Maar andere menschen hebben toch ook wel onheilen.
Antonio heeft, naar ik in Genua hoorde,—
Shylock:
Wat, wat, wat? Een onheil, een onheil?
Tubal:
—een galjoen dat van Tripoli kwam verloren.
Shylock:
Goddank! Goddank! Is het waar? Is het waar?
Tubal:
Ik sprak sommigen van de matrozen die aan de schipbreuk
waren ontsnapt.
Shylock:
Dank u, goede Tubal.—Goed nieuws, goed nieuws!
ha! ha!—Waar? In Genua?
Tubal:
Naar ik vernam verteerde uw dochter te Genua in
één nacht tachtig dukaten.
Shylock:
Je stoot me een dolk in mijn lijf. Ik zal mijn goud
nooit terugzien. Tachtig dukaten op één avond! Tachtig dukaten!
Tubal:
Er kwamen verscheidene schuldeischers van Antonio
met mij te Venetië aan, die zweren dat hij geen andere keus
heeft dan failliet te gaan.
Shylock:
Daar ben ik erg blij om. Ik zal het hem zuur maken,
ik zal hem martelen; ik ben er blij om.
Tubal:
Een van hen liet me een ring zien, dien hij van uw
dochter had gekregen voor een aap.
Shylock:
Vervloekt zal zij zijn! Ge martelt me, Tubal: het
was mijn turkoois; ik kreeg hem van Leah toen ik nog niet
getrouwd was: ik zou hem niet voor een wildernis vol apen
gegeven hebben.
Tubal:
Maar Antonio is bepaald geruïneerd.
Shylock:
Ja, dat is zeker, dat is vast en zeker. Ga, Tubal,
huur me iemand van 't gerecht, bespreek hem veertien dagen
vooruit; ik zal zijn hart hebben als hij zijn kontrakt niet nakomt;
want als hij Venetië uit was, zou ik kunnen handel
drijven zooals ik verkoos. Ga, Tubal, en wacht me bij onze
synagoge; ga, mijn beste Tubal; bij onze synagoge, Tubal.
(Beiden af.)
Tooneel II.
Belmont. Een vertrek in Portia's Huis.
Bassanio, Portia, Nerissa en gevolg komen op.
Portia:
Ik bid u, blijf wat; toef een dag of twee,
Voordat ge uw kans waagt; want, indien gij faalt,
Mis 'k uw gezelschap; wacht daarom een poos.
Daar is iets dat mij zegt, (maar liefde is 't niet,)
Dat 'k u niet gaarn verloor, en 't is geen haat,
Gelijk ge weet, die mij zoo spreken doet.
Opdat gij me echter grondig kennen moogt,
(Al heeft een maagd geen tong dan wat zij denkt[42])
Zou 'k willen dat gij enk'le maanden bleeft,
Eer gij uw kans waagt, 'k Zou u kunnen leeren
Hoe 't best te kiezen, maar 'k zou 'n meineed doen,
En dat zal 'k nooit: het kan dus dat gij faalt;
En als 't zoo is, dan wekt ge een zond'gen wensch,
Dat ik een meineed deed. O, o die oogen!
Zij hebben mij betooverd en verdeeld;
Eén helft van mij is uw, en de andere uw,—
'k Bedoel mijn eigen; maar toch zoo ook uw,—
'k Ben gansch van u! De booze omstandigheên
Beperken de eig'naars in hun wettig recht;
En zoo, schoon uw, niet uw.—Indien 't zoo blijkt,
Dan zij daarvoor het lot vervloekt, niet ik.
Ik spreek te lang; maar 'k rek daardoor den tijd
En houd hem op en maak hem lang van duur,
Om 't kiezen te vertragen.
Bassanio:
Laat mij 't doen;
Want zooals nu leef 'k op de pijnbank slechts.
Portia:
Hoe, op de pijnbank? Maar beken dan ook
't Verraad waarmede uw liefde gaat gepaard.
Bassanio:
't Is 't droef verraad slechts van onzekerheid,
Dat mij bezorgd maakt voor 't bezit van u.
Er ware eer vriendschap tusschen sneeuw en vuur,
Dan dat mijn liefde met verraad bestond.
Portia:
Ja, maar ik vrees dat ge op de pijnbank spreekt,
Waar men gedwongen alles zeggen kan.
Bassanio:
Beloof mij 't leven, 'k zeg de waarheid dan.
Portia:
Bassanio:
"Ik heb u lief,"
Dàt ware mijn bekent'nis gansch geweest:
O zoete folt'ring, als mijn folteraar
Mij tevens 't antwoord ter verlossing leert!
Maar laat mij 't nu beproeven met de kistjes.
(Het gordijn wordt weggeschoven.)
Portia:
Ga dan. Ik ben in een er van gevat;
Als gij mij liefhebt, vindt gij mij wel uit.—
Nerissa, en gij allen, staat van ver.
Muziek weerklinke er onder 't doen der keus,
Want, als hij faalt, dan eindt hij als een zwaan,
Verkwijnend in muziek; opdat het beeld
Volmaakter zij:—mijn oogen zijn de stroom,
Zijn waat'rig doodsbed. Hij kan slagen ook,
Wat is muziek dan? Dan is ze als 't geschal
Wanneer een trouwe menigte zich buigt
Bij 't kronen van een vorst: zij klinkt gelijk
Die zoete tonen bij den dageraad,
Het oor besluipend van den bruidegom
Die droomt, hem roepend tot zijn huw'lijksfeest;
Nu gaat hij, méér in liefde, in moed gelijk,
Als jonge Alcides,[43] toen hij 't zeegedrocht
De maagd ontwrong, die door het gillend Trooi
Als cijns betaald was,[44] ik ben 't offer nu;
Die daar ter zijde zijn Trojaansche vrouwen,
Met oogen dofgeweend, bijeen om 't eind
Te aanschouwen van den strijd. Ga, Hercules!
Leeft gij, dan leef ook ik; mijn angst is groot,
Veel grooter nog dan de uwe in dezen nood.
Muziek en zang, terwijl Bassanio in zichzelf
over de kistjes te rade gaat.
Eerste stem.
Waar ontstaat der liefde schijn,
In het hart of in het brein?
Hoe hij verder wel gedij'?
O antwoord mij!
Tweede stem.
Voortgebracht door oogenlust,
Voedt hem 't zien; hij wordt gebluscht
In de wieg waarin hij rust.
[46]
Luiden wij zijn doodsklok, kom;
Ik begin al,—Bim, bam, bom.
Koor.
Bim, bam, bom.
Bassanio:
Zoo is de schijn slechts zelden wàt hij schijnt,
Door opschik wordt de wereld steeds misleid.
In 't recht,—wat eisch zoo vuig en zoo gemeen,
Die niet, door mooie woorden opgesmukt,
Het kwade zal omhullen? In den godsdienst,
Wat vloekb're dwaling, of een eerbaar hoofd
Rechtvaardigt en bewijst haar door een tekst,
Haar plompheid dekkend met een fraaien tooi.
Geen ondeugd zoo onnoozel, of zij siert
Zich uiterlijk met eenig merk van deugd.
Hoe menig lafaard met een hart zoo zwak
Als een pilaar van zand, draagt aan zijn kin
Een baard als Hercules en gramme Mars,—
Bij onderzoeking blijkt zijn lever wit;[47]
Hij eigent zich slechts d'uitwas van den moed
Om zich geducht te maken! Denk aan schoonheid,
En zie hoe de opschik hier ook wordt bejaagd,
Die dáárin wond'ren werkt in de natuur,
Door 't lichtst te maken wie er 't meest van draagt;
Zoo staat dat slangen-kroezig gouden haar,
Dat met den wind zoo dartel spelemeit,
Op een gewaande schoonheid,[48] vaak bekend
Als vroeg're bruidsgift van een ander hoofd:
De schedel die 't deed groeien ligt in 't graf.
Daarom is de opschik slechts 't bedrieglijk strand
Bij een geweld'ge zee, de pracht'ge doek
Een negerin omhullend, in het kort,
Schijn-waarheid, waar de list'ge tijd meê pronkt,
De wijsten lokkend. Daarom, glanzig goud,
Hard Midas-voedsel,[49] wil ik niets van u.
Ook niets van u, gij slover, bleek en min,
Van hand tot hand gaand: maar gij, schamel lood,
Dat veeleer dreigt dan iets beloven wilt,
Uw eenvoud roert mij meer dan schoone schijn,
Hier kies ik dus. En moog 't gelukkig zijn!
Portia:
Hoe vliedt elke and're hartstocht in de lucht,
Als angstig twijf'len, wanhoop snel-geducht,
En sidd'rend vreezen en de groene nijd!
O liefde, matig uw uitbundigheid,
Giet dropsgewijs uw vreugde-stortvloed neer,
Ik voel te veel uw zegen, nu niet meer,
Ik vrees die overmaat!
Bassanio (het looden kistje openend.):
Wat zie ik hier?
Het beeld van Portia! Welke halfgod kwam
Haar zóó nabij? Bewegen de oogen zich?
Of schijnen ze op de deining van mijn blik
Zich te bewegen? Door d'ontsloten lippen
Gaat geurige adem, zoete scheiding van
Twee zulke zoete vrienden. In het haar
Spon als een spin de schilder 't gouden web,
Een groot're hinderlaag voor 't mannenhart
Dan 't spinnenrag voor muggen; maar hare oogen!—
Hoe kon hij schild'ren en toch zien? Mij dunkt
Als hij er één gemaakt had, waar' 't in staat
De twee van hem te stelen en zichzelf
Te scheiden van zijn maat. Maar toch, zóó als
Mijn lof dit schaduwbeeld verongelijkt
Door 't te onderschatten, zóózeer steekt dit beeld
Af bij 't oorspronkelijk.—Hier is 't geschrift,
Dat heel de som van mijn geluk bevat.
"Gij wien valsche schijn mishaagt,
Die goed kiest en moedig waagt,
Geeft het lot u wat ge vraagt,
Later niet om meer geklaagd.
Als gij hier tevreên meê zijt,
En u dit geluk verblijdt,
Wend tot háár u, die u beidt,
En kus ze als bruid vol liefd'rijkheid."
Een vriend'lijk vers.—Verlof, (hij kust haar,) hier staat geschreven
Dat niet alleen 'k ontving, maar ook moet geven.
Als een van beide kampers om een prijs,
Die meent dat hij gestreden heeft naar eisch,
Het juichen hoorend als uit éénen mond,
En duiz'lend, twijf'lend oov'ral staart in 't rond,
Niet wetend of hèm 't lofgegalm wel geldt;
Zoo, driewerf schoone, is 't ook met mij gesteld,
'k Sta twijf'lend of ik waarheid hier ontmoet,
Tot gij het staaft en 't mij erkennen doet.
Portia:
Gij ziet mij, Heer Bassanio, waar ik sta,
Zooals ik ben. Schoon 'k voor mijzelve alleen
Niet in mijn wensch eerzuchtig wilde zijn,
En mij veel beter wenschen, 'k zou voor u
Toch honderd maal mijzelve willen zijn,
Tien duizend maal zoo rijk, en duizend maal zoo schoon.
Om slechts in uwe schatting hoog te staan
Zou ik onschatbaar willen zijn in deugd,
In schoonheid, vrienden en fortuin. Maar 'k ben
Bijeengeteld slechts niets; dat is, totaal,
Een meisje zonder oef'ning, kunde en school:
Gelukkig is zij echter niet te oud
Om iets te leeren; nòg gelukk'ger is 't
Dat zij er niet te dom van aard voor is;
't Gelukkigst is dat haar gedweeë geest
Aan d' uwen ter besturing zich vertrouwt,
Dien van haar heer, haar leidsman en haar vorst.
Ik ben van u geworden, en het mijn'
Is 't uwe thans: ik was zooeven nog
Meest'res van dit mooi landgoed, van mijzelf,
Van mijn bedienden; en terzelfder tijd
Zijn 't huis, de dienaars en mijn eigen ik
Van u, mijn meester. 'k Geef hen met deez' ring,
En scheidt ge er van door schenking of verlies,
Dan zij 't voorspelling van uw liefde's dood,
Voor mij de grond van een gerecht verwijt.
Bassanio:
Mevrouw, gij hebt van woorden mij beroofd,
't Bloed in mijn aad'ren spreekt alleen tot u;
En er is zoo'n verwarring in mijn geest,
Als onder 't murm'lende en tevreden volk
Zich voordoet na een rede, schoon van taal,
Gehouden door een welbeminden vorst;
Waar elke kleinigheid, bijeengevoegd,
Een wildernis van louter vreugde wordt,
Geuit, en niet geuit. Maar als de ring
Mijn hand verlaat, verlaat ook 't leven mij:
O, zeg dan vrij: "Bassanio is dood."
Nerissa:
Mijn meester en meest'res, het is nu tijd,
Dat wij, die alles zagen, en wier wensch
Met heil bekroond werd, roepen: "Veel geluk!"
Gratiano:
Mijn eed'le Jonkvrouw, Heer Bassanio,
'k Wensch u de vreugd, die ge u slechts wenschen kunt;
Gij wenscht van mij de vreugde niet vandaan;
En als UEed'len uw verbond van trouw
Op plecht'ge wijs bezegelt, smeek ik u
Op dien tijd ook gehuwd te mogen zijn.
Bassanio:
Van harte, zoo ge een vrouw slechts krijgen kunt.
Gratiano:
UEed'le heeft me er een bezorgd, heb dank.
Mijn oogen zien zoo snel als de uwe, Heer:
De meesteres zaagt gij, en ik haar maagd;
Gij werdt verliefd, ik ook; want uitstel past
Mij even weinig, eed'le Heer, als u.
Uw lot hing van de gindsche kistjes af,
Zoo ook het mijne, 't komt toevallig uit;
Want in het zweet mijns aanschijns aanzoek doend,
En liefdeseeden zwerend, tot mijn keel
Er droog van werd, kreeg 'k op den langen duur,—
Moog' die belofte duurzaam zijn—van háár
(op Nerissa wijzend)
De trouwbelofte, indien uw goed geluk
Haar meesteres won.
Portia:
Nerissa:
't Is waar, Mevrouw, indien het u behaagt.
Bassanio:
En gij, Gratiano, meent ge dit oprecht?
Gratiano:
Ja, werk'lijk, eed'le Heer.
Bassanio:
Ons huw'lijkfeest wint door het uwe in eer.
Gratiano:
Wij zullen met hem voor duizend dukaten om den
eersten jongen spelen.
Nerissa:
Gratiano:
Wij zetten nog wel meer om dat te winnen.—
Maar wie zijn dat? Lorenzo en zijn vrouw?
Wat? met mijn ouden vriend Solanio?
Lorenzo, Jessica en Solanio komen op.
Bassanio:
Lorenzo en Solanio, welkom hier,—
Gesteld mijn pas verworven stelling geeft
Mij 't recht hiertoe. Ik heet, met uw verlof,
Mijn vrienden en mijn landgenooten welkom,
Geliefde Portia.
Portia:
Ik doe 't eveneens;
Zij zijn van harte welkom.
Lorenzo:
Ik dank UEed'le.—Wat mijzelf betreft,
'k Was niet van plan geweest u hier te zien,
Maar onderweg trof ik Solanio aan,
En zijn verzoek, dat ik niet weig'ren kon,
Bracht mij hierheen.
Solanio:
Zoo is het, eed'le Heer,
En 'k heb er reed'nen voor. Signor Antonio
Doet u zijn groeten. (Hij geeft Bassanio een brief.)
Bassanio:
Eer 'k den brief verbreek,
Moet gij mij zeggen hoe mijn vriend het maakt.
Solanio:
Hij is niet ziek, tenzij hij 't is van geest;
Ook niet gezond, tenzij van geest: zijn brief
Zal u zijn toestand toonen. (Bassanio leest den brief.)
Gratiano:
Nerissa, heet die vreemde dame welkom.
Uw hand, Solanio. Hoe is 't in de stad?
Hoe vaart Antonio, de koopmansvorst?
'k Weet dat hij blij zal zijn om ons geluk;
Wij zijn de Jasons,[50] wonnen 't gulden vlies.
Solanio:
Hadt gij het vlies slechts dat hem is ontgaan.
Portia:
Die brief moet smartelijk van inhoud zijn
Wijl hij de kleur steelt van Bassanio's wang:
Een dierb're vriend dood, wat kon anders zóó
Den kalmen aard van een bezadigd man
Verand'ren doen? Hoe, erger, erger nog?—
Verlof, Bassanio: ik ben half van u,
En dus komt mij de helft van alles toe
Wat deze brief u brengt.
Bassanio:
O zoete Portia,
't Zijn enk'le woorden, zóó onaangenaam,
Als ze ooit papier bevlekten! Schoone vrouw,
Toen ik voor 't eerst u van mijn liefde sprak,
Zei 'k u vrijmoedig, dat mijn gansch bezit
Me in de aad'ren stroomde,—'k was een man van eer:
En 'k sprak de waarheid: maar toch zult ge zien
Hoezeer 'k, bij 't schatten van mijzelf op niets,
Een snoever was, mijn lieve. Toen 'k u zei
Dat niets mijn deel was, had ik moeten zeggen
Dat minder 'k had dan niets; want weet, dat ik
Mij heb verplicht aan een geliefden vriend,
Hem aan zijn ergsten vijand heb verplicht
Om mij de beurs te vullen. Zie dien brief;
't Papier is als het lichaam van mijn vriend,
En ieder woord daarop een open wond
Zijn levensbloed vergietend.—Maar, Solanio,
Zijn al zijn kansen weg? Géén schip terecht?
Uit Tripoli, van Mexico en Eng'land,
Uit Indië, Barbarijë en Lissabon,—
Ontkwam er geen den vreeselijken schok
Van klippen, koopman-moordend?
Solanio:
Neen, niet één,
En bovendien, al had hij 't geld gereed
Ter afbetaling aan den Jood, hij zou
't Niet nemen, naar het schijnt. Ik zag nog nooit
Een wezen met een menschenuiterlijk,
Zóó tuk en happig op eens menschen val:
Hij loopt bij dag en nacht den Doge na,
En hij beticht de vrijheid van den staat,
Indien men hem geen recht doet: twintig kooplui,
De Doge zelf, en de magnifico's[51]
Die 't meest vermogen, deden al hun best,
Maar geen weerhoudt hem van den boozen eisch
Van het verbeurde, 't recht en het kontrakt.
Jessica:
Toen 'k nog bij hem was, hoorde ik hoe hij zwoer
Aan Chus en Tubal, mannen van zijn ras,
Dat hij Antonio's vleesch veeleer verkoos
Dan twintig maal de waarde van de som
Die hij hem schuldig was; en 'k weet erbij,
Dat, weig'ren wet, gezag en macht het niet,
Het slecht dan gaat met d'arme Antonio.
Portia:
Is de bedreigde u dan zoo'n waarde vriend?
Bassanio:
Mijn waardste vriend, de vriendelijkste man,
De bestgeaarde en onvermoeidste geest
In 't hulp verleenen; iemand in wien de eer
Van een aloud Romein zich meer vertoont,
Dan wie maar in Italië leven heeft.
Portia:
Wat is hij schuldig aan den Jood?
Bassanio:
Voor mij drie duizend dukaten.
Portia:
Wat, niet meer?
Geef hem zes duizend, en verscheur 't kontrakt;
Verdubbel die, doe er 't vierdubb'le bij,
Voordat een vriend zooals hij hem beschrijft
Een haar verlieze door Bassanio's schuld.
Ga eerst met mij ter kerk, en noem me uw vrouw,
En daarop naar Venetië naar uw vriend;
Want nimmer zult ge u vlij'n aan Portia's zij
Met een ontruste ziel. Ik geef u goud
Voor twintig malen deze niet'ge schuld;
Is zij betaald, breng dan uw hartsvriend hier,
Ik en Nerissa zullen midd'lerwijl
Als weduwen en maagden leven. Vlug,
Want gij moet op uw huw'lijksdag terug:
Groet uwe vrienden: toon een blij gelaat:
Zoo duur gekocht, stel 'k u op duren prijs.
Maar lees mij thans den brief voor van uw vriend.
Bassanio (leest):
"Beste Bassanio, mijn schepen zijn alle
vergaan, mijn schuldeischers worden wreed, mijn geldelijke
toestand is zeer gedrukt, de vervaldag van mijn kontrakt met
den Jood is voorbij, en daar ik, indien ik het nakom, niet kan
blijven leven, zijn alle schulden tusschen u en mij afgedaan,
als ik u slechts bij mijn dood mag zien. Maar doe, niettegenstaande
dit alles, zooals 't u behaagt: als uw genegenheid u
niet drijft te komen, laat mijn brief dat dan ook niet doen."
Portia:
Mijn lief, laat alles achterwege, en ga.
Bassanio:
Daar uwe mildheid mij dit niet belet
Zoo haast ik mij; maar voor ik weer verschijn,
Leg 'k nimmer mij te slapen op een bed,
Geen rust zal aan mijn talmen schuldig zijn. (Allen af.)
Tooneel III.
Venetië. Een Straat.
Shylock, Salarino, Antonio en een Cipier komen op.
Shylock:
Houd hem in 't oog, cipier: spreek mij niet van genade.—
Dit is de dwaas die gratis geld te leen gaf.—
Houd hem in 't oog.
Antonio:
Hoor me aan, mijn goede Shylock.
Shylock:
'k Wil mijn kontrakt; raak niet aan mijn kontrakt;
'k Zwoer mij te zullen houden aan 't kontrakt:
Gij hebt me eerst zonder reden "hond" genoemd;
Maar nu ik er een ben, pas op mijn muil;
De Doge zal mij recht doen.—'k Ben verbaasd,
Dat gij zoo dwaas zijt, schelm van een cipier,
Om met hem uit te gaan op zijn verzoek.
Antonio:
Shylock:
Ik houd me aan mijn kontrakt; ik luister niet:
Ik houd me aan mijn kontrakt, dus spreek niet meer.
Ik ben geen zachte en huilerige sul,
Die schuddebolt en toegeeft, zucht en buigt
Voor Christelijke midd'laars. Volg mij niet,
Geen woord meer, 'k wil mij houden aan 't kontrakt. (Af.)
Salarino:
Dit is wel de onverbiddelijkste hond,
Die ooit met menschen leefde.
Antonio:
Laat hem gaan;
'k Loop hem niet meer met vrucht'loos smeeken na.
Hij wil mijn leven; 'k weet zijn reed'nen goed;
'k Heb menigeen die bij mij klagen kwam
Verlost van de aanspraak die hij op hen had;
Vandaar zijn haat.
Salarino:
De Doge zal gewis
Deze aanspraak nimmer geldig laten zijn.
Antonio:
De Doge kan den loop van 't recht niet stuiten,
Want als het voorrecht, dat de vreemd'ling heeft
Hier in Venetië, wordt gestuit, dan zal
't Verwijt van onrecht wegen op den staat,
Omdat de handel en de winst der stad
Door alle volken wordt bewerkt. Dus, ga.
Dit leed en nadeel pakten mij zóó aan,
Dat 'k morgen nauwelijks een pondje vleesch
Kan afstaan voor mijn wreeden crediteur.
Vooruit, cipier.—God geve, dat Bassanio
Zijn schuld komt zien voldoen, dan is 't mij wel!
(Allen af.)
Tooneel IV.
Belmont. Een kamer in Portia's Huis.
Portia, Nerissa,
Lorenzo, Jessica en Balthazar komen op.
Lorenzo:
Mevrouw, al zeg ik 't u in uw gelaat,
Gij hebt een edel en een waar begrip
Der goddelijke vriendschap; gij verdraagt
Daarvoor de afwezigheid van uw gemaal.
Maar, als gij wist wien gij deze eer bewijst,
Aan welk een waardig man gij uitkomst zendt,
Hoe hij verknocht is aan uw heer gemaal,
Gij zoudt, dat weet ik, trotscher hierop zijn,
Dan uw milddadigheid u maken moet.
Portia:
'k Heb nooit berouw gehad van wel te doen;
Dat zal 'k ook nu niet; want genooten, die
Den tijd te zamen slijten in verkeer,
Wier ziel hetzelfde juk van liefde torst,
Past ook noodzaak'lijk een gelijke maat
Van trekken en van zeden en gemoed;
Dit doet mij denken dat Antonio,
Als boezemvriend van mijn gemaal, aan hem
Gelijk moet zijn. Als dit zoo is, hoe klein
Zijn dan de kosten die ik heb besteed
Om hem die 't evenbeeld is van mijn ziel[52]
Te koopen uit de helsche marteling!
Maar dit komt eigen lofspraak te nabij;
Hier dus niet meer van: hoort iets anders nu.
Lorenzo, ik vertrouw aan uwe hand
De leiding en 't beheeren van mijn huis
Tot mijn gemaal terugkomt. Ik voor mij,
Ik heb den Hemel heimelijk beloofd
In stil gepeins te leven en gebed,
Alleen van mijn Nerissa vergezeld,
Tot onze gaden zijn teruggekeerd.
Er ligt een klooster twee mijl hier van daan,
En daar zal 'k toeven. Ik verzoek u zeer,
Dat gij den last niet van u schuiven zult
Dien mijne vriendschap en de omstandigheên
Nu op u leggen.
Lorenzo:
Met geheel mijn hart
Voldoe ik aan uw vriendelijk bevel.
Portia:
Mijn menschen weten allen van mijn plan,
En zullen u en Jessica erkennen
In plaats van Lord Bassanio en mij.
Vaartwel dus, tot we elkander wederzien.
Lorenzo:
Geluk zij met u, waar gij staat of gaat!
Jessica:
Ik wensch UEed'le alles, alles goeds.
Portia:
Dank voor uw wensch, van mijn kant breng 'k ook u
Mijn besten wensch: vaarwel thans, Jessica.
(Jessica en Lorenzo af.)
Nu, Balthazar,
Daar ik u trouw en eerlijk steeds bevond,
Laat dit ook nu zoo zijn. Neem dezen brief,
En snel naar Padua met al de macht
Die in een man is: zorg dat gij hem legt
In handen van mijn neef, doctor Bellario;
En wat hij u aan dokumenten geeft
En kleed'ren, breng met allen denkb'ren spoed,
Hen bid ik u, naar het gewone veer
Dat op Venetië vaart. Verlies geen tijd,
Maar haast u wat: ik zal er vóór u zijn.
Balthasar:
Mevrouw, 'k zal gaan met den vereischten spoed. (Af.)
Portia:
Komaan, Nerissa: 'k heb een plan bedacht,
Dat gij niet kent. Wij zien de mannen weer.
Eer ze aan ons denken.
Nerissa:
Portia:
Dat zullen zij, maar dan in zulk een dracht
Dat zij ons zullen wanen in 't bezit
Van 't geen wij missen. 'k Wed om wat ge wilt,
Dat, zijn we als jonge mannen uitgedost,
Ik van ons beî de knapste kerel ben,
Mijn degen met bevall'ger kloekheid draag,
Spreek als bij d' overgang van knaap tot man,
Met rietpijp-stem, twee korte pasjes maak
Tot mannelijk gestap, van vechten spreek
Zooals een zwetsend heertje, en listig lieg,
Hoe hooge dames dongen naar mijn gunst,
(En ik, die weig'rend, kniesden zij zich dood,
Ik kon er niets aan doen)—dan krijg 'k berouw,
En 'k wensch dat ik hen niet zoo had gedood.
En twintig flauwe leugens disch ik op,
Zoodat de mannen zweren dat ik ruim
Een jaar van school af ben. 'k Herinner mij
Wel duizend jongensstreken van die pochers,
En 'k pas ze toe.
Nerissa:
Wat? Gaan we als mannen doen?
Portia:
Foei, wat een vraag is dat,
Als men daar eens een schuinen zin aan gaf!
Maar kom; 'k vertel u mijn geheele plan,
Als 'k in mijn rijtuig ben, dat aan de poort
Van 't park ons wacht; dus nu niet meer gevraag,
Want twintig mijlen staan er voor vandaag. (Beiden af.)
Tooneel V.
Belmont. Een Tuin.
Lancelot en Jessica komen op.