DE JODEN: Wee! Wee!
SALOME: Geef mij het hoofd van Jokanaän.
HERODES (hij zinkt neêr op zijn zetel): Laat men haar geven wat zij
vraagt! Wel is zij de dochter harer moeder! (De eerste soldaat
nadert. Herodias haalt van den vinger van den Tetrarch den ring des
doods en geeft hem aan den soldaat die hem onmiddellijk aan den beul
brengt. De beul ziet ontsteld.) Wie heeft mijn ring genomen? Daar was
een ring aan mijn rechterhand. Wie heeft mijn wijn gedronken? Er was
wijn in mijn beker. Hij was vol wijn. Iemand heeft er van gedronken.
O, ik ben zeker dat er iemand een ongeluk gaat overkomen. (De beult
daalt af in den waterput.) Wee, waarom heb ik mijn woord gegeven?
Koningen moeten nimmer hun woord geven. Als zij het niet houden, is
het vreeselijk. Als zij het houden, is het ook vreeselijk.
HERODIAS: In mijn oogen heeft mijn dochter wel gedaan.
SALOME (buigt zich over den waterput en luistert): Er is geen
gerucht. Ik hoor niets. Waarom schreeuwt deze mensch het niet uit? O,
als iemand mij zocht te dooden, zoû ik schreeuwen, ik zoû het niet
dulden ... Sla toe, sla toe, Naäman. Sla toe, zeg ik u ... Neen, ik
hoor niets. Het is afgrijselijk stil. Ah, daar is iets op den grond
gevallen. Ik heb iets hooren vallen. Het was het zwaard van den beul.
Hij is bevreesd, de slaaf! Hij heeft zijn zwaard laten vallen. Hij
durft hem niet dooden. Hij is een lafaard, de slaaf! Ik zal soldaten
sturen. (Zij ziet den page van Herodias en wendt zich tot hem.) Kom
hier. Gij waart de vriend van hem die gestorven is, niet-waar? Welnu,
daar zijn nog geen dooden genoeg. Zeg den soldaten dat zij afdalen en
mij brengen wat ik vraag, wat de Tetrarch mij beloofd heeft, wat mij
toebehoort. (De page deinst terug. Zij richt zich tot de soldaten.)
Komt hier, soldaten. Daalt af in den put en brengt mij het hoofd van
dezen mensch. (De soldaten deinzen terug.) Tetrarch, Tetrarch, geef
bevel aan uwe soldaten mij het hoofd van Jokanaän te brengen. (Een
geweldige zwarte arm, de arm van den beul, steekt op uit den put, op
zilveren schotel, het hoofd van Jokanaän. Salome vat het aan. Herodes
verbergt zijn gelaat achter zijn mantel. Herodias glimlacht en wuift
zich koelte toe. De Nazareërs knielen neder en beginnen te bidden.)
Ah, gij hebt mij niet willen toestaan uwen mond te kussen, Jokanaän.
Zie, ik zal hem nu kussen. Ik zal er in bijten met mijne tanden zooals
men bijt in een rijpe vrucht. Ja, ik zal uwen mond kussen, Jokanaän.
Ik heb het u gezegd, niet-waar? Ik heb het u gezegd. Zie, ik zal hem
nu kussen ... Maar waarom ziet gij mij niet aan, Jokanaän? Uw oogen
die zoo schrikkelijk waren, die zoo vol waren van toorn en minachting,
zijn gesloten. Open uw oogen! Hef uw oogleden op, Jokanaän. Waarom
ziet gij mij niet aan? Zijt gij bevreesd voor mij, Jokanaän, dat gij
mij niet wilt aanzien? .... En uw tong die was als een roode slang
die gift slingert, beweegt zich niet meer, zij zegt nu niets,
Jokanaän, de roode adder die zijn venijn over mij spuwde. Het is
wonderlijk, niet-waar? Hoe komt het dat de roode adder niet meer
beweegt?... Gij hebt mij niet gewild, Jokanaän. Gij hebt mij
verworpen. Gij hebt schandelijke dingen tot mij gezegd. Gij hebt mij
behandeld als een boel, als een lichtekooi, mij Salome, de dochter van
Herodias, de Prinses van Judaia. Zie nu, Jokanaän, ik leef nog, maar
gij zijt dood, en uw hoofd behoort mij toe. Ik kan ermeê doen wat ik
wil. Ik kan het aan de honden voorwerpen en aan de vogelen des hemels.
Wat de honden overlaten, zullen de vogelen des hemels eten ... O,
Jokanaän, Jokanaän, gij zijt de eenige man dien ik heb bemind. Al de
overige mannen vervullen mij met afkeer. Maar gij waart schoon. Uw
lichaam was als een ivoren zuil op een voetstuk van zilver. Het was
een tuin vol duiven en zilveren leliën. Het was een zilveren toren
behangen met schilden van ivoor. Niets ter wereld was zoo blank als uw
lichaam. Niets ter wereld was zoo zwart als uwe haren. In de gansche
wereld was er niets zoo rood als uw mond. Uw stem was een wierookvat
dat vreemde geuren verspreidde, en als ik u aanzag, hoorde ik
wonderbare muziek! O, waarom hebt gij mij niet aangezien, Jokanaän?
Achter uwe handen en uwe vervloekingen hebt gij uw gelaat verborgen.
Gij hebt op uw oogen den blinddoek gelegd van hem die zijnen God wil
zien. Welnu, gij hebt uwen God gezien, Jokanaän, maar mij, mij ...
hebt gij nimmer gezien. Als gij mij gezien hadt, zoudt gij mij bemind
hebben. Ik heb u gezien, Jokanaän, en ik heb u bemind. O, hoezeer heb
ik u bemind! Ik bemin u nog, Jokanaän. Ik bemin slechts u ... Ik dorst
naar uwe schoonheid. Ik honger naar uw lichaam. En geen wijn en geen
vruchten kunnen mijn begeerte bevredigen. Wat zal ik nu doen,
Jokanaän? Noch de stroomen noch de groote wateren kunnen mijn
hartstocht blusschen. Ik was een prinses, en gij hebt mij versmaad. Ik
was een maagd, en gij hebt mijn maagdom van mij genomen. Ik was
kuisch, en gij hebt mijne aderen gevuld met vuur ... O, o, waarom hebt
gij mij niet aangezien, Jokanaän? Als gij mij hadt aangezien, zoudt
gij mij bemind hebben. Ik weet dat gij mij zoudt bemind hebben, en de
geheimenis der liefde is grooter dan de geheimenis van den dood.
Liefde alleen is waard dat men haar aanzie.
HERODES: Zij is verfoeielijk, uw dochter, zij is allerverfoeielijkst.
Wat zij gedaan heeft, is bepaald een zwaar misdrijf. Ik weet zeker dat
het een misdrijf is tegen een onbekenden God.
HERODIAS: Ik keur goed wat mijn dochter gedaan heeft. En nu wil ik
hier blijven.
HERODES (staat op): Ha, hoor de vrouw die gehuwd is in bloedschande!
Kom meê! Ik wil niet hier blijven. Kom meê, zeg ik u. Ik ben zeker dat
er een ongeluk gaat gebeuren. Manasse, Issaschar, Ozias, dooft de
fakkels uit. Ik wil de dingen niet aanzien. Ik wil niet dat de dingen
mij aanzien. Bluscht de fakkels uit! Verbergt de maan! Verbergt de
sterren! Laten wij ons in ons paleis verschuilen, Herodias. Ik begin
bevreesd te worden.
(De slaven blusschen de fakkels uit. De sterren verdwijnen. Een
groote zwarte wolk glijdt voor de maan en bedekt haar volkomen. Het
tooneel wordt zeer donker. De Tetrarch begint de trap te bestijgen.)
DE STEM VAN SALOME: Ah, ik heb uwen mond gekust, Jokanaän, ik heb uwen
mond gekust. Daar was een wrange smaak op uwe lippen. Was het de smaak
van bloed? ... Maar misschien was het de smaak der liefde. Men zegt
dat liefde een wrangen smaak heeft ... Maar wat zoû dat? Wat zoû dat?
Ik heb uwen mond gekust, Jokanaän, ik heb uwen mond gekust.
(Een maanstraal valt op Salome en belicht haar fel.)
HERODES (wendt zich om en ziet Salome): Doodt die vrouw! (De
soldaten snellen toe en verpletteren onder hunne schilden Salome,
dochter van Herodias, prinses van Judaia.)
EINDE
EEN FLORENTIJNSCH TREURSPEL
PERSONEN:
- SIMONE;
- BIANCA, Simone's vrouw;
- GUIDO BARDI.
EEN FLORENTIJNSCH TREURSPEL
SIMONE (komt op):
Zoo traag, vrouw-lief? Verdient bij zijn tehuiskomst
Uw heer geen rapper welkom? Neem mijn mantel.
Dit pak eerst. Ja, 't is zwaar. 'k Heb niets verkocht,
Dan aan den kardinaal z'n zoon een pels
Dien hij wil dragen, en hij hoopt eerlang,
Wanneer zijn vader sterft... Maar wie is dit?
Ik zie, ge hebt bezoek. Vast een verwant
Die, uit den vreemde pas weêrom, ons huis
Verraste en vond geen gastheer op den dorpel.
'k Vraag u vergiffnis, mijn verwant. Een huis
Zonder den gastheer is maar een leêg ding
En loos van eer; een beker zonder wijn,
Een scheê die door geen lemmet wordt gestijfd,
Een zonverweeûwde tuin en zonder bloemen.
Nog eens, wil verontschuldgen, lieve neef.
BIANCA:
Hij is geen neef van ons en geen verwant.
SIMONE:
Geen neef, en geen verwant? Gij laat mij schrikken.
Wie is het dan die met zoo hoofsche gunst
Zich wel verwaardt ons gastvrijheid te aanvaarden?
GUIDO:
Mijn naam is Guido Bardi.
SIMONE:
Hoe! De zoon van
Firenze's hoogen heer wiens duistre torens,
Als schaadwen door de zilvren maan omdwaald,
Ik elken avond uit mijn venstren zie?
Heer Guido Bardi, gij zijt welkom hier,
En nog eens welkom. 'k Hoop, mijn brave vrouw,
Die wel niet mooi voor 't oog is, maar heel braaf,
Heeft u niet met haar dom gesnap verveeld,
Als vrouwen anders zijn gewoon.
GUIDO: Mevrouwe,
Wier schoonheid als een lamp de sterren bluscht
En al de stralen rooft uit Luna's koker,
Heeft mij verwelkomd met zoo zoete hoofschheid
Dat ik, als 't haar en uw behagen is,
Nog vaak uw needrig huis bezoeken zal.
En als uw zaken u naar buiten roepen,
Zal 'k bij haar zitten en haar droefheid troosten,
Dat zij niet al te zeer u missen mag.
Dat's afgesproken, vriend Simone?
SIMONE: Heer,
Gij doet mij zoo hooge eer aan dat mijn tong
Als die eens slaafs gebonden niet kan uiten
't Woord dat zij wilde. Toch, u niet te danken
Ware al te lomp van mij. En dus ik dank u
Uit mijn harts diepten... Zulke dingen zijn het,
Die een staat samenvoegen, als een prins
Zoo hoog geboren en wel opgebracht
De scheiding van 't partijdig lot vergeet
En naar een eerzaam burgers eerzaam huis
Komt als een eerzaam vriend ... En toch, mijn Heer,
'k Ben te vrijpostig, vrees 'k. Een andren avond,
Hopen wij, zult gij als een vriend hier komen—
Vanavond komt gij om mijn waar te koopen.
Niet-waar? Wat gij begeert, fluweel of zijde,
Ik twijfel niet of 'k heb iets keurigs veil,
Dat uw keus winnen kan. 't Is waar, 't is laat.
Maar arme koopluî zwoegen dag en nacht
Voor schaamle winst. De tollen zijn zoo hoog,
En iedre stad heft weêr haar eigen tol,
Leerjongens zijn niets waard, zelfs vrouwen missen
Verstand en takt, al heeft Bianca hier
Me een rijken klant gebracht vanavond. 't Is zoo,
Niet-waar, Bianca? Maar 'k verdoe mijn tijd.
Waar is mijn pak? Hoort gij? Waar is mijn pak?
Maak 't open, vrouw-lief. Maak de koorden los.
Kniel liever op den grond. Zóo gaat het beter.
Neen, dat is 't niet, het andre. Gauw wat, gauw wat!
Wij mogen onze koopers niet doen wachten:
Dat maakt hen ongeduldig. Ja, dat is het.
Geef het eens hier. Voorzichtig. 't Is héel kostbaar.
Vat het voorzichtig aan... Nu, edel Heer,
Met uw verlof, 'k heb hier Luccaansch damast,
Een weefsel van puur zilver, en de rozen
Zoo knap gewerkt dat ze enkel geur behoeven
Om 't prat zintuig te paaien. Voel eens, Heer.
Is het niet dun als water, sterk als staal?
De rozen dan? Zijn zij niet mooi geweven?
De heuvelen die meest de roos verwennen,
Te Bellosguardo en te Fiesole,
Strooien in lentes schoot niet zulke kelken;
Of doen zij 't al, hun bloem verwelkt en sterft.
Dat 's 't lot van alle teêr en mooi dat danst
In wind en regen. De Natuur voert zelf
Krijg met haar eigen lieflijkheid en moordt
Haar kindren als Medea. Neen maar, Heer,
Kijk nog eens nader. Hier in dit damast
Is 't altijd zomer, en geen winters tand
Zal ooit dees bloemen knauwen. Iedere el
Betaalde ik met een goudstuk. Goed rood goud,
De vrucht van zuinge zorg.
GUIDO: Brave Simone,
Vermoei u niet. Ik ben meer dan voldaan.
'k Zend morgen u mijn dienaar die u uittelt
Den dubblen prijs.
SIMONE: Mijn edelmoedge Prins!
