Te regt zou men er zich over beklagen, dat de geestige Breêro, welke ons in deze weinige regelen de stoffaadje van een koopmanskantoor zijner dagen heeft geschilderd, er geene tekening van de klerken zijns tijds bijvoegde, als het minder waarschijnlijk was, dat men het beroep, waarvoor thans een patent van kantoorbediende wordt vereischt, toen naauwelijks kende. Immers, het valt ligt zich een' zeehandelaar der zeventiende eeuw voor te stellen, die slechts een factotum voor het loopende werk nahield, en misschien een' boekhouder bezoldigde welke wekelijks eenige uren de zaken kwam bijschrijven,—tenzij de zucht voor geheimhouding, onzen handel eigen, den man aanspoorde, geen derde toe te vertrouwen, wat niemand behoefde te weten, dan hij en zijne vrouw. Er zou harmonie zijn geweest tusschen dat vele zelfdoen en de overlevering, die ons vertelt, dat Jan de Witt maar één' dienaar had.—Ik tart u echter uit, u de paruik van den kleinzoon diens koopmans voor den geest te brengen, zonder dat zich, in uwe verbeelding, rondom dat hoofdtooisel met eene krulbatterij, een aantal jeugdige oude mannetjes groepeert, op het kantoor te voorschijn geroepen door eene driedubbele behoefte: de zeden waren weeldiger geworden—de gemeenschap had allerwegen toegenomen,—de mededinging was bij de naburen ontwaakt. Men kwam er niet, tenzij men alle zeilen bijzette. Weder valt mij eene historische bijzonderheid in, welke deze wijze van zien staaft. In de dagen van Willem IV plagt de handel op ieder slempmaal gedacht te worden, onder den toast van: "De zieke Bruid!"—Voeg nu bij de eigenaardige verschijnselen der negentiende eeuw: het verdwijnen van allen afstand, dat wij aan den stoom te water en te land hebben dank te weten, en de liefhebberij onzes tijds voor bespiegelingen en voorspellingen, op statistische tafelen gegrond; voeg bij deze den uit beide geboren' wedijver, wie den vreemde het eerst, het uitvoerigst, het drokst berigten zal geven; en gij verbaast u er niet langer over dat de meeste kantoren van drie tot zes, ja tot tien en twaalf klerken hebben. Alleen de veilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappij veroorzaken iedereen Duitschen Commissionair grooter uitgaven aan papier, drukloon en porto, dan een zeehandelaar weleer in een geheel jaar betaalde, en eischen handen in evenredigheid.
Waarom wordt men klerk? Gij hebt zeker wel eens eene school zien uitgaan,—eene burgerschool, meen ik, eene armenschool zelfs, en u vermeid in het weergaloos schouwspel, dat die jeugd aanbood? Welk eene gelijkheid, en welk eene verscheidenheid tevens! Eene wereld in het klein! Houd er oogen op, als gij kunt. Soldaatjespelen,—de eerste stok de beste is een generaalsstaf, voor dien flinken borst;—paardenmennen,—wie denkt gij dat het spoedigst moê zal zijn, de koetsier of de rossen!--scheepje zeilen,—de klomp gaat te water, als zij maar een touwtje vinden om hem aan te vieren,—wij hebben het naauwelijks opgemerkt of de woeligsten zijn al uit ons gezigt: er schuilen matrozen, voerlieden, krijgsluî in. Dáár plaagt een krullebol een aardig meisje,—maar dat zullen zij eens allen doen, dat is het algemeen menschelijke,—ik wilde u tot den bijzonderen aard, blijkbaar uit de keuze van het een of ander beroep, bepalen.—Welnu, we zien arbeids- en handwerkslieden in menigte:—toekomstige metselaars, die naar dat half voltooide gebouw kijken, of zij de evenredigheid der zwaarte tusschen balken en muren berekenden;—toekomstige hoveniers, die gadeslaan of de lentezon de knoppen van het geboomte sedert gisteren verder heeft doen uitbotten;—toekomstige kastenmakers, die een voorbijgedragen meubel begluren, of het open moest springen voor hun nieuwsgierigen blik;—maar, er zou geen einde aan zijn, zoo wij alles wilden bespieden, wat hier in den dop te zien valt.—En echter, het is aardig naar het gindsche groepje te kijken: een der jongens heeft een stuk krijt gevonden, en zie eens, hoe hij teekent, hoe hij karikatureert! Hij hinkt aan het zelfde euvel, waaraan wij allen lijden: hij overdrijft! Die neus van den meester steekt den draak met alle proportie. Doch, geen nood, er zijn critici om hem heen, recensenten voor ieder, die zijn werk der beschouwing van het algemeen prijs geeft; wat is billijker?—Indien gij uw' aanstaanden timmerman vindt in de drie voet hooge wijsheid, die dáár een stroowisch tot passer bezigt, vergun mij op te hebben met den vluggert, welke een' weinig verder een vlinder naloopt: hij zal blaken van lust om te ondernemen; hij zal koopman worden; hij zal wagen en winnen. Winkeliers-geest, die te huis blijft zitten en verbeidt, ik zie hem te over, bij dien knikkerenden hoop. "Valsch doen!" hoor ik roepen. Arme jongen! die u zoo boos maakt over het gepleegde onregt; die den kleinen bedrogene de hand boven het hoofd houdt; die, nu gij hem hebt gewroken, zoo ernstig naar den blaauwen hemel opziet, toekomstige dichter! wat deed ge bij het spel? Hij geeft geen antwoord, verloren als hij is in de beschouwing eener bloem, die aan den weg groeit; liefde voor het schoone bij zin voor het edele, ik mag dien jongen.—Toch verlies ik hem uit het oog, om den wil van den gindschen manke; gebrekkige jeugd is zulk een deerniswaardig schouwspel!--Maar ge hebt gelijk, hij kan kleêrenmaker of schoeneflik worden, en als hij geld en geest heeft, zoo goed een' graad in eene der drie faculteiten verwerven, als een van deze rechtsgeleerden, geneesheeren of leeraars in spe.—Doch, zeg mij, hebt gij in die bonte wemeling van standen, in die wereld in het klein, ergens een' toekomstigen kantoorbediende gezien?
Helaas, neen! Er ligt te weinig poëzij in dien toestand, dan dat hij den onbevangen blik der jeugd zou kunnen aanlokken. Stel u de jonkheid vóór, zoo als ge wilt, onder den invloed van begrippen, aan den natuurstaat verwant, of alreeds beheerscht door den zin, die onze beschaving kenschetst. Het werktuigelijk beroep belooft zoo min geluk als genot; het waarborgt even weinig vrijheid, als de schadeloosstellingen voor deze: weelde, gezag, roem. Denk niet, dat ik der volksjeugd zoo groote wijsbegeerte toeschrijft, dat zij zich van die oorzaak bewust is, dat zij er zich reden van geeft. Verre van daar. Maar des ondanks moet gij als ik dikwijls hebben opgemerkt, dat zij slechts sympathie over heeft voor alles, waarin kracht schuilt, dat de populairste beelden tevens de onafhankelijkste zijn. Het is of in den boezem des volks het bewustzijn der oorspronkelijke bestemming van het mannelijk karakter wordt omgedragen: ontwikkeling aller krachten, aller gaven.—Knecht—klerk—hofmeester—hoveling—hebt gij ooit een jongen ontmoet, die u zeide, dat hij één dier vier dingen worden wilde? Allen leeren spoedig genoeg—in de laagste kringen het spoedigst,—dat er iets, dat er veel van de vrijheid moet worden opgeofferd, om den wille van het geld—maar er geheel afstand van te doen, maar zich zelfverloochening ter taak te stellen, en dat wel een gansch leven lang, dit is eerst in lateren leeftijd het gevolg òf van nooddwang, òf van dweeperij, òf, in exceptioneele toestanden, van deugd.
