Lancelot:
Ja zeker; want, zie eens hier, de zonden van den vader zullen
bezocht worden aan de kinderen; daarom ben ik voor u bezorgd
dat beloof ik u. Ik ben altijd open tegen u geweest, en daarom
zeg ik nu mijn diner
[53] over de zaak: leef er dus maar vroolijk
op los, want, waarachtig, ik geloof dat u verdoemd is. Met
dat al is er toch maar één hoop die u 'n beetje goed kan doen,
en dat is toch ook maar een soort bastaard-hoop.
Jessica:
En wat is dat dan voor een hoop, ik bid je?
Lancelot:
Wat drommekater, dat is een klein hoopje dat uw vader u
niet in de wereld heeft gebracht, dat u de dochter van den
Jood niet is.
Jessica:
Ja, dat zou met recht een soort bastaard-hoop zijn: dan zouden
de zonden van mijn moeder aan mij bezocht worden.
Lancelot:
Neen maar, dan vrees ik dat u net zoo goed van vaders- als
van moederskant verdoemd is: zoodoende verval ik, als ik
Scylla, uw vader, vermijd, in Charybdis, uw moeder;
[54] nu,
op allebei de manieren is 't met u gedaan.
Jessica:
Ik zal gered worden door mijn man; hij heeft een Christin
van mij gemaakt.
Lancelot:
O zeker, maar des te meer valt hem te verwijten: er waren
vroeger al Christenen genoeg; genoeg om de-n-een met den ander
behoorlijk te kunnen leven. Maar zulk Christenen-maken zal de
varkensprijzen in de hoogte jagen! Als we allemaal varkensvleesch-eters worden, zullen we al heel gauw voor geen geld
meer een reep spek op 't vuur kunnen krijgen.
Jessica:
Ik zal mijn man vertellen wat je zegt, Lancelot; daar komt
hij aan.
Lorenzo komt op.
Ik zal binnenkort jaloersch op je worden, Lancelot, als je
mijn vrouw zoo in de hoekjes trekt.
Jessica:
Neen, je behoeft niet bang te zijn voor ons, Lorenzo. Lancelot
en ik liggen met elkaar overhoop. Hij vertelt me platweg dat
er voor mij geen genade in den hemel is, omdat ik de dochter
ben van een Jood, en hij zegt ook dat gij geen goed lid van de
maatschappij zijt, want door Joden tot Christenen te bekeeren,
verhoogt ge den prijs van 't varkensvleesch.
Lorenzo:
Ik zal dat beter verantwoorden voor de maatschappij, dan
jij dat de verhooging van dien negerinnebuik kunt doen: het
zwartje moet een kind van je krijgen, Lancelot.
Lancelot:
Het zou wel wat kras wezen, als zoo'n negerdeern me veel
kon deren, en als ze minder was dan een eerlijke vrouw, dan
heb ik meer van haar gemaakt door mijn bezoek.
Lorenzo:
Elke dwaas kan toch maar woordspelingen maken! Ik geloof
dat binnenkort de beste aanbeveling voor geestigheid het
zwijgen zal zijn, en dat spreken alleen in papegaaien zal geprezen
worden.—Ga naar binnen, sinjeur: zeg dat ze zich
klaarmaken voor 't eten.
Lancelot:
Dat is al gebeurd, Meneer; ze hebben allemaal magen.
Lorenzo:
Goeie Genade, wat ben jij een uientapper! Zeg dan dat ze 't
eten klaarzetten.
Lancelot:
Dat is ook gebeurd, Meneer; alleen, het woord is "dekken."
Lorenzo:
Wil jij dan dekken, Meneer?
Lancelot:
O nee, Meneer, volstrekt niet; daar ben ik veel te netjes voor.
Lorenzo:
Nog al meer woordverdraaien voor de gelegenheid? Wil je
op één oogenblik den ganschen schat van je geestigheid laten
zien? Begrijp asjeblieft een eenvoudig man in zijn eenvoudige
bedoeling: ga naar je kornuiten, zeg dat ze de tafel dekken,
het eten brengen, en dan zullen we komen dineeren.
Lancelot:
De tafel, Meneer, zal gebracht worden, het vleesch zal gedekt
worden, en wat uw komen dineeren betreft, Meneer, nu, laat
dat zijn zooals lust en luim dat zullen gelasten. (Af.)
Lorenzo:
O welk een schranderheid en dracht van taal!
Een leger geest'ge woorden heeft de dwaas
Zich in het hoofd geplant! en menig dwaas
Ken ik, van hoog'ren rang en zooals hij
Van geest voorzien, die aan een snedig woord
De zaak ten offer brengt. Kom Jessica,
Zeg gij uw meening nu eens, lieveling,
Wel, hoe bevalt u Lord Bassanio's vrouw?
Jessica:
Meer dan ik zeggen kan. Het is wel zaak,
Dat hij een onbesproken leven leidt,
Want, zóó gezegend met zijn echtgenoot,
Vindt hij de hemelvreugde hier op aard,
En als hij op deze aard niet matig is,
Dan wacht hem zeker nooit het hemelrijk.[55]
Indien twee hemelgoôn in weddenschap
Twee aardsche vrouwen legden op een schaal,
En Portia was er één, dan moest nog iets
Bij de and're, want deze onvolmaakte wereld
Bezit haar weerga niet.
Lorenzo:
Juist zulk een man
Als zij een vrouw is, hebt gij nu in mij.
Jessica:
Welnu, vraag ook mìjn meening daaromtrent.
Lorenzo:
Aanstonds; maar laat ons eerst aan tafel gaan.
Jessica:
Neen, laat me u prijzen, nu 'k er trek in heb.
Lorenzo:
Bewaar het, bid ik u, als tafelkout;
Hoe gij ook spreekt, 'k verteer 't dan met de rest.
Jessica:
Welnu, dan zal ik zeggen wat ge zijt. (Beiden af.)
Vierde bedrijf
Tooneel I.
Venetië. Een Gerechtshof.
De Doge, De Magnifico's, Antonio, Bassanio,
Gratiano, Salarino, Solanio, en Anderen.
Doge:
Antonio:
'k Wacht Uw Genade's wenk.
Doge:
Het spijt me om u: gij hebt een tegenstander
Zoo hard als steen, een wreede' ellendeling,
Onmedelijdend, gansch verstoken van
Elk grein barmhartigheid.
Antonio:
Ik heb gehoord
Dat Uw Genade moeite deed om hem
Te maat'gen in zijn wreeden eisch, maar nu hij
Hardnekkig volhoudt, en geen macht van wet
Mij aan zijn haat ontrukt, beantwoord ik
Zijn woede met geduld, en 'k wapen mij
Om met een kalm gemoed zijn tirannie
En ongetemde gramschap te ondergaan.
Doge:
Roep een van allen thans den Jood voor ons.
Solanio:
Hij wacht reeds bij de deur. Daar komt hij aan.
Shylock komt op.
Doge:
Maakt plaats, hij kome voor ons aangezicht.—
Shylock, de wereld denkt, en ik met haar,
Dat gij slechts dit vertoon van boosheid voert
Tot dit laatste oogenblik; en dan zult gij,
Zoo denkt men, meêlij toonen en berouw,
Nog vreemder dan uw vreemde schijnb're wreedheid:
En dat, terwijl ge nu 't verbeurde vergt,
('t Pond vleesch van dezen armen koopman hier,)
Gij niet alleen hem van de boete ontheft,
Maar ook, bezield door liefde en mensch'lijkheid
Hem nog een goed deel schenkt van 't kapitaal,
Uw oog vol deernis slaand op zijn verlies,
Dat kort geleên zich stapelde op zijn rug,
En dezen vorst der koopliên vallen deed,
Zoodat zijn toestand medelijden vond
Bij koop'ren boezems, harten ruw als staal,
Bij stugge Turken en Tartaren, nooit
Met teeder vriend'lijkheidsbetoon vertrouwd.
Wij wachten een zachtzinnig antwoord, Jood.
Shylock:
'k Liet uw Genade weten wat ik wensch;
En bij mijn heil'gen Sabbath zwoer 'k er op
Te hebben wat mij toekomt bij kontrakt:
En weigert gij, dan koom 't gevaar ter neer
Op privilege en vrijheid van uw stad.
Waarom 'k een pondje van dat minne vleesch
Veeleer verkiezen wil dan drie duizend
Dukaten? Wel daar antwoord ik niet op:
Maar, stel, 't is zoo mijn luim: is dàt geen antwoord?
Hoe, als mijn huis geplaagd wordt door een rat,
En 'k tienduizend dukaten geven wil
Om 't beest te loozen? Lijkt dit antwoord u?
De een kan 't niet uitstaan als een varken schreeuwt,
Een ander weer wordt dol, ziet hij een kat,
Een derde houdt zijn water niet, wanneer
De zakpijp door den neus zingt: ieders aard,
De meester van zijn neiging, drijft hem tot
De stemmingen van wat hem lust of walgt.
Zooals er nu geen zeek're reden is,
Waarom een schreeuwend varken d' een mishaagt,
D' and're' een onschaad'lijk huisdier als de kat,
Een derde een wollen doedelzak,[56] zoodat
Hij de onvermijdb're schaamte lijden moet
Om last te geven daar hij dien ook krijgt;
Zoo kan en wil ook ik geen reden geven.
't Is slechts een diepe haat, een zeek're walg
Dat ik Antonio dus vervolg met wat
Voor mij verlies is. Lijkt dit antwoord u?
Bassanio:
Dat is geen antwoord, ongevoelig mensch,
Ter verontschuld'ging van uw wreed gedrag.
Shylock:
Onnoodig dat mijn antwoord u behaagt.
Bassanio:
Doodt ieder dan hetgeen hij niet bemint?
Shylock:
Haat iemand iets dat hij niet dooden wil?
Bassanio:
Elke afkeer is niet dadelijk een haat.
Shylock:
Wat, woudt ge dat een slang u tweemaal beet?
Antonio:
Bedenk toch, dat gij met den Jood krakeelt:
Want even goed kunt ge op het strand gaan staan,
En zeggen tot den vloed: "Was nu niet meer;"
En even goed krakeelt ge met den wolf
Waarom hij de ooi liet blaten om het lam;
En evengoed verbiedt gij 't berggeboomt'
Zijn hooge kruin te schudden, geen gedruisch
Te maken als de hemelvlaag 't doorvaart;
Ja, evengoed kunt gij het zwaarste doen,
Als trachten zijn Joodsch hart (is er iets harders?)
Gedwee te maken.—Daarom, 'k smeek het u,
Bied niets meer aan, gebruik geen midd'len meer,
Maar laat ik kort en bondig, zooals past,
Mijn vonnis hebben, en de Jood zijn wensch.
Bassanio:
Voor uw drie duizend bied ik u er zes.
Shylock:
Als van zes duizend iedere dukaat
In zessen ging, en elk deel een dukaat,
Ik nam ze niet,—ik wenschte mijn kontrakt.
Doge:
Hoe zult gij meêlij hopen, die 't niet kent?[57]
Shylock:
Welk oordeel moet ik vreezen? 'k Doe geen kwaad.
Gij allen hebt u slaven aangeschaft,
Die als uw ezels, muildieren en honden
Verachtelijke en slaafsche diensten doen,
Wijl gij hen kocht:—En zeg ik nu tot u:
"Laat vrij hen, huw'lijk hen uw erven uit;
Wat zweeten ze onder lasten? laat hun bed
Zoo zacht als 't uwe zijn, en streel hun tong
Met even lekk're spijs," dan antwoordt gij:
"'t Zijn onze slaven,"—zoo antwoord ik u:
"'t Pond vleesch dat ik hier eisch is duur gekocht,
Het is mijn eigendom, en 'k vraag het dus."
Als gij 't mij weigert, schande op uwe wet!
Dan heeft Venetië's besluit geen kracht,
'k Sta voor mijn recht hier; antwoord, krijg ik het?
Doge:
Ik heb de macht dit hof te laten gaan,
Tenzij Bellario, een geleerde doctor,
Naar wien ik om beslissing hierin zond,
Hier heden komt.
Solanio:
Uw Hoogheid, buiten staat
Een bode, die zoo juist uit Padua kwam
Met brieven van den doctor.
Doge:
Breng ons de brieven. Roep den bode hier.
Bassanio:
Houd moed, Antonio! Kom, man, wanhoop niet!
De Jood krijgt mijn vleesch, beend'ren, bloed, en al
Eer gij voor mij één druppel bloed verliest.
Antonio:
'k Ben uit de kudde het gemerkte schaap,
Voor 't slachten 't meest geschikt; de zwakste soort
Van vruchten valt het eerst omlaag, zoo ik.
Gij doet, Bassanio, mij geen beet'ren dienst
Dan dat gij voortleeft en mijn grafschrift schrijft.
Nerissa komt op, als een advokatenklerk gekleed.
Doge:
Komt gij van Padua, van Bellario?
Nerissa:
Van beide, Hoogheid: 'k breng Bellario's groet.
(Zij reikt hem een brief over.)
Bassanio:
Waarom zet gij uw mes zoo ijv'rig aan?
Shylock:
'k Wil uit dien bankroetier 't verbeurde snijden.
Gratiano:
Niet op uw zool, maar op uw ziel wet gij,
Hardvocht'ge Jood, uw mes; maar geen metaal,
Neen, zelfs het beulszwaard niet, is half zoo scherp
Als 't vlijmen van uw haat. Roert u geen beê?
Shylock:
Geen, die uw zwak verstand bedenken kan.
Gratiano:
O, wees verdoemd, gij onvermurwb're hond!
En 't recht zij aangeklaagd omdat gij leeft.
Gij doet mij bijna wank'len in 't geloof,
Om met Pythagoras het ééns te zijn,
Dat dierenzielen sluipen in het lijf
Van menschen: uwe hondsche ziel gebood
Een wolf, gehangen wegens menschenmoord;
En aan de galg ontvlood zijn felle ziel,
Die in u drong terwijl gij in den schoot
Van uw onheil'ge moêr laagt; want uw aard
Is bloedig, hong'rig, wreed, als van een wolf.
Shylock:
Tenzij ge 't zegel wegschimpt van 't contract,
Vermoeit ge uw longen slechts door zulk geschreeuw.
Lap uw verstand wat op, jongmensch, of 't gaat
Totaal verloren.—'k Sta hier voor mijn recht.
Doge:
Dit schrijven van Bellario beveelt
Een jong en kundig doctor aan bij 't hof:—
Waar is hij?
Nerissa:
Wachtend hier vlak bij, hij wil
Gaarn weten of hij toegelaten wordt.
Doge:
Van ganscher harte:—gaat nu, drie of vier;
Geeft hoffelijk geleide hem hierheen,—
Intusschen hoore 't hof Bellario's brief.
(
Een klerk leest.) "Uwe Hoogheid moet weten, dat ik, bij
het ontvangen van uwen brief, zeer ziek ben: maar op het
oogenblik dat uwe bode kwam, was een doctor uit Rome bij
mij op vriendschappelijk bezoek; zijn naam is Balthazar.
Ik maakte hem bekend met het twistgeding tusschen den Jood
en den koopman Antonio: wij sloegen samen vele boeken op;
hij draagt kennis van mijne meening, welke, versterkt
door zijn eigene geleerdheid (van welke ik den omvang niet
genoeg kan roemen,) met hem mede komt, op mijn dringend
verzoek, om de bede van Uw Hoogheid in mijne plaats te
vervullen. Ik smeek u, laat zijn gemis aan jaren geen beletsel
zijn on hem een eervolle hoogachting te laten missen,
[58]
want ik heb nooit zulk een jong lichaam met zulk een oud
hoofd gezien. Ik beveel hem in uwe genadige ontvangst aan;
de kennismaking met hem zal zijn lofwaardigheid nog beter
doen blijken."
Doge:
Gij hoort nu wat Bellario ons schrijft:
En ik geloof dat daar de doctor is.
Portia komt op, gekleed als doctor in de Rechten.
Geef mij uw hand. Zendt u Bellario?
Portia:
Doge:
Welkom: neem uw plaats.
Zijt gij van het geschilpunt onderricht
Dat heden in het hof aanhangig is?
Portia:
Ik ben ter dege met de zaak bekend.
Wie is de koopman hier, en wie de Jood?
Doge:
Antonio en Shylock komen voor!
Portia:
Shylock:
Portia:
De zaak die gij bepleit is vreemd van aard;
Maar toch zóó geldig, dat Venetië's wet
U in uw hand'ling niet kan tegengaan.
U dreigt gevaar van hem, is dat zoo niet? (Tot Antonio)
Antonio:
Portia:
Antonio:
Portia:
Dan moet de Jood barmhartig zijn.
Shylock:
Door welke noodzaak moet ik? Zeg me dat.
Portia:
Het wezen der genade duldt geen dwang;
Zij drupt als zachte regen van omhoog
Op wat omlaag is: dubbel zegent zij;
Zij zegent wie haar geeft als wie haar krijgt;
Ze is 't machtigst in de machtigen; zij staat
Den hoogen heerscher beter dan zijn kroon:
De schepter toont zijn wereldlijk gezag,
Het teeken van de tucht en majesteit,
Waarin de vrees en schroom voor vorsten troont;
Maar de genade is meer dan schepter-macht,
Zij is gezeteld in der vorsten hart,
Zij is een zinnebeeld der Godheid zelf,
En aardsch gezag lijkt dán 't meest dat van God,
Als door genade 't recht getemperd wordt.
Schoon gij dus 't recht bepleit, Jood, denk aan dit,
Dat, als het recht zijn loop heeft, géén van ons
Behouden wordt: wij bidden om gena;
En dàt gebed leert allen ons te doen
De werken der gena. 'k Heb dit gezegd
Om 't recht van uwen eisch te temperen,—
Want staat ge er op, dan moet Venetië's hof
Strikt eerlijk tegen hem een uitspraak doen.
Shylock:
Mijn daden op mijn hoofd! Ik eisch de wet,
De boete die verbeurd is door 't kontrakt.
Portia:
Is het niet moog'lijk dat hij 't geld betaalt?
Bassanio:
Ja, hierbij bied ik 't voor hem aan in 't hof;
Het dubb'le zelfs: en is dit niet genoeg,
Verbind ik mij tot tienmaal deze som,
Op boete van mijn handen, hoofd en hart:
Als dit hem niet voldoet, dan is het klaar,
Dat boosheid deugd vertrapt. En 'k smeek hièrom:
Dwing nu voor ééns de wet naar ùw gezag:
Doe 't weinigje onrecht om het groote recht,
En knot deez' wreeden duivel in zijn wil.
Portia:
Onmoog'lijk, in Venetië is geene macht,
Die de ééns gestelde wet verand'ren kan:
't Werd later licht als voorbeeld aangehaald,
En meen'ge dwaling zou door zulk een daad
Een inval in den staat doen; 't kàn niet zijn.
Shylock:
Een Daniël op den rechterstoel! Een Daniël!
O, hoe vereer 'k u, wijze jonge rechter!
Portia:
Ik bid u, laat mij het kontrakt eens zien.
Shylock:
Hier is het, hoogvereerde doctor, hier.
Portia:
Shylock, men biedt u driemaal zooveel geld.
Shylock:
Mijn eed, mijn eed, de Hemel kent mijn eed:
Zal ik een meineed leggen op mijn ziel?
Voor heel Venetië niet.
Portia:
Ja, bindend is 't,
En volgens recht is het den Jood vergund
Een pond vleesch uit te snijden vlak bij 't hart
Van dezen koopman.—Toon barmhartigheid;
Neem driemaal 't geld; verscheur 't kontrakt met mij.
Shylock:
Wanneer het volgens inhoud is betaald.
Het schijnt dat gij een waardig rechter zijt;
Gij kent de wet, gij hebt haar uitgelegd
Zooals 't behoort: ik eisch dus bij de wet,
Waarvan gij een verdienst'lijk schrager zijt,
Dat gij een uitspraak doet. 'k Zweer bij mijn ziel,
Dat er geen macht is in der menschen tong
Die mij doet wank'len. 'k Houd mij aan 't kontrakt.
Antonio:
Ik smeek van ganscher harte dat het hof
Een uitspraak geve.
Portia:
Nu, 't is zóó gesteld:
Gij moet uw borst ontblooten voor zijn mes.
Shylock:
O, eed'le rechter! Brave jonge man!
Portia:
Want de bedoeling en de zin der wet
Stemt met de boete gansch'lijk overeen
Die hier verschuldigd staat op het kontrakt.
Shylock:
Zeer waar, O rechter, ongeveinsd en wijs!
Hoe veel, veel ouder zijt gij dan ge schijnt!
Portia:
Shylock:
Ja, ja, zijn borst;
't Staat in 't kontrakt;—niet, eed'le rechter, niet?—
Het dichtst bij 't hart: dat staat er letterlijk.
Portia:
Zoo is 't. Is hier een weegschaal bij de hand
Om 't vleesch te wegen?
Shylock:
Portia:
Zorg op uw kosten, Shylock, voor een arts,
Die hem de wond stelpt, anders bloedt hij dood.
Shylock:
Staat die bepaling ook in het kontrakt?
Portia:
Neen, niet uitdrukk'lijk; maar wat hindert dat?
Gij moest het toch uit menschenliefde doen.
Shylock:
Ik kan 't niet vinden; 't is niet in 't kontrakt.
Portia:
Hebt gij nog iets te zeggen, koopman, spreek.
Antonio:
Niet veel; ik ben gewapend en bereid.—
Geef mij uw hand, Bassanio, vaarwel.
Treur niet dat mij dit treft om uwentwil;
Want hierbij toont Fortuin zich meer bevriend
Dan zij gewoon is: altijd laat ze toch
Ellendigen hun rijkdom overleven,
Om met gerimpeld voorhoofd en hol oog
Een ouden dag vol armoe aan te zien!
Maar van het sleepend kwellen die deez' ramp
Met zich te voeren pleegt, ontheft ze mij.
Breng aan uw achtenswaard'ge vrouw mijn groet;
Vertel haar hoe Antonio sterven moest;
Zeg hoe 'k u liefhad; prijs mijn gang ten dood;
En als 't verhaal gedaan is, oordeel' ze of
Bassanio niet eenmaal werd geliefd.
Heb geen berouw dat gij uw vriend verliest,
Nu 't hem niet rouwt dat hij uw schuld betaalt;
Want snijdt de Jood slechts diep genoeg er in,
Betaal 'k haar dadelijk met heel mijn hart.
Bassanio:
Antonio, 'k ben met een vrouw getrouwd,
Die me even dierbaar is als 't leven zelf;
Maar 't leven zelf, mijn vrouw, en heel deze aard,
Uw leven schat ik hooger dan die saam;
Dat alles wil 'k verliezen, offer 't op,
Aan dezen duivel hier voor uw behoud.
Portia:
Uw vrouw zou u slechts weinig dankbaar zijn,
Als zij u hier dit aanbod hoorde doen.
Gratiano:
Ik heb een vrouw, die 'k zweer dat ik bemin:
Ik wensch haar in den Hemel, als ze zóó
Deez' hondschen Jood door beden buigen kon.
Nerissa:
Gij zegt dit wijs'lijk zonder dat zij 't hoort,
't Werd anders wel wat woelig in uw huis.
Shylock (ter zijde):
Die Christen-echtgenooten! Ik bezit
Een dochter; liever zag 'k dat een van 't kroost
Van Barrabas[59] haar man waar' dan een Christen!
(Luid) Geen tijd verspild; doe uitspraak, bid ik u.
Portia:
Een pond vleesch van den koopman komt u toe;
Het hof bekrachtigt wat de wet vergunt.
Shylock:
Rechtvaardigste aller rechters!
Portia:
Gij moogt dat vleesch hem snijden uit de borst;
Wat u de wet veroorlooft, staaft het hof.
Shylock:
Geleerde rechter!—De uitspraak! Wees bereid.
Portia:
Wacht even; er komt nog iets anders bij.—
't Kontrakt hier geeft u niet één druppel bloed,
De woorden zijn uitdrukk'lijk, een pond vleesch;
Maar stort gij bij het snijden éénen drop
Van 't Christenbloed, dan wordt uw land en goed
Volgens Venetië's wet verbeurd verklaard
Ten gunste van Venetië's staat.
Gratiano:
O brave wijze rechter! Hoort ge 't Jood?—
Shylock:
Portia:
Gij zelf zult de akte zien.
Want, daar ge op recht staat, ik verzeker u,
Gij zult het hebben, meer dan gij verlangt.
Gratiano:
O, wat een wijze, knappe rechter, Jood!
Shylock:
Dan kies ik 't aanbod,—geef mij driemaal 't geld,
En laat den Christen gaan.
Bassanio:
Portia:
Zacht wat;—
De Jood krijgt alle recht;—zacht wat;—geen haast;—
Niets anders krijgt hij dan wat is verbeurd.
Gratiano:
O, Jood, wat is die rechter wijs en braaf!
Portia:
Maak u daarom gereed en snijd het vleesch,
En stort geen bloed, en snijd niet min noch meer,
Maar juist een pond vleesch: neemt ge meer van hem,
Of minder dan precies een pond,—al is 't
Een twintigst partje slechts te licht of zwaar
Van éénen scrupel,—ja, indien de schaal
Hier nog een deel van of een haartje helt,—
Dan sterft ge, en al uw goed'ren zijn verbeurd.
Gratiano:
Een tweede Daniël, een Daniël, Jood!
Nu heb ik je te pakken, heidenhond!
Portia:
Wat talmt de Jood? Neem wat u is verbeurd.