Zachter nog, terwijl hij Johan Doxa in de kamer duwde, sprak hij:
—"Ik heb in gebed den avond en den nacht aan de sponde van uwe vrouw doorgebracht."
Het docht Johan Doxa plots dat hij geene beenen, geen armen, geen lichaam meer had. Hij had geen gevoel van lucht, van koude of warmte. Een harde band spande hem om de slapen. Hij zag de vier hooge kaarsen die brandden aan de vier hoeken van het bed.
Toen ook, daar staande in openbare dronkenschap, zag hij het witte kussen, het witte roerlooze gelaat van Julia, de witte handen gevouwd in vroome houding op de blauwe sargie, en het ivoren kruis dat uitarmde, ernstig tot onder de puntige kin.
Lieven Lazare, het hoofd buigend, zei:
—"God beproeft ons uitermate. En Hij treft ons in onze zonden.... Laat ons knielen, Johan!"
En dat deed Johan Doxa gehoorzaam, maar hij dacht al door:
—"Dat is toch een zonderling dingen, niet waar? Het water dat zoo angstig was ... en de roode kousen over de groote handen ... en het kindje heb ik wel gezien! De vrouw weende over het kindje.... Wel! wel toch! Wat een rare boel!..."
Zijne oogen bleven strak op Julia's gelaat gevestigd. Zijn geest puntte op Julia's gelaat.
—"Goede God!" fluisterde hij.
Hij begon halfluide te bidden, en sloot smartelijk zijne oogen.
De tranen, die over zijne bolle wangen rolden, vielen op het dunne leder van het trommelken, hetwelk aan Johan's buik hing, en waarlijk scheen gemaakt te zijn om dergelijke kleine klopjes te ontvangen.
Julia werd door moeder Doxa met vroome zorgzaamheid gewasschen en gekist en Johan begroef haar op den derden dag, zooals het behoort. Nu bracht hij eenzame en talrijke uren om, in 't besef van zijne schuld en het docht hem daarbij dat een zeer luid sprekende wroeging hem kwelde. Dat duurde haast meer dan eene week. Dan verliet hij de kamers die het tooneel waren geweest van zijne diverse huwelijkservaringen en ging weer bij zijne moeder woonen, in het speelgoedwinkeltje van de Zes-penningenstraat.
Eene kleine maand later ontving hij van Lieven Lazare, den godvruchtigen panfletschrijver, den volgenden brief:
—"De Hemel, Johan, duldt niet langer dat ik mijn hart voor u gesloten houd. Aldus wordt door eene goddelijke inblazing het besluit gebroken dat ik in een oogenblik van rechtmatigen toorn ten uwen opzichte genomen had. Misschien is het waar dat ikzelf vreemd ben aan het opmaken van dezen brief. Misschien veracht ik u morgen even diep als ik u gisteren heb veracht. De adem althans, die door mijne woorden gaat, schijnt niet de mijne te wezen, en ik gehoorzaam aan eene geweldige bezieling zooals die ander? Lazarus gehoorzaamde toen Iemand, wiens donderende naam geen weergalm meer vindt in uw geheugen, hem gebood recht te staan uit den dood.... Beste Johan, het blijkt dat de schrikkelijke gebeurtenissen die God zelf voor uwe redding had beraamd, u niet tot inkeer hebben gebracht. Het is als of niet Hij, maar de Duivel u zou tot weduwnaar gemaakt hebben. Gij wandelt door de stad en niets in uwe houding verraadt dat de heilige Michaël u onlangs met het bliksemende vlammenzwaard heeft getroffen. Men ziet u rustig en kinderlijk kuieren langs de straatjes van Onze-Lieve-Vrouw-te-Rooje. Gij blijft met welbehagen lanterfanten in de nabijheid van spekslagerijen, en duwt uw neus tegen de ramen plat om met gulzige oogen het afschuwelijke schouwspel van hespen en worsten op te vangen. Gij loert de honden na, die snuffelend malkander nadrillen, en hun cyniek bedrijf wekt uwe belangstelling uitermate. Vermoedelijk hebt gij in den winkel van uwe beklagenswaardige moeder ook marbels gestolen, want op het Vossenplein heeft men u zien spelen met schoolkinderen. En elken dag, rond half-zeven, staat gij voor de Old Curiosity Shop de keukenreuken op te snuiven, en ontvangt dan door de traliën van 't keldervenster een dampend pakje uit de hand van Anatole.
"Ik ween van schaamte wanneer ik hoor verhalen hoe ge, ontdaan van alle menschelijke waardigheid, in de Kapellewijk de tonnen doet klinken.... Johan, Johan, aanzie uwe zonden, eer God de ultieme en onherroepelijke straf uitvaardigt. Ik sta verbaasd bij 't aanschouwen van Zijne matelooze lankmoedigheid—maar wee u! als straks over u Zijne alverteerende gramschap losbreekt!... Ik ben gezonden door Hem, Johan, ik kom tot u met de boodschap der Goddelijke verzoening. Nader ootmoedig den drempel der eeuwige Kerk, Johan. Nog niet als Job draagt ge potscherven in wonden van berouw, maar belaad nu uw hoofd met uw mesthoop en snoer uw reistasch rond uw hart. Nader, Johan, met den stank van uwe naaktheid en de vloeken van uwe wanhoop het gouden tabernakel waar Krist, die gekruizigd werd, thans Zijn eeuwig leven viert. Hem rijkdom, roem en liefde opofferen verblijdt Zijn hart niet zoo zeer,—dat hart omkransd met doornen ...—maar offer Hem de zoete genuchten van uwe zwakheid en de brandende lusten van uw geil vleesch: dat is nog uw eenig bezit, en zoo, waarlijk, wordt ge de armste aller menschen. God, Johan, heeft de armen lief...."
Tot daar kon Johan den brief zonder bezwaar doorlezen. Nu echter begon hij te pinkoogen en, alsof het daglicht op de letteren verflauwde, ging hij naar het venster en boog zijn hoofd voorover, tot tegen de koude ruit. Gouden sterretjes regenden allerzijds. Maar algauw las Johan Doxa verder:
—"De Heilige Geest vleugelt in mijne woorden, en ik zeg het u, ellendige vriend: Jesus is een eindelooze zee van genade, een zee die alle wrakken dragen kan. Neem tijdelijk afscheid van uwe moeder—wat toch heeft eene moeder van een zoon die zelf voor God verloren is?—en vertrek van huis. Gij zult in het Franciscaner Klooster van de Miniemenstraat eene heilzame retraite doen. Ga.
"Klop nederig aan de groote poort. Het is een heilig huis en pater Hilarius, dien ik gewaarschuwd heb, zal u met medelijden ontvangen. Toef niet. Het ontzaglijke geluid van Hem, die mijne ziel opnieuw in lichtelaaie zet voor u, davert op mijne tong en ik roep het u toe, armzalige Johan: toef niet, toef niet; uwe dagen zijn geteld!"
De brief hield op te beven in de hand van Johan Doxa. De brief gleed ritselend langs de witte venstergordijntjes neerwaarts en kwam zacht, gelijk een dubbele vlerk, op het plankier terecht. Hij ging liggen naast een sikkelvormige oranjeappelschil. En Johan keek op, door 't raam, naar den hemel die lichtblauw over vuile daken was uitgespannen. Hij stak zijne handen in zijne broekzakken. Met den wijsvinger van zijne rechterhand raakte hij er 't benageld paviljoentje van een kletsdop. Maar hij vond geen neusdoek om zich te snuiten.
Johan Doxa zat 's avonds met zijne moeder in het kleine achterkeukentje dat bij den winkel aanpaalt. Moeder Doxa had den winkel gesloten en bereidde zich om de keukenlamp aan te steken. Johan zei:
—"Maak geen licht, ik bid u. Ik heb u iets te zeggen, lieve moeder."
Ze zaten aan weerskanten van de oude Leuvensche stoof, en de stoof zong, en het was heerlijk donker. De buik van de stoof glom gelijk een reusachtige, zacht-blozende pronkappel. Een purperen glanzing gleed over het vriendelijke aangezicht van moeder Doxa, over hare gevouwen handjes, over haar hoogen boezem, over haar bolle knieën,—en eenderlijk kwam uitgloeien langs de ronde wangen van Johan, langs de mooi-versierde pijp waaruit hij rookte, en tot op de randen van zijne lompe schoenen, die daar nevenseen op den vloer stonden en waarnaar hij keek alsof ze anderman's voeten omsloten.
—"He-wel?" vroeg eindelijk moeder Doxa, en het trof hem hoe minzaam ze was. Hij antwoordde niet seffens. Hij had de gewoonte om lang te dubben eer hij een besluit nam en dan toch besluiteloos te blijven. Maar moeder Doxa drong niet dadelijk aan, want ze kende haren jongen. Hij dampte maar.
—"Zie, moeder," zei Johan, "ik zou mij moeten beteren. Ach, ik weet wel, gij denkt niet dat ik slecht ben. Gij weet niet, gij weet alleen van een kindje dat ge in uw schoot gedragen hebt en dat zoetekens aan uwe borst heeft gehangen. Maar al groeiende is hij ver van u geraakt, en hij is nu een groote zondaar, en hij moet God vreezen."
—"Gij zijt niet slecht, gij zijt misschien lui," meende moeder Doxa goedig.
—"Ja, ik ben lui," zei Johan, "en nog iets anders ben ik, maar ik ben waarlijk lui."
Hij bloosde erg. Telkens als hij ergens zijn eigen ontdekte bloosde hij zoo.
—"Na den dood van uwe vrouw," hernam moeder Doxa en zij maakte het teeken des kruis, "heb ik gedacht: nu gaat mijn jongen weer aan 't werk, want hij is krachtig en jong, nu gaat hij schoone schilderijen maken, en we zullen alle twee gelukkig zijn. Ik dank den hemel dat het eindelijk toch zoo gebeuren zal."