Als de school echter voor ons niet te vergeefs zal zijn uitgegaan, dan moet ge mij vergunnen, nog eens naar de jongens terug te keeren: er waren toekomstige klerken in den hoop, tweeërlei soort zelfs, al was er niets in hun uiterlijk dat het aanduidde, al wisten zij het zelve nog niet. De tros des heers, de bedaarde naslenteraars, de bezadigde jongelui, zullen die waarschijnlijk opleveren. Het zijn òf kinderen van gemeene lieden, die zich de nering hunner ouders zullen schamen, en, ten gevolge van het verbeterd onderwijs, ééne sport hooger zullen klimmen op de ladder des maatschappelijken levens, die klerken zullen worden in plaats van bazen;—òf het zijn zonen eener weduwe, van goeden, maar armen huize, telgen, die voor de misslagen hunner ouderen boeten: een onberaden huwelijk, de oorzaak van achteruitgang en armoede. Ik vrees, dat het te fijn gesponnen zou zijn, de eersten op school te willen herkennen aan hun uitmuntend gedrag, dat hen soms tot den twijfelachtigen rang van kweekelingen verheft; maar ik ben er zeker van, dat zij de bollen van de bent zijn, in fraai schrijven en vlug rekenen. En wat de laatsten betreft, wij hebben geene verontschuldiging in te brengen, dan dat er zóóveel te zien was; maar anders, wij hadden hunne bestemming moeten gissen uit armen en beenen, die zegevierend door mouwen en pijpen van hun oud, maar fijn pak staken; uit aangezigten, die niets beloofden; waarop geene wolk van sluimerend talent rustte, waaruit geenerlei zielskracht blonk. Het beginsel, dat de ouders van beiden dit beroep voor hen zal doen kiezen, is hetzelfde: dolende eerzucht, die er krampachtig naar streeft heer te blijven; dolende eerzucht, die er krampachtig op uit is, heer te worden. Al het onderscheid tusschen dit groene koren des kantoors bestaat dáárin, dat de eene soort het voor een' meelmolen houdt, waarin het heel veel eer is fijn te worden gemalen, terwijl de andere het niet hooger schat dan een' pelmolen, waarin zij slechts van den bolster zal worden ontdaan. Eene verschillende wijze van zien, welke niet belet, dat Piet, die, na een jaar twee, drie sloovens, zijne eigen zaken dacht te beginnen, zijn leven lang achter den lessenaar van zijn' patroon blijft zitten, terwijl Claes, die al overtevreden zou zijn geweest, zoo het hem vergund ware geworden voort te blijven kruipen, vliegt, vliegt, wat benje me! Geen wonder—de geblinddoekte fortuin drijft in alle standen hetzelfde spel, met voornemens en wenschen.
Er is een tijd geweest, waarin men geloofde, dat er, ter voorbereiding om op een koopmanskantoor te worden geplaatst, niets geschikter was, dan eenige jaren op dat van een' practizijn door te brengen, des noods bij een' Advocaat, maar liefst bij een' Notaris. Soms verdwijnen kleine eigenaardigheden van het volksleven slechts ten gevolge van groote omwentelingen. Welligt zoude men, als het de moeite van het onderzoek beloonde, doorgaans tot dezelfde uitkomst komen, waartoe de navorsching dezer bijzonderheid leidt, namelijk: dat elk begrip, iedere gewoonte eene schakel is in de groote keten, en dat de schijnbaar onbeduidendste niet wijken, niet te verwrikken zijn, dan door een volslagen omsmeding, die het verroeste herblaakt, en louterende vernieuwt. "Bij een' practizijn leert men stellen," heette het, O genius van ons Proza! waartoe was het met u gekomen? De protocollen van Jan Borliut, de school voor de eenvoudigste uitdrukking der wereld, de school ter afsluiting eener rekening, de school voor koopmans-briefstijl;—Hollandsche Taal! wie het kernige en korte scheen aangeboren, hoe hieldt gij het uit? Hooft had ons proza de toga der Romeinen omgehangen, en statig en sierlijk bewoog het zich in de breede plooijen; maar als hij had kunnen voorzien, dat men, het spoor bijster geworden in de bewondering van het Latijn, alle eigenaardigheid zou doen verstikken in het stof van processtukken en inventarissen, hoe zou hij den ongebonden stijl van de schoolsche banden hebben bevrijd! Had hij het proza niet vergund langs straat te slenteren, even als hij zijner schalker muze in het Gooi bij wijle vrij spel liet? Helaas! zijn aandringen op de ontwikkeling aller inheemsche gaven en krachten was vergeefsch geweest,—hij voorzag slechts te juist, dat er een tijdperk van weelde, van traagheid, van stilzitten, op het woelige, krachtvolle, roemrijke, dat hij beleefde, volgen zou. Al waarschuwde hij er tegen, wat baatte het? Maar een verslapping, die onze gedachten, onze letterkunde, onze volksbeschaving prijs gaf aan het voortdommelen in de éénige slavernij, uit welke onze vaderen zich niet wisten vrij te maken, de kwalijk begrepen navolging der ouden;—maar eene verslapping, die eerst alles wat naar het Latijnsche zweemde, fraai vond, en, weldra in aperij ontaardende, aan iedere windvlaag, die ons uit den vreemde bastaardklanken overwoei, het oor leende,—wie zou deze hebben durven voorspellen? Het was of de woorden allengs hun gehalte verloren. Vervalschte, vermengde munt, werden er drie geldstukken vereischt, waar weleer één had kunnen volstaan,—en woog het bekende: "puur zuiver en innocent", nog het goed oud-Hollandsche onschuldig niet op! Wat wonder, dat van Effen, die den Genius van ons proza als portier van Jan Borliut aantrof, hem onhandelbaar en onhebbelijk vond; stroef van toon als hij heusch van geest wilde zijn, verlamd van tong en vereelt van oor, hem, die geschapen scheen, om voor alles wat kloek en groot, wat lief en schoon is, uitdrukkingen te smeden, louter nabootsenden klank, louter beeld! Slechts één schuilhoek was den stakker overgebleven, waarin hij de armen vrij mogt hebben; slechts één publiek, waartoe het hem vergund was te spreken, in den schilderijen tongval onzer oude kluchtspelen: zoo "de Spectator" nog leeft, hij wijt het dank aan het beluisteren van de lippen des volks. Het volk, het gemeene volk, dat zijne taal niet met Latijnsche en Fransche bastaardklanken had doorspekt, dat Hollandsch was blijven praten, kernig als het merg van zijn gebeente,—ruig als zijn breede borst,—waar als zijn aard. Lees de Angenietjes, en verbaas er u met mij over, dat men de burgervrijaadje zoo lang las en prees, zonder te beproeven, in schrift en stijl der natuur meer op zijde te streven. Of werd er een minder geweldige schok dan die der Fransche omwenteling vereischt, om onze geleerden uit de overpeinzing hunner Ciceroniaansche phrases wakker te schudden? te schrikken ware juister woord geweest. Immers, het was deze, welke hen dwong het oor te leenen aan raauwe kreten, ja, maar die ondanks hun volslagen gebrek aan numerus en cadans ter harte gingen, die hen verpligtte dragelijk Hollandsch te leeren schrijven, als zij tot Hollanders het woord wilden rigten! Dragelijk Hollandsch? Eere twee vrouwen, eere Agatha Deken en Elisabeth Bekker, die de behoeften des tijds begrepen en bevredigden, toen hooggeleerden nog een poespas zamenflansten, welks spelling huiveren doet. Eere den kansel, wiens leeraars eindelijk oor hadden voor den eisch der beschaving, die invloed zochten door het éénige middel, dat dien op den duur en eervol verzekert, een' natuurlijken, een levendigen stijl, welke het ware verzusterd acht met het schoone. Eere aan van der Palm, die bij ons proza iederen zin, maar vooral dien voor het eenvoudige, ontwikkelde.
