XXXII.

Toen begon langzaam weer de dagelijksche gang van het gewone leven.—Rozeke was beter en zat op in de keuken. Moeder was weg. La zou nog een poosje blijven om in 't huishouden te helpen.

De voordeur ging open en voor de derde maal, dien ochtend, stak Smul van achter 't houten schut zijn hoofd naar binnen. Hij trad heelemaal naar voren toen hij eindelijk Rozeke ontwaardde, bleek en mager, met witte kussens achter den rug in den leunstoel waar destijds Alfons zat bij het vuur, en vroeg haar:

"Wa goan we nou doen, bezinne, mee die partij achter de Vlierbeum: zoên we doar eirdappels planten of zoên we 'r suikerijen zoaien?"

Die eenvoudige vraag bracht Rozeke heelemaal van streek, deed haar plotseling weer beseffen wat zij aan Alfons verloren had.—Ach! hoe kon ze 't weten wat er daar geplant of gezaaid moest worden? Zij had daar immers geen verstand van en niemand was er om haar raad te geven. Haar betrokken, bleek gezicht met triestig-doffe oogen verwrong zich als onder een pijnsteek en zij antwoordde, vol aarzeling en twijfel:

"Och Hiere, 'k en weet ik zelve niet; wa peist-e gij?"

"Ik zou d'r eirdappels planten," antwoordde hij kortaf. "Veur de suikerijen geven z' ou wat dat ze willen en d'eirdappels houên altijd uldere prijs."

"Hawèl, joa, Ivo jongen, plant er gij eirdappels," knikte zij.

"En de zure misch achter den bosch, bezinne? Zoên we nou ne kier probeeren mee d'r wa semiek op te streuien, of zoên w'hem nog 'n joar loate liggen lijk of hij es?"

Opnieuw vertrok zich haar pijnlijk bleek gezicht van aarzeling en twijfel.

"Wa peist er gij van?" vroeg ze voor de tweede maal.

"Ik zoe 't nog 'n joar uitstellen," antwoordde hij. "Whèn nog al wa heui over van passeerde joare en die semiek 'n es toch dikkels moar vervalschten kucht."

"Hawèl joa, we zillen nog 'n joarke wachten."

Hij knikte met het hoofd en was weg.

Zij voelde 't wel, zij was geheel en al, voor wat 't beheer der boerderij betrof, aan zijn wil en besluiten overgelaten; zij zelve had er geen verstand van. Het was dan ook maar beter dat ze 't aan hem overliet: aan hem en aan Vaprijsken. Zij tobde en sprak er over met La, een groot deel van den dag; en 's avonds, na het eten, terwijl de beide knechts even vóór 't naar bed gaan bij den haard hun pijp zaten te rooken, onderhield zij er hen over, de stem bevend en de oogen vol tranen:

"Ivo, en Vaprijs, 'k hope toch da ge mij alle twieë goe zil blijven helpen. Ik 'n hè natuurlijk gien verstand van boeren, en 'k hè road en hulpe neudig. —'K hope da ge zilt willen doen lijk of 't veur ulder eigen woare."

Vaprijsken kreeg een traantje van ontroering in zijn oog.

"Ge meug gerust zijn, bezinne; over mij 'n zilt-e niet te kloagen hèn," zei hij met een stem die trilde.

Smul, het hoofd somber gebogen, knikte zonder iets te zeggen. "Gij toch euk, Ivo?" vroeg ze bedeesd, zonder hem haast aan te durven kijken.

Hij klopte de asch van zijn pijp uit op zijn klomp, spuwde van zich af, en antwoordde eindelijk, kortaf en ruw, met harden blik, zooals het zijn gewoonte was:

"Dat dippendeert, bezinne, van wie da g'hier as boer wilt aanstellen. Ienen boas op 't hof: Vaprijs of ik!"

Zij schrikte hevig van zijn woorden. Hij of Vaprijs? en dan nog wel als boer, als baas! O, wat voelde ze weer hard de akeligheid van haar verlies! Een weeke kleur kwam over haar verlepte wangen; zij stotterde en kon geen antwoord uitbrengen; zij wist niet wat ze zeggen moest. Er was een oogenblik volkomen stilte.

"Ik of Vaprijs!" herhaalde hij met vastberaden nadruk, om de beurt haar en Vaprijsken met zijn barsche, strakke oogen aankijkend.

Eindelijk kwam een spotachtigen glimlach om Vaprijskens gele snor.

"Ik of hij 't es me 't zelfde," zei hij leukjes, "we 'n zijn wij toch moar knechten alle twieë."

Rozeke verademde en keek het trouwe knechtje dankbaar aan. Vaprijsken was zoo goedig! Hij, toch, zou niet onhandelbaar zijn. En wat was het ook goed dat hij 't zoo duidelijk gezegd had: Knechten alle twee!

Doch kort van duur was haar vreugd. Smul gaf zich niet eens de moeite Vaprijskens schimpscheut te beantwoorden, en ging ook op de zaak niet verder in. Bruusk stond hij overeind, als een die al gezegd heeft wat hij zeggen wou, wenschte een korten goenacht en was meteen de deur uit. Verbaasd en onthutst keken Vaprijs en Rozeke elkander aan. Zij voelden wel dat zij niet bij machte waren om tegen zoo'n kerel op te staan.


XXXIII.

Vanaf dat oogenblik werd ook Smul de onbetwiste boer en baas der hoeve. In het begin nog raadpleegde hij Rozeke; maar, aangezien ze zich toch altijd naar zijn oordeel schikte, achtte hij deze formaliteit al spoedig overbodig en beredderde weldra alles zonder vragen naar zijn eigen wil. Hij besliste waar en wat gemest, geploegd, gezaaid, geplant zou worden; waar, wanneer en hoeveel noodhulp-werkvolk moest gevraagd worden; hoe, hoelang en voor welk loon zij zouden werken. Eerst vroeg hij nog een tijdlang Rozeke's instemming en goedkeuring voor wat inkoopen en verkoopen betrof; maar ook daarin handelde hij weldra naar zijn eigen, exclusief goeddunken, kocht en verkocht, vroeg of bracht eenvoudig aan Rozeke het geld der ingeslagen of geleverde waren.

Het duurde niet lang of koopers en leveranciers onderhandelden uitsluitend en rechtstreeks met hem. De molenaar, de lijnmeelfabrikant, de zadenhandelaar boden hèm hunne producten aan; de veekooper, de aardappelkooper debatteerden met hèm over de prijzen van het vee, van 't graan en van de aardappels.

Rozeke zag en voelde wel dat hij zijn grens verre te buiten ging, maar zij had nu eenmaal, door de omstandigheden gedwongen, de macht uit haar handen gegeven en zag geen kans die nog terug te krijgen. Het was fataal zoo gekomen, het had niet anders gekund; dat was het onvermijdelijk gevolg der groote ramp die haar geluk geknakt had.—Doch anders kon zij over hem niet klagen en de heerschappij was wel aan hem besteed. Hij verdiende ze ten volle. Hijzelf werkte, onvermoeid en flink, den ganschen dag door; hij werkte eigenlijk voor haar en voor haar kinderen, als gold het zijn persoonlijke belangen; en zij zag en voelde, als een zachten troost in haar lijden, de tijdens Alfons' langdurige ziekte wel eens bedreigde materieele voorspoed en welvaart weer op het boerderijtje komen.

Edoch, daarbuiten, om zich heen, voelde zij ook groeiende nijd en nauwelijks bedekte schimperij en vijandschap. Men spotte met zijn heerschappij en lasterende tongen verspreidden leelijke geruchten. Vaprijsken noemde hem achterrug "menier den boas", en 's zondags, wanneer hij halfdronken in de herbergen van 't dorp liep, vertelde hij aan al wie 't hooren wilde, dat hij van plan was zijn dienst op te zeggen. Hij vloekte en raasde, driest en uitdagend zoodra hij uit Smul's tegenwoordigheid was en voorspelde dat men weldra rare dingen zou bijwonen.—Ook het Geluw Meuleken was dadelijk, na Smul's bazig optreden, stroef, venijnig en onhandelbaar geworden. Zij keek Smul niet meer aan, wat Rozeke zeer verbaasde en verheugde, want zij vreesde 't ergste van hun gescharrel en voelde zich, minder dan ooit, bij machte het tegen te gaan; maar niet alleen tegen Smul, ook tegen haar was 't Geluw Meuleken onvriendelijk geworden; en evenals Vaprijsken raasde en lasterde zij achter den rug om, op haar zondagsmiddags-uitgangen in 't dorp. Het duurde niet lang of van al die vage, leelijke geruchten kwam Rozeke's ouders iets ter oore; en op een zondagmiddag verscheen moeder op de boerderij.

Rozeke hoefde haar slechts van verre over het erf te zien aankomen, om dadelijk te merken dat er iets ongewoons ophanden was. De dikke vrouw zweette en hijgde, breed-schrijdend met waggelende heupen, als een vette modder-eend; haar gezicht was blakend rood en haar tandelooze mond hing open van inspanning en haast. Nauwelijks was ze binnen en had zich overtuigd dat Rozeke met haar kinderen alleen was, of ze hijgde en storterde 't er opgewonden uit,

"Roze!... è è es da woar wat da 'k doar heure zeggen hè ... dat-e gij mee ouë peirdeknecht goat hirtreiwen as ouën tijd om es?"

"Wa ... wa zegt-e doar, moeder!" riep Rozeke verschrikt.

Moeder, met de beenen ver vaneen, snakkend naar adem op een stoel gezakt, moest eerst even op verhaal komen. Haar fletse blauwe oogen keken rond en boos haar dochter aan en dikke zweetstralen liepen over haar vette, roode kwabbe-wangen.