Johan keek niet op naar heur en zei:
—"Ge zijt edel, beste moeder. Wanneer ge zoo spreekt voel ik eerst hoe diep ik gezonken ben, maar...."
Hij aarzelde. Hij zocht naar woorden, gelijk een dronkaard naar het sleutelgat zoekt. Hij vond in zijn geheugen een half-uitgevaagden zin van Lazare's brief en pruttelde:
—"... maar, moeder, Jesus is een zee van genade, waarin ... waarin ik zou kunnen verzuipen ... als ik niet oppas."
—"Ja, Jesus is zoo goed als men maar denken kan."
—"Zoo zegt ge. En nu moet ik in de Miniemenstraat, bij de Capucienen eene retraite doen. Dat duurt nog al lang. Ik weet niet hoelang dat het eigenlijk duurt."
—"Lang?... En wat is dat dan, eene retraite?"
—"Eene retraite?... Weet gij niet wat eene retraite is, moeder?"
Hij vond het heerlijk dat moeder Doxa zoo luchtig de boodschap aanvaardde en omdat zij, de goede ziel, zelfs niet wist wat eene retraite was, lachte hij stille hare lieve onwetendheid tegen. Maar hij wist ook niet wat eene retraite was.
—"Kom, kom, moedertje," deed hij, "bekommer u niet om mij. De paters zullen mij niet opeten. Ik moet een beetje boeten, een beetje te communie gaan en mis hooren, en dergelijke meer. Ik kom zoo frisch als een botvink terug."
Hij betastte zijn wegend buikje en zag de kleine vleeschkuiltjes van zijne handen rozig aanglimmen onder de heete kaak van den kachelpot. Inderdaad geloofde hij zelf niet wat hij daar vertelde. In zijne meening moest de retraite iets schrikkelijks zijn, vermits Lieven Lazare ze hem als eene straf opgelegd had. Hij had er den heelen middag met angst over nagedacht: het klooster zou hem eene donkere gevangenis zijn en de Franciscanen akelige cipiers. Hij moest er voorzeker op roggebrood en lauw water leven. Er was daar geen lucht. 's Nachts hoorde men er vreeslijke geraamten rammelen, en 's morgens moest men naakt in zijn celletje staan en er zichzelf met knoestige riemen afranselen. Hij betastte zijn buikje als om het voor eeuwig vaarwel te zeggen, met een zucht....
—"En wanneer vertrekt ge?" vroeg moeder Doxa.
—"Morgen vroeg."
—"Ha!... morgen vroeg."
Beide verzonken in gepeinzen. De moor zong nu ook, die op de stoofbuis stond.
Na een nacht vol ijselijke droomen, rees Johan Doxa uit zijn bed. Het was een grijze dag. Achter het kleine vensterken nevelde een miezelregen. Terwijl Johan zich aankleedde en precies op het oogenblik dat hij zijn hoofd voor de eerste maal in de waschkom gestoken had, begon waarlijk zijn druppende neus in de lucht om te snuffelen. Er ging ongetwijfeld door de kamer een smakelijke geur van spek en eierkoek.
—"Dat is raar," dacht Johan Doxa. Hij was gauw gereed en kwam de trap af. De keuken dampte van weelde.
—"Moeder," zei hij, "gij zijt al te goed."
Maar moeder was bezig aan een groot pannengedruisch en knikte hem lachend tegen. Daar stond feestelijk op tafel het prinselijk gerecht.
—"Moeder, ik zal het nooit vergeten...."
—"Gij dwaze jongen," zei de moeder, "zwijg maar liever en eet."
Hij at tot zijn ronde kin ging glanzen en toen hij gegeten had en, rechtstaande, hem het aardige gevoel der spannende broekgesp omdeed, nam hij zwijgend zijn hoed aan den kapstok. Moeder Doxa stond te midden van den vloer en glimlachte.
—"Allee, beste Jan," sprak ze, "ga nu—ik heb Onze-Lieven-Heer voor u gebeden."
Hij kuste haar en ze stopte hem rap een vijffrankstuk in de hand. Hare vingeren beefden.
—"Neen, neen," stotterde Johan terwijl zijn hart in tweeën brak.
—"Ssjt! mijn jongen ... ik kan ze nu beter missen ... dan gij."
Ze vergezelde hem tot op den drempel van het winkeltje. De dag aaide langs het speelgoed om haar. Johan kuste haar nogmaals en zei:
—"Goedendag, lieve moeder, tot weerziens."
Ze knikte aldoor met heel kleine oogjes, en, plots, wendde zich af, naar binnen.
En door het mottige weer begon Johan zijn boetvaardige reis. Hij stapte op langs kleine steegjes en zou gauw de Miniemenstraat bereiken. Reeds was hij het Vossenplein voorbij en zag, boven een lagere brokkeling van daken, het fijn uitgesneden klokketorentje der Kloosterkapel. Hij bleef staan, als om zich te bedenken. Hij bedacht zich en bleef gedachtenloos. Kleine verschrikkingen schoten als electrische schokjes door zijn lichaam, en toen kwam een licht bedaren in zijn hoofd dat zei:
—"Ge hebt nog een beetje tijd, Johan, waarom moet dat alles zoo vlug gaan?"
Ook voelde hij nu het vijffrankstuk op de palm van zijne hand plakken en hij trof dadelijk eene prachtige uitkomst.
—"Ik heb daarbinnen," beweerde hij, "geen geld noodig—geld is duivels goed, en moederken kan ik gelukkig maken met 't een en ander, dat ik haar opsturen wil."
Het klokketorentje verdween uit zijne oogen en hij stapte links om, naar de Steenpoort en de Groote Markt.
Op den Steenpoortweg stonden er karretjes met mosselen, met citroenen, met oranjeappelen en met groenten. Hij keek er niet naar om. Hij ging voor de peperkoekwinkels staan en begon met kinderlijk welbehagen te kiezen. Hij koos een peperkoek dat in den vorm van een mooi hart was uitgesneden en op de randen geheel met lekkere fruitschellen omlegd. Hij besloot binnen te gaan, maar wilde vooreerst uitkijken naar een loopjongen, die het geschenk aan moeder brengen zou.
Er liepen daar vele jongens rond. Johan Doxa beproefde om op hunne gezichtjes te lezen hoe eerlijk ze waren, en hij bevond dat hij behoefde daaromtrent waarlijk zeer ongerust te zijn. Eene gelukkige ingeving dreef hem naar een kleine kroeg, waar hij een druppelken brandewijn dronk. En luttele beslissingen wisselden malkander ondertusschen af in zijn geest. De kroegbaas zei:
—"'t En zal vandaag niet ophouden met regenen, kameraad."
—"Dat zou ik ook gelooven," antwoordde Johan Doxa.
Een vochtig gevoel kwam over hem, en hij bestelde een tweede glaasje, en naderhand een derde. Dan, terwijl hij betaalde, zag hij moeder's zilverstuk plots op den toog liggen. Gedurende één oogenblik haatte hij het wisselgeld dat hij ervoor terug kreeg.
Hij bedacht nu dat er in de Boterstraat meer fijne winkels waren en daalde langs de Steenpoort naar de middenstad. Een zwaarbeladen koolwagen rolde hem vóór. Bij elk geschok der trage wielen rolden stukjes glinsterend kool over de zwarte berden. Er viel ook een groote brok en Johan raapte haar op en bracht haar bij den voerman. De voerman had een ruigen rosten baard en stak zijne breede hand uit, bespannen als met een bruin-lederen vel. Toen struikelde het paard en stortte voorover op de steen en. De kar dook met hare lompe tremen die ze met een doften slag sloeg tegen den grond.
—"Nondidju!" vloekte de voerman.
Er was seffens een groote toeloop van menschen. Een man ging met zijn knie op den kop van het paard zitten. De riemen werden haastig ontgespt. Stemmen klonken dooreen. Een politieagent dreef het aanzwellende volk achteruit. Johan Doxa stond met het groote stuk kool in zijne armen. De politieagent riep in zijn verschrikt gelaat:
—"Wilt ge, potverdomme, de kolen laten liggen, gauwdief!"
Johan werd de prooi van eene geweldige aandoening; zijn last rolde over zijn buiksken aan zijn voeten en hij wilde vluchten. Hij week door de menigte heen. Hij voelde van allen kant oogen op hem gestoken en kinderen schreeuwden hem achterna. Hij kwam in een klein ledig straatje, gelijk een drenkeling een oever bereikt. Hij zat nu in een herberg zijn eigen te betasten en met langzame proefnemingen de zekerheid op te doen dat hij nog armen had en beenen en een hoofd. Zonderling grijnzend lachte hij de waardin tegen die, gelijk een afschuwelijk gevaarte, naar hem toe stapte.
—"Dat zijn dingen, hee?" stamelde hij onnoozel.
En daar de waardin, zonder begrijpen maar met zachte gedienstigheid, medelachte bestelde hij eene flesch geuze-lambik, en vroeg bang:
—"Wilt ge ook meedrinken, als 't u belieft?"
Ze wilde wel. Ze kreeg een kokette blos, die haar goed stond, en ze dronken samen. De waardin bekeek haar eigen in den spiegel, die recht over den toog hing, en schikte vluggelings de krulhaartjes op hare slapen. Ze had dikke armen.
—"Ik geloof," zei Johan vriendelijk, "dat die regen van den heelen dag niet meer ophoudt."
—"'t Zou wel kunnen," zei de waardin, "de barometer zakt."
—"Ja, 't is ook 't seizoen," hernam Johan.
De waardin reikte hem den tooghanddoek over en meesmuilde:
—"Ge zijt een beetje vuil over uw voorhoofd."
—"Ikke?"
