mijn vriend, Koning Arturs koninklijke stemme!

Allen drongen nieuwsgierig dichter.

En Merlijn gaf een teeken.

Zes serianten brachten binnen een nooit geziene, groote trompet van rooden goud, die opende met een wijden, ronden mond.

En zij zetten de trompet op een tafel van rooden goud en Merlijn, zeer eerbiedig, als neeg hij voor vorstelijkheid, boog.

En beschreef toen een statigen boog met staf.

En het was of de trompet even trilde......

En toen sprak, met Koning Arturs stemme:

—"Hoor mij, Gawein, mijn neve! Zoo gij vergeet van dat Zwevende Scaec en talmen blijft in de queste, door u op u genomen als ridderplicht, zal ik zelve, uw Koning, mijn goede ors bestijgen en ter queste tijgen: dat zwere ik bij mijn krone en bij den rijken God van Hemelrijk, Marië's Kind, die voor ons geboren werd!"

Er ruischte een verbazing de zale door! Werkelijk, het was Koning Arturs stem, betuigden in hoogste verwondering Assentijn en de ridders van Tafel-Ronde. Er was geen twijfelen aan! Het Wonder sprak met koninklijke stem dringend, bevelend uit de gouden trompet! Gawein bloosde als een knaap.

En boog het hoofd.

Toen riep hij luide;

—Morgen, voor dauwe en dage, tijg ik ter queste uit, zoo helpe mij Sint Michiel!

Maar voor de groote trompet was een kleinere komen te staan.

Die was zoo sierlijk en met kostbare, ronde steenen omzet: jochanten, robijnen, karbonkels.

En Merlijn bewees weêr hoofschen eerbied aan de trompet en zwaaide zijn staf.

Toen sprak de kleine trompet:

—"Lancelot, o mijn ridder! Kom terug tot Camelot, want de Koning Artur zit den geheelen dag met de twaalf nieuwe Ronde-Tafel-ridderen te wachten tot Aventure zich kondt en de uren van maal gaan voorbij en wij en eten niet en wij en lieven niet en wij en leven niet en dat leven is mij groote vernoye, zonder u, Lancelot, o mijn ridder!"

Aandachtig hoorde allen toe, hand aan het oor. Ysabele was opgestaan, trad een pas nader en luisterde in zoete verrukking naar de stemme van koninginne Guenever.

Maar Lancelot riep uit, smartelijk en toch bedwongen:

—Lace, mijne zoete vorstinne! Ik en kan nog niet keeren tot Camelot! Want als Gawein wederom ter queste tijgt naar dat Scaec, tijgen wij, niet waar, mijne gezellen, tijgen Sagremort, Galehot, Gwinebant en tijgt Lancelot mede naar den burcht der feloenen en der belaagde dampselen, waar die kwade ridders gevangen houden vijf ridderen van Tafel-Ronde: Bohort!

—Ywein! riep Gwinebant.

—Acglovael! riep Sagremort.

—Meleagant! riep Galehot.

—En Hestor! riepen alle vier te zamen.

De zaal daverde van sonore, Keltische naam-echo's....