De blindend-blanke hagelwolken drijven
trotsch en geducht aan 't hardblaauw firmament
en dreigen met hun schaduw te verstijven
de schuchtre kindren van de jonge lent.
Van 't koele Noord varen ze stom en prachtig,
gekuifde sneeuwkop booven grauwen buik,
door den van toorn gebolden stoet onmachtig
groet lieve zon de beidende⁀aard tersluik.
Toch drijft, niet-kleumsch, de beuk haar bleeke loover
ten twijgen uit, de tulpbloem flonkert koen,
de berk in 't sparbosch sprinkelt zich àl oover
met tintellooverkes van teeder groen.
De koekoek roept getrouw het voorjaar uit,
de mei houdt vol, bestendig langs de dreeven
schalt nachtegalenslag en lijsterfluit,
en alom zeegeviert het lichte leeven.

De schat mijns harten.

Aldoor maar moet ik bedenken de schoone gedachte,
Telkens weer moet ik beschouwen den schat in mijn boezem,
Nimmer verzaadt zij mijn oog, als eens rijken juweelsteens
Wisslend geflonker.
Is het dan, is het dan waarlijk mijn eigenst, mijn innigst?
Heb ik het kostbaarst der waereld, wat bloed niet kan werven?
Hoe heeft vóór allen aan mij dan, aan mij zich voltrokken
't Nameloos wonder?!
.............................................................
.............................................................
Het is mijn ster, het is de sterke liefde,
die niemand kan verstaan en niemand ziet,
die alom heerscht, die al vertroost wat griefde,
die stralend schoon uit alle dingen schiet.
Nu ken ik haar die heft en heelt en heiligt,
die zacht als water door geen kracht bezwijkt,
den Satan slaat en voor demoonen veiligt,
die immer buigend booven bergen reikt.
Dies roem ik God, zal van zijn Rijk gewagen,
spijt aller schijndeugd, spot of hindernis,
daar Hij der waereld doem zoo ligt leert dragen
en zacht voor Liefde's kindren is.
.............................................................
.............................................................
Altijd door moet ik weer denken de schoone gedachte,
Als ik ga slapen en 's nachts en des morgens, des morgens,
Als zij weer waarlijk in luister ontluikt uit den scheemer,
eeuwig waarachtig.
Hoofdschuddend lach ik tot bloemen, tot weiden, tot wolken,
d'armen strek ik der zee toe: "wéét ge het? wéét ge het?"
Tranen stroomen mijn wangen langs, mild als de slaaf weent
voelend verlossing.

Het looverlied.

Hoe heerlijk onder bladgeruisch te gaan
van groote boomen die in duister staan,
weer naar hun machtig nachtgezang te luistren
hun wijd gezwatel en plechtstatig fluistren.
In langen winter zongen barre twijgen
een ander lied. Zij klaagden, of hun zwijgen
was angstig in den Januari-mist.—
Maar 't loover kwam toch weer—en hoor nu is 't
als een gelukkig volk dat zeegezingt.
Nu juicht het gansche lenteland, er klinkt
fijn geschalmei van voogels in de verte—
zoo fijn en klaar als 't tintelend gesternte
dat door de zwarte bladerschimmen kijkt
en met haar vaag beweegen komt en wijkt.
Ik ga door looverlied en sterreschijn
blij en gerust. Ook in mijn kleine brein
Als nu mijn ziel reeds in dit brooze huis
het looverlied verstaat en 't zeegeruisch—
zal ik dan niet in sterker lijf herbooren
den juubelzang der gouden sterren hooren?

Alles voor U.

Alles voor U,—wie is er nog betrouwbaar
dan Hij die 't licht en de gesternten maakt,
van wien al wat er tastbaar heet en schouwbaar,
al wat ons lijf beroert en raakt
is enkel een gedachte⁀en teere droom?
De breede zee met witbeschuimden zoom,
zilv'rig beglansd door vluchtige lichten,
't kantig gebergt, gloedrood in zonnevonken,
wat zijn ze, dan Uw droomgedichten?—
Gij denkt hem éve' en eeuwig pronken
de groote maaksels voor der schepslen oog.
Het vaste veld, de luchte wolkenboog,
Alles voor U,—gij mijn getrouwe God,
nu weet ik wèl waarom Gij mij deed vinden
begrijp zoo luttel, zooveel haat en spot,
zoo weinig vrinden en zooveel verblinden—
't Was dat mijn hart, verbijsterd, keeren zou
tot U alleen, bron van begrijp en trouw.
Al wat ik nog aan lieven en aan leeven
te geeven heb, 't is al, 't is al voor U,
maar om Uw lieven wille kan ik geeven
den menschen méér aan liefde, dan tot nú—
Schoon zij mij al niet danken of verstaan
te lieflijker glanst mij Uw glimlach aan.
Hier is mijn hart,—ze noemden het ontrouw,
het was zoo wispeltuurig en zoo grillig,
verlatend vrind voor vrind en vrouw voor vrouw,
toch is 't standvastig en gewillig.
't Zwierf als een schaap van weide op weide verder,
volgend het roepen van onzichtbren herder.
Als een wit vlinderken ging 't welgemoed
in zachte fladdervlucht door donker dal,
en zocht met vagen schijn een stellig goed:
Uw licht, Uw zoetheid ooveral,—
totdat het door de sombre denne-stammen,
den vrijen, hoogen heemel weer zag vlammen.
Hier zijn mijn oogen,—ach, zoo blind! zoo blind!
Voor zooveel vondsten hebben ze geglansd,
als die van 't kind, dat eenen glasscherf vindt
en roept: "een diamant!" en danst
in 't rond, de vingertjes aan bloed gesneeden.—
Hier is mijn stem,—die om zoo kleine reeden
geweeklaagd heeft, door vrees en twijfel zwak.
Zij deed de menschen luisteren en weenen,
totdat zij steeg en sterker klanken sprak....
toen heeft zij onoprecht gescheenen,—....
Vader! voor wien geen kunst noch liegen baat,
neem Gij haar aan in haar oprechten staat.
Neem alle sieraad met uw zuivre handen,
al wat er uitblonk van mijn weezen af,
op úw altaar mag door úw vuur verbranden
al wat mij trots en aanzien gaf.
Ik wil niet zooveel beeter zijn dan andren—
maar liever digt-bij in uw schaduw wandlen.
Voor U mijn naam, mijn eer, mijn kunst, mijn deugden,
ik begeer niets dan wat Gij stil hergeeft—
Maar leer mijn zinnen, die mij zóó verheugden,
hoe Gij, in al wat zij ontwaren, leeft.
Hoe ik mijn Liefste⁀om U alleen bemin,
en hoe al 't schoone sluit uw schoonheid in.

De Staf.

Onrust en donker alomme,
Bang als een doove-en-stomme,
tastend als blind ga ik omme—
Waar is mijn staf?
Ik lijd en moet veelen verdrieten,
ik geniet ook en doe wel genieten,
maar alle vreugd zie ik vlieten
in een graf.—
Ik weet wat alleenig mij rust geeft,
wat mijn angsten gesust heeft,
als 't kind dat moeder gekust heeft
vóór den nacht.
Maar vergeet ik het éven,
dan heeft mijn staf mij begeeven.
Wáár, wáár is hij gevallen?
Niemand weet het van u allen,
Geen één, geen één,
en ik sta weer weifelend en alleen,
bedenkend hoe toch alles vliet
in het niet.
Mocht ik een Godsgaaf bedingen—
ik vroeg sterke herinneringen
omtrent eeuwige dingen.

Aan de Groote Dichters.