Hij was zoo vuil als iemand zijn kan, die voortdurig met twee koolzwarte handen in zijn beregend aangezicht heeft gewreven. Uit schaamte vroeg hij een tweede flesch geus. En ze dronken. En ze praatten over kleine, ledige zaken.
Johan Doxa vertrok bij noenstond. Toen hij te midden van de Groote Markt stond, vroeg hij zich af wat hij hier kwam doen. Hij keek wonderlijk op naar de gulden gildehuizen. Den top van den stadhuistoren zag hij niet, die onder de natte miezeling in eendere grijze kleur verging. Hij duwde zijn hoed tot tegen zijne ooren en stelde vast dat hij honger had. In de nauwe Peper-en-Zoutstraat trof hij eene bescheiden gelegenheid en hij at er substantieel genoeg, schoon zonder gulzigheid, gelijk het hem docht dat aan een zondaar in pelgrimstocht betaamt.
—"Thans," mijmerde hij binst de koffie, "bezit ik nog twee en twintig en een halve cent, en ik weet waarlijk niet wat ik ermee zal doen."
En, voor hij naar het Klooster der Miniemenstraat toog, dronk hij ermee een grooten druppel cognac, want zijn moederken had hij, ik weet niet hoe, geheel en al vergeten.
Hij vatte beslist de koperen schelknop. De luide bel weerklonk meer in het hart van Johan Doxa, dan in de wijdgalmende vestibule. De pater-poortier die eerst het spioenraampje had opengeschoven, opende nu ook de zware deur. Het Klooster gaapte in het aanschijn van Johan Doxa.
—"Kan ik," vroeg hij met bleeke stem, "den eerwaarden pater Hilarius spreken? Ik zou gaarne eene retraite doen."
De pater-poortier was, buiten Johan's verwachting, zoo minzaam als men zich denken kan dat ooit ter wereld een kloosterpoortier mag zijn. Hij had eene uiterst discreete houding en, ware 't niet dat zijn gelaat hoog-gezond opbloeide boven den zwarten baard, scheen uit loutere welgemanierdheid weg te schemeren in de schaduw van de poort. Het bloeiende gelaat echter glimlachte en twee fijne muis-oogjes daarin wenkten vriendelijk: "welkom ... welkom...."
De zware deur, die achter Johan met een eiken klop dicht kwam, sloot meer dan het somber gebouw: het docht hem dat de gansche wereld nu voor altijd was gesloten. De pater-poortier ging voor en leidde Johan Doxa in eene kleine spreekkamer, die ineens vol blauwig licht was. Er stonden een paar nederige stoelen en aan een witgekalkten wand hing een groote Kruislieven-Heer. Daar liet men hem alleen, ruim drie kwartier-uurs. Hij draaide zijn natten hoed stille in zijne handen. Hij stond in een ring van regendroppen, die gelijk donkere starretjes rond hem waren gespreid. Er walmde een muffe salpetergeur.
Pater Hilarius had een streng, doch niet weerbarstig uitzicht. Een grijze ronde baard, wat stoppelig, omkleurde een mat gelaat waar grauw-groene oogen als dood lagen en dat alleen—dan heel sterk—bezield werd door den vorm- en schaduw-rijkdom van een geweldigen arendneus.
—"God zij met u," sprak pater Hilarius, "zijt gij Johan Doxa? Ik ben Hilarius."
Johan keek onwillekeurig om. De stem scheen uit de muren te vallen. Hij zou er in elk geval een eed op gedaan hebben dat ze uit den roerloozen mond van pater Hilarius niet viel. Toen echter deze pater voortging met eene lange rede waarin de naam van Lieven Lazare, van Jesus, van den heiligen Franciscus beurtelings voorkwamen, heroverde Johan van lieverlede de kluts die hij kwijtgeraakt was. Hij besloot maar te berusten in het onvermijdelijke, liet zich gewillig bepreeken, knikte moedig de les toe waaruit hij geen ander nut zou trekken dan dat hij zich bereid voelde zelfs tot den dood.
Pater Hilarius, nadat hij uitgesproken had, zei:
—"Gij zijt dweilnat, dunkt me. Ge moet eten en u verwarmen. Volg me."
Het was minder een gevoel van eerlijkheid dan de vrees voor wat hij hier te eten zou krijgen, die er Johan toebracht ineens den pater bij de harde mouw te pakken.
—"Nee," deed hij angstig, "ik bid u, geen eten. Gij zijt al te goed."
Hij kwam in eene ruime zaal. Er was een breede schouw met een lekker vuur.
—"Zet u, en warm u," zei de pater. Johan zette zich en bleef daar weer nagenoeg drie kwartier-uurs alleen zitten. Hij werd heerlijk warm en zijne bolle kaken gloeiden. Het werd zoetekens avond en Johan zag een prachtigen zonsondergang in de laaie karbonkels van den open haard. Hij werd eindelijk zoo rustig als een onschuldig mensch.
—"Pater Hilarius is vreeslijk mager," dacht hij op slot van rekening, "maar de pater-poortier is zoo vet als een das."
Hij kon bijgevolg nogeens zijn eigen buikje zonder voorbarige benauwdheid in oogenschouw nemen en wachtte gelaten de gebeurtenissen af.
De klok uit het torentje begon te kleppen. Pater Hilarius verscheen en noodigde Johan Doxa uit om mede in de Kapel lof te hooren. Johan heeft zich daar overdadig vermaakt.
Niets ooit in zijn leven had hij gezien dat zoo mooi was als het kleine kerkje. Het kerkje was geheel omdaan met eene fluweelen donkerheid, waarin de bevende glanzing van fraaigeregelde kaarsenreken speelde en aarzelde en langs gouden diepten zwevend verging. Maar stilaan zag Johan in de zwaarpurperen schemering de dikke pilaars opklaren en ginder hooge wattige gewelven dragen. De muren begonnen zacht te glimmen. De outer werd zichtbaar en heerlijk. En alles, al wat hij zag, was met wondere polychromiën versierd. Het werd hem, hoe meer hij toekeek, zoo rijk en koninklijk dat zijn hart er week en gulzig bij aan het dansen ging.
Dan, al rondom hem, herkende hij de ronde bruine ruggen van de capucienen. De orgel zette aan. De Kapel kwam vol met vleugeltjes van vogels.
—"O God," bad Johan Doxa gevoelig, "ik zou willen een pater zijn!"
Hij verachtte zijn baardelooze kin.
Maar na den dienst werd hij, langs duistere gangen, in eene nauwe cel gebracht. Men hing een damping kaarslantaarntje aan zijne hand, en wanneer hij alleen was, voelde hij eene bittere triestigheid zijn gansche wezen overvallen. Waarom moest dat nu zoo gaan? Waarom moest hij verlaten wezen? Waarom hadden die menschen zulke kleine hokjes gemaakt?
Hij ging op het ijzeren beddeken zitten en blies de kaarslantaren uit.
Johan Doxa, neerliggend in den donkeren avond, volgde met luien geest een varenden snoer van gedachten.
—"Ik geloof niet," mijmerde hij, "dat er voor mij in dees Klooster eene uitkomst is. Ik ben te zeer beladen met zonden. Van het drooge brood, dat men mij als een prop in de keel zal steken, spreek ik niet. Maar het pompwater? Wanneer ik zal tot op de pees uitgedroogd zijn, en wanneer ik zal bezig zijn mijne ribben te tellen, wat rest mij dan nog dan dood te gaan? Ik kan mij nauwelijks inbeelden dat Onze-Lieve-Heer zich meer wil erbarmen over een pannelikker dan over een smeerbuik. Maar Zijne inzichten zijn verborgen en ik ben inderdaad door en door slecht. Ik zal bidden om veel moed te krijgen, en God helpt niet waar men zijn eigen niet helpt. In deze gevangenis zal ik wel eene spinnekop vinden, en ik wil ze tam maken en haar allerhande kunstjes aanleeren. Het lieve dier zal mijne gevangenschap bekoren. Ik zal een aardig wagentje bouwen waar ik haar inspannen kan. Zij zal aan een fijne draad 's nachts komen hangen boven mijn aangezicht. Ik houd niet veel van muizen, anders zou 'k gaarne ook een muisje dresseeren. De staart van eene muis is zoo vies dat ik er niet aan denken durf. Ze zullen mij waarschijnlijk groote latijnsche boeken geven om in te lezen. Roode en zwarte letters zijn mooie dingen, maar ik zal toch niet lezen in zulke boeken, vrees ik. Zullen ze ook een doodshoofd aan mijn voeteinde leggen? Er zijn twee dingen die ik, behalve een doodshoofd, voor mijne oogen niet verdragen kan: een zeisen en een zandlooper. Ik heb mijne pijp thuis gelaten. Dat is heel goed zoo, Johan. Die menschen weten van geen tabak te spreken. Altijd wierook, altijd wierook. Wanneer mijne retraite uit is, hoop ik dat Anatole mij weer eene van die dikke sigaren mag geven, gelijk de oude heeren smooren in de Shop. Maar ach! ach! ik zal nooit van mijn leven meer kunnen rooken!... Morgen komen ze met koorden aan en ik zal mij moeten kastijden ten bloede. Ze zullen azijn over mijn mond gieten. Ik zal blootsvoets naar de kerk gaan.... Wanneer heb ik den laatsten keer mijne voeten gewasschen?"
Hij lag zeer rustig. Er zweefden nog twee drie lichte gedachtekens voorbij en hij fluisterde:
—"Sakkerloot...."
Toen sliep hij vast in.
De Kloosterklok was bezig met volle geluid als Johan Doxa wakker schoot. De cel was vol licht, alsof daarbuiten een liefelijke Lente gebeurende was. En waarachtig: door 't kleine raam zag Johan een stuk hemel heerlijk-blauw, bespot met witte krullende wolkjes en overstraald met zonnegeweld. Hij ging op zijn bedde staan en keek uit langs het venster. Wat zag hij daar voor moois?...
