Met groote aandacht en blyken van eene zonderlinge gerustheid van ziel, werd het vonnis door den gevangenen aangehoord; alleenlyk keerde hy zyn hoofd om, wanneer 'er iets geleezen werd, dat, naar zyn oordeel, met de waarheid niet overëenkwam: naderhand schreef hy in zyne gedrukte verantwoording, dat 'er in de Sententie veele pointen stonden, die nooit by hem bekend, maar wel uitdrukkelyk ontkend waren, en gesteld met uitlaating van de noodige omstandigheden, en met byvoeging van ongegronde gevolgen, uit zyne woorden getrokken; ja zelfs dat 'er eenige opstonden, daar hy nooit op gehoord was: wanneer men dit zeggen van onzen Held nagaat, is zeer gemaklyk te begrypen, wat de drangreden geweest is tot de bovengemelde zeldzaame voorzorg, omtrent de verkozene Rechters genomen; welke voorzorg, trouwens alleenlyk tot nadeel der gevangenen, uit het oog verlooren werd, in de uitschryving van een' Biddag, die den 17den April gehouden stond te worden; want in die uitschryving werden de gevangenen niet weinig beschuldigd, regelrecht strydig met het gemaakte verbond, van daaromtrent niets te zullen openbaaren, gelyk dan ook door veele Predikanten geweigerd werd, gezegde uitschryving van den Predikstoel den volke voor te leezen; schoon zy om die weigering van hunne kostwinning ontzet werden.
Op den 5den Juny eerstvolgende, des avonds, tusschen elf en twaalf uuren, werd Hugo naar het bekende Loevestein gevoerd, met bevel, dat niemand by hem mogt komen, zelfs ook zyn oude vader niet: voords werd hem 24 stuivers daags toegelegd, welk sober tractement echter door zyne heldhaftige Gemaalin geweigerd werd, alzo zy voorneemens was, den haar zo dierbaaren gevangenen op haare eigene kosten te onderhouden.
Zie daar dan den grooten Hugo binnen den omtrek der muuren van een kamer bepaald—welk eene ommekeer!—van pas herinneren wy ons de woorden waarmede de laatstgenoemde Dichter zynen Palamedes ten tooneele doet verschynen:
De Commandeur van het Slot, zynde de Luitenant Jacob Prounink, genaamd Deventer, had bevel, dat de Huisvrouwen der gevangene Heeren in de keuken zouden mogen kooken; dat de Dienstmaagd de spyzen bovenbrengen en weder afhaalen mogt, mits door den Commandeur in- en uit-gelaaten te worden, en dat de Huisvrouwen tot Workum of Gorkum mogten reizen, om het noodige te koopen: korten tyd daarna werden de vrouwen nog nader bepaald, naamlyk in diervoegen, dat ze by haare mannen opgeslooten mogten blyven, zo lang zy wilden, maar niet van hun afgaan, dan met consent: ook werd den Commandeur gelast, voor het bepaalde geld van 24 stuivers daags, zelf de gevangenen te moeten spyzigen; waarop de braave Reigersbergen zeide, dat haar man niet gewoon was zo soberlyk te leeven; dat men, ingevalle de meening van de Heeren was, hem de keel toe te binden, en van gebrek of ongezondheid te laaten vergaan, hem dan alzo lief had mogen handelen, gelyk men den Advokaat gedaan had: recht manlyke taal! uitmuntende vrouw! overwaardig dat het verstandige gedeelte uwer sexe u bewondere, gelyk het u bewondert—zouden myne leezers hiervan onkundig kunnen weezen? te berucht zyn, om my by het schitterendst vernuft van onzen tyd; by de schranderste vrouw, het voorbeeld van gezond verstand, doordringend oordeel, levendige verbeelding, ongeveinsd hart, vrolyken en arbeidzaamen aart, om my by het pronkjuweel van Neêrlands geleerde vrouwen te bepaalen; te berucht zyn de werken van de groote Elizabeth Wolff, geboren Bekker, die ontelbaare lauwers, en nog onlangs eenen voor alle ander vernuft onverkrygbaaren krans behaald heeft; te veel worden de werken dier voorbeeldige vrouwe geleezen, dan dat men niet zou weeten, hoe breed de lof van Hugo's Gemaalinne door haar uitgemeeten wordt: dus zingt zy onder anderen in haar Walcheren,[4]:
Het antwoord dat Reigersbergen haare vrienden gaf, toen dezen haar aanspoorden tot het verzoeken van pardon voor haar' man, welk verzoek zelfs door den Raadsheer Vosbergen, op begeerte van zyne Exellentie, ondersteund werd, is door de gemelde groote Dichteres, in de volgende verzen gebragt,[5]:
Wy zullen terstond de geleerde Elizabeth nog eens van de kloekmoedige Maria hooren zingen.
De fiere uitdrukking, door de laatstgenoemde, wegens het spyzigen van haaren man, gebruikt, veroorzaakte veel moeite, om van Prounink verlof te verkrygen, dat zy naar den Haag mogt gaan, om haare bezwaaren by H.H.M. intebrengen, eindelyk gelukte dit evenwel, en de roemwaardige vrouw bragt, niet zonder veel loopens en biddens, ten wege, dat zy met haare vyf kinderen, vier of vyf weeken op het Slot zou mogen blyven, en twee of drie maal daags af- en toe-gang hebben; dat ze ook van de keuke, en de kinderen en dienstboden van slaapplaatzen zouden voorzien worden; mitsgaders dat 'er dagelyks een geneesheer uit Gorkum, by De Groot, die door de koorts in 't bed gehouden werd, mogt komen: zie daar schreeuwende gunstbewyzen!—dan men kon dezelven ligtlyk toestaan, want de gevangene had nog genoeg te lyden: sterk drukt de bovengemelde groote Dichteres zig desaangaande uit, in een' brief van Arnold Geesteranus aan Maria van Reigersbergen (Bladz. 45), daar zy Arnold deze woorden laat schryven:
Bevreesd dat Hugo, door middel van touw en rappe handen, zyn lyden zou ontvluchten, had men reeds beslooten, de kleine vengsters zyner gevangenis nog digter te maaken, "waardoor hy meer benaauwing van licht en lucht, ten nadeele zyner gezondheid zou gehad hebben," maar zyn Geneesheer wist zo veel dringends, nopens zyne zwakheid te zeggen, dat men hem de genade bewees, om het lieve daglicht te mogen zien, en de gezonde werking van versche lucht te mogen genieten: ô ja, de groote Hugo, het uitmuntend mensch, werd tot zo verre van den medemensch, waarschynelyk vry minder groot, begenadigd, dat hy in 't algemeene geschenk van God mogt deelen: hy mogt den dageraad zien aanbreeken—maar zuchtende: hy mogt de avondschemering al 't aardsche zien bedekken—maar klaagende—des niettegenstaande werd de mensch door den mensch begenadigd.
Men denke echter niet dat zyn ryk verstand hem geene onuitputtelyke bron van troost zou verschaft hebben; ongetwyfeld zyn 't slechts oogenblikjes geweest, dat de mensch het roer in handen gehad heeft, en zekerlyk is 't getal dier oogenblikjes nog verminderd door de toegenegenheid zyner geleerde vrienden, waaronder boven allen te tellen zyn, de Heeren Van Maurier, Scriverius, Erpenius en Vossius, die heimelyk briefwisseling met hem hielden: Vossius vermaande hem, dat hy moest denken aan zynen naam, en aan de gulde spreuk van Seneca:
Men kon niet weeten, schreef die geleerde man, wat God nog met hem voor had—voorwaar uitmuntende troostwoorden in de ooren des verstandigen; wat weet ik, zegt deze, ik die het algemeene plan niet kan overzien..... maar wy moeten by onzen Hugo blyven.
Dezelfde Vossius zond hem nu en dan eenige boeken, zulks deed ook Erpenius, die te Gorkum geboren was, en aldaar een zuster had, getrouwd met zekeren Adriaan Daatselaar, welke op verzoek van den Heere Erpenius, de gevangene Heeren De Groot en Hogerbeets, getrouwlyk met raad en daad bystond: alles wat, ten behoeven van de gezegde Gevangenen, uit Holland naar Loevestein, of vandaar herwaards overgezonden werd, kwam eerst aan het huis van Daatselaar; dus ook het koffer, waarin de boeken, bovengemeld, van wegen Erpenius gezonden werden, en door middel van welk koffer de beroemde Hugo, op aandrang van zyne Gemalinne, uit het bange Loevestein ontsnapt is; te beter gelukte deze list, om dat dezelve niet te overhaast in 't werk gesteld werd, want men ondernam niets, voor dat het af- en aan-brengen van het boekenkoffer als eene gewoonte geworden was; niets voor dat men het koffer niet meer opende, om te zien wat 'er in was, 't geen in den beginne telkens gedaan was geworden.
Veel viel 'er intusschen nog voor, zo over het verkoopen der verbeurd verklaarde goederen van den Gevangenen, als over het uitgeeven van deszelfs afbeeldzel, al het welk door anderen breedvoerig beschreeven is, en niet tot ons plan behoort; Prounink bleef ook bestendig zyn best doen, in het onredelyk behandelen van den ongelukkigen De Groot; terwyl evenwel de braave Maria, niet zonder groote moeite, vergund werd, eens ter week om nooddruft te mogen uitgaan, of te zenden.
Onze Held bragt zyn' tyd door met leezen en schryven, en ook somtyds met het naloopen van een' dryftol, ter bevorderinge of onderhoudinge zyner gezondheid—Onder zynen Loevesteinschen arbeid, muntte uit, het reeds door ons genoemde werk, Inleiding tot de Hollandsche Rechtsgeleerdheid, en, Het bewys van den waaren Godsdienst, dat hy met deze verzen sloot:
Een gedeelte van den gezegden arbeid bestond ook daarin, dat hy zynen Dienaar van den Velde, in de Latynsche Taale, en de gronden, der Rechtsgeleerdheid onderwees; en deze moeite is voorwaar met den allerzonderlingsten uitslag bekroond; want by vervolg van tyd, huwde die braave dienaar met de Dienstmaagd van Mevrouw van Reigersbergen, genaamd Elsje van Houwening, welke, gelyk welhaast blyken zal, een voornaam hulpmiddel geweest is, ter ontkominge van den ongelukkigen Hugo; van den Velde, verwierf den tytel van Advocaat voor het Hof, ja heeft zelfs de eer gehad, van den uitersten wille zyner Hoogheid Fredrik Hendrik, te schryven.
Na onze Held nu byna twee jaaren op de voorgemelde wyze doorgebragt had, viel het oog van zyne schrandere Gemalinne op het koffer van den Heere Erpenius, en zy sloeg haaren man voor, om zig, onder den naam van boeken, met hetzelve, naar den vriend Daatselaar, te laaten brengen: men stelle zig voor de verbaasdheid die onzen Held bevong, toen de kloekmoedige Maria hem dezen voorslag deed:
Dus laat de meergemelde Dichter, Duim, hem, in dit tydsgewricht, spreeken: indien alles was, gelyk het moest weezen, was het antwoord der schrandere vrouwe, dan zou men te eerder achterdocht opvatten: om kort te gaan, men besloot te beproeven, of het koffer groot genoeg was; en, bevonden hebbende dat de Gevangene
"'er ter naauwer nood, niet uitgestrekt of in de lengte, maar gekromd en in bochten, in liggen konde, bezocht men daarna, of hy, in die benaauwdheid liggende, zyn adem kon scheppen, en hoe lange hy 't, in gevalle van stilte of tegenwind, daarin zou kunnen uithouden. Vervolgens beval hy zyne huisvrouw, eenigen tyd op de kist te gaan zitten, om te zien of hy, als 'er onderwegen by geval iemand op ging zitten, zulks zoude konnen verdraagen:"
een uurs zandlooper, schryft men elders, liet zy tweemaal uitloopen, hangende haare klederen voor 't sleutelgat;
"zy, merkende onder het zitten op de kist, dat haar man zig nu en dan verroerde, en zyne beenen optrok of uitstrekte, waarschouwde hem, dat zy zulks kon voelen. Na dat men dit alles verscheidene maalen in 't heimelyk, zonder weeten van Knecht of Dienstmaagd, beproefd, en naar wensch bevonden had, besloot men de zaak, in Gods naam, te waagen:"
Willem en Elsje werd nu den aanslag ontdekt, die beiden hunne hulp van harten toezeiden: by Daatselaar was de noodige voorzorg gebruikt, en de huisvrouw van Prounink, was, door haar, geduurende eenigen tyd, eene en andere kleinigheden te schenken, ingenomen; want men nam de gelegenheid waar, dat Prounink zelf, naar Heusden vertrokken was, om de Compagnie, waarover hy tot Capitein aangesteld was geworden, te ontvangen, dus men alleenlyk de toestemming van deszelfs vrouw noodig had, om het koffer, naar gewoonte, te doen scheep brengen.
Alles dus voorbereid zynde, verscheen den bepaalden dag, (22, Brand zegt 13 Maart 1621); de groote Hugo vleide zig neder in het koffer, en begaf zig dus uit de eene gevangenis, in eene nog veel engere, om door dat middel, de vryheid, die natuurlyke schat van den mensch, hem te jammerlyk ontnomen, weder te krygen: een nieuw Testament verstrekte hem ten hoofdkussen, en dus kan men zeggen, dat Hugo zyn hoofd gerust op God's woord nederleide; ook had hy niet te vergeefsch op zyn' Schepper vertrouwd: met het aanbreeken van den dag, waarop de geoorloofde list in 't werk gesteld zou worden, viel hy op zyne kniën, en bad, dat de Almagtige zynen toeleg wilde zegenen: de verhooring van zyne bede was by God bepaald; het koffer werd, na ontvangen verlof, met behulp van eenige der wachten, aan boord gebragt, echter niet zonder groot gevaar voor den benaauwden Hugo, van ontdekt te zullen worden; Elsje had de zorg op zig genomen, om met de kleine gevangenis over te steeken, en stapte derhalven kloekmoedig mede op 't schip: zie daar onze Held ten deele verlost: men begrype wat 'er in 't hart van de edele Reigersbergen moet omgegaan weezen: treffend was haar gedrag, na zy de nieuwe gevangenis van haaren beminden Hugo geslooten had: hoor de bovengeroemde onvergelykelyke Dichteres dat gedrag verhaalen:
De groote Agrippyner heeft mede niet vergeeten, dat edele voorwerp te vereeuwigen; dus zingt hy in een Dichtstukje, ten tytel voerende, Hugo De Groots verlossing, aan Mevrouw Maria van Reigersbergh:
Dezelfde Prins der Nederlandsche Dichteren, maakte op de vlucht van onzen Held, het volgende geestig dichtje:
Had Mevrouw Van Reigersbergen zig kloekmoedig gedraagen, niets minder kan van het trouwhartige Elsje gezegd worden: verscheidene zwaarigheden, die allen den aanslag zouden hebben kunnen doen mislukken, zo wel by 't inscheepen, staande den overtogt, als by het overbrengen van den dierbaaren vracht, uit het schip naar het huis van Daatselaar, had zy te boven te komen; in alles gedroeg zy zig zo schrander als onverschrokken, en ten loon daar voor smaakte zy het genoegen, van haaren Heer weder in genoegzaame vyligheid te mogen zien.
Wat betreft het koffer, waarin onze Held zyne gevangenis ontkomen was, en welke de Lezer op de nevensstaande plaaten, zeer uitvoerig vertoont wordt; de Heer, Mr. Jacob Klinkhamer, vleit zig dezelve te bezitten, en het is met Zyn Ed. gunstige toestemming, dat de Kunstschilder J.C. Schultz, daarvan twee juiste aftekeningen vervaardigd heeft: de Heer J.C. Philips, door wiens bekwaame hand de gezegde tekeningen in 't koper gebragt zyn, heeft ons de volgende beschryving daarvan medegedeeld.
"Het koffer is gemaakt van boekenhout; heeft een boogswys dekzel, zynde van buiten geheel overtrokken met dun zwart leder, en beslagen met eene menigte van dunne, smalle, eizerene banden: de sluiting bestaat in twee binnensloten, en één buiten- of hang-slot.
"Van binnen is het koffer met wit linnen bekleed, zynde het zelve, naar gewoonte, aan het dekzel, met elkander kruissende linten belegd.
"Men ziet dat de tyd, en het gebruik, of herhaalde overvoeringen, het een en ander merkelyk beschadigd hebben; veelen der eizerene banden zyn geheel of gedeeltelyk weg; doch men kan derzelver plaatsen, door een roestige vlek, meer of min gewaar worden: van het bekleedzel, zo wel binnen als buiten, zyn hier en daar geheele lappen uitgevallen.
"De rand van het dekzel is aan den voorkant, byna in 't midden, (mogelyk door toeval,) sterk voorwaards gebogen, en steekt daar ter plaatse wel een duim breed over; zo dat men 'er 't hangslot niet heeft kunnen aandoen.
"In den bodem is een vry groote kwast uitgevallen; dus kon door deze zo wel als door den afgebogen rand, luchts genoeg inkomen; te meer daar de bodem des koffers niet vlak op den grond staat, als hebbende onder een soort van slede, van byna twee duimen hoogte:"
——dit spreekt ons voorgaande verhaal wel niet volstrektlyk tegen, maar evenwel kan het aanleiding tot bedenkingen geeven; wy laaten daaromtrent ieder zyne vryheid, en den eigenaar van het Vaderlandsche rariteit in het onbetwiste bezit daar van.
"De lengte van het koffer is buitenswerks vyf voet en byna vier duim:"
(by een ander vinden wy deze lengte bepaald op twee duim korter dan vier voet:)
"de breedte is twee voet en ruim één duim; de hoogte tot op 't midden van het dekzel, twee voet en ruim twee duim; alles Rhynlandsche maat."
't Zal hier niet oneigen zyn den Lezer te doen hooren, hoe de groote Hugo zelf, deze zyne gelukkige tweede gevangenis beschouwd heeft: hy schreef in vervolg van tyd een aanspraak aan dezelve, in Latynsche verzen, welken in de volgende Nederduitsche vertolkt zyn:
Men zegt, (wy begeeren alles onpartydig aan te tekenen,) dat het koffer nog lang by een' Heer van aanzien bewaard, en fraai beschilderd is geweest, met het opschrift: Dees kist heeft Loevestein den Huig geligt: daarmede komt overëen 't geen de Heer Brand het koffer doet zeggen:
Hoe die Heer aan het koffer gekomen is, zegt zeker schryver, weet men niet, maar wel dat het langen tyd door De Groot's ouders, te Delft bewaard, en naderhand ten huize van zyn' broeder Willem vermist is, waarover onze Hugo groote spyt toonde te hebben.
Wat betreft het schilderen, waarvan wy boven spraken, 't zelve wordt door ons koffer, volgends opgaaf van den Graveerder, geheel onaanneemelyk, zo niet logenachtig gemaakt:—dezen dank heeft men ten minsten aan den Heere Mr. Klinkhamer, dat wy thans weeten dat men het koffer, waarin de beroemde Hugo, uit het bange Loevestein ontkomen is, waarschynelyk nimmer geschilderd heeft:—laat ons thans tot het hoofdvoorwerp onzer bemoeijingen wederkeeren.
Het ontbrak hem ten huize van Daatselaar, aan geene goede trouw en hartlyken bystand; langen tyd aldaar te vertoeven was geheel ongeraaden, en onvermomd zig voor het oog van ieder te vertoonen, was niet minder gevaarlyk; men vond dan onderling goed, dat de edele vluchteling zig in een metzelaars gewaad zou vermommen: zekeren metzelaar, Jan Lambertsz, werd de onderneeming toevertrouwd, en tot reisgezel van De Groot verkoozen, van welken last de goede man zig ook zo kloekmoedig als voorzichtig kweet; hy bezorgde den vluchteling het noodige gewaad, gaf hem een metzelaars maatstok of rei in de handen, die, ter oorzaake van derzelver blankheid, hier en daar met wat kalk besmeerd werden, en trok met hem, des morgens, omtrent 11 uure, op weg; De Groot betuigde, in 't uitgaan, dat hy zeer ontsteld, was, en naauwlyks op zyn beenen staan konde; "want hy vreesde", voegt zeker schryver 'er by;
"dat hy, moetende voorby een' boekverkooper gaan, alwaar toen eenige Predikanten en andere lieden, in 't voorhuis stonden, van den een of den ander, gekend en verraaden mogt worden;"
doch men gaf hem moed, en zeide dat hy maar onbeschroomd voord moest stappen.
Na veel sukkelens kwam hy te Waalwyk, alwaar hy slechts twee uuren vertoefde; vervolgends op Antwerpen reed, terwyl Lambertsz te rug keerde, en een bode van goede tyding werd: onze Held reed den gantschen nacht door, en kwam, na eene en andere wederwaardigheid, behouden te Antwerpen aan; begeevende zig aldaar terstond naar het huis van den geweezenen Rotterdamschen Predikant Grevinkhoven, met wien hy welëer als met eenen broeder verkeerd had.
Men kan ligtlyk begrypen hoe Prounink gesteld was, by de ondekking van al het gebeurde: op zyn vraag aan Mevrouw De Groot, waar haar man was, laat men die moedige Gemaalin antwoorden; Myn vriend, dat vogeltje is u ontvlogen, maar 't kooitje is 'er nog; terstond valt hy met eenige soldaaten in een; schuit vaart over naar Gorkum en bewerkt dat het huis van Daatzelaar, schoon het reeds nacht geworden was, bezet werd; doch deeze en ook alle andere poogingen om den vluchteling te ontdekken, waren vruchtloos: op Loevestein wedergekeerd zynde, deed hy ook aldaar alle mogelyke navorschingen, dan men kon hem niet meer zeggen, als men zelven wist. Het eerste gevolg van het manmoedig bedryf van Mevrouw De Groot, was, dat zy, benevens haare dochter Cornelia, omtrent veertien dagen lang opgeslooten bleef, zelfs zonder dat de meid afkomen mogt om spyzen gereed te maaken; "doch na drie dagen," dit vinden wy aangetekend,
"ontving ze een tarwen koek op de tafel, en in dezelve zat een brief verborgen, die haar kennis gaf van haar mans gelukkige aankomst te Antwerpen; want onze De Groot, was geenzins in gebreken gebleeven, van ten eersten zyn verblyf aan zyn ouden Vader, en aan zyne gemeenzaamste vrienden in Holland te berichten":
hy schreef ook aan zyne Excell. Prins Maurits, die, toen hy hoorde op welk eene wyze De Groot gevlucht was, van de moedige Reigersbergen zeide: Ik dacht wel dat dat zwarte varken ons nog eens zou bedriegen[7]: "'t Is my leet", zeide hy in zynen brief aan dien grooten oorlogsman,
"dat eenige persoonen my soo wangunstig syn, dat zy uwe Excelentie hebben konnen beletten, soo goeden voornemen te effectueren; 't welck my ten langen laetsten heeft doen denken op middelen om my selven te helpen; 't welck ik vertrouwe dat uwe Excellentie my niet anders als wel sal afnemen; considererende hoe natuurlyck alle menschen, jaa selfs den beesten is, de lust tot vryheit."
