Nadat de "Loudon" Krakatau en de nieuw geschapen eilanden verlaten had, zette zij koers naar Anjer. Wij naderen den Java-wal en wel de kust van Bantam. De invloed van Krakatau heeft zich niet alleen tot Sumatra uitgestrekt. Een vreeselijk schouwspel levert de kust van Bantam op. Van Tjaringin tot het oude Bantam is alles eene woestijn gelijk.
Wij liggen weder op de reede van Anjer geankerd, nog geen twee etmalen na ons vertrek op 26 Augustus. Maar er is geen Anjer meer—het is weggevaagd van den aardbodem. Alleen een stomp, de voet van den vroegeren vuurtoren op Java's Vierde punt, is overgebleven en is het eenige grafmonument, dat de grauwe kleur afbreekt van het reusachtige kerkhof, dat zich van het dek der "Loudon" aan onze blikken vertoont. De vuurtoren zelf is verdwenen, maar het stuk van het fondament, dat zich nog boven de vlakte verheft, bewijst de nabuurschap van de reede van Anjer. Eergisteren zagen wij hier bloeiende kampongs, en eene Europeesche vestiging. Nu aanschouwen wij eene effen grijze vlakte. De rivier van Anjer is geheel met specie gevuld. Zelfs geen ruïne is blijven staan, alles is met den grond gelijk gemaakt. Eene meer volkomen verwoesting is niet denkbaar. Een paar bladerlooze boomstammen, aschgrauw van kleur, steken boven de vlakte uit. De zee is overal met drijfhout bedekt.
Het was voor de vele Anjereezen, die den 26sten Augustus aan boord waren gekomen (koelies) ook een treffend schouwspel, toen zij, van af het dek der "Loudon" zagen, dat hunne woonplaats vernietigd was. Waarschijnlijk zijn hunne rijstvelden verwoest, hunne vrouwen en kinderen omgekomen; want van al de kampongs langs het strand is niets gered. Het phlegma den inlander eigen—zijne bijzondere "leukheid" zou men kunnen zeggen—verloochende zich ook hier niet. Men zoude veronderstellen, dat deze arme lieden zeer treurig gestemd moesten zijn, en dat zij zich met alle geweld zouden willen ontschepen om de lijken hunner vrouwen en kinderen te zoeken. Het tegendeel geschiedde echter; zonder eenig zichtbaar blijk van medegevoel met hunne betrekkingen, met hunne vrienden, die als slachtoffers van de overstrooming zijn gevallen, toonden zij een volkomen gebrek aan gevoel en hart. Hunne uitingen drukten meer blijdschap uit over het feit, dat zij zelf den dans ontsprongen waren, dan medelijden met hunne achtergelaten en vermoedelijk omgekomen verwanten. Laten wij echter niet te haastig zijn in ons oordeel. Allicht dwalen wij Europeanen, als wij de gevoelens der Javanen willen begrijpen, als wij hunne uitingen willen verklaren. Wellicht was het bij hen weder die kalme berusting in Gods almachtigen wil, die ons, tijdens het dreigende levensgevaar op de "Loudon", zoo met verbazing maar toch ook met eerbied vervulde: "Anjer is verwoest; God heeft het zoo gewild; Allah hoe akbar—God is groot."
Van het dek van de "Loudon" nam men waar, dat er zich eenige Europeanen bewogen op de plaats, waar eens Anjer was. Kapitein Lindeman meende, dat dit wellicht personen waren, die hulp noodig hadden. Hij ging zelf met eene sloep aan den wal, en droeg het bevel over de "Loudon" tijdelijk op aan den eersten officier, terwijl hij hem toevoegde: "Als er soms, terwijl ik van boord ben, weer zeebevingen of vloedgolven komen opzetten, stoom dan onmiddelijk van de reede van Anjer weg."
Aan wal gekomen ontmoette de gezagvoerder van de "Loudon" den resident van Bantam, Spaan, die, vergezeld van den eerstaanwezend-ingenieur van den waterstaat van der Ploeg en den controleur ten Cate met buitengewone krachtsinspanning van zijne hoofdplaats Serang was gekomen ten einde persoonlijk den toestand van de verwoeste streken op te nemen en dadelijk hulp te kunnen bieden. Deze heeren kwamen aan boord en uit hun mond vernamen wij nadere bijzonderheden over de ramp, die Bantam getroffen heeft. De tijdingen, die wij van hen hoorden, zijn vreeselijk. Duizenden en nog eens duizenden inlanders en ook tal van landgenooten hebben den dood gevonden, en dit treft te meer als men velen van hen gekend heeft.
Ongelukkig Bantam! Nauwelijks waart gij de ellende te boven gekomen, waarin veepest, hongersnood en koortsepidemieën in 1880 en 1881 u gedompeld hadden; thans is de geheele kuststreek van Straat Soenda getroffen door eene ramp zonder weerga, zoo plotseling, dat niet voor velen redding mogelijk is geweest.
Te Anjer hoorde men reeds den 26sten Augustus des middags te twee ure de hevige knallen, die de uitbarstingen van Krakatau vergezelden, en men nam abnormale ebbe en vloed waar in zee. Des avonds te zes ure werd deze waterbeweging sterker; een 25 tal prauwen en een schoener, die op de reede of in het havenkanaal liggen werden driftig en bewogen zich met groote snelheid, dan in de eene richting dan in de andere. Men hoort donder en ziet bliksemstralen; de telegraafdraad, die Anjer met Serang verbindt, breekt doordat de schoener er mee in aanraking komt, om half tien 's avonds houden de geluiden op en alleen valt er gedurende den nacht een kleine aschregen.
Eenige bewoners begeven zich 's nachts te één ure nog eens naar het strand en kijken naar het heen en weer gaan van het water en van de schepen.
Geheel Anjer gaat vervolgens slapen. Men vergunne mij hier eene opmerking. De lezer zal zich waarschijnlijk afvragen, hoe het mogelijk is, dat de inwoners gerust kunnen gaan slapen, als er zich toch reeds verschijnselen voordoen, die zoo buitengewoon zijn. Maar de bewoners van Indië nemen zoo dikwijls aardbevingen en onderaardsche geluiden waar, die in verband staan met de vulkanen, dat men zich in deze streken niet zoo gemakkelijk beangst.
Des morgens op den 27sten Augustus te zes ure zijn de beambten van den post- en telegraafdienst bezig met het herstellen van den telegraafdraad. Sommige Europeanen zijn reeds opgestaan en wandelen in nachtbroek of sarong en kabaai over hun erf of nemen een bad in de "mandikamer", gelegen in de bijgebouwen. Anderen zijn nog te bed.
Te half zeven komt de vloed opzetten; men aanschouwt eene donkere watermassa in volzee, deze watermassa beweegt zich voort naar de reede met groot gedruisch. Zij schijnt eene groote snelheid te bezitten. Zij, die haar gezien hebben, vluchten in aller ijl en eenige van hen zijn gered. De meeste bewoners hebben de golf niet kunnen zien aankomen, anderen hebben niet de noodigen tijd om te vluchten. Het water stijgt en overstroomt de stad.
Plotseling trekt het water zich terug, en sleept mannen, vrouwen en kinderen mede naar zee. Alles is weder opnieuw kalm en stil, men ziet slechts overblijfselen van schepen, bruggen, huizen, takken en lijken. Dit is slechts het voorspel. Een zware aschregen begint. De personen, die gered zijn en waarvan sommige gewond zijn, scheppen weder adem. Van geheel Anjer is slechts het fort, de gevangenis, de woning van den patih en de "kawedanan" (huis van het districtshoofd) over.
De echtgenoote van den assistent-resident van Anjer was juist in de badkamer met haar kindje, toen de golf haar bereikte, zij wordt door het water uit de badkamer geworpen, zij ziet haar echtgenoot verdwijnen, terwijl ze haar kind in de armen heeft.
Verscheidene malen wordt haar kind haar ontnomen door de golven, elke keer doet zij bovenmenschelijke pogingen om het kind weer te grijpen. Eindelijk verdwijnen de wateren, zij is gered, zij houdt haar kind nog vast en vlucht..... maar haar kind sterft in hare armen, zij heeft slechts een lijk gered en haar echtgenoot is voor altijd verdwenen. Twintig minuten van Anjer werd een graf gedolven en daar werd het kindje begraven.
Er was te Anjer een hotel, dat dichtbij de zee gelegen was. De opzichter van den waterstaat H.J. van Rosmalen, en de havenmeester P.T.M. van Leeuwen, die in dat hotel logeerden, zijn verdwenen met al de bewoners van het hotel en het hotel zelf.
Alleen eene jonge dame, de dochter van de hotelhoudster Mevrouw Schuit, heeft zich kunnen redden, nadat zij hare moeder had zien verdwijnen. Nu treedt te 10 ure de duisternis in na een ontzettenden knal vergezeld door den orkaan en den modderregen. De arme inwoners, die de ramp overleefden en die alles verloren hebben, zijn in een vreeselijken toestand. Zij trachten te vluchten. Maar niemand ziet den weg en men loopt de kans van gedood te worden door de boomen, die aanhoudend vallen, geknakt als ze zijn door het gewicht van de modder.
In die duisternis hoorde men plotseling een groot gekraak. Het was de grootste van alle vloedgolven, die, door niemand aanschouwd, tot niet minder dan 36 M. hoogte opliep, de overige gebouwen van Anjer medenam, den vuurtoren afknapte en ten slotte stukken koraal, uit zee medegevoerd, op het strand achterliet, waarvan er één een gewicht had van minstens 400,000 kilogrammen.
De gevangenis is verdwenen met alle bewoners, gevangenen zoowel als bewakers.
De schoone assistent-residentswoning, het postkantoor, het fort, de scholen, de Chineesche kamp, de inlandsche kampongs, de huizen der inlandsche hoofden—alles is weg. Een stinkend moeras is het eenige, wat men ziet: zelfs de plaats, waar Anjer eens lag, is niet geheel terug te vinden, want de teruggaande golf heeft een heel stuk uit de vlakte van Anjer weggehapt. 14 Europeanen en 7600 inlanders zijn omgekomen.
Tusschen Anjer en Tjaringin lagen aan zee de dorpen Sirih, Pasaroeran, Tadjoer, en Tjerita—zij bestaan niet meer. Te Tjaringin is de ramp op dezelfde wijze geschied als te Anjer, zoodat het onnoodig is hierover uit te wijden. De vlakte, waarin Tjaringin lag, was anderhalve kilometer breed. Weinigen slechts ontkwamen aan den vloed. Geen enkel gebouw, geen enkele boom is blijven staan; talrijke lijken zijn blijven liggen tusschen overblijfselen van huizen en boomen. De wegen bestaan niet meer. In het Europeesche gedeelte zijn alle huizen in zee gespoeld. In de geheele afdeeling zijn 12000 slachtoffers. De assistent-resident Jhr. J.A.O. van den Bosch, de controleur P. Schalk, en de 1e luitenant bij de topographische opnemingsbrigade A.T. Dessauvagies zjn verdwenen.
De slachting te Tjaringin aangericht onder de inlandsche aristocratie, doet ons denken aan een oud-testamentisch wraakgericht.
Den 26sten Augustus 1883 werd er in de kaboebaten (regentswoning) te Tjaringin, ten huize van den regent van het wester-regentschap van Bantam, raden toemenggoeng Djaja Kegara een schitterend familiefeest gevierd. In het geheel waren er 55 familieleden van den regent aanwezig. Behalve de eigen vrouwen en kinderen van Djaja Negara herbergde de kaboepaten dien dag ook de kinderen van zijn overleden broeder raden Soeleiman. De vader van den regent van Tjaringin en van raden Soeleiman was de eens zoo machtige regent van Lebak raden adipati Karta Nata Negara, de bekende hoofdpersoon uit den "Max Havelaar", die de buffels stal van de ouders van Saidjah en Adinda. Zijne afstammelingen vierden nu voor het laatst feest. De vloedgolf van Krakatau nam de geheele regentswoning mede. Zij verdween en met haar de geheele familie van Djaja Negara. Geen enkele der 55 aanwezige verwanten ontkwam.
Zoo eindigde het geslacht van raden adipati Karta Nata Negara, den gevreesden tiran van Rangkas-Betoeng. Want wel leven er nog twee zoons van den Lebakschen regent: raden Idroes, die als ontslagen ambtenaar in Lebak leeft en raden Moesa thans assistent-wedama van Tjoeroeqbarang in 't regentschap Pandeglang; maar zij munten uit door onbeduidendheid. Van tijd tot tijd plaatst de regeering ze in ondergeschikte betrekkingen. Gewoonlijk worden ze dan al spoedig aangeklaagd door de bevolking, wegens knevelarij gestraft, en, als dat niet helpt, ontslagen.
De eenige zoon van den adipati, die het ver gebracht had in de wereld, was de regent van Tjaringin. Op zijne zonen zou nog een deel overgaan van den luister, die den ouden adipati van Lebak eens omstraalde.
Maar nu is het uit met het oude regentengeslacht van Lebak, volgens de merkwaardige wet, die op Java heerscht, dat de adel van geboorte in rang daalt naarmate de descendent verder afstaat van dengene, die zijn geslacht verheven heeft boven zijne landgenooten. De kleinzoons van regenten genieten slechts weinig eerbied meer van de zijde der bevolking; de oude adel houdt alleen waarde, als de drager zelf er weder in slaagt eenigen ambtstitel te bemachtigen. De afstamming van de kruisridders alléén, waar onze Westersche oude geslachten zoo trotsch op zijn, zou bij de Javanen geen reden tot zelfverheffing zijn.
De inlandsche hoofden der afdeeling Tjaringin deelden het lot van hun regent, de patih werd teruggevonden zonder hoofd; de "wedana kota", dat is het districtshoofd ter hoofdplaats, verdween met vrouw en kinderen. De onder-collecteur, de ambtenaar, die de landrente int, vergrijsd in den dienst van het Nederlandsch Indische gouvernement, was door geene smeekingen te bewegen de geldkist te verlaten, die hij bijna een halve eeuw beheerd had. Hij wachtte het gevaar af, gezeten op die geldkist en vond daar den dood.
De tocht, dien de Bantamsche heeren uit Serang achter zich hadden, toen zij te Anjer werden opgenomen in de sloep van kapitein Lindeman, was niet gemakkelijk geweest; de postweg was op sommige plaatsen geheel verdwenen, terwijl er hier en daar bepaald kluwens lagen van dooreengewoelde fragmenten van boomen en huizen, waartusschen soms lijken uitstaken. Gaarne nam dan ook de resident van Bantam, die naar Serang terugwilde, het aanbod aan van kapitein Lindeman om hem in de Bantambaai bij het oude Bantam aan wal te zetten.
Daardoor hadden wij de gelegenheid nog verdere gevolgen van de uitbarsting te zien. De eilanden van Straat Soenda hebben in de verwoesting gedeeld. Zij zijn kaal; alle plantengroei is verdwenen. Wij verkennen het eiland Dwars-in-den-Weg. Volgens de berichten, die de resident van Bantam medebracht, was dit eiland in 5 stukken gespleten. Ook de passagiers van de "Loudon" zagen, zooals ik in Sept. 1883 schreef: "dat thans Dwars-in-den-Weg uit 5 stukken bestaat, tusschen welke de wateren der zee rustig vloeien."
Toch was onze indruk onjuist, hoewel alle schepen, die in die dagen door Straat Soenda voeren, hetzelfde opmerkten. Toen de heer Verbeek, 2 maanden na de eruptie, zijn tocht deed naar de kustlanden van Straat Soenda, kon hij door de hevige branding wel is waar niet landen op Dwars-in-den-Weg, maar hij slaagde er toch in dicht genoeg bij het eiland te komen om vast te stellen, dat Dwars-in-den-Weg nog uit één stuk bestaat. Beschouwt men de beide prachtig uitgevoerde gekleurde teekeningen van het album in Verbeek's Krakatau, die een gezicht op Dwars-in den-Weg voorstellen, dan krijgt men echter eveneens den indruk, dat men verschillende stukken land, niet dien, dat men één eiland voor zich heeft. De heer Verbeek merkt zelf hieromtrent op, dat de zee aan de Zuidzijde van het eiland tot 35 M. hoogte is opgeloopen, dat de zee over de lagere gedeelten van het eiland van Zuid naar Noord is gestroomd en daarbij alle planten en boomen heeft medegesleept.
Hij voegt er het volgende bij:
"Daar de lage gedeelten, op eenigen afstand uit zee gezien, achter de kruin duiken, ziet het eiland er dan uit, alsof het uit verschillende stukken bestaat, waardoor het bericht verklaard wordt, dat Dwars-in-den-Weg in 5 stukken gespleten zoude zijn. Komt men naderbij, dan ziet men dat de hoogere gedeelten door de lagere nog steeds tot één samenhangend eiland zijn verbonden."
Ik zou deze zaak hier niet releveeren, ware het niet om een persoonlijk feit.
In October 1883 zond ik uit Padang een opstel over de uitbarsting van Krakatau naar Frankrijk, hetgeen gepubliceerd werd onder den titel "Le desastre de Krakatau", in het "Bulletin Mensuel de la Sociétè Scientifique Flammarion" à Argentan, en in "la Nature." De heer Verbeek zegt in zijne "aanteekeningen" (No. 140) over dit opstel: "Dit verslag geeft een vrij goed overzicht van de eruptie, maar het bevat de oude onjuistheden over het verdwijnen en ontstaan van eilanden, die de eerste verwarde courantenberichten gaven."
Dat ik Dwars-in-den-Weg, in 5 stukken heb laten splijten is, dunkt mij, zeer vergefelijk. Toen ik dat schreef had de Heer Verbeek zijn tocht nog niet gedaan en, als men ziet, dat, twee maanden na de eruptie, het eiland er op zijne teekeningen nog uitziet, als of het verbrokkeld was, dan zal men zich kunnen begrijpen hoe veel sterker onze indruk van dit feit was, op een tijdstip toen één etmaal geleden de wateren over de lage gedeelten van Dwars-in-den-Weg heen gespoeld waren.
Gaarne wil ik echter bekennen, dat ik ten onrechte vermeld heb, dat het eilandje Tempoza bij Merak verdwenen was. Door de vele drijvende puimsteenvelden, de massa's drijfhout en de stukken, die van de kust versch waren afgekapt, onder den vollen indruk zijnde van het gebeurde, was het vrij wat moeilijker zich goed te oriënteeren in Straat Soenda op de "Loudon", dan twee maanden daarna, toen de puimsteenvelden niet meer den indruk maakten van eilanden, toen de kust er weer meer normaal uitzag en toen eene expeditie, voorzien van alles wat zij noodig kon hebben, op wetenschappelijke wijze onder de uitstekende leiding van Verbeek werd uitgezonden.
Wat wij van de "Loudon" waarnamen, waren slechts losse indrukken; de opname van Verbeek is een monument! Maar welke vreeselijke impressie van verlatenheid en verwoesting ook de platen van zijn Krakatau-album maken, toch gaven zij mij niet den aanblik van de kusten en eilanden terug, zooals wij die zagen van af de "Loudon", toen de verwoesting vóór één etmaal geschied was. Het landschap had toen iets bovenaardsch, iets "niet van deze wereld." Want niet alleen, dat men langs elk eiland de eigenaardige streep zag tusschen de 20 en 40 meter hoogte, die de grens aangaf van de totale vernietiging door het water teweeggebracht. Maar daarboven, hooger dan het hoogste gebergte, werd de achtergrond gevormd door het gebied van den asch-, modder- en puimsteenregen, ook dáár was toen geen spoor van plantengroei te zien; de boomen waren geknakt door de modder en alles was aschgrauw van tint! Door de hevige regens, die in de dagen na de uitbarsting plaats vonden, verdween asch en modder, en de weelderige groeikracht der tropen deed weer menig groen knopje uitspruiten op plekken, waar alles even doodsch en grijs was als langs de onherbergzame stranden van de Roode Zee.