De binnentuin van 't Klooster lag vierkant tusschen de met mos en veil begroeide gevels te leven in prachtig kleurengedoe. Er was veel laag groen waar zes ronde perken tulpen bloeiden. Net geteekend en effen van verve, ringden er omme de safraangele kiezelpaadjes. Van uit Johan's venster, leek de tuin een vurige rozet, gelijk men er vindt op bonte ramen van kathedralen. Als een bruine mier kroop een pater-hovenier er over. Zijn rozige schedel was gepolijst.
Toen werd Johan Doxa vervuld met eene eindelooze vreugde.
—"Hee-la!" riep hij luid.
Hij schrok bij den klank van zijne stem en trok zich schielijk terug. Daar zag hij een rosten capucien op de zuil van zijn celletje staan.
—"Goeden morgen," zei de capucien minzaam, "ik ben de pater-hotelier."
Van uit de hoogte waar hij zich geheven had, keek Johan Doxa hem aan, plotseling duizelig wordend. Langzaam hurkte hij op zijn bed neer, in de meening dat zulke trage inkrimping wellicht ongemerkt kon gebeuren en hem maken tot een fatsoenlijk mensch van normale grootte. De capucien stond goud-rost als een najaarsmiddag. Zijn kastanje-oogen blonken in een besproet gelaat dat weelderig was omhangen met een baard van duizend kurkvormige krullekens. Het was alsof een late zon schuin aanglom over heel dat harig hoofd, en over 't gele haar ook van zijne sterke handen. De capucien was dik en wel te pas.
—"En wat zoudt gij nu willen eten?" vroeg hij.
—"Willen eten?... Ha! willen eten, zegt gij...."
—"Ik heb hesp en Zwitsersche kaas en goede boter en roommelk. De koffie is klaar. Maar ge kunt ook thee krijgen. Onze thee is niet al te best, moet ik zeggen."
Daar de pater-hotelier glimlachte, lachte Johan Doxa mee. Hij lachte gedwongen, al peinzende: "dat is een geestige keukenbroeder, die aardige namen aan zijn pompwater geeft."
—"Ik zal koffie gebruiken, en hesp of zoo...." zei hij gekscheerend.
Maar hij viel niet omver van verbazing, toen, na de korte vroegmis, de heerlijke pater-hotelier hem voor een frisch-blanke tafeltje deed aanzitten, waar een soliede ontbijt was opgediend. Johan Doxa, moet ge weten, is nooit in zijn leven zoo verbaasd geweest dat hij ervan omver zou vallen.
Na drie dagen besloot Johan Doxa de overtuiging te aanvaarden, dat een retraite bij de Franciscanen eigenlijk behoorde tot een der aangenaamste tijdkortingen van de wereld. Hij kon zonder moeite gehoorzamen aan de regels van den huize, volgde gewillig alle kapeldiensten, hanteerde zoetekens zijn dikken paternoster en bladerde devotelijk in zijn kerkboek. Dagelijks moest hij een apart en stichtelijk sermoontje hooren van pater Hilarius, en hij deed het zooals een zieke de siroopdrankjes van den doctor inneemt. Maar zijn groote vrienden waren de kale pater-hovenier en de haar-rijke pater-hotelier.
Den pater-hovenier hielp hij de vele tulpen verzorgen in den zymetrieken tuin. Hij reekte en sproeide en weerde het kleine woekerkruid. Ze verstonden malkander goed, ofschoon de oude capucien geen woordje sprak en alles zwijgend te beduiden gaf met bevende gebaren van zijn voorzichtige hand. Te zamen versierden zij met klaterende bloemen de Lente die in den tuin van dag tot dag gulziger aan het leven ging.
De pater-hotelier echter zat in het hart van Johan Doxa gelijk op een troon. Hij was ook de majordoom van zijne maag. Hij kon dingen bereiden die de herinnering aan de geuren van de Curiosity Shop geheel uitvaagden. En hij had een wijnkelder. De retraite-verordeningen, zooals de pater-hotelier ze uitvoerde, waren zoet om dragen en indien God-de-Vader uit den hemel op Johan in dien tijd heeft neergezien, dan heeft hij moeten vaststellen dat deze boeteling zich gedwee aan al de gestrengheid der orde-geboden heeft kunnen onderwerpen. Een voortreffelijk berouw was blijkbaar het mystieke sieraad van zijne ziel, want het geweten van Johan Doxa was nu geleedelijk zoo rustig geworden, dat—om het met een stoffelijk beeld uit te drukken—zijne broek buiten alle verhouding te spannen begon.
De zevenden dag besloot pater Hilarius zijn familiaire preek met een voorstel dat Johan in verrukking bracht. Hij sprak:
—"Ieder moet den Heere loven naar zijne vermogens, mijn zoon. Even eerbiedwaardig als het statige lied van den nachtegaal, klinkt in zijne ooren de drooge roep van den krekel. Al wat ter eere van God opgaat in dank, behaagt Hem uitermate. Daarom dunkt mij, Johan, dat gij zoudt moeten denken aan het werk, waarmede gij Hem naar uwe beste krachten huldigen kunt. Ik meen bij voorbeeld—een schilderij...."
De tranen schoten Johan in de oogen. Hij omhelsde den pater niet, omdat hij zelden iets deed, waartoe hij vast was besloten.
Johan Doxa miek een schilderij. Het moest naar het aanvankelijk ontwerp, worden een beeld ten-voete-uit van den Heiligen Franciscus en het zou op den grooten outer van de Kloosterkapel prijken. Maar het werd een kleine Jesus, blond en rozig, gezeten op een kussen van weidebloempjes, de eene hand rustend op een blauwen wereldbol, de andere zegenend ten hooge geheven. Het hangt thans links in het kerkje, rechtover den preekstoel, als een ex-voto van blijvende schoonheid, voor alle tijden....
Terwijl Johan Doxa bij een hoog raam aan het schilderen zat, kwam de pater-hotelier op geregelde uren met hem een praatje doen.
Bij voorbeeld bracht hij hem een bruin-geboterd kipje en zei:
—"De pater-hovenier is nu met jacynthen bezig. Ik houd in het geheel niet van hem, Johan."
—"Ik hoop dat ge u vergist."
—"Ik houd niet van wat hij is, wil ik zeggen. Hij is een vrijheidschender. Hij zet al de lieve bloemen in perken, gelijk men kinderkens in kerkers zou steken."
—"Bloemen voelen dat niet. Zij bloeien maar...."
—"Wie weet? Vogeltjes sluit men ook op, en zij zingen maar...."
Johan liet zijne vork op den rug van het kipje rusten en keek verwonderd naar den pater. Hij dacht aan een vinkje dat hij overlang bezeten had en dat in zijn kooi was doodgegaan. Werktuigelijk zei hij:
—"En een eekhoorn houdt men wel eens in een traliëntrommel gevangen, en hij danst maar...."
Hij wendde zijn aangezicht naar 't open venster en blikte in het wijde azuur. En de pater vroeg:
—"Hebt ge geen eetlust, beste Johan?" Neen, hij had geen eetlust. Hij hoorde verre geluiden over den hemel gaan. En het werd hem ineens zoo droef te moede, zoo droef te moede, zoo eindeloos droef te moede....
Op een zondag-avond, na 't lof, lag Johan Doxa in zijne cel, op het nauwe ijzere bed. Het Klooster sliep. Johan lag met open oogen tusschen denken en niet denken. Was dat mijmeren? Was dat rusten? Voor de eerste maal sinds zijne aankomst bij de paters, lag hij zoo en glariede in de duisternis. Er kwamen geen beelden op, maar iets heel warms, gelijk eene onzichtbare pels, omdoezelde hem gansch. Zijne voeten en zijne handen gloeiden, en langzaam vergingen ze in donzigheid, en hij zou ze niet kunnen verroeren, want had hij nu nog handen en voeten? Hij voelde zijn eigen niet meer.
Het vensterken was niet dicht. Hij hield hel open omdat, van af eergisteren al, een zwaluwenpaar hier rond vleugelde, een hoekje zoekend om hun nest te bouwen. En van heel wijd naderde hem een wolk van wattige gepeinzen, tot hij, buiten alle verwachting, werkelijk te denken begon.
—"Van waar komen toch die zwaluwen, ieder jaar?"
En de wolk dreef op, in langzame vaart. Ze zweefde over lage landouwen, over steden en dorpen, over wouden en stroomen, over bergen van groen en bergen van sneeuw, en dan daalde ze glijdend en voer over zee, de matelooze, ruischende zee.
Plots ontlook in de stilte een verre muziek. Ze breidde zich uit en ontwikkelde allengerhand zeer hoorbaar hare blijde cadensen. Ze vulde weldra de lucht met zwellende klankondulatiën, en Johan kon eindelijk herkennen wat daar een fluit deed, een klarinet, een koperen hoorn, een brommende trombone, en al zulke plezante tuigen meer. Een trom klopte de rythmen. 't Werd kermis, kermis in de stad—kermis in de ledige ziel van Johan Doxa, die, met één schok, zijne handen weerkreeg, en zijne voeten.
Hij zag nu, alsof hij er bij meehuppelde, den ommegang van de fanfare in Onze-Lieve-Vrouw-te-Rooje-wijk. Hij zag de kinderen dansen, hij snoof de vetwalmen der oliekoeken en den stikkenden rook der fakkels. Hij zag de ruiten der herbergen branden en flappende vlagen kleuren in den gloed. Hij zag de mannen en de vrouwen....
Hij zag de vrouwen. God vergeve hem, hij zag ééne vrouw, eene met krullekens voor hare slapen en die, met bloote armen, twee schuimende pinten geuslambik bood.
—"Wilt ge meedrinken, als 't u belieft?" vroeg Johan.
En ze zei terwijl ze op hem afkwam met den tooghanddoek:
—"Ge hebt u een beetje vuil gemaakt, geloof ik."
Hare stem was wonderzoet. Nu naderde ze minzaam en lachte in zijn aangezicht. En Johan draaide zich gauw om in zijn bed, vatte wanhopig zijn hoofdkussen in beide armen, en pletterde daar zijn mond tegen, om 't huilen te smoren dat onweerstaanbaar uit zijn hart opjoeg.
—"Moeder! Moeder! Moederken!..." kloeg hij.
En dat duurde een heelen tijd zonder dat het baatte.
Toen het schilderij af was, verklaarde Johan Doxa dat de retraite hem voor goed van al zijne slechtheid gezuiverd had en vroeg hij om zijne uiterste biecht te zeggen. Met één woord: hij wilde uit het klooster weg.
Pater Hilarius hoorde de biecht, een mooien middag van April, even voor vespertijd. Johan ging met hem in de schoone Kapel, knielde voor den outer en verdween in het donkere hokje, waar hij, tegen een plank met gaatjes, woorden prevelde in het oor van zijn biechtvader. Dan moest hij onder het groote Kruis-Lieven-Heer gaan liggen en met zijn voorhoofd lang die koude vloertichels raken. Eindelijk hoorde hij de vespers zingen. 't Was uit. Hij nam afscheid van de Kloosterlingen, waaronder velen hem liefdelijk behandeld hadden. Hij nam met melancholische hartelijkheid afscheid van den ouden pater-hovenier, die hem drie zeldzame begoniabollen ten geschenke gaf. En zijn gemoed kwam nog even vol toen hij in de vestibule afscheid nam van den gulden pater-hotelier, die zijne zware handen op Johan's schouders legde. De pater-hotelier zei:
—"Vaarwel, lieve vriend. Ik zal steeds u in mijne gebeden herdenken. Van menschen zooals gij, Johan, gewaagde Krist toen hij ergens de Pharizeërs toeriep: "Laat af, gij die schraapzuchtig zorgt voor den dag van morgen!" God, toen hij de Toekomst schiep, schiep ook de Voorzienigheid, en beide blijven in Zijne handen. Ga, Johan, onbekommerd uwen levensgang. God spijzigt de vogelkens van uur tot uur. Waarom zou Hij u niet spijzigen?"
Hij drukte Johan in zijne armen en zegende hem....
Daar stond met zijn zwarten baard en rozig gezicht, de goedige pater-poortier vergeefs zijn best te doen om in de schaduw van pater Hilarius te verdwijnen. Johan hoorde zonder ongeduld een laatste sermoen, een klein deur-sermoentje maar, vol liefelijke en lichte dingetjes, gelijk van een chirurgijn, die een patiënt op krukken doorzendt, waarvan hij een been of zoo heeft afgezaagd. Dan stopte pater Hilarius hem een papieren omslag in de hand en fluisterde, half-wegloopend:
—"Van den prior ... voor het schilderij ... adieu! adieu!"
De hooge poort schoof langzaam open. Een geweldige adem sloeg Johan tegen de borst. Hij wankelde. Hij had willen een glasje water drinken terstond, en hij besloot om een glasje water te vragen....
Maar hij kon nooit iets doen, waartoe hij besloten was. Hij stikte. God! wat een ontzaglijke lucht hier!... De poort ging dicht. Johan Doxa stond buiten.
—"Pouah! chéri, hoe ruikt ge zóó naar den wierook?" Twee heerlijk-zwarte marolle-meisjes zaten nevens Johan Doxa, aan weerskanten, op de nauwe bank van de friture-kroeg. Johan had kennis met haar gemaakt op de Hoogstraat, zoodra hij had ondervonden dat het paketje van den prior eene banknoot van honderd frank bevatte. Eigenlijk had hij met iedereen willen kennis maken. Althans lachte hij vriendelijk elken voorbijganger in het gelaat, en waartoe zou hij dat anders hebben gedaan? Maar deze twee hadden hem direkt tegengelonkt. Zijne minzaamheid verminderde er blijkbaar niet om, want seffens hingen zij aan zijne armen en vroegen schuldeloos:
—"Tu paies rien, vetzakske?"
Of hij niets wilde betalen? Wel lieven-adieu! hij had lust om de geheele wereld op te koopen!... Er werd besloten dat ze zouden mosselen eten en patates frites. En zij zaten nu in de friture-kroeg.
—"Pff!" deed Johan Doxa, "ik weet niet eens wat wierook is."
De andere maagd ging met haar klein wipneusje over zijne mouwen snuffelen.
—"Neen," zei ze, "'t is eau de Cologne—ge hebt al-ze-leven in fijne gezelschap gedineerd."
Hij pinkoogde geheimzinnig, als om te laten onderstellen dat hij nog veel erger had gedaan, en liet daarna fier zijne borst opzwellen.
Als ze gegeten hadden, merkten de meisjes dat ze dorst kregen, Johan trok met haar naar het "Kapiteintje" waar ze geus dronken, en naderhand in den "Moriaan" waar hij trakteerde met krieken-lambic. Nauwelijks had hij daar de derde flesch besteld, of een troepje wallebakken kwam dansend binnengesprongen, vergezeld door een klein straatorkest—met name een harmonica, een piston en een triangel. Ze dansten feestelijk de herberg tweemaal rond en schaarden zich dan, rood van pret, bij den toog om schuimende streepkens faro te zuipen. Johan Doxa stond plots recht en riep:
—"Een pint geus voor heel de Kompanie!"
Het docht hem dat zijn gansch wezen openging. De woorden die hij geschreeuwd had bleven trillen door zijn lichaam, als op pezen van metaal. Hij viel neer op zijn stoel en zweette een beetje. De jonge paren keken om en naderden de tafel waar hij zat gelijk een, die, bedwelmd, zijne eigene troonplechtigheid bijwoont. Hij kreeg eene ovatie....
Nu begon, van taveerne tot taveerne, eene processie die waarlijk niet te beschrijven is. De muziekanten stapten voorop. Dan, met de voornaamheid van een paasch-os, Johan Doxa, geflankeerd door de twee mooie marolle-deernen. Dan de woeling der uitgenoodigde menigte, die steeds aangroeide. Kinderen huppelden ommendom, de handen zwaaiend omhoog. In den beginne zong men allerhande liedjes, maar weldra, om zooveel lawaai mogelijk te maken, ging zich het repertorium beperken bij één en hetzelfde couplet, dat iedereen goed kon en dat onvermoeid weer en terug en altijd werd aangeheven:
En een dikke pens
En een snee van 't verken,
Boerenleven dat is plezant!
Boerenleven dat is plezant!
Er geraakten diep-dronken menschen in het gezelschap. De piston, een blonde reus, had vrijwillig op zich de verantwoordelijkheid van het behoud der orde genomen, en meermaals was hij tot zijn leedwezen verplicht eenige muilperen uit te deelen. Johan bewonderde hem uitermate. Hij betaalde maar. Hij was gelukkig als een Koning. Het bloed klopte hem weldadig op de slapen. Zijne kinderlijke lippen stonden in den vorm van een glimlachend toeterken, alsof er zoo juist een melkzoete flep was uitgevallen. Zijne meisjes hingen aan zijne mouw en soms moest hij een kusje krijgen of een kittelig kneepje in de leen. De wereld ruischte alom op hooghemelsche maat:
En een dikke pens
En een snee van 't verken....
De harmonica-speler was een bult. Hij dronk gelijk een Zwitser. Daar was een oud ventje met rooden neus. Die kwam gedurig tegen Johan's buik niezen. Hij dronk gelijk de bult. Allemaal dronken. Johan Doxa betaalde maar....
—"Vooruit naar De Dikke Luis!" riep de piston.
Weer 't zalige gedrang van lijven. Johan werd als opgenomen in de stuwing en meende te zweven en stapte plots met zijn stoet en zijne muziek op straat.
—"Waar gaan we naartoe?" vroeg hij onnoozel aan het meisje links.
—"Naar De Dikke Luis!"
Het docht hem dat hij het zevende paradijs te gemoet ging. De heele boel was een wonder. Hij zong slapjes:
En een dikke pens....
Er schoot hem iets te binnen en hij vertraagde zijn stap. Naar het lieve meisje links boog hij zich en dan voelde hij hoe zwaar zijn hoofd was geworden.
—"Ik heb nog twintig frank" fluisterde hij haar in het oor.
—"Hoeveel?"
Hij taste in zijn broekzak en bracht zijne hand voor haar ten voorschijn. Een met koper benagelde kletsdop lag daarin, en een bankbriefje.
—"Twintig," zei het meisje, "kom; 'k zal ik verder betalen—ge zijt zat."
Wat een heerlijk leven was het in "De Dikke Luis", een gloeiende roze leven binnen een zachtblauwe tabakwolk! Het drieledig orkest speelde er de Brabaçonne. Het glanzende bier ging rond van hand tot hand. De breede baas stond te midden van kannen en glazen te tappen.
—"Wat zoudt ge er van pein-einzen," vroeg de bult aan Johan tusschen twee hiksnokken.
Johan Doxa lachte simpel. Zijne tong, docht hem, lag vast in een soort van elastieke meelpap. Hij peinsde niets. Weer riep de piston:
—"Nu naar den Heeten Ketel!"
De troep pakte zich saam, rumoerde op naar de deur. De harmonica begon te blazen en de triangel, week-bellend, sloeg.
—"Halt!" schreeuwde de baas, "wie moet dat allemaal betalen."
Johan Doxa keek lui om. Hij schudde zijn hoofd onder het schrikkelijke hoofd van den baas. Hij had willen uitleggen dat daar ergens een zwart meisje moest zijn, dat het geld bewaarde. Maar zoo'n meisje was er in huis niet meer. Had hij haar het geld inderdaad gegeven? Langzaam ging hij met zijn eigen daarover redeneeren. De piston sprong naar den baas toe. Een paar glazen vielen van den toog en dan....