Als er ketterij in deze onwillekeurige uitwijding steekt, zoo wijt haar aan het boeksken van professor Geel, over: "Het proza" en vlei u met mij, dat hij de gedachten, er in aangegeven, uitvoeriger ontwikkelen zal. Ik loop, tot dien prijs, gaarne de kans zijner heusche teregtwijzing.
Jan Borliut—het wordt tijd tot ons onderwerp terug te keeren—Jan Borliut houdt geene kweekschool van kantoorbedienden meer; hij heeft, in den geest des tijds, een' knecht om de deur open te doen, of een' jongen, die aspireert tot eene klerksplaats. De knecht, het spreekt van zelf, blijft knecht—en de aspirant-klerk ziet met blijdschap den Nieuwjaarsdag te gemoet, waarop een weêr jonger knaap hem zal vervangen, en hij bevrijd zijn van het verdrietelijk baantje, kagchelstokken, boodschappen doen, uitlaten, enz. Hij beklimt op zijne beurt eindelijk de lang gewenschte kruk, hij schrijft concepten uit het klad in het net, en dat duurt zóó eenige jaren, in welker loop hij van kruk tot kruk, van die het digtst bij de deur tot die het digtst bij het venster wordt bevorderd. "Het is een schrale climax," zegt gij; een oogenblik geduld, bid ik u! Hij heeft intusschen allengs grooter aandeel in de fooitjes, alias cadeaux gekregen, die soms aanzienlijk zijn, wanneer de fraai geschreven acte de opmerkzaamheid van den een' of anderen cliënt tot zich trekt,—als het onverwachte eener testamentaire dispositie de mildheid van verraste erfgenamen uitlokt, om de arme drommels te bedenken,—als het kantoor weken lang geheim heeft gehouden, dat er een nieuwe naamlooze vennootschap zou worden opgerigt,—die kostbare liefhebberij onzer dagen.—Waar zijn intusschen de klerken gebleven, welke vóór hem op die krukjes zaten, en die niet allen jonge heeren waren, rijk genoeg aan geld en geduld, om eene benoeming tot notaris te huis af te wachten,—nadat zij ongeveer alles van de praktijk hadden geleerd, uitgezonderd de beste praktijk, van alle, die—om met menschen om te gaan. Waar ze gebleven zijn? Jan Borliut heeft voor hen gezorgd. Hij onderscheidt weldra, wie hunner het lot eersten bediende, wie tot notaris op een dorp het al dan niet brengen kan,—en wat zou hij er tegen hebben, dat de stakkers, welke dit niet kunnen, dat zij vrijen en trouwen, mits men hem maar niet met de zorg voor hun onderhoud en dat hunner kinderen belaste? Door zijne velerlei relatiën valt er ligt een baantje op te sporen; niet heel voordeelig, niet weêrgaloos vet, maar toch mooi genoeg voor een' jongen, die al heel blij was, dat hij op eene kruk zat. Hoe dan ook, hij plaatst ze. En, schoone evenredigheid tusschen middel en doel! de burgerknaap, die aan hem verpligt is, dat hij zijn Maartje of zijn Grietje heeft kunnen huwen, dat hij een klein ambtje, een' post bij den gouverneur of op het stadhuis heeft gekregen, hij is hem zijn leven lang dankbaar en vereert hem niet zelden als een' vader. We kennen een' notaris, die niet weet hoe dikwijls hij gezegend wordt, door menig' "sukkel van een vent," dien zijn invloed aan de Nederlandsche Bank of aan het Grootboek der Nationale Schuld heeft geholpen. Hij is schalk genoeg, om "wanneer er weer een geborgen is," zoo dikwijls hij een' der directeuren of ambtenaren dier inrigtingen ontmoet, deze te plagen met de klagt; "dat zij hem ook al zijne ezels afnemen!" Waarom zouden wij hem die scherts niet gunnen, gepaard als zij gaat met waarachtige humaniteit des harten, die bovendien voorkomt, dat uit zijne school de bent der zaakwaarnemers gerecruteerd wordt? Stil,—we zijn reeds te uitvoerig geweest over eene wereld zoo wèl afgerond als deze, en welke ons onderwerp eigenlijk vreemd is, sedert het proza ontslagen is van den boei van Jan Borliut.
Tot onze eigenlijke kantoorbedienden, als gij wilt. Ziet ge dat paar in de binnenkamer, van den tweedehands koopman? Staaf, de jongste, is een burgermanskind, in de hedendaagsche beteekenis van het woord, nu fruitvrouwen en schoorsteenvegers ook al burgerluî zijn, och ja! Rivers—de tweede—is een ordentelijke jongen, wiens ouders "aangeziene menschen" zouden zijn,—hoe waar is die uitdrukking!--wanneer het niet zoo moeijelijk viel, zijn fatsoen op te houden met eene schrale beurs. Rivers is eenige jaren ouder dan Staaf, die pas van het Nut van 't Algemeen komt, en siegenbeekt dat het een' aard heeft, als Rivers zich aan twijfelaarsgeslachten bezondigt, of kassa met eene c schrijft, of de tweede lettergreep van ontvangst met eene f begint. En Rivers zou der menschelijke natuur niet deelachtig moeten zijn, als hij den jongen voor "al die malligheden" niet strafte, zoo dikwijls het in zijne magt staat. Of hij het kan!--"Overschrijven,"—"overrekenen,"—heet het om een haverklap. Zie ik zou de partij van Staaf kiezen, daar mij geen spel zóó ergert, als dat van dwingelandje, indien Rivers niet beklagelijker ware dan Staafje,—hij is op zijn beurt het slagtoffer van de luimen zijns patroons. Een tweedehands-koopman,—geloof het op mijn woord! want er zou geen einde aan mijne schets zijn, als ik u al de waaroms moest verklaren—een tweedehands koopman is, bij de rigting, die de handel in onze dagen neemt, in meer dan de helft aller vakken, een schipper, die tegen wind en stroom roeit.—"Als het getij verloopen is, moeten de bakens worden verzet,"—En zoo dikwijls deze overtuiging zich den man zijns ondanks opdringt, wordt hij boos, en het eerste voorwerp het beste, dat hem in het oog valt, moet het ontgelden. Het is doorgaans de arme Rivers, die tegen mijn' koffijkooper overzit. Heden waait de storm uit dat onnoozel stukje papier, waarop gij een binnenlandsch postmerk onderscheidt.
