Inhoud
Noten

Men seght dickwils dat opt velt
't Serpent sigh onder bloemen stelt
En soo verrast die wandelen gaen
En comen by de bloemen aen
'k Weet iets tot meer verraed bekwaem
Serpent en bloem ist altesaem
Vraegt ghij my wat in rechter trouw
Ick segh dat dinck dat is een vrouw.

Coes, Liedekens

De reis welke graaf Gwyde op het aanraden van Mijnheer De Valois ging ondernemen, was voor hem en voor het Land van Vlaanderen zeer gevaarlijk: er bestonden voor Frankrijk te belangvolle redenen om het rijke Vlaanderen zo lang mogelijk in bezit te houden.

Philippe le Bel en zijn gemalin Johanna van Navarra hadden, om in hun losse verkwistingen te voorzien, al het geld des Rijks in hun schatkisten getrokken, en nochtans waren de overgrote sommen, die hun door het volk werden toegestaan, nooit toereikend geweest om hun onverzadelijke begeerten te voldoen. Geen ander middel om zich geld te verschaffen kunnende vinden, vervalste Philippe de munten van het Rijk, bracht ondraaglijke lasten op de drie staten des Lands—en echter had hij nog niet genoeg. Zijn hebzuchtige Ministers en bovenal Enguerrand de Marigny, dreven hem dagelijks aan tot het opleggen van schattingen en gabellen[33], ondanks het gemor des volks en de voortekenen ener omwenteling. Onbegrijpelijk is het dat Philippe le Bel, die ook de joden zo menigmaal uit Frankrijk dreef om hun het verlof van weder te komen tegen grote sommen te kunnen verkopen, niettegenstaande zijn stroperijen altijd zo groot gebrek aan geld had.

De vervalsing der munten was een verderfelijke daad; want de kooplieden hun waren voor ongangbaar geld niet willende verkopen, verlieten Frankrijk: het volk werd arm, de lasten werden niet betaald en de Koning bevond zich in de hachelijkste toestand. Vlaanderen integendeel bloeide door de nijverheid zijner inwoners. Al de natiën der bekende wereld aanzagen het als hun tweede Vaderland, en vormden op onze bodem de algemene stapel hunner goederen. Te Brugge alleen werd meer geld en goed verhandeld dan in gans Frankrijk, en deze stad was waarlijk een goudmijn. Dit wist Philippe le Bel. Ook had hij sedert enige jaren alles in het werk gesteld om het land van Vlaanderen onder zijn macht te krijgen. Eerst had hij van de Graaf Gwyde onmogelijke dingen geëist, om hem tot ongehoorzaamheid te dwingen; dan had hij zijn dochter Philippa in hechtenis gehouden en eindelijk het land van Vlaanderen door het geweld der wapenen ingenomen en verbeurd.

De oude Graaf had dit alles overwogen en verborg zich de waarschijnlijke gevolgen zijner reis niet; maar de droefheid die hij over de gevangenis zijner jongere dochter gevoelde, liet hem niet toe dit middel, dat haar kon verlossen, te verzuimen. De vrijgeleide, welke hem door Charles de Valois gegeven was, mocht hem ook wel enigszins verzekeren.

Hij begaf zich dan op weg met zijn twee zonen, Robrecht en Willem, en vijftig Vlaamse Edellieden. Charles de Valois, met een groot getal Franse ridders, vergezelde hem op de reis.

De Graaf met zijn Edelen te Compiègne gekomen zijnde, werd door toedoen van Mijnheer De Valois, in afwachting dat een koninklijk bevel hem ten Hove zou roepen, heerlijk geherbergd. De edelmoedige Fransman deed zoveel bij de Koning, zijn broeder, dat deze tot de genade overhelde, en Gwyde alleen ten Hove ontbood.

De oude Graaf, vol strelende hoop, begaf zich met betrouwen naar het koninklijk paleis.

Hier werd hij in een grote en prachtige zaal geleid. In de diepte van dit vertrek stond de koninklijke troon: behangsels van lazuur fluweel met gulden leliën doorwrocht, daalden van dezelve aan beide zijden tot op de grond, en een tapijt met goud- en zilverdraad doorweven lag voor de trappen van die rijke zetel. Philippe le Bel wandelde heen en weer door de zaal met zijn zoon Louis Hutin[34]. Achter hen volgden veel Franse heren, onder dewelke er een was, die dikwijls in de samenspraak des konings deelde. Deze gunsteling was Mijnheer De Nogaret, die de Paus Bonifacius, op bevel van Philippe, dorst vangen en mishandelen[35].

Zodra Gwyde aangekondigd werd, week de Koning tot bij de troon, maar klom er niet op. Zijn zoon Louis bleef aan zijn zijde: de andere heren schaarden zich in twee rijen langs de wand. Dan naderde de oude Graaf van Vlaanderen met langzame tred en boog zijn ene knie voor de Koning.

"Vazal!" sprak deze, "U betaamt die ootmoedige houding, na al het verdriet dat gij ons veroorzaakt hebt. Gij hebt de dood verdiend en zijt veroordeeld; echter belieft het ons in onze koninklijke genade u te horen. Sta op en spreek!"

De oude Graaf richtte zich op en antwoordde: "Mijn heer en Vorst! Met vertrouwen in uw koninklijke rechtvaardigheid heb ik mij voor de voeten uwer Majesteit begeven, opdat zij met mij na haar welgevallen handele."

"Die onderwerping," hernam de Koning, "komt laat; gij hebt u met Edward van Engeland, mijn vijand, tegen mij verbonden: gij zijt als een ontrouwe Vazal tegen uw Heer opgestaan—en gij zijt hoogmoedig genoeg geweest om hem de oorlog te verklaren: uw land is om uw ongehoorzaamheid verbeurd."

"O Vorst," sprak Gwyde, "laat mij genade voor u vinden. Dat uw Majesteit bedenke wat pijn en wat lijden een vader gevoeld heeft, wanneer men hem zijn kind ontrukte.—Heb ik niet met diepe weedom gebeden? Heb ik niet gesmeekt om haar weder te krijgen? O Koning! Indien men uw zoon, mijn toekomende Heer Louis, die nu zo manlijk aan uw zijde staat; indien men deze u ontrukte en in een vreemd land kerkerde, zou de smart uw Majesteit dan niet tot alles doen overgaan, om dit bloed, dat uit U gesproten is, te wreken en te verlossen? Ho ja, uw vaderhart verstaat mij—ik zal genade voor uw voeten vinden."

Philippe le Bel bezag zijn zoon met tederheid; op dit ogenblik overwoog hij de rampen van Gwyde en gevoelde een innig medelijden voor de ongelukkige Graaf.

"Sire," riep Louis met ontroering, "o wees hem genadig om mijnentwille! Heb toch deernis met hem en zijn kind—ik smeek u."

De Koning herstelde zich en hernam een strenge uitdrukking: "Laat u door de woorden eens ongehoorzamen Vazals zo licht niet verleiden, mijn zoon," sprak hij, "ik wil echter niet onverbiddelijk zijn; indien men mij bewijzen kan dat hij slechts door vaderliefde en niet door trotsheid gedreven werd."

"Heer," hernam Gwyde, "het is Uwe Majesteit bekend dat ik, om mijn kind weder te krijgen, alles wat mogelijk was in het werk gesteld heb. Geen mijner pogingen kon gelukken; mijn smeken, mijn bidden werd verworpen en alles, ook de tussenkomst van de Paus, was vruchteloos. Wat kon ik dan doen? Ik heb mij met de hoop gestreeld dat de wapenen de verlossing mijner dochter mochten bewerken, maar het lot was mij niet gunstig, Uwe Majesteit behaalde de zege."

"Maar," viel de Koning in, "wat kunnen wij voor u? Gij hebt een verderfelijk voorbeeld aan onze Vazallen gegeven: indien wij u genadig zijn, zullen zij allen tegen ons opstaan, en gij zult u misschien opnieuw met onze vijanden verenigen?"

"O mijn Vorst," antwoordde Gwyde, "het believe Uwe Majesteit de ongelukkige Philippa aan haar vader weder te geven—en ik zweer u, bij de eer mijns Huizes, dat een onverbrekelijke trouw mij aan uw Kroon hechten zal."

"En zal Vlaanderen de geëiste sommen opbrengen, en zult gij ons het nodige geld bezorgen, om de kosten die uw ongehoorzaamheid ons veroorzaakt heeft te vergoeden?"

"De genade die Uwe Majesteit mij kan bewijzen zal mij nooit te duur staan. Uw bevelen zal ik eerbiediglijk volbrengen. Maar mijn kind, o Koning,—mijn kind!"

"Uw kind?" herhaalde Philippe le Bel twijfelachtig. Nu dacht hij aan Johanna van Navarra, die de dochter des Graafs van Vlaanderen niet gewillig zou loslaten. Hij dorst de goede ingeving zijns harten niet volgen; want hij vreesde de toorn der trotse Koningin Johanna te zeer. Willende derhalve aangaande deze zaak aan Gwyde niets stelligs beloven, sprak hij: "Welnu, de goede woorden van onze beminde broeder hebben veel voor u gedaan. Heb goede hoop; want uw lot treft mij. Gij waart schuldig; maar uw straf is bitter; ik zal dezelve trachten te verzoeten. Nochtans belieft het ons heden niet, u in genade te ontvangen: verdere navorsing moet deze gewichtige zaak voorgaan. Wij begeren ook dat gij, in de tegenwoordigheid van al de heren, onze Vazallen, uw onderwerping doe; opdat zij aan u een voorbeeld nemen zouden. Ga en verlaat ons nu, dat wij overwegen mogen wat wij voor een ontrouwe Leenheer doen kunnen."

Op dit bevel ging de Graaf van Vlaanderen uit de zaal. Hij had het Paleis nog niet verlaten of het gerucht liep reeds onder al de Franse heren, dat de Koning hem zijn land en zijn dochter zou wedergeven. Velen wensten hem hartelijk geluk; anderen, die op de inneming van Vlaanderen hun vooruitzichten van eerzucht gebouwd hadden, gevoelden hierover een innige spijt. Echter, mits zij tegen de wil des Konings niet op konden, lieten zij niets daarvan blijken.

Blijdschap en vertrouwen kwam onder de Vlaamse heren: zij streelden zich met een zoete hoop en verheugden zich, op voorhand, in de verlossing des Vaderlands. Het scheen hun dat niets de goede uitval hunner poging kon verhinderen, mits de Koning, boven de goede onthaling die hij de Graaf gedaan had, aan Mijnheer De Valois de verzekering had gegeven, dat hij Gwyde met grootmoedigheid wilde behandelen.

Gij, die tegen het lot geworsteld en bij die strijd geleden en geweend hebt, hoe gemakkelijk komt de vreugde in uw langbenepen hart! Hoe licht vergeet gij uw pijnen, om een onzeker geluk te omhelzen; alsof de kelk des rampspoeds voor u geledigd ware—terwijl het bitterste, de grond, U overblijft. Gij vindt een glimlach op alle wezens, en drukt de hand van allen die zich in uw voorspoed schijnen te verblijden.—Maar betrouw u niet op het wentelrad der bedriegelijke Lukvrouw, noch op de uitdrukking dergenen, die in het ongeluk uw vijanden waren. Want de nijd en het verraad schuilen onder die dubbele aanzichten,—gelijk de adder onder de bloemen, en de schorpioen onder de gulden Ananas[36] zich verbergen. Tevergeefs zoekt men het spoor der slang op het veld; men gevoelt haar giftige beet, en weet niet langs waar zij tot ons gekomen is.—Zo ook werken afgunstige en nijdige mensen in het duister; want zij kennen hun eigen boosheid en schamen zich over hun daden. Hun schichten raken ons in het hart, en wij geloven hen onze vrienden; omdat wij hun zwarte zielen op hun strelend gelaat niet zien kunnen. Het geheim en de dubbelzinnigheid is hun een ondoordringbare mantel; ja, het venijnig ongedierte wandelt wel eens onder de stralen der zon, maar zij nooit.

De graaf Gwyde maakte reeds de nodige schikkingen, om bij zijn terugkomst in Vlaanderen, de bevelen des Konings uit te voeren en zijn onderdanen, door een lange vrede, de oorlog te doen vergeten. Robrecht van Bethune zelf twijfelde geenszins aan de beloofde genade; want sedert zijn vader aan het Hof geweest was, waren al de Franse heren ten uiterste minzaam en eerbiedig met de Vlamingen. Dit was, als zij geloofden, een bewijs van des Konings goedwilligheid: zij wisten dat de inzichten en gedachten der Vorsten altijd op het ongestadig gelaat der hovelingen te vinden zijn.

De Chatillon had de Graaf ook menigmaal bezocht en met gelukwensingen begroet, maar er schuilde een duivels geheim in zijn hart, en hij grimlachte om het te verbergen. Johanna van Navarra, zijn nicht, had hem het Land van Vlaanderen ten leen beloofd: al zijn eerzuchtige ontwerpen hadden het verkrijgen van dit rijke graafschap voor doel gehad, en nu verging dit vooruitzicht als een droom.

Er is geen drift die de mens meer tot boosheid bekwaam maakt dan de staatzucht: zij verplet onbarmhartiglijk al wat haar loopbaan belemmert, en ziet niet om naar de reeds begane gruwels; want haar ogen blijven steeds met hardnekkigheid op het nagejaagde doel gevestigd. De Chatillon van die drift bezeten zijnde, besloot een verraderlijke daad, door eigenbelang hem ingegeven; en verbloemde dezelve voor zijn geweten met de naam van plicht.

Dezelfde dag dat hij uit Vlaanderen met de andere heren bij het Hof aankwam, riep hij een zijner trouwste dienaren, gaf hem zijn beste paard en zond hem in allerhaast naar Parijs.

Een brief die hij deze bode mede gaf, moest de Koningin en Enguerrand de Marigny van alles berichten en hen naar Compiègne roepen.

Hij gelukte ten volle in zijn verraderlijk inzicht. Johanna van Navarra ontstak in een hevige woede bij het lezen des briefs. De Vlamingen in genade ontvangen! Zij die hun een eeuwige haat had toegezworen, zou haar prooi dus laten ontsnappen! En Enguerrand de Marigny, die het geld dat men uit Vlaanderen met geweld lichten moest, reeds op voorhand verspild of besteed had! Deze twee personen hadden een al te groot belang in het verderf van Vlaanderen om deszelfs verlossing te gedogen. Zodra zij de tijding ontvangen hadden, vertrokken zij met snelle vaart naar Compiègne, en vielen als de bliksem in de kamer des Konings.

"Sire!" riep Johanna. "Ben ik u dan niets meer, dat gij mijn vijanden dus in genade, zonder mijn oorlof ontvangt? Of heeft het verstand u begeven dat gij deze Vlaamse slangen ten uwen verderve wilt koesteren?"

"Mevrouw," antwoordde Philippe le Bel met bedaardheid, "het zou u betamen uw gemaal en Koning wat meer te eerbiedigen. Indien het mij belieft de oude Graaf van Vlaanderen genade te verlenen, zal mijn wil geschieden."

"Neen," riep Johanna, rood van toorn, "dit zal niet geschieden. Ik wil het niet—hoort gij. Sire! Ik wil het niet. Wat! Zullen die muitelingen welke mijn ooms onthalsd hebben[38] ongestraft blijven?—Zullen zij zich beroemen ongestraft de Koningin van Navarra in haar bloed gehoond te hebben?"

"De gramschap vervoert u, Mevrouw!" antwoordde de Koning. "Bedenk met bedaardheid, en zeg mij, is het niet billijk dat Philippa aan haar vader wedergegeven worde?"

Nu werd de woede van Johanna nog heviger.

"Philippa wedergeven?" viel zij uit. "Maar, Sire, gij denkt er niet aan. Dan trouwt zij Edward van Engelands zoon, dan is uw eigen kind van die hoop verstoken. Neen, neen, het zal nooit geschieden—dit zweer ik u. En wat meer is, Philippa is mijn gevangene; het zal u aan macht ontbreken om ze uit mijn handen te krijgen."

"Maar Mevrouw," riep Philippe, "gij gaat u te buiten, denk dat die hoogmoedige taal mij zeer mishaagt, en dat het mij vrij staat, u blijken mijner gramschap te geven. Mijn wil is de wil van uw Vorst."

"En gij wilt Vlaanderen aan de trotse Gwyde wedergeven—gij wilt hem in staat stellen om u nogmaals de oorlog aan te doen? Deze onbezonnen daad zal u een droevig naberouw verwekken, ik verzeker het u, Sire. Wat mij aangaat, mits ik zie dat men mij zo klein acht, dat een zaak, die mij zo zeer belangt, zonder mijn toedoen is besloten, zal ik mij in mijn Koninkrijk van Navarra vertrekken en Philippa zal mij volgen[37]!"

Dit laatste gezegde werkte krachtdadiglijk op het gemoed des Konings. Navarra was het beste deel van Frankrijk en Philippe le Bel zou er zich niet gaarne van beroofd gezien hebben.

Daar Johanna hem meermalen met dit vertrek bedreigd had, vreesde hij dat zij het wel eens mocht uitvoeren. Na enig bedenken sprak hij: "Gij belgt u zonder rede, Mevrouw. Wie zegt u dat ik Vlaanderen wil wedergeven; ik heb nog niets aangaande deze zaak besloten."

"Uw woorden geven uw inzicht genoeg te kennen," antwoordde Johanna. "Maar het zij zo het wil, ik zeg u dat, indien gij mij genoeg miskent om mijn raad te verwerpen, ik u verlaten zal;—want ik wil aan de gevolgen uwer onvoorzichtigheid niet blootgesteld zijn. De oorlog tegen Vlaanderen heeft 's Rijks schatkisten uitgeput, en nu gij het middel hebt om in alles weder te voorzien, nu wilt gij die muitelingen in genade ontvangen! Nooit zijn onze geldmiddelen in een slechtere staat geweest, Mijnheer De Marigny kan u dit bewijzen."

Enguerrand de Marigny kwam op deze woorden voor de Koning: "Sire, het is mij onmogelijk," sprak hij, "de soldeniers langer te betalen. Het volk wil de lasten niet meer opbrengen. De Provoost der kooplieden van Parijs heeft de toelage geweigerd, en welhaast zal ik in de uitgaven van het Huis des Konings niet meer kunnen voorzien. De verandering der munten mag ook niet meer geschieden: Vlaanderen alleen kan ons behulpzaam zijn. De Tolheren die ik derwaarts gezonden heb zijn bezig met het heffen der gelden, die ons uit die toestand redden zullen.—Overweeg toch, o Sire, dat het verlaten van dit land u aan grote onheilen blootstelt."

"Is al het geld dat men op de derde staat gelicht heeft reeds verdwenen?" vroeg Philippe mistroostiglijk.

"Sire," antwoordde Enguerrand, "ik heb aan Etienne Barbette de gelden die de Tolpachters van Parijs uwer Majesteit geleend hadden, wedergegeven. Er blijft niets of zeer weinig in 's Rijksschat."

De Koningin Johanna zag met blijdschap dat deze tijding de Koning zeer bedroefde. Nu dacht zij dat het vonnis van Gwyde niet moeilijk zou te verkrijgen zijn. Zij naderde haar gemaal met listigheid en sprak: "Gij ziet wel, Sire, dat mijn raad belangrijk voor u is. Hoe kunt gij toch, om opstandelingen te begunstigen, het heil van Frankrijk uit het oog verliezen? Zij hebben u en mij gehoond, onze vijanden geholpen, onze bevelen durven misachten. Het geld dat zij bezitten, maakt hen trots en opgeblazen. Niets is gemaklijker dan er dit overtollig geld uit te lichten; zij mogen uw Koninklijke handen dan nog kussen, dat gij hun het leven laat; want zij zijn allen de dood schuldig."

"Maar Mijnheer De Marigny," vroeg de Koning, "weet gij geen middel om nog enige tijd in de uitgaven des Rijks te voorzien? Want ik denk niet dat de gelden uit Vlaanderen zo haast komen zullen:—die toestand baart mij de grootste wanhoop."

"Ik weet geen middel, Sire. Wij hebben er reeds zoveel gebruikt!"

"Luister," viel Johanna in, "indien gij mijn raad wilt volgen, en met Gwyde na mijn begeerte wilt handelen, zal ik een buitengewone lening op mijn koninkrijk van Navarra heffen, en alzo zullen wij voorlang aan die lastige zaken niet te denken hebben."

Hetzij dat zwakheid van gemoed of lust tot geld de Koning aandreef, hij willigde in de begeerte van Johanna en de oude Gwyde werd haar overgeleverd. De verraderlijke Vrouw besloot de Graaf van Vlaanderen de voetval te laten doen, en hem niet naar zijn vaderland te laten wederkeren.


5

Inhoud
Noten

Ik val, dus sprak hy, als een offer van 't vertrouwen
Rampzalig die op 't woord eens vuigen dwinglands bouwen!

H H Klyn, Philips Van Egmond

Het was diep in de avond als Johanna van Navarra te Compiègne aankwam. Terwijl zij met list en bedreigingen het vonnis der Vlamingen aan de wankelbare Koning onttrok, zat de Graaf Gwyde met zijn edele Leenmannen in een zaal zijner woning. De wijn werd er menigmaal in zilveren schalen rondgeschonken en men deelde zich onderling de blijde hoop en de troostende vooruitzichten mede.

Reeds hadden zij het voorwerp hunner rustige redekaveling dikwijls veranderd, wanneer Diederik de Vos, die als boezemvriend van Robrecht in het huis van de Graaf geherbergd was, in de zaal kwam en bij het gezelschap naderde.

Hij bleef zonder spreken staan, en bezag beurtelings de oude Graaf en zijn twee zonen. Er was op zijn gelaat een diepe smart en innig medelijden geprent. Mits hij steeds vrolijk en gulhartig was, verschrikten de ridders niet weinig bij het gezicht dier mistroostigheid; want zij dachten wel dat een kwade tijding zijn wezenstrekken dus had verduisterd.

Robrecht van Bethune was de eerste die zijn aandoening door woorden te kennen gaf.—Hij riep: "Is u de tong uitgevallen, Diederik? Spreek!—En zo gij ons moet bedroeven, laat dan uw boertige taal achter, ik bid u."

"Het heeft geen nood, Mijnheer Robrecht," antwoordde Diederik, "maar ik weet niet hoe u die tijding aan te kondigen; want het pijnt mij dat ik een ongeluksbode zijn moet."

De vrees drukte zich op de aanzichten der toehoorders uit; zij bezagen Diederik met angstige nieuwsgierigheid. Deze nam een schaal, schonk ze vol wijn en sprak na gedronken te hebben: "Dit zal mij de nodige moed geven. Luistert dan, en vergeeft het uw trouwe dienaar De Vos, dat zijn mond u zulk nieuws brengen moet.—Gij hebt geloofd dat Philippe le Bel u in genade zou ontvangen, en gij hadt er reden toe; want hij is een edelmoedig Vorst. Hij achtte zich eergisteren gelukkig u de grootmoedigheid zijns harten te betonen; maar dan was hij niet, gelijk nu, door boze geesten bezeten."

"Wat is dit!" riepen de ridders verbaasd. "Is de Koning geplaagd?"

"Mijnheer Diederik," sprak Robrecht strengelijk, "laat die verbloemde woorden, gij hebt ons iets anders te zeggen. Het schijnt dat het niet gemakkelijk over uw lippen kan."

"Gij hebt het gezegd, Mijnheer Van Bethune," antwoordde Diederik, "ziehier de zaak die mij tot de dood toe bedroeft:—Johanna van Navarra en Enguerrand de Marigny zijn te Compiègne!"

Die namen hadden een schriklijke werking op al de ridders.

Zij werden als met stomheid geslagen en bogen hun hoofden zonder een woord te spreken. Eindelijk hief de jonge Willem zijn armen omhoog en riep met wanhoop: "Hemel de boze Johanna—Enguerrand de Marigny! Ho mijn arme zuster!—Mijn vader, wij zijn verloren!"

"Welnu," zuchtte Diederik, "dit zijn de duivelen die de goede Vorst bezitten. Ziet gij, doorluchtige Graaf, dat uw dienaar Diederik het niet slecht voor had, wanneer hij u die strik te Wijnendale aanwees."

"Wie heeft u gezegd dat de Koningin van Navarra te Compiègne gekomen is?" vroeg de Graaf, alsof hij nog aan de zaak twijfelde.

"Mijn eigen ogen, Mijnheer," antwoordde Diederik. "Vrezende dat men met ons verradelijk mocht te werk gaan; want ik betrouwde mij op hun dubbelzinnige woorden niet, heb ik gedurig gewaakt, bespied en geluisterd. Ik heb Johanna van Navarra gezien—haar stem heb ik gehoord. Ik verpand mijn eer voor de echtheid mijner woorden."

"Hoort, Mijne heren," sprak Wouter van Lovendegem, "Diederik zegt ons de waarheid, Johanna van Navarra is bij de Koning, mits hij zijn trouw ervoor verpandt. De ongenadige Vorstin zal alles inspannen om onze zaak te bederven; en God weet welke middelen zij daartoe heeft. Het beste dat wij doen kunnen is met haastigheid te overleggen hoe wij uit de strik geraken zullen. Indien men ons kwam aanhouden zou het te laat zijn."

De oude Graaf werd droef en wanhopig. Hij kon in zulke gevaarlijke toestand niets vinden dat hem mocht redden; want te midden op des Konings grondgebied zijnde, scheen de vlucht naar Vlaanderen hem onmogelijk. Robrecht van Bethune raasde morrend en vervloekte innerlijk de reis, die hem zo weerloos in de handen der vijanden geleid had.

Terwijl zij allen in een somber stilzwijgen de mistroostige Graaf bezagen, kwam een hofknaap bij de deur der zaal en riep: "Mijnheer De Nogaret, gezonden des Konings!"

Een plotselinge beweging gaf de benauwdheid die de Vlamingen bij deze aankondiging trof, genoeg te kennen. Mijnheer De Nogaret was de gewone uitvoerder der geheime bevelen des Konings, en nu dachten zij dat hij van lijfwachten vergezeld, hen kwam vangen. Robrecht van Bethune trok zijn degen uit de schede en legde hem voor zich op de tafel. De andere heren brachten insgelijks de hand aan het wapen, terwijl zij met de ogen stijf op de deur blikten.

In die houding waren zij wanneer Mijnheer De Nogaret binnenkwam. Hij boog zich hoffelijk voor de ridders en zich tot Gwyde kerende sprak hij: "Graaf van Vlaanderen! Mijn genadige Koning en Meester begeert dat gij morgen ten elf ure vóór noen, met uw Leenmannen ten Hove kome om in het openbaar hem de vergiffenis uws verbrekens af te smeken. De komst der doorluchtige Koningin van Navarra heeft dit bevel verhaast—zij heeft zelf om uw genade bij de Vorst haar gemaal gebeden, en heeft mij belast u te zeggen dat uw onderwerping haar zeer aangenaam is. Tot morgen dan, Mijne heren. Vergeeft mij dat ik u zo spoedig verlaat.—Hare Majesteit wacht mij—ik mag niet beiden. De Heer hebbe u in zijn hoede!"

Hij verliet de zaal bij deze groet.

"De Hemel zij gedankt, Mijne heren," sprak Gwyde. "De Koning is ons genadig; nu mogen wij getroost en verheugd ter ruste gaan. Gij hebt de begeerte des Konings verstaan, gelieft u bereid te maken om aan dezelve betamelijk te voldoen."

De blijdschap kwam onder de ridders terug. Zij spraken nog enige tijd over de vrees van Diederik en de gelukkige uitval die hun beloofd was: de laatste schaal wijns werd op het heil van hun Graaf geledigd.

Als zij meenden te scheiden vatte Diederik de hand van Robrecht en sprak met doffe stem: "Vaarwel, mijn vriend en meester! Ja vaarwel; want wellicht zal mijn hand de uwe voor lang niet kunnen drukken. Denk dat uw dienaar Diederik u altijd bijstaan en troosten zal, in wat plaats,—in wat kerker gij u bevinden moogt."

Robrecht zag een traan onder het ooglid van Diederik glinsteren en verstond door dezelve hoe diep zijn trouwe vriend geroerd was.

"Ik versta u, Diederik," morde hij hem in het oor. "Wat gij vreest, voorzie ik ook; maar er is geen uitkomst aan. Vaarwel dan tot betere dagen!"

"Mijne heren," riep Diederik heengaande, "indien gij enige tijding voor uw bloedverwanten naar Vlaanderen te zenden hebt, raad ik u dezelve spoedig klaar te maken, ik zal uw bode zijn!"

"Wat zegt hij!" riep Wouter van Lovendegem. "Zult gij met ons niet ten Hove gaan, Diederik?"

"Jawel, ik zal bij u en nevens u zijn; maar gij lieden noch de Fransen zult mij kennen. Ik heb het gezegd: Philippe zal De Vos niet krijgen, bij mijn ziel. God bescherme u, Mijne heren."

Hij was reeds ter deure uit als hij die laatste groet hun toestuurde.

De Graaf vertrok zich met zijn hofknaap, en de anderen verlieten insgelijks de zaal om zich te bed te begeven.

Op het gestelde uur kon men, in een wijde zaal van het paleis des Konings, de Vlaamse ridders met hun oude Graaf zien staan. Hun wapenen hadden zij in de voorkamer moeten afleggen. Blijdschap en genoegen blonk op hun gelaat, alsof zij zich op voorhand over de beloofde genade verheugden. Het aanzicht van Robrecht van Bethune verschilde in uitdrukking van al de andere: een bittere spijt en inwendige razernij was erop te lezen. De moedige Vlaming kon de trotse blikken der Franse heren niet over het hart krijgen; en ware het niet uit liefde tot zijn vader geweest, hij had weldra menige rekening erover gevraagd. De dwang, die hem door de noodwendigheid was opgelegd, werkte pijnlijk in zijn boezem, en menigmaal kon een nauwkeurig oog bemerken, dat zijn vuisten zich toewrongen, alsof zij enige banden breken wilden.

Charles de Valois stond bij de oude Gwyde en sprak vriendelijk met hem, het ogenblik afwachtende dat hij op bevel des Konings, zijn broeder, de Vlamingen voor de troon zou leiden.

Enige Abten en Prelaten waren ook in de zaal tegenwoordig.

Bij dezelve bevond zich menig treffelijk Burger van Compiègne, die men met inzicht tot deze plechtigheid had toegelaten.

Terwijl iedereen zich, met over de zaak van Gwyde te spreken, bezig hield, kwam er een oude pelgrim in de zaal. Zijn hoofd helde ootmoediglijk met de brede hoed voorover, in zulker voege dat men van zijn gelaatstrekken weinig kon zien. Een bruine palsrok met schelpen versierd, verborg de vormen van zijn lichaam en een lange stok met een drinkvat, ondersteunde zijn stramme leden. Zodra de Prelaten hem bemerkten, kwamen zij tot hem en belaadden hem met allerlei vragen. De ene begeerde te weten hoe het met de christenen in Syrië gelegen was, de andere hoe het met de oorlog in Italië stond, een derde vroeg of hij geen kostelijke overblijfsels van Heiligen had medegebracht, en meer zaken die men de pelgrims vraagt. Hij antwoordde op dit alles gelijk iemand die deze landen maar onlangs verlaten had, en vertelde zoveel wonderlijke dingen, dat de omstaanders hem met eerbied en nieuwsgierigheid aanhoorden. Alhoewel zijn gezegden doorgaans ernstig en treffend waren, kwamen er echter somtijds zulke boertige woorden uit zijn mond, dat de Prelaten zelf in lachen moesten uitbarsten. Weldra waren er meer dan vijftig personen om hem geschaard, enige brachten de eerbied en de bewondering zo ver, dat zij in stilte hun handen over zijn palsrok lieten gaan, denkende dat hun dit een zegen zou toebrengen. Nochtans was die wonderlijke pelgrim geen wandelaar; de landen die hij zo goed scheen te kennen had hij slechts in zijn jongheid bezocht, en wist niet veel meer van hetgeen hij er gezien had; maar wanneer het geheugen hem ongehoorzaam was, kwam zijn inbeelding hem helpen; dan vertelde hij bovennatuurlijke zaken en lachte in zichzelf over degenen die hem geloofden. Het was Diederik de Vos. Niemand bezat als hij de kunst om zich te hervormen en in alle gedaanten te herscheppen. Hij kon zijn aanzicht door waters en kleuren verouderen of jonger maken, en dit met zoveel kunde dat zelfs zijn vrienden hem niet konden herkennen. Terwijl hij in het woord der Franse Vorsten niet het minste vertrouwen had en dat zoals hij het de Graaf gezegd had, hij niet wilde gedogen dat men De Vos vangen zou, had hij zich aldus verkleed om niet in de handen der vijanden te vallen.

Weinige tijd hierna kwamen de Koning en Koningin met een talrijke stoet van ridders en staatjuffers in de zaal, en plaatsten zich op de troon. De meeste Franse heren schikten zich op twee rijen langs de wand; de anderen bleven in de nabijheid der burgers staan. Twee wapenboden met de banieren van Frankrijk en van Navarra plaatsten zich aan beide zijden van de troon.

Op een teken des Konings kwam Charles de Valois met de Vlaamse Edelen vooruit. Deze bogen de ene knie op fluwelen kussens voor de troon, en bleven stilzwijgend in die ootmoedige houding zitten. Aan de rechterzijde des Graafs zat zijn zoon Willem en aan de linkerzijde, in de plaats van Robrecht van Bethune, zat Wouter van Maldegem, een edel heer.

Robrecht was tussen de Franse ridders blijven staan: het gelukte hem in den eerste, niet door Philippe le Bel bemerkt te worden.

De klederen der Vorstin Johanna waren schitterend van goud en gesteenten, en de koninklijke kroon die haar hoofd omving, glansde tegen het daglicht met haar duizend diamanten op. Hoogmoedig en verwaand, smeet de trotse Vrouw verachtende blikken op de Vlamingen die voor haar geknield zaten, en grimlachte met een hatelijke uitdrukking, terwijl zij de oude Graaf met inzicht zo lang liet wachten. Eindelijk suisde zij enige woorden in het oor van Philippe le Bel, en deze sprak met luider stem tot Gwyde: "Ontrouwe Vazal! In onze koninklijke genade hebben wij het billijk geacht uw verbreken te doen onderzoeken om te zien of het ons veroorloofd was u te vergeven; maar wij hebben bevonden dat de vaderliefde slechts tot dekmantel uwer weerspannigheid gediend heeft, en dat een misdadige hoogmoed u tot ongehoorzaamheid heeft aangespoord."

Terwijl de Koning deze woorden sprak, kwam de verbaasdheid en de schrik in de harten der ridders. Nu merkten zij de strop die hun door Diederik de Vos was aangetoond. Mits Gwyde zich niet bewoog, bleven zij ook nog geknield zitten. De Koning ging voort: "Een Vazal die valselijk tegen zijn Landheer en Koning opstaat, verbeurt zijn leen, en die, welke met de vijanden van Frankrijk aanspant, verbeurt zijn leven. Gij hebt de bevelen van uw Koning wederstaan, gij hebt met Edward van Engeland, onze vijand, de wapenen tegen ons opgenomen en de oorlog tegen ons gevoerd[39]. Daarom hebt gij als een valse Leenman het leven verbeurd; nochtans willen wij dit vonnis niet haastig ten uitvoer brengen en zullen de zaak met rijp oordeel doen onderzoeken. Derhalve zult gij en de Edelen, die in uw weerspannigheid gedeeld hebben, in hechtenis gehouden worden, totdat het ons believe andere schikkingen ten uwen opzichte te nemen."

Charles de Valois die deze rede met diepe hartpijn had aanhoord, kwam voor de troon en sprak: "Mijn heer en Koning! Het is u bekend met welke trouw ik uwe Majesteit, als de geringste uwer onderdanen, gediend heb. Nooit heeft iemand kunnen zeggen dat ik mijn wapenen door een schijn van lafheid of valsheid heb besmet.—En zult gij het zelf zijn, o Koning! die mijn eer—de eer uws broeders zult schenden? Zult gij mij tot een verrader maken—en zal het hoofd uws broeders onder de naam van valsridder bukken moeten? O Sire, overdenk dat ik Gwyde van Vlaanderen een vrij geleide gegeven heb, en dat gij mij nu tot meinedige maakt!"

Bij deze woorden was Charles de Valois allengskens in woede ontstoken. Zijn blik had zulke ongemene kracht dat Philippe le Bel op het punt was zijn vonnis te herroepen. Daar hij zelf de eer als het hoogste goed eens ridders waardeerde, gevoelde hij in zijn hart wat pijn hij zijn trouwe broeder aandeed. Terwijl waren de Vlamingen van de grond opgestaan: zij luisterden angstiglijk op de uitval van Mijnheer De Valois. De overige aanschouwers bewogen zich niet en wachtten met schrik op hetgeen er nog moest gebeuren.

De Koningin Johanna gaf aan haar gemaal geen tijd om te antwoorden. Vrezende dat haar prooi mocht ontsnappen, riep zij met nijdige drift: "Mijnheer De Valois, het is u niet veroorloofd de vijanden van Frankrijk te verdedigen, Gij maakt u aan ontrouw schuldig. Dit is de eerste maal niet dat gij u tegen de wil uws Konings verzet."

"Mevrouw," viel Charles bitsig uit, "u betaamt het niet de broeder van Philippe le Bel van ontrouw te beschuldigen.—Zal er om uwentwil gezegd worden, dat Charles de Valois een ongelukkige Landheer verraden heeft?—Zal die schande over mijn wapenen komen! Neen o Hemel! Dit zal niet geschieden. Ik beroep u, Philippe, mijn Vorst en mijn broeder, zult gij lijden dat het bloed van de heilige Lodewijk in mij besmet worde? Zal dit de beloning mijner trouwe diensten zijn?"

Men kon bemerken dat de Koning bij Johanna aanhield om het strenge vonnis te verzachten, doch zij, onverbiddelijk in haar haat tegen de Vlamingen zijnde, dreef het gebed van de Vorst met trotsheid af, en werd op de woorden van Charles de Valois zo rood dat zij gloeiend scheen. Eensklaps riep zij met kracht: "Hola lijfwachten! De wil des Konings geschiede—dat men die valse Leenmannen vange[41]!"

Ontellijke soldeniers der lijfwacht drongen op die roep langs al de deuren in de zaal. De Vlaamse ridders lieten zich zonder tegenweer in hechtenis nemen: zij wisten dat geweld hen niet redden kon; want zij waren ongewapend en door te veel vijanden omringd.

Een der oversten kwam bij de oude Gwyde en legde de hand op zijn schouder, zeggende: "Heer Graaf, ik vang u bij de Koning, mijn Meester."

De Graaf van Vlaanderen aanzag hem droevig en zich naar Robrecht kerende zuchtte hij: "O mijn ongelukkige zoon!"

Robrecht van Bethune stond stijf en beweegloos met dwalende ogen bij de Franse ridders, die hem met ondervragende blikken bezagen. Alsof een onzichtbare hand hem met een toverroede geraakt had, liep er een stuiptrekkende beweging over zijn lichaam; al zijn spieren spanden zich tegelijk en de bliksem scheen uit zijn ogen te stralen. Hij sprong als een Leeuw vooruit en deed de ganse zaal onder de galmen zijner reuzenstem dreunen. Hij schreeuwde: "Bij mijn zaligheid! Ik heb een onedele hand op de schouder mijns ouden vaders zien vallen. Zij zal erop blijven of ik sterve de dood!"

In zijn loop rukte hij de helmbijl met geweld uit de handen van een soldenier[40]. Een akelige gil ontvloog de bijzijnde ridders en allen trokken hun degens; want zij dachten dat het leven der Vorsten in gevaar was. Weldra verging die vrees; want de slag van Robrecht was gegeven. Gelijk hij gezworen had, deed hij. De arm van degene die zijn vader geraakt had, lag met de vermetele hand op de grond en bloed stroomde in overvloed uit de schriklijke wonde.

De soldeniers liepen in groot getal naar Robrecht om zich van hem meester te maken; doch hij, blind en uitzinnig door woede, zwaaide de helmbijl in vluchtige cirkels rond. Niet één dorst zich onder zijn bereik wagen. Misschien zouden er meer ongelukken voorgevallen zijn; maar de oude Gwyde, angstig voor het leven zijns zoons bekommerd, riep hem smekend toe: "Robrecht, mijn brave zoon, o geef u over om mijnentwille—doet het, ik verzoek het u—Ik beveel het!"

Bij deze woorden, die hij met een vermurwende uitdrukking had gesproken, sloeg hij zijn armen om de hals van Robrecht en zijn aanzicht tegen de borst van zijn zoon drukkende, voelde deze de tranen zijns vaders op zijn hand neervallen. Dan verstond hij de wijdte zijner onbezonnenheid. Zich uit de armen van de Graaf rukkende wierp hij de helmbijl met kracht over de hoofden der wachten tot tegen de wand en riep: "Komt, vervloekte huurlingen! Men vange nu de Leeuw van Vlaanderen. Vreest niet meer, hij levert zich."

In groot getal vielen de soldeniers op hem aan, en namen hem gevangen. Terwijl hij met zijn vader uit de zaal geleid werd, riep hij tot Charles de Valois: "Uw wapens zijn niet besmet. Gij waart en zijt nog de edelste ridder van Frankrijk—uw trouw blijft ongeschonden. Dit zegt de Leeuw van Vlaanderen, dat men het hore!"

De Franse ridders hadden hun degens weder in de schede gestoken, zodra zij bemerkt hadden dat het leven der Vorsten niet bedreigd was. Met de aanhouding der Vlamingen mochten zij zich niet verder bemoeien: dit was een werk dat hun adel zou te kort gedaan hebben.

Er waren in de harten des Konings en der Koningin zeer verschillende gevoelens. Philippe le Bel was droef en betreurde het gevelde vonnis, Johanna integendeel was blijde om de tegenstand van Robrecht. Hij had in de tegenwoordigheid des Konings een zijner dienaars durven wonden: dit was een feit dat haar krachtdadig in haar wraakzuchtige ontwerpen mocht dienen.

De Koning kon zijn ontroering en droefheid niet bedekken en wilde tegen de begeerte zijner trotse gemalin de troon en de zaal verlaten. Hij stond recht en sprak: "Mijne heren, wij betreuren de onstuimigheid dezes verhoors uitermate, en zouden bij deze gelegenheid UEdele liever blijken onzer genade gegeven hebben; maar tot onze grote droefheid heeft dit, in het belang onzer kroon, niet mogen geschieden. Onze koninklijke wil is, dat gij waakt, opdat de rust in ons paleis niet verder gestoord worde."

De Koningin stond ook op en meende met haar gemaal de trappen van de troon af te gaan; maar een nieuwe zwarigheid weerhield hen tegen hun dank.

Charles de Valois had lang in diepe bedenking bij het einde der zaal gestaan. De eerbied en de liefde die hij zijn broeder toegewijd had, vocht lang in hem tegen de spijt dat dit verraad hem baarde. Opeens brak zijn woede los: hij werd wit, rood en blauw in zijn aanzicht, en liep nu als razend voor de Koningin.

"Mevrouw," schreeuwde hij, "gij zult mij niet ongestraft onteren! Luister, Mijne heren; ik spreek voor God, onzer allen rechter: Gij, Johanna van Navarra, zijt het die het Vaderland uitput door uw verkwistingen:—Gij zijt het die het Rijk van mijn edele broeder te schande maakt, Gij zijt de vlek en de hoon van Frankrijk. De onderdanen des Konings hebt Gij door het vervalsen der munten en onbillijke afpersingen ongelukkig gemaakt—En zou ik U nog dienen! Neen, Gij zijt een valse en verraderlijke Vrouw[42]!"

Razend trok hij zijn degen uit de schede, brak hem op zijn knie aan twee, en sloeg de stukken met zoveel geweld tegen de grond dat zij tot op de trappen van de troon terugsprongen.

Johanna was paars van spijt en toorn; haar wezenstrekken hadden niets vrouwelijks meer in zich, zodanig waren dezelve in een helse uitdrukking te samen getrokken: men zou gezegd hebben dat zij door een beroerdheid geslagen was.

"Vangt hem! Vangt hem!" barstte zij uit.

De lijfwachten die nog in de zaal waren, wilden dit gebod volbrengen, en reeds was de Hopman tot bij Mijnheer De Valois genaderd; maar de Koning, die zijn broeder ten hoogste beminde, kon dit niet dulden.

"Wie Mijnheer De Valois aanraakt, zal heden nog sterven!" riep hij.

Op die bedreiging bleven de wachten beweegloos staan. De Valois verliet de zaal zonder hinder, niettegenstaande het geroep der uitzinnige Koningin.

Zo eindigde dit onstuimig toneel:—Gwyde werd te Compiègne gevangen gezet, men voerde Robrecht te Bourges in het land van Berry en zijn broeder Willem te Rouen in Normandië.

De overige Vlaamse heren werden elk in een bijzondere stad gekerkerd; invoege dat zij allen, alleen en zonder elkander te kunnen troosten, in de gevangenis bleven zitten.

Diederik de Vos was de enige die in Vlaanderen terugkeerde; want onder zijn palsrok had men hem niet herkend.

Charles de Valois vertrok met hulp zijner vrienden op staande voet naar Italië en kwam niet weder in Frankrijk dan na de dood van Philippe le Bel, wanneer Louis Hutin de troon beklommen had. Alsdan betichtte hij Enguerrand de Marigny van veel misdaden tegen de staat, en deed hem aan de galg te Montfaucon ophangen. Het is echter een waarheid, dat de dood van die minister meer aan de aanhouding van de Graaf Gwyde, dan aan zijn eigen misdaden te wijten is, en dat Charles de Valois hem deed hangen om zich over dit verraad te wreken.


6

Inhoud
Noten

Arme roosje! pas ontloken,
Eerst sinds dezen morgenstond,
Ligt gy van den stam gebroken,
Reeds vertrappeld op den grond?
Pas geboren, reeds aen 't treuren
Pas in 't bloeyen, reeds vergaen
Arme roosje, met uw kleuren,
Wie heeft u zoo vreed verdaen?

F. De Visser

In die tijd bestonden er in Vlaanderen twee gezindheden die tegen elkander opwilden, en niets spaarden om zich onderling al het mogelijke nadeel toe te brengen. De meeste edelen en bewindhebbers hadden zich in alle gelegenheden voor het Frans Bestuur verklaard, en kregen daarom de naam Leliaards, als zijnde het leliewapen van Frankrijk toegedaan.[43] Waarom zij aldus de vijanden des vaderlands begunstigden, zal bij de volgende rede licht verstaan worden.

Voor enige jaren, hadden de kostbare ridderspelen, de inlandse oorlogen en de verre kruisvaarten de meeste edelheren verarmd. Hierdoor werden zij genoodzaakt hun recht op de steden of heerlijkheden aan de inwoners voor grote sommen te verkopen en hun vrijheden of privilegiën te geven. De steden verarmden zich ogenblikkelijk, maar weldra droeg hun gekochte verlossing de schoonste vruchten. Het lagere volk dat voortijds met lijf en goed de Edelen toehoorde, begreep nu dat het zweet zijns aanschijns niet meer voor onrechtvaardige meesters stroomde: het koos zich Burgemeesters en Raadsheren en vormde een regering waar de Heren des Lands zich niet ten minste mede te bemoeien hadden. De ambachten werkten gezamenlijk voor de algemene welvaart en stelden Dekens aan die het bewind over hun zaken hadden.

Door de gunstigste gastvrijheid aangelokt, kwamen de vreemdelingen uit alle gewesten naar Vlaanderen en de koophandel kreeg een leven, een werkzaamheid die onder het dwingende bestuur der Leenheren onmogelijk was geweest. De nijverheid bloeide, het volk werd rijk, en, trots over zijn zo lang miskende waarde, stond het meer dan eens gewapenderhand tegen zijn voormalige meesters op. De Edelen die hun rechten en goederen hierdoor grotelijks verkort zagen, poogden door list en geweld de groeiende macht der volksgemeenten te verminderen. Dit was hun echter nooit gelukt; want de rijkdommen der steden lieten hun ook toe een leger op de been te brengen, en alzo de bestaande vrijheden te verdedigen en ongeschonden te bewaren. In Frankrijk was het zo niet gesteld. Philippe le Bel had, uit nood van geld, de derde staat, of de lieden der goede steden, wel eens tot de algemene vergadering geroepen; maar dit gaf aan het volk slechts een tijdelijke waarde, die onmiddellijk door de Leenheren werd tenietgedaan.

De overblijvende Edelen, die in Vlaanderen niet veel meer te zeggen hadden, en alleenlijk met iedereen de rechten van eigendom bezaten, betreurden hun verloren macht zeer: het enige middel tot het wederkrijgen derzelve was het omverwerpen der bloeiende gemeenten. Mits de vrijheid in Frankrijk nog niet gestraald had, en dat de beheersing der Leenheren er nog uitsluitend en dwingend was, hoopten zij dat Philippe le Bel de staat van zaken in Vlaanderen ook veranderen zou, en dat zij in hun vorige rechten zouden hersteld worden. Diensvolgens begunstigden zij Frankrijk tegen Vlaanderen en kregen de naam Leliaards als een schandmerk. Dezen waren te Brugge, alsdan met Venetië de rijkste handelsstad der wereld, zeer menigvuldig; zelfs de Burgemeesters en verdere bestuursheren, door Franse invloed benoemd, waren allen Leliaards.

De aanhouding van de Graaf en der trouwgebleven Edellieden werd door hen met blijdschap vernomen; want nu was Vlaanderen ten voordele van Philippe le Bel verbeurd en deze kon diensvolgens de wetten en voorrechten der gemeenten geheel tenietdoen.

Het volk vernam de meinedigheid van het Franse Hof met de grootste verslagenheid: de liefde die het altijd tot zijn Graven gedragen had, werd door medelijden nog heviger en het barstte in gemor tegen die eedverbreking uit. Maar de Franse Krijgsbenden, die overal in menigte lagen, en de onenigheid die onder de Burgers heerste, maakte de oprechte Klauwaards[44] voor die tijd moedeloos.—Philippe le Bel bleef rustig in het bezit van Gwydes erfdeel.

Zodra het droeve nieuws in Vlaanderen aankwam, begaf Maria, de zuster van Adolf van Nieuwland, zich met talrijke dienaren naar Wijnendale, en deed haar gewonde broeder in een draagkoets naar het vaderlijk huis te Brugge overvoeren. De jonge Machteld, die zich nu zo pijnlijk van al haar bloedverwanten gescheurd zag, volgde deze nieuwe vriendin en verliet het slot Wijnendale, hetwelk een Franse bezetting had ontvangen.

Het huis van Nieuwland was in de Spaansestraat te Brugge gelegen. Twee ronde torentjes staken aan beide hoeken van de gevel met hun weerhanen boven het dak, en beheersten al de omstaande gebouwen: twee arduinen pijlers van Griekse bouworde ondersteunden het welfsel dat de poort vormde; boven dezelve stond het schild van Nieuwland met dit afschrift boven de helm: Pulchrum pro patria mori. Aan weerszijden van het schild was een Engel met palmtakken in de hand.

In een kamer, welke diep genoeg gelegen was om voor het onophoudend gerucht der straat bevrijd te zijn, lag de zieke Adolf op een kostelijk bed. Bleek was hij uitermate, en de pijn, welke hem zijn wonde aandeed, had hem zodanig vermagerd, dat hij niet meer kennelijk was. Aan het hoofdeinde der bedstede, op een tafeltje, stond een kleine kruik en een zilveren drinkschaal; aan de wand hing het harnas dat onder de speer van De St.-Pol had gefeild en door hetwelk Adolf zijn wonde had ontvangen. Alles was om hem doods en stil; de vensters halfgesloten zijnde, was het vertrek slechts bij een twijfelachtige schijn verlicht, en niets kon men horen dan de lastige hijgingen des ridders en het gekraak van een zijden kleedsel.

In een hoek der kamer zat Machteld met de hand voor de ogen: tranen lekten in stilte door haar fijne vingers en doffe zuchten ontvlogen haar beklemde borst. De valk, die op de rug van haar stoel zat, scheen aan de droefheid zijner meesteres niet ongevoelig; want hij had zijn hoofd mismoedig tussen de pluimen gestoken en bewoog zich geenszins.

Het jonge meisje, hetwelk voorheen zo gulhartig en zo blijmoedig was dat geen smart haar kon raken, was nu geheel veranderd. De gevangenis van al wat haar duurbaar was, had haar jeugdig hart zo fel geschokt dat alles in haar ogen zwart en duister was geworden. De hemel was voor haar niet meer blauw, de velden niet meer groen—haar dromen waren niet meer van goud-en-zilverdraad doorvlochten. Nu konden droefheid en stille wanhoop alleen de baan tot haar hart vinden: bij het pijnend aandenken der gevangenis haars vaders mocht niets haar troosten.

Na zij aldus enige tijd beweegloos had gezeten, stond zij langzaam op en nam haar valk op de hand. Zij bezag al wenende de vogel, en sprak met zeer zachte stem, terwijl zij van tijd tot tijd de tranen van haar bleke wangen droogde: "O mijn trouwe vogel, treur zo niet: onze heer vader zal haast wederkomen. De boze Koningin van Navarra zal hem geen kwaad doen;—want Mijnheer Sint-Michiel[45] heb ik zo vurig voor hem gebeden. En God is immers rechtvaardig! Treur dan niet meer, mijn lieve havik."

Het meisje weende met warme tranen. Alhoewel haar woorden troostend en vol hoop schenen, was het echter in haar hart zo niet: de diepste droefheid had het benepen. Zij hernam:

"Mijn arme valk, nu moogt gij niet meer in de dalen van het vaderlijke slot ter jacht gaan, want de Fransen wonen in ons schone Wijnendale. Zij hebben onze ongelukkige vader in een kerker gezet en aan zware ketens geboeid. Nu zit hij in het duistere kot zo ellendiglijk te zuchten—en wie weet of de wrede Johanna hem niet zal doen sterven! O mijn lieve vogel, dan sterven wij ook van angst.—De gedachte, de schrikkelijke gedachte alleen, doet mij de krachten ontgaan. O zit daar neer; want mijn bevende hand kan u niet meer dragen ..."

Het wanhopige kind zonk afgemat in de zetel; nochtans werd haar aangezicht niet bleker, want sedert lang waren de rozen op haar wangen verwelkt, en haar oogleden hadden zich bij het gedurig wenen met een rode kleur geverfd. De lieflijkheid harer gelaatstrekken was verdwenen en haar ogen waren zonder vuur of levendigheid.

Lang bleef zij in haar treurgeestigheid verzonken; zij dacht beurtelings aan alles wat haar nog meer in wanhoop mocht dompelen. Dan bracht het duistere aandenken de naarste dromen om haar: zij zag haar rampzalige vader in een vochtige kerker geboeid, hoorde het geratel zijner ketens en de galmen, die in het akelige verblijf zijn pijnlijke zuchten herhaalden. Het vergif, dat men zo dikwijls in Frankrijk gebruikte, speelde ook gedurig in haar verbeelding, en de schriklijkste tonelen dreven afwisselend voor haar ogen. Op deze wijze werd het meisje zonder ophouden gefolterd en tot de dood toe bedroefd.

Een doffe zucht kwam uit de bedstede.

Haastelijk droogde Machteld de tranen van haar wangen en liep met bange zorg tot de zieke. Na zij de drank in de zilveren schaal geschonken had, stak zij haar rechterhand onder het hoofd van Adolf en het wat oplichtende, bracht zij de schaal aan zijn mond.

De ogen des ridders gingen wijd open en hechtten zich met een vreemde uitdrukking op de jonge maagd. Dankbaarheid en liefde heersten in zijn flauwe blikken, en een onuitsprekelijke glimlach liep over zijn bleek gelaat.

Wie Machteld nu gezien had, zou bemerkt hebben dat haar wangen met de levendigste verven gekleurd waren. Zij kon het gezicht van Adolf niet verdragen zonder dat het rood der schaamte op haar voorhoofd klom. Ondanks haar koude droefheid klopte haar hart zo hevig, en het bloed stroomde haar zo krachtig door de aderen dat zij ogenblikkelijk weder de schone Machteld werd. Nu geleek zij een fraaie roos, op welkers zachte bladen de dauwdruppels bij de morgenzon als diamanten glinsteren;—want de tranen van het meisje rolden nog gedurig over haar rijkgekleurde wangen.

De ridder had sedert zijn wonde nog niet verstaanbaar gesproken; zelfs scheen het, dat hij de woorden die men hem toestuurde niet hoorde. Dit was echter niet waar. Wanneer Machteld hem in de eerste dagen zijner ziekte vriendelijk toesprak, met de woorden: "Genees, mijn arme Adolf, mijn lieve Adolf, ik zal voor u bidden; want uw dood zou mij nog ongelukkiger op aarde maken" en meer andere gezegden die zij zonder achterdocht bij zijn bedstede suisde, dan had Adolf dit allemaal wel gehoord en verstaan, alhoewel hem de macht om te spreken ontbrak.

Gedurende de voorbijzijnde nacht was er een merkelijke verbetering in de toestand van Adolf omgegaan. De natuur door de zoete woorden van Machteld geholpen had hem, na lang strijden, een heilzame slaap verleend en uit dezelve meer kracht en leven laten putten. De zucht, die bij zijn ontwaken uit zijn borst opging, was luider en langer dan de ademingen die zijn wonde hem immer had toegelaten.

Zodra Machteld de drinkschaal van zijn mond had weggenomen, verbaasde zij niet weinig; want hij sprak met zwakke doch klare stem: "O edele maagd! O mijn Engelbewaarder!—Ik dank de goede God dat hij mij zo dicht bij het graf gebracht heeft. Ben ik uw zorg waardig, O Edelvrouw, dat uw doorluchtige hand mijn hoofd zo vriendelijk ondersteunt? Wees gebenedijd om uw zorg voor een arme ridder...."

Het meisje beefde bij het horen dezer woorden. De moed begaf haar gans, en wellicht zou deze aandoening haar de spraak benomen hebben, indien andere droeve gedachten dezelve niet hadden verminderd.

"Mijnheer Van Nieuwland," sprak zij de ridder zachtjes toe, "gij hebt uw leven voor mijn vader gewaagd en bijkans verloren; gij bemint hem gelijk ik hem bemin. Betaamt het mij dan niet, u mijn dankbaarheid te betonen en u als een broeder te bezorgen?"

"Ho! Zalig woord!" riep Adolf met al de kracht die hij herkregen had. "Uw broeder? O Jonkvrouw, gij geneest mij met dit enkel woord. Ware mijn lichaam gans doorstoken zou ik echter niet sterven kunnen, nu gij mij uw broeder noemt. Wat hebt gij niet al voor mij gedaan, o doorluchtige dochter van mijn heer? Uw gebeden hebben zo gedurig in mijn oren gezongen, uw troostende stem heeft mij het hart zo menigmaal versterkt.—En het heeft mij in mijn pijnlijke sluimering toegeschenen, dat een Engel Gods de dood van mijn bedstede afkeerde:—een Engel die mij het hoofd ondersteunde, die mijn brandende dorst met medelijden laafde, en mij onophoudelijk verzekerde dat ik niet zou sterven.—Die Engel alleen heeft mij gered, want mijn ziel woonde zo graag dicht bij hem; zij zou het zwakke lichaam voorzeker verlaten hebben, indien de Engel het had verlaten."

Terwijl de ridder dit zegde, staarde hij met liefdesblikken op Machteld. De jonge maagd had de ogen reeds tweemaal opgeheven en weder neergeslagen. In haar hart galmden de tonen van Adolf met een onbegrijpelijke toverkracht; want zij hijgde snellijk en scheen bij een hevige zielsstrijd te lijden.

"Mijnheer Adolf, zwijg om Gods wil," riep zij. "Gij zult u schade doen. Meester Rogaert heeft gezegd dat men in uw kamer niet spreken mag. De engel die gij gezien hebt, was Mijnheer Sint-Michiel, die ik voor u gebeden heb, opdat hij u kwam bijstaan."

"Ja," antwoordde Adolf, "ik geloof dat het een geest des hemels was; maar nu heeft dit zalig verschijnsel mij nog niet begeven. Gij, o edele Machteld—gij zijt het die mijn ziel wederhouden hebt—uw stem heb ik gehoord: uw hand was het die mijn hoofd oplichtte; gij hebt mij gelaafd en getroost. Ho, gij weet niet wat dankbaarheid voor u in mijn hart gegroeid is! Zo geve God mij eenmaal de gezonde uren weder, opdat ik uw hoge goedheid erkennen moge."

"Och God!" riep Machteld. "Leg uw hoofd neer, Mijnheer, ik bid u, spreek niet meer, want ik mag u niet aanhoren. Ik ga haastelijk uw goede zuster Maria halen, dat zij zich met mij over uw betering verblijde."

Zij verliet de ridder en kwam enige ogenblikken daarna, door Maria vergezeld, in de kamer terug. Door het bijzijn harer vriendin versterkt, was zij zo beschaamd niet meer; echter bleef het rood op haar wangen. De blijdschap, welke zij over de gunstiger toestand van Adolf gevoelde, was tegen haar dank, op haar wezenstrekken en in haar ganse houding zichtbaar. Sneller en onrustiger waren haar bewegingen: haar tranen vloeiden niet meer, en de trouwe vogel kreeg weder vrolijker woorden.

Zodra zij met Maria in de kamer gekomen was, had zij de valk van de stoel op haar hand genomen en was met hem bij het bed van Adolf genaderd.

"Mijn waarde broeder," riep Maria, hem een zoen op zijn bleke wang gevende, "gij geneest! Nu zullen die nare dromen mij verlaten. Ho, ik ben zo blijde! Hoe dikwijls heb ik bij uw bedstede, met bitter hartzeer geweend—hoe dikwijls heb ik gedacht dat gij sterven gingt!—Maar nu verdwijnt mijn droefheid. Wilt gij drinken, mijn broeder?"

"Neen, mijn goede Maria," antwoordde Adolf, "ik heb nooit in mijn ziekte dorst geleden—die edelmoedige Machteld heeft mij zo zorgelijk gelaafd! Zo zal ook, de eerste maal dat ik naar Sint-Kruis[46] mag gaan, mijn gebed de zegen Gods over haar roepen, opdat nooit ramp haar moge raken."

Terwijl hij dit zegde, was Machteld bezig met haar valk de blijde verbetering in het oor te praten. De vogel die zijn meesteres zo vrolijk zag, schudde zijn vederen alsof hij zich tot de jacht bereiden moest.

"Zie, mijn trouwe vogel," riep het meisje, terwijl zij de valk met het hoofd naar Adolf keerde, "zie, nu geneest Mijnheer Van Nieuwland, die wij zo lang sprakeloos hebben zien liggen. Nu mogen wij weder tezamen spreken, en nu zullen wij niet altijd zo in het duister zitten. Thans verdwijnt onze vrees en zo zullen misschien onze andere droefheden ook verdwijnen: want nu ziet gij wel dat God goed en rechtvaardig is. Ja, mijn schone havik, zo eindigt ook eenmaal de bittere gevangenis van......"

Hier gevoelde Machteld dat zij iets zeggen ging dat de zieke ridder niet weten mocht. Hoe kort zij haar rede ook afbrak, klonk het woord gevangenis echter zeer vreemd in de oren van Adolf. De tranen, die hij bij zijn ontwaken op 's meisjes wangen bemerkt had, gaven hem een angstig voorgevoel.

"Wat zegt gij, Machteld?" riep hij. "De gevangenis van wie? Gij weent! Hemel! Wat zou er u gebeurd zijn?"

Machteld dorst niet antwoorden; maar Maria, die met meer voorzichtigheid begaafd was, bracht haar mond aan zijn oor en suisde: "De gevangenis van Philippa, haar moei—spreekt er haar niet meer van; want zij weent geduriglijk. Nu gij beter zijt, zal ik straks, indien Meester Rogaert het toelaat, met u over gewichtige zaken handelen; maar de jonge Vrouw mag ons niet horen; ook verwacht ik Meester Rogaert. Nu hou u stil, mijn broeder, ik zal Machteld in een andere kamer leiden."

De ridder plaatste zijn hoofd op het kussen en veinsde te rusten. Hierop keerde Maria zich tot Machteld en sprak: "Mevrouw, het gelieve u met mij te gaan; want Mijnheer Adolf wil wat slapen: zijn dankbaarheid voor u doet hem te veel spreken."

Daar het meisje niet beter wenste dan de kamer te verlaten, mits zij niet meer alleen met Adolf dorst blijven, volgde zij gewillig haar vriendin.

Een weinig hierna kwam de wondheler Rogaert aan de deur en werd door Maria bij haar broeder geleid.

"Wel, Mijnheer Adolf," riep Rogaert, terwijl hij hem de hand vatte, "het gaat goed, zie ik. Nu alle vrees ter zijde—wij zijn gered. Het is niet nodig dat ik uw wonde op dit ogenblik verbinde. Drink maar overvloedig van dit water, en hou u zo beweegloos als gij kunt. In min dan een maand zullen wij te samen een wandeling doen. Dit is mijn gissing, nochtans kunnen onvoorziene toevallen ons verachteren. Dewijl uw geest niet zo krank is als uw lichaam, laat ik toe dat Jonkvrouw Maria u van de droeve gebeurtenis kennis geve; maar ik bid u, Mijnheer Adolf, ontstel u niet te zeer en wees steeds bedaard."

Maria had reeds twee stoelen bijgetrokken: zij plaatste zich met meester Rogaert bij het hoofdeinde neer. De zieke ridder bezag hen met de grootste nieuwsgierigheid, en merkbaar was het op zijn gelaat dat hij zich reeds bij vooruitzicht bedroefde.

"Laat mij tot het einde spreken," ving Maria aan, "breekt mijn rede niet af, en hou u kloek, mijn broeder. In de avond die u zo noodlottig was, riep onze Graaf zijn getrouwe Leenheren bijeen en verklaarde hun dat hij naar Frankrijk reizen wilde, om de Koning Philippe le Bel te voet te vallen. Het werd alzo besloten, en Gwyde van Vlaanderen vertrok met de Edelen naar Compiègne: maar daar gekomen zijnde werden zij allen in hechtenis genomen, en nu is ons Land onder Frans bestuur: Raoul de Nesle beheerst Vlaanderen.....[47]"

De aandoening welke de ridder bij dit kort verhaal beving, was zo hevig niet als men zou verwacht hebben. Zonder te antwoorden scheen hij in een diepe bedenking verzonken.

"Is dit niet ongelukkig?" vroeg Maria.

"O grote God!" galmde Adolf uit. "Welke zoete zaligheid bewaart gij dan voor Gwyde, dat hij zoveel verzoekingen op deze wereld moet doorstaan!—Maar zeg mij, Maria, is de Leeuw van Vlaanderen ook gevangen?"

"Ja, mijn broeder, Mijnheer Robrecht van Bethune zit te Bourges in Berry gevangen, en Mijnheer Willem te Rouen. Van al de Edelen die met u bij de Graaf waren, is er slechts één dit droevig lot ontkomen—en dit is geen andere dan de listige Diederik."

"Nu begrijp ik het afgebroken woord en de tranen der ongelukkige Machteld.—Zonder vader, zonder huisgezin, moet de dochter der Graven van Vlaanderen bij vreemden om onderstand zoeken!—Hoe pijnlijk o God! wordt mijn wonde nu—hoe onverdraaglijk dit ledikant! Mijn waarde vriend Rogaert, och genees mij toch ras om Gods wil—dat ik ook iets doe voor diegene welke mij zo liefderijk in mijn ziekte heeft bewaakt. Spaar geen geld, gebruik de kostelijkste kruiden, de edelste gesteenten opdat ik uit het bed komen moge;—want nu is er geen rust meer voor mij!"

"Maar Mijnheer Van Nieuwland," antwoordde Rogaert, "het is niet mogelijk de heling uwer wonde te verhaasten: de natuur moet immers tijd hebben om de gekwetste delen weder te verenigen. Geduld en rust zullen u beter helpen dan kruiden en gesteenten.—Maar dit is niet alles wat wij u zeggen wilden. Weet dan dat de Fransen overal meester zijn, en dat zij hoe langer hoe stouter worden. Tot hier toe hebben wij de jonge Machteld aan hun kennis onttrokken; maar wij vrezen dat zij wel eens zal ontdekt worden; en het is denkelijk dat die arme Jonkvrouw dan ook aan Johanna van Navarra zal worden overgeleverd."

"O God!" riep Adolf uit. "Gij hebt gelijk, Meester Rogaert, zij zullen haar niet sparen. Maar wat zullen wij doen?—Hoe rampzalig lig ik hier nu uitgestrekt, terwijl zij mijn hulp nodig heeft....."

"Ik weet een plaats," hernam Rogaert, "waar Machteld in veiligheid zijn zou."

"Ho, gij redt mij uit de wanhoop! Noem toch ras deze plaats?"

"Dunkt het u niet, Adolf, dat zij in het land van Gulik[48] bij haar neef Willem in alle gerustheid zou kunnen verblijven?"

De ridder verschrikte zichtbaar bij deze vraag. Zou Machteld in een ander land een schuilplaats zoeken en hem verlaten! Dit gedacht beneep zijn hart met knellend wee; terwijl spande hij al zijn zielsvermogen in om een ander middel te vinden, dat haar zozeer van hem niet zou verwijderen. Wanneer hij hetzelve meende gevonden te hebben, liep er een zoete uitdrukking over zijn aanzicht en hij antwoordde: "Waarlijk, Meester Rogaert, dit verblijf zou ten hoogste gunstig zijn; maar volgens uw gezegde zijn de Franse benden over gans Vlaanderen verspreid; derhalve schijnt het mij zeer gevaarlijk voor een vrouw, deze reis aan te nemen. Een geleide mag haar niet vergezellen; want dit ware nog erger.—En zou ik Jonkvrouw Machteld alleen met enige dienaren laten gaan? Ho neen! Ik moet ze zozeer als mijn zaligheid bewaken; want Robrecht van Bethune zal mij eens zijn dochter wedereisen."

"Maar, Mijnheer Adolf, laat mij toe u te zeggen, dat gij de Jonkvrouw nog meer blootstelt, indien gij ze in Vlaanderen houdt. Want wie toch zal haar beschermen? Gij niet—gij kunt niet. De heren der stad zullen het ook niet doen, zij zijn aan Frankrijk te zeer onderworpen. Wat zou de arme Edelvrouw dan geworden indien zij door de Fransen ontdekt werd?"

"Ik heb haar beschermer reeds gevonden," antwoordde Adolf.—"Maria, wilt gij een knecht naar de Deken der wolwevers zenden dat hij mij kome bezoeken? Meester Rogaert, ik ben voornemens onze jonge Edelvrouw onder de bescherming der Gemeente te stellen.—Denkt gij niet dat dit een goede ingeving zij?"

"O ja, dit is geen slecht gedacht; maar het zal u niet gelukken, want het volk is op al wat zich edel noemt zeer verstoord: zij willen er geenszins van horen.—En waarlijk, Mijnheer Adolf, zij hebben geen ongelijk; want de meeste Edellieden spannen met onze vijanden aan en willen de rechten der gemeente tenietdoen."

"Dit kan mij in mijn voornemen niet storen, wees daarvan zeker, meester Rogaert, Mijn vader heeft der stad Brugge veel voorrechten door zijn tussenspraak verkregen; en dit heeft de Deken der wevers niet vergeten of zijn gezellen ook niet. Zo echter mijn pogingen niet gelukten, zouden wij een veilig middel zoeken, om de Jonkvrouw naar het Land van Gulik te doen vervoeren."

Nadat zij ruim een half uur over dit onderwerp gesproken hadden, kwam meester Deconinck, Hoofddeken der wolwevers, in de kamer van Adolf.

Een kolder van bruin wollen laken hing hem van de hals tot aan de voeten; dit kleedsel zonder sieraad of boordsels verschilde oneindig van de fraaie kleding der Edelen. Merkbaar was het dat de Deken der wevers, met inzicht, alle zwier verworpen had, om zijn lage staat aan te tonen, en alzo hoogmoed tegen hoogmoed te stellen;—want die wollen kolder dekte de machtigste man van Vlaanderen. Op zijn hoofd droeg hij een platte muts waaronder zijn haren een halve voet lang over zijn oren hingen. Een gordel bracht de wijde vouwen van de kolder om zijn lenden en het gevest van een kruismes blonk aan zijn zijde. Daar hij een oog verloren had, waren zijn wezenstrekken niet zeer aangenaam. Een bovenmatige bleekheid, benige wangen en diepe rimpels op zijn voorhoofd, gaven aan zijn gelaat een diepzinnig voorkomen. Gewoonlijk kon men in hem niets bespeuren dat hem van anderen mocht onderscheiden; maar zodra iets hem meer bekommerde of belangde, werd zijn blik doordringend en levendig: dan schoten stralen van vernuft en manlijkheid uit het oog dat hem overig was, en zijn houding werd trots en groots. Bij zijn inkomen bezag hij als een wantrouwende vos, de personen die in de kamer waren, en wel bijzonderlijk Meester Rogaert; want hij bemerkte in hem meer listigheid dan in de anderen.

"Meester Deconinck," sprak Adolf, "gelief mij te naderen, ik heb u iets te verzoeken, dat gij mij niet weigeren zult, indien mijn hoop op u gegrond is.—Maar gij moet mij eerst beloven dat gij het geheim, hetwelk ik u ga vertrouwen, aan niemand zult ontdekken."

"De rechtvaardigheid en de gunsten des Heren Van Nieuwland zijn onder de wolwevers nog niet vergeten," antwoordde Deconinck, "diensvolgens mag UEdele op mij als op een dankbare dienaar rekenen. Nochtans, Mijnheer, indien uw verzoek met de rechten des volks en der Gemeente strijdig is, zou ik u raden het geheim te bewaren en mij niets te vragen."

"Sedert wanneer," riep Adolf enigszins verstoord, "sedert wanneer, Meester, hebben de Heren Van Nieuwland uw rechten verkort? Die taal hoont mij!"

"Verschoon mij, Mijnheer, indien mijn woorden u gehoond hebben," antwoordde de Deken, "het is zo moeilijk de goeden uit de kwaden te kennen, dat men zich met recht van allen mistrouwt. Veroorloof mij u een woord te vragen, opdat alle twijfel in mij verdwijne: is UEdele een Leliaard?"

"Zo straffe mij de Heer met ongeneeslijkheid," riep Adolf, "neen, meester Deconinck, in mij klopt een hart dat de Fransen in het geheel niet gunstig is; want het verzoek dat ik u wilde doen, was juist tegen hen."

"O spreek dan vrijelijk, Mijnheer, ik ben dienstvaardig."

"Welnu, gij weet dat onze Graaf Gwyde met al zijn Edelen gevangen is; maar er is iemand in Vlaanderen gebleven die nu van alle hulp en bijstand beroofd, het medelijden der Vlamingen om haar rampspoed en doorluchtigheid verdient."

"Gij spreekt van Jonkvrouw Machteld, de dochter van Mijnheer Van Bethune," viel Deconinck in.

"Hoe weet gij dit?" vroeg Adolf verbaasd.

"Nog meer weet ik, Mijnheer, gij hebt Machteld zo geheimlijk niet in uw woning kunnen brengen dat Deconinck het niet geweten heeft, en zij zou dezelve zonder mijn kennis niet verlaten hebben. Stel u echter gerust; want ik mag UEdele verzekeren dat weinig personen in Brugge dit geheim met mij bewust zijn."

"Gij zijt wonderlijk, meester. Uw edelmoedigheid verzekert mij dat gij deze jonge dochter van de Leeuw van Vlaanderen tegen het geweld der Fransen zoudt beschermen, indien het nodig ware."

Deconinck was een man uit het volk geboren; maar een dier zeldzame zielen, die met verstand en vernuft begaafd, als beheersers hunner tijdgenoten ter wereld komen. Zodra de jaren zijn bekwaamheden rijp gemaakt hadden, riep hij zijn broederen uit hun slaafse sluimering, deed hun de macht der samenspanningen begrijpen en stond met hen tegen de dwingelanden op. Dezen wilden die ontwaking hunner voormalige slaven met geweld tegengaan; maar het was hun onmogelijk: Deconinck had door zijn welsprekendheid de harten zijner broederen zo groot gemaakt dat zij geen juk meer konden dragen. Wanneer zij echter somtijds door de wapenen overrompeld werden, bogen zij allen gehoorzamelijk de nek, en Deconinck veinsde tijdelijk alsof hem de spraak of het verstand ontgaan ware; maar dan sliep de vos toch niet, want nadat hij de moed zijner broederen weder in stilte had verstaald, wierpen zij zich tegelijk tegen de beheersers op, en de Gemeente raakte telkenmaal haar banden kwijt. Al de staatkundige ontwerpen der Edellieden vergingen in rook tegen het vernuft van Deconinck, en zij zagen zich door hem al hun rechten op het volk ontroven, zonder dat zij zulks konden beletten. Met waarheid mag men zeggen, dat Deconinck een der grootste hervormers van de staatkundige betrekkingen tussen de Edelen en de Gemeenten was; ook bestonden de dromen van deze beroemde man alleenlijk in de grootmaking eens volks, dat zo lang in de duistere slavernij der Leenheren had gelegen.