Zooals wij Straat Soenda zagen—daarvan kan zelfs het schoone album van Verbeek's Krakatau geen denkbeeld geven.
Na Dwars-in-den-Weg aan bakboord voorbij gevaren te hebben, naderen wij aan stuurboord het kleine eilandje Poeloe Merak. Op dat eilandje was een dynamietmagazijn, ten behoeve van den dienst der Bataviasche havenwerken te Tandjong Priok. Tegenover dat eilandje Merak ligt op den Java-wal vlak aan zee, de kampong Merak. De trachietrotsen, die hier tot vlak bij zee doorloopen, hebben het materiaal uitgemaakt voor de havendammen van Tandjong Priok.
De steenbrokken werden uit het gebergte met dynamiet losgemaakt en door zwevende kabels vervoerd. Langs den voet van het gebergte liep eene spoorbaan. De steenbrokken werden daar in wagons geladen, die door een locomotief op een steiger of aanlegplaats werden gebracht, vanwaar ze door middel van stoomkranen konden geladen worden in hopperbarges.
Het huis, bewoond door den eerstaanwezend-ingenieur te Merak, A.C. Nieuwenhuys, stond op een heuvel van 14 meter hoogte, vanwaar men een prachtig gezicht had op het etablissement der havenwerken, op de kampong en op de heerlijke Straat Soenda met hare eilandjes. De heer Nieuwenhuys was den 25sten Augustus naar Batavia vertrokken ten einde zijn echtgenoote op te zoeken, die aldaar vertoefde. Daardoor is dit gezin gered. Want de wateren van Straat Soenda stegen te Merak tot 30 M. boven het gewone peil der zee. Het geheele personeel, dat te Merak vertoefde, kwam jammerlijk om. De chef-mijnwerker K.A. Naumann met echtgenoote, de opzichter H.B. van Diest met echtgenoote, de opzichter J. Kaal, de machinist S.C. van Essen met vrouw en 4 kinderen, de magazijnmeester J.S. Townsend met kind, allen verdwenen. De inlandsche werklieden, timmerlieden, machinisten, smeden, bankwerkers, stokers en koelies, te zamen 169 in getal, benevens 14 mandoors (inlandsche koelie-opzichters), de meesten met vrouwen en kinderen, werden zonder één spoor na te laten medegesleurd door de golven.
Toen de heer Nieuwenhuys den 28sten Aug. te Merak kwam, was er niets meer over, noch van zijn huis, noch van het etablissement, noch van de kampongs.
Locomotieven waren als blik gedeukt, en spoorstaven als papier samengevouwen.
Na een laatsten blik op Merak, varen wij Punt St. Nicolaas om en zetten den resident Spaan in de Bantambaai aan land. De bestemming van de "Loudon" is de Westkust van Sumatra. Wederom zet de gezagvoerder koers naar het Westen. Ten derden male dus door Straat Soenda en langs Krakatau—en wee ons, als er weder eene uitbarsting komt! Want driemaal is scheepsrecht, wij zouer dan zeker niet levend zijn afgekomen.
Maar de wereld van Vulcaan is geheel in rust. Krakatau rust op zijne lauweren. Het is wèl geweest.
Pour la bonne bouche in den nacht van 28 tot 29 Augustus nog wat aschregen—en wij zijn eindelijk in den Indischen Oceaan. De eerste haven, die de "Loudon" aandoet is Kroë of "Krooi", zooals de Hollandsche matrozen zeggen. Wij praaien daar de stoomboot van de Nederlandsch Indische Stoomvaart-Mij. "Graaf van Bylandt", die van Padang komt met het plan Straat Soenda in te gaan. Nadat kapitein Lindeman den gezagvoerder het een en ander verteld heeft over de verwoesting van Straat Soenda, vervolgt de "Bylandt" hare reis.
Te Kroë heeft men geen vloedgolven waargenomen. Maar daarentegen heeft men in de richting van Krakatau van 26 Augustus 's middags te 3 ure kanonschoten, luchttrillingen, schokken en donder gehoord tot 28 Aug. toe.
Ook hier is de zon geheel verduisterd geweest; terwijl de thermometer van den controleur Dr. D.W. Horst des middags daalde tot 73° Fahrenheit. Ook is er veel asch gevallen. De kust ziet er uit als een Hollandsch landschap, waar eenige sneeuw gevallen is. Maar het is ons eene verademing weer aan zee dorpen te zien liggen, die niet verwoest zijn.
Den volgenden dag zijn wij te Benkoelen, alwaar wij vernemen, dat men van de uitbarsting ongeveer evenveel gemerkt heeft als te Kroë.
Alleen heeft men te Benkoelen een bijzonder hoogen vloed opgemerkt, die voorafgegaan werd door eene buitengewoon lage ebbe, die zoo gauw afliep, dat visschen, schildpadden en zeekalven op het droge achterbleven. Hoe verder Noordelijk, des te minder schade heeft het natuurverschijnsel aangericht. Allen echter, die wij spraken, waren het er over eens, dat gedurende minstens een etmaal telkens een geluid als van een kanonschot was gehoord.
Zeer vreemd is het zeker, dat aan boord van de "Loudon" van dit geluid niets gehoord is, terwijl zij toch tijdens de uitbarsting in het centrum van werking was.
Den 30sten Augustus komt de "Loudon" op de reede van Padang. Wat zijn wij allen dankbaar, dat wij er heelhuids zijn afgekomen!
Wat men te Padang meende, toen de schoten gehoord werden.—In Atjeh gelooft men, dat er een gevecht plaats heeft.—Op de "Loudon" is geen geluid vernomen.—Uiterste punten van het gebied van het geluid der schoten.—Het geluid op Java.—De geluidscirkel.—Over 1/14 der aard-oppervlakte is het geluid gehoord.—Veronderstelling dat Krakatau te 's Gravenhage lag.—Eerste berichten in Europa over de ramp.—Het gebeurde te Batavia, op Onrust, te Tandjong Priok.
De onhoorbare geluiden tijdens de uitbarsting.—Oorsuizingen.—Benauwdheid, omvallen van voorwerpen.—De reuzentrilling van den 27sten Augustus te 10 uur.—Zij doet eene reis om de aarde in 35 uur.—Tweede reis om de aarde.—Derde reis om de aarde.—De luchtgolven als snelboden der uitbarsting.
Er is nog nooit op aarde, zoo lang menschengeheugenis reikt, een geluid voorgebracht, dat gelijktijdig is gehoord over zulk eene uitgestrektheid, als de schoten van Krakatau.
Toen de "Loudon" te Padang aankwam, vernamen wij, dat over geheel Sumatra van den 26sten Augustus tot den 27sten Augustus kanonschoten gehoord waren, gepaard met luchttrillingen.
Zooals bekend is geeft Sumatra, op het gebied van Vulcaan, Java niet veel toe; aardbevingen en geluiden zijn er geen zeldzaamheid. Maar de kanonnade van 26 tot 27 Augustus was zoo buitengewoon hevig, dat men zich toen toch ernstig ongerust maakte.
Natuurlijk schreef men overal op Sumatra die geluiden toe aan eene vulkanische uitbarsting, hier van den Merapi, daar van den Dempo, ginds van den Piek van Indrapoera.
Merkwaardig was de verzameling telegrammen, die, op het gouvernementsbureau te Padang aanwezig, waren uitgewisseld met alle mogelijke plaatsen van Sumatra. Hieruit bleek ten slotte duidelijk, dat geen der Sumatraansche vulkanen de schuldige was. Maar meer wist men er niet van, daar de onderzeesche telegraafkabel, die van Anjer naar Telok Betong loopt, gebroken was en bovendien (hoewel men hiermede te Padang niet bekend was) de beide telegraafkantoren, zoowel te Anjer als te Telok Betong verdwenen waren. Eerst na de komst van de "Loudon" verspreidde zich te Padang de tijding, dat Krakatau de oorzaak was van die geluiden.
Men was daar niet in de verleiding gekomen, om aan een werkelijken veldslag te gelooven. Dit was echter wel het geval in Atjeh. Te Atjeh werden de geluiden onder anderen gehoord door de posten te Malaboeh, te Anagaloeng en te Kleh Gambing in eigenlijk Atjeh, en te Edi op de Oostkust.
De geluiden hadden zulk eene treffende overeenkomst met een infanteriegevecht, vergezeld door artillerie, dat de kommandanten der posten overtuigd waren, dat er eene nabijzijnde benting werd aangevallen door de Atjehers met geweervuur en dat men zich verdedigde met artillerie. Te Kotta Radja, de hoofdplaats van onze vestiging in Atjeh, zond de militaire commandant ordonnansen uit om te onderzoeken welke post aangevallen werd. Opmerkzaamheid verdient dat een paar marineschepen ter reede van Oleh-leh, nabij Kota Radja, volgens een telegram van den commandant der Marine in de Atjehsche wateren, geen geluiden gehoord hebben evenmin als de schepen te Boeleleng (eiland Bali).
Wij herinneren ons, dat op de "Loudon" evenmin eenig geluid is vernomen, terwijl wij vlak bij den vulkaan lagen en om ons heen alles heeft getrild van de kracht der schoten.
Te Timor en te Makassar meende men, dat er een zeegevecht werd geleverd of wel dat er een schip in nood was, zoodat de aldaar gestationneerde oorlogsschepen werden uitgezonden om te onderzoeken wat er gebeurde.
Op het eiland Ceylon meende men, dat er een of ander oorlogschip schietoefening hield met zwaar geschut.
Dergelijke geluiden hoorde men op Nieuw Guinea, West- en Zuid Australië en Birmah.
Op de Chagos-eilanden, te Diego Garcia gelegen op meer dan 30° afstand van Krakatau en te Rodriguez, meer dan 40° Zuid-West van Krakatau, zijn de geluiden zoo sterk gehoord, dat men ook daar aan noodseinen van schepen dacht.
Laten wij nog eens een kijkje op Java nemen tijdens die benauwde dagen. Het is begrijpelijk, dat men overal de schoten, die gehoord werden, toeschreef aan vulkanen, die dicht bij waren. Zoo meende men in de Preanger, dat de Gedeh werkte. In Tegal veronderstelde men eene uitbarsting van den Tjermai; in de residentie Bagelen beschuldigde men den Slamat en in Kedoe den Sendoro. In Solo en Semarang dacht men aan den Merapi; in Soerabaja vreesde men, dat de Keloet zich gereed maakte voor eene uitbarsting; in Kedirie zag men daarentegen dat de Keloet rustig was en gaf men de schuld aan den Wilis. In Bezoeki eindelijk schreef men het geluid toe aan den Lamongan of aan den Rawoen.
Dat de uitsluitende oorzaak van alles het onaanzienlijk, kleine vulkaantje op Krakatau was, tot dit besluit is men eerst gekomen toen er na die vreeselijke natuurverschijnselen dagen van rust en kalmte waren aangebroken.
Als men van Krakatau uit als pool een cirkel trekt op de aarde van 32° straal (3555 kilometers), dan heeft men de streek op aarde, waarbinnen het geluid gehoord is. De middellijn van dien cirkel is dus 64° of een zesde van den geheelen omtrek der aarde. En de oppervlakte van het deel der aarde, waarbinnen het geluid gehoord is, is meer dan 1/14 van de oppervlakte der aarde.
Ik vrees, dat al die cijfers en namen van eilanden den lezer zeer koud zullen laten en hem toch geen goed denkbeeld zullen geven van de afmetingen van den geluidscirkel. Laten wij daarom eens voor een oogenblik de onwaarschijnlijke veronderstelling maken, niet dat den Haag gebombardeerd wordt, maar omgekeerd dat er in 't vorstelijk 's Gravenhage kanonnen werden afgeschoten van de zelfde kracht als de vulkaan van Krakatau of met andere woorden: stel dat den Haag een vuurspuwende berg was van het kaliber Krakatau. Dan zouden de schoten gehoord zijn op Groenland, IJsland, Spitsbergen, Lapland, Finland, te Petersburg, Odessa, Alexandrië, Jeruzalem; verder in geheel Afrika benoorden den kreeftskeerkring. De uiterste Westelijke punten zouden dan zijn de Kaap-Verdische eilanden en de Azoren. Laten wij ons beeld nog eens uitwerken. Gelooft ge dat, als men te gelijk te Jeruzalem te Petersburg en op Groenland een dergelijk geluid hoorde, er spoedig iemand op het denkbeeld zou komen dat al die geluiden van één bron afkomstig waren, ook al wist men toevallig, dat er in den Haag een vuurspuwende berg was, die van tijd tot tijd uitbarstte?
Het was dus volstrekt geen bewijs van stompzinnigheid, dat men op sommige plaatsen het een alleronzinnigst denkbeeld vond, dat een vulkaan, die 600 uren gaans verwijderd was, de oorzaak dier schoten zijn zou, terwijl er bovendien tal van vulkanen in de richting der schoten lagen op veel korteren afstand.
De eerste berichten over de ramp, in Europa verspreid, vermeldden dan ook merkwaardige bijzonderheden. Zoo kon men in het Fransche dagblad "le Gaulois" van 5 Sept. 1883 lezen, dat een derde der 45 vulkanen van Java tegelijk gewerkt hadden en dat er te Batavia 20000 Chineezen en 100 Europeanen waren omgekomen. Ik herinner mij ook, dat eene der groote buitenlandsche illustraties in die dagen prentjes gaf van den Boro-Boedoer-tempel in de residentie Kedoe, die, zooals zij meende, met geheel Java vernietigd was geworden.
De uitsluitende oorzaak, de motor van al de ellende die in Indië geleden is, was echter de vulkaan van Krakatau. Geen der vulkanen van Java heeft zich er mee bemoeid. Zij waren wellicht van meening, dat Krakatau het alleen wel af kon.
Wat nu echter het zoo even vermelde praatje betreft, dat er te Batavia zooveel personen waren omgekomen, zoo kan dit wel een gevolg zijn van zekere leemten in aardrijkskundige kennis, die men wel eens meer opmerkt bij het geestigste volk van Europa.
In hetzelfde bericht van de "Gaulois", dat wij boven aanhaalden, wordt immers ook gesproken van de stad Bantam en het eiland Serang. Aan het woord "Batavia" verbond men dus wellicht (pars pro toto) het begrip Java, Sumatra, of andere eilanden, in 't algemeen die verafgelegen streken, die men zonder nadere aanduiding te Parijs zoo gaarne "l'extrême orient"—het verre Oosten—noemt.
Frankrijk staat echter niet alleen. De redactie van de Engelsche "Daily News" wilde aan hare lezers een uitvoerig verslag mededeelen, uitvoeriger dan de magere Reuter-telegrammen; en bij gebrek aan eenigen correspondent in Indië heeft men de onbeschaamdheid gehad om, zonder iets van Indië noch van de uitbarsting af te weten, berichten te phantaseeren. Zoo ontstond er een verhaal, dat nog ongelooflijker was dan dat van de "Gaulois", en dat gretig werd overgenomen door andere bladen, tuk op sensatie, terwijl het steeds grootere afmetingen aannam. De vijf en veertig vulkanen van Java zouden te gelijk hebben gewerkt, en vooral de Papandajan zou ontzettende verwoestingen aangericht hebben. Plotseling begint ook, volgens die berichten, de vulkaan "Tankohabie", (die niet bij naam op Java bekend is), vuur te spuwen. Het aantal slachtoffers telt men bij "honderdduizenden", waarvan de meeste te Batavia.
Om echter duidelijk te doen zien, dat er in onze hoofdstad niet zulk eene slachting is aangericht, als de "Gaulois" en "Daily News" meenden, zullen wij nog eens nagaan wat er te Batavia gebeurd is.
Toen te Batavia den 26sten Augustus des namiddags de knallen en het gerommel begonnen van uit het Westen, en toen er des nachts in die richting een dof-roode gloed was waar te nemen, stelde men zich algemeen gerust met de gedachte, dat dit aan niets toe te schrijven was dan aan eene hernieuwde werking van den vulkaan Krakatau; en daar de eerste uitbarsting in Mei geen andere herinneringen had achtergelaten, dan de aangename souvenirs van een heerlijken pic-nic, koesterde men in 't geheel geen vrees.
Maar toen die schoten in hevigheid toenamen en er te half twee een slag viel die gepaard ging met zulke luchttrillingen, dat de gaslantaarns en de gaslampen plotseling uitgingen, terwijl deuren en vensters klapperden, toen was men in 't geheel niet meer gerust. Velen hielden het thuis niet meer uit, daar zij aardbevingen verwachtten, allen zagen in groote spanning den morgen te gemoet.
"De morgenstond verscheen, maar in plaats van te lichten met dien doorzichtigen glans, welke de morgenure in het Oosten kenmerkt, hield de zon zich schuil en het geheele uitspansel was als in nevelen gehuld."
Zoo beschreef het "Bataviaasche Handelsblad" de morgenimpressies van 27 Augustus.
Schokken of aardbevingen werden niet gevoeld. Geen voorgevoel waarschuwde de bewoners van de Noordkust van Bantam. Evenmin verwachtte iemand te Batavia de dingen, die komen zouden. De menschelijke zintuigen zijn toch zeer onvolkomen, als men ze vergelijkt met het scherpe waarnemingsvermogen der dieren, die geheimzinnige gave, welke wij met het niets beteekenend woord "instinct" aanduiden. Dit instinct der dieren verloochende zich ook nu niet. Groote zwermen zeevogels trokken in den morgen van 27 Augustus van den zeekant over Batavia. Zij waren dus gewaarschuwd voor het dreigende gevaar. "Hoe is zoo iets mogelijk", zal men vragen. "Is het wel waar?" Ja lezer, de zeevogels van Straat Soenda waren knapper dan de veertig duizend ongelukkige menschen, die door de ramp zijn omgebracht, en die door geen inwendige stem werden vermaand het gevaarlijke zeestrand te ontvluchten.
Hoe echter die vogels er toe kwamen om tijdig Straat Soenda te ontvluchten, op deze vraag moet ik het antwoord schuldig blijven. Men verbaast zich soms over de "domheid" der Grieken en Romeinen, die uit de vlucht der vogels de toekomst voorspelden. Wie weet of die volken, scherpe opmerkers als zij waren, niet meermalen een dergelijk voorgevoel bij vogels hadden waargenomen, dat hen waarschuwde voor gevaar. Is het dan gewaagd te veronderstellen dat deze geheimzinnige gave der vogels, die ons nu even onverklaarbaar is als hun, de eerste aanleiding is geweest tot de vogelwichelarij, die zulk eene groote rol speelt in hunne geschiedenis?
Keeren wij naar Batavia terug. De inwoners waren in den morgen van 27 Augustus weder tot kalmte gekomen.
Toen viel er te half negen zulk een zwaar schot, dat de huizen kraakten. Het werd donker; door het uitblijven van het zonlicht daalde de temperatuur verscheiden graden; men huiverde van koude; op het midden van den dag waren alle lampen aangestoken. Eensklaps stonden alle zaken stil; in de benedenstad, waar alle pakhuizen en kantoren zijn, moest men in allerijl kaarsen opsteken, want de gasfabriek geeft over dag geen drukking genoeg in de leidingen. De koelies, meestal Bantammers, liepen weg, en de meeste Europeanen verlieten hunne bezigheden en ijlden naar hun gezin in de bovenstad. In de Chineesche kamp ontstond een paniek. Wie een prauw kon bemachtigen, bracht zijne vrouwen, kinderen, kostbaarheden en leeftocht daarin, niet wetende, dat juist het water, waaraan hij zich ging toevertrouwen, in die ure zijn grootste vijand was.
Tegen den middag rees het water schrikbarend; het kwam uit zee langs de geheele Noordkust van Java aanzetten, drong de rivieren in, en deed die buiten de oevers treden, zoodat ook de benedenstad onder water gezet werd. Prauwen, stoombooten, tambangans (roeibooten) worden driftig, bonzen tegen elkaar, of komen tegen de brug aan op het Heemradenplein. Het water bereikte eene hoogte van 1.40 M. boven het gewone vloedpeil. Het water in de Kali Besar zwol meer dan een meter en de stroom van het water was stroomopwaarts gericht. Het lagere gedeelte van Pintoe Ketjil (de kleine Boom) en Pasar Ikan (de Vischmarkt) overstroomde. Nabij de Stadsherberg zette het water kleine en groote prauwen en rivierstoombootjes op den wal. Het water in de Kali Besar was modderig en dik; het zag er zwart uit en verspreidde een onaangenamen geur.
Een gedeelte van de inlandsche bevolking van de benedenstad vluchtte. Die hooge vloed werd gevolgd door eene lage ebbe, al het water liep weg, het bed van de rivier tusschen het Waterkantoor en de Stadsherberg liep geheel droog, zoodat de visschen achterbleven en de vaartuigen evenals Scheveningsche pinken op het droge bleven liggen of wel tegen den kaaimuur aanhingen door middel van hunne kabels.
Des namiddags vermindert de duisternis langzamerhand, maar er is zooveel asch in de lucht, dat men niet duidelijk zien kan. Vele inlanders in de benedenstad zitten neergehurkt voor hunne huizen en wachten kalm de gebeurtenissen af, terwijl ze in vrede een sirih-pruimpje kauwen of een stroosigaartje rooken en een pelitah (klein lampje) naast zich hebben. Intusschen had de gasfabriek voor drukking gezorgd. Op Molenvliet waren de talrijke warongs (stalletjes) allen verlicht. Te 2 ure kwam eene nieuwe golf, doch niet zoo hoog als de vorige. Toch overstroomde weer de Kleine Boom en Pasar Ikan. Honderden inlanders vermaken zich met de visschen te vangen, die door de terugloopende wateren werden achtergelaten.
In de rivieren loopt een modderachtige vloeistof met schuim bedekt, waarin de visschen bedwelmd werden. Er zijn echter weinig ongelukken gebeurd. Een paar oude vrouwen, die zaten te visschen bij den Vuurtoren, zijn verdronken, eenige grazende geiten zijn verzwolgen door het water. Ook zijn er eenige stukken kaaimuur verzakt langs het oude Havenkanaal.
Te Onrust, een eiland op de reede van Batavia, waar het marine-etablissement is, ontstond ten gevolge van de vloedgolf een groote schrik onder het werkvolk. Een gedeelte van het eiland liep onder. Dank zij de kalmte der opzichthebbenden zijn er geen groote ongelukken te betreuren, hoewel het groote dok, waarin een schip lag, tegen een stoomboot aandreef. Het drijvend dok, dat zich bevond bij het eiland Amsterdam nabij Onrust, is daarentegen den 27sten Augustus losgeraakt en weggedreven.
De groote werken voor de haven van Batavia zijn gelegen te Tandjong Priok, Oostelijk van de reede van Batavia. Aan den ingang van de haven bevinden zich twee havendammen, waarvan het lichaam bestaat uit trachietblokken, die uit de groeven van Merak afkomstig zijn. De haven is verbonden met Batavia door een kanaal en een spoorweg. Die havenwerken hadden 17 millioen gekost en waren in eigen beheer zonder tusschenkomst van aannemers in vijf jaar voltooid onder de energieke leiding van den hoofdingenieur van den waterstaat J. de Gelder.
Men had bij het ontwerpen en het uitvoeren dezer havenwerken als basis genomen de bekende cijfers van den hoogst bekenden vloed, zijnde 1.20 meter boven Batavisch peil of boven nul, en van de laagste ebbe 0.20 M. beneden nul. Maar die cijfers zijn niet gebaseerd op zeebevingen. Vooral de buitengewone lage ebbe, die afliep tot 3.20 meter beneden Bataviaasch peil en die onmiddellijk volgde op een vloed van 2.35 M + B.P. gaf in de kanalen aanleiding tot hevige stroomen of wielingen gelijkende op echte watervallen. Op het oogenblik dat het water op zijn laagst was, waren de fundeeringen der kaaimuren en de landhoofden van de groote draaibrug in den spoorweg van Batavia naar Tandjong Priok geheel ontbloot.
Zelden heeft een waterstaatswerk eene zoo degelijke "beproeving" ondergaan. De gronddruk toch, waaraan de fundeeringen dier werken bloot stond, overtrof met vijf en twintig procent den grootsten druk, waarop in het project gerekend was.
Over het algemeen hebben die werken zich goed gehouden.
De Oostelijke havendam is echter bij het afloopen van de eerste golf verzakt over eene lengte van 300 meter.
Die verzakking bedraagt als maximum 3 meter.
Maar noch bij de kaaimuren, noch bij de bruggen zijn scheuren of verzakkingen op groote schaal waargenomen.
Een beter bewijs voor de soliditeit der uitvoering is zeker moeilijk te leveren.
De zelfregistreerende peilschaal te Tandjong Priok heeft de geheele waterbeweging van die woelige dagen getrouwelijk opgeteekend. Die waarnemingen zijn daarom van zooveel belang, omdat zij natuurlijk ontbreken in de kustplaatsen, die verwoest zijn. De invallende duisternis zou daar trouwens toch alle waterstand-aflezingen verhinderd hebben.
Wij zagen, dat de schoten van Krakatau over 1/14 van de oppervlakte der aarde gehoord zijn.
Of wij een geluid hooren of niet hangt van de menschelijk zintuigen af. Het is werkelijk geen paradox als men zegt, dat er geluiden zijn, die de mensch niet kan hooren, zooals er ook lichtgevende stralen zijn, die men niet kan zien!
De geluiden, die de mensch niet kan hooren, verschillen in soort niet van de hoorbare geluiden.
Beide zijn luchttrillingen; er bestaat slechts een quantitatief, niet een qualitatief verschil tusschen hen. Want wij hooren alleen de tonen, die een bepaald aantal trillingen per seconde maken. Daarboven en daarbeneden ligt eene onhoorbare tonenwereld, die even zoo goed bestaat als de hoorbare "harmonie der sferen." Het zijn de onhoorbare trillingen, die b.v. bij een kanonschot de glazen doen rinkelen of breken. Maar ook, als het kanonschot niet gehoord wordt, kunnen die stille geluiden de lucht beroeren. De beweging der lucht kan dan niet met het oor waargenomen worden als toon, maar dikwijls speurt men haar door suizingen in de ooren, door de beweging van voorwerpen. Ja, die beweging kan zoo sterk worden, dat men zou zweren met eene aardbeving te doen te hebben.
Niet het minst merkwaardige verschijnsel bij de uitbarsting zijn die onhoorbare luchttrillingen geweest. Ze zijn opgeteekend over de oppervlakte van onze geheele aarde door de zelfregistreerende barometers van alle metereologische stations op aarde.
De storingen, die deze barometers vereeuwigd hebben, bestaan uit eene plotselinge rijzing van den barometer, gevolgd door eene diepe daling of depressie.
Hoe dichter bij Krakatau, des te sterker zijn die storingen. Zij waren op de "Loudon" zoo sterk, dat zij hevige suizingen in de ooren veroorzaakten en een onbeschrijfelijk gevoel van onwel zijn; men hoorde dáár de luchtgolven niet met het zintuig van het geluid, maar men gevoelde ze als eene benauwdheid, tot stikkens toe. Het waren dezelfde trillingen, die te Batavia de vensterglazen deden springen, en die in de residentie Pasoeroean op het land Alkmaar de muren der woningen deden scheuren.
Ééne luchttrilling is er geweest, die als een reus uitsteekt boven de andere. Zij geeft het slot aan van de eruptie, de indrukwekkende apotheose van de uitbarsting, die den 27sten Augustus te 10 ure plaats vond. Toen schoten met een vreeselijken knal eenige kubieke kilometers vaste stoffen de lucht in. Toen geschiedde de ontzettende instorting van het eiland, de indompeling in zee van eene massa, die de zeebeving te voorschijn riep; toen ontstond de aschwolk, die den stikdonkeren nacht veroorzaakte, welke zich over al de kusten van Straat Soenda uitstrekte.
Toen ontstond eene luchttrilling, die machtiger was dan al deze natuurverschijnselen te zamen. Zij werd niet waargenomen door de onvolkomen menschelijke zintuigen, maar zij bracht het luchtvormig omhulsel van onze geheele planeet in beroering.
Van Krakatau als uitgangspunt ging op dat oogenblik eene luchtgolf uit in alle richtingen. Die luchtgolf ging langs een grooten cirkel om de aarde heen tot de tegenvoeters van Krakatau en keerde weder tot haar uitgangspunt terug. In ongeveer 35 uren werd die reis om de wereld verricht. Toen die luchtgolf ten tweedenmale Krakatau beroerde was hare kracht nog niet uitgeput.
Eene tweede reis om de wereld werd volbracht en na afloop van deze bezat zij nog energie genoeg voor eene derde. Eerst op de vierde reis om de aarde bezweek zij! De snelheid, waarmede die luchtgolf zich voortplantte, was ongeveer dezelfde als die van het geluid. Die snelheid werd wel is waar gewijzigd door de passaatwinden en luchtstroomingen en door de draaiing der aarde, maar die invloeden waren niet bij machte het verschijnsel belangrijk te wijzigen. De luchtgolf volbracht hare reizen om de wereld ten spijt van winden en stroomingen. Haar verblijf werd opgeteekend door den barometer in alle werelddeelen, in Europa: te Petersburg, Krakau, Budapest, Weenen, München, Lissabon, Rome, Brussel, Parijs, Greenwich, Utrecht; in Australië: te Melbourne en Sydney; in Amerika: te New-York, Mexico en Havana en in Azië: te Calcutta en Bombay. Kortom over de geheele aarde in alle metereologische observatoria, waar zelfregistreerende barometers zijn.
Ten einde een goed denkbeeld te krijgen van de reis door die golf afgelegd, zal ik een enkel feit aanstippen, ik ben daarbij verplicht een paar cijfers te noemen.
Het eerste bezoek, dat die golfbeweging te Parijs bracht, geschiedde den 27sten Augustus te twee ure des middags. Zij was te 10 uur 's morgens van Krakatau gegaan in oostelijke richting. Dit geeft een verschil van vier uur. Telt men hierbij het verschil in tijd van Krakatau en Parijs, dan heeft de luchtgolf den afstand van Krakatau naar Parijs afgelegd in tien uren.
Maar hier had de golf den kortsten weg genomen van Krakatau naar Parijs. Zij nam namelijk de reis over Hindostan, Arabië, Perzië en Turkije. De golf, die van Krakatau uit juist in tegenovergestelde richting reisde, kwam over de Groote Stille Zuidzee, Amerika en den Atlantischen Oceaan eveneens te Parijs aan. Zij deed op hare reis de tegenvoeters van Krakatau aan, en had dus den langsten weg gekozen. De eerste golf toch had slechts 103 graden van den grooten cirkel af te leggen, die Krakatau en Parijs op de aarde verbindt. De weg, dien de tweede golf nam, was daarentegen 257 graden. Die tweede golf kwam te Parijs den 28sten Augustus des morgens te vijf uur. Zij was toen vijf en twintig uren onder weg geweest. Toen de eerste golf Parijs den 27sten Augustus bezocht had en dáár den barometer twee millimeter had doen afwijken, vervolgde zij te twee ure des namiddags haar weg. Te Krakatau teruggekomen kon zij hare vaart niet matigen en reisde ten tweede male om de wereld. Ditmaal zag zij Parijs bij nacht, want zij verscheen aldaar tusschen den 28sten en 29sten Augustus des nachts te twee ure, zes en dertig uren na hare eerste komst te Parijs, om 37 uur later na nog eens eene reis om de wereld gemaakt te hebben, weer te Parijs terug te zijn. Ook de golf, die den langsten weg gekozen had, reisde van Parijs naar Krakatau terug. Ook zij zette hare reis voort; en den 29sten Augustus te 4 uur des namiddags ontmoeten wij haar al weer te Parijs. In 35 uur had ook deze golfbeweging de wereldreis volbracht.