Ik kus uw handen. Nu bedenk ik mij:
Een andren schat nog houdt mijn huis verborgen,
Dien gij zien moet. Het is een gala-kleed:
De stof geschoren Venetiaansch fluweel,
Granaatappels 't patroon, iedere pit
Is uit één paarl, de kraag is louter parels
Dicht als in zomeravondstraat de muggen,
En blanker dan de manen die des morgens
Gekken door traliën zien. Een keur-robijn
Gloedt op den haak gelijk een vuren kool.
Zijn Heiligheid bezit niet zulk een steen,
En Indië kan zijn tweelingbroêr niet toonen.
De gesp zelf is een allerzeldzaamst kunststuk,
Met schooner werk bekoorde nooit Cellini
Grooten Lorenzo. Nu moet gij hem dragen.
Niemand in stad hier is hem waardiger.
Hij zal u goed staan. Aan den éenen kant
Jaagt slank, in gouden sprongen, een gehoornde
Satyr een nymf van zilver. Aan den andren
Staat Stilte, en in haar hand beurt ze een kristal:
Zij is zoo klein en smal als nietige aar
Die siddert als een vogel overstrijkt,
Toch met zoo'n kunst gesneden dat men denkt,
Zij poost in 't aadmen, ze aêmt.—Waardge Bianca,
Zoû niet dit edel en meest kostbaar kleed
Heer Guido's jeugd goed staan? ... Zeg ook een woord:
U kan hij vast niets weigren, of de prijs al
Eens prinsen losgeld zij. En in de winst
Deelt gij gelijk met mij.
BIANCA: Ben 'k uw leerjongen?
Dat ik om uw fluweelen kleed zoû kwanslen?
GUIDO:
Schoone Bianca, wees gerust: ik koop
Zijn kleed en alles wat de eerzame koopman
Nog meer kwijt wil. Een prins betaalt zijn losgeld,
En een geluk is 't als een hoog heer valt
In zulk een eedlen vijands blanke handen.
SIMONE:
Ik sta beschaamd. Maar, dus de koop gaat door?
De koop gaat door, niet? Vijftig duizend kronen
Is nauwlijks eigen geld. Maar gij, Heer, geeft
Slechts veertig duizend. Is die som te hoog?
Noem dan uw prijs. Het is eenmaal mijn gril
Om u te zien in dit geweven wonder,
Omkranst door de edelvrouwen van het hof,
Als een bloem tusschen bloemen... 'k Hoor, Heer, dat
Die hooge dames zoo op u vermald zijn
Dat zij zich om uw Hoogheids gunst verdringen
Als vliegen waar gij gaat. Ook praat men van
Heeren met horens die zij kranig dragen,
Een zonderlinge modegril ...
GUIDO: Simone,
Uw roekelooze tong roept om den breidel.
En dan vergeet gij 't bijzijn van Mevrouw hier
Wier teedere ooren zeker niet gestemd zijn
Op zoo platte muziek.
SIMONE: 't Is waar, 'k vergat het.
Het zal niet meer gebeuren. Maar gij koopt dus,
Mijn goede Heer, het gala-kleed. Niet-waar?
Maar veertig duizend kronen. 'n Bagatel
Voor iemand die Giovanni Bardi's erf is.
GUIDO:
Regel dat morgen met mijn rentmeester
Antonio Costi. 'k Zal hem bij u sturen.
En honderd duizend kronen zult gij hebben
Als dat u dienen kan.
SIMONE: Wat! Honderd duizend!
Versta 'k goed? Honderd duizend? Op mijn woord,
Dat maakt voor eeuwig en in ieder opzicht
Me uw schuldenaar. Voorwaar, van nu af is
Mijn huis en alles wat mijn huis bevat,
Van u en niemand anders. Honderd duizend?
Mijn hoofd loopt om. Ik zal veel rijker zijn
Dan de andre koopluî samen. Ik zal koopen
Landrijen, gaarden, tuinen. Elk getouw
Zal mijn zijn van Milaan tot in Sicilië
En mijn de paarlen die Arabiës zeeën
Bergen in stille grotten ... Eedle Prins,
Deze avond luidt voorgoed mijn liefde in, die
Zoo groot zal blijken dat wat gij me ook vraagt,
U niet geweigerd wordt.
GUIDO: En als 'k eens vroeg
Om blanke Bianca hier?
SIMONE: Gij spreekt in scherts, Heer.
Zij is zoo groot een prins als u niet waardig.
Ze is enkel goed voor huishoudwerk en spinnen.
Niet-waar, vrouw-lief? Het is zoo. Zie maar hier.
Uw rokken wacht u. Zet u neêr en spin.
Een vrouw moet altijd bezig zijn in huis,
Want leedge handen maken 't hart lichtzinnig.
Ga zitten, zeg ik.
BIANCA: Wat moet 'k spinnen?
SIMONE: Spin
Een kleed en verf het purper, dat Verdriet
Mag dragen tot haar troost—een sprei met franjen
Waaronder een onwelkom zuigeling
Onbemerkt kreunen kan—een keurig laken
Kostlijk doorgeurd met reukig kruid, waarin men
Een dood man wikklen kan ... Spin wat gij wilt:
Mij goed.
BIANCA: De brosse draad is afgeknapt,
Het loome wiel is 't eindloos draaien moede,
Het loomer rokken is zijn kluwen zat;
Vanavond spin ik niet.
SIMONE: Zooals gij wilt,
Maar morgen zult gij spinnen: elke dag
Vindt u voortaan aan 't wiel. Zoo vond Tarquinius
Lucretia. Mooglijk wachtte zoo Lucretia
Tarquinius. Wie zal 't zeggen? Vreemde dingen
Verneem 'k van meenge huisvrouw ... Doch, mijn Heer,
Wat nieuws van buiten? 'k Hoor vandaag in Pisa
Dat enkle koopluî daar uit Engeland
Hun wollewaar goedkooper wilden slijten
Dan wet en recht toestaat, en om gehoor
De Signoria drongen. Is dit reedlijk?
Hoort de éene koopman d'ander te verslinden?
De vreemdling die in ons land hier zijn brood vindt,
Door afgedwongen voorrecht of door list ons
Te brengen om ons winst?
GUIDO: Moet ik me afgeven
Met koopluî en hun winst? Gij wilt dat ik
Ga twisten voor u met de Signoria?
En 't kleed draag, waarin gij van dwazen koopt
Voor nog onnoozler klanten? Vriend Simone,
Wol inslaan en verkoopen is uw ambt.
Mijn geest speurt ander wild.
BIANCA: Mijn eedle Heer,
Vergeef mijn goeden man hier, bid ik u.
Zijn ziel staat altijd op de markt, zijn hart
Klopt enkel voor den beursprijs van de wol.
Toch is hij braaf voor zijn gewone doen.
(tot Simone:)
En gij, hebt gij geen schaamte? Een hooge prins
Komt hier aan huis, en met misplaatste boudheid
Verveelt ge en ergert hem. Vraag hem vergeving.
SIMONE:
Dat doe 'k ootmoedig. Praten wij vanavond
Van andre dingen! 'k Hoor, Zijn Heiligheid
Schreef aan den Franschen koning met verzoek
Om over 't sneeuwen schild der Alpen hier
Een vreê te komen stichten, die zal wezen
Erger dan broederkrijg en bloediger
Dan burgerroof en binnenlandsche veeten.
GUIDO:
Bah! wie maalt om dien Franschen koning nog,
Die nimmer komt en altijd praat van komen?
Wat gaat dat mij aan? Ik weet andre dingen
Belangrijker en dichter bij, Simone.
BIANCA:
Gij put 't geduld van onzen hoogen gast uit.
Wat raakt ons Frankrijks koning? Evenveel
Als uw koopluî uit England met hun wol.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . .
SIMONE:
O staat het zóo? Is heel dees machtge wereld
Verengd binnen de grenzen dezer kamer
Met maar drie poovre zielen voor bewoners?
Ja, daar zijn oogenblikken dat 't heelal,
Als 't doek in kuip van onbedreven verver,
Tot een handbreed ineenkrimpt, mooglijk is 't
Nu zulk een uur! Goed, laat het zoo'n uur zijn!
Laat dit gering vertrek het hoog tooneel zijn,
Waar koon'ngen sterven en ons schamel leven
De inzet wordt waarom God speelt... Ik weet zelf niet
Waarom 'k zoo spreek. De rit heeft me uitgeput.
En driemaal struikelde mijn paard, een teeken
Dat niemand goeds voorspelt.... Eilacy, Heer,
Welk een armzaalge koop is 's menschen leven,
En op wat rommelmarkt verkoopt men ons!
Als wij geboren worden, weent ons moeder,
Maar om ons dood weent niemand. Neen, niet een.
(Hij gaat naar den achtergrond.)
BIANCA:
Hoe praat de man als een gemeene kramer!
Ik haat hem, ziel en lijf. Haar bloedloos zegel
Drukte hem lafheid op 't gelaat. Zijn handen
Beven verlamd en bleeker dan het blad van
Peppels in voorjaarswind; een leedge woordstroom
Gudst uit zijn dwazen stotterenden mond
Als water uit een leibuis.
GUIDO: Lieve Bianca,
Hij is uw aandacht noch de mijne waard.
De man is niets dan een heel brave schurk
Vol mooie frasen over levens koopwaar,
Die duurst verkoopt wat hij goedkoopst moet achten,
Een windrig schreeuwer in een weerld van woorden,
Nooit heb 'k zoo'n welbespraakten zot gezien.
BIANCA:
'k Wou dat de dood hem haalde waar hij staat!
SIMONE (keert zich om):
Wie noemt daar „Dood”? Dood heeft hier niets te maken.
Wat zaken heeft Dood in zoo'n vroolijk huis
Als dit waar hij alleen een vrouw, een man,
Een vriend tezaam vindt? Laat Dood gaan naar huizen
Waar echtbreuk en gemeenheid toegaan, waar
De vrouw, haar kuischheid en haar man en heer
Moede, 't gordijn wegschuift voor 't huwlijksbed
En in bezoedelde en onteerde lakens
Verboden lusten pleegt. Ja, wel klinkt 't vreemd,
Toch gaat het zoo. Gij kent de wereld niet.
Daarvoor leeft gij te eerbaar en te afgezonderd.
Ik ken haar goed. Ik wou dat 't niet zoo was.
Maar wijsheid komt met winters. Mijn haar grijst,
Geen jeugd warmt meer mijn koude lijf ... Maar basta.
Vanavond is het woord aan Vreugd, en waarlijk,
'k Zoû willen vroolijk zijn als past een gastheer
Die zulk een hoogen ongedachten gast
Op hem vindt wachten... Doch wat 's dit, mijn Heer?
Gij bracht uw luit meê om voor ons te spelen?
Ja, speel wat, lieve Prins. Ben ik vrijpostig,—
Vergeef, maar speel.
GUIDO: Vanavond speel ik niet.
Een andren keer, Simone. (tot Bianca:) Gij en ik
Tezamen, en geen luistraars dan de sterren
Of de jaloerscher maan.
SIMONE: Toch toch, mijn Heer!
Ik smeek u, speel iets. Want ik hoor vertellen
Dat door het enkel tokklen eener snaar,
Door ademtocht die zucht langs holle rieten
Of blaast door koelen mond van vaardig brons
Zij die die kunst verstaan, onze arme zielen
Verlossen uit haar kerker. Ook verneem ik:
Zoo vreemde toover schuilt in dit hol speeltuig
Dat onschuld wijnloof vlecht in hare haren
En wulpsch wordt als bacchante. Maar 'k dwaal af.
Ik weet, uw luit is kuisch. En daarom speel:
Verruk met zoete melodie mijne ooren;
Mijn ziel is in een kerker, en haar waanzin
Vraagt medicijn. Help mij verzoeken, Bianca.
BIANCA:
Wees niet bevreesd: ons welbeminde gast
Zal zelf zijn plaats en uur weten te kiezen;
Nu is 't dat uur niet. Gij ontstemt hem slechts
Met uw lomp dringen.
GUIDO: Eerzame Simone,
Een andren keer. Vanavond ben 'k tevreden
Met de zachte muziek van Bianca's stem,
Die, als zij spreekt, de te verliefde lucht
Bekoort en aardes wanklen kring rondom
Haar schoonheid vastlegt.
SIMONE: Vlei haar niet. Zij heeft
Haar deugden als de meeste vrouwen, maar
Schoonheid is een kleinood dat zij niet draagt.
Misschien is het ook beter. Waarde Heer,
Als gij geen wijzen uit uw luit wilt lokken
Om mijn ziels sombere onrust te bezweren,
Dan drinken we toch saam? Daar staat uw glas nog.
Krijg mij een stoel, Bianca. Sluit de luiken.
Zet er den grooten bout voor. 'k Wil niet hebben
Dat de nieuwsgierge wereld ons genoegen
Beloenschen zoû. En nu, mijn Heer, drink ons
Een toost uit boordevollen beker toe....
Wat is hier deze vlek op 't laken? 't Ziet
Zoo purper als een wond in Christus' zijde.
't Is niets dan wijn? 'k Heb wel eens hooren zeggen:
Waar wijn vergoten wordt, wordt bloed vergoten,—
Maar dat's een dwaas verhaal. Mijn Heer, ik hoop,
Mijn wijn is naar uw smaak. De druif van Napels
Is vurig als zijn bergen. Ons Toscane
Kweekt een onschuldger sap.
GUIDO: Mij mondt het goed,
Brave Simone, en 'k wil met uw verlof
Op schoone Bianca drinken wen haar lippen
Eerst langs den kelk als roode rozeblâren
Glijdend den dronk verzoeten. Proef, Bianca.
(Bianca drinkt.)
O al de honing saam van Hybla's bijen
Waar' bitter bij dees teug!—Waarde Simone,
Gij neemt geen deel aan 't feest.
SIMONE: 't Is vreemd, Heer, 'k kan
Vanavond met u eten niet of drinken.
Een booze luim, een koortsigheid van 't bloed,
Dat anders toch bedaard is, een gedachte
Die als een adder rustloos ommekruipt,
Als een krankzinnge sluipt van cel naar cel,
Vergalt mijn smaak en zet mijn lust tot spijs
En drank in walging om. (Hij gaat terzijde.)
GUIDO: Lieve Bianca,
Dees kramer maakt mij met zijn praatjes wreevlig.
Ik moet vanhier. Maar morgen kom ik weêr.
Zeg mij hoe laat.
BIANCA: Kom met den vroegsten daagraad
Tot ik u weêrzie, is mijn leven ijdel.
GUIDO:
Laat neêr den middernacht van uwe haren,
In uwer oogen sterren laat mij zien
Mijn beeltnis als in spiegels. Lieve Bianca,
Zij 't slechts een schaduw, o bewaar mij daar,
En kijk naar niets dat niet verzinnebeeldt
Eenge gelijkenis van me. Ik ben naijvrig
Op al wat uw gezicht verlust.
BIANCA: Uw beeld—
O wees gerust—blijft altijd bij mij. Lieve,
Liefde verkeert de meest gewone dingen
In teekenen van zoete erinnering.
Maar kom vóor met zijn schellen zang de leeuwrik
Een wereld wekt van droomers. 'k Zal u wachten
Op het balkon,...
GUIDO: En langs scharlaken ladder
Wier zijden sporten zijn bestikt met paarlen,
Daal, blanken voet na blanken voet, als sneeuw
Op rozenboom, tot me af.
BIANCA: Zooals gij wenscht.
Uw eigen ben 'k in liefde of dood, gij weet het.
GUIDO:
Simone, 't wordt mijn tijd. Ik ga naar huis.
SIMONE:
Zoo gauw? Waarom? Nog luidde van de Domkerk
Niet middernacht. Slaapdronken in hun torens
Liggen de wachten, die de bleeke maan
Plagen met holle horens. Blijf nog wat.
'k Vrees dat we u hier niet zullen wederzien.
En die vrees maakt mijn simpel hart bedroefd.
GUIDO:
Wees niet bezorgd, Simone. Meest standvastig
Zal 'k blijken in mijn vriendschap. Maar vanavond
Ga 'k naar mijn eigen huis, en dat terstond.
Tot morgen, Bianca.
SIMONE: Goed. Uw wensch is wet.
'k Had nog wat langer met u willen praten,
Mijn nieuwe vriend, mijn eerbiedwaarde gast,
Maar dat gaat niet naar 't schijnt. Daar komt nog bij,
'k Twijfel niet of uw vader wacht op u,
Hunkrend naar stem of voetstap. Als 'k het goed heb,
Zijt gij zijn eenig kind? Hij heeft geen ander.
Gij zijt de sier en pijler van zijn huis,
Zijn éene bloem in tuin van louter onkruid.
Uw vaders neven zijn zijn minnaars niet.
Zoo gaat het praatje in stad hier. 'k Wou maar zeggen:
Zij zijn afgunstig op uw erfenis,
Hun gretige oogen schelen naar uw wijngaard
Als Achab keek naar Naboths vetten akker.
Maar dat is enkel 't praatje van een stad
Waar 't vrouwvolk te veel klapt. Goênacht, mijn Heer.
Haal een pijnfakkel, Bianca. De oude trap
Is vol met gaten, en de inhaalge maan
Wordt, als een giergaard, karig met haar stralen,
En bindt voor haar gezicht een tulen masker
Als lichtekooi die uitgaat om een arme
Ziel te verstrikken. Wacht, ik zal u krijgen
Uw zwaard en mantel. Laat mij, goede Heer,
Het is niet meer dan plicht dat'k u bedien,
Die mij den armen burger zooveel eer deedt,
Mijn wijn dronkt en mijn brood braakt en voor ons
Een lieve huisvriend werdt. Mijn vrouw en ik
Zullen nog vaak dees schoonen nacht bepraten
En zijn groote uitkomst. Kijk, wat kostlijk zwaard!
Ferrarisch staal, zoo lenig als een slang,
En zeker doodlijker. Met zoo'n zwaard hoeft
Men in 't gedrang des levens niets te vreezen.
Nooit heb ik zoo'n fijn lemmet aangeraakt.
Ook ik bezit een zwaard. 't Is nu wat roestig.
Ons, vredemannen, leert men needrigheid
En vele lasten op ons schouders dragen
En niet te morren tegen werelds onrecht
En onrechtmaatge krenkingen verduren.
Dat leeren we en wij vinden bij ons lijden
Voordeel als de geduldge Jood... Toch, 'k weet nog
Hoe eens een roover op den weg naar Padua
Mijn pakpaard nemen wilde, ik liet hem achter
Met afgesneden keel. Ik kan verdragen
Blaam, smaad in 't openbaar, velerlei schande,
Vlijmenden hoon en open schimp, maar hij
Die van mij iets wil dieven wat het mijne is,
Zij 't nog zoo waardeloos, het aarden bord
Waarvan 'k mijn honger stil—wee hem, hij waagt
Bij 't stelen ziel en lijf, en sterven doet hij
Voor 't klein vergrijp. Uit wat vreemd leem zijn wij
Menschen gemaakt!
GUIDO:
Hoe komt gij zoo te spreken?
SIMONE:
Ik ben benieuwd, Heer Guido, of mijn zwaard
Beter gehard is dan dit staal van u.
Lijkt u de proef? Of is mijn stand te laag
Voor u om uw rapier met 't mijn te kruisen,
In scherts of ernst?
GUIDO: Niets zoû mij beter lijken
Dan met naakt lemmet over u te staan
In scherts of ernst. Geef mij mijn eigen zwaard.
Haal 't uwe. Dees nacht zal het pleit beslechten
Of van den prins of van den koopman 't zwaard
Beter gehard is. Was dat niet uw zeggen?
Haal slechts uw eigen zwaard. Wat draalt gij, man?
SIMONE:
Mijn Heer, van al de hofflijke genaden
Die gij geregend hebt op mijn dor huis,
Is dit de hoogste... Bianca, haal mijn zwaard.
Schuif bank en tafel weg. Wij moeten hebben
Een open kring voor onzen wapenkamp.
Bianca zal wel den fakkel willen houden
Opdat niet wat als scherts bedoeld is, ernst wordt.
BIANCA (tot Guido): O dood hem, dood hem!
SIMONE: Houd den fakkel, Bianca.
(Zij beginnen te vechten.)
In stand! Let op! Aha! Gij dacht zoo-waar—?
(Hij wordt gewond door Guido.)
Een schram, niets meer. Het licht scheen in mijn oogen.
Kijk niet bedrukt, Bianca. Het is niets.
Uw man bloedt. Het is niets. Krijg een stuk linnen
En bind het rond mijn arm. Neen, niet zoo stijf.
Een beetje losser, vrouw-lief. En ik bid u,
Wees niet ontdaan. Neen, haal het er weêr af.
Wat let het of ik bloed? (Hij rukt het verband af.)
Van voor af aan!
(Simone ontwapent Guido.)
Mijn eedle Heer, gij ziet dat ik gelijk had.
Mijn zwaard is fijner staal, beter gehard.
En nu dolk tegen dolk.
BIANCA (tot Guido): O dood hem, dood hem!
SIMONE:
Blusch uit den fakkel, Bianca.
(Bianca bluscht den fakkel uit.)
Nu, mijn Heer,
Nu tot den dood van éen van ons, of beiden,
Of misschien alle drie. (Zij vechten.) Ziedaar en daar!
Ha! duivel, heb ik je eindlijk in mijn greep?
(Simone overweldigt Guido en drukt hem neêr op de tafel.)
GUIDO:
Dwaas, doe uw wurgersvingers van mijn keel.
Ik ben mijn vaders eenge zoon. De staat
Heeft maar éen erfgenaam. En 't valsche Frankrijk
Wacht op 't uitsterven van mijn vaders lijn
Om de stad te overvallen.
SIMONE: Zwijg! Uw vader
Kan kinderloos alleen gelukkger zijn.
Wat den staat aangaat, 'k denk, Firenze kan
Als loods aan 't stuur geen echtbreker gebruiken.
Gij zoudt haar leliën smetten.
GUIDO: Weg uw handen!
Weg uw verdoemde handen. Laat los, zeg ik.
SIMONE:
Neen, in zoo'n handge schroef zijt gij gevangen
Dat niets meer u kan redden, en uw leven
Tezaamgedrongen in éen stip van schande,
Eindt met die schande, en allerschandelijkst.
GUIDO:
O laat me een priester hebben vóor ik sterf!
SIMONE:
Waarvoor wil jij een priester? Biecht je zonden
Aan God dien je vanavond nog zult zien
En dan nooit meer. Biecht Hem je zonden, die
Is meest rechtvaardig in meêdoogenloosheid
En meest meêdoogend in rechtvaardigheid.
GUIDO:
O help mij, lieve Bianca, help mij, Bianca,
Gij weet dat ik geen kwaad bedreven heb.
SIMONE:
Is daar nog leven in die leugenlippen?
Sterf als een hond met slappe tong! Sterf! Sterf!
De stomme Arno zal straks uw lijk ontvangen
En spoelt onopgemerkt het weg naar zee.
GUIDO:
Heer Jezus, neem mijn arme ziel tot u!
SIMONE:
Amen. En nu komt de andere aan de beurt.
(Guido sterft. Simone rijst op en ziet om naar Bianca.
Zij komt op hem toe met wijdopen armen als verdwaasd.)