"O ... o ... of 't woar es da ge mee ouë peirdeknecht goat hertreiwen as ouën tijd om es?" herhaalde zij eindelijk, met een stem die klapte als een zweep.

Een vloed van emotie kwam plotseling van uit de diepte van Rozeke's hart naar haar gelaat opgestormd. Het hokte in haar keel en vulde met tranen haar oogen. Zij dacht aan Alfons en aan haar heilige belofte bij zijn sterfbed; en dat zij die belofte schenden zou, o, het stond zóó verre van haar af, dat zij innig en ellendig droef, maar niet eens boos of verontwaardigd over moeders harde woorden werd. Zij zuchtte zwaar en hikte zenuwachtig, doch zij wist zich te beheerschen; en in plaats van de vraag te beantwoorden, vroeg zij op haar beurt, met kalme, bijna toonlooze stem:

"Wie zegt da, moeder?"

"Wie!... ha! heul 't dorp! 't Es er vul van! D'r wor van nie anders gesproken. 't Es 'n schande!" hijgde de opgewonden vrouw.

Fier hief Rozeke het hoofd op. Zij voelde zich gesard en ook eindelijk kwaad worden. Haar oogen schitterden en een heete kleur kwam over haar ingevallen wangen.

"Hawèl, moeder, as ze 't ou vroagen zeg dan veur mijn poart dat 't leugens zijn!" riep zij eensklaps nijdig en bits.

De oude vrouw schudde zuchtend en kreunend het hoofd. En zij begon scherp uit te varen tegen Smul en tegen 't Geluw Meuleken, zelfs tegen Vaprijsken en tegen alles wat, vooral sinds Alfons' dood, op 't hoevetje gebeurde.—"'t Es 'n schande! herhaalde zij voortdurend, "'t schijnt dat 't al aan d'euren van de páster es gekomen, en as er den b'ron of mevreiwe van heuren, zilt-e moete verhuizen!"

"Joa moar wàtte, moeder? Wa ès er 'n schande? wa ès er gebeurd?" riep Rozeke hoe langer hoe bitsiger wordend.

"Hoe! zij-je blend of deuf dan? Of es 't moar geboaren?" gilde de dikke vrouw. "Weet-e gij meschien nog niet dat 't Geluw Meuleken moe ne kleinen krijgen en da ze zeggen dat 't euk van Smul es!"

Geweldig schrikte Rozeke op. Het vreemde doen van 't Geluw Meuleken was haar al een heelen tijd verdacht voorgekomen en daar kon wel iets van aan zijn. Toch begreep ze 't niet goed en twijfelde nog.

"Ha moar, moeder, 't es uit! Ze'n kijken al sedert verscheide weken noar mallekoar nie mier omme!" riep zij angstig en verbaasd.

"Hawèl joa, 't es precies doarmee dat 't uitgekomen es!" hijgde moeder van Dalen. "Van as Smul ondervonden hèt dat de pap verbrand was, hèt hij heur loate leupen omdat hij sedert Alfons' deud zijn zinnen op ou gesteld hèt! En 't Geluw Meuleken, die doarom kwoad geworden es, goa nou heul den boel in 't dorp vertellen; en Vaprijsken, die zjaloes es, euk!"

"Wà leupen z' al vertellen?" vroeg Rozeke.

"Wèl!... van ou en van hem! Ge 'n moet ou nie onneuzel geboaren! Ge keun wel peizen, e-woar, wat da ze vertellen? O! 't es 'n schande! 'n schande!"

't Was als een openbaringslicht dat plotseling voor Rozeke opging. Zij voelde, met afschuw en schrik, het gansche laag gebabbel en geknoei dat buiten haar om ging, en begreep aan welken vuigen laster zij weerloos was blootgesteld. Zij trilde van verontwaardiging en woede, eensklaps vast besloten er korte metten mee te maken.

"'t Es goed, moeder, 'k ben blije da 'k da amoal wete; d'er zal hier gauwe goan veranderijnge komen," zei ze beslist; en als in krachtdadig besluit kneep ze strak haar lippen op elkaar.

Na nog langdurig klagen en knorren en vitten ging moeder eindelijk weg, en kort daarop kwam 't Geluw Meuleken van 't dorp terug.

Rozeke liet haar niet eens den tijd muts of mantel af te nemen.

"Es da woar, Meuleken," vroeg zij bruusk af, met bleeke, bevende lippen, "es da woar dat-e gij moet ne kleinen hên van Smul?"

Het Geluw Meuleken, klaar om zich op haar zolderkamertje te gaan verkleeden, bleef als versteend staan, 't ontsteld gezicht naar Rozeke omgekeerd, den knop van de zoldertrapdeur in de hand. En vóór ze zelfs een enkelen klank tot antwoord had geuit, zag en begreep Rozeke eensklaps alles: haar betrokken, bleek gezicht vol gele sproeten, de angstig-verwilderde uitdrukking van haar oogen, het reeds zwaar-wordend figuur; alles wat zij in haar diepe droefheid van de laatste tijden niet gemerkt had, trof haar nu plotseling als een klap in het gezicht en zij raasde, net als haar moeder, terwijl het Geluw Meuleken, zuchtend en schreiend, de waarheid ook niet poogde te verbergen:

"'t Es 'n schande! 'n schande! Mij bedriegen in ploatse van mij t' helpen in al mijn verdriet!—'K ha d'r al lank wa van in de goaten, moar 'k miende dat 't gedoan was!—Joa moar azeu 'n keunt g' hier nie blijven, zille! Treiwen of hier wig!"

Het Geluw Meuleken hikte en snikte:

"Hij 'n wil nie treiwen, bezinne. Hij hè mij bedrogen en nou loat hij mij leupen. Hij durf zelf zeggen dat 't van hem nie 'n es, de sloeber!—Moar 't 'n es anders nie of om mee ou te keunen treiwen!"

Rozeke bedwong met moeite een kreet van walg en opstand:

"Mee mij! Wie zegt datte? Wie durft da zeggen?"

"Iederien, bezinne, iederien."

"Hij euk?"

"'K 'n weet 't nie, bezinne, moar iederien in 't dorp zegt het; en Vaprijsken zegt het euk, iederen zondag, in d' hirbirgen, aan al die 't heuren wilt!"

"Vaprijs es nen deugniet, ne zot; en gij 'n zij euk gien goeje, want g' het er euk van gebabbeld, ik weet het!"

"'t Es gelijk, bezinne; ik 'n hè 't nie iest gezeid; Vaprijs hèt 't iest gezeid; moar ik ben d'r d'ongelukkigste mee. O! die sloeber, die sloeber!"

Het Geluw Meuleken raasde en snikte te gelijk, en Rozeke, ellendig doch meelijdend, voelde langzamerhand haar eigen toorn in machtelooze wanhoop verzinken. Doch zulk een toestand kon ze niettemin in geen geval op haar boerderij dulden, en zij besloot met Smul te spreken en hem, zoo mogelijk, tot een huwelijk met het Geluw Meuleken over te halen.

Zij stuurde het snikkend dienstmeisje naar bed, en wachtte op de komst van Smul. Zij hoorde weldra een geluid van voetstappen in de duisternis over het erf en opende met kloppend hart de voordeur.

"Ivo, zij-je 't gij?" riep ze.

Haar stem klonk zwak en onvast. Zij spande al haar krachten in om sterk en kalm te blijven en haar gezag te handhaven. Haar wenkbrauwen stonden gepijnigd saâmgefronst, haar tanden beten zenuwachtig op haar onderlip en zij voelde zich in 't donker op den drempel een vurige kleur krijgen.

"Joa ik, bezinne," klonk Smul's ruwe stem in de duisternis.

"Wilt g' hier ne kier komen?"

Hij was reeds bij de deur van den paardenstal om te gaan slapen. Hij keerde zich om en kwam sprakeloos, dwars over den boomgaard, naar het woonhuis toe. Zij zag zijn sterke, gedrongen gestalte trapsgewijs uit het donkere te voorschijn komen.

"'K zou ou ne kier wille spreken, Ivo."

Hij knorde iets als antwoord, trad achter haar binnen en sloot de deur.

Zij stonden vlak tegenover elkander in de ruime, lage, zwartgebalkte keuken, zij vreeselijk ontsteld en niet wetend hoe te beginnen, hij nurksch en norsch als altijd, zijn dikke rosse snor als een stugge streep dwars door zijn beenderig gezicht met sterke kaken, zijn koude, grijsblauwe oogen strak op haar gevestigd, onder de klep van zijn zware, ietwat scheef op het hoofd staande pet. Een lampje zonder kap stond ongezellig lichtend op een laag groen tafeltje; in 't haardvuur versmeulden de laatste houtblokjes tot asch en kool. Hij wachtte, lomp en stijf in zijn zondagskleeren, wat zij hem te zeggen had.

"Ivo," begon ze eindelijk, zonder hem aan te durven kijken en met een stem waaraan zij weer vruchteloos poogde kracht en vastheid te geven, "Ivo, 't Geluw Meuleken kloagt over ou, as da ze 'n kind van ou moe krijgen en da ge mee heur nie 'n wilt treiwen."

Zij hief het hoofd op en keek hem aan, plichtmatig-berispend, één enkele seconde. Maar, voor zijn harden, boozen oogopslag, sloeg zij dadelijk haar blik weer neer.

"Ik 'n wee doar niets van, bezinne; 'k 'n hè doar gien affeirens mee," klonk kort en ruw zijn afdoend antwoord.

"Ze zeg zij het toch, ze beweirt dat 't van ou es; en às 't azeu es zoe je 'r toch wel meugen mee treiwen," drong zij zonder overtuigingskracht aan.

"Bezinne," antwoordde hij, plotseling bijna uitdagend, "die zijn gat verbrandt moe op de bloaze zitten, en die hem in nen nest mee deurns zet 'n wee niet dewelken dat er hem steekt! 't Kan het van mij zijn, moar 't kan euk van Vaprijs zijn en meschien nog van ne heulen boel andere. Ik 'n trek het mij nie aan, bezinne; 'k voag er vierkante mijn botten aan."

"Joa moar, Ivo, op die manier 'n kan ik ulder toch op mijn hof nie houên!" riep zij eensklaps heftig, met hooge kleur, over zijn hondschheid verontwaardigd.—"Wa zoên de meinschen wel zeggen? En wa zoên de giestelijke zeggen? Wa zoên den baron en de baronesse zeggen? Ze zoên mij doen verhuizen!"

"'t Es het goed, bezinne, as ge 't op die manier opneemt zal ik wiggoan," zei hij kortaf. En hij week al vast naar de deur.

Zij schrikte. Weggaan! Dat kon niet, vooral niet op dit oogenblik, met de aanstaande volle drukte van den veldarbeid. Dat was een halve ruïne, voor haar en voor haar kinderen. En zij voelde zich plotseling laf worden; zij voelde, dat niet de misdadiger, maar wel het ongelukkig slachtoffer, het Geluw Meuleken, moest opgeofferd worden. Zij stond met hooge kleur te beven en wist niet meer wat te zeggen; tranen kwamen in haar neergeslagen oogen en zenuwachtig beefden hare lippen. Wanhopig keek zij om zich heen, als zocht zij naar een hulp en steun welke niet meer te vinden was, als zocht zij nog naar hem die haar door den dood zoo onmeedoogend was ontnomen. Maar zij had niets meer, zij stond zoo ellendig alleen en zoo zwak op de wereld; en laf ontsnapte 't aan haar bibberende lippen:

"Gij of zij, d'r moet toch ien van de twee wig; azeu 'n kan 't nie blijven.—En zij moe in alle geval...."

Eensklaps vloog de zolderdeur open en 't Geluw Meuleken, die staan luisteren had, kwam in de keuken gesprongen, woest, razend, huilend, met fonkelende oogen schreeuwend en scheldend:

"Gie sloeber! gie valschoard! Watte! ge durf zeggen dat 't van ou nie 'n es! En gij euk, bezinne, gij zij euk 'n slechte, 'n slechte! Ge span mee hem te goare! 't Es 'n schande! Ge zij sloebers, valschoards alle twieë! Ulder hof es verdomd, verdomd! Hij es nen brigand, ne meurdenoare! Hij hé mij compleet vermeurd en hij zal ou euk vermeurden, en 't zal wel besteed zijn! 'K zoe nog liever veur mijn kind goan scheuien as hier nog ne menuut langer op ulder slecht hof te blijven!"

Woedend vloog zij naar de voordeur en eer zij den tijd hadden een woord te spreken of haar met geweld tegen te houden was ze buiten en weg, den boomgaard af, het hek uit, onder razend geblaf van den waakhond door de nachtelijke duisternis naar 't dorp.

Rozeke was huilend van ontsteltenis op een stoel ineengezakt; Smul, even stom en roerloos als een bruut, stapte met loggen tred uit het huis en ging naar zijn slaapplaats in den stal.


XXXIV.

De jonge baron en zijn vrouw kwamen dat jaar later dan gewoonlijk buiten. Zij waren er eerst tegen het einde van Mei en enkele dagen daarna kwam de barones Rozeke opzoeken.

Het was een droevig bezoek, een gansch her-opleven van al al de zware, nog maar pas geleden smart. Rozeke begon dadelijk hopeloos te schreien zoodra zij de barones zag en lang spraken zij nog over den doode. De barones vertelde haar nog eens hoe zij 't onmogelijke had gedaan om hem langer in 't zuiden te houden en hoe het was mislukt, omdat hij er niet wennen kon en aldoor, altijd maar naar huis verlangde. Hij was ook reeds tè ziek toen hij vertrokken was; hij kòn niet meer genezen. 't Was erfelijk geweest bij hem, zij wist het van den dokter: zijn vader en zijn broeder waren ook beiden jong aan tering gestorven.

Rozeke stilde eindelijk haar overstelpende, te lang verkropte tranen en toen viel het haar plotseling op dat ook haar voorname vriendin er zoo bedrukt uitzag. Een ongewone plooi van kommervollen ernst lag over haar verbleekt gelaat en haar mooie oogen hadden iets vaag-peinzends, iets afwezigs en verstrooids in hun uitdrukking, alsof zij voortdurend met hare gedachten elders was. Rozeke vroeg hoe 't ging met haar kindje en haar man.

"Goed: nog al goed," antwoordde zij met stille, matte stem, terwijl een lichte kleur over haar bleeke wangen kwam.

"Es menier den baron euk op 't kastiel?" vroeg nog Rozeke.

"Neen, nog niet, maar hij komt nu weldra," antwoordde zij. Haar wenkbrauwen trokken zich zenuwachtig samen en ietwat hooger kleurend wendde zij het hoofd om en bracht het gesprek op andere onderwerpen.

Rozeke durfde niet verder meer vragen; maar plotseling herinnerde zij zich de mededeeling uit een van Alfons' laatste brieven; de zonderlinge ontmoeting van den baron met die twee rare vrouwen in zijn automobiel, en even bekroop haar de angst dat hun huwelijk er ongelukkig door geworden was. Doch zij joeg die akelige gedachte verre van haar weg. "Hoe zou het mogelijk zijn, dacht zij, dat een man die zulk een schoone, goede, liefhebbende vrouw bezit, nog ooit naar andere en dan nog wel naar zulke slechte vrouwen om zou zien."

En toch,... zij vreesde.


XXXV.

Na de heftige scène met het Geluw Meuleken was de toestand op de boerderij gedurende enkele dagen hoogst gespannen geweest. Smul liep sprakeloos en somber, als een bruut, over het erf, Vaprijsken was aan den drank, werkte niet meer, sprak van weggaan en in haar radeloosheid had Rozeke haar ouders te hulp geroepen.

Moeder, steeds categorisch in haar optreden, wilde dat zij heel den boel ineens opruimde, dat zij, niet alleen het Geluw Meuleken, die nu trouwens bij haar moeder in het dorp was en bleef, maar ook en vooral Smul en Vaprijsken voor goed aan de deur zette. Doch vader van Dalen en Rozeke's broeders, veel kalmer en wijzer, kwamen daar sterk tegen op en beweerden dat het gekheid wezen zou. Moeder had mooi praten, omdat zij zelve niet voor 't geval stond, maar waar vandaan zou zij zoo ineens twee nieuwe vaste knechts gaan halen, terwijl, met den ophanden zijnden oogst, nergens zelfs meer noodhulp was te krijgen? Zoo'n vaart had het dan ook niet genomen. Moeder had het onuitvoerbare van haar al te radikale plan al spoedig ingezien, Vaprijsken was tot reden en bedaren gebracht en Smul werd voorloopig met rust gelaten. Zelve was moeder ten slotte voor Rozeke een nieuwe meid gaan zoeken, een van verre; een "uit den bosschen", zei moeder, zoodat ze niets met al 't gescharrel en geknoei der laatste tijden zou te maken hebben. Op een ochtend kwam het meisje, vergezeld van moeder, op de hoeve aan; en 't leek een vriendelijk, ietwat bedeesd deerntje, een zwartje, met héél lichtblauwe, bijna witte, kleine oogjes en een rond, zachtwangig, door de zon gebruind gezicht, vol bruine sproetjes, veel bruiner en veel dichter op elkander gezaaid nog dan die van het Geluw Meuleken. Die overvloedige sproetjes en die heele lichte oogen vond moeder buitengewoon leelijk, en dat stelde haar eenigszins gerust voor de toekomst van wege geknoei met de knechts. Zij heette Meleken.

En weer ging eindelijk op het hoevetje het vlijtig, alledaagsche leven zijn gewonen gang.

De oogst was begonnen, het vlas was reeds weg en nu was men overal aan 't pikken van de rogge. Van alle kanten klonk het sissen van de scherp-geslepen sikkels in het ruischend-neerzijgende koren; en weldra stond de gansche uitgestrekte vlakte bezet met ontelbare, als levende gestalten in elkaar gestrengelde en overeind geplaatste schoven. Het waren, in het zonnegoud, als zooveel goud-gekapte en goud-gerokte vrouwtjes op het kaal-geschoren stoppelland; als stille processies van duizenden en duizenden, allen in de verte geschaard om 't rustig dorpje met zijn puntig, grijswit torentje; allen statig gaande, in geheimzinnige vroomheid, tusschen de paars-bloeiende klavervelden en de heldergroene weiden, als een reusachtige dank-bedevaart van landelijke heerlijkheid en weelde. Tot één groote rythmus-hymne van vruchtbaren arbeid versmolten alle gebaren en geluiden; er was geen tijd voor grapjes-maken noch voor klein gescharrel meer; en ook op Rozeke's hoeve was 't nu ingespannen werken, van den vroegen ochtend tot den laten avond. Allen voelden de verantwoordelijkheid en den plicht van den ernstigen land-arbeider in oogsttijd; en Smul, zoowel als Vaprijsken en de andere, gehuurde pikkers en bindsters, stonden heel den dag in zonnegloed op 't heete veld, midden in de zware garven die op den blonden stoppelakker vielen als weggemaaide soldaten op een slagveld. Smul wakkerde hen allen door zijn kranig voorbeeld aan.

"Toe, jongens, nog 'n uurken, nog'n halfuurken, nog 'n koartierken binst da we 't scheun weer hèn, 'k zal ulder trekteeren mee nog 'n flassche," porde hij hen aan, nadat de zon, die heel den langen dag op de gebogen ruggen had gebrand, reeds lang in haar apotheose-luchtkasteelen van roode en gouden wolken onder den in vage schemering wegsmeltenden horizon verdwenen was. En tot den allerlaatsten man bleef hij gebukt en zweetend sikkelen, soms heel alleen in 't laatste avondrood op 't uiterst hoekje van een veld, waar hij dan halmen en aren van vuur en bloed scheen neer te maaien. En lang reeds zaten de anderen etend om de avondtafel, als hij, eerst nog naar zijn paardenstal gegaan, ook eindelijk binnenkwam en uitgehongerd en doodmoe begon te slurpen.

En Rozeke kon niet anders dan hem dankbaar zijn en hem bewonderen voor zooveel toewijding en moed, al bleef zij ook haar vroegeren schrik steeds voelen. Dat was iets onoverwinbaars, dat was in haar gekomen, door zijn woestheid, dien eersten keer, tijdens zijn wilde aanranding, in het door de weghollende paarden platgetrapt en neergeslingerd koren; en telkens kwam het weer, telkens zag en voelde zij de wreede, gruwelijke scène in al haar akeligheid en vreesde zij dat het wellicht opnieuw gebeuren kon. Haar groote angst was van met hem, al was 't ook maar een enkel oogenblik, alleen te zijn. Dat was nog nooit voorgekomen sinds al den tijd dat hij bij hen woonde, behalve op dien avond toen het Geluw Meuleken was weggeloopen; maar nu, de laatste weken, leek het wel of het noodlot er zich mee bemoeide. Het was herhaaldelijk gebeurd dat hij haar 't een of ander vragen kwam terwijl ze toevallig heel alleen in de keuken was; en eens zelfs, haar in de keuken niet ziende, had hij haar gezocht tot in haar kamer, waar zij iets aan 't schikken was. Toch deed hij nooit iets vreemds, iets ongewoons, iets dat haar onberedeneerden angst rechtvaardigen kon. Meestal keek hij haar zelfs niet aan terwijl hij tot haar sprak, tenzij heel vluchtig soms, alsof hij niet goed durfde, met een korten straal van zijn strak-harde, barsche oogen. Hij zei doorgaans kortaf wat hij te zeggen of te vragen had, en luisterde met zijlingschen blik naar haar antwoord; en zoodra alles zakelijk gezegd was ging hij weg, stug weer naar zijn werk.

En toch.... toch was ze zoo bang!—Telkens had ze 't akelig voorgevoel dat hij haar eens, heel onverwacht en plotseling, lang en frank en barsch vlak in 't gezicht zou durven aankijken en dat hij haar dan iets vragen zou, dat hij haar tot iets dwingen zou, waartegen ze zich slechts met de uiterste krachtsinspanning zou kunnen verdedigen. Het zou wellicht een bruuske overrompeling van ruw geweld zijn, een woeste aanranding, gelijk dien onvergetelijken avond in het koren; het zou iets zijn,... ze wist niet wat, iets schrikkelijks, iets dat als een orkaan plotseling over haar zou aangestormd komen en haar zou verpletteren.

Vreemd was het dat ze dat juist zoo sterk voorgevoelde en vreesde, nu hij uiterlijk veel zachter, veel gedweeër leek dan vroeger. Hij zag er slecht en mager uit de laatste weken, wellicht door 't overmatig werken uitgeput; en soms, wanneer zij hem op mooie zomerzondag-middagen afgemat en eenzaam onder een boom of ergens op het erf zag zitten, in plaats van zich als Vaprijsken in de herbergen van 't dorp te gaan verlustigen, voelde zij een vaag medelijden in zich opkomen en had zij wel graag iets willen verzinnen om hem voor zijn hard zwoegen vergoeding te geven. Maar wat? Zij wist het niet, zij durfde er haast niet over denken. Zij durfde hem vooral niet vragen: "Scheelt er iets, Ivo? Voelt ge u niet wel? Waarom gaat ge u niet eens amuzeeren in het dorp, gelijk Vaprijsken?" Zij schrikte van 't idee alleen dat zij hem zoo iets vragen zou. Het kwam haar voor of plotseling dan 't allerergste zou gebeuren, dat waar ze juist zoo bang voor was. En ze zei noch vroeg iets, maar sloeg hem angstig gade, in voortdurende bange spanning, dat het lang gevreesde eindelijk los zou barsten.

Zoo zat hij eens, op een zondag-middag, als naar gewoonte alleen zijn pijpje rookend, onder de schaduw van een boom in 't gras. Meleken had verlof gevraagd en was naar haar verre dorpje in de bosschen en Vaprijsken zat ergens in een herberg. Haast iederen zondag nu trachtte Rozeke iemand van het ouderlijk huis bij zich te krijgen; en weer verwachtte zij moeder met La, of vader met Miel of met Dolf, die doorgaans 's zondags in het dorp naar de vesper gingen en daarna even door kwamen gewandeld, tot aan 't boerderijtje. Maar reeds lang had zij ditmaal op 't verre kerktorentje het eind der vesper hooren luiden en 't werd vier uur, half vijf, vijf uur en eindelijk begreep zij dat dien zondag niemand komen zou. Meteen bedacht ze zich dat het juist kermis was in een naburig dorp en dat La en Dolf, die beiden een verkeering hadden, daar wellicht met hun lief naartoe waren gegaan, terwijl vader en moeder en Miel thuis bleven wachten.

Zij keek door 't kleingeruite raampje. Smul zat nog steeds in de zelfde houding, den rug geleund tegen den boomstam die hem half voor haar gezicht verborg, de beenen uitgestrekt in 't gras. Een licht, doorschijnend-blauw wolkje dreef nu en dan van achter den ruigen, donkeren stam zijlings weg; hij rookte. Verder zag zij 't openstaande hek van 't erf en den eenzamen landweg met boomen, waar nu geen mensch ging. Nog verder, achter zijn klein bloemen-en-groentetuintje, stond het helder werkmanshuisje met zijn groene luikjes en zijn glinsterende ruitjes, deurtje dicht en stilte er omheen, als verlaten.

Rozeke zuchtte en keek weer op haar handwerk: zij breide aan een bruin-wollen borstrokje voor Hilairken, tegen den volgenden winter. De kleine zat naast haar, plat op den grond bij haar werktafeltje, de beenen open, morsend met aarde, in en uit een blikken kroesje. Hij had last van zijn tanden en kwijlde en de kwijlstraaltjes rekten van uit zijn natten open mond tot op zijn borstje en van daar tot in zijn morsgeknoei met aarde, waar het een slijkplasje werd. Hij had er groote, stille pret in, als in een onuitputtelijke bron van joligheid, die hij voortdurend in zichzelf droeg; en zijn handjes en gezicht waren nat en zwart als van een wroetend modderbeestje. Het kleintje in zijn wieg lag leutig op den rug te glimlachen, met blaasjesmond en wijd-open, helder-schitterende oogen; en af en toe sloeg het juichend en spartelend armpjes en beentjes heen en weer, als een vogeltje dat weldra uit zijn nestje zal gaan vliegen.

Dieper zuchtte Rozeke en zij keek haar beide kinderen met ontroerde teederheid aan. Zij dacht aan Alfons en een zee van leed woelde weer uit de diepten van haar binnenste de tranen tot haar oogen op. Ach, dat hij 't toch niet beleven mocht: zijn vrouw, zijn kinderen, hun welvaart op het hoevetje, hun aller kalm geluk in 't schoone, vreedzaam jaargetijde, de welverdiende rust na 't harde werken van den ganschen zomer! Een droeve plooi kwam om haar mond; zij schreide in stilte. Uren lang soms zat ze zoo te schreien in rouwvol herdenken en herleven van 't zoo kort-gelukkige verleden. Iederen rustdag, ieder uur van ontspanning of van eenzaamheid kwam dat telkens weer zoo bitter en wanhopig kwellend in haar op.—Maar eensklaps schrikte zij bijna en meteen droogde de emotie hare tranen en spande hare zenuwen tot onbewuste zelfverdediging.—Daar zag ze Smul langzaam van onder den appelboom opstaan. Wat zou hij nu doen? Zij was alleen en hij wist het; en hij kon ook wel onderstellen dat niemand van haar thuis nu nog zou komen....

Zij zag hem naar den paardenstal gaan en in het donker vierkant van de openstaande deur verdwijnen. Zij verademde even. Het oogenblik daarna hoorde zij de merrie en het veulen, dat reeds groot werd, als van blijdschap hinneken. Hij streelde hen zeker, of gaf hun een lekkernijtje. Hij kwam weldra weer buiten en sloot achter zich de onderdeur. Dadelijk kwamen de merrie en het veulen hun hoofd uitsteken en keken hem na. Hij had ze blijkbaar even losgebonden. Het kleintje wipte met een dollen huppelsprong op zij en rekte toen zijn slanken hals uit naar de zware merrie en beet haar stoeiend in den nek. De merrie schudde 't, in een gewuif harer donkere manen, als verveeld van zich af. Maar meteen keerde hij zich half om en onmiddellijk reikte 't veulentje zijn langen hals scheef naar onder, en zoog.—Smul liep langzaam slenterend over den boomgaard, tot aan 't hek.

Daar stond hij een wijl, rookend, de handen in zijn broekzakken, turend naar rechts en naar links, over den verlaten landweg. En Rozeke dacht: "hij staat te kijken of ze van thuis niet komen." Een buurman, die uit 't dorp terugkeerde, liep langzaam voorbij en Smul wisselde met hem een groet en een kort praatje. Rozeke hoorde van in de keuken hun luide stem, terwijl de man, even opgehouden, verder voortschreed:

"Scheun weer, hè?"

"'t Es pertijkelier!"

Die eenvoudige woorden, zooals zij ze dagelijks hoorde, klonken haar vreedzaam en gerustellend in 't oor. Er lag ook zulk een goede rust en vrede over alles. De zon, reeds temperend het heetste van haar stralen, daalde langzaam, in zacht-roodenden en gouden gloed naar 't westen, er hing een gouden pulver over 't land en weldra zou de heerlijk-kalme avondfrischheid komen. En zij dacht er over om zelve nu een uurtje buiten met de kinderen van het liefelijke weer te gaan genieten, toen zij hem eensklaps om zag keeren en met vastberaden stap naar 't huis toetreden.

Haar hart joeg sneller en zij keek, als om een steun te hebben naar haar twee kinderen. Doch zij vond zichzelf onnoozel; hij kwam toch immers elken dag, elk oogenblik in huis; waarom hoefde ze nu bang te wezen! Zij zou hem eenvoudig een glas bier aanbieden en dan zou hij wel spoedig weer weggaan.

Gewoon kwam hij door de openstaande deur binnen gestapt.

"'t Es woarm, hè, Ivo; wilt ge 'n gloas bier drijnken?" vroeg ze, ondanks al haar inspanning om kalm te blijven toch een lichte kleur van emotie krijgend.

"Merci, 'k 'n hè gien goeste, 'k voele mij op mijn gemak niet," antwoordde hij kortaf.

Onthutst keek zij hem aan. Hij zag er werkelijk niet goed uit, bleek en betrokken, met rimpels in 't gezicht; en zijn oogen stonden flauw en dof, ondanks hun gewone, barsche uitdrukking.

"Zeu, wa scheelt er dan?" vroeg zij belangstellend.

Hij schudde 't hoofd en eensklaps ging hij, ongevraagd, op een stoel, vlak vóór haar werktafeltje, zitten. Hij leunde met den elleboog op het tafeltje en keek haar strak en vorschend aan.

"Bezinne," zei hij eensklaps, zonder voorbereidende inleiding, "azeu 'n kan 't nie blijven duren, 't Moet 't ien of 't ander worden?"

Een schok voer door haar lijf, zij voelde plotseling het erge, het zoolang gevreesde komen.

"Woa ... woarom datte?" beefde en stotterde zij.

"Da 'k zegge dat 't hier azeu nie 'n kan blijven duren," herhaalde hij met een soort koppigheid, in de kortbondigheid van een die niet gewend is veel te praten en slechts over enkele woorden beschikt om zijn gevoelens en gedachten uit te drukken. "'K ben hier boas en knecht terzelvertijd, bezinne; en 't moet 't ien of 't ander worden: boas òf knecht."

Zij zat als versteend, als versteven. Zij wist niet wat te antwoorden.

"Ha moar ge zij gij boas!" riep zij eensklaps, instinctmatig, onbewust van wat ze zei.

"'K ben knecht," zei hij met nadruk; "'k ben knecht en 'k 'n wil hier giene knecht mier blijven, 't Moet 't ien of 't ander worden: mee mij hirtreiwen, of ik hier wig."

Daar was het groote woord gezegd, dàt wat ze bovenal vreesde. Het stond ineens vóór haar, vast als een wreede werkelijkheid en zij gruwde er van. Zij schudde hartstochtelijk het hoofd, met over hare wangen een kleur als vuur, met in haar oogen de onverzettelijke stugheid van een sterk besluit:

"Nie nie, Ivo; nie nie, dat 'n es nie meugelijk, dat 'n kan niet;... Alfons;...mijn kinderen,... o nie nie, noeit, noeit!"

Als door een veer bewogen stond hij op.

"Al gezeid.—Zoekt ou nen andere knecht, 'K goa in mijn viertien doagen."

En vóór ze den tijd had nog een woord te spreken was hij de deur uit.

Daar zat ze, stom en roerloos, als van steen. Zij keek hem door het raampje na en zag hem over den boomgaard wegstappen, vlug en vastberaden, het hek uit, den landweg op, in de richting van het dorp.

"Ach Hiere! ach Hiere!" slaakte zij dof en anstig, bevend van ontroering.

Gezellig morsend en kwijlend zat Hilairken vóór haar voeten steeds te knoeien: spartelend, met glinsterende oogjes en met blaasjesmondje, lag Marietje in haar wieg te jubelen....


XXXVI.

Smul had zijn dienst opgezeid!—Dat was het groote, dadelijk alom in de buurt verspreide nieuws van den volgenden ochtend. De pikkers en bindsters op den akker spraken elkander met verbazing aan; Meleken, die om acht uur met de boterhammen en de koffie op den akker kwam, werd dringend ondervraagd en bevestigde het ongelooflijke nieuws zonder er eigenlijk de oorzaak van te kennen; en Vaprijsken juichte onverholen, met glinsterende oogen lachend in zijn gelen baard, als voor een heel goede, blijde tijding.

Met Smul zelf werd er geen woord over gesproken. Zij durfden niet, ondanks de groote, trillende nieuwsgierigheid die op de tongen kittelde. De kerel zag er ook zoo onheilspellend nurksch en somber uit. Hij zag er naar uit om bij de minste toespeling geduchte klappen uit te deelen. Hij was de afgemaaide droge roggeschoven aan het inhalen en telkens als hij met paard en wagen om den hoek van 't stoppelland verscheen, hielden de drukke gesprekken plotseling op en werd de vracht in doodsche stilte opgeladen. Maar nauwelijks was hij weg, vloekend en ruw zweepend op zijn beest, of dadelijk begon het weer: zij staken de hoofden samen, babbelden en lachten en maakten eindelooze onderstellingen over de oorzaak van de ruzie en over wat nu verder zou gebeuren.

"Hij hè hem 'n bleiwe scheene geleupen!" beweerde de een.

"Z' hè hem zelve wiggezonden!" meende een tweede.

"Of hij moe wig van den baron en van de baronesse!" veronderstelde een derde.

Maar Vaprijsken was vooral de meening toegedaan dat Smul wel degelijk een blauwtje had geloopen; en elk oogenblik haalde hij in zijn uitgelaten, wraaklustige pret, steeds 't zelfde grapje uit: hij liet zijn sikkel in het koren vallen en sprong eensklaps hinkend en jankend in 't ronde, de beide handen wrijvend aan zijn scheenbeenen, jammerend dat hij ergens tegen aan geloopen had en dat ze heelemaal paars en blauw zagen. En 't gansche troepje viel daarop luid aan 't schaterlachen, het werk stond stil en allen deden om het dolst, tot het daverend geratel van Smul's leegen wagen zich in de verte weer liet hooren en allen, nog steeds vol ontzag en vrees voor hem, haastig weer over de schoven en in 't neerritselend koren bogen.

Doch Rozeke zelve zat in groote verlegenheid. 't Was volop in den oogst en na den oogst kwam haast onmiddellijk de zaaitijd, en door wien zou ze hem nu vervangen? Zij had terstond haar moeder ontboden en haar het gebeurde meegedeeld; maar hoe moeder ook over die zoolang door haar gewenschte oplossing juichte en beweerde dat Rozeke heel gemakkelijk een anderen, goedgeschikten paardenknecht zou vinden, zij vond er juist geen. 't Was ook haast niet te denken, zoo volop in den drukken tijd. Allen waren bezet: geen enkele knecht of daglooner, goed of slecht, was op dat oogenblik meer vrij. Het eenige wat moeder doen kon was Rozeke beloven dat Miel of Dolf voor 'n poosje zou komen, maar natuurlijk niet voor lang, want zij waren nu thuis ook broodnoodig.

En intusschen verstreken de druk-bezette dagen, het oogenblik dat Smul zou weggaan naderde en hij kon maar niet vervangen worden. Rozeke was radeloos. Gansche nachten lag ze te peinzen en te zuchten, te zoeken naar een middel, om Smul, al was 't maar voor een heele korte poos, tot na den oogst-en-zaaitijd, op de boerderij te houden. Doch hij was niet te spreken noch te benaderen; als een stugge, nurksche bruut liep hij wenkbrauwfronzend heen en weer; werkend, etend, slapend, zonder nog naar iemand om te kijken, noch met iemand ook een enkel overbodig woord te wisselen.

Een nieuwe zondag kwam en dadelijk na 't ontbijt, toen hij klaar was met zijn werk in den stal, trok hij zijn beste kleeren aan en vertrok naar 't dorp. Tegen twaalf uur kwam hij niet terug om te eten. Zij wachtten even, maar toen hij daar om half-één nog niet was, at Rozeke zonder hem, met Meleken en met Vaprijsken.—Hij zal niet meer komen, dacht zij, hij zal zich nu elders verhuurd hebben; en 't kropte in haar keel, zij kon geen stukje doorslikken. Om twee uur kwam haar moeder. Deze moest wel bekennen dat ze nog maar steeds geen anderen knecht voor Rozeke gevonden had; maar dat kwam er niet op aan, beweerde zij: maandag over een week, denzelfden dag dat Smul vertrok, zou Dolf naar 't boerderijtje komen en er blijven tot zij iemand had. Slechts twee- of driemaal in de week zou hij voor een halven dag naar huis moeten terugkeeren, om er 't allerdringendste te helpen doen.

Rozeke voelde zich geenszins door deze belofte doelmatig geholpen noch getroost. Zij begreep best dat zoo'n halve maatregel tot niets zou dienen. Wat zij op de hoeve noodig had was een flinke, werkzame man, die er dag aan dag van den ochtend tot den avond was, de eerste op en de laatste naar bed, zooals Alfons gedaan had zoolang als hij maar kon en zooals Smul na hem ook had gedaan.

