[Inhoud]

De Prinses doet een beroep op Marko.

Toen de diepbedroefde bruid hoorde, welk antwoord Marko had gegeven, sprong zij op, nam een pen en een stuk papier, stak de pen in haar blozende wang en schreef met haar eigen bloed het volgende: “Heil u, mijn dierbare broeder-in-God, koninklijke Prins Marko! Wees een waar broeder voor mij! Dat God en de heilige Johannes onze getuigen zijn! Ik smeek u, laat niet toe, dat ik de vrouw van den Moor word! Ik beloof u zeven tovars van zuiver goud, zeven bochtchaluks, die noch geweven, noch gesponnen zijn, maar geborduurd met zuiver goud. Bovendien zal ik u een gouden schotel geven, versierd met een gouden slang, welker opgeheven kop een juweel van onschatbare waarde in den bek heeft, waarvan zulk een schitterend licht uitgaat, dat gij daarbij in het donkerst uur van den nacht even goed zult kunnen zien als op den middag. Hierbij zal ik u ten geschenke geven een schitterend bewerkte sabel; deze sabel heeft drie gevesten, alle van zuiver goud en in elk is een kostbare steen gezet. De sabel alleen is drie steden waard. Ik zal aan dit wapen het zegel van den Sultan hechten, zoodat de Groot-Vizier u nooit ter dood zal kunnen veroordeelen, zonder daartoe eerst het bevel van Zijne Majesteit te hebben ontvangen.”

Toen hij dezen brief had gelezen, dacht Marko lang na en schreef: “Helaas! o, mijn geliefde zuster-in-God! Het zou slechts tot mijn ongeluk zijn, als ik kwam om voor u te vechten en tot mijn nog grooter ongeluk, als ik wegbleef. Want ofschoon ik noch den Sultan, noch de Sultana vrees, vrees ik zeer zeker God en den heiligen Johannes, in wier naam gij mij hebt aangeroepen. Daarom besloot ik te komen, al weet ik, dat ik een zekeren dood te gemoet ga.”