9

Inhoud

Gelyk een rots uit d'afgronds kolken,
Te midden van d'ontembren vloed,
Haer trotsche kruin beurt door de wolken
Wyl stormen breken aen haer voet;
Zoo zag m' u fier het hoofd verheffen,
Ten spyt van 't onbedwingbaer lot.

F. De Vos

Des anderendaags voor zonsopgang, stond Jan van Gistel met de Leliaren, in vol harnas, op de Groenselmarkt: een driehonderdtal ruiters en gewapende dienaars waren er vergaderd. Het grootste stilzwijgen heerste in dit kleine leger; want om in hun aanslag te gelukken, mochten zij de Burgers van Brugge niet wekken. Zij wachtten geduldig de eerste stralen der morgenzon af, om het volk te overvallen en alle wapens uit de huisgezinnen weg te nemen; vervolgens zouden zij Deconinck en Breydel om hun oproerigheid doen hangen, en de ambachten tot onderwerping dwingen. Voorzeker wisten zij dat dit het leven van menig Burger kosten zou; doch zij, die zich alleen de naam van mens toekenden, bekommerden zich weinig om het leed dat zij het Grauw konden toebrengen. Ongelukkiglijk voor hen, had de vernuftige Deconinck hun geheim ontdekt, en zich tot de strijd gereedgemaakt.

Op hetzelfde ogenblik en met dezelfde stilte stonden de wevers en beenhouwers, met enige andere ambachtsgezellen in de Vlaamsestraat. Deconinck en Breydel wandelden alleen op een kleine afstand der scharen, en vormden het ontwerp volgens hetwelk zij wilden te werk gaan. Terwijl de wevers en beenhouwers op de Leliaards zouden aanvallen, moesten de overige gezellen zich van de stadspoorten meester maken, en dezelve gesloten houden, opdat de vijand geen hulp van buiten krege.

Een weinig na dit alzo besloten was, klepte de morgenklok op de St.-Donaaskerk, en de stappen der paarden van Jan van Gistel weergalmden in de verte; hierop bewogen zich de scharen der ambachten en togen met de grootste stilte op de Leliaards aan. Het was juist op de Markt dat de twee vijandlijke benden elkaar in het gezicht kregen; want de Fransgezinden kwamen even uit de Breydelstraat, terwijl de ambachten nog in de Vlaamsestraat waren. Groot was de verbaasdheid der Leliaards, wanneer zij bemerkten dat hun geheim ontdekt was.

Daarom zagen zij echter van hun ontwerp niet af, want zij waren ridders en moedige mannen.

Weldra hief de krijgsbazuin haar vervoerende klanken aan, en de paarden vlogen met hun ruiters tegen de nog in de Vlaamsestraat benepen burgers. De gevelde speren der Leliaards ontmoetten de Goedendags der wevers die beweegloos de schok afwachtten. Hoe groot ook de moed en de behendigheid der ambachtslieden was, konden zij echter uit oorzaak hunner slechte standplaats, het geweld van die felle aanval niet wederstaan. Vijf uit het eerste gelid vielen dood of gewond ter aarde, en gaven hierdoor aan de ruiters het middel om de slagorde te breken; drie scharen weken achteruit en de Leliaards, die zich reeds meester van het slagveld gisten, hieven de schreeuw: "Montjoie St.-Denis! Frankrijk! Frankrijk!" in zegepralende galmen aan. Zij staken en hakten links en rechts op de wevers, en bezaaiden de plaats waar zij stonden met de lijken der burgers. Deconinck, die vooraan was, weerde zich dapper met een lange Goedendag en belette voor enige tijd de verstrooiing der eerste gelederen. Dezen hadden alleen de ganse macht der Fransgezinden te bevechten; want mits zij in de straten gesloten waren, konden de achterste gelederen niet in de strijd komen. De woorden en voorbeelden van de Deken bezwoeren het lot niet lang: de Leliaards vielen met nieuwe kracht tegen zijn voorste benden, en dreven dezelve verward op elkander.

Dit was zo spoedig voorgevallen dat er reeds veel gesneuveld waren eer Jan Breydel, die met zijn ambacht in het diepe der straat stond, het gevecht kon bemerken. Een beweging, op bevel van Deconinck uitgevoerd, deed de gelederen opengaan, en stelde hem de toestand en het gevaar der wevers voor ogen. Hij brulde enige onverstaanbare woorden met hese stem, en zich tot zijn mannen kerende riep hij: "Vooruit, Macecliers! Vooruit!"

Als razend vloog hij dwars door de wevers heen en liep met al zijn mannen tegen de ruiters op. De eerste slag zijner bijl ging door de neusplaat en het hoofd van een paard, en zijn tweede slag velde de ruiter voor zijn voeten: in een ogenblik trapte hij op vier lijken, en ging verwoed in het strijden voort; wanneer hij zelf een geringe wonde aan de linkerarm kreeg.

Het zien van zijn eigen bloed maakte hem uitzinnig: schuim kwam op zijn mond, en de ridder, die hem gewond had, met een vluchtige blik aanziende, wierp hij zijn bijl weg; zich dan onder de speer van zijn vijand bukkende sprong hij met razende furie tegen het paard op en klampte zich vast aan het lichaam van de Leliaard. Hoe sterk deze ook in de zadel zat, moest hij echter voor het geweld van de dolle Breydel zwichten, en viel, uit de zadel gerukt, op de grond. Terwijl de Deken der beenhouwers bezig was met zijn wraak op hem te verzadigen, waren zijn makkers en de overige ambachtslieden tegelijk op de schaar der Fransgezinden gevallen, en hadden er veel onder de voet gehaald. Mits de strijdenden lang op dezelfde plaats bleven vechten, waren de lijken van mensen en paarden dicht gezaaid, en stromen bloeds verfden de straat met donkerrood.

Nu kon niets meer het geweld der ambachten tegenstand bieden; want daar de Leliaards achteruit geweken waren, hadden hun vijanden al vechtende zich op de Markt kunnen uitspreiden. Het was zichtbaar dat zij al de ruiters in een kring zochten te vangen, en in dit inzicht hun rechtervleugel tot tegen de Eiermarkt deden strekken. Weldra draaiden de overwonnen ridders hun paarden om, en vluchtten snellijk om het doodsgevaar te ontkomen. De wevers en beenhouwers liepen hen met zegepralend geschreeuw na, doch konden hen met meer achterhalen, dewijl zij op al te goede paarden gezeten waren.

Bij de klank der bazuinen en het gerucht van de strijd was de gehele stad in rep en roer geraakt, alles was weldra te been.

Duizenden gewapende burgers kwamen uit alle straten toegelopen om hun broederen te helpen; doch de zege was reeds bevochten. De Leliaards op de Burcht gevlucht zijnde, werd deze plaats ten allen kanten door de ambachtsgezellen omsingeld en bewaard.

Terwijl dit bij de Markt aldus gebeurde, berende de Landvoogd De Chatillon de oproerige stad met vijfhonderd Franse ruiters. Hij had wel voorzien dat de Bruggelingen, volgens hun oude gewoonte, de poorten zouden gesloten hebben, en had zich derhalve ook tot het verijdelen van die hinderpaal bereid gemaakt. Zijn broeder, Guy de St.-Pol, moest hem een talrijk voetvolk en de nodige werktuigen tot de bestorming aanbrengen. In afwachting dezer hulp vormde hij reeds het ontwerp der stormloping, en bespiedde de zwakste zijde der stad.

Alhoewel hij slechts weinig volk op de wallen zag, vond hij het evenwel niet raadzaam met ruiters alleen iets te ondernemen, want hij wist wat een ontembaar volk in Brugge woonde. Een halfuur na zijn aankomst verscheen de stoet van De St.-Pol in de verte: de punten der speren en de helmbijlen blonken in het verschiet tegen de eerste stralen der zon, en een ondoordringbaar stof bedekte de paarden die de werktuigen in de baan voorttrokken.

De weinige Bruggelingen, welke de poort en de wallen bewaarden, zagen dit talrijk gevaarte niet zonder angst naderen. Wanneer zij de zware balken en stormtuigen zagen aanbrengen, kregen zij een bang voorgevoel. In weinig ogenblikken liep de droeve mare rond de stad, en de harten der vrouwen benepen zich met schrik en wee. De gewapende ambachtslieden waren nog om de Burcht geschaard, wanneer de tijding van het aankomend stormleger hen in hun werking verraste. Na enige gezellen ter plaatse gelaten te hebben, om de uitval der verschanste Leliaards te beletten, liepen zij met allerhaast naar de vesten en verdeelden zich op de bedreigde muren. Niet zonder voor hun geboortestad te duchten, zagen zij dat de Franse soldeniers reeds bezig waren met het ineenvoegen der balken die tot schrikverwekkende werktuigen moesten opklimmen.

