Voordat dus in Europa eenig betrouwbaar bericht was aangekomen over de ramp van Krakatau, terwijl men in Indië zelf nog in 't onzekere verkeerde wat er eigenlijk gebeurd was, had de vulkaan van Krakatau zelf luchtgolven afgezonden als boden, die het einde der uitbarsting en het begin van het vernielingswerk op de vleugelen der atmosfeer aan het verst afgelegen plekje der aarde verkondigden.


HOOFDSTUK VII.

De waterbeweging.

Verschillende indruk van luchttrillingen en watergolven.—De reus onder de golven ontstond 27 Augustus te 10 uur.—Hoe is zij ontstaan?—De kleinere golven.—Het "gebied des doods."—De hoogte van den buitengewonen vloed langs Straat Soenda.—De hoogste stand 36 meter.—De buitengewone lage ebbe.—De beweging der zee is eene op- en neergaande.—Gevolgen van de overstrooming.—Het naar zee terugkeerende water.—De drijvende lijken.—Feestmaal der krokodillen, haaien en andere zeevisschen.—Vondst in de maag van een kakap.—Kluwens van boomstammen, lijken en huizen liggen in modderpoelen.—De plantengroei tegenover den modderregen.—Het begraven der lijken en het desinfecteeren.—Aantal verwoeste dorpen en slachtoffers der zeebeving.—In Indië is geen burgerlijke stand voor inlanders.—Waarom de schepen in straat Soenda niet vergaan zijn.—Golfbeweging in het algemeen is geen horizontale waterverplaatsing.—De golf te Tangerang en aan Java's Zuidkust. Het water liep van de Welkomstbaai naar de Indische zee.—Zondvloed op de eilanden Sebesie en Klein-Seboekoe.—Geen sterveling aldaar gered.

De uiterste grenzen van de golfbeweging.—Storingen in Australië en het Engelsche kanaal via Kaap Hoorn.—De storingen te Colon etc. hebben eene andere oorzaak.—Het verband tusschen zeediepte en snelheid van voortplanting.—De storing te Moltkehafen in Zuid-Georgië.—Dieptebepaling van den Indischen Oceaan als gevolg van de uitbarsting van Krakatau.

Uit een zuiver wetenschappelijk oogpunt zijn de luchttrillingen, die zich over de geheele aarde hebben uitgestrekt, zeker het meest belangrijke verschijnsel van de geheele uitbarsting. Maar, daar geen mensch ze kon hooren en daar ze geen vlieg kwaad hebben gedaan, zijn ze onopgemerkt voorbij gegaan.

Hoe geheel anders is het met de bewegingen, die de vulkaan veroorzaakte in de wateren van den Oceaan! In een vroeger hoofdstuk beschreef ik het vergaan van Telok Betong zooals het van de "Loudon" werd aanschouwd.—De golven, die wij toen zagen, en die Telok Betong en een groot deel van Anjer op den morgen van den 27sten Augustus te half zeven verwoest hebben, waren bij lange na niet de hoogste golven, die in die dagen door straat Soenda rolden. De reus onder de golven toch ontstond eerst later, toen de duisternis reeds was ingevallen. Niemand aanschouwde haar. Niemand kan met zekerheid zeggen hoe zij ontstaan is. Want geen sterveling heeft kunnen zien wat er op Krakatau gebeurde, den 27sten Augustus te 10 uur, toen die groote golf ontstaan is.

Bij de hydrographische opname van Straat Soenda heeft men nergens eene verontdieping van de zee waargenomen, behalve op de plaats, waar de beide nieuwe eilanden Steers en Calmeijer ontstaan zijn. Volgens Verbeek zijn die nieuwe eilanden geheel uit eruptie-materiaal opgebouwd. Ware het mogelijk, dat alleen de bovenlaag van deze eilanden uit uitwerpselen bestond, die rusten op een terrein, dat plotseling opgeheven is uit zee, dan zou zulk eene plotselinge opheffing van den bodem de oorzaak kunnen zijn van de groote golf, die het meeste kwaad gesticht heeft. Zulk eene golf kan ook ontstaan door eene onderzeesche uitbarsting. Maar als men let op de instorting van het grootste gedeelte van het eiland, die reeds op den namiddag van 27 Augustus van af de "Loudon" is geconstateerd, en die dus te gelijk met de uitbarsting of vlak daarna geschied moet zijn, dan kan het ook zijn, dat aan het in zee ploffen van den berg Rakata de grootste golf te wijten is.

De kleinere golven, bijv. die van half zeven 's morgens, die Telok Betong verwoestte, kunnen dan ontstaan zijn door het in zee vallen van groote hoeveelheden vaste stoffen, die de vulkaan uitbraakte en die eene waterbeweging te voorschijn riepen, zooals ieder die op kleine schaal zien kan, als hij een steen in het water werpt of als hij, zooals men zegt, "kringetjes spuwt."

Men heeft die golf "vloedgolf" genoemd. Ik zou haar liever "zeebeving" noemen. Trouwens de naam doet heel weinig ter zake.

Hoe dan die golf nu ook ontstaan is, zeker is het, dat het middelpunt der golfbeweging, het uitgangspunt der zeebeving, samenvalt met het middelpunt der vulkanische eruptie en dat de reusachtige golf, van Krakatau uit, zich voortgeplant heeft door de zee en vervolgens in intensiteit of in hoogte verminderd is, naarmate zij verder van Straat Soenda af was. En daar zij zich voortplant met eene zekere snelheid, zal het verschijnsel van den buitengewoon hoogen vloed en de lage ebbe van 27 Augustus hoe langer hoe later worden waargenomen naarmate men een punt beschouwt, dat verder van het middelpunt ligt. De vorm van de kust zal verder een belangrijken invloed hebben op de hoogte van dien vloed en waar de golf geen weerstand vindt in den Oceaan zal zij zich vrij wat sneller voortplanten dan in eene nauwe straat.

Het "gebied des doods", strekt zich in hoofdzaak uit tot de alluviaalstreek der kusten van Sumatra en Java, die op Straat Soenda uitzien. Die kustlanden zijn ten gevolge van die zeebeving, bezocht geworden door een vloed, die langs den Sumatra-wal 22 tot 24 meter steeg boven den gewonen zeestand. Langs het arme Bantam verhief zich de vloed 30 tot 36 meter.

Het water overstroomde de kust tot het stuitte tegen het gebergte. De alluviaalstreek vóór het gebergte heeft eene breedte van een tot tien kilometer. Dáár kunnen wij de ergste gevolgen van de uitbarsting verwachten.

Beschouwt men eene golfbeweging als eene slingering van het water in een vertikaal vlak, dan zal, als de top van de vloedgolf 35 meter boven den gewonen zeestand ligt, het dal van de golf 35 meter lager liggen dan die zeestand. Met andere woorden: op een vloed van 35 meter volgt onmiddellijk een ebbestand der zee van 35 meter beneden het gewone zeepeil.

De waarnemingen van den hoogsten vloed langs de kust waren gemakkelijk genoeg, daar het water voldoende sporen van zijne afwezigheid heeft achtergelaten. De laagste zeestand daarentegen kon natuurlijk in het gebied des doods niet waargenomen worden, daar hij gevolgd is op den zondvloed.

Op verschillende plaatsen echter heeft men bij de kleinere golven van 26 Augustus en bij de golf van 27 Augustus des morgens te half zeven, werkelijk een zeer lagen zeestand waargenomen ook in Straat Soenda. Men zag toen in zee klippen boven het water uitsteken, die nooit te voren bloot geweest waren, die tot nog toe bij de laagste bekende ebbe altijd blinde klippen bleven. Buiten Straat Soenda zijn die lage ebben nog beter waargenomen.

Te Batavia kon men met de hand visschen vangen in de leeggeloopen rivier, terwijl alle vaartuigen op het droge lagen, en te Benkoelen werden schildpadden, visschen en twee zeekalven door de inlanders buit gemaakt, toen die lage ebbe intrad.

Maar het zekerste bewijs voor mijne stelling: dat op den hoogen vloed eene nagenoeg even lage ebbe is gevolgd, geeft ons de zelfregistreerende peilschaal te Tandjong Priok, die de zeestanden gedurende die dagen automatisch heeft opgeteekend.

Is dus de beweging der zee eene slingerende (oscilleerende) geweest, dan volgde bijv. te Anjer op den ontzettenden vloed, die 35 meter hoog opliep, onmiddellijk een zeestand, 35 meter lager dan gewoonlijk. Er was dus op een zeker oogenblik een niveauverschil van bijna 70 meter tusschen het water dat Anjer overstroomd had en de lage zee op de reede! Gelijk een ontzettende waterval stroomde, of liever stortte dit water onder de werking der zwaartekracht naar zee terug, met eene ongekende snelheid, en bij gevolg met eene levende kracht, die zoo aanzienlijk was, dat men geen spoor van fundeeringen van huizen meer aantreft, en dat geheele stukken van de kust naar zee zijn medegesleept. Het spreekt van zelf, dat een dergelijke waterstroom ook alle boomen en menschen naar zee sleepte. De schepen, die in de volgende dagen door Straat Soenda voeren, zagen tal van lijken op zee drijven. Zoo rapporteerde de gezagvoerder van de mailboot "Batavia," dat hij den 3den September voorbij Vlakke Hoek varende, op eenige uren van de kust, tal van menschelijke lichamen zag drijven, die hij voor Chineezen aanzag, daar ze kale hoofden en staarten hadden.

Gedurende de dagen volgende op de uitbarsting vierden de krokodillen of "kaailui" zooals ze in Indië genoemd worden, die men in grooten getale aan de monden der Bantamsche rivieren aantreft, feest. Zij gingen te gast op de duizenden lijken, die de zee had medegesleept.

Niet alleen de haaien, maar ook de andere zeevisschen hadden gedurende dien tijd een koningsmaaltijd.

Te Serang kocht eene huisvrouw een kakap, een der smakelijkste Indische zeevisschen. Toen het dier geopend werd vond men in de maag twee menschenvingers, die nog van nagels voorzien waren. De visch, die ter markt kwam te Serang, was dan ook "moddervet" en werd gretig gekocht door de Chineezen ten einde ze te drogen.



Op de plaatsen, waar het gebergte bijvoorbeeld meer dan twee uren gaans van de kust verwijderd was, werd over die breedte alles overstroomd en vernield. Maar het naar zee terugkeerende water had minder verhang en dus minder snelheid. Het voerde dus niet alles mede, maar liet, behalve kolossale koraalblokken, die uit zee medegebracht waren, bovendien, evenals op een slagveld, de dooden liggen. Langs de Bantamsche kust lagen aldus op vele plaatsen lijken van paarden, buffels, stijlen en daken van huizen, door elkaar gewoeld tot onontwarbare kluwens met honderden ontwortelde boomen en menschenlijken. Dit alles kleefde vast in stinkende poelen, groote plassen, die de lage gedeelten van de terreinen in moerassen veranderden, met vuil, stilstaand water, gevuld. Maar het afschuwelijkste van alles was de vaalbruine, samenhangende modder, die, uit den slijkregen afkomstig, alles bedekte, voor zoover het ten minste niet onder eene vuilwitte aschlaag bedolven was, gelijkende op de sneeuw, die in eene Hollandsche stad de straten bedekt, als het eenigen tijd gedooid heeft.



Die asch en modder zijn natuurlijk niet alleen gevallen op het gebied, dat door de zee is overstroomd. Ook het binnenland tot op de hoogste bergen is met asch of modder bedekt. De vernietiging van den plantengroei is echter niet in evenredigheid met de dikte van de aschlaag. Waar slechts asch gevallen is, zijn de boomen niet allen omgevallen, en de rijstplantjes leven soms nog onder de poreuze laag. Maar waar de modder- of slijkregen, die zooveel zwaarder is, gewoed heeft, zijn de boomen geknakt en omgevallen. Daar is de oogst verloren, want de rijstplanten op de sawah's zijn dood en de koffieboomen op de hellingen der bergen hebben bloemen, bladeren en vruchten verloren.

De overvloedige regen, die in de dagen viel volgende op de uitbarsting, is gedrongen door de aschlaag, en al de planten, die niet verplet zijn door het gewicht van de modder, herleven. Weldra herwon de groene kleur de oude rechten, die zij in de tropen heeft.

In Bantam werden de lijken zooveel mogelijk begraven en men desinfecteerde met karbolzuur de stinkende, rottende poelen, terwijl overblijfselen van huizen en boomen met petroleum werden begoten en daarna in brand gestoken. Dit alles was zeer urgent, want men kon zich anders voorbereid houden op de eene of andere epidemie, ten gevolge van de rotting van zooveel organische zelfstandigheden van menschen, dieren en planten afkomstig. De energie, die in die dagen door de ambtenaren van het binnenlandsch bestuur is ontwikkeld, verdient onze bewondering.