"Die verduivelde makelaars-knoeierijen! Eene kwart ceel,—en dat koopt ook al in de veiling!--Rivers, het is toch alleronpleizierigst, dat—"
Hetzelfde wat, de jongen heeft den graauw beet. Het is hard, want kan hij het helpen, dat de tijdgeest er naar streeft, alles zoo spoedig mogelijk van den producent tot den consument te voeren?—Het is hard, voor drie honderd gulden 's jaars—met het uitzigt het tot vier, vijf, en mogelijk zes, na nog eenige jaren verduwens, te zullen brengen. Toch zwijgt Rivers, toch verkropt hij den onbillijken uitval, te onbarmhartiger, dewijl hij weêrloos is,—maar o, hoe hij Staafje benijdt, die met wissels wordt uitgezonden, en er een vrij half uur van nemen zal! Neen, hoe hij den jongen duivel haat, die hem in zijn vuistje uitlacht!
—Eene verdrietige pauze.
"Manlief!" breekt eensklaps eene vrouwenstem de stilte af, "manlief!" eene ochtendmuts gluurt even om de deur, "als er nu een handje kon worden geholpen?" En de aarzeling waarmede de patroon,—nadat hij, op het verzoek zijner beminnelijke wederhelft, "ja!! ja!" heeft geantwoord—de twee overgebleven kantoorbedienden aanziet, verraadt—verpligt mij, eer ik verder ga, te bekennen, dat ik tot nog toe verzuimd heb, den vierden persoon, op te voeren. Waarom? Hij is volontair,—in rang, op het kantoor altoos, tusschen Staafje en Rivers in. Hij zal hoogstens nog een paar jaren "bij den baas" blijven, om er de kennis dier artikelen op te doen, in welke hij later handel denkt te drijven. En nu tot den patroon terug, wiens schroom verried, hoe zeer hij met de zaak verlegen was, en die toch eindelijk een besluit neemt, dat weinig tweedehands kooplieden zouden genomen hebben zoo als hij.
"Hm!--hm!--" zegt hij, "och van den Bergh ge moest eens even een handje helpen."
En van den Bergh—ik gebruik dien naam, dewijl ik geen' tijd heb, om in van Leeuwen's "Batavia Illustrata" een uitgestorven familie op te zoeken,—van den Bergh staat op, of hij oorlog voerde, met zijn stoeltje, dat bonkt tegen de snipperbak, maar slaat de deur van het kantoor niet ruw achter zich digt. "Dat doen de dienstbaren," zou hij zeggen.
Ik bid u, gis nu, waaraan hij verzocht werd een handje te helpen. Wat kan Mevrouw te doen hebben, waartoe zijn bijstand wordt vereischt? Welke dienst—maar ge zoudt u vruchteloos het hoofd breken. Het kantoor is aan eene binnenplaats, heb ik gezegd. Naar Amsterdamsche huisverdeeling hebt ge dus tegenover het raam, waardoor de kamer haar lieflijk muurlicht ontvangt, twee vensters, die van de onontbeerlijke zaal, daar boven eene opkamer, dáár weêr boven een' zolder, en beneden, diep in de diepte, de keuken; en nu, zie, of liever luister toe.
Roetsch!--daar vliegt een mand met turf het zolderraam uit, opkamer en zaal langs, snel als een pijl omlaag.
Piep—piep—piep—en de leêge mand is weêr boven; maar zou van den Bergh—zou hij waarachtig—turf aflaten?...
Kling, kling, er is geen twijfel aan, kling, kling, kling, de tweede mand, blijkbaar opzettelijk heen en weer geschommeld, levert den ruiten van de zaal slag, die achteruit deinzen als hazen, terwijl de turven de bres instormen, of het de verovering eener belegerde stad gold.
"Mijn God!" roept de patroon, "die rakker van een' jongen!"
En Rivers?
Ach, houdt het hem ten goede, dat het hem, spijt de gebroken glazen, spijt de drift van mijnheer, spijt den angst van mevrouw, spijt de Babylonische verwarring in het gansche huishouden, te weeg gebragt door eenige schreeuwende kinders en de meid, die, bleek als een doek, de trap opvliegt, dat hij, spijt dit alles, zich niet weêrhouden kan te denken:
"Jongens! die zich kon doen gelden als van den Bergh, die mony had als hij!"
De wraak is hem al op de hielen.
"Rivers! in het vervolg laat jij turf af, je bent bedaarder," zegt de patroon, die van den Bergh nauwelijks heeft durven bestraffen; hij zou hem geantwoord hebben, dat het knechts werk was. En Staaf, Staafje die met de overigen weêr binnen is gekomen, Staafje hoort het, Staafje die "er vinger en duim naar zou likken" om drie honderd gulden 's jaars te trekken,—de mededinger in den dop!
Als Rivers weigerde,—er loopen andere Staafs in menigte langs de straat!--Maar het komt niet bij hem op—hij lachte straks niet bij het rumoer der gebroken vensterschijven,—hij verkropt nu.
Gelukkige van den Berghs, gelukkige volontairs! had ik moeten zeggen, die u zelve niet om den wille eener kleine toelage behoeft te verloochenen, die den handel als eene wetenschap bestudeert, wat zijn voor u copij-boek, rekening-courant, journaal, grootboek, wat zijn ze voor u andere voorwerpen, dan voor den eigenlijk gezegden bediende! Of verkeeren in uwe oogen de cijfers niet in zoo vele tooverteekenen, welke gij magtig moet zijn, om den staf te zwaaijen, die alle geneugten des levens, alle weelden van den geest ter beschikking van zijnen gelukkigen eigenaar stelt! "Phoe!" hoor ik uitroepen, "alsof er poëzij in den handel school, alsof hij iets van philosofie wist!" En men is zeer beleefd als men het daarbij laat; want het spook der slinksche streken, der knevelarijen, der volslagene oneerlijkheid, het staat aan de deur en het klopt. Laat binnen, mijne heeren! er zijn schelmen onder de kooplieden;—maar eilieve, vergun mij een enkele vraag: is in uwe kringen, in die der wetenschap en in die der kunst—voor de balie, bij het ziekbed, op den kansel,—in den raad en aan het hof, is daar alles goud wat blinkt? Ik eisch niet, dat ge mij de gruwelen biecht, welke allerlei ijverzucht, van lage broodnijd af, tot geniale jaloezij toe, ook onder u aanrigt; ik wenschte slechts, dat gij erkendet, dat menschen menschen blijven, waar gij die ook aantreft. Ik vleide mij dat uwe studie u ten minste tot de overtuiging zou hebben geleid, dat een gezin, eene maatschappij, een staat, dat onze handeldrijvende burgerij, zoo zij door geene andere dan onedele; oneerlijke, onzedelijke beginselen werd bezield, niet zoo lang zou hebben bestaan, in de orde der dingen niet denkbaar is.—Poëzij, philosophie, het ligt gelukkig in den aard der menschelijke natuur, die overal meê te dragen, die onder allerlei omstandigheden aan te kweeken: wie oogen heeft om te zien, merkt beide alom op.