Toen moeder weer weg was dacht zij er lang over na en kwam tot de concluzie dat er voorloopig niets anders op te vinden was, dan zichzelve zoo spoedig en zoo goed mogelijk op de hoogte van alles wat de boerderij betrof te stellen. Waarom ook wist ze daar nog steeds zoo weinig van af? Waarom ging ze zoo goed als nooit naar den akker? Waarom kwam ze zoo zelden in de schuur en in de stallen? Andere boerinnen die, evenals zij, het ongeluk hadden gehad op jeugdigen leeftijd weduwe te worden, spanden zich in om desnoods alles zelf te beredderen. Zou zij dat dan ook niet kunnen? Zij schaamde zich over een tekortkoming aan plicht, die nauwelijks in de pas geleden smart van haar groot verlies eenige verontschuldiging kon vinden en nam het wilskrachtig besluit daar onverwijld volkomen verandering in te brengen. Het was juist stil en rustig met den zondag, het oogenblik was gunstig om al vast alles eens in oogenschouw te nemen. Vaprijsken was na 't middagdutje weer naar 't dorp gegaan en zou waarschijnlijk als naar gewoonte, eerst vrij laat in den avond terugkeeren; ook Smul zou zeker haar niet komen hinderen; wie wist ook of hij in 't geheel nog ooit terug kwam? en Meleken was thuis om op de kinderen te letten.

Zij zei aan 't dienstmeisje dat zij eens even rond ging loopen en trok meteen de velden in.

Daar lagen ze, de schoone landouwen van vruchtbaarheid, in groote, vierkante of langwerpige partijen verdeeld: de naakte, hier en daar reeds omgeploegde stoppelvelden van de afgemaaide rogge, met de lange, lange rijen overeind-gekruiste schoven als omstrengelde gestalten in roerlooze aanbidding en liefde; de rijpende havervelden met hun miljoenen en miljoenen neerhangende klokjes, als zooveel stil-harmonisch klingelende, gouden belletjes; de goudgele tarwevelden, strak en statig opgerezen in stevige halmen, met de gesloten weelde van al hun rechtopstaande, nog gesloten aren. En daartusschen strekten zich in zacht geflonker, als groote tapijten van deftigen rijkdom, de malsche velden van roze-of-paarsbloeiende klaver en de fleurige aardappelakkers uit, forsch opgewassen in hun donker groen met overal de witte en lichtlila trosjes van hun bloementooisel, als ontelbare levende en rustende vlinders, stil-genietend van hun vrede in den zacht-dalenden avondglans. Het was alles zoo rijk en zoo heerlijk; de verre boomen die den horizon omlijstten stonden daar zoo kalm en zoo sterk en zoo prachtig; de hemel was zoo blauw, de zomervogels zongen zoo verrukkelijk, zoo zeker van hun veiligheid in 't milde van de lange schoone dagen; en zij genoot van alles met een zachten wellust, vaag-bedwelmd door de aromas die alom uit de eerste, teere avondnevelen opstegen, en met een zweem van dankbare wroeging dacht ze hoe ze toch al die weelde aan hem die nu vertrekken ging te danken had. Maar zij dacht ook met weemoedvolle teederheid aan Alfons, die niets van al dat mooie had mogen zien; en zij bedwong, bijna met een gevoel van zelfverwijt, haar vluchtige weeke stemming. Zij keerde naar de boerderij terug, om ook daar, als een moedige en verantwoordelijke meesteres, alles eens van dichtbij na te gaan.

Zij drong, onopgemerkt, langs achter in de stallen. Zij vond het beter dat Meleken er haar niet zag binnen gaan. De koeien, die heel den ochtend in de wei gegraasd hadden, stonden of lagen nu rustig op een versch strooleger in hun hokken te herkauwen; het jong goed: de runders en de kalveren liep in afzonderlijke hokken los en kwam nieuwsgierig naar Rozeke kijken; en in het varkenshok lag de dikke zeug wellustig met gesloten oogen in een hoek te kreunen en te knorren, omringd door al haar wroetelende jongen, als door een krioelend troepje van spiernaakte, roze menschenkinderen, die af en toe met schrille gilletjes elkaar verdrongen om te zuigen. Alles was goed in orde in den koestal; het rook er frisch naar versche melk en muskus; Vaprijsken, die anders al niet veel verstand van boeren had, mocht wel trotsch zijn op zijn werk: hij was een uitmuntende stalknecht.

Door een binnendeur kwam zij van den zoet naar melk en muskus geurenden koestal in den paardenstal, waar het, zonder overgang, scherp rook naar ammoniak. De zware bruine merrie lag er kalm uitgestrekt, als een moegesjouwd mensch die van zijn zondagsrust geniet; en Rozeke bewonderde haar schoone groote oogen, groen-glanzend in de halve duisternis, terwijl het beest vreedzaam 't hoofd tot haar omkeerde. 't Was zulk een trouw, goed paard, dat reeds zooveel voor haar gewerkt had, en Rozeke boog zich even en klopte verteederd-streelend op de forsche, dofglimmende schoft. De merrie maakte een beweging of zij op wou staan.

"Nien nien, blijf gij moar liggen, blijf gij moar rusten, mijn bieste," sprak Rozeke de merrie aan, als sprak zij tot een mensch, die haar begrijpen kon; en zij haastte zich weg bij het veulentje, dat als een ongeduldig, speelziek kind, trippelend achter de ijzeren staven van zijn krib op haar te wachten stond. Het speet haar dat zij niet een klontje suiker meegenomen had om het te trakteeren; maar zij vond gelukkig in een hoek een worteltje en gaf het hem. Het jolig beestje knabbelde er op en speelde er mee met schuimend op en neer flappenden mond, maar liet het eindelijk glippen en maakte daarbij, kopje neer en staartje omhoog, hinnekend een dollen krommen sprong, als een grappige kwajongen die gaat tuimelparten spelen. De oude merrie hinnikte eventjes, als een bezorgde goede moeder, en lachend verliet Rozeke den paardenstal en kwam door een tweede deur in de schuur. Daar was het stil en schemerig in 't hooge ruim onder de ribbehouten en de pannen die fijne streepjes licht doorlieten, stil als onder de hooge, stille bogen en gewelven van een kerk. Het rook er zoeterig naar verschgedorscht graan, naar hooi en stroo en droge klaver; en groote hoopen bundels en schoven lagen te allen kant op elkaar gestapeld, als een dicht ineengepakte rijkdom van alles wat den ganschen zomer zoo welig in blonde en gouden heerlijkheid op 't vruchtbaar veld gegroeid en gebloeid had. Al de geuren van de lieve landelijke kruidjes en de wilde bloempjes hadden er iets van hun aroma nagelaten; en Rozeke voelde er, in onbewust genieten, de zoet-streelende bedwelming van, toen zij plotseling, door een vreemden terugsprong der gedachte, zich weer in verbeelding midden in 't vertrapte koren zag, naast den wagen met de weggeholde paarden, heesch-gillend en worstelend tegen Smul, die haar wilde overweldigen. Zij zag en zij voelde 't als 't ware nog gebeuren; zij stond, als op een werkelijkheid, op de akelige herinnering harer verbeelding te staren, zij werd er haast benauwd en bang onder en schreed zuchtend met gebogen hoofd weer naar de tusschendeur om weg te gaan, toen eensklaps op den drempel van die deur een donkere gestalte vóór haar oprees.

"Och Hier, och God!" schrikte zij wild terug.

't Was Smul!—Hij stond daar, roerloos, stomverbaasd haar op die plaats te vinden, aarzelend om verder naar haar toe te komen of te spreken, alsof hij in het schemerig halfduister nog twijfelde wie hij wel vóór zich had. Eerst na een poos herkende hij haar duidelijk, trad op haar af, vroeg haar, kortaf, met schorre stem:

"Wat komt-e gij hier doen?"

"Ik ... ik ... ik kwam e-kier kijken," stotterde zij. Het nevelde vóór haar oogen, het suisde in haar ooren, zij wist niet wat ze zei of deed; ze schreed werktuigelijk als in een droom, naar hem toe zonder hem te zien, zonder hem te hooren, zoekend, als een gevangene, als een blinde naar de deur, om weg te komen.—Zij strekte hare handen uit, struikelde en viel tegen hem aan; en plotseling voelde zij zich als 't ware platgedrukt tusschen twee machtigknellende armen, terwijl een mond, met een ruige snor, die walgelijk naar tabak en drank rook, zich bijna bijtend op haar lippen perste.

"Ivo! los!—Voader! moeder!" kreet zij heesch, zoo hard zij kon.

Maar zij kon niets, zij reutelde en stikte, haar hoofd kromp achterover, in haar nek, tot op haar rug, als zou het afbreken of barsten; en plotseling stortte zij met hem in de schuifelende korenschoven neer.—'t Was als een moord; zij zag noch hoorde meer; zij slaakte geen enkelen kreet, geen enkele zucht: zij lag als dood, in onmacht op de garven....


XXXVII.

Toen ze weer tot haar zelve kwam had ze den indruk of er eensklaps iets met ruw geweld diep uit haar binnenste was weggerukt.—Hij was verdwenen, zij stond alleen in de schemerige schuur en 't leek alles zoo vreemd: zij schreide noch klaagde noch voelde zich boos; zij had alleen maar dat zonderling, onbegrijpelijk gevoel of heel haar leven plotseling was omgekeerd, of alles wat ze tot nog toe goed had gekend en liefgehad, opeens heel verre van haar was verwijderd, terwijl alles wat zij als het vreemde en ongekende vreesde, als door een donderslag in haar was neergesmakt. Haar ouders, haar kinderen, de teere nagedachtenis en haar belofte aan Alfons, haar broeders en haar zuster, de jonge barones en de baron, alles, àlles wat zij kende en liefhad, tot zelfs haar buren en bedienden, tot zelfs de menschen uit haar vroeger leven die zij nu en dan slechts eens terugzag; en ook de onbezielde dingen van haar dagelijks bestaan: haar beesten, haar landerijen, de boomgaard, het huisje, alles leefde nog een laatste oogenblik met pijlsnelle intensiteit voor haar geschokten geest op en zonk toen weg in 't niet, om plaats te maken voor de stormkomst van den woesteling-alleenheerscher, die eensklaps als het ware uit den grond gerezen was en zonder een woord, enkel door zijn bruut-geweld van aanrander, allen en alles om haar heen weg- en stukgeslagen en haar zelve als een nietig, weerloos slachtoffer in zijn bezit genomen had.

Als in een droom stapte zij uit de schuur, wonder kalm, maar voorgevoelend dat de schok in al zijn hevigheid eerst later zijn vernielingskracht zou botvieren, kwam buiten in de heldere werkelijkheid van 't zonnelicht, ging machinaal weer in het woonhuis. Wat was het alles vreemd en toch zoo dood gewoon! Wat voelde ze zich onverschillig-kalm en nuchter! Waarom huilde en raasde ze niet? Waarom holde ze den misdadiger niet schreeuwend na? Waarom troepte ze de heele buurt niet samen om hem daar ter plaatse dood te steenigen?—Neen, niets.—Zij sprak gewoon met Meleken die met haar kinderen speelde; zij keek hoe laat het was; zij liep even in haar kamer en kwam er dadelijk weer uit, zonder te weten wat zij er gaan doen was.

"Smul es thuis, weet ge 't, bezinne? 'K hè hem doar op 't hof zien leupen," hoorde zij het meisje eensklaps zeggen. En zonder de minste moeite wist Rozeke zich te beheerschen terwijl ze doodkalm antwoordde:

"Joa, 'k hè hem euk gezien. Hij es zeker zat?"

"'K en weet 't nie, bezinne; hij 'n ziet er toch moar oardig uit. As hij om eten komt 'k zal 't hem toch wel moete geven?"

Zij keek het meisje aan, roerloos en stom een oogenblik, als was het haar niet mogelijk die eenvoudige woorden te begrijpen.

"Wat dijnkt ou, bezinne?" herhaalde 't meisje bedeesd.

"Ach joa g'e-woar," antwoordde zij eindelijk, als uit een droom ontwakend; "hij zal nou woarschijnlijk wel honger hèn; hij...." Zij beet op haar lippen en staarde opnieuw, sprakeloos, als verwilderd, 't meisje aan.

"Wil ik 't hem goan vroagen, bezinne?"

"Joa joa, zeker, goa moar."

Meleken liep naar buiten en Rozeke bleef even met haar kinderen alleen. Hilairken waggelde op zijn kromme beenen over den vloer; Marietje in haar stoeltje sloeg halsstarrig met een stokje op de houten armleuning.

"Oeder, Eleken wig," kwam Hilairken naar haar toe; en hij poogde op haar schoot te klauteren.

Zij schrikte hevig, als onder een plotse pijnsteek, bij de zachte aanraking der kleine handjes. Heftig schoof zij haar stoel achteruit en strekte, als 't ware verdedigend, haar beide handen vóór zich uit, terwijl zij riep met heesche stem:

"Nie nie kind, nie nie kind, ge 'n meug niet; moeder es steit, moeder es vuil!"

Het dienstmeisje kwam weer in huis:

"Hij es bezig in de peirstal, bezinne en hij zegt dat hij gienen tijd 'n hèt om te komen eten. Hij vroagt of 'k hem doar 'n stik breud en 'n glas bier wille brijngen."

"Brijng het hem," zei Rozeke.

"'n Stik roggen-breud mee 'n schel heufvlakke, bezinne?"

"Joa, 't es goed."

Meleken ging in den kelder, kwam met een vol glas bier, met het roggebrood en de schotel hoofdkaas weer boven. Zij sneed een dikke homp van 't brood, legde een zware plak hoofdkaas er boven. Roerloos en zwijgend zag Rozeke er haar mee weggaan naar de stallen, als met het eten voor een beest.

"Oeder, 'k moe euk 'n stik heufvlak hèn," kwam Hilairken zaniken.

Werktuigelijk stond zij op, ging naar de schotel, sneed er een plakje af en gaf het aan den bengel.

Marietje, in haar stoeltje, zat met juichende armen te slaan, opgewonden zwoeg-ademend, de groote, blauwe, hunkerende oogen op de hoofdkaasschotel. Zij wilde ook een stukje en Rozeke gaf het haar en weer ging ze roerloos-stom vóór 't venster zitten, als op een vreemde plaats waar niets meer van haar was en waar zij ook geen mensen meer kende.


XXXVIII.

Eenige dagen verliepen. Weer ging het leven zijn gewonen gang op 't boerderijtje, alsof er niets gebeurd was. Maar die gewoonheid was slechts een bedriegelijke schijn; de groote slag had in de diepte alles omgewoeld en 't was of allen op de hoeve er iets van voelden zonder het nog te begrijpen. Het bleef vaststaan dat Smul den volgenden zaterdag weg zou gaan; eenieder wist het, 't was of het reeds gebeurd zou zijn, maar niemand sprak er nu meer over; en Smul zelf, steeds in zijn halsstarrig zwijgen teruggetrokken, werkte en sjouwde, maaide, ploegde, zaaide en egde, als een die er in 't geheel niet aan denkt om te vertrekken, als een die niet gemist kan worden. Hij zaaide in vruchtbaren akker het zaad van de komende oogsten en zij allen, die hem zagen werken, voelden nu instinctmatig de onwaarschijnlijkheid, ja, de onmogelijkheid van zijn vertrek.

En Rozeke liep als versuft in huis en op haar erf rond. Het was zoo vreemd in haar, zij leed maar niet, zij was nog steeds niet boos, niet verontwaardigd, er bleef iets dofs in haar, iets dofs en zwaks, dat alle kracht van opstand in haar verlamde, dat alle smart en wroering doodde, iets dat haar onverschillig en gevoelloos maakte voor het akelige dat gebeurd was en voor 't akelige dat haar nog te wachten stond. Het leek wel of ze zich nog maar geen juiste rekenschap van de gebeurtenis kon geven; het was te ruw, te overweldigend geweest; er was te veel gebeurd in een te korten tijd; zij twijfelde, zij sufte, 't was als een nachtmerrie geweest; en nu wist ze ook niet meer hoe met hem te handelen en kon ook niet begrijpen noch voorzien wat nu verder zou geschieden.

Maar de tijd ging en de werkelijkheid naderde, de onoverkomelijke werkelijkheid, die hen fataal opnieuw tegenover elkaar zou stellen; want zij moest wel met hem afrekenen, zij moest met hem nog spreken, het was niet mogelijk dat hij zoo opeens van haar zou weggaan, zonder dat nog iets gezegd werd, zonder dat nog iets,—zij wist niet wat—gebeurde.

't Was vrijdag-avond. Den volgenden dag liep zijn tijd ten einde. Rozeke was radeloos. Hij zei steeds niets, nam hoegenaamd geen notitie meer van haar, maar maakte ook geen de minste toebereidselen voor zijn vertrek. Hoe moest dat eindigen? Wat was hij van plan?

De kinderen sliepen. Meleken en Vaprijsken waren ook reeds naar bed. Smul zelf was reeds lang naar zijn paardenstal terug en Rozeke zat nog alleen in de keuken te suffen en te peinzen. Al haar vroeger leed kwam kwellend weer in haar op; het welde langzaam op, als uit een diepe, diepe bron, het eene na het andere, o, reeds zooveel! Voor 't eerst sinds al die laatste dagen leefde de herinnering aan Alfons intens weer in haar ziel; en 't was alsof de bron van al haar droefheid zich van lieverlede tot een zee van smart uitbreidde, waarin zij dreef en worstelde, gelijk een hopelooze drenkelinge zonder reddingsboei. Alles, o, àlles had ze met hem verloren. Hij was haar liefde en levenslicht geweest en nu het voor altijd was uitgedoofd, zwierf zij in duisteren nacht als een verdwaalde rond. Zij was te zwak als vrouw alleen, zij voelde alles, alles haar ontglippen; een vrouw alleen was niets, zij hoefde hulp en steun, of moest ten ondergaan. En die steun had ze niet, zag ze niet, vond ze niet, nergens. Haar ouders konden haar maar niet doelmatig helpen; haar geliefde bescherm-vriendin, de jonge barones, zag ze den laatsten tijd niet meer; alles verliet haar, alles vergat haar; zij schudde 't zwakke hoofd en strekte verdwaald-zoekend haar bange sidderende handen uit en sloot ze weer, met leege, vruchtelooze grepen in elkaar.—Haar hoofd zakte in haar handen en zij snikte, snikte....


Eensklaps ging de voordeur open en stond Smul vóór haar. Met een schorren angstkreet sprong zij op:

"Wa komt-e gij hier doen? Zij-je gij nog noar ou bedde niet?"

Hij zag bleek en was gejaagd. Hij schudde 't hoofd en zij zag zijn keel even zenuwachtig hikken. Star en stijf, als in verwildering, keken zijn koude, grijze oogen haar aan.

"Nien ik," antwoordde hij heesch. "'K hè espres gewacht tot da g' alliene woart.'K moe ou spreken; 'k moe ou nog wa vroagen."

"Watte? wa es 't?" riep ze kortaf, doodsbleek, de lippen bevend, de beide handen aan de leuning van een stoel geklemd, het gansche lichaam als tot zelfverdediging gespannen en gestramd.

"Of ge nou mee mij wilt treiwen?" vroeg hij dof.

"Nien ik! nien ik! nien ik!" kreet zij schor, in strak-gespannen houding.

Een korte vlam van toorn schoot uit zijn barsche oogen. Hij grijnslachte; maar eensklaps kalm:

"'t Es goed; betoal mij dan.—'K goa morgen wig."

Het knakte haar plotseling neer als onder een slag. Haar weigering, haar stugge opstand waren niets dan een instinctieve opbruising geweest; zij bezat de kalme kracht van een vast beredeneerd besluit niet meer: en alles was nu weer zoo diep verward in haar, onder het onverwachte van zijn komst en van zijn woorden: zij wist niet eens meer wat ze 't meest verlangen of het innigst vreezen moest: zijn blijven of zijn heengaan. Haar gelaatstrekken verwrongen zich en zij begon te schreien; zij antwoordde slap en zuchtend: "'t es goed, 'k zal om ou geld goan," en als in een droom nam ze 't lampje van de tafel en ging er mee in de kamer waar haar geld was, zonder zelfs te denken dat zij hem in de duisternis van de keuken alleen liet. Zij dacht er eerst aan toen ze reeds binnen in de kamer was en keerde zich haastig en plotseling om. Zij wilde een kaars van boven de kast nemen en plaatste de lamp even op 't schoorsteenblad, toen hij haar eensklaps, als een roofdier op de teenen kwam nagehold, de lamp uitblies en in een woeste pranging haar omknelde.


Zij slaakte een gil, maar kort; hij drukte haar de handen op den mond en kreet dof:

"Zwijgt, of ik vermeurd ou!"

Zij viel in onmacht, zijlings tegen 't bed, dat vaag-wit schemerde in een hoek.

Hij knarsetandde, grinnekend als een sater, van woest genot en wraak....


XXXIX.

Een der laatste dagen van December, toen al het graan der komende oogsten was gezaaid en reeds in fijne groene stengeltjes uit den grauwen, natvruchtbaren bodem begon op te kijken; toen 't wijde, doodsche veld onder mistig-grijze schemerlucht in killen wintersluimer lag, met zwarte en bonte benden kraaien, die er in loom-tragen vleugelslag, als sombere boden van droefheid en rouw, schor-krassend overheen vlogen; toen al het vee weer in de stallen was en ook de kouwelijke menschen rustend na de zomerdrukte in hun dichtgesloten huisjes bij het haardvuur zaten, waarvan de schoorsteenen alom over het land den lichten grijzen rook ten grijzen hemel deden kronkelen;... op een van die natte, ijzige, triestige winterdagen, greep het huwelijk: het droevig tweede huwelijk van Rozeke van Dalen met Smul plaats. Wat was het toch alles anders geworden dan zij vroeger had gedacht? Waar was de blijde zomeravond waarop zij van haar huwelijksreis met Alfons uit de stad terugkwam? Waar waren de bloemen? waar was het meisje dat haar een gedichtje voorlas? waar waren de vroolijk-joelende feestvierders om het rood-oplaaiend vuur?—Nu waren zij alleen, geheel en gansch alleen met hun vier vreemde, ergens uit de buurt gevraagde getuigen. Geen enkel familielid; geen enkele vriend! Haar ouders, broers en zusters waren allen onverzoenlijk boos op haar geworden; en ook de jonge barones had haar beschermende hand van haar afgewend. Op een middag was zij op het hoevetje gekomen en had aan Rozeke gevraagd: "het is niet waar toch, Rozeke, wat ik heb hooren zeggen, dat ge met zoo'n vent zult gaan hertrouwen!" en toen Rozeke, in tranen, haar gezegd had dat het wèl gebeuren zou en haar verteld had hoe 't gekomen was, en waarom het nu niet anders kon meer; toen was de barones eerst in verontwaardiging uitgebarsten en had gezegd dat zoo'n schurk bij de politie diende aangeklaagd; maar eindelijk was haar toorn veranderd in medelijden, en vol teleurstelling en leed had ze zuchtend haar schouders opgehaald en was vertrokken. Zij zelve was nu niet gelukkig meer. In 't dorp werd er veel over gefluisterd en Rozeke had het ook gehoord: haar man liep openlijk met andere vrouwen; de oude baron en barones wilden hem op het kasteel niet meer ontvangen en er werd reeds van scheiding gesproken. Overal zag Rozeke rouw en droefheid om zich heen. Zij was zoo jong nog, pas zes en twintig geworden en al het lieve en frissche van haar leven was reeds uitgebloeid of doodgeknakt. Alfons gestorven, haar ouders boos, haar zachte, lieflijke bescherm-vriendin diep ongelukkig en van haar vervreemd; en nu dat somber tweede huwelijk van geweld en dwang, van woeste aanranding en van verkrachting, dat huwelijk waar zij van walgde, maar dat zij aanging uit nood, uit broodnood, voor haar en voor 't bestaan van hare kinderen!

't Was haar te moede als woonde zij haar eigen lijkdienst en begrafenis bij. O, die wettelijke verbintenis op het stadhuis, in die stoffige kamer der secretarie, waar dezelfde mannen die haar liefde-huwelijk met Alfons bezegeld hadden, nu met onaangename, zure gezichten van verveling en minachting ook haar tweede huwelijk met Smul voltrokken! Dat toonloos, onverschillig gezanik van woorden waar niemand naar luisterde, dat krassen van de pennen op 't papier, dat nauwelijks gebromd "proficiat" van de getuigen; en dan die koude, akelige borrels jenever in de koude ongezellige herbergkamer van 't gemeentehuis, o, wat was het alles hard, en kil, en akelig, en wat voelde zij nijpend al die hardheid, al die nauwelijks bedwongen minachting en vijandigheid om zich heen! En dan in de kerk, de leege, ijzige, sombere kerk, den misprijzenden blik van den pastoor, het valsch gezang van den koster op 't oxaal, en de strenge, korte bevelen van den kerkbaljuw die hen rechts of links duwde, die hen deed opstaan of deed zitten, die hen beval hoe ze zich houden moesten! Het kropte in haar keel, zij had het hardop kunnen uitsnikken en huilen; en meteen knaagde de wroeging aan haar hart, de wroeging over haar geschondene, plechtige belofte op Alfons' sterfbed!

En toen weer, na de kerkelijke plechtigheid, het slenteren in de herbergen, het drinken van borrels in den wrangen rook der pijpen, 't geraas der mannen onder elkaar en zij als vrouw alleen daarbij, gansch alleen, als verloren, zonder iemand die zich met haar bemoeide of naar haar omzag! Zij liep maar mee, als een die er niet bij behoorde en toen zij eindelijk naar de boerderij terugkeerden om te gaan eten, trok Smul voorop met de vier getuigen en kwam zij enkele passen achter, het hoofd gebukt en de oogen vol tranen, als hun slachtoffer.

Zij aten en dronken, Meleken, Vaprijsken en de kinderen mee aan tafel; en toen de maaltijd geëindigd was, trok zij weer haar gewone dagelijksche kleeren aan en waschte met het dienstmeisje de vaten om, terwijl Smul en de getuigen met koffie en borrels aan de kaarttafel zaten.

Toen ze naar hartelust gespeeld hadden gingen zij in de vroege schemering naar buiten en Smul liet hun de boerderij: de schuur, de stallen, de zwijnen, de koeien en de paarden zien. Hij haalde zelfs de merrie en het veulentje uit en liet ze aan den teugel door den boomgaard heen en weer draven, heel trotsch op de mooie beesten die voortaan de zijne waren.

Rozeke, door hun uitroepingen van bewondering gelokt, kwam even op den drempel kijken. Zij zag de schoone sterke merrie als 't ware hunkerend-hinnikend door Smul in toom gehouden, met gespitste ooren en wild-blikkerende oogen, naar de dolle sprongen kijken van het veulentje, dat door Vaprijsken bij den breidel heen en weer tusschen de boomen werd geloodst. Telkens draaide het hoofd der moeder met de wentelingen van het jong mee en Rozeke dacht opnieuw met tranen in de oogen aan Alfons, die voor het jong en vroolijk-huppelend beestje zijn doodelijke ziekte had opgedaan. —O, grijze, kille, droeve tweede-huwelijksdag! Een heel klein, donker vogeltje, nauwelijks zichtbaar in het naakt-twijgen-gewirwar van een appelboom, zong kort en fijn een doodweemoedig deuntje. 't Was als de stil-trillende klacht van een zwak-lijdend zieltje in de wijde, winter-eenzame verlatenheid. Zij huiverde en met een diepen zucht ging zij weer Meleken helpen omwasschen....

De mannen liepen slenterend verder. Zij wandelden om de akkers heen en kwamen ergens voor een landelijk herbergje, waar zij binnen traden en weer aan 't drinken en kaartspelen gingen.—'t Werd avond, vroege, droeve winteravond; 't werd nacht, kille, nevelige winternacht.—Nog steeds was hij met de mannen uit.—Opnieuw kwam Rozeke huiverend op den drempel staan en keek en luisterde. Alles was stil en eenzaam in den omtrek. De mist sijpelde met zacht geruisch in trage dikke tranen, uit de boomentwijgen in het natte gras; en verder hoorde zij niets dan den langzamen, doffen kadansslag van een enkelen laten dorschvlegel, ergens in een schuur.

Zij ging weer binnen en legde zich te bed. De kinderen en Meleken waren reeds slapen gegaan....


Laat in den nacht kwam hij terug. Zij hoorde van verre zijn struikelende voetstappen en rilde van afkeer en angst.—Hij opende de deur en deed ze weer op 't nachtslot. Heel eventjes bromde daarbuiten de waakhond.

Toen kwam hij op de kamer waar zij lag en kleedde zich sprakeloos uit.—Zij rilde, rilde.... Zwaar zwoegde zijn adem in een benauwende lucht van tabak en drank die om hem heen walmde.

Toen kwam hij bij haar....

Dat was het einde van den eersten dag van Rozeke van Dalens tweede huwelijk....