Het was vooral noodig, dat er snel gehandeld werd. De resident van Bantam rapporteerde den 7den September, dus slechts 11 dagen na de ramp, dat er in de afdeeling Tjaringin reeds 4500 lijken begraven waren, en in de afdeeling Anjer 1517. Door deze getallen kan men zich een denkbeeld maken van de alles behalve benijdenswaardige taak, die op de ambtenaren van het binnenlandsch bestuur rustte. Zij hadden echter de voldoening, dat er geen epidemie uitbrak, en dat er spoedig geen onbegraven lijken werden gevonden op de Bantamsche kust.



Slechts weinig menschen sneuvelden ten gevolge van heete asch of werden bedolven onder puimsteen. De zeebeving is de groote vernieler geweest. Niet minder dan honderd vijf en zestig bloeiende dorpen of kampongs werden geheel vernietigd, terwijl bovendien honderd twee en dertig kampongs voor een deel verwoest werden. Zeven en dertig Europeanen vonden den dood door de zeebeving, terwijl er volgens de opgaven der hoofden niet minder dan 36380 inlanders, Chineezen en vreemde Oosterlingen omkwamen.

Daar er noch op Java noch op Sumatra een burgerlijke stand bestaat voor de laatste categorieën van personen, is op de absolute juistheid van dit cijfer geen staat te maken. Het is zeker wel wat te laag. We zijn wellicht niet ver van de waarheid, als wij het aantal der slachtoffers door de ramp van Krakatau stellen op 40,000.



Er waren tijdens de uitbarsting, behalve de "Loudon", nog negen schepen in Straat Soenda. Geen dezer schepen heeft eenige schade geleden door de golven, die zooveel onheil aanrichtten op de kust. Dit wekt wellicht bevreemding op. Maar het is zeer natuurlijk, als men er aan denkt, dat bij elke golfbeweging in de volle zee de waterdeeltjes slechts vertikaal heen en weer gaan, terwijl er geen beweging van water in horizontalen zin plaats vindt. Die vertikale waterbeweging plant zich voort door de geheele watermassa, evenals de loopende geluidsgolven zich door de lucht voortplanten, zonder dat de lucht zelf zich verplaatst. De golven gaan dus voort over het watervlak, maar het water blijft, waar het is. Een schip, dat in zulk eene golfbeweging is, gaat alleen op en neer, zonder daarom met groote vaart in horizontalen zin meegenomen te worden. Men ziet evenzoo, op een heuvel staande, soms den wind spelen door een veld korenaren. Duidelijk ziet men, dat er zich golven voortbewegen door het korenveld, maar de korenaren zelf gaan niet van hunne plaats. Daarom liepen de schepen in Straat Soenda weinig gevaar, al waren de golven ook nog zoo hoog, als het water maar diep genoeg was. Zij rezen op den top van de golven; de golven gingen door, maar lieten het schip achter, dat weldra in het golfdal was. Als nu maar dat golfdal niet zoo diep was, dat het schip stootte, dan was er alle kans, dat het de golven doorstond.

De beweging wordt echter geheel anders, wanneer de golven op zeer ondiep water of tegen de kust komen. Dan krijgen de waterdeeltjes eene aanzienlijke snelheid ook in horizontalen zin, dan overstroomen door de werking der zwaartekracht de lage stranden, dan gaat ook het vaartuig met de golf mede, zooals te Telok Betong gebeurd is met de "Barouw", die eenige kilometers van zee, binnen in het land is teruggevonden.



Ook buiten Straat Soenda heeft de golfbeweging, die van Krakatau uitging, belangrijke schade aangericht. In het gedeelte van de Javazee, dat aan Straat Soenda grenst, steeg de vloed 2 meter. Hier werd in Bantam de haven Karang Antoe en vele strandkampongs in het district Tanara overstroomd.

In de residentie Batavia werd de kust van Tangerang ongeveer 3 meter onder water gezet. De kustzoom, die overstroomd werd, was wel is waar smal, zij bedroeg slechts 1-1/2 kilometer; maar er verdronken toch nog ongeveer 1800 inlanders en meer dan 500 Chineezen, terwijl het dorp Kramat verwoest werd.—Wat er in de omstreken van Batavia gebeurde, weten wij reeds.—De Duizend eilanden stonden twee meter onder water. Aan de kust van Krawang werden een paar kampongs overstroomd; hier is echter de grens van de verwoesting door de golven aangericht. Want in het gedeelte der Javazee, dat Oostelijk ligt van den Hoek van Krawang, zijn wel verheffingen en dalingen van den zeespiegel waargenomen, maar deze waren te gering om schade aan te richten. Op de peilschalen te Soerabaja en in de Straat van Madoera zijn de storingen nog duidelijk afgelezen, maar zij zijn zeer gering.

Langs de Zuidkust van Java heeft de golf niet veel schade gedaan. Te Tjilatjap steeg de vloed 2 meter. Zestien inlandsche vaartuigen werden van hunne ankers geslagen. De Zuidkust van Java is over 't algemeen steil, er is geen strand en het gebergte rijst er als 't ware uit zee op. De golf kon hier dus weinig schade aanrichten.

Aan den ingang van Straat Soenda op Java's Eerste punt staat de vuurtoren, die tengevolge der bekende aardbeving op 1 September 1880 middendoor knapte. Tijdens de uitbarsting zijn geene aardbevingen waargenomen, en daar de vuurtoren op een hooge rots is gebouwd, is hij niet door de wateren bereikt. De dorpen in den omtrek zijn wel is waar verwoest, maar de bewoners waren grootendeels op de rots gevlucht, waar de vuurtoren staat, zoodat er slechts een twaalftal omkwamen.

Tusschen Java's Tweede en Derde punt ligt de Welkomstbaai. Het water is hier zóó hoog gestegen, dat het zijn weg genomen heeft dwars over de kust naar den Indischen Oceaan. Gedurende dien tijd was dus Java's Eerste punt met den berg Pajoeng een eiland.

Het Prinseneiland, dat aan den ingang van Straat Soenda ligt, werd voor een gedeelte overstroomd. Het water steeg hier 15 meter en sleepte 56 personen in zee. De verwoesting, die hier plaats greep, is vrij wat minder dan die op de eilanden dicht bij Krakatau gelegen. Zoo steeg de zee 30 meter bij het eiland Sebesie, gelegen tusschen Krakatau en den Sumatra wal.

Men zal nooit te weten komen wat het lot der inwoners van Sebesie geweest is. Want van de drie duizend zielen, die de bevolking telde, is geen mensch gered. Evenmin als van de honderd vijftig inwoners van het eilandje Klein-Soeboekoe. Vermoedelijk heeft de vloed hen allen weggespoeld.



Langs de Westkust van Sumatra heeft men de vloedgolven nog tot Ajer Bangies waargenomen; zoo ook op het eiland Biliton.



Op de eilanden Ceylon en Mauritius zijn belangrijke storingen in den zeestand waargenomen, die aan de golven van Krakatau worden toegeschreven.



De uiterste grens van voortplanting der golven naar het Zuiden en Oosten is de Westkust van Australië, maar naar het Westen overschreden zij Kaap Hoorn. Kleine afwijkingen in ebbe en vloed, waargenomen in het Engelsche Kanaal, zijn waarschijnlijk de laatste stuiptrekkingen van deze Krakataugolven geweest.

De storingen, die in die dagen in de getijen zijn waargenomen op verschillende andere plaatsen, te Colon, aan de landengte van Panama, te San Francisco in Californië en op Nieuw Zeeland, werden door velen ook aan de Krakataugolven toegeschreven. Een nauwkeurig onderzoek heeft echter aangetoond, dat zij onmogelijk hiermede in verband kunnen staan.



De snelheid van voortplanting eener golfbeweging in zee is in hoofdzaak afhankelijk van de diepte der zee. Hoe ondieper de zee, des te minder snel is de voortplanting der golven. Er bestaat zulk een eenvoudig verband tusschen zeediepte en snelheid der golfbeweging, dat men met eenige benadering de eene uit de andere kan afleiden. Kent men de achtereenvolgende tijdstippen, waarop de storing der getijen tengevolge van de uitbarsting heeft plaats gehad en den afstand, waarop die plaatsen van Krakatau verwijderd zijn, dan kan men daaruit de gemiddelde diepte der zee berekenen. Op vele plaatsen was die zeediepte bekend en men had dan een goed middel tot contrôle van de gebruikte formules. Maar daar, waar de zeediepte niet bekend is, kon men met die formules de zeediepte berekenen.

Toevallig was er juist op den dag der uitbarsting door eene Duitsche Zuidpool-expeditie eene zelfregistreerende peilschaal opgesteld op het eiland Zuid-Georgië te Moltkehafen. De storingen tengevolge van Krakatau zijn hier met groote juistheid opgeteekend, terwijl de tijden ook nauwkeurig zijn aangegeven. De heer Verbeek berekende uit deze waarnemingen, dat de zee tusschen Krakatau en Zuid-Georgië gemiddeld niet minder dan 6340 meter diep moet zijn. In verband met eenige weinige dieptebepalingen in die streken, door de "Gazelle" in 1875 verricht, trekt hij het besluit dat er ten Zuid-Zuid-Oosten van Java een lang gestrekt diep bekken ligt tusschen Australië aan de eene zijde en de eilanden Amsterdam, St. Paul en Kerguelen aan de andere.

Het is zeker niet het minst merkwaardige gevolg van de uitbarsting, dat zij ons uitsluitsel heeft gegeven over de diepte van den Indischen Oceaan!


HOOFDSTUK VIII.

Het gebied der uitgeworpen stoffen.

Wat is erger: modder-, asch- of puimsteenregen?—Gloeiende aschregen te Katimbang.—Puimsteenbergen op Krakatau.—Hoe zijn Steers- en Calmeijer-eiland ontstaan?—Het vulkanische rif, dat rookwolken uitstootte, van de "Loudon" gezien.—De hoeveelheid der uitgeworpen stoffen.—Vergelijking met vroegere erupties.—Skaptar Jökull (1783) en Tambora (1815).—In welk opzicht Krakatau de meerdere is.—De doorgesneden piek Rakata.—De oppervlakte van den aschregen, vergeleken met Nederland etc.—Nog eens Krakatau te 's Gravenhage.—Een vloed van 34 M. + A.P. aan de Noordzee.—18 kubieke kilometer stof over Zuid-Holland uitgestort.—Dezelfde hoeveelheid over Nederland uitgespreid.—Het verdwenen stuk van Krakatau vergeleken met den Haag en met de "Maliebaan."

Modder, asch en puimsteen,—ziedaar het driemanschap van vaste stoffen, dat de vulkaan van Krakatau uitbraakte. Uit persoonlijke ondervinding kan ik verklaren, dat een hagelbui van puimsteen of een hevige aschregen betrekkelijk aangenaam is in vergelijking van het afgrijselijke van de modderdouches, die de uitbarsting van Krakatau vergezelden. Dit is echter alleen waar voor zoo ver de asch niet gloeiend is en de puimsteenstukken niet grooter zijn dan eieren.

Wij zagen immers, dat de rampzalige bewoners van Katimbang de kille modderregen eene verademing vonden, nadat zij gebombardeerd waren geworden met puimsteenblokken zoo groot als een vuist, en nadat zij vol brandwonden waren door de heete asch.

Wel mogen wij dankbaar zijn, dat aan de "Loudon" die bezoeking is bespaard gebleven!

Het materiaal, dat de berg uitgeworpen heeft, ligt natuurlijk voor het grootste gedeelte dicht bij den vulkaan. Zoo vond Verbeek op het overgebleven stompje van Krakatau eruptie-producten, die hij "grof puimsteenmateriaal" noemt. Dit materiaal was werkelijk zeer grof, want de stukken bereikten eene grootte van een kubieke meter, en van de hoeveelheid kan men zich een denkbeeld maken, als men weet, dat de dikte der uitgeworpen stoffen op Krakatau zelf 30 tot 60 meter bedroeg.

In de nabijheid van Krakatau is de zee tusschen Krakatau en Sebesie, die voor de uitbarsting 36 meter diep was, geheel opgevuld door eene groote bank van zand, asch en puimsteenbrokken, waarvan Steers en Calmeijer-eiland de boven zee uitstekende punten zijn.

Hoe die eilanden ontstaan zijn is niet met zekerheid te zeggen. Men zou zich kunnen voorstellen, dat een gedeelte van den vulkaan in de lucht geschoten is, en hier neergevallen. Professor Judd, de geoloog van de Engelsche Krakatau-commissie, noemt dit zeer onwaarschijnlijk. Hij gelooft, dat er zich in de Noordelijke flank van het eiland Krakatau twee of meer zoogenaamde parasitische vulkaankegels gevormd hebben, en dat die in afmetingen zijn toegenomen, tot zij boven de zee uitstaken. Hij beroept zich daarbij op hetgeen wij van de "Loudon" gezien hebben, toen wij na de uitbarsting langs Krakatau voeren. Wij meenden immers te zien, dat zich tusschen Krakatau en Sebesie een rif gevormd had, en dat verschillende kraters op dat rif kolommen van rook opwaarts zonden. Dit was juist de plek, die men later Steers- en Calmeijer eiland noemde. De vulkanische werking, die op de "Loudon" werd waargenomen op dien plek buiten Krakatau gelegen, is sterk in twijfel getrokken; de heer Emile Metzger te Stuttgart noemde de beschrijving, die ik van de vulkanische werking gaf,[1] "uit den aard der zaak onjuist."

Neemt men de verklaring van Prof. Judd van het ontstaan der eilanden aan, dan is er zeker niets vreemds in, dat op die plek rookkolommen opstegen. Als men echter vasthoudt aan het denkbeeld, dat de beide eilanden Steers-en Calmeijer door den vulkaan Rakata zelf zijn uitgespuwd, dan is de door ons waargenomen vulkanische werking, na het ontstaan van die eilanden, op eenvoudige wijze te verklaren. De vulkaan heeft dan eenige kilometers vaste stof op dezelfde plaats in zeer korten tijd uitgebraakt, binnen de groote stukken, die zij uitwierp, was zeker stoom besloten. In elk geval kunnen zeer goed, nadat die eilanden in zee gedeponeerd zijn geworden, uit die materialen zoogenaamde secundaire eruptiekegels ontstaan zijn, die rookkolommen uitzonden, zooals men dat zoo menigmaal op lavastroomen ziet.

Het zij mij vergund ten slotte op te merken, dat het niet aangaat onze waarneming als onjuist te verwerpen, omdat zij niet strookt met "de theorie." Ik ben gelukkig niet de eenige, die op de "Loudon" rookkolommen heb zien opstijgen op Steers- en Calmeijer-eiland. Kapitein Lindeman vermeldt hetzelfde feit in zijn rapport aan de Stoomvaartmaatschappij.



In de veronderstelling, dat er nergens opheffingen van den zeebodem ontstaan zijn, is de vermindering van diepte en het ontstaan der eilanden Steers en Calmeijer alleen te wijten aan eruptie-producten.

Uit de hydrographische opname van Straat Soenda na de uitbarsting, uit de opgemeten verspreiding der puimsteen en aschlagen op de eilanden, is dan te berekenen hoeveel materiaal er uitgeworpen is in de onmiddellijke nabijheid van den vulkaan, waar het grove puimsteenmateriaal neergevallen is. Ongelukkig mist men eene juiste kennis van den vorm en de plaats der eilanden vóór de uitbarsting en ook was de kennis der diepte van Straat Soenda vóór de uitbarsting vrij onvolledig. Dit maakt, dat de berekening der uitgeworpen stoffen slechts bij benadering juist is.

Volgens de berekening van den heer Verbeek ligt eene hoeveelheid van 12 kubieke kilometer vaste stoffen binnen een cirkel, die met een straal van 15 kilometer om Krakatau is getrokken. Daar buiten zou volgens dezelfde berekening nog 8 kubieke kilometer liggen, zoodat de totale hoeveelheid uitgeworpen stoffen 18 kubieke kilometer zou bedragen, dat is achttien duizend millioen kubieke meter.

Het is mogelijk, dat de hoeveelheid uitgeworpen stoffen veel grooter is dan deze berekening aangeeft. De bekende wetenschappelijke nauwgezetheid van den heer Verbeek is ons daarentegen borg dat zij zeker niet kleiner is. We hebben dus alle recht om te zeggen: de uitbarsting van Krakatau heeft minstens 18 kubieke kilometer vaste stof verplaatst, of wel een gewicht van 36 billioen kilogrammen. Op het eerste oogenblik komt ons die hoeveelheid zóó groot voor, dat wij zouden gelooven, dat ook met het oog op de quantiteit, die uitgebraakt is, de uitbarsting van Krakatau, haar gelijke niet heeft onder de bekende erupties.

Toch zijn er in de laatste honderd jaren minstens twee uitbarstingen geweest, waarbij die hoeveelheid ver is overtroffen. De uitbarsting van Skaptar Jökull op IJsland in 1713, verplaatste eene hoeveelheid van niet minder dan 600 kubieke kilometer vaste stoffen, dat wil zeggen eene massa even groot als zesmaal de Mont-Blanc. In de 19de eeuw kunnen wij wijzen op de groote uitbarsting van den Tambora op het eiland Soembawa in 1815. Volgens eene berekening van Junghuhn werd toen 300 kubieke kilometer uitgeworpen; dit is wel is waar slechts de helft van de geschatte hoeveelheid, die de IJslandsche vulkaan uitbraakte, maar het is toch nog de inhoud van drie bergreuzen van het kaliber van den Mont-Blanc. De heer Verbeek, die de berekening nog eens verrichtte, vond echter 150 kubieke kilometer. Dit kan zeker nog wel te hoog zijn, maar er blijkt toch uit, dat ook bij die uitbarsting de hoeveelheid uitgeworpen stof veel grooter was dan bij Krakatau. In onze koloniën is de uitbarsting van den Tambora zeker de meest grootsche die wij kennen. De duisternis duurde toen op Madoera, 510 kilometer van den vulkaan, nog drie volle dagen; zij strekte zich uit tot Solo en Djokja. Een regen van gloeiende steenen doodde de bewoners van Soembawa, 12000 in getal; op het eiland Lombok, dat anderhalve graad of 160 kilometer van den Tambora ligt, kwamen 44000 menschen om. De geheele Indische Archipel schudde op zijne grondvesten; Borneo, Celebes, de Molukken, Sumatra tot Benkoelen toe, Java, de kleine Soenda-eilanden tot Nieuw Guinea toe, trilden door aardbevingen. Te Amboina scheurde de aarde vaneen. Een wervelwind hief boomen, huizen, menschen en vee op, en deed ze als stroohalmen in den dampkring ronddraaien. Na vier jaren was de geheele streek nog een tooneel van woeste eenzaamheid, en men zag toen nog op het eiland Bima wrakken van schepen zitten, die er door een vloed, die 4 meter boven den hoogsten zeestand gerezen was, waren neergezet.



Bij de uitbarsting van Krakatau ontstond ook eene dichte aschwolk, die de zon verduisterde. De duisternis duurde echter, zooals wij zagen, minder dan één etmaal, terwijl het gebied van de duisternis zich in hoofdzaak bepaalde tot de kusten van Straat Soenda. Daarbuiten strekte zij zich niet ver uit en duurde slechts een paar uur.

In één opzicht slechts heeft de uitbarsting van Krakatau haar gelijke niet: nimmer was de menschheid getuige van explosies zoo hevig, als die van 27 Augustus te 10 uur. De oorzaak van het geweldige karakter, dat de uitbarsting toen aannam, ligt in de ligging van den vulkaan op een klein eiland, en de gemakkelijkheid, waarmede groote hoeveelheden zeewater hun weg vonden naar den vulkanischen haard.

Staan wij nog een oogenblik stil bij de instorting van het eiland. De schoonste plaat in Verbeek's Krakatau-album is ongetwijfeld het aanzicht van de vertikaal doormidden gesneden piek Rakata. Is het niet voor een geoloog om te watertanden, als de natuur plotseling eene ideale, vertikale doorsnede van een vulkaan te aanschouwen geeft? De bouw van den vulkaan blijkt uit die doorsnede even duidelijk, als de constructie van een bouwwerk uit de doorsneden, die bij geene bouwkundige teekening ontbreken. En als men denkt, dat waar nu de blauwe zee meer dan 300 M. diep is, eens de andere helft van den berg en het overige Krakatau was, zoodat op de plaats waar nu de schepen varen, eene verdieping van 1100 meter is ontstaan, dan wordt men overweldigd door een gevoel van innigen eerbied en bewondering voor zulke natuurverschijnselen als de uitbarsting van Krakatau!

Wegens de onvoldoende verlichting mislukte de voorgenomen photographie van den steilen wand van piek Rakata, tijdens de opname van de verwoeste streken in October 1883. Later echter, in 1886, slaagde de heer Verbeek er in eene uitstekend geslaagde photographische opname van de piek te verkrijgen. Op deze photographie is ook de krater duidelijk te zien. Terwijl in 1883 de wand eene hoogte had van 832 meter, was ten gevolge van het afstorten van los materiaal de hoogte in 1886 zestien meter verminderd.



De oppervlakte van het gebied van den aschregen wordt door den heer Verbeek geschat op 827.000 vierkante kilometer, dat is 23 maal de oppervlakte van Nederland, of de uitgestrektheid van Nederland, België, Duitschland en Denemarken te zamen. Bij het bespreken van de schemeringsverschijnselen in hoofdstuk X zullen wij zien, dat het gebied, waar asch gevallen is, waarschijnlijk nog veel grooter is.



Wanneer men verneemt, dat de berg 18 K.M3. uitgeworpen heeft, dat de zee 34 meter rees, en dat van Krakatau 23 K.M3. weggezonken is, dan vrees ik, dat die getallen als zoodanig, droog en dor als ze zijn, niet veel indruk zullen maken.

Evenals wij gedaan hebben met het gebied van het geluid en dat van den aschregen, kunnen wij echter ook deze cijfers overbrengen op meer bekend terrein.



Wij verplaatsen dus weder in onze gedachten Krakatau naar 's Gravenhage, en wij begeven ons naar het strand der Noordzee. Plotseling rijst de vloed zes en dertig meter boven Amsterdamsch peil, tengevolge van de uitbarsting, die in den Haag plaats vindt.

Door niets gestuit verzwelgen de wateren het grootste gedeelte van Nederland, Noord- en Zuid-Holland, Utrecht, Groningen, Friesland en Zeeland worden geheel overstroomd; op de meeste plaatsen is de zee tientallen van meters diep, zoodat er van de inwoners dier provinciën waarschijnlijk geen mensch meer in leven is.

Een enkel hoog duin langs het Noordzeestrand verheft nog zijn kruin boven de golven, als het ten minste niet weggeslagen is door de vloedgolf, wat in de hoogste mate waarschijnlijk is. In de overige provinciën van Nederland is de schade alles behalve gering. Het vier vijfde gedeelte van Noord-Brabant is ondergedompeld, tegelijk met de helft van Overijsel en een groot gedeelte van Gelderland. Het is zeker korter om te zeggen dat geheel Nederland overstroomd is, behalve drievierde van Drente, half Overijsel, een vijfde van Noord-Brabant, de Veluwe, het deel van Gelderland oostwaarts van Nijmegen, en geheel Limburg.



Na den vloed in Straat Soenda liep het water onmiddellijk weder naar zee terug. In Nederland is de ramp van meer ingrijpenden aard. De zeestand daalt zeer snel. De bovenlaag van het water stort zich met eene snelheid van eenige tientallen meters in de seconde, als een waterval bruisend, naar zee en voert alles mede, wat hoog uitstak boven het landschap. Maar Nederland blijft diep ondergedompeld onder de baren. Het water verlaat het polderland niet meer, het bedekt onze vruchtbare provinciën voor goed. De zeedijken, duinen en bandijken langs de rivieren, dienen nu als waterkeering in tegengestelden zin als vroeger; zij verhinderen het water naar zee te stroomen. Maar daar vergeet ik, dat het naar zee terugkeerende water geheel Nederland kaal geschoren heeft, zooals de kusten van Straat Soenda. Er zijn dus geen dijken of duinen meer, en het water kan wel degelijk dalen tot op het niveau der zee. Het polderland blijft echter toch onder water. Nederland is weer zee geworden en het is niet waarschijnlijk, dat de Limburgers en Drentenaars, die met de helft der Overijselaars en Gelderschen de overgebleven bevolking in Nederland uitmaken, kapitaal en moed genoeg hebben om het ooit weer uit het water op te pikken. Men herinnere zich slechts, dat eene soortgelijke onderneming op veel kleiner schaal, de droogmaking der Zuiderzee, de hartewensch van alle ingenieurs, niet tot stand kon komen, toen Nederland nog in zijn geheel bestond. Toen gold het slechts de drooglegging van ééne kleine provincie, terwijl na de uitbarsting van den Haag-Krakatau bijna geheel Nederland in hetzelfde geval verkeert, en er niet veel Nederlanders over zijn.

Gelukkig behoeft eene eruptie niet altijd gepaard te gaan met een vloed van 34 meter. Het is dus mogelijk, dat Nederland voor overstrooming is bewaard gebleven. De vulkaan in den Haag heeft echter evenals Krakatau, 18 kubieke kilometer vaste stof uitgeworpen. Wanneer die hoeveelheid alleen gevallen is in de provincie Zuid-Holland, die eene oppervlakte bezit van 3000 vierkante kilometer, dan is geheel Zuid-Holland bedolven onder eene laag, die 6 meter dik is, dat is juist de dikte van de laag uitwerpselen, die Pompeji in '79 voor Christus bedolven heeft. Is echter die hoeveelheid over geheel Nederland verspreid, dat 32,600 vierkante kilometer groot is, dan is ons geheele vaderland bedekt met eene vulkanische laag van O,55 meter.



Van het eiland Krakatau verdween eene oppervlakte van 23 vierkante kilometer in de golven van Straat Soenda. De oppervlakte van den Haag is 460 hectare; dus is 23 vierkante kilometer eene oppervlakte van ongeveer vijfmaal de oppervlakte der stad.

De ingenieur van den waterstaat H.G. Beijerman, aan wien ik deze cijfers verschuldigd ben, gaf mij nog een punt van vergelijking aan de hand, dat ik niet kan nalaten mede te deelen. Het Haagsche Malieveld—zoo populair in Nederland door het lied "we zijn gegaan" enz.—is lang 550 meter en breed 200 meter, dat is 9 hectare oppervlakte. Het in zee weggezonken stuk land, 23 vierkante kilometer oppervlakte, heeft dus eene uitgestrektheid van niet minder dan 255 maal de oppervlakte van de "Maliebaan".



De rampen, die de uitbarsting van Krakatau in werkelijkheid heeft aangericht, zijn veel minder erg dan men uit deze vergelijking met Nederland zou afleiden. Dit ligt aan verschillende toevallige omstandigheden. Vooreerst is het grootste gedeelte van de uitgeworpen stoffen neergevallen in zee, waar zij oneindig minder schade hebben aangericht dan het geval zou geweest zijn, als zij geheel en al op het land waren uitgestort.

Vervolgens zagen wij, dat de hooge vloed nagenoeg geheel Nederland zou te gronde gericht hebben. Ware Sumatra of Java in Straat Soenda een vlak land geweest, dan zou de ramp groote overeenkomst hebben gehad met onze gefingeerde overstrooming in Nederland. De afmetingen van de overstrooming in Straat Soenda zijn gelukkig veel geringer, omdat het gebergte tot dicht bij zee doorloopt. Ware dit niet het geval, dan zou men de slachtoffers bij honderdduizenden geteld hebben, zooals nu bij tienduizenden.


HOOFDSTUK IX.

Gelijktijdige vulkanische gebeurtenissen op aarde.

De Merapi op Sumatra en de Merapi op Java.—Goenoeng Api op Sangi.—Zeebeving in de Molukken.—Aardschuiving op Klein-Banda.—Aardbeving in Australië.—Het vulkanisme in Alaska.—Ontstaan van twee nieuwe eilanden.—Uitbarstingen op Bogosloff en Augustin.—Aardbevingen in Azië en Afrika.—Vulkanische werking bij Krakatau's tegenvoeters.—De Kaaimaneilanden.—St. Domingo.—De golfbeweging te Colon.—De groote aardbeving op het eiland Ischia, 28 Juli 1883.—Andere aardbevingen in Europa.

Toen de wereld zich eenmaal overtuigd had, dat de uitbarsting van Krakatau de meest hevige was, die ooit geweest is, was het verleidelijk om alle vulkanische gebeurtenissen, die in het jaar 1883 op de aarde plaats grepen, aan ééne oorzaak toe te schrijven.

Wij zullen eerst nagaan, aan de hand van den heer Verbeek, welke vulkanische verschijnselen er in Indië tijdens die veel bewogen dagen van 1883 zijn opgemerkt.

Den 13den April 1883 begon de Lamongan op Java asch uit te werpen.

Den 20sten Mei begon de eerste uitbarsting van Krakatau.

Den 5den Juni begon de Merapi op Sumatra asch uit te werpen.

Den 25sten Juli ontstond in den ouden krater van den Merapi op Java een vulkanische kegel, die, in den loop van 1883, tot 132 meter hoogte aangroeide.

In den nacht van 25 op 26 Augustus had eene belangrijke uitbarsting plaats van den Goenoeng Api of Vuurberg op het eiland Sangi in de residentie Menado gelegen, gepaard met doffe rommelingen.

Mag ik even in herinnering brengen, dat de groote uitbarsting op Krakatau den 26sten Augustus een aanvang nam?

Tegelijkertijd met Krakatau begon de Merapi op Sumatra den 27sten Augustus asch uit te werpen.

In den geheelen Molukschen archipel werden den 26sten en 27sten Augustus zeebevingen waargenomen; het gebied van deze zeebeving strekte zich uit van den Talaut-archipel als het Noordelijkste punt tot Timor, als het Zuidelijkste, en in de richting West-Oost van Saleyer tot Banda en Ceram; de heer Verbeek vermoedt, dat hier eene onderzeesche eruptie in de Bandazee heeft plaats gegrepen.

Te Amboina en op Ceram gevoelde men den 27sten Augustus eene aardbeving.

Op het eiland Klein-Banda verdween denzelfden dag een stuk grond, dat meer dan een bouw of 7100 M2. groot was en eenige meters boven zee uitstak, gelegen aan den voet van den berg Goenoeng Api, een naamgenoot van den berg op het eiland Sangi.

Verlaten wij nu Nederlandsch Indië, dan is het opvallend, dat in het Oosten van Australië dadelijk na de uitbarsting van Krakatau op tal van plaatsen aardbevingen zijn waargenomen.

De aardbevingen begonnen den 28sten Augustus op Tasmania (van Diemensland) en den 29sten Augustus te Brisbane, Rockhampton en Gladstone in Queensland, te Kiana in Nieuw-Zuid-Wales en te Patea op Nieuw-Zeeland. Op al deze plaatsen werden tevens zeebevingen of abnormale vloedgolven waargenomen, die onmogelijk aan de Krakataugolven zijn toe te schrijven.

De heer Verbeek trekt uit deze aardbevingen het besluit, dat de vulkanische haard beneden Krakatau op de eene of andere wijze samenhangt met het onderaardsche Australië. De vermindering in spanning in den eersten na de ontzettende eruptie zou dan aanleiding gegeven hebben tot de Australische aardbevingen.

Nog zijn wij niet ten einde, als wij de vulkanische gebeurtenissen op onze aarde willen opnoemen. Zeer merkwaardig is hetgeen er gebeurde in Alaska, nabij de Beringstraat gelegen.

Daar was in 1795 het eiland Bogosloff uit zee verrezen, tusschen de Aleutische eilanden. Dit eiland begon in Juli 1883 te werken; in September ontdekte men op eens, dat er nabij dit honderdjarige eiland een nieuw eiland was ontstaan, dat zich in den vorm van een kegel ongeveer 200 meter hoog verhief.

Maar nog andere wonderen gebeurden in dat afgelegen hoekje der aarde.

De berg Augustin of Chernaboura begon in Augustus te werken. Den 6den October trof dien berg hetzelfde lot als de piek Rakata. Hij spleet in tweeën van top tot basis, en de eene helft verdween tot op het niveau der zee. Golven 10 meter hoog kwamen weldra te Port-Graham aanzetten. Ook ontdekte men ten Noordwesten van den berg Augustin een nieuw eiland, dat 20 M. hoog was.



Op het vasteland van Azië werden in 1883 eenige aardbevingen waargenomen. Aan het meer Baikal in Siberië werden in September en October 9 aardbevingen opgeteekend; in October werden in Klein-Azië hevige aardschokken gevoeld, waardoor veel huizen instortten en 1200 personen omkwamen.

In Afrika hadden in Augustus op de geheele Goudkust aardbevingen plaats.

Men is er niet in geslaagd om deze vulkanische gebeurtenissen en aardbevingen ook maar in de verste verte in verband te brengen met Krakatau.

Wat moet men er echter van denken, als men verneemt, dat tegelijkertijd met de uitbarsting van Krakatau aan de overzijde der aarde, in de buurt van de tegenvoeters van Krakatau, belangrijke vulkanische storingen plaats grepen? Die tegenvoeters van Krakatau bevinden zich in Middel-Amerika en wel in Columbia.

Middel-Amerika is zeer vulkanisch en uitbarstingen zijn daar zeer gewoon. Het is dus, volgens mijne meening, meer dan waarschijnlijk, dat er niets geen verband bestaat tusschen beide gebeurtenissen, hoewel ik moet toegeven, dat het samentreffen van twee analoge gebeurtenissen op aarde, op punten die elkaars antipoden zijn, tot nadenken stemt!

De vulkanische berichten over Krakatau's tegenvoeters zijn eenigszins verward. Zeker is het, dat de vulkaan Ometepec, gelegen op een eilandje in het meer van Nicaragua, den 19den Juni is begonnen te werken; er ontstond een nieuwe krater, en er vloeide lava uit, die in Augustus nog warm was.

Verder heeft de Cotopaxi, een vulkaan in Ecuador, in het laatst van Augustus eene korte doch hevige uitbarsting gehad, vergezeld door eene aardbeving.

In Columbia, de eigenlijke tegenvoeter van Krakatau, zijn den 27sten Augustus onderaardsche geluiden waargenomen als zware geweerschoten.

Hevige aardbevingen en geluiden werden bijna onafgebroken gehoord te Bolivar, Antioguia, Cauca en Panama, van 27 Augustus tot 1 September.

Langs de geheele kust van Venezuela, Columbia, Panama en Costa-Rica werden aardbevingen gevoeld.

In Noord-Columbia zouden zich zelfs verscheidene kleine vulkaantjes hebben gevormd, die asch, slik en gas uitwierpen.

Zooals men ziet, is de lijst der vulkanische gebeurtenissen in Amerika vrij lang.

Maar zij is nog niet compleet.

Den 9den Maart 1885 werd in de "Académie des Sciences" te Parijs door den heer Torel eene mededeeling gedaan afkomstig van den heer Edmond Roulet uit Honduras.

Deze mededeeling was van den volgenden inhoud:

Ten Zuiden van Cuba op 80° W.L. van Greenwich en 20° N.B., zijn drie kleine eilanden, die den naam dragen van de Kaaimaneilanden (Groot- en Klein Kaaiman en Kaaiman-Brac) en die bewoond worden door schildpadvisschers. Volgens kapitein Robert Woodville, werden de bewoners van het eilandje Kaaiman-Brac den 26sten Augustus verrast door geluiden evenals het rollen van den donder; de hemel was echter helder en hun eerste denkbeeld was, dat een Spaansche kruiser een zeegevecht leverde tegen een Cubaanschen flibustier. Toen zij niets zagen in het Zuiden, spoedden zij zich naar het Noorden van het eiland, maar, waar zij ook den horizon ondervraagden, nergens zagen zij rook of een schip.

De kanonnade ging echter voort en zoo werden zij overtuigd, dat het onderaardsche geluiden waren. Zij verwachtten niets anders dan dat het eiland zou wegzinken, of in een vulkaan veranderen, langzamerhand echter hielden de schoten op, en daardoor bedaarde hun schrik. Dit buitengewone natuurverschijnsel was natuurlijk het onderwerp van menig gesprek; men was noch het feit noch den datum vergeten, toen de dagbladen de eerste tijdingen brachten over de ramp van Krakatau. Toen men nu bovendien tot de overtuiging kwam, dat de Kaaimaneilanden en Java nagenoeg tegenvoeters zijn, was er geen einde aan het opstellen van hypothesen.

In Frankrijk werd door sommigen onmiddellijk aangenomen, dat wij hier te doen hebben met het geluid van de uitbarsting van Krakatau. Zoo vermeldt Camille Flammarion de geluiden op de Kaaimaneilanden onder het opschrift: "de ramp (cataclysme—zegt C.F.) van Krakatau vernomen door de tegenvoeters."

De Engelsche Krakatau-commissie daarentegen vindt het bericht zoo onbepaald, dat zij het geheel buiten beschouwing laat.

Volgens mijn oordeel ligt het voor de hand om, in plaats van Krakatau, eene dichtbij zijnde oorzaak van de geluiden aan te nemen. Men heeft die oorzaken maar voor het kiezen, als men ziet hoe verbazend veel vulkanische verschijnselen in die dagen in Amerika plaats grepen!

Intusschen mag ik hier niet verzwijgen, dat volgens eene mededeeling in de Parijsche Academie van Wetenschappen van 18 Mei 1885, door den heer A. Licuas, den 28sten Augustus 1883, op het eiland St. Domingo, gedurende een uur lang, schoten zijn gehoord, vermengd met geknetter, zeer veel gelijkende op het geluid van een verwijderden veldslag.

Deze geluiden zijn gehoord langs de kust over eene lengte van 200 mijlen en hebben de bevolking van het eiland in opschudding gebracht.

Wanneer men werkelijk aanneemt, dat er verband is tusschen de uitbarstingen bij de tegenvoeters en Krakatau, en bovendien gelooft, dat de geluiden te St. Domingo en de Kaaimaneilanden niets anders zijn geweest dan de schoten van Krakatau, op de een of andere geheimzinnige wijze overgebracht—dan heeft men een vruchtbaar veld van bespiegeling!

Welke theorie zal trachten dergelijke raadselen te verklaren?