Volontairs vallen eigenaardig in twee klassen te verdeelen, inheemsche en uitheemsche. De kantoorbediende haat beide met een' fellen haat. "Het zijn heertjes, die voor een' beenen knoop werken!" Wat wonder, dat hij de binnenlandsche nog minder kan uitstaan dan de buitenlandsche? Om de laatste van de hoogte, waarop zij zich boven hem plaatsen, neêr te trekken, geeft onze volkstrots hem honderd middelen aan de hand. Ten eerste "zijn het meestal maar moffen"—ten tweede "vreemde vogels, vreemde veren; wie weet, hoe het er in hun nest uitziet?"—ten derde... maar er is geene aardigheid aan de teekening dier magtelooze woede en even magtelooze wraak. Ook treffen wij bij den tweedehands koopman slechts den inboorling, slechts een' vrijwilliger van goeden Hollandschen huize aan. Grooter kwelling dan de trekvogels, die hier hunnen zomer doorbrengen, en in het volgend saizoen naar Havre of naar Liverpool, naar Hamburg of naar Londen vliegen, blijft de inheemsche vrijwilliger onzen klerk eene rots der ergernis, die geenszins uit den weg wordt geruimd, al stoot hij er telkens morgen op het kantoor zijne scheenen niet meer aan. Immers, ofschoon de heuschheid des chefs veelal tegenstellingen als die, welke wij straks omtrokken, voorkomt—de turfhistorie is exceptioneel, maar schildert er niet minder om!--toch vallen er op de grenzen gedurig schermutselingen voor. Neem eens beider uitspanning! Wat de openbare betreft, het verschil is gering, dewijl we er schier geene hebben: dank zij de ligging onzer koopsteden, dank zij onzen huiselijken aard! Immers,—wandelingen? geniet de natuur als gij kunt in den omtrek van Amsterdam of Rotterdam! Gezellige genoegens in den winter, in ruimeren kring dan die van vertrouwde vrienden? de laatste stad biedt er weinig aan, tenzij ge het koffijhuis, het biljart, enz. daaronder betrekt. Concerten? ze zijn in de hoofdstad wat duur voor kantoorbedienden; maar deze heeft schouwburgen, het is waar, in het gebouw op het Leijdsche plein—met acteurs, die om een longtering wedijveren, zoo schreeuwen zij—voor de vrijwilligers; en voor de anderen de Variétés in de Nes—de kunst en nog iets, eene pijp en een glaasje.—En toch zult ge mij van geene overdreven kieskeurigheid beschuldigen, als ik deze en andere plezieren, onzer jeugd uit den middelstand aangeboden, maar overspring, om van het onderscheid tusschen beider huiselijke geneugten te gewagen? Stel u van den Bergh voor, als hij des zomers, 's zaterdagmiddags, na de beurs, in een' omnibus wipt, om naar het buiten zijner ouders te sporen, of uit het portier eener diligence, de gansche Kalverstraat door en de Utrechtsche op den koop toe, op de t'huis blijvende sukkels, Rivers en consorten, nederziet, hij, die naar de Vecht of naar Zeist moet! En de winter is niet liefelijker voor den misdeelde dan het schoone saizoen zich jegens hem betoonde; de vrijwilliger woont in die barre maanden allerlei partijtjes bij, met wier beschrijving hij misschien den klerk kwelt—dewijl het hem, in de prettige stemming, eener onbezorgde jeugd eigen, niet invalt te vermoeden, hoe zeer het verhaal dier geneugten den ontberende ergert en grieft. Van den Bergh spreekt van zich te vestigen, van den Bergh is geëngageerd, als Rivers nog aan geen huwelijk, zelfs met een allerburgerlijkst meisje denken durft. Welk een hatelijk buurman wordt hij; wat al afgunst wekt hij op! Confraters achter den lessenaar, herneemt de hoogere stand zijn regt, liever gaapt de maatschappelijke klove op nieuw tusschen hen, zoodra zij de deur des kantoors achter zich hebben digtgetrokken. De eene heeft eene toekomst; de ander geen verschiet dan dezelfde dienstbaarheid. Als de balling van het maatschappelijk leven er zich niet dood over zal kniezen, rest hem maar één middel om gelukkig te zijn; het zich te wanen. Andere kapitein Jackson, die zich in zijn armoede rijk dacht, moet hij zich verbeelden, dat hij er in zijne bekrompenheid wonder wel aan toe is. Of het bij allen, als bij den vriend van Lamb, ontstond uit eene speling der natuur, die de oogen des mans, voor het weinigtje genot hem vergund, de eigenschap van vergrootglazen bedeelde! Maar bij geen enkele van honderd heb ik de opgeruimdheid van geest aangetroffen, welke dien sanguinen Brit onderscheidde; het is meestal een ziekelijk zelfbedrog, dat kwalijk de innerlijke ontevredenheid vermomt. Als men herwaarts en derwaarts heeft uitgezien en van deze noch gene zijde hulp, licht, troost ziet opdagen, dan zet men zich moedeloos ter zijde van den grooten weg neder, dan legt men de handen in den schoot, en verzekert den eersten voorbijganger den beste, die ons vraagt, waarom wij dáár blijven mokken: "Wel ik mok niet, ik zit hier heel goed;" al is de glimlach waarmeê wij het zeggen, ook zuur als edik.
De billijkheid eischt, dat wij er bijvoegen, dat de middelen, om uit dien toestand te geraken, soms erger kwalen te weeg brengen.
Het is zomer—het zondag-ochtend—het is zeer vol in het Park (in de Plantaadje te Amsterdam). Een gesprek over de groote voeten der Hollandsche vrouwen, in een poespas van allerlei talen, aan een met zes of zeven jongelui en even zooveel glaasjes bitter bezet tafeltje luidruchtig gevoerd, ergert al wie in de buurt zit: den heeren, dewijl zij het ongeveer verstaan; der dames, dewijl ze er meer van begrijpen dan haar lief is. Eensklaps rijst de drokste babbelaar van allen op: "Himmelkreutz element," roept hij, "een oude kennis!" en stuift naar een jonkman, die, in een' hoek, tegen het logement aan, bij een kop koffij zit te mijmeren.
"Wel Vreese, hoe maak jij het?—het is opvallend, zoo weinig als jij veranderd bent, 't is fameux!"
De aangesprokene neemt den vreemden snoeshaan van het hoofd tot de voeten op, "Ik weet waarlijk niet, wien ik de eer heb te zien," zegt hij, schoon de eer gering is; want, trots de elegante kleeding, trots den gouden horologieketting, trots den baard à la jeune France, en een' glacé-handschoen, die om de lange linkervingers schijnt gegoten, terwijl de Vreese toegestoken regterhand met een' ring, wat ben je me! praalt, brengt de oude kennis noch den aanbevelingsbrief van een fatsoenlijk voorkomen, noch het hooger te waarderen getuigenis van een zedelijk gedrag mede.
"Hoe heb ik het met je? Stupéfait, Vreese, ken je dan waarachtig Braeuwtje niet meer? De Braeuw, man!"
Vreese herinnert zich, ja. Het is zeven jaren geleden, en toch heugt het hem, dat er, op een' mooijen Meidag, een flinke borst aan het kantoor kwam, die er maar een half jaar bleef, en aan wien hij echter dikwijls heeft gedacht; de jongen had raafzwart haar, en oogen als vuur. Het eerste is er nog, maar de laatste! Als Vreese dichter was geweest, hij had er uitgebrande vulkanen in gezien. Herkenning,—herinnering,—herschepping,—de daad, de gedachte, de opmerking, was het werk van een oogenblik; eenige onbeduidende vragen en antwoorden volgden,—de Braeuw was al begonnen aan eene vertelling van zijne historie.
"En ben je nog altoos bij den Oude? Hij was mijne gading niet. Dat had ik gaauw gewaarmerkt, en daarom poetste ik de plaat. Ik heb lang gezocht, en zal blijven zoeken, tot ik vind wat mij lijkt. "Toujours content et sans souci, c'est l'ordre du grand Bamboury!" als een oude likkebroêr zei. Laat zien hoe dikwijls ik al omzadelde. Fameux! Van Effens en Zoon, waar ik je leerde kennen, naar Schnack & Co., maar dat weet je, toen zagen wij ons nog!--Van Schnack & Co. naar Gebroeders Ter Sol, te Rotterdam, van die, naar Auf Dem Acker Wittwe & Sn., in Crefeld en uit dat aardig stadje naar Du Bois, la Riviere & Ce., te Parijs; ik zou er eerst bij een grooter huis zijn gekomen, maar die onderbraken hunne betalingen: c'est jouer de malheur, ma foi!"
"Maar me dunkt," zegt Vreese, om toch iets te zeggen, "ge hebt geene reden van klagen,—zoo dikwijls buiten betrekking, en toch telkens weer geplaatst..."
"O dat is het minste, jongenlief, als men zich presenteert, zooals ik... fameux! En bovendien er zijn huizen genoeg in Parijs die zich vleijen met de exploitatie van eene goudmijn, dans le pays de canaux, canards, canaille, als ze maar een hollandschen reiziger hebben. Foei, wat zie je zuur om die aardigheid van den Heilige van Ferney! Het is een woord, waarin veel waars steekt, schoon het mij hier zelden ontsnapt. Drommels, neen, men moet in dit land zeer voorzigtig wezen; en toch knijpen ze hier de kat in den donker. Maar wie zijn leven genieten wil—fameux!"—
"Die moet naar Parijs," valt Vreese, met veelbeteekenenden blik in.
"J'ai longtemps parcouru le monde."—neuriet de Braeuw "Statt Reuter bin ich nur noch Pferd, dat is waar; maar toch heb ik andere dagen beleefd, dan gij ooit bij den oude zien zult. Schnack's reiziger gaf mij eens een kijkje op zijn leven, en schoon hij maar een apenkind was, en zijn pret niet de geraffineerdste, dat moet ik van de gesinnungen van den man zeggen, hij was van de ware leer: Le jour aux affaires, le soir au plaisir—fameux! Er is overal goede wijn, en er zijn overal mooije meiden—of ben je misschien getrouwd?"
"Excuseer!" zegt Vreese,—een mal antwoord op zulk eene vraag.
"Pas d'offense; aan een huwelijk valt in onze betrekking niet te denken, en ook: Que diable allait-il faire dans cette galère? Er zijn zoo weinig vrouwen, die niet wel eens—fameux! Maar je ziet al weêr zuur, heb je zusters?"
"Wij hadden eene moeder, de Braeuw!"
"C'est du sérieux, vraiment!" maar Vreese lachte niet. "Wat ik maar zeggen wil," vaart Braeuwtje voort, "dat ik een prettig leven heb geleid; dat zit er achter den houten bak niet op. "Poot an speulen," zei Schnack, "dat ist Hollandsch!"—het was al wat hij in dertig jaren hier had geleerd; maar wien hij er toe kreeg, mij niet. Als ik er langer gebleven was, dan zou het tusschen mij en den grompot tot daadwerkelijkheid zijn gekomen, bei meiner Seele, dat zou het—fameux! Maar ik kreeg de reizigersplaats te Rotterdam in 't oog, in Verfwaren weet je;—in Creveld pakte ik de Linten beet;—nu heb ik eene heele Galanteriekraam hij me. Kom eens kijken, als je lust hebt; in de Star, No. 15, à votre service, mits ge mij niet alleen laat babbelen. Adieu, Vreese, au plaisir!"
Vreese oogt hem half verbaasd, half verontwaardigd na—en wèl mag hij het doen! Verbastering van taal en verbastering van zeden, niets degelijks, niets hollandsch meer!--"Alleen babbelen!"—, wat zou hij hem hebben toe te vertrouwen? Hoe arm aan gebeurtenissen, aan geneugten vooral, is zijn leven in die jaren geweest! Wat heugt er hem van dan ellende? tweeërlei jaloezij! De eene is hij te boven, maar de andere?
Opdat ik niet langer in raadsels spreke, hij heeft bij Effens en Zoon een' confrater gehad, die het veel verder in de wereld zal brengen dan hij—het was ook een Oost-Fries. Als gij rondziet, hoe velen van die natie, neen, van die inboorlingen van Embden, Leer, en meer stadjes van smokkelige vermaardheid, hier wortel hebben geschoten, dan zult ge het met mij eens zijn, dat òf ons volk een predilectie voor hen heeft, òf dat zij met het genie der intrigue zijn begaafd. Gaarne vergun ik u eenigen van dit dilemma uit te zonderen; ook ik ken er heusche menschen onder, enkele zelfs reken ik onder mijne vrienden. Maar de lessenaarmakker van Vreese vertegenwoordigde al de gebreken welke de soort kenschetsen; hij wist "ieder schoenen naar de voeten te geven," dat wil zeggen, beurtelings onbeschaamd en laagzielig, was het hem om het even, of hij trapte, of dat hij getrapt werd—mits hij maar vooruit kon komen, vooruitkruipen is het ware woord. Effens en Zoon—brave kooplui in granen—waren in het eerst zeer met hem gediend;—niets natuurlijker. Zij eischten slechts het redelijke van hem, maar hij zou zich zelfs het onredelijke hebben getroost;—het was zijn belang hunne relatiën zoo spoedig mogelijk te leeren kennen,—en het scheen, dat hunne zaak hem ter harte ging, als ware ze zijne eigene geweest. Hoe verschilde het oordeel, over hem uitgebragt, naar het doel dat men hem toeschreef: Vreese sprak van afneuzen en flikflooijen, terwijl de patroons hem voorkomend en ijverig prezen. Weldra walgde de eerste van den gluiper, en werd onaardig, norsch, bar tegen hem; de Oost-Fries trachtte den steen, dien hij niet uit den weg konde schoppen, op zijde te schuiven. Hij lasterde Vreese, maar de in het duister afgeschoten pijl stiet op den schutter terug, en—hij kreeg zijn afscheid. Hoe Effens en Zoon er voor boetten, dat hun open aard hun niet had vergund, hem te verhelen, hoezeer zijn karakter hen tegen de borst stiet! Naauwelijks was hij bij een' hunner niet overkiesche concurrenten geplaatst, of deze schoten met het kruit, hun door den Oost-Fries verstrekt, onder hunne duiven. Hij had een hoog salaris bedongen—want hij kon relatiën aanbrengen van zijn vorige patroons. "Dat gaat zoo," zeide deze en gene; maar wie het zeide, Vreese niet. Trots al het geld, dat zijn voormalige confrater nu verdient, zou hij niet in zijne plaats willen zijn. Vier of vijf soorten van beroepen in zich vereenigende, en partij trekkende van elk, bij wie het hem gelukt zich in te dringen, zal het niet bij den tilbury blijven, waarin hij straks Vreese voorbij reed, een leelijk gedrogtje, maar dat geld heeft, aan zijne zijde. Vreese, die zich niet weêrhouden kon haar op te nemen, beantwoordde het knikje niet, waarmee hij hem groette—zulke Oost-Friezen worden nooit kwaad, weet ge.
Welligt zou Braeuwtje, ondanks zijne wilde haren "amen!" zeggen op de voorkeur, die Vreese aan "een' goeden naam boven olie" geeft; maar zijne tweede confidentie, neen, het viel dezen niet te vergen hem die te doen. Stel u voor, welke oogen de losbol op zou zetten, bij het verhaal eener hopelooze liefde!--"Peut-on être si bête!" zou hij uitroepen, "voor deze eene andere!"—Maar Vreese heeft Betsy al drie jaren gekend, en nog is the awful question niet over zijne lippen gekomen, al is hij zeker, dat zij hem geen "neen!" zal geven. Hij zou haar vragen—als hij maar geen kantoorbediende was.
Eenige weken vóór zijn bezoek van het Park zaten zij zamen aan de piano; hij speelde, zij zong. Ik weet niet, welk teeder liedeke van Heije haar deed haperen—genoeg, schroom beving haar, zij aarzelde;—o hoe gaarne had Vreese haar door een' kus gezegd wat zij niet durfde uitbrengen! Onwillekeurig hief zijne hand zich van de toetsen op, de verzoeking was hem te sterk,—hij wilde zijnen arm om haar midden slaan.
Helaas!
Betsy begreep en verijdelde het gevaar, waarin zij verkeerde; ze zong den tekst, smeltend als hij was. "Maar een kantoorbediende!" zuchtte Vreese, op wien hare zelfoverwinning den invloed uitoefende van een koud bad. En een derde kwam binnen en de piano ging digt,—Betsy ontving hem sedert niet weêr alleen.
Ongaarne zou zij hem bedroeven, en echter een blaauwtje moest zijn lot zijn; want wat zou zij, als ze hem nam, harer kennissen, harer vriendinnen antwoorden, als zij haar vroegen: "En wat doet Mijnheer?"
Ge zult als ik met Vreese ophebben, wanneer ik u verzeker, dat het hem nog nooit was ingevallen te wenschen:—"dat Betsy rijk ware!"—dat de gedachte aan een' mariage de raison hem nog een gruwel was. Het is waar, hij telde naauwelijks zeven en twintig jaren, maar: "liever naar de Oost, dan door eene rijke vrouw de man te worden!" Hoe zich de zeden afspiegelen in de onderscheidene beteekenis in verschillende eeuwen aan de woorden gehecht! "De man": dat was weleer in hoogen en lagen kring, de verpersoonlijking van moed en van kracht; dat was hij, bij uitnemendheid, die de lans het rapste velde, die de bijl het zwaarste neer deed vallen,—dat is in onze dagen hij vooral, neen, hij alleen, die het hoogste woord mag voeren, dewijl hij geld heeft. En echter, gij zult als ik Vreese beklagen, wanneer ik er bijvoeg, dat hij—er zijn jaren verloopen sedert het oogenblik, 't welk ik schetste,—na vaak, maar altijd vergeefs naar eene betere betrekking te hebben gestaan, zich thans te oud acht om naar Nederland's Indië te vertrekken, en die meening voedsel geeft door de theorie te onzent aan de orde van den dag; "Eén vogel in de hand is beter dan drie in de lucht!" Van den bedompten kantoor-dampkring schier geheel doortrokken, is hij allengs meer der onderdanigheid gewoon geworden, verbaast hij er zich zelfs niet langer over, dat hij dag aan dag mede aan de beurs figureert: de nul, die de eenheid vertienvoudt, maar op zich zelve slechts een nul is. Conservatief quand-même gruwt hij van alle nieuwigheid-zoekers in alle vakken; zoo de veranderingen, welke die "afbrekers" wenschen, tot stand kwamen, ze konden hem zijne betrekking kosten; zijne betrekking die zijn alles is,—sedert Betsy huwde!--Hij leeft immers nu tevreden—behalve wanneer hij haar ontmoet, een jongske van een jaar drie vier, aan de hand?—
Het deert mij, dat mijn onderwerp er me toe verpligt zoo veel geloof van u te eischen, en toch zult gij weder op mijn woord moeten aannemen, dat het nergens moeijelijker valt met een klein fonds zaken te beginnen, dan in eene der koopsteden van ons vaderland,—dat men aan geen beurs, om een' technieken term te bezigen, "meer op de tand wordt gevoeld," dan aan de Amsterdamsche. Ware dit zoo niet, welligt had ik nooit uw geduld door dit opstel op de proef gesteld; welligt kende onze taal den smadelijken uitroep niet, aan het hoofd dezer bladen geplaatst. "'t Is maar een pennelikker!" geldt minder dan veertien-, vijftienjarigen borst die zich te goed doet op de zaken van zijn patroon, dan den kantoorbediende van dertig of vijf en dertig jaren, die, trots zijn' rooden hoed en kalen jas, aanspraak maakt door de heffe des volks "mijnheer" te worden genoemd. "Foei, van den ziekelijken trots!" wilt ge uitroepen; of ik u bewegen kon te zeggen: "De arme afhankelijke!" Vergun mij den toestand andermaal in beelden te brengen, het zal de scherpste toets van de billijkheid mijns verlangens zijn. Mogt die schets mijner voorstelling tevens vrijwaren voor al te eenzijdige opvatting! Vreese en de Braeuw kunnen misduid worden tot een beweren, dat kantoorbedienden zelden trouwen, dat reizen in den vreemde onze jongeluî bederft. Behoef ik te verzekeren, dat ik noch het eene, noch het andere bedoelde? dat ik slechts wilde afschaduwen, hoe de verloochening van zelfgevoel, waarvan wij in Rivers eene proeve zagen, maar de eerste stap is tot nog zwaarder ontberingen—Vreese—tenzij de natuur zich door uitspattingen wreke, als in den verbasterden de Braeuw.
Onze schilders bezitten een eigenaardig talent voor het huiselijke. Ik heb het hun zelden zoo zeer benijd als in dit oogenblik; want ik moet u een klein vertrek binnen leiden, zoo klein, dat gij het met een' enkelen oogopslag kunt overzien. Gelukkig dat het avond is, dat er een tinnen kapje werd gezet op de kleine lamp die in het midden der kamer op tafel staat—anders gaf ik dadelijk den wedstrijd met hen op. Maar schort het geheel aan mijn gebrek aan talent? Staar eens een oogenblik in die graauwe schemering, buiten den kring des lichts, rond, en ge zult begrijpen, waarom de heeren van het penseel zoo ongaarne hedendaagsche binnenhuizen schilderen, waarom zij bij voorkeur de stoffaadje der zeventiende eeuw kiezen. Of zou het u invallen den weerzin, welken hun dit vertrek zeker inboezemde, toe te schrijven aan de menigte der voorwerpen, welke gij allengs ontdekt? Neen, er is geen enkel onder deze, dat zich opdringt, dat uitsteekt, dat schreeuwt. Er heerscht zelfs meer orde in hunne plaatsing—lof zij der huisvrouw!--dan een schilder verlangen, dulden zoude. Maar de lijnen dier meubelen, maar de vermenging van allerlei stijl, in den vorm dier sieraden; maar het volslagen ontbreken van een' harmonischen indruk des geheels, ziedaar zwarigheden, welke moeijelijker zijn te boven te komen, dan dat de kamer tevens tot huizen en tot slapen dient. Nog eenmaal zij de moeder des gezins geprezen, er komt desondanks in het vertrek niets aan het licht, dat der keurigste kieschheid ergeren kan. Doch orde in de schikking, en zindelijkheid in het gebruik, het zijn wel voorwaarden van schoonheid, maar zij volstaan voor haar wezen niet, dat eischt meer. Ik zou dan ook geen woord reppen van dien vierkanten klomp houts, eene chiffonnière geheeten—zijn beslag is nog glanzig of het pas uit den winkel kwam—als er naast de kleine, heel kleine pendule, op deze geplaatst, niet een paar jannen van kastanjevazen hadden gestaan. Ik zou mij bij gebreke der golvende lijnen van een ouderwetsch spiegelkabinet wel wachten, u een aanregtje, alias trumeau, te wijzen, dat ons leelijk schoeisel aan het licht brengt, als zich daarop niet een hooge pijpenstandaard had verheven, wiens krullende koperen slang verwaten neerzag op een paar herders en herderinnetjes van porselein. Ik zou—maar ge schenkt mij de verdere beschrijving, dewijl ik niet als de schilders stoffeeren mag, à fantasie, en ik maak dankbaar van uw verlof gebruik, na der vrouw des huizes met een enkel woord te hebben verontschuldigd over de plaatsing dier kastanjevazen, over die liefhebberij in gebakken beeldjes, na u tevens te hebben verduidelijkt, waarom ik er van ophaalde. Beide waren cadeaux, het jonge paar bij zijn huwelijk vereerd. De eerste werden hun te huis gezonden door een' Oom, die het hart te hoog droeg om iets nuttigs te geven; en de jeugdige echtgenoote, welke hem ontzag, wist hare dankbaarheid niet beter te bewijzen, dan door een geschenk, waarvan zij wel nooit gebruik zou maken—te pronk te zetten. De tweede zijn haar vereerd door eene oude Nicht, "die eindelijk iets had gevonden, waarbij men haar dagelijks gedenken kon,"—en of men het deed, bij de porseleinen sta in den weg's!
Te over willigt, om u eene burgerlijke bovenvoorkamer voor den geest te roepen, nu binnen het schijnsel der lamp gezien. Welk eene groep! Eene moeder met twee kinderen: een jongetje van vijf, een meisje van drie jaren,—het laatste zit stil op haren schoot, terwijl het eerste aan hare knieën zijne avondbede opzegt.
"Amen!" fluistert de moeder haar zoontje na.
Maar hoe lief is die kleine in haar wolkje van wit nachtgoed; hoe koost en streelt ze met hare mollige armpjes de wangen der moeder: zóó iets laat zich niet beschrijven, het is te zeer natuur.
Geloof mij, dat ik het verder zou brengen in het schetsen van het jongske, dat niet afgunstig, maar toch benijdend aan hare knie staat, en—
Dáár legt zij de hand op zijn krullebol.
"Ge zult woord houden, Wim?" vraagt zij.
"Het eene versje kan ik nu al, moederlief!" en waarlijk, daar rolt een dier gedichtjes van zijn lippen, welke van Alphen een' onsterfelijken roem waarborgen—die hem bij de zaligen streelen mag!—
"Braaf, Wim!" zegt de moeder, "morgen het andere," en zij brengt Chrisje naar hare wieg; doch eer zij ter tafel terugkeert, loopt het jongske haar half ontkleed te gemoet.
"Nu nog een zoentje voor vader,—komt hij haast weer?"
Het knaapje vermoedde weinig, hoe zeer het de wensch zijner bekommerde moeder ried—haar man was voor het kantoor zijner patroons reeds eenige weken op reis. Zie, zij zit weder in haren leuningstoel; de weinige toestel, voor het avondmaal der kinderen vereischt, is al weggeborgen. IJverig vat zij de naald op, en echter, het is of het werk niet vlotten wil. "Dat hij weêrom ware!" denkt zij. En ze haalt een klein beursje uit den zak, en zij telt de weinige guldens, welke er nog zijn, over; en zij werpt een' blik op de pendule: al digt bij half negen ure? Wis zou zij nog eenmaal in den almanak kijken, de hoeveelste van de maand het is, als ze niet reeds lang November had te gemoet gezien, als ze er niet zeker van was, dat het eergister al de eerste is geweest. "O, als hij t'huis ware!" dan zou ze reeds toen het vierendeeljarig salaris hebben ontvangen, en echter, hij had haar zoo stellig verzekerd, dat de heeren het zenden zouden.
De heeren!—
Honderde gedachten gingen haar door het hoofd; maar geene enkele, die krenkend was voor haren man—honderde gedachten, in haren toestand, zij zou eerlang weder moeder worden, dubbel pijnlijk. Wat was waarschijnlijker, dan dat het op het kantoor vergeten was het haar te brengen; maar, zou zij dan morgen, overmorgen, in de volgende week—zóó lang zouden hare guldens niet strekken!--er om gaan vragen?—Slechts met looden schoenen zou zij den trap opklimmen. Het wijf van een' daglooner eischt, bij ontstentenis van dezen, zonder omweg, de penningen, die haren man toekomen; maar zij, die juffrouw heet, die----En echter, de kinderen hadden kleine behoeften voor den winter, in welke zij nog vóór hare bevalling voorzien moest, maar niet voorzien kon, als zij geen geld had... O, indien zij zich dat alles had voorgesteld! indien zij had begrepen, hoe zij toch altoos niets anders zou zijn, dan te groot voor een servet en te klein voor een tafellaken, indien zij dat geweten had, eer zij trouwde—foei! Zij had haren Gerrit immers nog lief, als toen zij hem nam? En hare kinderen! Zie, al verzwaarde de ongeborene reeds nu hare zorgen, als zij aan het derde zoo veel genoegen zou mogen beleven als aan de beide eersten, dan had zij er dit, dan had zij er alles voor over. Maar—als het Gerrit gegaan ware, zoo als hij zich vleide dat het hem gaan zou, toen zij huwden, zoo hij een aandeel had gekregen, neen, dan zou er nu geene glinstering van angstzweet op die fijne, vermagerde slapen zijn geweest.
Negen ure!
O rijkdom van poëzij die er in het hart eener moeder schuilt! Wat zij haar zoontje ook zou laten worden, zeî zij in zich zelve, geen kantoorbediende! en toen dat afgepraat was, liep ze eene reeks van beroepen door, en hare verbeelding schoot wieken aan, als hij eens een man in bonis wierd, als oom! Ja, die zou in staat zijn, als hij wilde, het jongske voort te helpen: was hij niet een oud vrijer, was Wim niet zijn petekind? Doch, als het hem dan eens goed ging in de wereld, heel goed, zou hij haar dan nog liefhebben als nu, haar, Chrisje, den ongeborene, zou hij dan ook smadelijk neerzien op zijnen vader, den kantoorbediende! God beware hem voor zulk een' rijkdom. Maar neen, Wim stond haar voor den geest. Wim, wiens oogjes—het waren sprekend die van haren Gerrit—de verdenking logenstraften; Wim, die zoo veel van zijn zusje, zooveel van haar hield. Eer zij het wist waren hare handen gevouwen,—zij bad voor haar gezin, zij bad tot voor het ongeboren kind toe.
Het sloeg half tien ure!
Helaas, de vraag: "wie weet waarom het geld uitblijft?" kwam weder bij haar op. Gerrits laatste brief moest uit de plooijen van haar huiskleed te voorschijn gehaald worden. Rijkdom bewaart ter nood minnebrieven,—armoede draagt dien van den echtgenoot op het hart. Wat had zij hem dikwijls gelezen, en telkens met dezelfde belangstelling! Liefde is de ware lezeres. Dáár stond het immers, dat zijne patroons reden hadden over zijne reize tevreden te zijn, dáár stond het: "Wijfjelief, het valt mij hoe langer hoe zuurder van huis te zijn," dat was geluk! Al hadden zij geen geld—de vrouw zegevierde op de huishoudster.
Maar de moeder zag weder naar de klok.
Bij tienen!
Daar werd gescheld.
Het was een jongman van het kantoor, en hij bragt geld; maar met welk eene boodschap! Zij blijke uit den volgenden brief, dien Gerrit's vrouw hem nog denzelfden avond schreef, met tranen in de oogen: