1 Beroaldo, die in 1499, die novelle in het Latijn vertaalde, gelooft, dat Boccaccio zijn verhaal ontleende aan de antieke annalen van Cyprioten en Manni voegt er eenige redenen aan toe, die het voor mogelijk doen houden, dat Boccaccio dit zou hebben gedaan. Maar er is geen enkel bewijs van en het is niet onmogelijk, dat deze geschiedenis meer dan eenige andere een navolging is van Theocritus, die in zijn idylle getiteld Il bifolchetto (de kleine Koeherder) meer dan een bijzonderheid, die men bij onzen verteller ziet, heeft opgenomen. 

2 Susa, de tweede stad van Tunis in dat gebied door haar bevolkings-cijfer en haar toestand. 

3 Latijn beteekent Italiaansch. De christelijke volken noemden zich in tegenstelling met de Saracenen Latijnen. 

4 Sansovino zegt, dat de raad door Martuccio gegeven aan den koning van Tunis door Villani ontleend is aan het achtste boek, waar hij spreekt over de onderneming, die Cassano, de koning der Tartaren tegen den Sultan ondernam, die door hem werd verslagen, daar hij het middel had gebruikt dunne koorden op de bogen te spannen. 

5 Ten tijde van Boccaccio was het pauselijk Hof te Avignon en Rome in den ban. 

6 Alagna of Anagni, een kleine stad in Latium, beroemd wegens den smaad Bonifacius VIII in 1303 aangedaan. 

7 Het feit verhaald door Boccaccio vindt men terug in de Storia di Faënza van Tonduzzi, die de inneming van zijn stad, waarvan Giacomino in de vertelling spreekt, stelt in het jaar 740 ten tijde van koning Luitprando. In de plaats daarvan zegt Boccaccio, dat zij is overgegeven in den strijd met keizer Frederik en het schijnt, dat hij zinspeelt op Frederik II, die Faënza innam in 1240. 

8 Deze Gianni van Procida, gelijk elders gezegd is, was de neef van den beroemden naamgenoot, die zulk een aandeel had in den opstand van de Siciliaansche Vesper. 

9 Frederik van Sicilië was de zoon van Peter van Aragon. 

10 Ruggier dell’ Oria of Ruggierso di Lauria, een zeer beroemd Italiaansch admiraal. Hij stierf in 1305. 

11 De goede koning Guiglielmo, namelijk Guglielmo il Buono, de derde koning van Sicilië, overleden in 1184. 

12 De bevoegden voor de correctie van de Decameron doen ons weten, dat deze novelle ontleend is aan Elinando, een schrijver in zijn tijd zeer geacht, namelijk omstreeks 1200. Boccaccio verwisselde de namen der personen en van de plaats, waar het feit gebeurde, maar herinnert toch aan de individuen, die tot werkelijk bestaande families behoorden. 

13 De Traversari waren werkelijk een zeer edel geslacht in Ravenna; er wordt van een zekeren Paolo Traversari gesproken in de XXXVe novelle der Novellino

14 Chiassi of Classe heette een kleine landstreek niet ver van Ravenna en ook de haven van die stad; thans is die geheel verwoest en is er geen spoor meer van over. 

15 Deze geschiedenis zelf van Elinando wordt verhaald van den Graaf van Niversa en van een kolenbrander en Passavanti herhaalde haar in zijn “Spiegel van de ware Boete”. Overigens zijn die legenden van duivels-jachten in de Midden-Eeuwen zeer algemeen verbreid en ook in latere tijdperken. 

16 Ammirato zegt, dat in het graafschap Florence, daar het eene huis ver van het andere was, men vuur ging halen met een vod om het niet te doen met kolen of brandhout en ook omdat een vod langer (?) brandt en gemakkelijker te dragen valt. Dit is een kleine dienst en toch zegt zij, dat niemand dit voor haar wilde doen, zoo oud en leelijk was ze geworden. (Fanfani).