Marko zat op zijn gemak in de meest geriefelijke kamer, die de trots van het logement was; langzaam dronk hij den rooden wijn, waarvan hij zooveel hield. Hij dronk niet uit een gewonen drinkbeker, maar uit een schaal, die twaalf liter inhield. En telkens, als hij de schaal weer gevuld had, dronk hij slechts de helft, en gaf volgens gewoonte de andere helft aan zijn Sharatz. De Moor stond op het punt Marko aan te vallen, toen Sharatz hem den weg versperde en boosaardig naar Bedevia schopte. Toen de Moor zulk een onverwachten tegenstand ontmoette, wendde hij onverwijld zijn paard, om zich weer bij den stoet te voegen.
Toen stond Marko op; keerde zijn mantel en muts binnenste buiten, waardoor hij op den eersten blik het ontstellende schouwspel bood van een wolf; daarna keek hij zijn wapenen en de buikriemen van Sharatz zorgvuldig na, sprong op zijn strijdros en galloppeerde den optocht na. Hij velde rechts en links de ruiters, totdat hij den dever en den tweeden getuige bereikte, welke hij beide doodde.
Den Moorschen hoofdman werd onmiddellijk verteld van den vreemdeling, die zich midden door den stoet een weg had gebaand en wie hij had gedood, en ook, dat hij er niet uitzag als elk ander ridder, maar gekleed was in een wolfsvacht.