1 Ik schrijf, afwijkend van de gebruikelijke schijfwijze, Ooreuropeesch enz. en niet Oereuropeesch, omdat ik niet kan inzien, dat oor- hier een specifiek andere beteekenis zou hebben dan in oorsprong, oorkonde, oorzaak enz. Terecht schrijft Prof. Van Helten in het Tijdschrift voor Ned. Taal- en Letterkunde XXV (1906), bl. 63: “Oorgermaansch, niet, zooals men vaak hoort of leest, Oergermaansch, dat een monster is met een hd. voor- en een nl. achterstuk”.

2 Ik volg hier en elders doorgaans de lijsten van Jan te Winkel, de Noord-Nederlandsche tongvallen (Leiden 1809); voor het Zuidoostelijk gebied heb ik nut getrokken uit mijn persoonlijke onderzoekingen. Een goede, beknopte samenvatting geeft ook Te Winkelʼs Kurze Charasteristik der Nordniederländischen Dialekte (Gallée, Das niederländische Bauernhaus und seine Bewohner, Utrecht 1909).

3 De klanknoteering van den Heer Baur heb ik behouden. Zijn å beantwoordt ongeveer aan den oa-klank, de ž aan de g van het Fransche gendre.

4 De woegel op: den wagen op, d.i. aan den gang.

5 Sedert 1 Mei 1872 moeten in Noord-Brabant de vellingen en banden van de wielen der boerenkarren een breedte hebben van tenminste 9½ c.M.

6 Zoo bestaat b.v. te Venloo een gardeneerstaal, d.i. tuiniers-, Gärtnertaal, die ten gevolge van het levendige handelsverkeer sterk onder Duitschen invloed staat; getuigen de woorden slaat (Salade), gemeus (Gemüse), baan (Bahnhof), kappes (Kappeskohl) e.a.

7 De g is hier explosief.