De inwoners van Istamboel stonden op zekeren dag verlamd van schrik, toen de hooghartige Moor, gezeten op zijn vurig ros, de stad binnenkwam. Hij ging naar het paleis en riep luid: “Hoor, Sultan! Voor het laatst vraag ik u: wilt gij mij uw dochter tot vrouw geven?” Toen hij geen antwoord kreeg, beukte hij zoo hevig met zijn knots tegen het paleis, dat het gebroken glas uit de ramen als regen naar beneden stroomde. Toen de Sultan zag, dat de Moor gemakkelijk op deze wijze het paleis zou kunnen verwoesten en zelfs de geheele stad, voelde hij zich diep ongelukkig, want hij wist, dat hem ten slotte geen andere keus zou overblijven dan den Moor zijn eenige dochter te geven. Ofschoon overweldigd van schaamte stemde hij er eindelijk in toe. Voldaan over dit succes vroeg de Moor vijftien dagen uitstel, voordat het huwelijk zou plaats hebben, opdat hij terug zou kunnen gaan naar zijn kasteel en de noodige voorbereidselen treffen.
Toen de dochter van den Sultan van het in wanhoop genomen besluit van haar vader hoorde, gilde zij het uit en diep rampzalig riep zij:
“Helaas! Aanschouw mijn verdriet, o Almachtige Allah! Is dit het gevolg er van, dat men allerwege mijn schoonheid prees? Voor een Moor? Zou het dan mogelijk zijn, dat een Moor een kus zal drukken op mijn gelaat?”