De belegeraars werkten op een ruime afstand der muren en waren niet onder het bereik der pijlen die hun uit de stad konden toegezonden worden: zij gingen gerust in hun voorbereidsels voort, terwijl De Chatillon met zijn ruiters elke uitval der Burgers belette. Het duurde niet lang of hoge torens met valbruggen verhieven zich in het leger der Fransen; stormrammen en springalen waren ook bijkans veerdig, en alles voorspelde de Bruggelingen een akelig lot.

Hoe groot het gevaar ook was, kon men op de aanzichten der ambachtslieden toch geen laffe vrees herkennen; zij hechtten de ogen stijf en beweegloos op de vijand, hun boezems klopten zeer, en hun adem werd kort: dit was de eerste aandoening, die hen bij het gezicht van het dreigend leger trof. Welhaast, en zonder dat zij de ogen van de vijand gewend hadden, stroomde het bloed vrijer in hun aderen, een manlijk vuur glimde op hun wangen, en ieder Burger voelde de vervoering der wraakzucht en des heldentoorns in zijn hart blaken.

Een enig man stond blij en vrolijk op de wal: het scheen bij zijn onrustige bewegingen en bij de glimlach van genoegen, die over zijn gelaat liep, dat hij een gelukkig uur zag naken. Bijwijlen bracht hij zijn vlammend oog van de vijand op de slachtbijl die in zijn sterke mannenvuist flikkerde, en streelde het moordstaal met meer liefde, dan of hij zich op de zachte boezem zijner bruid had verlustigd.—Die man was de onversaagde Jan Breydel.

De Dekens der ambachten kwamen allen bij Deconinck en bleven stilzwijgend op zijn raad of zijn bevelen wachten. Volgens zijn gewoonte bedacht de Deken der wevers zich lange tijd, en blikte mijmerend op het Franse leger. Deze langdurigheid viel de onrustige Breydel zeer lastig; hij riep met ongeduld: "Nu dan, meester Deconinck, wat beveelt gij? Zullen wij ter poorte uitlopen om die Franse snakkers op het lijf te vallen, of zullen wij ze op onze wallen doodslaan?"

De Deken der wevers antwoordde niet; hij bleef nog in diep gepeins op de vijandlijke werken staren, en telde nauwkeuriglijk de grote stormtuigen die in menigte gebouwd werden.

Alhoewel de omstaande ambachtslieden op zijn gelaat de voortekens zijner woorden poogden te lezen, konden zij niet dan koude bedenking er op vinden. In het hart van Deconinck was wel zoveel rust en koelheid, maar minder hoop op geluk: hij begreep dat het onmogelijk was het geweld der vijanden te wederstaan; want de reuzenstaltige springalen en hoge torens gaven de Fransen te veel voordeel op de Burgers, die van zulk oorlogstuig niet voorzien waren. Wanneer hij zich ten volle overtuigd had dat de stad, indien zij bestormd werd, door het vuur en het zwaard zou vernield worden, besloot hij een droef middel te gebruiken, en zich tot de Dekens kerende, sprak hij langzaam: "Makkers, de nood is dwingend! Onze stad, de bloem van Vlaanderen is verkocht geweest, en wij hebben het niet geweten. In deze toestand kan de voorzichtigheid alleen ons behulpzaam zijn; hoezeer de opoffering uwer edele gevoelens u ook pijnen moet, bid ik u, wel te bedenken dat, zo loffelijk als de held is die zijn bloed voor de rechten zijner medeburgers stort, zo onwijs is ook de roekeloze die zijn Vaderland door vermetelheid in gevaar stelt. Hier helpt geen strijden..."

"Wat! Wat?" viel Jan Breydel uit. "Hier helpt geen strijden! Wie duivel geeft u deze woorden in?"

"De voorzichtigheid en de liefde tot mijn geboortestad," antwoordde Deconinck. "Wij mogen als Vlamingen, op de rokende puinen onzer stad met het wapen in de hand sterven; wij kunnen tussen de bloedige lijken onzer broeders juichend neerzinken—wij zijn mannen. Maar onze vrouwen—onze kinderen; zouden wij die weerloos en verlaten aan de wulpsheid en wraakzucht onzer vijanden overleveren? Neen, de moed is de man tot de bewaarnis zijner zwakkere medemensen geschonken ... Wij moeten de stad overgeven!"

Even alsof een pletterende donder tussen hen nederviel, verschrikten de omstaanders op dit gezegde, en bezagen de Deken met nijdige toorn, dit scheen hun een honende laster: zij riepen tegelijk en met de grootste verbaasdheid: "De stad overgeven!—Wij?"

Deconinck bleef koel voor hun verwijtende blikken en antwoordde: "Ja makkers, hoezeer dit ook aan uw vrije harten mishaagt, is dit echter de laatste toevlucht die ons overblijft, om onze stad van de verwoesting te redden."

Jan Breydel had, gedurende deze woorden, met bitsig ongenoegen geraasd en getierd. Wanneer hij bemerkte dat er reeds velen der Dekens wankelden en tot de onderwerping overhelden, kwam hij driftig vooruit en riep: "De eerste van Ulieden, die nog van overgeven durft spreken, die strek ik als een verrader voor mijn voeten! Ik sterf liever lachend op het lijk eens vijands dan een eerloos leven te behouden. Wat denkt gij dan—dat mijne Macecliers alzo voor het gevaar beven? Neen, ziet ze daar met hun opgestroopte mouwen; het hart klopt hun zo fel, zij hijgen zo onrustig naar de slachterij! En zal ik hun zeggen, geeft de stad over? Ho, die taal verstaan zij niet. Ik zeg het u, bij Mijnheer Sint-Jan! Wij bewaren onze vaderstad en wie bang is, ga naar huis bij de vrouwen en kinderen. De hand die de poort opent, zal nimmermeer weder opgeheven worden, mijn bijl zal over die lafheid recht doen!"

Vol woede liep hij naar zijn beenhouwers, en wandelde met snelle tred voor de scharen van het ambacht. "De stad overgeven! Wij de stad overgeven?" herhaalde hij menigmaal met een uitdrukking van toorn en verachting.

Enige der aanleiders van het ambacht hadden dit gehoord en vroegen hem met verbaasdheid wat hij zeggen wilde. Dan barstte hij uit: "De Hemel zij ons genadig, o mannen! Mijn bloed kookt dat de aderen mij gespannen staan.—Ho laster! Onverdraaglijke laster! Ja, de wevers willen de stad aan de snakkers overgeven. Maar ik beroep u, broederen, blijft met mij—en wij zullen allen als echte Vlamingen sterven. Beziet de grond die uw voeten raakt,—daar sneuvelden de Macecliers, onze vaderen! Zegt nu, dit is mijn graf! Ja dit zij ons graf en dat der Fransen. Onze dood blijft de laffe wevers een eeuwige schande. Wie geen beenhouwershart heeft, mag naar huis gaan.—Laat horen, wie strijdt met mij tot de dood?"

De stemmen der beenhouwers mengden zich in een aaklig gehuil, en driemaal verlengde zich het holle woord "dood!" Als de zucht die uit de boezem van de zwangere afgrond opstijgt. "Tot de dood!" was de roep welke uit zevenhonderd gloeiende borsten opklom, en die bloedige eed versmoorde tussen het naar gekrijs der slachtbijlen welke op de stalen priem werden geslepen.

Onderwijl hadden de meeste Dekens, door Deconinck overtuigd, het droeve middel als heilzaam aangenomen, en zouden de stad wel gaarne overgegeven hebben; maar nu was dit door Breydels tegenkanting onmogelijk geworden. Op het gezicht der schrikkelijke stormtuigen die in menigte boven het vijandlijk leger oprezen, besloten zij, in weerwil van de Deken der beenhouwers, met de vijand in onderhandeling te treden.

Maar de onrustige Breydel bemerkte hun inzicht. Als een gewonde leeuw brulde hij van woede in onverstaanbare woorden en liep alzo naar Deconinck. De beenhouwers, die de toorn van hun Deken verstaan hadden, volgden hem in wanorde en van wraaklust vol.

"Sla dood! Sla dood!" huilden de scharen als razend. "Sla dood de verrader Deconinck! Deconinck!!"

Het leven van de Deken der wevers was in groot gevaar; echter zag hij deze woedende menigte op zich aankomen zonder de minste ontsteltenis op zijn wezenstrekken te laten blijken. Gelijk iemand die met medelijden op zinnelozen nederziet, vouwde hij de armen op de borst en staarde koud en als onverschillig op de aankomende beenhouwers. Te midden uit de golvende scharen steeg de schrikverwekkende roep: "Slaat hem dood, de verrader!" Gedurig met meer bitsigheid—en reeds was de bijl niet ver meer van de schedel des groten mans. Hij stond onwrikbaar, als een reuzeneik die het geweld der orkanen tart, en van het bolwerk waarop hij zich had geplaatst, beheerste hij de menigte als een Rechter.

Op dit ogenblik liep een vreemde uitdrukking over het gelaat van Breydel. Men zou gezegd hebben dat hij eensklaps van gevoel was beroofd; want de bijl hing onachtzaam nevens zijn zijde. Hij bewonderde de grootheid van de man wiens raad hij wilde bestrijden; dit duurde niet langer dan het vluchtend gedacht der mensen. Eensklaps bemerkte hij het gevaar van zijn vriend, hij wierp de beenhouwer, die zijn bijl reeds boven het hoofd van Deconinck had geheven, voor zijn voeten op de grond, en schreeuwde: "Houdt op, mannen! Houdt op!"

Men luisterde in den eerste niet naar dit bevel, want in deze verwarring van moordkreten was het niet mogelijk de stem van iemand te herkennen. Breydel plaatste zich dreigend voor de Deken der wolwevers, en zwaaide als een vervoerde met zijn bijl in het rond. Dan eerst verstonden zijn makkers dat hij Deconinck wilde beschermen: zij lieten de wapens neergaan en bleven met dreigende morringen op de uitkomst wachten.

Terwijl Breydel bezig was met hen tot bedaren te brengen, kwam er een wapenbode uit het Frans leger tot aan de voet van de muur boven dewelke deze beroerte plaatshad. De aandacht der woelige Bruggelingen werd hierdoor ogenblikkelijk van Deconinck getrokken en tot de wapenbode gewend. Deze riep de belegerden aldus toe: "In de naam van onze machtige Vorst Philippe van Frankrijk, wordt het u, oproerige onderdanen, door mijn Veldheer De Chatillon gevraagd, of gij de stad op zijn genade wilt overgeven!—Indien gij na verloop van tien stonden op deze eis niet geantwoord hebt, zal het geweld der stormtuigen uw vesten omverwerpen, en alles zal door het zwaard en het vuur vernield worden!"

De ogen van al degenen die deze opeising gehoord hadden, vestigden zich eenpariglijk op Deconinck, en dezelfde man, die zij zo-even hadden willen doden, schenen zij nu om raad te smeken. Breydel zelf bezag Deconinck met ondervragend gelaat, doch niemand kreeg het gewenste antwoord. De Deken der wolwevers stond stilzwijgend te midden onder hen, en scheen tot de daders dezer gebeurtenissen niet te behoren.

"Wel, mijn vriend Deconinck, wat raadt gij ons?" vroeg Breydel.

"Dat men de stad overgeve!" was het koele antwoord.

De beenhouwers begonnen opnieuw te morren en te razen, doch een dwingend teken van Jan Breydel bracht hen tot stilte.

"Denkt gij, Deconinck," vroeg hij, "dat wij met moed, met onversaagdheid de stad niet kunnen bewaren? Is de hoogste dapperheid hier dan onmachtig? Rampzalig uur!"

Het was zichtbaar op de wezenstrekken van Breydel hoe hem deze vraag pijnde. Zozeer als zijn ogen in de lust tot strijden geblaakt hadden, zozeer waren zij nu verduisterd en beroofd van het heldenvuur dat er gewoonlijk in gloeide.

Deconinck hief zijn stem boven de omstaande scharen en sprak: "God en gij allen zijt mij getuigen, dat de liefde tot het Vaderland alleen mij aandrijft. Voor mijn moederstad heb ik mij aan uw dolle woede blootgesteld, en alzo zou het mij ook niets kosten door de hand des vijands te sterven; maar het bewaren der parel van Vlaanderen is mij een heiliger taak; belaadt mij vrij met laster—hoont en bespot mij als een verrader: ik weet wat plichten ik te kwijten heb. Niets, hoe pijnlijk ook, kan mij aan het edel doel onttrekken, en ik zal u eens vrijmaken, al ware het tegen uw dank. Ik herhaal het nu voor de laatste maal:—het is onze plicht, wij moeten de stad overgeven."

Wie gedurende deze korte aanspraak het gelaat van Breydel gezien had, zou verscheidene aandoeningen erop bemerkt hebben: spijt, woede, droefheid verwisselden zich steeds in hem, en het was aan de wringing zijner vuisten zichtbaar dat hij tegen zijn eigen driften worstelde. Op het ogenblik dat de spreuk: "Wij moeten de stad overgeven!" nog eenmaal als een doodvonnis in zijn oor geklonken had, werd hij door inniger droefheid getroffen, en bleef een korte wijl, als in gedachten onttogen, staan.

De beenhouwers en andere ambachtslieden lieten hun ogen beurtelings op de twee Dekens gaan en wachtten in een plechtig stilzwijgen.

"Meester Breydel," riep Deconinck, "zo gij de oorzaak onzes ondergangs niet zijn wilt, geef dan ras uw jawoord. Ginds komt de wapenbode der Fransen terug; de tien stonden zijn verlopen."

Breydel rees eensklaps uit de diepe bedenking, en antwoordde met droeve toon: "Gij wilt het, Meester? Het moet zo zijn? Welnu geef de stad over..."

Bij deze woorden vatte hij de hand van Deconinck en drukte dezelve met ontroering: twee tranen van innige smart rolden uit zijn blauwe ogen, en een doffe zucht kwam over zijn lippen.

De twee Dekens bezagen elkander met een dier blikken waarin de ziel zich gans zien laat. Zij verstonden elkander plotseling, en hun armen strengelden zich in een omhelzing te samen.

Daar lagen de twee grootste mannen van Brugge, heldenmoed en vernuft, met borst tegen borst, in wederzijdse bewondering verzonken.

"O dappere broeder," riep Deconinck, "uw ziel is groot! Wat strijd hebt gij in uw boezem doorstaan! Toch hebt gij u verwonnen."

Op het gezicht van dit roerend toneel, liep een schreeuw van blijdschap door al de scharen, en de nijd ontvlood de boezem der strijdbare Vlamingen. Door bevel van Deconinck hief de bazuinblazer der wevers driemaal in schaterende tonen aan, en riep tot de Franse wapenbode: "Geeft uw Veldheer vrijgeleide aan onze taalman?"

"Hij geeft vrijgeleide volgens krijgsgebruik en op zijn trouw," was het antwoord.

De egge werd bij deze verzekering omhoog gehaald en de brug viel neer om twee Burgers uit de stad te laten. De een was Deconinck en de andere de wapenbode der ambachten. Wanneer deze in het Frans leger gekomen waren, werden zij tot in de tent van de Veldheer De Chatillon gebracht. De Deken der wevers naderde met stout gelaat voor de Landvoogd en sprak: "Mijnheer De Chatillon, de Poorters der stad Brugge laten u, door mij, hun Gezant, weten dat zij om het dierbaar mensenbloed niet nutteloos te vergieten, besloten hebben u de stad over te leveren; daar echter niets dan dit edel gevoel hen tot onderwerping dwingt, hebben zij u de volgende voorwaarden doen aanbieden, te weten, dat de kosten der intrede des Konings niet door een nieuwe belasting op de derde staat zullen geheven worden, dat de Wethouders zullen worden afgezet, en dat er geen hoegenaamde vervolging ter oorzake van oproerigheid zal gedaan worden. Gelieve mij te zeggen of gij deze voorwaarden aanneemt of niet."

De wezenstrekken van de Landvoogd betrokken zich door innige gramschap.

"Wat taal is dit?" riep hij. "Hoe durft gij mij voorwaarden opleggen, daar ik alleenlijk mijn stormtuigen vooruit te brengen heb om uw muren tot puin te verbrijzelen?"

"Dit is mogelijk," antwoordde Deconinck, "maar ik zeg het u, en neem mijn woorden in acht: de grachten onzer stad zullen met de lijken uwer mannen vervuld worden, eer een Fransman onze wallen beklimme. Wij hebben ook geen gebrek aan oorlogstuig en de historie is daar, om u te bewijzen dat de Bruggelingen voor de vrijheid sterven kunnen."

"Ja, ik weet dat de koppigheid uw kenmerk is, maar dit geeft mij weinig; want de moed der Fransen kent geen hinderpalen. Ik wil de stad op genade en ongenade hebben,—dit is mijn antwoord."

De Chatillon had bij het zien der ontellijke ambachtslieden en derzelver trotse houding boven de wallen, een angstig voorgevoel der aanstaande slachting gekregen. De voorzichtigheid deed hem om de overgaaf der stad wensen; want hij kende de onversaagdheid der Bruggelingen, en was derhalve zeer blijde wanneer de komst van Deconinck zijn wens vervulde; maar de voorwaarden, die men hem aanbood, behaagden hem geenszins. Hij zou dezelve wel toegestaan hebben, met het staatkundig nagedacht zich op een linkse wijze aan de uitvoering derzelve te onttrekken; maar hij mistrouwde de Deken der wevers, en twijfelde aan de echtheid zijner woorden. Willende dan beproeven of de Bruggelingen waarlijk het voornemen hadden zich tot de dood te verdedigen, gaf hij met luider stemme het bevel om de werktuigen tot de stormloping aan te voeren.

Gedurende de onderhandeling had Deconinck met doordringende blikken de uitdrukking van het gelaat des Veldheers gepeild, en in dezelve veel weifeling en gemaaktheid gevonden. Dit was hem genoeg om te weten dat De Chatillon het gevecht niet wenste. Hij hield dan zijn voorwaarden staande, ondanks de bewegingen die reeds tot het stormlopen gedaan werden.

De koele standvastigheid van Deconinck bedroog de Franse Veldheer; hij bleef overtuigd dat de Bruggelingen hem niet vreesden, en hun stad met hardnekkigheid zouden verdedigen. Zijn gans leger en het Land van Vlaanderen aan die afzonderlijke zaak niet willende wagen, begon hij met Deconinck over de voorwaarden te twisten. Eindelijk, na lange woordwisseling, kwamen zij overeen dat de Wethouders in hun ambten zouden blijven; de andere punten werden de Bruggelingen toegestaan.

De Landvoogd had van zijn kant doen aannemen dat hij zoveel soldeniers als hem beliefde in de stad mocht leggen.

Zodra de zegelbrief door hen beide vervaardigd en getekend was, keerde de Deken der wevers met de wapenbode naar de stad terug. De voorwaarden werden in al de straten uitgeroepen. Een halfuur daarna deed het Franse leger met klinkende bazuinen en vliegende banieren de zegepralende intrede, en de ambachtslieden gingen met het hart vol spijt en droefheid naar hun woning terug. De Wethouders en Leliaards kwamen van de Burg, en de stad verkreeg een schijnbare rust.


10

Inhoud
Noten

Knechts! waer ben ie? hoor ie dit oft
niet? beziet oft ie wacker ben, ist nacht of ist
dach?—ô juweel van heelder wereld! Peerle
van goude, spiegel mynder zielen! Zoude ie
alzulcken Vrouwe moghen beminnen met
haren dancke?

Oude Roman

Na de stad Brugge zich gans in de macht der Fransen had overgegeven, begon De Chatillon ernstig aan de begeerte der Koningin te denken; zij had hem geboden de jonge Machteld van Bethune naar Frankrijk te doen overvoeren. Alhoewel het scheen dat niets hem in het volbrengen van dit bevel kon hinderen, mits zijn krijgsknechten de stad vervulden, werd hij echter nog door een staatkundig inzicht wederhouden. Hij wilde eerst zijn macht in Brugge bevestigen, de ambachten verslappen, een kasteel bouwen[66], en dan zou hij de dochter van de Leeuw van Vlaanderen gevangen nemen en der Koningin overleveren.

Adolf van Nieuwland was bij de intrede der Fransen met de grootste vrees bevangen geweest, want hij zag Machteld nu zonder tegenweer aan haar vijanden blootgesteld. Het dagelijks bezoek en de onophoudende wacht van Deconinck, konden hem in den eerste niet verzekeren; maar wanneer hij na enige weken nog niet door de Fransen ontrust was, begon hij te denken dat zij de Jonkvrouw van Bethune vergeten hadden en niets tegen haar wilden ondernemen. Zijn sterke lichaamsgesteltenis en de kundige zorgen van Meester Rogaert hadden zijn wonde geheel genezen, en hij kreeg kleur en leven weder; maar een diepere wonde bleef hem in het hart, en deze baarde hem onuitsprekelijke pijnen. De innige liefde, welke hij voor Machteld gevoelde, vervulde steeds meer en meer zijn boezem, en de rust werd hem gans benomen. De ongelukkige ridder zag het meisje, dat hij zo heiliglijk beminde, alle dag bleker worden: mager en krank als een verzengde bloem, kwijnde Machteld door droeve gedachten gefolterd.—En hij, die aan haar edelmoedige bewaking het leven verschuldigd was, hij kon ze niet helpen, niet troosten! Zijn woorden, hoe zoet ook, waren zonder indruk op de rampzalige Jonkvrouw, die gedurig om haar vader zuchtte en weende. Geen enkel bericht was haar nog van haar gevangen bloedverwanten toegekomen, en zij was als voor eeuwig van haar dierbaar huisgezin gescheiden.

Niettegenstaande de zwarte dromen van rampspoed en treurnis, welke haar steeds omringden, gloeide de vlam der liefde heimlijk in haar. In het afwezen van Adolf kwam soms een vluchtende glimlach haar bleek gelaat verlichten, en dan zweefde de beeltenis van de jonge ridder voor haar ogen;—dan vond zij nog enige troost in het zoete gevoel der min, en koesterde dit heilzaam vuur totdat een bitter aandenken de glimlach deed verdwijnen.

Adolf beminde in stilte, en dorst zelfs niet denken dat Machteld hem eens zou liefhebben, hij kende zijn plichten te zeer om zulks te hopen; daarom deed hij geen poging om die drift te verdoven. Hij bedekte het vuur dat hem brandde onder de vorm ener eerbiedige hulde, en dacht dat Machteld zijn zorg slechts als een bewijs van dankbaarheid zou ontvangen hebben.

Weinig weken na zijn volmaakte genezing verwijderde hij zich met langzame stappen van de stad, en wandelde mijmerend bij Zevekote[67] door de enge paden der velden. De zon stond zeer laag op de kim, en het westen kleurde zich reeds met gloeiende verven. Het hoofd gebogen en vol bitter aandenken ging Adolf in de baan voort, zonder op zijn voetstappen te letten. Een droeve traan glimde onder zijn ooglid, en van tijd tot tijd kwam een zucht uit zijn borst. Op duizenderlei wijzen spande hij zijn geest in om enige verzachting in het lot der jonge Machteld te kunnen brengen, en iedermaal werd zijn wanhoop groter, want niets vond hij dat haar mocht troosten. Hij zag haar alle dagen wenen, hij zag haar kwijnend versterven, en met de armen toegevouwen moest hij, als een radeloze, die treurnis aanzien. Voor een moedig ridder als hij, was die onmacht pijnlijk, en soms knarste hij met inwendige bitsigheid de tanden te samen—maar wat kon dit helpen? Er bleef hem niets over, dan een smartvolle traan over zijn geliefde te storten en van betere dagen te dromen.

Wanneer hij reeds ver van de stad was en dat hij, door somber wee vervuld, onder zijn droeve gedachten was vermoeid, liet hij zich onachtzaam ten gronde gaan en zette zich bij de boord der baan neder. Met de ogen ter aarde gewend, ging hij in zijn treurige bedenking voort. Terwijl hij dus gebogen zat, kwam nog ver van daar een ander mens aangestapt.

Een bruine wollen monnikskolder met een wijde kap, die op de rug neerviel, was zijn kleedsel, een grijze baard daalde tot op zijn borst, en zijn zwarte glinsterende ogen waren onder zware wenkbrauwen gezonken; bruin was zijn benig gelaat en diepe rimpels lagen op zijn voorhoofd. Met lastige stappen en als een afgematte reiziger, naderde de monnik allengskens de plaats waar Adolf gezeten was, en bleef plotseling voor hem staan. Een uitdrukking van hevige blijdschap liep over zijn gelaat, en het was bij dezelve te denken dat hij Adolf kende. Zijn aanzicht werd echter opnieuw ernstig en koel alsof hij veinzen wilde.

Adolf, die nu eerst de tegenwoordigheid van de monnik gewaar werd, stond op en groette hem met hoofse woorden. Zijn stem had nog de treurige toon, die hij uit zijn mijmering geput had, en hij deed zich geweld aan om te spreken.

"Mijnheer," antwoordde de monnik, "een verre reis heeft mij afgemat, de aangenaamheid der plaats die gij verkozen hebt, nodigt mij ook tot rusten. Ik bid u, laat mij u niet storen."

Hij plaatste zich op het gras, en wees met zijn vinger dat hij hetzelfde van Adolf eiste. Deze door eerbied of lust gedreven, hernam zijn vorige plaats, en bevond zich alzo nevens de vreemdeling, Hij was bij de klank zijner stem zeer ontroerd: het scheen hem dat hij dezelve nog meermalen gehoord had, doch niet kunnende bedenken waar hij deze Priester mocht gezien hebben, joeg hij die gissing als vals uit zijn geest.

Na een korte poos, gedurende dewelke de monnik de jonge ridder met doordringende ogen bezag, vroeg hij: "Mijnheer, het is al een ruime tijd geleden dat ik Vlaanderen verlaten heb; het zou mij aangenaam zijn uit uw mond te weten hoe het in onze stad Brugge al gaat. Dat mijn stoutheid u niet hone."

"O neen, Vader," antwoordde Adolf die zich van geen bedrog mistrouwde, "het zal mij een geluk zijn u te verplichten.—In onze stad Brugge gaat het slecht—de Fransen zijn er meester!"

"Dit schijnt u niet te bevallen, Mijnheer? Ik had nochtans vernomen dat de meeste Edelen hun wettige Graaf verloochend hebben en de vreemde met liefde hebben ontvangen."

"Eilaas! Dit is maar al te waar, o Vader. De ongelukkige Graaf Gwyde is door velen zijner onderdanen verlaten, en nog meer zijn er die hun oude roem vergeten—maar het Vlaamse bloed is niet in aller aderen verbasterd; er zijn nog harten die de vreemdelingen vijandig zijn."

Bij deze woorden liep een zichtbaar genoegen over de wezenstrekken van de monnik. Indien Adolf wat meer mensenkennis gehad had, zou hij bespeurd hebben dat de spraak van de reizende geestelijke gewrongen en gemaakt was, en dat er iets geveinsds op zijn gelaat zweefde. De monnik antwoordde: "Uw gevoelens, Mijnheer, zijn loffelijk en verdienen u mijn achting. Het is mij een ware vreugd nog een edelmoedig mens, in wie alle liefde voor de rampzalige Landheer Gwyde niet vergaan is, aan te treffen. God lone u om uw getrouwigheid."

"O Vader," riep Adolf, "zo het u veroorloofd ware, de grond mijns harten te zien:—indien gij de liefde die ik mijn Meester, de ongelukkige Gwyde, en zijn huisgezin heb toegewijd, konde kennen!—Ik zweer u, o Priester, dat het gelukkigste ogenblik mijns levens, dit zijn zou, op hetwelk ik mijn bloed tot de laatste druppel, voor hen mocht verliezen."

De monnik kende het mensenhart genoeg, om te bespeuren dat de woorden van de jonge ridder niet geveinsd waren, en dat hij de gevangen Gwyde de innigste liefde toedroeg. Na een korte wijl zich bedacht te hebben hernam hij: "Zo ik u de gelegenheid gaf, om de eed die gij zo-even deedt te volbrengen, zoudt gij dan niet achteruit zien, en zoudt gij als een Man alle gevaren trotsen?"

"Ik bid u, o Vader," riep Adolf smekend, "ik bid u, twijfel niet aan mijn trouw—ook niet aan mijn moed! Spreek ras, want uw stilzwijgen pijnigt mij."

"Luister dan met bedaardheid. Om ontvangen weldaden, ben ik aan het Huis van Gwyde van Vlaanderen de grootste dankbaarheid verschuldigd; het gevoel van erkentenis en liefde, dat ik altijd voor mijn genadige Vorst gekoesterd heb deed mij besluiten hun in deze rampspoed behulpzaam te zijn. Met dit voornemen verliet ik mijn klooster en begaf mij naar Frankrijk.

Daar heb ik door gebeden, door geld of onder voorwendsel van mijn priesterschap, al de edele gevangenen mogen bezoeken; ik heb de vader de woorden zijns zoons overgebracht, en de zoon zijns vaders zegen gedragen. In de kerker van het Louvre heb ik met de arme Philippa gezucht en geweend. Aldus heb ik hun pijnen verzacht, en de afstand die hen scheidt ogenblikkelijk verkort. Ik heb gehele nachten met reizen doorgebracht, en mijn voeten tot bloedens toe gewond: dikwijls werd ik afgedreven, gehoond en bespot; maar dit was mij niets bij het geluk van mijn wettige Vorsten in hun rampen te dienen. Een dankbare traan, welke mijn aankomst over hun wangen deed rollen, was mij een beloning, die ik tegen al het goud der wereld niet zou verruild hebben."

"Zij gebenedijd, o edelmoedig Priester," riep Adolf, "u wacht een zalig leven! Maar, ik bid u hoe vaart Mijnheer Van Bethune?"

"Laat mij voortgaan, ik zal u wat langer over hem spreken. Hij zit in een duistere toren, te Bourges in het Land van Berry.

Ongelukkiger kon zijn lot wel zijn, want hij is van band en keten vrij. De Kastelein die hem moet bewaren, is een oude krijgsman die zich in de oorlog van Sicilië ridderlijk heeft gedragen, en onder de banier van de zwarte Leeuw heeft gevochten. Ook is hij Mijnheer Robrecht veeleer een vriend dan een bewaarder."

Adolf luisterde met de grootste nieuwsgierigheid: menigmaal kwamen woorden van blijdschap op zijn lippen doch hij weerhield zich. De monnik ging voort: "Zijn gevangenis zou dus geen onlijdelijk verblijf voor hem wezen, indien zijn hart hem niet elders voerde; maar hij is vader en alle droeve vooruitzichten martelen zijn hart. Zijn dochter is in Vlaanderen gebleven, en hij vreest Johanna, de nijdige en wrede Koningin van Navarra, die zijn kind ook zal vervolgen, en misschien ten grave leiden. Dit smartvol gedacht foltert de tedere vader, en zijn gevangenis wordt hem ondragelijk: de bitterste wanhoop vervult zijn ziel, en de dagen zijns levens zijn pijnlijker dan de dagen ener gedoemde ziel."

Adolf wilde zijn medelijden door woorden te kennen geven en zou gewis van Machteld gesproken hebben, maar een dwingend teken van de monnik doofde de stem op zijn lippen.

"Overweeg nu," hernam deze met plechtige toon, "of gij uw leven waarlijk voor de Leeuw, uw heer, durft wagen. De Kastelein van Bourges wil hem op zijn erewoord, voor enige tijd in vrijheid stellen; maar een trouwe en liefderijke onderdaan, moet zich in zijn plaats laten kerkeren."

De jonge ridder viel op zijn beide knieën voor de Priester en kuste wenend zijn handen.

"O zalig uur!" riep hij. "Zal ik Machteld deze troost verwerven.—Zal zij haar vader zien, o God! En zal ik die heilige zending volbrengen? Hoe blij klopt mij het hart! De gelukkigste mens op aarde zit voor uw voeten, o Priester. Wist gij, wat heilvol ogenblik—wat zuivere vreugd uw woorden mij doen smaken. Ja, ik zal de keten als een kostelijk halssnoer, met dankbaarheid ontvangen. Geen goud mag mij zozeer als het ijzer der boeien behagen.—O Machteld, Machteld! De wind drage u het heuglijk nieuws."

De monnik liet de opgetogenheid van de ridder voorbijgaan, en stond op; Adolf stapte na hem in de baan en zij gingen beide langzaam naar de stad.

"Mijnheer," hernam de Priester, "uw edele gevoelens verwonderen mij met rede: ik twijfel geenszins aan uw moed—maar hebt gij wel overwogen, in welk gevaar gij u gaat stellen? Zodra de list ontdekt wordt, zult gij uw liefde met de dood boeten."

"Een Vlaamse ridder vreest de dood niet," antwoordde Adolf, "niets kan mij wederhouden. Indien gij wist dat ik sedert zes maanden, nacht en dag, mijn inbeelding folter om te vinden hoe mijn leven voor het Huis van Vlaanderen te wagen, dan zoudt gij mij niet van gevaar en vrees spreken. Nog op het ogenblik dat ik daar even, mistroostig bij de baan zat, vroeg ik hiertoe de ingeving des Heren, en gij, o Priester, zijt zijn tolk geweest."

"Het is nodig dat wij deze nacht vertrekken, opdat dit geheim niet ontdekt worde!"

"Hoe eer hoe liever want mijn gedachten zijn reeds te Bourges bij de Leeuw van Vlaanderen, mijn heer en Vorst."

"Gij zijt zo jong, heer ridder, uw gelaatstrekken gelijken wel naar die van Mijnheer Robrecht, maar het verschil van jaren is te groot. Dit kan ons echter geen beletsel zijn, want mijn kunst zal u de ouderdom die u ontbreekt, in weinig ogenblikken geven."

"Wat wil dit zeggen, Vader, kunt gij mij ouder maken dan ik ben?"

"Ho neen! Maar ik kan uw gelaat zodanig veranderen dat gij uzelf niet meer herkennen zoudt. Hiertoe gebruik ik kruiden welkers krachten mij bekend zijn: denk niet, dat ik mij van enig goddeloos geheim bedien. Maar, Mijnheer, nu wij de stad Brugge zo nabij zijn, zoudt gij mij kunnen zeggen waar een zekere Adolf van Nieuwland woont?"

"Adolf van Nieuwland?" riep de ridder. "Hij is degene die u verzelt, ik ben het!"

De verwondering van de Priester scheen groot; hij bleef in de baan staan en bezag de Jonker met een geveinsde verbaasdheid.

"Hoe, gij zijt Adolf van Nieuwland, dan is Machteld van Bethune in uw woning?"

"Die eer is mijn Huis ten lot gevallen," antwoordde Adolf, "Uw komst, Vader, zal haar grotelijks verblijden: de troost die gij haar brengt, komt spade, want zij treurt en kwijnt alsof zij sterven wilde."

"Hier is een brief van haar vader, die gij haar geven moogt; want ik hoor wel dat het u een vreugde zijn zal haar smart hierdoor te verlichten."

Hierbij haalde hij een perkament, hetwelk met een zijden draad en een zegel gesloten was, uit zijn onderkleed en gaf het de ridder. Deze bezag het stilzwijgend en met de grootste opgetogenheid. Zijn gedachten voerden hem reeds voor Machteld, en hij smaakte op voorhand de vreugd die hij uit de blijdschap der Jonkvrouw moest putten. Nu was de gang van de monnik hem te langzaam, en hij was altijd een stap vooruit, zozeer dreef hem het ongeduld.

Wanneer zij in de stad en bij de woning van Adolf waren, bezag de Priester de bijliggende gebouwen alsof hij dezelve wilde herkennen en sprak:

"Mijnheer Van Nieuwland, ik wens u vaarwel. Deze avond zal ik wederkomen—misschien wat laat. Doet intussen uw uitrusting klaar maken."

"Zult gij met mij niet tot de Jonkvrouw gaan? Gij zijt zo vermoeid. Laat mij u de rust met alles wat mijn woning bevat, aanbieden—ik bid u."

"Ik dank u, Mijnheer, mijn plichten als Priester roepen mij elders. Te tien uur zal ik u wederzien.—God hebbe u onder zijn hoede!"

Bij deze groet verliet hij de verwonderde ridder, en ging tot in de Wolstraat, alwaar hij in het huis van Deconinck verdween.

Opgetogen van vreugd over dit onverwacht geluk, dat hem als een gulden droom was toegekomen, klopte Adolf met het grootste ongeduld aan zijn deur. De brief van Mijnheer Van Bethune was gloeiend in zijn handen; en wanneer de dienstbode hem opende, liep hij als een zinneloze in de gang.

"Waar is Machteld, waar is de Jonkvrouw Machteld?" vroeg hij op een toon, die een spoedig antwoord gebood.

"Op de zaal tegen de straat," riep de dienstbode.

De ridder vloog op de trappen en stiet de deur der zaal met onstuimigheid open.

"O Edelvrouw! Machteld!" riep hij. "Droog uw tranen. Laat de zuiverste vreugd uw hart vervullen! Onze rampen zijn gedaan!"

De jonge Gravin zat, bij het inkomen van Adolf, aan het venster mistroostig te zuchten; zij bezag de vervoerde Jonker met een zonderling gelaat, waarop twijfel en ongeloof te lezen waren.

"Wat zegt gij!" riep zij eindelijk, terwijl zij opstaande haar valk haastiglijk op de stoel plaatste. "Onze rampen zijn gedaan?"

"Ja mijn edele Jonkvrouw, een beter lot wacht u. Hier is een zalig schrift.—Zeggen de jagingen uwes harten niet welke dierbare hand ..."

Eer hij deze spreuk kon eindigen, sprong Machteld met hijgende boezem en als uitzinnig naar het schrift, en rukte het uit zijn handen. Een ongemeen vuur had haar wangen met rood gekleurd, en tranen van blijdschap barstten uit haar ogen. Zij scheurde het graaflijke zegel en de zijden draadjes van de brief en las hem driemaal eer zij er iets scheen van te verstaan;—zij verstond hem maar al te wel, de rampzalige maagd! Haar tranen hielden niet op, maar de oorzaak derzelve veranderde; want nu was het geen vreugde meer, maar bitter wee dat het smartwater uit haar ogen dreef.

"Mijnheer Adolf," riep zij met pijnlijke toon, "uw vreugde verscheurt mijn hart. Onze rampen zijn gedaan, zegt gij? Daar ... lees, en ween met mij over mijn ongelukkige vader."

De ridder nam het schrift uit de handen van Machteld, en liet het hoofd bij de lezing op de borst nederzinken. Hij dacht in den eerste, dat de Priester hem had bedrogen en tot bode van een schrikkelijk nieuws gebruikt had, maar wanneer hij de inhoud gans kende, verging dit vermoeden; hij bleef enige ogenblikken aan zijn onvoorzichtige uitroeping denken, en sprak niet. Machteld werd voor hem met medelijden ingenomen; de blijdschap, om de ontvangen boodschap door hem getoond, was een sprekend bewijs zijner liefde tot haar, en zij had zich hierover geenszins bedrogen. Nu zij hem zo treurig op het schrift zag staren, verweet zij zich innerlijk de spijtige woorden, die zij hem had toegestuurd. Zij naderde de peinzende Jonker, en sprak met een glimlach door haar tranen: "Vergeef mij, Mijnheer Adolf, bedroef u niet. Denk niet dat ik op u gestoord ben omdat gij mij te veel heil hebt voorspeld. Ik ken de vurige wensen, die gij voor het geluk ener arme Jonkvrouw vormt. Geloof, o Adolf, dat mijn hart niet koud blijft bij uw edelmoedige opoffering."

De ridder liet op dit gezegde de brief uit zijn handen vallen, en zijn gelaat kreeg een heldere uitdrukking van opgetogenheid en blijdschap.

"O edele Machteld," riep hij, "gewaardigt gij uw dienaar Adolf met zulke zoete woorden te belonen? Ho, ik smaak reeds het geluk dat mij wacht. Neen mijn vreugd is niet over: de inhoud van de brief kende ik, maar daarin was het niet dat ik mij verblijdde. Droog uw tranen, Jonkvrouw; ik herhaal het, treur niet meer, want gij zult eerlang op de borst uws vaders kunnen rusten."

"O heil," zuchtte Machteld, "zou dit waar zijn?—Zou ik mijn vader zien en spreken? Maar waarom pijnigt gij mij, Mijnheer, waarom verklaart gij mij dit raadsel niet? O spreek, opdat de twijfel uit mij verdwijne."

Een licht misnoegen verduisterde de heldere gelaatstrekken van de Jonker. Hij zou zo graag aan Machteld de gevraagde verklaring gegeven hebben, maar zijn edele ziel kon haar eigen verdiensten niet aan de dag brengen; hij antwoordde op een toon die zijn droefheid hierover te kennen gaf: "Ik smeek u, doorluchtige Jonkvrouw, neem mijn stilzwijgen niet ten kwade. Wees verzekerd dat gij uw heer Vader zien zult, en dat hij zijn dierbare dochter op vaderlandse grond zal mogen spreken en omhelzen; maar het is mij niet geoorloofd u iets meer te zeggen."

De jonge Gravin liet zich hierdoor niet vergenoegen. Twee gevoelens dreven haar tot het ontdekken van het raadsel: de vrouwelijke nieuwsgierigheid en de twijfel die haar nog overbleef; een zichtbare spijt trok haar roosvervige lippen te samen en zij sprak: "Mijnheer Adolf, och zeg mij de zaak die gij verbergen wilt.—Denk niet dat ik onbezonnen genoeg zijn zou, om het ter mijner schade te ontdekken."

"O jonkvrouw, ik mag—ik kan niet."

"Het zou mij zo verblijden, Mijnheer Adolf. Nu geloof ik uw woorden niet: gij berooft mij van de vreugde welke ik moest smaken.—Zeg het mij toch."

"Ik bid u om verschoning, Edelvrouw, ik kan het niet doen."

De nieuwsgierigheid van Machteld groeide meer en meer bij de woorden van de ridder; zij vroeg hem nog meermalen naar het geheim, doch alles was vruchteloos. Eindelijk kwam ongeduld haar vervoeren, en zij sprak met die strelende grammoed, die zo toverend op het hart der mannen werkt: "Ik dacht dat gij mij meer beminde, Mijnheer Van Nieuwland!"

Adolf verbaasde zozeer dat zijn adem gans ophield.

"Dat ik haar meer beminde?" was zijn zucht.

"Gij plaagt mij," ging Machteld voort, "en gij blijft onverbiddelijk voor mijn smeken. Hoe machtig zijt gij toch tegen het gebed ener zwakke vrouw! Adolf! Adolf! Ik had meer genegenheid van u te verwachten."

Adolf stond verslagen voor haar en antwoordde niet. Dan veranderde zij van toon en ging voort: "Mijn vriend, verdrijf toch mijn twijfel.—Ik zal u zo dankbaar zijn."

De Jonkvrouw had bij deze woorden zulke smekende houding, dat Adolf het niet langer kon uithouden. Hij besloot haar alles te zeggen, wat de bekentenis zijner opoffering hem ook moest kosten. Machteld bespeurde haar overwinning op zijn aangezicht en kwam met een minnelijke glimlach bij hem, terwijl hij dus tot haar sprak: "Luister, Machteld, hoe wonderlijk ik de brief en de kennis van dit gelukkig nieuws verkregen heb. Ik zat bij Zevekote, in diepe mijmering verzonken, en bad vuriglijk om de genade des Heren over mijn ongelukkige Landheer te roepen. Maar hoe groot was mijn verwondering, wanneer ik het hoofd opheffende een Priester voor mij zag staan. Ogenblikkelijk dacht ik dat mijn gebed verhoord was, en dat mij door deze mens enige troost moest toekomen;—het was ook zo, Edelvrouw, want door zijn hand ontving ik de brief en uit zijn mond vernam ik de zalige tijding. Uw vader mag zijn gevangenis voor enige dagen verlaten, maar een ander ridder moet de keten voor hem aannemen."

"Ho blijdschap!" viel Machteld uit. "Ik zal hem zien en spreken! O mijn vader—mijn dierbare vader, hoe hijgt mijn hart naar uw zoenen. Adolf, gij vervoert mij van vreugd, uw woorden zijn zo zoet, mijn vriend! Maar wie zal de plaats van mijn heer Vader nemen willen?"

"Die man is gevonden," was des ridders antwoord.

"De zegen des Heren dale over hem," riep de Jonkvrouw, "hoe edelmoedig is hij die mijn vader aldus wil verlossen, en mij het leven wedergeeft. O die mens zal ik altijd beminnen en danken; want hij verdient nog meer."

De ridder luisterde met het innigst genoegen op de blijde uitroepingen der Jonkvrouw. Zij wist niet dat degeen, die haar vader wilde verlossen voor haar stond, en zijn beloning reeds genoot. Nadat de uitdrukking harer dankbaarheid allengskens in zachtere spreuken was geëindigd vroeg zij: "Maar wie is toch die edelmoedige ridder?"

Adolf boog zijn ene knie voor de Jonkvrouw en riep met vurige drift: "Wie anders dan uw dienaar Adolf, o edele dochter van de Leeuw, mijn heer?"

Machteld had zich, op het ogenblik dat de ridder voor haar knielde, grotelijks verschrikt; hevig schaamrood had haar hoofd gekleurd, maar zodra zij zijn opoffering verstond, verging dit gevoel om haar hart met liefde en dankbaarheid te laten vervullen; zij vatte de hand van de Jonker en hem minnelijk van de grond heffende sprak zij: "Adolf, mijn dierbare Adolf, hoe kan ik u dit betalen? Wat vraagt gij van Machteld om zulke liefde en zulke trouw te vergoeden?"

"Uw woorden, o Machteld," riep hij, "maken mij reeds zo gelukkig, dat geen wens meer overblijft."

Terwijl aanzag de Jonkvrouw hem met stijve blikken; en zij bewonderde de grootheid van degene die zij zo teder beminde.

Zij bracht zijn hand met de hevigste aandoening aan haar ogen, en twee tranen vielen warm en glinsterend op de vingers van de bevende Jonker.

Het zou moeilijk zijn de vervoerende blijdschap van Adolf te beschrijven. Hij scheen eer een zinneloos dan een redelijk mens: onstuimig waren zijn bewegingen, onbekende woorden ontvielen zijn mond en hij vergat zich zo ver dat hij zijn lippen op de hand van Machteld dorst plaatsen. Alsof hij, door deze eerste plichtschennis, stouter ware geworden, verlengde hij zijn zoen en liet de hand der Jonkvrouw niet los dan op het ogenblik dat hij de huisdeur hoorde opendoen.

Machteld liet zich hijgend in een zetel neerzinken; de onsteltenis ener zedige schaamte blonk op haar wangen. Niet dat zij zich als plichtig aan een zondig bedrijf erkende, want haar hart was zuiver, maar de uitdrukking van Adolfs gelaatstrekken en zijn gloeiende woorden hadden haar iets gezegd dat haar fel geschokt had.—Evenals een mens die uit een sluimering ontwaakt, en zich zijn nare of blijde dromen wil herinneren, stond de ridder met gebogen hoofd voor de Jonkvrouw.

Tussen het zacht genoegen dat zijn hart overstroomde, kwam een bange vrees zich mengen, en hij wachtte angstig op het vonnis of het genadewoord der maagd.

Terwijl zij aldus beiden spraakloos in gedachten dwaalden, kwam de dienstbode de komst van de Priester aankondigen, en deze werd op bevel van Adolf in de zaal geleid.

"Wees gegroet, doorluchtige dochter van de Leeuw, onze heer," sprak hij, zich met eerbied buigende, terwijl hij de kap van zijn kolder op de rug wierp.

Machteld bezag de monnik met een hardnekkige aandacht, en folterde zich het geheugen om de naam van degene, wiens stem haar zozeer ontroerde, te kennen. Eensklaps vatte zij hem de hand en riep met hevige drift, terwijl haar ogen van vreugde blonken: "O God! Ik zie de boezemvriend mijns vaders. O Diederik! Ik dacht dat allen, behalve Mijnheer Van Nieuwland ons verlaten hadden; maar nu heb ik de Hemel te danken, dat hij mij een tweede beschermer heeft toegezonden. En ik,—ik dorst u in mijn geest van ontrouw beschuldigen! Vergeef die dwaling aan mijn benepen hart, Mijnheer De Vos?"

Diederik stond verslagen, daar een vrouwenoog zijn kunst had doen feilen; hij deed zijn baard spijtig af en vertoonde zich dan meer kenlijk voor de Jonkvrouw. Adolf viel in dankzeggingen uit en drukte hem de hand met tedere vriendschap. Diederik zich tot Machteld kerende sprak: "Voorwaar Mevrouw, ik moet bekennen dat gij een scherp gezicht hebt, nu ben ik gedwongen mijn natuurlijke spraak te hernemen. Ik ware nochtans liever onbekend gebleven; want het masker dat gij doorgrond hebt, is ten hoogste nodig voor het heil van mijn meester, de Leeuw. Ik bid u derhalve mijn echte naam voor niemand uit te spreken: dit zou mij wellicht het leven kosten. Uw gelaat, Jonkvrouw, getuigt uwer lange smart; maar dezelve zal niet blijven duren, indien onze vooruitzichten zich verwezenlijken. Nochtans, zo de gevangenis uws vaders zich tegen onze hoop verlengde, gebiedt u de godsdienst, dat gij op de rechtvaardigheid des Heren betrouwe. Ik heb Mijnheer Van Bethune gezien en gesproken, zijn lot is door de goedwilligheid van de Kastelein verzacht,—en hij verzoekt u om zijnentwille niet te wenen."

"Vertel mij toch wat hij gezegd heeft, Mijnheer De Vos? Laat mij weten hoe zijn kerker is, en wat hij doet, opdat ik mij, bij het horen van zijn dierbare naam, moge verheugen?"

Diederik de Vos begon een wijdlopige beschrijving van de toren te Bourges en verhaalde het meisje alles wat hij zelf wist.

Met de grootste dienstwilligheid antwoordde hij op haar minste vragen, en troostte haar bij gelukkige voorspellingen. Intussentijd was Adolf uit de zaal gegaan om zijn zuster Maria over zijn vertrek te onderhouden, en had geboden dat men zijn paard en zijn wapens tot de reis zou klaar maken. Ook had hij zijn tocht aan een trouwe dienaar bekendgemaakt, opdat hij hetzelve aan Deconinck en Breydel zou boodschappen, en om hun waakzaamheid over de jonge Gravin te roepen; dit was echter onnodig, mits Diederik de Vos reeds met geheime bevelen bij de Deken der wevers geweest was.

Zodra Adolf in de zaal terugkwam, stond Diederik van zijn zetel op en sprak: "Mijnheer Van Nieuwland, ik mag hier niet lang meer blijven, derhalve verzoek ik u een weinig geduld om aan uw gelaat de nodige ouderdom te geven. Vrees niet dat iets u schaden zal, en laat mij zonder stoornis begaan."

De ridder plaatste zich op een zetel voor Diederik, en liet het hoofd achterover hellen. Machteld die niet bedenken kon wat dit mocht beduiden, stond met de ogen opgespalkt en vol verwondering nevens hen, zij volgde nieuwsgieriglijk de vinger van Diederik, welke op het aanzicht van Adolf menigvuldige grijze vlekken en zwarte lijnen tekende. Bij elke trek verstomde het meisje meer en meer, want het wezen van de ridder veranderde, en kreeg iets dat haar de gelaatstrekken haars vaders herinnerde. Het hart van de Jonkvrouw klopte onstuimig van dit wonderwerk. Na al de lijnen en vagen wel getekend waren, bevochtigde Diederik de wangen en het voorhoofd van Adolf met een blauwachtig water, en gebood hem op te staan.

"Het is gedaan," sprak hij, "gij gelijkt aan Mijnheer Van Bethune alsof dezelfde vader u beiden had geteeld, en indien ik zelf u zo niet had veranderd, zou ik u met de doorluchtige naam van de Leeuw begroeten; ja, ik ben met eerbied voor uw nieuw gelaat ingenomen, geloof mij."

De jonge Machteld stond sprakeloos en als verdwaald voor Adolf: haar ogen kon zij niet verzadigen, en zij bezag beurtelings de twee ridders, gelijk iemand die naar het raadselwoord van een onverstaanbare gebeurtenis vraagt. Nu geleek Adolf zo nauwkeurig aan Mijnheer Van Bethune, dat zij genegen was te geloven, dat haar vader wezenlijk voor haar stond; zij dorst echter deze twijfel door woorden noch gebaren te kennen geven, want sedert enige uren vreesde zij de liefde van Adolf te zeer.

"Heer Van Nieuwland," sprak Diederik de Vos, "indien gij uw edel voornemen gelukkig wilt volbrengen, is het raadzaam dat wij deze plaats verlaten, en dat gij spoedig vertrekke; zo een vijand of ontrouw dienaar u onder deze gedaante ziet, zijt gij in groot gevaar van uw leven zonder vrucht bloot te stellen."

Adolf begreep de redelijkheid dezer woorden, en staarde met droeve blikken op Machteld.

"Vaarwel o edele Jonkvrouw!" nep hij, terwijl een warme traan op zijn wang rolde, "Vaarwel, en denk soms aan uw dienaar Adolf."

Het is onmogelijk te zeggen hoezeer het meisje bij die woorden ontroerd werd. Wanneer de jonge ridder haar bekendmaakte dat hij naar Bourges zou gaan, om Mijnheer Robrecht in de kerker te vervangen, had zij slechts de schoonste zijde; nu zij zag dat de man welke haar zo lief was, haar op staande voet ging verlaten, beneep haar hart zich met een grievende wanhoop. Zij riep: "Wat betekent dit! Waartoe dit plechtig vaarwel? Zal ik u niet meer zien, Adolf—en wilt gij mij doen sterven? O blijf hier—verlaat mij niet, ik bid u, gij, mijn enige troost, mijn enige vriend op aarde, aanhoor mijn spreken; want zonder u, Adolf, kon ik niet meer leven!"

Welke drift was nu de sterkste in het hart des ridders? De vervoerende blijdschap, welke deze liefdewoorden hem gaven, of de droefheid die hij bij 's meisjes druk gevoelde? Smart en wellust verwisselden zich in hem, en hij werd door diepe aandoening geschokt; nochtans kon dit hem geen ogenblik aan zijn aanloffelijk voornemen onttrekken. Hij knielde nogmaals voor de jonge Gravin en zuchtte: "O Edelvrouw, geloof mij, het pijnt mij evenzeer u te verlaten. Een groter geluk zou mij ten deel vallen, indien ik mijn leven als uw dienaar en knecht in uw bijzijn kon verslijten, maar uw heer Vader mij in de kerker wacht. Vaarwel dan, bedroef u niet in mijn afwezendheid, zij moet u zoveel zoete vreugd toebrengen."

De wezenstrekken der Jonkvrouw veranderden eensklaps van uitdrukking, en zij viel uit: "Mijn dienaar en knecht? Gij, o edele Adolf? Neen...!"

Met opgetogenheid en als uitzinnig wierp zij zich vooruit en liet zich tegen de borst van de Jonker vallen; haar twee armen dan om zijn hals slaande riep zij: "Ga, mijn lieve Adolf, verdien de achting mijns vaders, gelijk gij mijn liefde hebt verdiend.—Ja, dit geheim heeft lang onbekend in mijn hart gewoond; maar nu gij mij verlaat, nu kan ik het niet meer in mijn boezem besloten houden. Hoor Adolf: ja ik bemin u!—Niet als een zuster, met meer kracht, met onrustige drift. Deze bekentenis zij u een beloning, een troost op een eenzame baan, en belette u bij een goed werk te lijden. Dit is het inzicht dat mij mijn plicht zo ver doet vergeten. Gij Diederik, ontvang van mij de last dit geheim aan mijn vader bekend te maken—zeg hem dat ik zijn genade voor dit verbreken met onderwerping tegemoet zie."

"Gij engellijke Jonkvrouw," zuchtte Adolf met doffe stem, "gij overlaadt mij met onuitsprekelijke vreugde. Ik kan dit onverhoopt geluk niet dragen; de krachten ontgaan mij, neen, mijn ziel is niet voldoende voor zulk een innig genot...."

De Jonker leunde bij dit gezegde met de elleboog op de rug van een zetel. Hij was waarlijk zodanig ontroerd dat het leven in hem scheen op te houden. Machteld liet haar handen bevend over zijn wangen gaan, en poogde hem door meer strelingen te versterken. Opeens barstte een vloed van wellusttranen uit de ogen van de gelukkige Adolf, en dan eerst kon hij de tedere Jonkvrouw weder tegen zijn hijgende borst drukken.

Met medelijden en bewondering had Diederik dit toneel van zuivere liefde aanschouwd. Denkende dat het tijd was om een einde aan die driftige uitstortingen te stellen sprak hij: "Mijnheer Van Nieuwland, het dunkt mij dat gij u niet over het lot te beklagen hebt. Hoe zeer het mij pijnt uw geluk te verstoren, moet ik u echter van elkaar scheuren; want daar hoor ik de paarden op de voorhof briesen en met de voeten stampen. De tijd verloopt!"

Machteld ontknoopte de groene sluier die in haar hulsel hing, en gaf dezelve met een minnelijke glimlach aan de Jonker.

"Daar!" sprak zij, "Dit diene u tot gedachtenis dergene die aan u gedurig zal denken. Dit is mijn geliefde kleur."

De ridder ontving dit pand op de ene knie gebogen en bracht het met een dankbare blik aan zijn lippen.

"O Machteld!" riep hij. "Ik heb deze gunsten niet verdiend, maar kome eenmaal het ogenblik dat mijn bloed voor het Huis van Vlaanderen moge stromen,—dan zal ik mij uwer waardig maken, of de dood zal mij het onverdiend geluk ontroven...."

"Mijnheer! Het is tijd, ik bid u, staak uw dankzeggingen," viel Diederik uit.

Hierbij voegde hij een gebaar dat als een onherroepelijk vonnis de gelieven met pijn beving. Zij onderwierpen zich aan het lot: "Vaarwel Machteld."

"Vaarwel, mijn Adolf."

En de ridder ging zuchtend uit de zaal. Op de voorhof gekomen zijnde klom hij en ook Diederik in de zadel;—enige ogenblikken later liepen twee paarden met weergalmende stappen door de eenzame straten der stad, totdat zij onder de Gentpoort verdwenen.


11