Blijft ons nabij, hoogtroonende getuigen
des Leevens, waar ons machteloos geslacht
geen zweem van kent, opdat ons niet te buigen
vermoog' hun laag gedacht'.
Kaats ons den schijn, als gouden looverhoofden
welvend uit diepten van een somber woud,
den schijn dier zon, waarin wij nóg geloofden
in schaduw droef en koud.
Hard drukt de last der schoonheidlooze dagen,
niet d'onze, maar der broederen rondom,
die ons bestaan door eigen derving dragen,
't lijf der gerechten krom.
In zorgen gaan wij, Blijden van natuure,
Zangers voor God, van Schoonheid en Geluk,—
dat dan niet tot versterf van 't Hoogste duure
des meededoogens druk!
Wat gij doorleefde in voeling onuitspreekbaar,
geen werk der waereld schoort het of genaakt
de hoogten waar voor altijd en onbreekbaar
uw ziel haar woonstee maakt.
Bóoven de kwaal en de armoe onzer tijden,
bóoven 't gevecht om ruimte⁀en 't zwoegen om brood,
leert gij ons kalm op weidsche weegen schrijden
in weelden sterk en groot.
De waereld is een droom u, één uit velen,
en niet de schoonste,—de verklankte schijn,
't verzinlijkt beeld blijft u toch vèr verscheelen
van 't ongelijkbaar zijn.
Maar juist door macht dier zeldsame genade
te kennen 't Licht waartoe ons oog niet reikt,
kleedt gij in wondre⁀en óoverschoone wade
al wat op aarde prijkt.
d'Oogappels groot en donker op de vonken
van Gods verborgen wonderen gericht
hebt gij 't klein leeven rondom u geschonken
een rijkdom lief en licht.
Zoo gaaft gij, die mijn vriend zijt en gezelle,
schoon gansch verteerd in uw Godsliefdebrand,
juist door dat vuur een luister hoog en helle
aan 't heerlijk Vlaanderland.
Maar Goethe wist ook, dat waar twee zich vinden
in 't kamerkijn, de waereld breed en wijd
voor hunner liefde gloorie kan verzwinden
met al haar heerlijkheid.
En voor een gouden woord van Dante's lippen
een juubel-klinken uit Hebreeër-psalm
zien we⁀al ons bangelijk getob verglippen
als spook voor klokkengalm.
Maar wee den dichter die niet staag blijft weeten
dat van Godsliefde alleen zijn dichtmacht stamt,
hij wordt bij 't stemloos volk teruggesmeeten
midde⁀in zijn kracht verlamd.
Blijft ons nabij dan, dat wij niet vergeeten
de rechte waarde⁀en zin van wat bestaat
en wij wat van den heemel is niet meeten
naar menschenmaat.

Shelley's Epipsychidion.

Een vuurstorm van vervoerende gedachten
een woord vol flonkerende majesteit
verlicht opnieuw de scheemring mijner nachten
en breekt des leevens vale eenvormigheid.
Waar is een tweede woord als dit ontvaren
aan menschenmond, in al der menschheid jaren?
Dit is geen teeder lied van liefde en leed,
dit is geen mijmerende klacht van minne,
het is een donderende vrijheidskreet
en houdt het helderst vuur van wijsheid inne
dat ziedend in der menschheid boezem lag
en losbreekt met verbijsterenden slag.
Het is een fonkelende lans gedreeven
recht in den muil van goor en donker beest
dat 't schrikbevangen menschenhart doet beeven
maar machtloos deinst als 't niet meer wordt gevreesd.
De grimm'ge schimmen Waan en Dood vervagen
waar heldenvoet den eersten stap dorst wagen.
Het is een eenzaam, arendsjong, dat schouwend
in peilloos blauw, de stramme vlerken rekt
en eindlijk, innerlijken drang betrouwend,
den greet'gen hals ver van den rotskant strekt
en stort zich vreesloos in de ruime sfeeren
om d'eigen nooit-beproefde macht te leeren.
Ik spreek in koel bezinnen, noode drijft
heilige waarheid wel-betoomde woorden
tot koener vlucht, want deeze schoonheid blijft
der bliksemschichten helste, die doorboorden
wat als een somber neeveldek bezwaart
't zwoel-broeyend menschenleeven deezer aard.
Het is alsof een volk verworpen slaven
roerloos gekneeveld ligt op donker land,
het lijf omschalmd, 't gelaat in stof begraven
terwijl een vaal gewolk de lucht bespant—
maar één verrijst en doet door machtig wringen
met luiden klank de bloed'ge boeyen springen.
Het ijzer valt, hij staat rechtop gericht,
en als een gloed-fontein met duizend kleuren
maakt zijn geroep den veegen heemel licht
en doet de vlam zijns woords den scheemer scheuren,
't verworpen volk blijft stil en geeft geen teeken,
maar d'englen aan de hellepoort verbleeken.
Gij armen, die niets hoordet, niets begrijpt
gevoelloos in uw dof bestaan verlooren,
weet dat de vrucht der vrijheid is gerijpt.
Uit aardsche liefde is 't heemelsch kind gebooren
dat van uw doodsch geslacht den boei kan slaken
en uw verdoofde blikken glanzend maken.
Want niets heeft er vermoogen dan de Geest.
Zij sprak van Glans en Schoonheid, onvernoomen
door wie nog kruipen, siddrend voor het beest.
Doch wat haar bliks'mend wilswoord schiep, zal koomen.
Haar zeegen werkt, haar opvaart duldt geen kluister,
haar vrijheid daagt in nooit-vermoeden luister.

Stem van Génerzijds.

Het was zoo licht toen ik moest scheiden
de spreeuwen kweelden luide en teer,
en een onnoemelijk verblijden
vervulde veld en atmosfeer.
Een plechtig en verblindend wonder
verrees,—als waar 't voor 't eerst,—de zon,
en bloem op bloem ontsloot zich onder
haar zeegen, naar zij kracht gewon.
De waereld scheen verbaasd te ontwaken
als vond haar 't licht voor d'eerste maal.
'k Zag zwaluwen hun nestjes maken
en zwieren in den morgenstraal.
Ik zag de kiewiet om zijn jongen
klapwieken met bezorgd gerucht—
ik hoorde hoe de meerlen zongen
hun welkom in de luuwe lucht.
Ik was niet angstig om te sterven,
maar 't zag zoo luisterrijk op aard,
als had al 't schoon, dat ik ging derven,
zich in één uiterst uur vergaard.
Genooten goed, dat ging begeeven,
had ik u wel genoeg bemind?
Verheeven weelden van het leeven
nam ik u dankbaar, als een kind?
Wist ik mijn korte leevenswijding
te vieren als een heilig feest?
Is mij 't ontwaren tot verblijding,
't bepeinzen tot een lust geweest?
Als vaagde ik zwarte spinneraggen
van oud en kostbaar schilderij,
zag 'k onontgonnen vreugden lachen
voor 't eerst van duistre spinsels vrij.—
O angst, o waan, o booze krankte
der menschen, die ons elk besmet,
die den hartstochtelijken dank te
bewijzen onzen God, ons let,
die ons doet weifelen en doet ijzen
en wroegen, klaaglijk en bedrukt,
waar 't leeuw'rikje' in zijn luchtpaleizen
omhoogvaart, juub'lend en verrukt.—
Hoor gij, die nog in 't licht moogt woonen,
dit woord uit 't eeuwig droomrijk aan:
"verdrijf die schimmige demoonen"
"die voor Gods lieflijk aanzicht staan!"
"Hard drukt de spijt om noodloos lijden,"
"Om gloorie, door een waan gemist".....
De⁀aard was zoo licht, toen ik moest scheiden,
en zooveel schooner dan ik wist.—

Een Minnezang.

Vraagt ge mij zangen?—Maar wie
maakte mijn leeven tot een harmonisch lied?
Weinigen die de melodiëen er van verstaan,
Maar gij toch wel?
Als ik aan u denk, denk ik aan de leeuw'rik
de leeuwrik die des nachts zingt onder de sterren,
alleen tusschen de zwarte, stille wolken,
gansch alleen booven de duistere aarde,—
de maan sluit slaaprig 't oog aan de kimme—
hij waakt en zingt.
Als ik aan u denk zingen zóó mijn gedachten,
de duistere aarde luistert niet.
Gij weet hoe zwaar het is God te gedenken
in alle donkere gangen des leevens.
Maar door u heb ik Hem niet vergeeten.
Verlangt ge nog meer?
Verzoenster! met u vond ik de zee
de groote zee des vreedes—
en in de verre heemelen van rust heb ik gestaard,
zij het maar éven.
En mijn deemoed is ontbloeid naast de uwe,
en mijn getrouwheid is door de uwe gebooren,
en uw geduld is het mijne geworden
onder den zeegen uwer liefde.
Uwe oprechte oogen volgden al mijn beweegen
en hebben mijn hart en handen verlicht—
en de trage nevelen zijn opgeklaard
van mijn voorhoofd.
Welk heerlijk wonder als de vlagen staken,
als het gedonder der stormen ophoudt en de koude
reegen niet meer striemt,
als de zon door langsaam verzwindende wolken
warmte zendt op het verstilde loof,
als dan de reegenzware halmen zich rechten,
en de eerste voogelstemmetjes bedeesd weerklinken,
en het leeven van de ontelbare teedere weezentjes
die wat vreugde zoeken op 't gras, in de lucht, in 't water,
schuchterlijk hèrbegint.
Ach, zoo zoet was het weeder opleeven
onder den grooten zeegen uwer liefde,
seedert zijn mijn dagen zangen geweest.
Verlangt ge nòg meer?
Neem dan deeze ordelooze stroofen,
ook de leeuwrik zingt wild en zonder reegelmaat,
hij breekt af en herhaalt en herhaalt, als door àl te machtigen aandrang
van zijn innigheid.

In Memoriam.

Zoo werd u 't wigt der kommervolle dagen
ten lest te zwaar en naamt ge, t'enden raad,
uw daadkracht saam tot éénen wanhoopsdaad,
de pijlers breekend die niet konden schragen—
zachte, bescheiden broeder! teedre vrind!
te vroeg gebooren kind van beeter tijden,
waarin der menschen vluchtige uuren glijden
met ligter gang, en elk zijn bloeitijd vindt,—
zoon van een volk van blijde, wijze kind'ren,
die in bedachtsaam en gerust bestaan,
met fijnen glimlach zien Gods wond'ren aan
en niemand in zijn lucht gepeins verhind'ren.
Bestemd voor zulk een waereld, zulke volken,
waar men den nooit-gezienen groet als vrind
en d'eigen ziel in elk weerspiegeld vindt—
werd gij geworpen in de neevelkolken
Maar ach! hier geldt niet eedelmoed, noch fijnheid
van geest, noch loyauteit, noch zwier, noch eer,
't hoogst-streevend hart ligt allereerst ter neer,
ter sluik gemoord door onbespeurbre kleinheid,
want als een giftdamp vol miasmen, smoort
den eedlen geest het kleine, lage leeven
der duizenden, wien schoonheid is om 't eeven,
die spotten om oprecht en innig woord.
Meedoogenloos door 't strenge lot gebannen,
verweerloos, arme broeder! tot dien strijd,
beklom u 't weeten uwer machtloosheid
telken dag weer, met telkens weer vermannen.
Gij voelde 't als een monster, valsch en wreed,
door zwaardslag en verwonding onverstoorbaar,
gestadig nader, schaduwig, onhoorbaar,
bekruipen uw arm lichaam, nat van zweet.
Doch strijden moest ge⁀of sterven! Niet gedoogd'
uw diep gevoelig hart de koele rust
des wèl-voldanen, die van veil'ge kust
naar storm-geslagen schepelingen oogt.
Als een die oogenlid-loos en gebonden
naar 't hachelijk worst'len van zijn landsvolk staart,
niet wenden kan het hoofd, noch heffen 't zwaard,
noch stelpen 't bloed of reinigen de wonden—
Zooals een die in droom zijn huis in vlam
ziet en in doodsgevaar zijn vrouw en kind'ren
maar kan het schrik'lijk onheil niet verhind'ren,
de stem verstikt, aan alle leeden lam—
Zoo liet der waereld vale, vage nood
u niet meer toe te waken of te slapen—
gij kondt niet stillen 't wee, noch beuren 't wapen—
wat bleef er uitkomst als de dood?
Dit is geen tijd voor teed'ren,—als de wagen
van Jaggernaut verplet hen 's Leevens wigt,—
toen hebt ge op 't eigen hooploos hart gericht
't onnutte wapen, te zwaar om te dragen.
Was 't misdrijf?—Duister is Gods raad ons armen,
ons innigst geeven wordt het ruuwst geknot,
rondom is argwaan, weifeling en spot,—
zou Hij zich des oprechten niet erbarmen,
die streedt tot 't einde van zijn kracht, en viel?
En wie van ons, bedreigden, durft het wraken
zoo gij geen andre doortocht wist te maken
voor uw bemoeyelijkte ziel?
De dag dringt in mij met dezelfde pijnen
als die u folterden,—zoo ik nog sta,
ik noem 't geen kracht, ik noem het maar genâ,
zou mij uw val dan zwakheid schijnen?

Toen kwam er rust,—de rustelooze wind
suist eeuwig voort door 't glanzig helm der duinen,
waar digtbij zee, aan Holland's groene tuinen,
uw lijf zijn zonn'ge ligstee vind.
Zoo droome uw losgemaakte ziel in vreede
van 't schoone en goede wat ge vondt en deedt,
en van ons die u minden.—
Zacht betreed
ik nu met stillen dank de vreed'ge steede.

Zelf-Schouw.

Mijn blanke dwaal-ster zie ik staan
in donkerblauwe⁀omnachting—
op dorp en duinland schijnt de maan—
in mijn bevreedigd hart vangt aan
een diepe zelf-betrachting.
Ik ben wel een gezeegend wicht,
doch weet dat niet gestadig,—
maar als ik stil mijn aandacht richt
op 't innig zelf, komt steeds het Licht
en wijst het mij genadig.
Geslingerd ben ik her en der,
gedoold heb ik vervaarlijk—
doch schijnt mij mijn verheeven Ster
na elk verdwalen minder ver
en 't leeven min bezwaarlijk.
Doch 't wilde leeven lokt mij uit—
dan kamp en lijd ik deerlijk,—
tot ik weer hoor haar zacht geluid
en als een bruidegom zijn bruid
haar wéérvind, schoon en heerlijk.
Mijn arme lichaam, teer en broos,
doe ik mij wèl serveeren.—
tot ik het eenmaal, leeg en voos,
te rust zal leggen voor altoos,
als afgedragen kleeren.
Mijn hart behoudt geen spijt of nijd,
't zoekt ook zijn lust niet grillig.—
Door onbesuisde teederheid
heeft het wel veelen leed bereid,
doch griefde 't niemand willig.
Mijn weezen heeft een tragen gang
't wil tijd, zich te bezinnen,
't vreest pijn te doen en mijmert lang,
maar vaart dan plotsling uit, nooit bang
iets hachlijks te beginnen.
Waarheid is mij, wat 't kindekijn
de borsten zijn die 't voeden,
doch weetend dat zij schoon moet zijn,
vergrijp ik mij aan schoonen schijn
vaak tot mijn handen bloeden.
En onontmoedigd, weederom
zoek ik wat goed en eerzaam
aan elk is, wien ik teegenkom—
want hoezeer onbesuisd en dom,
toch ben ik niet onleerzaam.
Ik acht mij maar een kleine man,
bedeesd en zwak van krachten,—
doch welke macht ter waereld kan
verslaan wie stijgt op vleuglen van
zijn godlijke gedachten?
't Liefst ging ik als een zorgloos kind
aan vaders hand door 't leeven.
Doch hoe, zoo 'k hier geen vader vind,
zoo wijs, zoo sterk, zoo hoog-gezind,
om hem vertrouwelijk en blind
mijn kinderhand te geven?
Toen moest ik wel, met zware dracht,
den schijnbren hoogmoed dragen,
alleenstaand met begrip en klacht,—
en aan de sterren van den nacht
om eenen Vader vragen.
Mijn eigen, echte makelij
doet veelen zich bedriegen,
ze noemen 't spel en hoovaardij,
en als ik eerlijk spreek en blij
dan heeten ze 't me liegen.
Ik word geliefd, ik word gehaat,—
noch Eer is 't, noch Beschaming,—
want wie mijn weezen niet verstaat,
hij raakt mij niet, maar mint of smaadt
een pop, met mijn benaming.
Mijn Vader maakte mij gewis
aldus, opdat ik leere
hoe ijl der menschen oordeel is,
en ik mij van hun ergernis
tot Zijn vertroosting keere.

Julius Oldach.

Wohl nicht umsonst trägt Frau Germania
so stolz die Krone und so hoch den Busen,
errang sie doch den Ehrenpreis der Musen
für Poësie und Musika.—
Jedoch es schien gar Manchem unterdessen
als hätte längst Sankt Lukas sie vergessen.
Sie schenkte einem Dichter oder Gleichen
ein weihe-volles Leben ohne Schmach,
und es umspült der göttlich klare Bach,
der Seelen Labsal, ihre Eichen.
Doch stand es schlimmer mit der Kunst der Farben,
nun ja! die Reiche soll doch auch mal darben.
Das neid'sche Schicksal, eifrig zu enttronen
wo es zu viel des Ruhmesstolzes fand,
nam Ihr, der Hohen, theilweis den Verstand,
sodass die biederen Teutonen
den Bismarck hundertmal in Erze giessen,
und Julius Oldach arm krepiren liessen.
Der Bäckerssohn mit festem Feuerblick,
er hat gemalt wie die von Gott erhellten
und seiner Seele ungeheure Welten
gedrängt auf tellergrosses Stück.
Doch hat's die Deutschen Herzen nicht erwärmt,
es hiess: "der Arme hab' sich todgehärmt".
Nicht doch!—es hat kein Mensch noch so volkommen
gesiegt wie er, in Kämpfen fürchterlich.
Wer war's der an Verwegenheit ihm glich
und siegreich ist davongekommen?
Und 's nimmt doch alles sich gar kleinlich aus.
Der hehre Geist wählt sich ein enges Haus.
Nach tausend Jahr und abertausend Jahren
da wird wohl mancher Schüler kaum noch rathen
was Zieten, Blücher, Roon und Moltke thaten,
ob's Krieger oder Krämer waren....
doch schmählich wird die blinde Welt genannt
die Oldach ein Jahrhundert lang verkannt.

De Klok[1].

Zwijgend hing de klok in den tooren en wachtte.—
Omlaag in de glinstrende gangen der stad
dwar'lden in vuurigen zwerm de lichtjes.
Peillooze nacht
toefde in den heemel bij flauwe, deinzende sterren.
Posuït me in tenebris—...
Zwijgend hing de klok in den tooren en wachtte...
Ver beneeden raasde de storm van Londen,
de ondiepe storm onzes leevens
onder afgronden van eeuwige stilte.
...et in umbra, mortis.
In de donkre tooren hing de klok en wachtte.
Onder de klok, elk in zijne steede,
sliepen de strenge dooden.
In tenebris stravi lectulum....
Eén voor één, onder den machtigen tooren,
legden de leevenden hen.
Maar hun warm leeven slaapt met hen, inniger
dan wie gehuwd zijn, leeven dat voortgaat in sluimer,
leeven dat nimmer staakt, noch onderbreeking kent.
...et in polvere dormiam.
De klok omhoog toefde booven de stad.
Toen, te middernacht, hoorde de wachter beneeden
in de donk're klok beslooten stemmen fluistren,
hoorbaar alleen voor hem, wachter te middernacht.
Spooken van klank bewoogen in de ijzeren stilte.
Cor meum conturbatum est—....
Dood—en de wolven van Vrees waarden in 't duister.
Spooken van klank, gevangen binne' in de stilte,
golfden rondom de klok, als in benauwen:
"verlos ons, o gij die toeft!"
"Doe ons reeg'nen rondom, verspreid ons als hagel van vrees,"
"Hoor! gij achtlooze stad, dronken van leeven!"
"Hoort! gij leevende zielen,"
"hoort! gij zielen van wie er moog waken, moog slapen"
...formido mortis cecidit super me.
"Dit is de doem des Doods en géén ontkomt."
"Eénzaam zal hij liggen, geen gerief zal hem naken,"
"de dooden zijn van hem gescheiden, en de leevenden,"
"Dood duldt géén gezellen."
"Koud is zijn bed, hoezeer met warmte ontvangen,"
"zijn huisselijk bed, waar hij zóó lang sluimerde veilig."
"Zie, het ontvalt hem, Dood sleept in duisteren afgrond"
"langsaam zijn zwichtende vleesch."
"Zijn verduisterde oogen, nooit zal meer lamp hen verlichten,"
"liefde beroert hem niet, deernis mag hem niet bereiken."
Sicut umbra quum declinat.
Zwijgend hing de klok in den tooren en wachtte.
Onder de stilte nog drongen de spookige stemmen:
"Gij in uw sluimer gewiegd door de duurende pols-slag"
"van het getemperde leeven, gij die nog waakt,"
"hoort! het woord van den Dood:"
"de gerechte sterft en ook de zondaars sterven,"
"Dood heeft maar één domein."
Unus introitus est omnibus ad vitam—....
"Eénder is 't einde, of gij al rust of werkt,"
"of gij al wijsheid zoekt, of gij al zwoegt"
"jagend naar lust of macht."
"Met onverschillige hand reikt de Dood ééne gave",
"vult met duister het brein, de handen met stof."
...—et similis exitus.
"Thans is de stonde des Doods en de stond der Geboorte."
"Gij, in de duistere stad, die baart deezen nacht,"
"tot wat eind uw moeyelijkheid, uwe smarten?"
Sic et nos nati—...
"Hem baarde zijn moeder in smart, toch met blijdschap."
"—Maar alles vervalt den Dood—"
"hem die in smart uit dit leeven verlost wordt"
...continuo desivimus esse.
"Al het geboor'ne is een prooi des Doods,"
Toen, in volkoomen nacht, als nauwelijks hoorbaar
Londen omlaag nog maar fluisterend roerde als in sluimer,
ver daarbooven, booven zijn dwalende nevels,
onder de kalme sterren,
plechtig en diep sprak de klok in de stilte:
Pax Deï—...
sprak het met God als alleen, in zeegening.
Vreede allen zielen, vreede na zwoegen en drang,
vreede als van hem wiens werk is voleindigd!
Lof zij Goode! voor leeven en dood volbracht.
Dank zij Goode! den geever,
Als had een geest, bij 't ontstijgen van de aarde
éven toevend, het groote zeegenwoord gesprooken,
... quae exsuperat omnem sensum.
sprak het de zware klok in des middernachts diep.
De machtige stem, aan de stilte zich bindend,
deinde weergalmend oover d'ontzachlijke stad
in lange golven van klank.
Qui confidunt in Illo intelligent veritatem.
Hooge konde des Doods aan het Leeven.
Zooals de wind vaagt van het heemelgelaat
en onder zich ophoopt tot warre gestapelde massa
de gekruifde wolken, in plotslinge gloorie toonend
de sterren in hoogte oover hoogte,
zoo joeg de manende Dood van 't aanzicht des Leevens
verstrooyend de scheemrige neevlen van 't leevende.
In lumine tuo videbimus lumen.
En het Leeven verrees, het klare, schoone Leeven.
Toen hoorde beneeden de wachter te middernacht
hoe het geluid van den Dood
oover de stad hong in zeegening,
het zeegende de stille dooden, de zwoegende leevenden,
alle gerechte zielen.
Liefdrijken en waarachtigen hoorden het in hun slaap,
verborgen in donk're slaapsteeden der volle stad.
Pax est electis Ejus.
En vreede vervulde de diepe bronnen des harten.
Ook de Geboorte zeegende het en de vreugde der moeders.
Want als in tijden van oudsher, nauwlijks herinnerd,
de blijde ziel van den doode
weerkwam op aard, welkom, tot welkom bereid,
zoo keert nu weer, na voltooying, verheldring, verblijding,
welkom de dierbare ziel tot den Vader.
Justorum autem animae....
Dit is de stonde des Doods en de stond der Geboorte.
En hij die rouwde in wake, onder den tooren,
hoorde dóór dat geluid d'ondoordringbare
majestatische stilt' des begravenen Tijds.
En de jaren van hem die gestorven was
hoorde hij vallen als water, gestort van een schaal
in de woelende, vage, vervormende zee.
De getelde jaren vielen
en mengden zich met 't oneindig verleeden.
....in manu Dei sunt.
de klok luidde hen needer in d'Eeuwigheid.
Het statig geluid des Leevens, weidsch zich verrustigend,
hoorde hij en 't vloeyen aller wateren
tot de woeste, onvruchtbare, eind'looze zee,
en hoorde de stille wateren, gereezen uit de zee,
voedend en sierend eeuwiglijk de vruchtbare aarde.
en hij zag van hem die gestorven was
de jaren, heimlijk, verspreid, voeden der waereld hart,
Non tanget illos tormentum mortis
en floerslooze sterren opluikend om de aarde.
Toen in den tooren, onder der starren schare,
booven de gescepterde dooden, de leevende werkers,
elk in zijn leeger van ruste,
zag hij 't aanweezen eens Engels, die zeegende
zorg en rust,—de Engel van Vreede onuitspreeklijk.
Pax in aeternum Deï.
Langsaam verstomde de klok in den luistrenden nacht.