Johan Doxa werd links en rechts gestoten. Nu zat hij op een stoel. Nu zat hij op een tafel. Nu lag hij tegen den muur. Nu stond hij te waggelen overeind. Nu kwam iets hards en vlugs tegen zijn kop aanbonzen. Nu knielde hij. Nu werd hij van achteren opgestampt. En ineens beukte een zwarte masse aan op zijn voorhoofd.—Was tegelijk het licht uitgegaan?...
Het licht was uit.
In Johan Doxa was het licht uit. Daar kan niet aan getwijfeld worden.
Door een vensterken met ijzeren staven drong de prille Lentedag, toen Johan Doxa zijne oogen openstak. Zijne oogen gingen op langs vochtige muren. Ze bleven daar staren op zonderlinge teekeningen en schrifturen. De klok van het Klooster klepte niet. Hij wilde iets vragen....
O, hoe akelig was zijn mond! Zijne kaken stonden stijf. Een loome pijn hing in zijne leden. Hij keek naar zijne handen, zijne smerige handen, bemorst met bruin-gedroogde bloedvlekken. Zijn rechterknie stak bloot door een scheur van zijne broek. Zijn hoed lag bij de deur—een platgeblutste hoed met afgerukte randen.
—"Het stinkt hier" dacht Johan. Hij kwam moeilijk recht. Zijne beenen waren als bevroren vodden. Hij begon stillekens over zijn hoed te strijken, met werktuiglijke zorgzaamheid.
Toen rinkelde daarbuiten een bussel sleutels en iemand opende deze onbegrijpelijke cel. Het was een soort van politie-agent.
—"Allee," sprak de ruwe deurwaarder, "krab op—ge moest u schamen."
Geen de minste aandoening werd wakker in Johan Doxa. Hij liet zich geleiden. Hij mankte. Hij verliet de Amigo[1] zonder hoop en zonder wanhoop. Hij kwam thuis. Hij vond er zijn moederken. Hij hoorde zijn moederken zeggen:
—"Ach mijn jongen! mijn lieve jongen! ach, wat hebben de paters toch met u gedaan!"
Hij ging in een hoek zitten. Hij vertelde niets. En 's anderendaags ook vertelde hij niets. En nog dagen en dagen nadien bleef hij, en vertelde niets. Hij nam nooit het besluit iets van dat alles aan zijne moeder te vertellen.
Maar wat zou het eigenlijk helpen, als hij nu daaromtrent een besluit genomen had?
Niets.
Noot:
[1] Stedelijke gevangenis voor tijdelijke verbrekers der openbare orde.
Ik kon dien nacht geen oog dicht doen. 't Sloeg vier uur op ons Empireklokje, wanneer ik besloot het bed te verlaten, dat mij geen rust geven wou. Terwijl ik me aankleedde en daarbij het groene nachtlichtje had aangestoken, zette ik mijne morgenmelk op het kleine gasfornuis. Ik dronk ze zonder smaak en verlangde reeds om buiten te zijn, in de frischheid van den uchtend.
Die frischheid was echter niet aangenaam, maar ik liep toch de vochtige straten door, gelijk ik meer placht te doen om mijne overspannen zenuwen te stillen.
Ik wandel gaarne in den vroegen dag. De stad heeft telkens zoo ongewone, zoo uitzonderlijke uitzichten. Zij ontwaakt met schokjes. De blauwende donkerte laat de grijze gevels opklaren en verft de gladde eenzaamheid der macadamlanen en asphalten bolwerken. De lantaarnlichten weifelen, grauwen wittig uit de nevelen, werpen geen schaduwen meer. En het zeldzame menschengedoe gaat traag op, nooit veranderlijk, gebaren makend die een definitief teeken van den uchtend zijn.
Ik loop meestal de lage stad om en verwijl dan het liefst rondom de Zuiderstatie. Het is daar schoon om zien, want schoon is het morgenlicht over de rookwolken der locomotievenhal. Het donkere gebouw is al vol bedrijf en voert de werkluibenden op het statieplein. Er gebeurt een gewoel van lijven, maar de lippen zijn zonder gerucht. De arbeid wenkt zwijgend zijne zwijgende slaven....
Dien keer was ik zeer vroeg voor de hal aangekomen en ik slenterde onwillig, de hielen slepend. De nevellucht spande pijnlijk om mijn voorhoofd. Ik stond een paar ezelwagetjes na te gapen, die fluks opreden met nieuwe groenten, de stad binnen. Musschen sprongen in de dahlia- perkjes van het plein.
Toen—juist terwijl ik nieuwsgierig de nog-belichte vensterruiten van eene burgerlijke taveerne bekeek—zag ik de glazendeur van die taveerne ruw openslaan en eene dikke vrouw, blijkbaar de bazin, den drempel oversnellen. Ze schreeuwde in angst:
—"Polis! Polis!"
En ze ijlde van hoek tot hoek, het plein langs, al harder krijtend, terwijl toch, naar gewoonte, nergens een politieagent zichtbaar was. Een heer verscheen in de herbergdeur, gaf rappe inlichtingen aan een bleeke schenkmeid, die schielijk de Fonsnylaan opliep. Ik was, op een drafje, naderbij gekomen. De heer keek me in het aangezicht en, ofschoon hij onder de zwarte randen van zijn galahoed zoo wit uitblekte als een doode, herkende ik in hem, niet zonder verwondering, mijn goeden vriend Menschaert, den toondichter.
—"Wel, Antoon," zei ik stil, "wat gebeurt hier?"
Hij hief zenuwachtig zijne schouders op. Zijn rechterhand teekende in de lucht vluggelings een halven cirkel—wat bij hem het gebaar was van een onzeggelijk ongeduld—en hij wenkte mij om binnen te komen.
—"Ik vrees dat het hier erg toegaat," sprak hij dof.
Inderdaad. Het schouwspel, dat ik in de taveerne te zien kreeg, was zoo schrikkelijk dat ik, op het eerste zicht, ademloos bleef van aandoening. Maar toen ik naderhand een stap nog waagde, werd mij plots het gaslicht een mist van groene dampen en voelde ik den klauw van een zonderling monster, dat, gelijk een nachtmerrie, mijne keel toenijpen kwam.
Ik had, geloof ik, een korten gil geslaakt....
Het was half-zeven, als ik met Menschaert die akelige herberg verliet. De eenige schikking, die nog moest genomen worden, had ik ter regeling aangewend en mijn vriend Antoon, welke waarlijk een allerbraafste jongen is, wilde niet dat ik al dat droeve alleen zou doen.
Hij liep dus mee met mij, maar daar de boodschap geen haast vroeg —integendeel, goede God!—en daar wij beiden zeer vermoeid waren, besloten wij om maar eerst een kop koffie te gebruiken. In de kleine eetzaal van het Hotel Espérance bestelden wij een klein ontbijt en Antoon, door mij hiertoe dringend aangespoord kon eindelijk breedvoerig vertellen hoe de tragische gebeurtenis ontstaan was.
Hij deed het met dien eenvoud, welken ik zoo bewonder bij hem en die schijnbaar zoo zeer strijdt met de gewone daden van dezen uitstekenden kameraad. Antoon Menschaert is nog jong. Zijne ouders zijn boeren-heeren uit de Kempen en stellen het tamelijk goed. Hij zelf woont ergens bij de Beurs, alleen, naar hij zegt (ik vermoed echter dat die eenzaamheid "gedeeld" wordt, want, uit princiep, ontvangt hij nooit een vriend op zijne kamers....) Hij is orgelist in Sint-Niklaaskerk en werd onlangs als monitor aangesteld in het koninklijk conservatorium. De jongen vermaakt zich eeniger mate in den zin van wat jongelui in Brussel "zich vermaken" noemen. Nochtans is hij ernstig en zijn gevoel, dat ik bij meer dan één gelegenheid heb kunnen waardeeren, heeft schoone volten en een bestendig gewicht.
Hij zat voor mij. Het opkomend daglicht klaarde over zijn sierlijk aangezicht, dat, thans wat roziger, toch mat-effen, zeer vermoeid boven zijn witte das en de zijden kraag van zijn smoking uitscheen. De koffie rookte lichtelijk op over de gouden randjes van het blauwe porseleinen koffie-servies. Wij aten bij poozen, gelaten.
Antoon sprak:
—"Ik heb gisteren middag het dineetje bijgewoond, waarmede mijnheer en mevrouw Zondervan maandelijks en telkens te vergeefs een vrijer probeeren aan te kleven voor hunne dochter Adelaïde, een stuk plank met een kop vol pretentie.... Kent gij de familie Zondervan?... Jammer! Dan kunt ge ook niet geheel inzien in welken staat van ellende mijne hersens waren gebracht, nadat zij een ganschen middag het leelijk sproetengelaat van juffrouw Adelaïde hadden aangegluurd en de zoetzappigheidjes van haar idioot gepraat hadden toegeknikt. Toen ik, omtrent negen uren, zeer buiten Adelaïde's verwachting, haar tafel en haar huis verliet, was ik een kapot stuk jongmensch, dat zich nog alleen herinnerde hoe slecht Zondervan's bourgogne was en hoe afschuwelijk zijne dochter. Ik snakte naar een glas gezond bier en vond het zonder moeite. In Clarenbach waar ik aangeland was, ontmoette ik bij mijn vierde pint Slokke, den beeldhouwer, Fritz d'Artois, die als stagiair bij advokaat Forst is aangenomen, administrateur Lemonnier en diens vriend mijnheer Van Dranem, welke mij werd voorgesteld. Deze heeren waren in vroolijk humeur en wij dronken samen eene brave hoeveelheid Munchnerbier, zoodat, door Slokke aangedreven, ik mijn eigen al even pleizierig als de overige bevond. Die Slokke is een verbazende kerel. Te middernacht volgden wij hem in The Dominion Bar, in de Jeune France en eindelijk in dat verleidelijke ding van de Bisschopstraat, The Old Curiosity Shop, zooals gij wel weet. Overal was pret, muziek, drank en lieve dames. Ik zou op dat oogenblik geloof mij, juffrouw Adelaïde Zondervan nooit uit Mathusalem hebben herkend, aangenomen dat Mathusalem het vergelijk hadde verdragen. In The Old Curiosity Shop vermaakte ons zeer een muziekaal neger-trio. Slokke had in The Dominion een voor mij onbekend makker aangeklampt, een soort Tcheik, die alles danig lollig wist aan te brengen en waarlijk een onschatbare ontmoeting was voor jonge lichtmissen. Hij richtte o.a. met de drie negers een burleske vertooning in, welke bij de aanwezige dames en heeren een grooten bijval verwierf en, na eene omhaling van Slokke, voor den Schamelen Arme, zooals Slokke zei—hij bedoelde het Stedelijk Armbestuur—ruim twee honderd frank opbracht.
"Ik was toen al tamelijk beschonken. Maar ik herinner mij zeer goed dat in een hoekje bij den toog een zonderling mensch zat toe te kijken. Het is noodig dat ik u vertel hoe hij zich voordeed. Het was—gij weet het natuurlijk—een dik, ingezonken man, een waarvan men gemeenlijk zegt dat hij "zonder ouderdom" is, maar zijn gelaat, dat klaarblijkelijk door een overdadig gebruik van ... laat ons zeggen "spiritualen" was ingevreten, had, ondanks zijne vervallen kleederdracht, ondanks de niet-vrome omgeving, ondanks alles, een zoo kinderlijk, och ja, een zoo "seraphische" uitdrukking dat het mij aandeed buiten mate. Hij keek toe. Hij keek engelachtig het zot bedrijf van den Tscheik en de drie negers toe. Hij lachte niet. Hij scheen ook niet bezorgd. De beruchte tapper van de Shop—Anatole heet hij, weet ge wel—bracht hem, zonder dat hij 't vroeg en zonder dat hij er in het minst voor dankte, tot viermaal een whisky-soda. Hij dronk niet gulzig, niet smakelijk ook. Hij dronk langzaam en eentoonig, en zijne gebaren waren lui als van een vet, eigenzinnig kind....
"Hoe het kwam, weet ik niet. Men weet niet hoe alles gebeurt bij zulke partijen. Bovendien, ik beken 't voluit, de drank speelde en smokkelde in mijn hoofd. Zeker is het dat, rond twee uren, het korte mannetje zonder tegenspraak bij ons gezelschap hoorde. Ik zag dat hij naast mijnheer Van Dranem zat. Ik hoorde niet dat hij met mijnheer Van Dranem sprak. Ik hoorde dat mijnheer Van Dranem hem had aangelijmd en, in het algemeen gewoel, eene astrologische rede voorhield, welke het geduldig ventje met brave knikjes scheen goed te keuren. Mijnheer Van Dranem bestelde dan telkens versche pinten, deed vriendelijk met zijn zonderlingen gebuur bescheid en maakte hem alzoo bijna tot elkendeens kameraad. Och! men verbroedert zoo licht in die warme nachtkroegen! Geen van ons dacht er aan den kerel naar zijn naam te vragen. Dat hij geen booswicht was stond op zijn cherubsgelaat te lezen, en wat konnen wij al meer eischen? Hij dronk voortreffelijk. Hij deed ons, drinkebroers, eer aan....
"We verlieten de Curiosity Shop al te zaam. De goedige dikkerd volgde. In de American Bar zat hij aan onze tafel. Wanneer een van ons hem onder 't praten toekeek, knikte hij seffens gewillig tegen. Hij beantwoordde alleman's teug. Dronk ik, hij dronk. Dronk daarop Lemonnier, hij nam een slokje uit beleefdheid. Dronk dan de geheeldronken d'Artois, hij insgelijks, om goede manieren te toonen, dronk maar.... Kortom, hij was de hoofsche goedkeuring zelve.
"Zeg eens, Herman, hebt ge al niet opgemerkt dat, als ge zoo op randool zijt, er altijd iemand medefeest, zwijgend en ingetogen. Het is een stille bijlooper. Hij laat nooit zijn glas ledig staan. Hij spreekt nooit iemand tegen. Hij betaalt nooit wat. Hij is nooit hinderlijk. Laat iemand zijn pijp, zijn regenscherm, zijn zakdoek vallen, hij is 't, die hem opraapt. Hij is bij iedereen en bij geen van allen. Hij is een verdraagzaam toezicht en zal het opmerken, als de baas, vertrouwend op de dronkenschap der kompanie, iemand wat ongangbare munt wil in de hand stoppen. Hij is 't ook, Herman, die de aandringende bloemenverkoopster met een blozend lachje toefluisterd: "Ga maar uw gang, vrouwtje, die kerels zijn zat en koopen niet!" En, luister wel, niemand kent hem. Hij is de schaduw van ons allen, en wij eischen niets van hem. Hij lijkt op iets dat ons natuurlijk en onverweerbaar toebehoort....
"Alzoo was die man. In de American Bar ontstond er ruzie met een paar roekelooze studenten. Ik zag goed hoe hij onderwijl vredig zijne pijp stopte en ze in volle herrie kalmpjes aanstak. Ik zag het, omdat de pijp zelf mij trof—een wondere pijp, geheel met kleur-ornamenten beladen, zoo miniatuur-fijn als nog nimmer mij verfversiersels onder de oogen kwamen. Onderaan den breeden pijpbuik kon ik, na eenige aarzeling het woord "Julia" lezen. Het verbaasde mij zeer. Brandde in dat zeldzame dikzaklijf waarlijk de vereering voor eene geliefde vrouw? Zoo zeer nam mij dit denkbeeld in beslag, dat ik dadelijk den zachten vetpot over zijne identiteit wilde aanspreken. Ik geloof dat de toenemende twist mij in dit voornemen storen kwam, want tot eene bepaalde opheldering kwam het niet. Eene verdere gelegenheid werd mij niet meer aangeboden en de kerel bleef stillekens, rookend en drinkend, bij ons....
"Aldus voortzakkend geraakten wij in groepje op het Statieplein. Wij hadden na de sluiting van de American nergens een herbergzaam huis gevonden en waren, eerst druk-pratend, dan moe-zwijgend, de Henegouwlaan opgekomen. Slokke beweerde dat het Statieplein ons op een voornaam fleschje geus of iets dergelijks kans kon bieden. Wij volgden Slokke gedwee. De nacht was koud, miezelig, doordringend-vochtig. Wij slenterden door, stil voorover gebukt, bijna zonder moed. Slokke zong luidop een lied, waarvan ik me niets meer herinner, en d'Artois, achter hem, spande nuttelooze pogingen in om het hem na te burrelen. Lemonnier, lang en stokkestijf, beende akelig over het trottoir. Van Dranem, die naar ik vermoed, daags te voren zeer onvoorzichtig den inhoud van een sterrekundig standaardwerk had ingezwolgen, besproeide mij met den hutsepot van zijne astrologische indigestie. De laatste van allen, kortstappend en kort-blazend, kwam de ronde man, onze zoete schaduw aangedrild. Ik hoorde hem. Hij had het geluid van een haastigen hinker. Maar hij hinkte wezenlijk niet: naar ik thans vermoed, ontbrak de hak aan een zijner schoenen, die daardoor als een slofje neerwreef op de steenen....
"Slokke bracht ons in die taveerne van het Statieplein....
"Hier moest het drama gebeuren. Wij gingen aan de grootste tafel zitten en bestelden koffie. De bazin, een onaangenaam wijf, deed opmerken dat de herberg slechts bij toeval open was gebleven, dat zij geen tijd had om koffie te zetten en maar hoopte dat de heeren gauw zouden oprukken. Fritz d'Artois stond bij dezen onvriendelijken uitval recht en overdonderde de zure waardin met de gekste aller redevoeringen. Aan de inschikkelijkheid van eene oolijke schenkmeid hadden wij een kop koffie en het einde van d'Artois' pleidooi te danken. Deze schenkmeid, die wel inzag dat men Slokke en zijne kameraden nooit anders dan met aanminnigheid zou de deur uitkrijgen, verwaardigde zich haar eigen bij ons aan te sluiten, waar zij van Lemonnier verkreeg dat hij haar, bij wijze van "slaapmutsje", op een fine-champagne trakteerde.
"Kijk nu, Herman, goed hoe wij zaten. Ik zat op de bank, links had ik Van Dranem, stapelvol met troebele wijsbegeerte, rechts d'Artois, en naast dezen het rookende mysterieventje. Rechtover mij zat Slokke, links had hij Lemonnier en rechts de diplomatische herbergdeerne. Wij praatten in den beginne vrij onharmonisch ondereen, tot op een vraag van de schenkmeid het gesprek eene bepaalde richting inliep. De meid had vernomen dat Fritz advokaat was en ze wilde hem gaarne, zeide ze, iets vragen. Fritz die, met Dranem, de zatste van den hoop was geworden, vond waarschijnlijk dat de schenkmeid hem veel eer aandeed. Althans bereidde hij zich tot een uitbundig consult en stelde zijne prille ervaring "geheel" (dit met een prachtig oratorisch gebaar) tot hare beschikking. "A-wel voila!" sprak de meid, "ik ben getrouwd met een man die te dom is om voor den duivel te dansen—van 's morgens tot 's avonds maak ik ruzie met hem, want hij is te vadsig om een woord te zeggen,—hij zou mij bestelen, als hij maar kon, mijnheer, bestelen om in de herberg te zitten, hij wint geen gebenedijden stuiver en ik vraag mij af hoe hij het aan boord legt om 's nachts geregeld dronken thuis te komen,—d'r en is geen leven mee te houden, dat zeg ik u,—'k ben 't beu den luiaard in te mesten, en, met permissie gezegd, mijnheer, 'k zou willen divorceeren!" Zij begon in 't kort en in 't lang ons den toestand van haar huishouden voor oogen te leggen, en daarop overgoot d'Artois haar met zijne orakels. Hij onderzocht het pro en het contra, nam de gekste houdingen aan en waande zich aan de vermetelste verklaringen, brak het huwelijk om "te besluiten" en lijmde de stukken weer aaneen om met nieuwe pracht van woorden te kunnen herbeginnen.... Kortom hij spande daar de onmenschelijkste zaag. Slokke kreeg, naar hij mij vertrouwbaar toemummelde, een papmond. Lemonnier was op de beide vuisten in slaap gedonderd en Mijnheer Van Dranem, die over heel 't gedoe geen star meer herkende, was in de diepste mijmeringen verzonken....
"Ik, scheef-achterover tegen den bankrug geleund, keek strak den dikken bijlooper aan. Hij zat kalm en zoetjes te rooken, onveranderlijk. Daar d'Artois recht stond en voortdurig over de tafel waggelde al preekend, kon ik gemakkelijk onzen anoniemen vriend naloeren. Ik beken het u: ik deed het uit verveling, want ik was wezenlijk te vermoeid om in mij belangstelling voor 't zij eender wat te wekken. Ik belonkte hem strak, al rustend. Hij rookte, scheen oplettend naar d'Artois en de schenkmeid te luisteren, dampte zachtjes. Zijn bol aangezicht tuurde, over de hoofden, naar iets dat, docht mij, misschien op den muur, boven den toog, was aangeplakt. Al scherper blikte hij alzoo ... tot, almeteen, zijn pijp, die geen vuur meer hield, dood stak in zijn mond, die juist niet meer trekken wilde.
"Hij bleef een lange poos zonder roeren.
"Toen, zonder haast, vatte hij de pijp, wond ze in zijn rooden neusdoek, borg ze—gelijk hij ze voorzeker placht te bergen—voorzichtig in zijn binnenzak ... en ... toen, Herman ... ja, toen ... ik word er niet wijs uit jongen ... het is zeker dat ik zeer, zeer moe was. Het gebeurde als in een droom, waarbij ik machteloos moest blijven ... begrijpt ge?
"De arme dompelaar, nadat hij de pijp geborgen had, trok langzaam zijne hand weer uit den zak. Die hand—wat vatte ze zoo struisch daar? Ik zweer u, Herman; ik zag het, ik zag het, zonder te weten dat ik 't zag.... Die hand, met het zwarte ding, hief de goede dikkerd tot onder zijne kin. En hij opende vredig zijn mond, wijd, wijd, tot het mij met verbazing sloeg. En toen, Herman, gebeurde het. Het schot brak los, hard en geweldig ... en de hand viel neder op de tafel, rilde daareven en omsloot, meen ik, het dampende tuig dichter....
"Ha, jongen 't was er een herrie! Iedereen, zelfs de slapende Lemonnier, stond recht. Die gemeene bazin gilde oneerbiedig. En hij, de sukkel, zat op de bank, had niet geroerd. Hij glimlachte precies. Maar, achter hem, was de muur met bloed bespat en iets leekte daar, een witte kwabbel, traag, van zwaarte...."
Antoon zweeg. En ik herzag de leelijke taveerne, en hoe ik er binnenliep, en hoe ik den doode zitten zag, en hoe ik, met een neep in het hart en een kreet van heel mijn wezen, Johan Doxa herkende, den zachten doolaar.
Ik heb zijne lauwe hand in de mijne genomen. Ik heb ze waarlijk gestreeld, alsof hij 't nog voelen kon. Ik heb hem op de bank nedergeleid. En ik heb zijne groote oogen toegedaan, die zoo verre keken, verder dan den muur, Antoon, verder dan den muur of den toog, mijn goede Antoon....
De heete koffie had ons opgeknapt, maar we vertrokken beladen met iets als een groot pak. Niet haastig drilden we de Lage Stad af. We drumden langs de gevels der huizen en beletten niets van het aanzwellend dagbedrijf. We liepen verstrooid over de pletsende dweilen van gebogen dienstmeisjes, die zich oprechtten dan, gestoord in den kuisch, en ons wat toesnauwden van op de drempels.
Ik was zeer bekommerd en luisterde nauwelijks naar het stil, afgebroken gepraat van Menschaert. Ik begon 't mij alreeds te beklagen dat ik deze laatste boodschap had aangenomen. Seffens verhief echter mijn geweten zijn rechte stem boven 't gehakkel van mijn angst en ik stapte vaster door, overtuigd, gelijk ik was, dat niemand het droeve nieuws met meer teedere en aandachtige zorgen zou brengen dan ik het, met mijn liefderijk medelijden, zou doen.
We kwamen in de Zes-Penningenstraat, die reeds vol was met uchtendgeluiden. Magere honden liepen er snuffelend rond de vuilbakken. Een stoelenbiezer zette aan zijn uitgerokken roep, die wijd-jammerde onder de vensters. Een fruitwijf stiet haar rammelend karretje. Boven op een hoog huis vlekte een bleeke zon.
Het donkere winkeltje was open, de grauw-groene luiken ontsloten, de gebroken drempzuil bloot. Ik kende die zuil goed. Hoe dikwijls liep haar lustig over, jaren geleden, toen Johan Doxa met zijn ekster, zijn sijsje en zijn eekhoorn het rare zolderkamertje bewoonde!
Juist—maar hoe kommervol thans!—wilde ik de goede zuil betreden, als daar in een zoeten lach de groetende moeder Doxa stond.
—"Wel mijn jongen," zei ze frisch, (ze droeg een jakje en een versch schort en ze was waarlijk, het oud wijveken, frisch als de morgen zelf) "wel mijn jongen, wat zijt gij vroeg te been!"
Ik geloof dat ik daarop iets vrij onverstaanbaars uitbracht, want moeder Doxa keek me dadelijk vreemd aan. Moeders hebben wondere voorgevoelens. De lach op haar gelaat verdween. Zij zei nog:
—"Komt ge mij opzoeken?"
Ze drukte wonderbaar op het woord "mij".
Ik knikte traag, verlegen. En wij traden het speelgoedwinkeltje binnen, dat geheel het uitzicht van vroeger had bewaard. Daar gloeide eenderlijk de roode tichelvloer en donkerde massaal de vierkante toog onder het noesche vensterlicht. Vluggelings zag ik in hunne verscheiden bakjes de lekstokken, muntebollen, vlierhopjes, ovenbeesten, stampers, kletskoppen, amandelkoekjes en kramelleu. Achteraan, tegen den muur, in schemerklaarte, hingen de poesjenellen, de poppen, de reepen, de blikken muziektoppen, de zweepen met fluitjes, de zakken met glazen marbels, al het diverse speelgoed, dat bontig opkleurde en rammelde door mekaar.
En moeder Doxa, dienstvaardig, ging, gelijk naar gewoonte, het trapje op achter den toog. Eene zonderlinge aarzeling bibberde in haren blik. Ze beproefde een nieuwen glimlach.
—"A-zoo! mijn jongen," sprak ze, "wat is er tot uwen dienst?"
Ik bleef nog een tijdje zwijgen. Antoon scheen over de smuitsterbakjes eene zorgvuldige keus te doen. Ik schudde treurig het hoofd en vatte moedig aan:
—"Nu moedertje, wij brengen geen goed nieuws.... Het spijt me zoo!..."
Ze sprak niet. Hare oogen werden scherper. De stilte die in het winkeltje kwam spoken was wezenlijk onverdraaglijk. Ik herinner me (hoe bijtend zijn de indrukken soms!) dat, op dit oogenblik, een scheerslijper al roepend voorbij trok. Ik zei:
—"Verschrik niet uitermate, moedertje. Zeker, het leven is heel zoet om leven. Maar wat helpt het, als wij zelf meedoen om ons leed te vergrooten, als wij ons zelf den dood op het lijf jagen?... D'ris toch niets aan te veranderen, moedertje Doxa...."
Ze was bleek, ineens doodelijk bleek. En de kleine glimlach, die niet weg wilde, werd een grijns van smart. Ze hakkelde:
—"Ja maar, ja maar...."
Alsof ze zich aan de waarheid wou vastklampen, en een bange logen daarmede kon verweeren die schrikkelijk op haar afkwam. God, Gij weet hoe vurig ik toen wenschte dat het inderdaad een logen mocht zijn!
Ik besloot die pijn te verkorten. Ik hernam, diep ademhalend:
—"Uw zoon moedertje ... uw zoon Johan...."
Ze deed stil:
-"Hâ-â!"
Heel stil. En ze sloot langzaam hare oogen. Ze zonk achterover, in de rokjes van poppen, tegen den muur. En nog verliet die akelige glimlach hare lippen niet.... Antoon Menschaert was toegesneld. Ze voelde zijne armen om haar, roerde haar mond.
—"Wacht", lispelde ze zoetjes, "wacht, als 't u belieft ... och! och!..."
Toen stak ze hard en wijd-open hare oogen en keek ernstig toe.
—"Watte?" vroeg ze, "wat zegt ge daar?"
En ik, geheel verslagen en 't harte bijna ingestampt:
—"Uw zoon, moedertje", antwoordde ik, "hij is niet wel ... hij is zoo schielijk.... God is wreed, moedertje, maar wij moeten in hem berusten, dat weet ge toch niet waar?"
Ze stiet Antoon plots van zich af. Ze riep: