Die nacht viel er het volgende voor in den koninklijken burcht van Endi: Droom weefde over en weêr van Ysabele naar Gwinebant en van Gwinebant naar Ysabele...
En Amadijs, de schildknaap, die naast Gawein op het zelfde bedde gewoon was te slapen, sliep niet die nacht naast Gawein, het geen Gawein niet bemerkte, omdat hij, wakende zelfs, droomde van Ysabele...
Den volgenden morgen zaten, na afscheid van den Koning, van Ysabele, van allen, die nu op de hoogste transen uitkeken, de vijf ridders van Tafel-Ronde op.
Wees des gewes, lezer, dat Lancelot, Gwinebant, Galehot en Sagremort Amoreuse-Garde gingen belegeren.
En dat Gawein—maar waar school toch Amadijs? dacht Gawein—op queste toog naar het Scaec.
Dat Amadijs hem niet vergezelde, merkte nauwlijks Gawein. Hij was vòl geluk, om Ysabele. Er was een stralende zon in zijn ziel of de zon, die aan den hemel straalde, zich terug kaatste in zijn ziel, als een groote glans in een spiegel. Toen hij omzag voor de laatste maal, zag hij de vier speren zijner vier makkers, geheven, glinsteren, met de zon aan de punten en wuiven tot lesten groet. En zag hij op den hoogsten trans iets wits, dat wuifde: Ysabele, die bewoog haar wijle... Hij wuifde terug, met de speer.
De weg, dien hij gekozen had, ging eenzaam het wijde woud in. Dolende ridder kiest weg naar bezieling van hoogere macht: bezieling van Sint Michiel of van den rijken Gode van Hemelrijk. En als hij den weg gekozen heeft, vroom, om het goede te doen naar ridderplicht en de gevaarvolle queste te volbrengen, wacht hij het Aventuur, dat hem te moet op den wege zal komen. Draken waren dood en spookten alleen met hunne skeletten in bergspelonken; reuzen bestonden sinds lang niet meer; ook niet meer de vreeslijke reuzinnen, die Pantasilde heetten of hoe ook en die in heel hooge torens woonden: die lagen in ruïne nu langs den weg... Feloenige ridders, ja, lace, bestonden nog en belaagden damoselen en sloten haar op in Amoreuse-Garde maar vier valiante wiganten gingen den burcht belegeren. En een betooverd Scaec zweefde wel nog de lucht door, maar bleef onvindbaar, ongrijpbaar, die vogel, die vlinder...
Met huiver van eerbied heugde Gawein zich door zijn stil liefdegeluk heen de stem van den Koning Artur, zoo als die uit Merlijns rood gouden trompet had geklonken, booze en verstoord, omdat Gawein lauw was gebleken in de queste naar het Scaec.
Zekerlijk, hij was nu weêr op weg naar het Scaec. Hij had den weg gekozen en seinde zich... Hij zoû het zoeken, hij zoû het vinden en grijpen! Maar hiervan werd hij zich wel bewust: zoo Koning Artur hem booze bleef omdat hij niet het Scaec vond en bracht, zoû hij harde veel toren hebben in zijn harte, dat loyaal blijven den Koning zoû, vol riddertrouw en liefde van baroen en vazal... Maar zoo Ysabele hem niet meer zoû minnen, minnen zoo als Vrouwe Venus hèm minnen had doen Ysabele, zoû hij sterven. Hij had velen bemind van de edelvrouwen en van de jonkvrouwen in de kasteelen, die de dolende ridders aan het einde van den dage tegen komen om gastvrijheid voor de nacht te vragen; hij had rondom zijne eerste Ysabele, zijn zoete wijf, velen bemind met de minne, die Vrouwe Venus geeft voor een oogenblik—zoo als de roze bloeit, een dag of één nacht of enkele uren—en hij had zijne eerste Ysabele zelve jaren bemind, maar zijne tweede beminde hij tot den dood... Een ridder-van-aventure moge vierwerf twintig man aan twaalver poorten elk telken male verslaan, als het Vrouwe Venus' wille is, kan hij beminnen tot den dood... Sterven van minne kan alles wat mint: de dag sterft om de zon, die van hem scheidt; de roos om den nachtegaal, dien zij meende, dat tot haar zong; de maagd om den man en ook de man kan sterven om de maagd. Maar hij zal het nooit zeggen, de man, de ridder, de ridder-van-aventure, die nooit vreesde van Aventure en van Wonder; hij zal het nooit zeggen maar de vinders zeggen het later, de vinders, die de jeesten boeken van heldenfeit en van liefde en ze dan voor zingen bij het begeleidende spel der veêlers, in de lange avonden, des winters vooral, aan de ooren der ontroerde vrouwen... En der ontroerde mannen ook, maar die zeggen en toonen hunne ontroering niet... Zeker, de ridders sterven van liefde soms... Gawein wist niet dadelijk welke ridders reeds van liefde waren gestorven; hij heugde het zich niet uit de jeesten, was ze zeker vergeten maar zeker, er waren er, die van liefde waren gestorven... Niet op hun bedde, als de bleeke jonkvers, maar op het slagveld en in de battalgiën, als de helden, sterk van arm nog en onweêrstaanbaar van zwaardzwaai tot het einde toe, maar met de barst in het hart, waaruit bloedde het leven, te gelijk, dat het bloed uit de wonde bloedde...
Maar Gawein behoefde niet aan dien weemoed zich over te geven, want Ysabele beminde Gawein, o zoete joye! en zelfs al huwde zij een ouden Koning, zoû zij hem beminnen, de nog zuivere en van onschuld zoete, als Guenever Lancelot beminde!
En de zon straalde in Gaweins ziel terug, als een groote glans in een spiegel...
Langzaam stapte Gringolet, de jonge hengst, over de krakende takken, die lagen verwaaid over den weg. En het was stil in het woud als in de tijden, toen de witte priesters, de Druïden en de witte priesteressen hier hunne geheimenissen hadden gevierd in de groote bladertempels, waarvan de eikenstammen de zuilen waren. Zelfs de vogelen zwegen. Geen Aventuur wachtte op aan de wending des wegs en hoe ook spiedde Gawein, het Scaec zweefde niet op... Dralende rit te ros door het maar even ritselende woud, schijnbaar doellooze doling des ridders door het maar even doorruischte, schaduwvolle geheimenis,—meer beloofde deze dag niet te brengen. En Gawein, toch tevreden en zoet gelukkig, de gedachte maar even doorrild door dien toch niet te verdrijven weemoed, die als een schaduw ligt ter zijde van het allergrootste geluk, ademde op, zuchtte op, glimlachte op, zocht het Scaec, dacht en droomde Ysabele, Ysabele altijd en haar droombeeld blankte daar ginds voor hem uit als een zoet vizioen...
De nacht zonk. Zij weefde hare stille blauwte tusschen de ijlere, zwarte takken en twijgen; zij stapelde hare stille zwartheid tusschen de dichtere en donkere stammen. Zij strekte haar valen schemer uit over den vergrauwenden weg, nauw begaanbaar voor het telkens in woekergewas zich verwarrende ros. En Gawein zag geen burcht en wist deze wegen ook weinig en heugde zich niet kasteel of kapelle of welke woning ook in deze contreien... Hij wist alleen de richting: Westwaarts was hij gereden, Westwaarts had hij gekozen, volgens ingeving van Sint Michiel, zijn weg, en hij wist alleen, dat een breede rivier daar wezen zoû, zoo hij zich heugde deze oorden van vroegere dwalingen... En werkelijk, daar blauwde in de nacht de vloed en verder op vloeide die, blanker, in de late maan, die rees, later, deez' nacht, dan zij gerezen was de nacht van gisteren toen Gawein Ysabele onder aan de burchtmuren gevonden had... En breed en kalm stroomde, bijkans zonder kabbelingen, de maannacht weêrspiegelende stroom en de witte glansen vloeiden van de lange rietstengelen af en versmolten dan in het glinstere water... Bekoord om zoo stille schoonheid, staarde Gawein, tusschen de telkens zijn blik brekende stammen en takken en zwarte sluiers wevende bladeren, de rivier toe, tot hij eensklaps verschrikte... Want over het water gleed als een witte vrouw weg, meê met den stroom, gleed zij, haar witte gewaad plakkende om hare leden, haar gouden haar plakkende om heur witte gelaat en schouders, als of de stroom zelve haar liefdevol het hoofd hield omvat en zoo mede sleepte in zachte maar sterke vaart... En toen Gawein haar zag, seinde hij zich en seinde hij een kruis naar de verdronkene toe... En steeg toen af, nam het paard bij den teugel en liep dichter toe naar den oever... En van af den oever herkende hij wie daar, dood, verdreef op den stadigen stroom... Het was Alliene, het was de jonkvrouw; het was Amadijs, het was zijn vergeten schildknaap en Gawein begreep alles en zijn geluk, dat zon in zijn hart was geweest dien dag, verzwijmde in eenen om de smart en het medelijden, die hij gevoelde, om den schrik, dat hij niet eerder begrepen had en zoo weinig van hoofschheid gepleegd had tegenover de ongelukkige maagd, die hij gered had maar niet bemind, en hij herinnerde zich het zwaard tusschen hen beiden in, in de leêge, onverschillige nachten... Maar hij herinnerde zich niet, dat die onverschilligheid juist eerbied was... Toen welde het in Gawein vol van wroeging en weemoed en van groote smart en hij waadde, zijn ros aan den toom, door het riet en trad in het water tot aan de borst, verder dan de stroom de drijvende mede voerde... En daar wachtte hij haar op. Het paard hinnikte luide de manenacht in, als begreep het van geschied onheil, en Gawein sidderde heel koud van groote droefheid en van berouw, eindeloos, als schenen om hem heen nacht, woud, water weemoed-stilte en verzwegene smarten. En toen, het paard achter zich, hinnikend weêr de nacht in en zich angstiglijk dringende tegen hem aan, greep Gawein Alliene in zijn armen—het riet brak om hem en ritselde—en zag haar, bleek hij, in het bleeke, natte, van gouden haar omplakte gelaat, waarin de oogen als door de watergeesten schenen toe gestreken. En hief haar gelaat toen hooger en kuste haar met zijn eersten kus op haar natten, dooden mond.
Het paard hinnikte heviger... En Gawein liet de doode toen zachtekens zijne armen uit glippen, zoo dat zij drijven bleef op den waterstroom en hij stuwde haar liefdevol zoo, dat zij, in het midden des strooms, verdreef... Daar zag hij haar na; zij dreef verder in den geheel nu gloeienden maneschijn en het scheen of er een glimlach was opgebloeid om den bleeken mond, die was opener geloken. En Gawein keek haar lange na en seinde zich en seinde een kruis toe naar de verder weg drijvende...
Zij dreef naar de wijde zee toe, die is het groote, weldadige, alruime graf, zoeter dat zilten graf dan welke aardsche kuil ook zoû wezen... En toen hij haar niet meer zag, zij verdrijvende als een zacht zilveren kabbeling, witte lijn, wèg met alle kabbelingen en verlijningen van het verdere water, steeg hij uit water en riet, druipende de zilveren stralen van zijne zilveren rusting. En zuchtte diep maar niet meer van geluk.
En hief, zuchtende, den arm en sloeg zich met de gemaliede vuist op het voorhoofd onder de opgeslagen ventalië... En knielde neêr en bad zijne orisone voor Alliene's ziele, die wellicht dezen oogenblik reeds, éven een donkere vogel, dompelde in vagevuursche wateren, om blànk en louter weêr op te zweven, terwijl haar lijf nog zelfs ter zeeë niet in was gespoeld en dáár nog dreef, dáár, in de verte...
En toen, diep zuchtende weêr, steeg Gawein op en reed door en de donkere gevoelens waren niet van hem af, in de schaduwen van de nacht. Toen hij moede gleed van zijn moede ros en zij beiden zonken op het mos, onder de zwarte bladeren der boomen en sliepen, de ridder het onthelmde hoofd tegen de ademende flank van zijn paard, en hij droomde... van Ysabele.
Hoog reeds was gerezen de zon, toen Gawein ontwaakte, verbaasd, dat hij daar lag in het woud. Gringolet liep te grazen en rondom Gawein lagen in het gras het zadel, zijn helm, zwaard, schild, speer en maliehandschoenen. En toen hij zag, dat zijn ros er was en daar rustig te grazen liep, was hij blijde, Gawein en vergeleek den jongen hengst bij de verscheidene Gringolette, die ook nooit ware weg gedwaald, van haar heer, de lieve wrene, die hij, lace, had dood gezwommen...
Nu wilde hij meer ook niet marren en stond op en rukte zijne maliëncotte recht om de leden: ridder-van-aventure rust wel eens min te gemake dan hij doet in wonde-genezend wonderbed in gastvrijen burcht aan den weg... Hij wreef Gringolet de flanken en zaâlde het fluks en helmde zich en gereidde zich en zat op en reed verder toen door. Weemoed en geluk beiden wemelden door zijn ziel, die de morgeneenzaamheid zoet dronk, weemoed om Alliene, geluk om Ysabele, en hij dacht daartusschen door aan vele vrouwen en tusschen de vele vrouwen rees dan immer weêr de eene jonkvrouw: Ysabele...
En zij bleef alleen...
Wat de keuze van wegen en wendingen des wegs betrof, zoû hij zich vroom overgeven aan Sint Michiel, die hem wel leiden zoude als het was beschikt, dat hij het Scaec zoû vinden... Vaak was het reeds hem voor gezweefd, tot het in den burcht van Endi was omneêr gevallen, verdwenen... Wat zoo het in den burcht nog verstoken lag? Maar hij had, alleen en met Ysabele samen, gezocht in alle hagedochten en hoeken, achter alle deuren, in alle duwieren en hij meende wel: het Scaec was weêr weg gezweefd uit het kasteel... En hij zoû het weêr zoeken en hij zoû het eenmaal vinden en weêr de gunste winnen zijns Konings, Arture, naast de minne van zijne jonkvrouw: Ysabele...
In wisselende gepeizen Gawein, stapte het ros rustig door: de morgenzon verried de geheimenissen van het woud; reeds geelden de laagste bladeren en verguldden in nazomer-zonneschijn en de lucht verzichtbaarde heel blauw door de takken en er zweefden de gestapelde wolkgevaarten. Toen tusschen wat vogels, die tjilpten, eerst onhoorbaar bijna, dra duidelijker, het zacht gesnor weêrtrillerde en Gawein, als tartte het hem, ginds, héél hoog, tegen de blauwe lucht, tegen de blanke wolkbergen het Scaec zag zweven, een ruitachtigen vogel gelijk en het schitterde even op van de kostelijke stukken, die stonden steeds roereloos overeind. Het Scaec; het Scaec, dáar was het. Waar zoû het hem nu geleiden? In welken burcht, tot welk Aventuur? Het ging tegen den noen, en Gawein, nuchter reeds dag en nacht lang, voelde toch zijne krachten wassen als immer in hem zijne kracht wies tegen den noen.
O, tot alles was hij dezen dag voorbereid, trots weemoed en trots geluk; tot alles was hij bereid om het tartende Scaec eindelijk meester te worden! En voor het eerst sedert de nieuwe queste, sedert gisteren en dien dag van heden, spoorde Gawein Gringolet en draafde het den weg over, sprong het hoog over de hindernissen van omver gevallen boomen en reed het uit het woud op opener vlakte, met wazige heuveling toe glooiend den horizon ommerond, terwijl het Scaec, als een trillende leeuwerik, hoog, heel hoog, boven Gaweins hoofd bleef hangen... O, zoo Gringolet vleugelen hadde aangeschoten, hij zoû door de zomerluchten het Scaec na zweven, na zweven, tot hij het hàd in zijn greep! En Gawein, bijna onbewust zijn ros steigeren doend of het werkelijk de hooge lucht in konde zweven, staarde steeds verlangend naar het Scaec, trillende, trillerende, daar boven hem... Hij had een kreet als een knaap, die een vlinder wil grijpen; hij richtte, zonder het te weten wellicht, zijne opene maliënhand naar het onbereikbare, tartende, hoog daar in de lucht hangende glinsterding...
Tot plots het alleronverwachtste gebeurde...
Er knalde iets...
Vreemd geluid, vreemd toovergeluid in de eenzame wereld van heuvelen, vlakte, wolken en woud....
Er knalde iets, vermoedelijk aan het Scaec...
En uit het Scaec, ter zijde, ontplofte een blauwe damp, dadelijk verijlende in de blauwere lucht...
En toen, o wonder, als ware aan het Scaec iets gebroken, viel het, snel, wirrelende sneller en sneller uit de lucht en Gawein, openmonds van verbazing, zag het neêr vallen midden in de vlakte, in het ruige gras!
Hij reed er met razende vaart heen, vreezende, dat het hem ontsnappen weêr zoû, maar toen hij de plek, waar het viel, had bereikt, vond hij het liggen tusschen de halmen.
Hij was zoo verbaasd, dat hij niet aanstonds af steeg en greep.
Maar toen wierp hij zich af uit het zaâl, greep het Scaec...
De stukken rolden door malkanderen heen, hoewel zij toch aan het bord bleven hangen.
Het spel was in de war: aan metalen draadjes slingerden de stukken over het bord.
Het gouden koninkje zelf—Artur na gebootst, sierlijk gedreven beeldje—was los geraakt en Gawein raapte het op uit het gras en bezag het...
Hij had het Scaec!
Maar de partij was niet meer uit te spelen...
Hij had het Scaec... maar het bord met de juweelen velden was gebroken. Gawein bekeek het nieuwsgierig.
Het had, naar het scheen, een dubbelen bodem... Die was gebarsten... En in de holte van dien dubbelen bodem ontdekte Gawein een vreemd, klein, sierlijk enghien, zoo ingewikkeld, dat het hem wel een raadsel scheen: het waren heel kleine radertjes, met tal van ijzeren draadjes over en weêr verbonden en alle die fijne draadjes lagen door elkaâr gesprongen, verwrongen, verkronkeld tot een hopeloos verward klein kluwentje en Gawein schudde zijn hoofd en haalde onwetend, hij zelve verward in alle zijn denken van Wonder en Aventuur, de schouders op. Hij keek er maar in en tastte met blooten vinger voorzichtig aan de metalen draadjes en aan de radertjes maar begreep er niets van: alleen begreep hij, dat tooverië en wonderlijke enghiene, groot of klein, wel heel veel met malkanderen, zoo niet alles, te maken hadden. Maar één ding wist hij zeker, hij hàd het Scaec, ook al was het gebroken. Het zag er zelfs zoo uit, als of het nimmer meer weg kon zweven, als of het niet zweven meer kon. En zorgvuldig voegde hij de, aan de metalen draadjes hangende, stukken bij elkaâr en borg schaakbord en stukken in de tasch, die in zijn voorsten zadelboog was. Het schaakbord kon er niet heelemaal in: het stak er met den bovenkant uit. Wat leek het een mizerabel Tooverschaakbord, zoo als het daar, op geborgen, uit de zadelboogtasch stak! En Gawein, terwijl hij op steeg en langzaam stappende weg reed van daar, was vol gedachten... Wat zoû zijn Koning hem zeggen, zoo hij te Camelot terug kwam, met het stukkende Schaakbord, dat niet zweefde meer en waarop geen partij meer was uit te spelen! Zoo dat de Koning, zoo hij wederom had gedroomd, vreeze kon voor het verlies zijner krone koesteren! Het deed Gawein heel veel leed, dat hij dit Scaec niet als het eerste terug bracht, ongerept en nog tooverkrachtig... Ja, er waren tusschen hemel en aarde meer vreemde dingen dan een dolende ridder vermoeden kon! En Gawein, moede des denkens, schudde zijn hoofd en haalde zijn schouders op... En dwaalde als de hengst wilde, het woud weder in...
Plotseling zag hij op. Was hij op weg naar Camelot? Om Koning Artur het Scaec te brengen...? Hij dacht niet, dat deze weg naar Camelot voer... En, waarom wist hij niet goed, maar vermoedelijk, omdat de voltooiïng van deze queste hem zich onbehagelijk deed gevoelen in zijn riddergemoed en hem afleidde van zijn geluk om Ysabele, vond hij in eens alle deze dingen van groote vernooye: deze foreesten, die zoo op elkander geleken, dat een dolende ridder er immer verdwaalde; deze wegen, die alleen gemaakt schenen om dolende ridders, nog meer dan hun roeping reeds was, te doen verdwalen; dat Aventuur, dat wel bekroond scheen met uitslag maar zoo twijfelachtig, omdat het Scaec waarlijk voor niets meer deugde... En booze op zichzelf en op alles en niet heel vroom aan Sint Michiel, met iets als een vloek binnensmonds, keek Gawein alle richtingen uit, meende, hij moest nu Zuidwaarts rijden, was werkelijk van niets meer zeker... Tot hij—blijde was hij in zijne vereenzaming het te hooren!—hoefgetrappel aan hoorde naderen over de krakende takken, die lagen verward over den weg, en meende welbekende stemmen te vernemen... Een dier stemmen riep:
—Ja, waarlijk, bij den rijken God van Hemelrijk! De Aventuren en zijn niet meer van het geluchte, zoo menigerwerve meldden zij zich aan: Gawein is gegaan om een Scaec...
—En heeft twee onzer eigene gezellen, die feloenen waren, gestraft!
—Eéne belaagde damosele gewroken en bevrijd!
—En wij...
Maar de aannaderende ruiters waren de wending van den weg omgeslagen en, in zicht van Gawein, herkende deze, twee aan twee naast malkanderen rijdende, de negen ridderen van Tafel-Ronde:
Lancelot, Gwinebant, Galehot, en Sagremort en tevens Hestor en Meleagant, Acglovael, Ywein en Bohort!
En de negen—van hunnen kant—herkenden Gawein en zij juichten hem blijde tegen en Gawein, zeer hoofsch, juichte tot zijne makkers terug.
En hij vroeg:
—Ik zie, mijn lieve gezellen vier, Lancelot, Gwinebant, Galehot en Sagremort, gij hebt wel spoedig onze vijf andere makkers bevrijd uit Amoreuse-Garde!
Gelukkig, dat Acglovael hierop in een juichenden schaterlach uit barstte, want de andere uit Amoreuse-Garde verloste ridders keken heel erg strak en verlegen.
—Acglovael schaterlachte, zei Galehot en glimlachte; dat is het beste, dat Acglovael kan doen om zich te verontschuldigen.
—Waren zij gevangen of niet gevangen, twijfelde Sagremort; dàt is de vrage...
—Dddd...aar en was niemand gevangen, in Amoreuse-Garde, stotterde Ywein maar even; en die ddd...amoselen wilden niet en bbb...evrijd worden...
—Zoo dat wij werkelijk, Gawein, verklaarde, klein maar dapper, Meleagant; geen feloenige ridderen te bekampen meer hadden, wees des gewes, wellieve gezel!
—Zij kwamen en gingen, de ridderen, legde Hestor het heel eenvoudig uit aan Gawein. En er waren er bij van Koning Mirakel...
—Van Koning Ban...
—Van Koning Assentijn ook!
—En van alle andere oude Koningen van Kerstenhede rondomme! riepen door elkaar Acglovael, Ywein, Meleagant en Hestor.
—Het is alles de fout van Bohort! beschuldigde met vingerwijzing Ywein.
En de drie anderen, wijzende met vingers ook, beschuldigden:
—Het is alles de fout van Bohort!
—Wat wilt gij! zeide Bohort en sloeg vuurrood de oogen neêr, hoe reuzig hij zat op zijn ros. Die damoselen hingen zoo verleidelijk uit de vensteren toen wij aan kwamen om haar te verlossen...!
Lancelot had medelijden met zijn vriend.
—De poort van Amoreuse-Garde staat immer open tot gastvrijheid, sprak Lancelot met zeer milde stem.
En Gwinebant, in zich wèl ijzerzuchtig op Gawein om Ysabele, die schoone, deed zich geweld aan en voegde er hoofsch aan toe:
—En de ophaalbruggen lagen immer neêr gelaten.
Gawein glimlachte hoofsch terug.
—Ik begrijp, zeide hij, zeer welwillend.
—Zoo groote feloenen waren de ridderen niet, die wij daar mochten ontmoeten, verontschuldigde Bohort met diepe bas en schudde energisch ontkennend zijn kolossigen helmkop.
—Wij speelden met hen werptafelspel, zeide Hestor, zoo modest hij het zeggen kon.
—Wij ddd...ronken met hen c...c...c...clareyt en zoete p...p...pigmentwijn, stotterde Ywein wat meer, nu hij zekerder werd van zijn zaak, tegenover Gawein.
Maar Acglovael schaterlachte:
—Wij aten met hen tam en venizoen!
—En wij josteerden harde hoofschelijk met hen! glorifieerde, kraaiende als een haantje, Meleagant.
—Uw Aventure, lieve gezellen, glimlachte steeds Gawein zoo hoofsch, dat zij alle vijf begrepen, dat Gawein hen begreep; verliep dus zoo wel als het maar verloopen konde en ik ben harde blijde u allen in welstand te ontmoeten. En zoo gij keert tot Camelot en tot onzen genadigen heere, Koning Artur, keer ik met u, want ik heb mij meester gemaakt van het Zwevende Scaec: ziet, hier steekt het uit de tassche van mijn arsoen!
En Gawein wees op de punt van het schaakbord, dat uit zijn zadelboogtasch omhoog stak.
Alle de ridders verwonderden zich.
Het Scaec! Het Zwevende Scaec! Het Scaec—dat Merlijn uit had doen zweven om Aventure te brengen—het Scaec had Gawein gevonden, gegrepen: hij ging het den Koning brengen!
—Maar het is harde te-broken! zeide Gawein.
En zij zagen rondom Gawein malkanderen allen aan met een onderling kruisvuur van vragende blikken. Aventuur? Had het Scaec Aventure gebracht in de groote vernooye van hun leven...?
—Keeren wij tot Camelot, mijne lieve gezellen, noodde mild Lancelot: hij voelde zich wel beschaamd te weten van het Scaec, dat Merlijn had gezonden...
En hij reed links van Gawein, terwijl Gwinebant zich rechts van hem rijde en toch blijde was, trots zijn ijverzucht om Ysabele, die schoone, dat Gawein zonder meswende de queste, die geene echte queste geweest was, volbracht had.
Maar achter hem fluisterden de andere ridders; Sagremort:
—Het Zwevende Scaec... was het nu tooverië of was het niet tooverië?
Galehot:
—Het is zoo tooverië, dat het te-broken is, harde....
Ywein:
—Het is ttt...ooverië, want Merlijn blijft een ttt...oovenaar.
Bohort zeide niets; omdat hij zoo reuzig groot was en toch de leider geweest der ridders, die gingen zoeken naar Gawein, Mordret, Didoneel, was hij nog steeds beschaamd de fout van alles geweest te zijn in de zake van Amoreuse-Garde....
Meleagant zeide ook niets, omdat hij op eens niet meer zeker was—twijfel zat hun wel min of meer in het bloed—of de ridders met wie hij in Amoreuse-Garde had gejosteerd wel allen eerlijke ridderen waren geweest...
Maar Acglovael schaterde op eens, wijzende naar een wijde vlakte, die zij langs reden en waarover vele kudden schapen als eene zee heen golfden, gedreven door tal van hard aanloopende herders:
—Ziet, gezellen, gonder, die dulle schapen vlieden en die dullere herderen bachten!
De ridders hielden stand in de schaduw der beuketakken, die bogen over den weg, en over de in zonneschijn wazende vlakte naderden de vluchtende schapen met de, achter hen rennende, herders. En hoorden de ridders roepen de herders:
—Groote baroenen en valiante wiganten! Helpt ons! Helpt ons allen van den lande Endi! Helpt ons allen van de maisniede van den Koning Assentijn!
—Wat geschiedt?? riepen Gawein, Lancelot, Gwinebant.
De herders hieven wanhopig de staven op.
—De Koning van Noordhumberland, Clarioen, hij komt met een heir Endi belegeren! Hij is onzen Koning booze, Assentijn, den goede! Hij is booze om den Karre-ridder, dien onze Koning te zijnen hove houdt... Hij is booze, dat onze Koning zijne princesse en kleindochterlijn weigert te geven aan zoo kwaden prins!
—Ysabele!! riepen Gawein en Gwinebant uit.
—Helpt ons, valiante wiganten en groote baroenen! riepen de herders.
Grijswit wollige zee, golfden de schapen aan langs den weg.
—Waar is de weg, die ten snelste voert naar Endi? riep Gawein.
Want dolende ridders wisten zelden de kortste wegen.
—Hierheen! Gonder! schreeuwden en wezen de herders. Over de vlakte terug! En dan...
De tien ridders, op hunne steigerende rossen, wierpen zich over de vlakte, ongeduldig; zij hoorden niet meer. Hun metalen gerammel van rusting en wapenen klaterde en ratelde op in den overdadigen zonneschijn. Zij waren prachtig, alle tien dravende, hunne zilververguld glinsterende, metalen silhouetten op de forsche, zware, omhoesde rossen krachtig duidelijk in het trillende, neêr vloeiende licht van den noen. Rondom hun weg stormende vaart golfden de schapen, schreeuwden de herders en scheerden de verschrikte zwaluwen....
Toen onstuimig de tien ridders van Tafel-Ronde, na een hevigen rit over vlakten, door bosschen, tusschen moerassen, langs wegen en langs omwegen, aanstormden over heide en weide en den koningsburcht van Endi kregen in het gezicht, zagen zij, werkelijk, als de herders hen hadden doen denken, een schouwspel, dat hen verbaasde. Want een ontzaglijk heir lag gelegerd wijd rondom den burcht heen; de groote tenten en pauwillioenen waren in dichte massa op geslagen; er waren groene, blauwe, en roode, en de gouden arenden van Noordhumberland blikkerden op alle de tentepunten tegen het groen van de bosschen of tegen het blauw van de lucht. En toen de ridders zagen het heir, zoo groot, zoo breed, zoo lang rondom den burcht van Koning Assentijn gelegerd, begrepen zij, dat zij, tièn ende niet meer ende niet minder, het Groote Aventuur moesten bestaan: het Groote Aventuur den burcht te ontzetten, omdat Koning Assentijn toch bevriend was met Koning Artur van Logres, omdat 's Konings Assentijns kleindochter, de princesse Ysabele—al wisten zij haar ook verloofd aan dien zelfden Clarioen, die het Rijk van Endi was binnen gevallen—de geliefde was van Gawein of van Gwinebant: daar waren zij onder malkanderen niet zeker van maar zij wilden het uit hoofschheid niet vragen, noch aan Gwinebant, noch aan Gawein. Zij wisten alleen, dat zij tegen een geheel leger strijden zouden, zij met hun tienen slechts, als echte wiganten, die zij waren. Nu ja, nu zij beter schouwden omrond, handen voor oogen, want de ventaliën nog opgeslagen, zagen zij wel over weide en heide, langs omwegen en wegen, tusschen moerassen, door bosschen en over vlakten, aanstormen alle de onderhoorigen van Endi, kleinere vazallen en serven: zij kwamen hun heer ontzetten maar de tien wiganten lachten er om tegen elkaâr, want ter nauwer nood zouden die dorpers en kaerelen, velen slechts gewapend met houweelen, spaden, schoppen en stokken, de krijgsknechten bezig kunnen houden van Clarioen! Zij beloofden malkanderen dus, onze ridders, met manwaarhede ende op handslag, te strijden voor Koning Assentijn en voor de princesse Ysabele, hoewel Sagremort even nog riep:
—Maar wil zij nog koninginne van Noordhumberland worden of wil zij het niet meer: dat is de vrage......
Waarop Acglovael schaterde, Ywein iets stotterde, terwijl Gawein zeide:
—Mijne lieve gezellen, mart nog een wijle... Ziet, ik heb het Zwevende Scaec gegrepen, ik heb de queste voltooid! Ik en durf niet met dit kostbare pand in mijn artsoentassche ten strijde tijgen. Laat mij het hier, bij dezen eik, begraven en sneef ik in de battalgië, zoo zal wie van u negenen gespaard blijft, bij den rijken God van Hemelrijk het Scaec uit delven en het met mijne trouwe en minne brengen den Koning Artur...
Zij stegen allen af; zij hielpen allen met de zwaarden een kuil te graven; Gawein legde er het Scaec met de stukken in, breidde er varenbladeren over; zij wierpen de kuil weêr vol zand; zij zwoeren er boven hun riddereed bij de kruizen hunner zwaardgevesten; zij zaten op en sloegen de ventaliën omneêr. En toen, met éen kreet, stormden zij los in de richting, waar het vijandelijke leger lag voor de hoofdpoort van den burcht, in het gezicht van den burchthof met de koningslinde, waaronder Koning Assentijn gewoon was te zitten. Op alle de wallen van den burcht, bij de poorten en de opgetrokkene ophaalbruggen wemelden de ijzeren krijgsknechten, afwachtende den aanval en de baroenen van Endi herkenden van af de barbekanen de tien Tafel-Ronde-ridders, die aan kwamen stormen, zoo als zijzelven de baroenen herkenden en hen toe wuifden en schreeuwden moed te houden; uit het grootste boograam zagen de tien gezellen den Koning Assentijn spieden, terwijl zijne edelheeren hem weêrhielden zich verder in het gezicht te wagen, in het bereik van vijandelijke werpspies of pijl. Maar boven op de hoogste tinnen zagen de tien, en Gwinebant en Gawein het eerst, wuiven iets wits: het was de wijle van Ysabele; het was Ysabele tusschen den drom der edelvrouwen en dienaressen; het waren alle de vrouwen van Endi, die daar boven de belegering aan zagen, den strijd zouden durven aanzien en terwijl hare eigene kreten slechts zwak den tien ridders toe klonken, nu die bewogen de speren tot groet en tot bemoediging, weêrschetterde fel het gekef der tallooze schoothondjes, die de edelvrouwen mede op dien hoogsten toren hadden genomen, in hare armen, aan hare boezems, in hare schootplooien van klêederen van sindaal en siglatoene, de blaffende hondekopjes duidelijk te onderscheiden met felle oogjes en tallooze, zich heesch blaffende zwart open keeltjes en over alle die vrouwen en hondjes wapperde wijd-uit de groen-geluw-roode vaan van Endi......
Maar in het kamp van Clarioen, Koning van Noordhumberland, die booze was, dat zijn ridder Lionel van de Schandekar bevrijd, de Kar zelve onttooverd was, en die booze was, dat de Koning Assentijn hem door boodschappers plotseling geweigerd had zijne kleindochter, de schoone Ysabele, tot vrouw en tot koninginne—waren de tien Ronde-Tafel-ridderen gezien!
Toen ging het er op los. De baroenen van Noordhumberland, die in hunne tenten nog rustiglijk zaten te schaakspelen, maar gewapend, wierpen zich op de rossen en reden de tien ridders te moet, terwijl reeds ontbrand was strijd tusschen dorpers en serven, wijd rondom den belegerden burcht. Maar Gawein ordineerde Bohort, Hestor, Meleagant en Galehot en Lancelot ordineerde Sagremort, Ywein, Acglovael en Gwinebant en zij weêrstonden den plotsen drang van zoo vele Noordhumberlandsche baroenen. Bij Sint Michiel, wat waren daar goede zwaarden! En wat waren daar blikkerende helmen ende bliksemende glaviën ende wimpelende ponioenen geluw, keel, sinopel ende zilver, schitterend fel op elkaâr en tegen elkaâr! En wat waren daar groote en sterke rossen: wel vijfduizend en meer waren er om de bedrongene wiganten heen! Maar eer deze tien zich zullen laten onterven des blijden levens, zullen zij menigen man doen sneven, wees des gewes, gij allen, die dit lezen gaat! Hoe begeerig zijn zij van elke zijde malkanderen op den velde te ontlijven! Halsbergen ziet men ontmaliën en de schilden kwartieren! Bij Sint Jan, daar gaat men houwen ende kerven; menig stout man moet er sterven, die dorst genaken speerpunt of zwaardslag van een onzer tien! Ridderlijke prouaetse doen zij er met hunne klaar gebruneerde zwaarden, die zwaaien maar en die houwen maar en wie of het is—Gwinebant zoo jong en zoo minziek; Acglovael, die altijd maar schatert; Ywein, die al houwende niet stottert meer; Sagremort, die niet meer weifelt of twijfelt, terwijl Lancelot hen aanvuurt ende ordineert—zij houwen de koppen en armen af en die vallen er links en rechts, hier een kop, daar een arm, bij Sint Michiel, wat armen en koppen! En ook de reus Bohort, die niet meer dènkt aan Amoreuse-Garde, en Hestor, die heelemaal niet modest meer is, en Meleagant, die nog dapperder wordt naarmate hij kleiner is dan zijn tegenstander, en Galehot, die steeds gracieuselijk glimlachen blijft, onzichtbaar die glimlach achter zijne ventalië, zwaaien de zwaarden, klaar gebruneerd ende frotsieren ze met der vijanden schilden en de Noordhumberlandsche koppen vliegen links en rechts en de Noordhumberlandsche armen vallen, her en der! Maar Gawein, die is als een lioen! Gawein, die doet als de liebaert! Gawein, die slaat de Noordhumberlanders ter middele in twee; mannen en paarden verslaat hij en velt ze over hoop! Nooit zag wie ook zulk een geloop en hoorde wie ook zulk geschal en zulk geschetter en zulk gekletter en zulk geklank! Als de zeis maait de halmen, zoo maait Gaweins zwaard de gehelmde hoofden en ontzet is wie het ook ziet! Met vingeren wijzen allen naar hem, naar Gawein, den koene, die, zwaard vlug in scheede, de Noordhumberlanders met de speren dwars door de lijven steekt en ze dan hoog uit den zadele licht en uit werpt, links, rechts, over den grond!
Daar is niet tegen te strijden, tegen tien ridderen van Tafel-Ronde! Daar is niet tegen te asselgieren, dat ziet zelve de oude Koning, de kwade Koning, de slechte Koning, de Koning Clarioen van Noordhumberland, die er nog een schandekar voor zijn ridders op na hield; de Koning Clarioen van Noordhumberland, die meende, dat iedere ridder stond hem naar zijn leven en kroon; de Koning Clarioen van Noordhumberland, die wenschte een oir te verwekken bij de zoete princesse Endi's, Ysabele, die schoone! Neen, daar is niet tegen te strijden, zelfs niet met duizenden, want de tien Ronde-Tafel-ridderkoppen schitteren steeds goud-en-zilver gehelmd boven uit die allergruwbaarste mortorië en rondom hen zwieren de koppen de halzen af en vliegen de af gebouwene armen rondom! En het groene gras ligt bedauwd met het roode bloed en overal waar de tien komen te hoope, doen hunne tegenstanders een bittere joeste! Tot te wijken beginnen de duizenden, terug naar de pauwillioenen en tenten toe, tot de tenten bezwijken en neêr slaan als schepezeilen op woeste zee in stormgeweld, tot de booze Koning, Clarioen van Noordhumberland, vloekende Sint Jan en Maria's Kind, God van Hemelrijk, vloekende zoo, dat duivelen en demonen hem al in de gaten krijgen—zich hijscht op zijn zwaar gepantserde ros en, te midden zijner laatste baroenen en ridders en na gedrongen door geheel zijn verslagen legertros, het op een radeloos draven zet, het foreest door, het moeras door, de vlakte over, dravende, dravende, dravende voor zijn onzalig leven...
Dapperlijk hadden ook de baroenen van Endi en hebben de dorpers met hunne spaden en houweelen mede gevochten en de overwinning was—Sagremort twijfelde er niet aan!—ten jonste van die van Endi. Het was tegen het einde des dags; koperkleurig en rood zonk de zon, hare laatste schijnen geverfd als met bloed, als na stralende met de laatste schichtingen van het geweld der wapenen. Het veld lag bijna al te male bedekt met dooden en met paarden en de baroenen bevolen den dorpers die te ruimen: dat zoude wel dagen duren en nachten eer zoo vele verslagenen, ruiters en rossen, zouden zijn ter aarde besteld in het rond. De tien Ronde-Tafel-ridders verzamelden zich met de baroenen en reden den burcht te gemoet, van waar op de tinnen wuifden de edelvrouwen hare wijlen en keften de schoothondjes en justement toen de baroenen en ridders de eerste neer gelatenen ophaalbrug wilden over rijden, trad de huispaap uit met zes koorknaapskens; hij bracht op des Konings Assentijns bevel het Heilige Sacrament der Stervenden op het slagveld en bidden zoude hij voor alle zondige zielen, die daar in den schemeravond aarzelden de veege monden uit te gaan, omdat de felle duivelen met gloeiende oogen zekerlijk uit loerden in de vallende schaduwen, om hun spel met de arme zielen te drijven en met ze te sollen als met ballen.
En toen de baroenen en ridders den paap eerbiedig lieten uit gaan met de zes knaapskens, die al van vigeliën zongen, bekruisten zich de dappere wiganten en reden toen binnen, alle de bruggen over, alle de poorten binnen en zij werden met groot gejuich ontvangen op het burchtplein; daar viel al de nacht maar het was er licht van de vele toortijtsen en de koning Assentijn stond er onder de linde op zijn troon en ontving met open armen Gawein; dien drukte hij aan zijn hart en hij zeide, dat alles vergeten was van vroeger, alle wrok en nagepeize, over de eerste Ysabele, die Gawein had ontvoerd en over de vierwerf twintig man, die hij Destijds aan elk der twaalf poorten verslagen had. En ook Lancelot omarmde de Koning en ook Gwinebant en ook Sagremort en ook Acglovael... wat zal ik het maken zoo lange? Hij omhelsde alle de tien ridders, de valiante Tafelgezellen van Koning Arture, die hem tot soccoers waren gekomen en hij was blijde zijne goede baroenen terug te zien, die knielden voor hem neêr op een knie en hij prees ze om hunne vele koene fayten van heldewapenen. En toen trad tusschen de edelvrouwen—maar de Koning had streng bevolen alle de schoothondjes op te sluiten, om het plechtige instant niet te storen—Ysabele naar buiten: zij was—meende Gawein en Gwinebant meende het ook—in haar witte kleed van sindaal met hare gouddraad-gelijke vlechten, een engel gelijk, zoo blank en zoo glanzend in dien den walm uitstralenden gelen gloed der toortijtsen en zij bedankte de ridders ook met hare eigene zoete sprake en toen zij bogen voor haar, ontroerde het in ieders binnenborst, omdat zij gevoelden gezworenen ridderplicht wel te zijn na gekomen en, met Sinte Marië's hulpe, zoo zoete princesse te hebben verlost met, te gelijker tijd, zoo vele bekoorlijke edelvrouwen...
De ridders en baroenen, die gewond waren—want zekerlijk, er waren er wel, die een schram of een buil hadden opgeloopen—er werden er zelfs van het slagveld binnen gedragen—gingen bij drieën en vieren in het wonderbed liggen: dat was, al was het door Merlijn niet gewrocht, een werkelijk harde goed wonderbed—in iederen burcht stond immers dezer dagen zoo een wonderbed als Destijds alleen bij Koning Mirakel stond. En na één of twee of drie uren—dat hing van de wonden af—zouden zij zijn genezen... Maar intusschen hadden om den Koning en de schoone Ysabele de tien Ronde-Tafel-ridderen en de baroenen en de edelvrouwen gegeten en gedronken, tam ende venizoen, clareyt ende pigment-wijn en de vinder, met zijn veêler, had dadelijk den veldslag bezongen. Niemand hoorde er echter veel naar; het was laat in de nacht en de ridders waren wel moê van den strijd en de Koning ook, maar de princes Ysabele niet, want toen de baroenen en edelvrouwen, na groet voor den Koning, de zale waren uit getogen om ter ruste te gaan, nam Ysabele haar grootvader bij een punt van zijn hermelijnen kraag en zeide, haar hoofdje oprichtende, en de tien wiganten hoorden het wel:
—Mijn wellieve Grootvader en machtige Prins! Dat is nu alles harde wel; wij van Endi hebben gezegevierd en die van Noordhumberland zijn zonder twijfel verslagen. Maar nu wij booze zijn met dien schalk van een Clarioen en die schalk van een Clarioen booze is met ons van Endi... welken Koning, bij hare trouwe, zal Ysabele huwen, mijn wellieve Grootvader en machtige Prins??
—Zoet kleindochterlijn, zeide Assentijn een weinig verstoord, terwijl Ysabele's hoofdje zich streelde tegen den watten, witten baard van den Koning; wees des gewes: uw huwelijk zal eene zake zijn van groote internatie-lijke politiek en ik en waag dat zoo niet voetstoots beslissen maar... zelfs zoo gij geen Koning en huwt, mijne roze, zult gij wel eenmaal koninginne wezen over Endi als ik ter eeuwige ruste ben: zoo wees zonder zorg en gaan wij ter ruste... En praten wij morgen daar nog wel van...
Toen, omdat de Koning Assentijn lang en harde wijd gaapte na zoo vermoeienden dag van vele beroeringen om beleg en krijgskans en ongedacht snelle ontzetting zijns burchts tegen zonsondergang, neeg Ysabele voor haar grootvader, die haar kustte op het voorhoofd, neeg zij, als een lelie, voor de tien wiganten, die hoofsch haar groeteden en zij fluisterde tot Gawein en tot Gwinebant, met een zoeten blik tot elk:
—Hoe het ook loope, mijne lieve wiganten, welken Koning Ysabele ook huwe en waar zij ook koninginne worde, twee ridderen als gij zullen haar immer welkom wezen, zoo gij haar hoofschelijk trouw blijft...
Na een uur sliepen allen in den kasteele.
En droomde Ysabele van Gwinebant.
En droomde Gwinebant van Ysabele.
Maar Gawein, plotseling, werd wakker...
En hij zag uit het raam...
Hij zag over het nog lijk-bezaaide slagveld... Wijd lag het daar tusschen burcht en foreest... En het was of hij witte nevelen zag dalen... En wemelend weêr stijgen...
Of hij gloeiende oogen uit schaduwen zag loeren. En weder dooven...
Als van sluipende demonen......
Het was of hij engelen, heel zacht, vigeliën hoorde zingen voor de vele dooden...
En hij wist niet meer of hij gelukkig was of ongelukkig, omdat hij Ysabele's blik benijdde naar Gwinebant, den welschoonen knape, van wien hij ijverzuchtig werd...
Dien volgenden dag, voor dage ende dauwe, stond Gawein op, aan het begravene Scaec gedachtig, verliet den burcht, terwijl de schildwachten met eere hem de poorten door lieten, en kwam buiten, op den weg en op de vlakte, waar de slag was geleverd. En hij zag reeds de dorpers bezig met de verslagenen te begraven; voor velen hadden zij reeds een kerkhof gemaakt, op de heide en tusschen de plassen, die moerassig daar lagen aan den rand van het foreest. En toen hij de gravers zoo bezig zag, vreesde hij voor het Scaec, dat zij misschien op zouden graven en denken een schat, en betreurde hij het niet gisteren reeds, trots het late uur, te hebben gehaald. Maar de gedachte troostte hem, dat het toch niet weg zweven konde, omdat het toch harde te-broken was. Hij liep langs het veld, tusschen vlakte en woud en stelde zich dra gerust: waar hij met de gezellen was afgestapt en het Scaec had begraven, was niet gestreden geworden en hij vond den eikenboom aan welks voet hij het Scaec bedolven had onder de aarde. Hij dolf met den dolk den grond weêr op en werkelijk, daar lag het Scaec, maar, o wonder, zoodra Gawein het ontdekte van de aarde, die het bedekte, verhief het zich... de stukken voegden zich met tooverië ter plaatse, waar zij hadden gestaan sedert Koning Artur er de onvoleindigde partij had gespeeld en het Scaec, dat scheen door de gnomen met wel goede reparatie te zijn hersteld, verhief zich, een vogel, zoo luchtig, gelijk. En Gawein schrikte hevig, bevreesd, dat het hem ontsnappen zoû en in zijn schrik sloeg hij beide handen uit en greep er naar... vlak voor zijn oogen... greep er naar als hij naar een vlinder gegrepen zoû hebben. Maar het Scaec zweefde luchtig weg, om Gaweins hoofd, als plaagde het behaagziekjes hem en bleef toen boven hem brommen met zijn stadig gesnor als van een grooten hommel. Toen sloeg Gawein wederom de twee handen omhoog en hij greep nu het Scaec... En de gedachte schoot door hem, dat het zich wel lièt vangen, want dat het best tijd hadde gehad hoog weg te zweven, zoo het gewild had. Hoe dan ook, Gawein had weêr het Scaec; het brommelde en trilde in zijne handen, terwijl hij er henen keek en zich verwonderde hoe het weêr heel scheen: een harde schoone Scaec was het toch met de juweelen velden van agaath en chalcedoon en met de gouden en zilveren, zoo cierlijk gedrevene stukken! Hoe blijde was Gawein het eindelijk te hebben, het eindelijk naar Koning Artur te kunnen brengen! Niet lange zoû hij marren te Endi, bedacht Gawein, terwijl hij met groote schreden burchtwaarts keerde: zoo spoedig mogelijk zoû hij keeren tot Camelot maar het liefst zoû hij keeren met het Scaec èn met Ysabele, als zijne zoete bruid! Zoo als hij tien jaren geleden ook tot Camelot gekeerd was, met Scaec en Jonkvrouwe beiden, lace, zijne eerste Ysabele, die verscheiden was met Sinte Marië's gratië...
En binnen komende, tusschen de wachten, poorten door, bruggen over en eindelijk weêr in zijn kemenade terug, meende hij, het zoete Geluk lachte hem toe, het naderde hem: Koning Assentijn was hem nu wèl te moede, wrokte niet langer den bevrijder, die hij geworden was na eenmaal de belager en schaker te zijn geweest en dit maal zoû Ysabele hem wel met grootvaders wille vergezellen en zoo zij koninginne wilde wezen, voor zij nog heerschte over Endi, welnu, bij Sint Michiel, een koninkrijk zoû hij veroveren haar, al zoude het zijn bij Paris of zelfs bij Rome!
En het glansde in zijn wiganteziel van zaligheid, terwijl hij het Scaec neêr zette op de tafel en den vinger ophief, als dreigde hij het, mocht het aan wegzweven denken.
Maar rustig bleef het staan en het schitterde in een zonnestraal en het was zóó schoon... Wat was alleen die knop, die ter zijde uitstak als een witte jochant? Gawein tastte aan den knop, werd zich bewust, dat het juweelen knopje kon draaien.... hij draaide er aan en wond en wond op, nieuwgierig en plots.... zie!... daar verhief zich het Scaec in de kamer en zweefde! Gawein stortte naar het opene venster, sloot het haastig, bevreesd, dat weg zoude zweven dat duvelsche Scaec en te gelijker tijd zag hij beneden, langs de gracht, langs de zonnebloemen, in den stralenden zonneschijn, wandelen zijde aan zijde, hand aan hand, Ysabele en Gwinebant! Hij vergat er om het Scaec, dat trilde snorrende tegen de zoldering... Nu sloot hij spoedig het raam en herinnerde zich spottende Keye's raad: bind er een draad omme, Gawein, zoo gij het vangt...! En Gawein, werkelijk, zocht een stevigen draad en bond dien om het Scaec, tusschen de stukken door en bond het Scaec vast aan een luchterring in den muur en rondom de tafel en het stond na trillende nog, zoo gebonden, stil. Nu opende weêr Gawein het venster, zag uit: Ysabele en Gwinebant zag hij niet meer... En hij zette zich, hoofd in hand, elleboog op knie en dacht na en herinnerde zich: Ysabele had toch hem verzekerd, hèm had zij lief met zoete minne en niet Lancelot en niet Gwinebant... Hèm had zij lief... Hem zoû zij haar ridder hebben gekozen, wellicht wel mèt Gwinebant... als zij Koning Clarioen had getrouwd... Maar nu zij Koning Clarioen niet trouwen zoû... hoe had zij nu Gwinebant lief? Liever dan zij Gawein lief had? Het duizelde van denken in Gaweins arme hoofd en hij voelde zich o zoo naijverig worden van Gwinebant, dien hij toch zoo minde, den schoonen knape, jongsten aller ridderen van Tafel-Ronde, Gwinebant, die hem zoo trouwe—maar aan Ysabele?—verlost had uit de Valleie der Ontrouwe Ridderen; Gwinebant, dien hij op zijne beurt verlost had van de Schandekarre; Gwinebant, dien hij gunde van al zoet geluks. Wel, zoo hij, Gawein, nu zoete Ysabele's gemaal ooit werd—Koning Assentijn kòn hare hand niet weigeren den valianten bevrijder van Endi—zoû hij, Gawein, dan dulden, dat zij Gwinebant tot ridder er bij koos? Gawein schudde woest het hoofd van neen en hij wrong de handen en wist niet meer, in de overpeinzingen, die Vrouwe Venus kweekt in hoofd en hart der arme stervelingen, om hen te plagen en waartegen geen heilige, zelfs Sint Michiel niet iets weet te doen.
Koning Assentijn vierde die maand met groote feesten de tien dappere ridders van Tafel-Ronde en toen hij vroeg aan Gawein wat hij hem geven konde om zijn dank en aller dank van die van Endi hem te betuigen, aarzelde Gawein niet langer en vroeg hij, blozende maar luid-op, trots alle de moeilijke overpeinzingen, die hem hadden bedrongen, om Ysabele.
En Koning Assentijn stond Ysabele toe als bruid aan haar oom, Gawein.
—Bij Rome of Parijs, o Ysabele, mijne schoone, zal ik u koninkrijken winnen! juichte Gawein.
Ysabele legde zoet lachende, de ronde scheelen neêr geslagen, haar wit handekijn in Gaweins ridderlijke palm en er was gezang van knapen om hen heen en zoet luidende muziek van snaren.
Maar Gwinebant, dien avond, bij de roode-rozenstruiken klaagde tegen de starren zijn wanhoop uit als een nachtegaal, die van liefde zal sterven. Ysabele, die hem had zien verwijderen uit de burchtzale, zoo bleek en bedroefd, was hem na geslopen en zij naderde, wit als een engel, in den nieuwen maneschijn.
—Gwinebant! riep zij. Wat klaagt gij? En wat snikt gij, mijn Gwinebant, als die gone, die geen raad meer en weet? Is het, omdat Gawein mij zal huwen in steê van den Koning Clarioen? Maar hadt gij mij dan liever Clarioens wijf gezien, wijf van dien ouden schalk met de Schandekarre? Gwinebant, mijn lieve, lieve Gwinebant, dien ik zoo minne, dat ik u iedere nacht droom in mijne droomen, wilt gij dan niet gelooven, bij mijne trouwe, dat het best is, dat ik Gawein huw? Zekerlijk, hadde ik dien Clarioen gehuwd, ik hadde Gawein en u, mijn zoete Gwinebant, mede genomen naar Noordhumberland, als mijne twee ridderen... Maar nu ik niet Clarioen huwe, maar Gawein zelven, nu klinkt het toch als een klokke klaar, dat ik u, Gwinebant, als mijn ridder zal nemen. En dat gij mijn amijs zult wezen, zoo als Lancelot is de amijs van koninginne Guenever, die schoone!
—O Ysabele! Edoch Ysabele! riep Gwinebant en wrong de armen tegen de roode-rozenstruiken. Gij en weet niet wat een amijs is!
—En weet ik niet wat een amijs is? glimlachte Ysabele. Ik weet harde wel wat een amijs is en Gwinebant mag niet ijverzuchtig zijn van Gawein, want Ysabele heeft Gwinebant toch altijd het meeste lief, maar toren en verdriet wil zij Gawein nimmer doen, die zouden hem wel den dood kunnen brengen, die hem nimmer nog dreigde van battalgië of Aventure...
En zij sloeg hare armen om Gwinebants ronden knapenhals en kuste hem, lang, zoo dat, dronken, Gwinebant niet meer wist hoe te denken en hoe te doen in zoo moeilijke kwestië-van-minne, waarover in hof-van-minne wel lang dispuut zoû te houden zijn, tusschen hoofsche ridders en edelvrouwen.
Gawein, dien dag daarop, ook verward door Vrouwe Venus en haren zoon, zocht—toen hij in den burchthof, waar de ridders hulde hadden gedaan aan Koning Assentijn, die zat onder de linde—Gwinebant. Die liep met Lancelot, wien hij zijn hartsverdriet had toe vertrouwd. En justement wilde Gawein, hoewel hij des woords niet heel zeker was, vrijelijk vragen aan Gwinebant, of hij Ysabele minde en hoe en of Ysabele die gone was, wie hij reeds lang zoo trouwe was, dat hij met Lancelot samen hem, Gawein, had kunnen verlossen uit de Valleie der Ontrouwe Ridders... Maar op dit oogenblik, terwijl wemelde de burchthof van de baroenen en ridders en edelvrouwen, ratelde hoog in de lucht een razend gesnor aan en zagen allen een wijd-uit blauw gevleugelden fenixvogel aanzweven over de bosschen, over de vlakte, toen cirkelen boven den burcht, om in snelle zweefvlucht te dalen op het ronde en open plein. Allen liepen toe met juichen en jubelen om Merlijn te verwellekomen; haastig stapte hij uit; jong was hij nog, nu, tegen den noen en vol jeugdigen zwier groette hij den Koning Assentijn, zeide hem van Koning Arturs liefde maar riep dadelijk daarop:
—Wellieve heer en en zoete gezellen en valiante wiganten! U allen ook breng ik, als aan den Koning hier, liefde van onzen Koning Artur, maar lace, wees des gewes: allergrootst dangier dreigt Camelot en ik roep u allen toe: òp, tot soccoers!
Heftige ontroering doorvoer de tien ridders van Tafel-Ronde en met de baroenen van Endi drongen zij om Merlijn, terwijl de Koning Assentijn beval de mede ontroerde schoothondjes, die begonnen te keffen, zwijgen te doen: tal van pagiën grepen de keffertjes in de armen en spoedden er ijlings meê heen.
—Weet, riep luide Merlijn; dat Clarioen van Noordhumberland vertoornd is op ons allen van Camelot, omdat gij, mijne gezellen, Endi hebt ontzet en wel groote mortorië hebt aangericht onder zijne wiganten! Weet, dat hij een machtig heir heeft verzameld na zijne nederlaag en met dien òp tijgt naar Camelot, om wraak te nemen op Koning Arture en dat onze heer mij zendt om u allen toe te roepen: mart niet maar òp, tot soccoers!
—Spoedt u, lieve heeren ridders! riep Assentijn. Spoedt u tot uw Koning, spoedt u tot Camelot en gij, mijn baroenen, spoedt u met zoo lieve vrienden mede: òp tot soccoers!
—Ik spoed mij met u allen! riep Lionel, de Noordhumberlander Karreridder. Want trouwe zwoer ik sedert aan Koning Assentijn! Òp, tot soccoers!
—Òp, tot soccoers! riep helle uit Ysabele; zij stortte tusschen de ridders en de baroenen in. Sedert Clarioen, die mij koninginne van Noordhumberland zou maken, zulk een oude schalk bleek, vol blaamweerdige bastaardieën, zult gij, alle mijne heeren ridderen en baroenen, hem bestrijden, ter eere van Logres, ter eere van Endi!
—Ter eere van Logres, ter eere van Endi! riepen alle de ridders met groot enthoeziasme....
Maar Gawein naderde Ysabele...
Ysabele! riep Gawein. Mijn Koning ga ik ontzetten, het Scaec zal ik hem brengen, want gevaen heb ik het en vast gebonden aan een draad; maar als ik terug kom... wilt gij, o zoete en schoone, dan de mijne zijn?
—Ja, ik, Gawein! riep Ysabele en zij rukte zich eene harer lange, witte mouwen af en bood die in vervoering Gawein.
Gawein nam de mouw, kuste die en snelde weg om zich te wapenen.
—Ysabele! riep Gwinebant. Gij zult Gaweins wijf zijn, maar ik, die u minne, zal sterven, in den oorlog voor Camelot, die vangt aan.
—Ik en wil niet, Gwinebant! riep Ysabele, die schoone; dat gij sterven zult! Gij zult leven en overwinnen, om mijne minne!
En Ysabele scheurde zich hare andere mouw af en bood die Gwinebant.
Hij kuste de mouw en snelde weg, om zich te wapenen.
In hevigst gedrang snelden alle de ridderen meê en riepen den garsoenen de rossen te zadelen.
Maar plotseling hielden zij stand.
Op den drempel van de poort was de oude Koning Assentijn verschenen, in volle wapenrusting.
Alle de ridders en de baroenen schrikten hevig.
Maar de Koning riep:
—Wiganten gij en baroenen! Mijn arm is oud en beeft maar mijn oude kop is nog harde abel! En ik zal uwe prouaetse leiden en ik zal uw heir ordineeren, om mijn vriend, Koning Assentijn van Logres, in zijn burcht van Camelot te ontzetten. Weet wel, dat ik het nimmer eens met hem was, zoo iederen dag te marren met noenmaal of vesper, tot Aventuur zich zoû voor doen. Maar niet is dit reden om te vergeten, dat vriendschap mij bindt aan hem en alles, dat zijns is: zijn rijk en zijne edele ridderen! Baroenen, gij en wiganten: òp, tot soccoers!
Een daverend gejuich ging door de dichte rijen; overal op tinnen en barbekanen verschenen de burchtgenooten om den Koning gewapend te zien.
—Op, tot soccoers! riep Ysabele, die schoone, weêr. Mijn heere Koning en Grootvader, zoo gij Zelve ten oorlog mede tijgt, trots uwe grauwe haren, zoo wil ik, uwe kleindochter, niet marren in dezen burcht en met u gaan en met mij zoo velen dezer edele vrouwen als maar meenen kracht te bezitten te aanzien het tornooi, dat is werkelijkheid!
De Koning was het niet met Ysabele eens. Maar er was geen houden meer aan. Alle de ridders en baroenen juichten en het gejuich daverde tegen de ruige, rosse wanden des burchts. Vele edelvrouwen voegden zich bij Ysabele: zij zouden om den Koning en de princes, met de legertros, in de achterhoede blijven en der vrouwen aanwezigheid, om hun vorst heen, zou de ridderen van Endi en van Tafel-Ronde onoverwinbaar maken.
—Wapent u, vrienden! riep Merlijn, die reeds opsteeg in zijn fenix. Garsoenen, zadelt de rossen! Wapenknechten, grijpt de spiezen! De tijd dringt! Wel heb ik mijn gnomen bevolen met prikkelige tooverdraden, door het foreest gespannen, Clarioen tegen te houden, maar de tijd dringt, de tijd dringt! Ik ben, ofschoon toovenaar, maar die gone, die mensch is als gij!
Allen drongen den burcht in, om zich te wapenen. De garsoenen geleidden reeds, gezadeld, het prachtige strijdros des Konings voor...
Op den hoogsten toren van Camelots koningsburcht was de koninginne Guenever met hare vrouwen gestegen, in grootste wanhoop en radeloosheid.
Want het machtige heir van Koning Clarioen van Noordhumberland, die harde gram was op Koning Artur en op zijn eerste twaalftal Ronde-Tafel-ridderen, verscheen, reeds door vluchtende vazallen, dorpers, herders gekondigd, rings-om-rond aan den horizon, over de vlakte zichtbaar, voor zoo ver van den hoogen toren de oogen konden weiden ten Noorden en ten Westen beiden. En Guenever, tusschen hare vrouwen, wees met een wijden boog van haar bevenden lelievinger, de wijde schare, die, met een telkens opblikkeren van wapenen en schilden en helmen, waaraan de bleeke herfstzon sterren ontvonkte, daar, heel in de verte, overwaasd door verren mist en vochtigen najaarsnevel, verscheen. De zon streed met de nevels en misten en telkens vonkten die naderende sterren op en Guenever meende, zij hoorde reeds, angstig tusschen haar angstigen vrouwendrom, de hand aan het oor, het aandraven der vijandelijke ruiterijen...
Beneden lag de koning Artur ziek en Keye, de drossaet, hinkende, kwam hem juist den drank brengen, dien hij zelve bereid had, brommende op Guenever, dat zij haars gemaals ziekbed had verlaten, om naar boven den toren op te loopen. Hij spotte over de echtelijke trouwe van de "fonteyne aller schoonhede", die zeker boven uit zag naar Lancelot, haar amijs en waar hij bleef met de negen anderen—sinds Didoneel en Mordret twee feloenen waren gebleken, was, lace, het eerste twaalftal niet meer twaalf...—om Camelot, dat belegerd zoû worden, te ontzetten. En hijzelve, mank en scheel en steeds bitter om al wat het Lot hem niet had gegund—nooit Wonder, nooit Aventuur, noch wellicht Liefde zelfs, hem, Keye, den Spotter,—spotte zelfs nu en riep tot den kranken Koning, die zich kreunende hief van de sponde, om den drank te drinken:
—Drink, lieve heer Koning, drink wat uw drossaet u biedt om u genezen te doen want weldra nadert Aventure en Wonder: dat is Clarioens heirmacht en dat al moet gij toch gezond ontvangen, gezeten aan Tafele-Ronde, met uw twaalf nieuwe Tafel-Ronde-ridderen, nu de oude zoo lange marren! Drink, lieve heer Koning, drink!
Maar de oude, zieke Koning, op den elleboog leunende en drinkende de schaal uit, kreunde:
—Keye, dat gij toch ontberen wilde van zoo kwade scherne te drijven met uwen armen Koning Artur, die hier ligt krank van weemoed om de dagen van Destijds, toen zoo vaak, voor noen of voor vespermale ridderlijk Aventuur zich kondde! Zwevende Scaec of Bloedende Speer; Ridder op Kar, die verlost moest worden of belaagde damosele! Ach wi, ach wacharme, Keye, terwijl mijn eerste twaalftal—ach wi, ach wacharme, sedert Mordret en Didoneel feloenen bleken, moet ik wel zeggen: tiental—zoo lang toeft te keeren tot Camelot en ik van berouwe smacht, dat ik Gawein gedrongen heb te gaan op queste van een tweede Scaec, dat wellicht een onzalig duvelsche Scaec blijkt en hem tot verderf zal brengen!
Maar Keye hoorde al niet meer; hij luisterde aan de wenteltrap naar de kreten der angstige vrouwen boven en hij meende, naderde vernietiging voor Camelot en dood voor alle burchtzaten, bij God van Hemelrijk, hij zou niet dat onridderlijke leven betreuren maar het gaarne verwisselen voor goede plaatse in Paradijs, waar hij zeker seneschalk zoû worden bij een der heiligen, Sint Michiel, Sint Jan, als vergoeding voor alles wat hem op aarde onthouden was.
Intusschen stonden de twaalf nieuwe Tafel-Ronde-ridders bij de poorten en op de barbekanen in volle rusting op wacht, te midden van duizenden wapenknechten, die zich schaarden over de wallen om Camelot te verdedigen. Hunne namen klonken met sonore, Keltische klanken; hunne zielen waren nog meer van twijfel vervuld aan Wonder en Aventuur dan der tien eerste ridderen zielen, maar zij waren, wees des gewes, o lezer, valiante wiganten en onoverwinlijke lioenen en zij zouden Camelot en den Koning, Arture, en hunne zoete vrouwe, de koninginne Guenever, verdedigen, tot den lesten droppel bloede, die vloeide...
En de wijde, halve kring van Koning Clarioens machtige heir naderde en naderde dichter, nu het tegen den noen ging en Guenever, op den toren, tusschen hare vrouwen, op de knieën gezonken, luide bad tot Sinte Marië's Kind, God van Hemelrijke ende tot Sint Michiel om haar te hulpe te komen. Dat de twaalf nieuwe ridders wel hoorden en dat hen nu niet zoo zeer aangenaam stemde, want zij gevoelden zich te kort gedaan in haar vertrouwen... Het geen zij haar echter wederom vergaven omdat zij vooral naar Lancelot verlangde, dien zij in dagen en weken niet meer had gezien...
Maar plotseling snorde er door de herfstlucht, die opgoudde, snorde er boven de foreesten, die koper en purper gloeiden van het vallende herfstgeblaârte, het welbekend gebrom aan, dat zoo wel kleintjes rommelde in Zwevende Scaec als machtiger drommelde in Vliegende Fenix, en Guenever zag Merlijn aan komen zweven; hij zweefde rond hoog boven haar hoofd en riep haar toe:
—Mijne schoone koninginne, zeg mij: wilt gij, dat ik dale, als een zwaluw, op de tinne van uw toren? Ik zoude u dan, o Guenever, mede kunnen voeren naar mijn kasteel, waar gij veilig zoudt wezen voor Noordhumberland, maar ik zegge u zonder sparen: Lancelot en Gawein en de anderen en Koning Assentijn mede met machtige heirmacht ijlen door de foreesten en over de vlakten toe om Camelot te ontzetten en zelfs vergezelt de princes het heir, Ysabele, die schoone, tusschen alle hare vrouwen, te peerd, alsof het de jachte maar gold! Zeg mij, wilt gij, dat ik dale?
—Nadert Lancelot? riep Guenever in hooge vervoering. En naderen Gawein en de anderen? Nadert zelfs Koning Assentijn en nadert zelfs de princesse Ysabele? En zoude Guenever versagen? Neen, Merlijn, zij en versaagt niet meer, nu Lancelot haar ontzetten komt! Te Camelot, wees des gewes, blijft Guenever!
Een juichende roep van bijval donderde op naar de koningin: het waren de twaalf nieuwe ridders, die haar toe juichten, ook al bevroedden zij, dat Guenever Lancelot alleen meer vertrouwde dan hen twaalven! Maar zij juichten desniettemin want vonden het wel vol lof, dat Guenever niet vluchtte op de fenix....
—Maar wellicht, riep Guenever; o Merlijn, wil de Koning op de fenix vlieden?
—Zoo vraag het snel! riep Merlijn, rond cirkelend boven de hoofden der vrouwen, waarvan er wel eene enkele had meê willen gaan, al ware het alleen maar om den aanstaanden strijd van uit de wolken te aanschouwen.
—Keye! riep Guenever tot Keye, onder aan de wenteltrap.
—Heer Keye! Heer Keye! riepen de vrouwen.
Keye riep vragende wat er was.
—Vraag den Koning, riep Guenever; of hij Camelot wil ontvlieden op Merlijns blauwen fenixvogel....
De vrouwen luisterden aan de trap.
Maar weldra riep mopperend Keye terug:
—De Koning en wil niet, Guenever! Hij is bang duizelig te worden zoo hoog met de fenix te vliegen maar hij en is niet bang in zijn burcht te midden van zijne ridderen en beidende de ridderen, die komen!
De vrouwen riepen het Merlijn toe naar boven....
En riepen het den ridders en wapenknechten toe naar beneden.
En een donderend gejuich klonk rondomme.
—Zoo ga ik! riep Merlijn en hevig snorde de fenix en ontslaakte een azurigen damp van vreemd zoete roken. Van nut en noode ben ik niet meer in dezen oogenblik maar ik keere, zoodra ik het wezen kan. Goeden moed, o koninginne! Goeden moed, mijn valiante, nieuwe ridderen! Goeden moed, allen!
En Merlijn snorrende en te mid van azuren dampwolken, die zijn enghien ontblies van voren en slaakte van achteren, uit vogelekop en staart, steeg hoog, hoog de gouden herfstlucht in....
De vrouwen zagen om en op en om zich rond.
—Ziet!! wees Guenever plots naar het foreest, waar het zich tusschen de vallende bladeren verklaarde in opener verschieten en windenden weg. O ziet, daar naderen zij! Daar nadert mijn Lancelot!!