De processie reed verder tot aan de Bulgaarsche boschlanden en weiden en daar er nu eenmaal geen geluk is zonder eenig ongeluk, woei een windvlaag een oogenblik den sluier der bruid terzijde. De Doge van Venetië, die vlak naast haar reed, zag het schoone gelaat van het meisje en was zoo bekoord door haar buitengewone schoonheid, dat hij smoorlijk verliefd op haar werd. Toen de geheele bruiloftsstoet halt hield voor den nacht, begaf hij zich onopgemerkt naar de tent van Styepan Zemlyitch en sprak hem aldus aan: “O, gij geleider van de bruid! Wilt gij mij uw beschermelinge overgeven, opdat wij samen kunnen vluchten: ik zal u een laars vol gouden dukaten geven?”
Styepan Zemlyitch antwoordde verontwaardigd:
“Zwijg, Doge van Venetië! Gij verdiendet in steen te veranderen! Zijt gij uw leven moe?”
Toen zij den tweeden dag de rustplaats bereikten, sloop de Doge weer heimelijk naar de tent van Styepan Zemlyitch en vroeg nog eens om de bruid, maar nu bood hij twee laarzen vol dukaten aan. Weer weigerde de geleider van de bruid, zeggende:
“Scheer u weg, o Doge! opdat uw hoofd niet doormidden worde gekliefd! Heeft iemand ooit gehoord van een koom, die zijn kooma aan haar bruidegom ontneemt?”