Voords verzocht hy, zyne getrouwe diensten te gedenken, als mede wie de vader was geweest van zyne huisvrouw, by welke hy vyf kinderen had, ontbloot van 's vaders goederen, staat en winsten; en hoopende, dat zyn Excell. niet zou gedoogen, dat zyn voorsz. huisvrouw en kinderen eenige verdere bezwaarenissen werden aangedaan: niet minder hartlyk schreef hy aan Prins Hendrik, en aan hunne Hoog. Mogende, de Heeren Staaten Generaal; aan welken hy onder anderen zeide:
"Het valt my wel hardt, myne Heeren, dat ik soo veel tegens myne vryheit en in myne goederen heb moeten lyden, en nog lyden moet, wel verzekert zynde in myn conscientie, dat ik, na de kennis die ik van de zaken gehadt heb, goede advysen en raedt gegeven heb tot slissing van de zwaarigheden, ontstaan voor en al eer ik tot den dienst ben beroepen geweest, altyt vertoonende alle getrouwigheid tegen myne Meesters de Magistraat van Rotterdam, en de gehoorsaamheit aan myne Heeren de Staten van Hollandt en Westvrieslandt. Maer al het quaet dat my aangedaan is, en nog zou mogen aengedaen worden, zal my nimmermeer afkeeren van de liefde, die ik altyt hebbe gedragen, en naer myn klein vermogen betuigt tot myn Vaderlandt, voor welkers vryheit, rust en voorspoedt, ik den Almogenden altyts bidden zal, en dat tot dien einde 't Hem gelieve," enz.
—deeze betuiging omtrent de liefde voor zyn vaderland, heeft hy ook met 'er daad bevestigd; want aangaande zyn verblyf te Parys, leezen wy, dat hy altoos eene byzondere drift toonde,
"om synen Vaderlande en syne Landsluyden, wanneerse yets aen dat Hof te doen hadden, met raedt en daedt, en door de gunst die hy hadt by eenighe van 's Koningks Bewintsluyden te dienen en hunne belanghen, te bevorderen; hoewel hem niet onbekendt was, dat sy, die in dat Ryk de saeken der Algemeene Staeten waernaemen, geen dingh onbesogt lieten, om 't hart des Konings teeghen hem te verbitteren: maar",
voegt deeze schryver 'er by,
"vergeefs was al hunnen arbeydt by eenen Prins, ten vollen onderricht van alles wat 'er in de Jaeren 1618 en 1619, in Hollandt was omgegaen: Jae ook zelfs verhaelt men, dat hy sich verwonderde over de deught van dien man, die, soo quaelyk in syn Vaederlandt gehandelt zynde, echter niet afliet van het te begunstighen en de onderdaenen syne genegenheit te bewysen, en ook zelfs op allerhande wysen, hem mooghelyk, wel te doen:"
—Lodewyk moge zig daerover verwonderd hebben, 't komt ons echter voor dat het niet zeer te bewonderen is, dat een man als onze Hugo, zo edel van ziel, en zo doorgeoefend van verstand, schootvry geweest is voor de aanvallen der wraak.
Zo dra zyne vrienden vernamen, dat hy zig te Antwerpen bevond, gingen eenigen derzelven hem wel rasch bezoeken; ook werd hy van de voornaamste mannen in geleerdheid dagelyks in geschrifte begroet, over zyne ontkoming: onder die allen muntte uit, de beruchte Leuvensche Hoog-Leeraar, Erycius Puteanus: "Laet ze zich alle vry verwonderen," dus schreef deeze aan den edelen vluchteling, volgends de vertaaling van K. Brand:
"De Groot was niet geheel in de kist: in de kist was 't lichaam, in 't schip de kist, in den stroom 't schip; en in dit alles en buiten dit alles scheent gy my te zyn; gy hadt de geheele werelt vervult. Uw lichaam kon dan in den kerker bewaart worden, uw verstandt niet."—"Laet zich derhalven anderen beklaegen,"
dus luidt een verder gedeelte van dien brief,
"dat ze nae geleden schipbreuk naekt en bloot bleven zitten, en hunne goederen verlooren hadden, gy hebt by u zelven alle goederen, geen roof of geweldt onderworpen. Gy zyt Grotius, gy zyt groot, en dat 's genoeg, om u te doen verstaan dat u niets ontbreekt":
——Krachtig drukte de geleerde man zig uit over den aart eener Republiek, en vooral over den toenmaaligen toestand van de onze, wy zwygen van den tegenwoordigen toestand derzelve: "Al de outheit", zeide hy,
"roept, laat 'er een Heer, laet 'er een Koning zyn: immers uw ongeluk roept ons toe, dat 'er geen staet van menschen buiten gevaer is, daer 't volk gaende wordt; geen haven zonder schipbreuk; daer alle goddelyke en menschelyke zaeken over hoop storten; wat is daer toorn? wat is daer haet? waer is daer rust of heil? Zoo veel waters als 'er is, zoo veel viers en brants is 'er overal. Ik zou wel zeggen, dat die zee door de helsche Geesten aen brandt is geraekt".
De Groot, liet niet na deezen brief te beantwoorden[8], en in dat zyn antwoord te toonen dat de Hoogleeraar niet ten onrechte van hem gezegd had, gy zyt groot! "Wie," zeide hy,
"kon vryheit hoopen uit een engen kerker; of 't scheppen der open lucht, uit eene benautheit, die naulyks een luchje voor d'ademende ziele wou doorlaeten?"
—Van zyne Gemaalinne spreekende, zeide hy:
"Zy alleenlyk kennis hebbende dat ik was uitgedraegen, en den uitslag, die nog onzeker was, met beangsten gemoede overleggende, deedt een wensch, die niemant verwacht zou hebben van een Egaa, die haren man op 't hertelykst bemint, dat haer man op 't verste van haer mogt zyn. My, toen eerst verstaende van hoedanig een vrouw ik was gescheiden, viel haer afzyn zoo lastig, dat ik my liever wederom in de gevankenis had begeven, dan haer lang te missen."
—Moedig bepleitte hy de eer van zyn vaderland, tegen het boven bygebragte zeggen van den Hoogleeraar, daar op betrekkelyk: "Ook mag het," zeide hy,
"den Vaderlande niet geweten worden, 't geen in 't Vaderlandt geschiedt. De dertig Tyrannen waren Athenen niet,—Cicero achtte de geenen, die zyn huis onder de voet geworpen, en hem des levens onwaerdig verklaert hadden, niet het volk van Rome, maar 't schuim des volks te zyn."
—Het zeggen van Augustus: Die den tegenwoordigen staat der regeeringe niet wil veranderen, is een eerlyk man en goed burger tevens, oordeelde hy eenen Cato waardig te weezen:—om reden wederhouden wy ons, anders zoude het hier de plaats zyn iets op onze tegenwoordige staatsgesteldheid aantemerken.
Lieten de Geleerden onzen held niet onbegroet, de Dichters waren niet minder yverig, om zyne zonderlinge ontkoming, in hunne verzen te vereeuwigen: een Dichtstukje, dat op 's mans afbeelding vervaardigd werd, sluit dus aartig:
Onder anderen kwam ook in 't licht de volgende regelen, by wyze van een antwoord van de kloekmoedige Maria, aan den misnoegden Commandeur van Loevestein:
Het slot van dit dichtstukje, komt zeer wel overëen met het tweeregelig versje van Brand, door ons Bladz. 74 opgegeeven.—Den vyfden dag na zyne aankomst te Antwerpen, verzocht de Heer D. Kempenaar, hem, dat hy iets in zyn stamboek geliefde te schryven, gelyk hy deed, in vier Latynsche regels, welken aldus vertaald zyn:
Na den raad zyner goede vrienden ingenomen te hebben, verkoos hy Parys tot zyn verblyf, alwaar hy door de voornaamste Raaden des Konings, en vervolgends ook door zyne Majesteit zelve, met de uiterste vriendschap en blyken van toegenegenheid ontvangen werd: dit gaf aanleiding tot verscheidene valsche geruchten, onder anderen ook dat hy den Roomschen Godsdienst stond aan te neemen, waartegen hy verzekerde, dat hy zig hield aan die kerk, waarvan hy vóór zyne gevangenis een lid geweest was; betuigende ondertusschen, dat hy de Roomsche leer omhelzende, in Frankryk; grootere amten en waardigheden zou kunnen deelachtig worden, dan in zyn vaderland.
De rust welke onze Held nu genoot, maakte hy zig ten nutte, en begaf zig, met vernieuwden lust, aan de studie: reeds op den derden dag na zyne aankomst aldaar, bezat hy bedaardheid van geest genoeg, om zyne onvoorbeeldige Gemaalinne, zyne overkomst, in versmaat, bekend te maaken; in dit zoetvloeijend dichtstuk, waarin het hart alleen spreekt, drukte de groote Letterheld zig dus uit:
Het eerste zyner werken, dat hy, na 't verkrygen van zyne vryheid in 't licht gaf, was zyne verantwoording van de wettige regeering van Holland: zie hier, hoe zeker schryver, van dit werk spreekende, zig uitdrukt:
"d'Algemeene Staeten hier van verwittight zynde, en niet onkundigh, dat in dit Boek hunne konstenaeryen, en het geweldt, Hollandt aangedaan, ontdekt wierden, hebben, dewylse niets anders hadden, om de waerheit daar in uitgedrukt teeghen te spreeken of te wederlegghen, gebruykende hunne voorlangh gewoone geweldenary, den selven vervolght met bannissementen: welke krachteloose blixem, als hy, door de bescherminghe des Alderchristelyxten Koninghs, die hem in syne beschuttinge hadt genoomen, was verdweenen, is daer door niets anders te weeghe gebraght, als dat de Groot geruster en veyligher heeft konnen leeven; dat de winst der Boekverkooperen, die deese Boeken verkoghten, is verdubbelt, en de nieuwsgierigheit der leezeren soo geweldigh aangewassen, dat, de ooghen van veele Regenten verlicht zynde, derselver gesagh niet alleen in 't publyk, maer ook ter Vergaderingh der Staeten selve, en dat meer is, teeghen d'Algemeene Staeten selfs is doorgedronghen":
By een zeer scherp plakaat, werd dit boek niet slechts strenglyk verboden, maar ook verklaard voor fameux, séditieux en schandeleux libel, en boven dien werd de schryver verklaard strafbaar aan lyf en goed, toe alle plaatsen en tyden daar hy zou mogen gevonden worden, zonder dat eenig verloop van jaaren hem daarvan zou kunnen bevryden: de tyding van deeze gebeurtenis kwam hem te Parys wel haast ter oore, en was vermogend genoeg om 's mans hart te ontstellen: ondertusschen dacht men in Frankryk niet gunstig over dat gedrag der Nederlanderen; de President Jeannin, was van gevoelen dat hy zig over de onbillykheid daarvan, by geschrifte moest verklaren; een ander zeide: als men de vernuften straft, zo groeit hunne achtbaarheid; de Gezant Maurier schreef hem uit 's Gravenhage, onder anderen, het volgende:
"Wat het Plakaat betreft, gy weet wat men zegt van de Excommunicatie van Rome, die men krachtlooze blixem noemt; ook weet gy dat de geenen waar mense tegen uitwerpt, daarom niet minder welvaarende zyn;"
deeze hartlyke troost was ten hoogsten aangenaam, maar gaf echter geene geruststelling; die moest van eenen anderen, van een vermogender kant komen; zyne Majesteit alleen kon dezelve den doorluchtigen balling bezorgen, en deeze werd ook, in een breedvoerig smeekschrift, daarom verzocht, niet zonder de hoogste voldoening daarop te ontvangen, want Lodewyk verklaarde in 't openbaar, dat hy de Groot wèl en gunstig begeerde te behandelen, "gelyk wy voorheen gedaan hebben," zeide zyne Majesteit, "om de achting, die wy voor hem hebben, ter oorzaake zyner vroomheid, en uitneemende weetenschap, waarvan wy wel onderricht zyn geweest, door veele groote Persoonaadjen van onzen Raad."
"Zo is 't", dus luidde het slot deezer openbaare verklaaring;
"Zo is 't, dat wy ten overvloede verklaard hebben, en verklaaren by deezen tegenwoordigen brief, getekend met onze hand, dat wy genomen en gesteld hebben, gelyk wy neemen en stellen in onze speciaale Sauvegarde en bescherming, den Persoon van den voornoemden de Groot, zyn huisgezin, goederen, en alle dingen hem toebehoorende in dit ons Koningryk; doende verbod aan alle perzoonen van wat natie, qualiteit en conditie dezelven zouden mogen weezen, van hem te misdoen of te miszeggen, of ook iet te bestaan en te attendeeren tegen zyn persoon, het zy directelyk of indirectelyk, op hoedanige wyze of maniere, en onder wat protext of dekmantel zulks zoude mogen zyn, op lyfstrafe.
"Belastende aan alle onze Rechters, Amtlieden, Landdrosten, Archers of Lyfwachten, en anderen, hem de sterke hand en hulpe te bieden, en niet toe te laaten, dat hem eenig ongelyk of injurie aangedaan worde, procedeerende tegen de genen, die hier tegen zouden durven handelen, als tegen verbreekers van onze Sauvegarde, op poene als vooren; en doende in zulker voege, dat de voornoemde de Groot moge leeven in alle zekerheid onder onze authoriteit en bescherming."
Brand zegt, dat de gemelde verantwoording wel schielyk verbooden, maar nooit wederlegd is geworden.—De groote Hugo schreef, staande zyn verblyf te Parys, onder anderen, ook nog zyn Onderzoek van de Pelagiaansche Leerstukken, waarin by ruiterlyk voor de zaak der Remonstranten uitkwam; want hy toonde in dat geschrift aan, dat de Leer der gezegde Kerkgemeente, niet Pelagiaansch was, maar met het gevoelen der oudste en zuiverste Leeraars overeenkwam.
De diensten welken hy, staande zyn verblyf aan het Fransche Hof, zyne landgenooten bewees, zyn indedaad niet gering geweest; trouwens een man als onze de Groot was ook in alle opzichten te groot, dan dat zyn leven niet eene aanëenschakeling van roemwaardige bedryven zoude geweest zyn; Prins Fredrik Hendrik was zelfs één van de geenen welken hem desaangaande dankbaarheid verschuldigd waren: een missive van dien doorluchtigen Persoonaadje, in de Fransche taale aan Hugo geschreeven, onder dagtekening van den 4 Augustus 1621, begint met deeze woorden: