Shylock:
Geef mij mijn kapitaal, en laat mij gaan.
Bassanio:
Ik heb het voor u bij de hand; hier is 't.
Portia:
Hij wilde 't niet ten aanzien van het hof:
Hem zal slechts recht geschieden naar 't kontrakt.
Gratiano:
Een Daniël, zeg ik maar; een tweede Daniël!—
Dank, Jood, dat gij mij dit woord hebt geleerd.
Shylock:
Zal ik dan zelfs mijn kapitaal niet zien?
Portia:
Gij zult slechts hebben wat u is verbeurd,
Dus neem het, Jood, op eigen risico.
Shylock:
De duivel geve er hem dan 't voordeel van!
Ik blijf niet langer bij 't verhoor.
Portia:
Wacht Jood;
De wet heeft ook nog anders vat op u.
Er is verordend in Venetië's wet:
Indien een vreemdeling bewezen wordt
Door pogingen rechtstreeks of zijdelings
Naar 't leven van een Venetiaan te staan,
Dan krijgt degene die zijn aanslag geldt
De helft van zijn vermogen, de and're helft
Wordt aan de schatkist van den staat verbeurd.
En 't leven van den schuld'ge is in de hand
Slechts van den Doge, zonder and're stem.
Ik zeg dat gij in dit geval verkeert;
Het blijkt toch uit uw zichtb're handelwijs
Dat zijdelings en rechtstreeks bovendien
Ge een aanslag tegen 't leven hebt gesmeed
Van den beklaagde en zoo berokkent ge u
Het vonnis dat zooeven 'k heb vermeld.
Op uw knieën dus, en smeek gena.
Gratiano:
Smeek om verlof u op te hangen, Jood;
En toch, daar uw bezit den staat verviel,
Hebt ge de waarde van een strop niet meer;—
Gehangen moet ge op kosten van den staat.
Doge:
Dat gij 't verschil van onzen aard moogt zien,
Schenk ik u 't leven eer gij er om vraagt.
Antonio krijgt de helft van uw bezit;
En de and're komt aan het gemeenebest,
Die need'righeid in boete kan verand'ren.
Portia:
Ja, voor den staat, niet voor Antonio.[60]
Shylock:
Neen, neem mijn leven, alles; schenk 't mij niet:
Gij neemt mijn huis, als gij 't den stut ontneemt
Die 't ondersteunt; gij neemt mijn leven ook,
Als gij de midd'len neemt waardoor ik leef.
Portia:
Schenkt gij hem ook een gunst, Antonio?
Gratiano:
Een worgkoord gratis; anders niet, bij God.
Antonio:
Mijnheer de Doge en 't hof, 't behage aan u
De helft hem wéér te schenken van zijn goed;
Ik ben voldaan, als hij mij de and're helft
In bruikleen geven wil, om bij zijn dood
Het te vermaken aan den edelman
Die onlangs zijne dochter stal;
Nu nog twee dingen,—dat voor deze gunst,
Hij zonder oponthoud een Christen wordt;
En dat hij hier voor 't hof een schenking doet
Van alles wat hij bij zijn dood bezit
Aan zijnen zoon Lorenzo en zijn dochter.
Doge:
Dat moet hij doen, of anders trek ik weer
De vrijspraak, die 'k zooeven toezegde, in.
Portia:
Zijt gij tevreden, Jood? Wat antwoordt gij?
Shylock:
Ik ben tevreden.
Portia:
Klerk, een schenkingsakte.
Shylock:
Ik bid u, sta mij toe van hier te gaan.
Ik ben niet wel; zend de akte me achterna.
En 'k zal haar teek'nen.
Doge:
Ga, maar doe 't dan ook.
Gratiano:
Twee peters zult gij hebben bij den doop;
Ware ik hier rechter, tien kreegt gij er bij,
Om galgwaarts u te brengen, niet naar 't vont.[61]

(Shylock af.)

Doge:
Mijnheer, 'k verzoek u bij me op 't middagmaal.
Portia:
Ik vraag Uw Hoogheid need'rig mij te ontslaan.
Ik moet vanavond nog naar Padua;
En 'k ben genoodzaakt daad'lijk heen te gaan.
Doge:
Het spijt me dat uw tijd het niet gedoogt.
Antonio bewijs dien heer uw dank,
Want, naar mij dunkt, zijt gij hem veel verplicht.

(De Doge, Magnifico's en Gevolg af.)

Bassanio:
Zeer waard'ge Heer, door uwe wijsheid zijn
Mijn vriend en ik op dezen dag bevrijd
Van zware boeten; en in ruil daarvoor
Vergelden wij met drie duizend dukaten,
Den Jood verschuldigd, uw beleefden steun.
Antonio:
En bovendien zijn wij uw schuldenaars
In liefde en dienst voor alle eeuwigheid.
Portia:
Wie wel tevreden is, is wel betaald,
En ik, u reddend, ben daarmeê tevreên,
En daardoor acht ik mij genoeg betaald:
Mijn geest was nooit op groot're winst bedacht.
Ik bid u, kent mij, als we elkaar weer zien.
Ik wensch u 't beste; hiermeê moet ik gaan.
Bassanio:
Ik moet het nogmaals trachten, waarde heer;
Neem een herinnering aan ons, als hulde,
En niet als loon: sta mij twee dingen toe,
Géén weigering en wèl vergiffenis.
Portia:
Gij dringt er zeer op aan, dus geef ik toe.
Geef me uw handschoenen, 'k draag ze om uwentwil; (tot Antonio)
Uit vriendschap neem ik dezen ring van u. (tot Bassanio.)
Trek niet uw hand terug; ik neem niets meer;
En uwe vriendschap weigert mij dit niet.
Bassanio:
De ring, Mijnheer? ach, 't is een bagatel;
Ik zou mij schamen als ik hem u gaf.
Portia:
Ik wil niets anders hebben dan dien ring;
'k Heb er mijn zinnen eenmaal op gezet.
Bassanio:
't Geldt meer den ring zelf dan de waarde ervan.
Den duursten in Venetië geef ik u,
'k Roep openlijk er door de stad om uit;
Verschoon mij, bid ik u, nu 't dezen geldt.
Portia:
Ik zie dat gij zeer gul met aanbod zijt;
Eerst leert gij mij een beed'laar zijn, en nu
Hoe men een bedelaar te woord moet staan.
Bassanio:
De ring werd mij geschonken door mijn vrouw;
Bij 't aandoen zwoer ik haar dat ik hem niet
Verkoopen, geven of verliezen zou.
Portia:
Zoo spreekt wel menig man die liefst niets geeft.
Indien uw vrouw niet gansch dolzinnig is,
En weet hoe goed ik dezen ring verdien,
Dan is zij niet voor altijd boos op u,
Omdat ge mij hem gaaft. Nu vaar gij wel.

(Portia en Nerissa af.)

Antonio:
Mijnheer Bassanio, schenk hem den ring;
Laat zijn verdienste en mijne vriendschap ook,
Meer gelden dan 't bevel van uwe vrouw.
Bassanio:
Ga, Gratiano, loop en haal hem in;
Geef hem den ring; en breng hem, zoo gij kunt,
Meê naar Antonio's huis:—Voort! haast u wat.

(Gratiano af.)

Kom, laten wij daar daad'lijk henen gaan;
En in den vroegen morgen zullen wij
Naar Belmont vliegen: kom, Antonio. (Beiden af.)

Tooneel II.

Venetië. Een Straat.

Nerissa en Portia komen op.

Portia:
Zoek 't huis op van den Jood, geef hem dit stuk,
En laat hem teek'nen. Wij vertrekken straks,
En zijn een dag vóór onze mannen thuis.
Deze akte zal Lorenzo welkom zijn.

Gratiano komt op.

Gratiano:
'k Heb u gelukkig ingehaald, mijnheer:
Bij nader inzien zendt Bassanio
U dezen ring en vraagt of gij met hem
Wilt middagmalen.
Portia:
Neen, dat zal niet gaan:
Ik ben hem zeer, zeer dankbaar voor zijn ring,
En 'k bid u, zeg hem dat. Wees thans zoo goed,
En wijs mijn klerk waar de oude Shylock woont.
Gratiano:
Zeer gaarn.
Nerissa:
Mijnheer, ik wilde u even spreken:—
(tot Portia) 'k Zal zien of ik den ring krijg van mijn man,
Dien hij mij zwoer nooit weg te zullen doen.
Portia:
Ik wed dat gij het kunt. Wat zullen zij
Nu zweren dat zij hem aan mannen gaven!
Wij zullen echter hun te slim af zijn.
Voort, haast u wat; gij weet waar ik u wacht.
Nerissa:
Kom, waarde Heer, en wijs mij nu het huis. (Allen af.)

Vijfde Bedrijf

Tooneel I.

Belmont. Een Laan naar Portia's Buiten.

Lorenzo en Jessica komen op.

Lorenzo:
De maan schijnt klaar:—in zulk een zomernacht,
Toen zoele wind de boomen zachtjes kuste,
Zoodat geen ruischen klonk,—in zulk een nacht
Klom Troilus, naar ik meen, op Troje's muur,
Zijn ziel uitzuchtend naar het Grieksche kamp,
Waar Cressida toen sliep.
Jessica:
In zulk een nacht
Ging Thisbe angstig tripp'lend op den dauw;
En zag vooruit de schaduw van den leeuw,
En liep verschrikt van daar.
Lorenzo:
In zulk een nacht
Stond Dido met een wilgentak omhoog
Op 't wilde strand, en wenkte tot haar lief
Om weer aan wal te gaan.
Jessica:
In zulk een nacht
Verzamelde Medea 't tooverkruid,
Dat Aeson gansch verjongde.
Lorenzo:
In zulk een nacht
Stal Jessica zich van den rijken Jood,
Ontliep Venetië met haar roek'loos lief,
En kwam op Belmont aan.
Jessica:
In zulk een nacht
Was 't dat Lorenzo haar zijn liefde zwoer,
Stelend haar ziel met meen'gen eed van trouw,
En geen van alle waar.
Lorenzo:
In zulk een nacht,
Belasterde de kleine Jessica,
Die snib, haar liefste' en hij vergaf het haar.
Jessica:
Ik overtroefde u, als daar niemand kwam;
Maar, luister, 'k hoor de stappen van een man.

Stephano komt op.

Lorenzo:
Wie komt zoo snel in 't stille van den nacht?
Stephano:
Een vriend.
Lorenzo:
Een vriend? wat vriend? uw naam, ik bid u, vriend?
Stephano:
Mijn naam is Stephano, en 'k meld u dat
Mijn meesteres voor 't krieken van den dag
Te Belmont zijn zal: nu nog doolt zij rond
Langs heil'ge kruisen, waar zij knielt en bidt
Voor een gelukkig huw'lijk.
Lorenzo:
Wie is bij haar?
Stephano:
Haar dienstmaagd en een heil'ge kluizenaar.
Ik bid u, is mijn meester reeds terug?
Lorenzo:
Neen, en wij hebben niet van hem gehoord.
Maar gaan wij binnen, 'k bid u, Jessica,
En laat ons hoffelijk een welkomstgroet
Bereiden voor de meesteres van 't huis.

Lancelot komt op.

Lancelot:
Hola, hola, hei, ha, ho, hola, hola!
Lorenzo:
Wie roept daar zoo?
Lancelot:
Hola! Hebt gij meester Lorenzo en meesteres Lorenzo ook gezien? Hola! Hola!
Lorenzo:
Houdt op met je gehola, man;—hier.
Lancelot:
Hola! Waar? waar?
Lorenzo:
Hier.
Lancelot:
Zeg hem dat er een koerier van mijn meester is gekomen, met zijn hoorn vol goede tijding! Mijn meester zal hier vóór den morgen aankomen. (Af.)
Lorenzo:
Ga binnen, liefste, wachten wij hun komst.
Neen, 't is niet noodig;—waarom zouden wij?
Vriend Stephano, ik bid u, meld in 't huis
Dat uwe meesteres in aantocht is;
En breng dan ook de muzikanten hier. (Stephano af.)
Wat slaapt het maanlicht op deez' helling zoet!
Hier zittend laten wij muziekgespeel
Ons oor insluipen; zachte stilte en nacht
Past bij 't geluid van zoete harmonie.
Kom, Jessica. Zie hoe des hemels vloer
Is ingelegd met plaatjes schitt'rend goud,—
En zelfs de kleinste bol, dien gij aanschouwt,
Zingt bij zijn went'ling met een eng'lenstem
In koor met cherubijnen, jong-geoogd:
Ook de eeuw'ge ziel heeft zulk een harmonie;
Maar daar 't vergankelijke kleed van stof
Haar dicht omsluit, vernemen wij die niet.—

De Muzikanten komen op.

Ha, komt, en wekt Diana[62] met een zang;
Dringt met uwe zoetste tonen in het oor
Van uwe meest'res, en lokt haar door muziek.
Jessica:
Nooit beurt een lieflijke muziek mij op. (Muziek.)
Lorenzo:
Dat komt omdat uw geest gespannen is;
Want let eens op een wilde en dart'le kudde
Of op een troep jonge, ongetemde veulens,
Dol springend met gehinnik en geloei,
Wat wijst op 't vurig stroomen van hun bloed;—
Als slechts bij toeval een trompetgeluid
Of soms een melodie hun ooren treft,
Dan zult gij merken hoe zij blijven staan,
Hun woeste blik in zedig zien verkeerd
Door zoete tonenmacht: zoo zong de dichter[63]
Dat Orpheus boomen, steenen, stroomen trok,
Daar niets zoo houten, hard en bruisend is,
Dat niet muziek een poos 't verand'ren doet.
De mensch die geen muziek heeft in zijn ziel,
Noch wordt geroerd door zoete harmonie,
Hij is in staat tot list, verraad en roof,
De gangen van zijn geest zijn zwart als nacht,
En donker is zijn hart als de Erebus;[64]
Vertrouw zoo'n mensch niet.—Let op de muziek.

Portia en Nerissa verschijnen op eenigen afstand.

Portia:
Het licht dat we daar zien, brandt in mijn zaal.
Wat werpt die kleine kaars haar stralen ver!
Zoo blinkt een goed werk in een booze wereld.
Nerissa:
Bij 't maanlicht zagen wij de kaarsvlam niet.
Portia:
Zoo maakt de groot're glans den mind'ren dof:
Een onderkoning schittert als een vorst,
Totdat de vorst verschijnt en dan verliest
Zijn statie zich, zooals een binnen-beek
In 't ruime zeegebied. Maar hoor! Muziek!
Nerissa:
't Is uw orkest, Mevrouw, de huismuziek.
Portia:
De omstandigheden maken eerst iets goed.[65]
Me dunkt zij klinkt veel zoeter dan bij dag.
Nerissa:
De stilte geeft haar die bekoorlijkheid.
Portia:
De leeuw'rik zingt niet beter dan de kraai,
Slaat niemand op hen acht; mij dunkt, men stelde
Den nachtegaal, zong hij bij dag zijn lied,
Als elke gans aan 't kaak'len is, gelijk
Als muzikant met 't winterkoninkje.
Hoe menig ding krijgt door den juisten tijd
Zijn juisten lof in ware uitnemendheid!
Stil daar! de maan slaapt met Endymion,[66]
En zij wil niet gewekt. (De muziek houdt op.)
Lorenzo:
Dat is de stem,
Als 'k mij niet zéér bedrieg, van Portia.
Portia:
Hij kent mij aan mijn slechte stem, zooals
De blinde man den koekoek.
Lorenzo:
Welkom thuis.
Portia:
Voor 't welzijn onzer mannen hebben wij
Gebeden opgezonden, en ik hoop
Dat ons gebed hun voorspoed heeft gebracht;
Zijn zij terug?
Lorenzo:
Mevrouw, zij zijn 't nog niet;
Een bode is echter vóór hen uit gegaan,
En meldt hun komst.
Portia:
Nerissa, ga in huis;
Gelast mijn dienaars dat ze in geen geval
Iets zeggen over onze afwezigheid;—
Noch gij, Lorenzo:—Jessica, noch gij.

(Een trompetstoot.)

Lorenzo:
Uw man is naderend; ik hoor zijn sein:
Wij zijn geen klikkers, wees niet bang, Mevrouw.
Portia:
Mij dunkt deez' nacht is 't zieke daglicht slechts:
Hij ziet een weinig bleeker: 't is een dag
Gelijk de dag is als de zon niet schijnt.

Bassanio, Antonio en Gratiano komen op met Gevolg.

Bassanio:
Wij hadden met de tegenvoeters dag,
Als gij woudt schijnen bij gebrek aan zon.
Portia:
Licht geven wil ik, maar licht zijn wil 'k niet;
Een lichte vrouw toch maakt haar man het zwaar,
En dat doe ik Bassanio nimmer aan;
God geve 't beste! Welkom hier, gemaal.
Bassanio:
Mijn dank, Mevrouw: verwelkom ook mijn vriend.—
Dit is de man, dit is Antonio,
Aan wien ik mij zoo machtig voel verplicht.
Portia:
Met reden voelt gij u zeer aan hem verplicht,
Want meer dan plicht heeft hij voor u gedaan.
Antonio:
Niet meer dan waar 'k gelukkig vrij van kwam.
Portia:
Mijnheer, gij zijt zeer welkom in ons huis:
Maar 'k staak die hoff'lijkheid van taal, omdat
Het anders blijken moet dan door mijn woord.

Gratiano (tot Nerissa):

Gij doet mij onrecht, 'k zweer 't u bij de maan;
Geloof me, ik gaf hem aan den klerk van 't hof:
Gesneden mag hij wezen, die hem heeft,
Als 't u, mijn liefste, zooveel zorgen geeft.
Portia:
Hoe, nu al twist? Wat is er aan de hand?
Gratiano:
't Is om een boogje goud, een poov'ren ring
Dien zij me gaf, waarvan, verbeeld u eens,
Het motto was, als smeden-rijm'larij
Op 't mes,[67] "Bemin mij en verlaat mij niet."
Nerissa:
Wat praat ge van het motto of de waarde?
Ge zwoert me, toen ik u hem gaf, dat gij
Hem dragen zoudt tot 't uur van uwen dood;
Dat hij met u zou liggen in het graf:
Schoon niet om mij, toch, om uw duren eed,
Hadt gij u moeten hoeden en hem houden.
Gegeven aan een klerk! nu, ik weet wel
Dat die geen haartje krijgt op zijn gezicht.
Gratiano:
Dat zal hij wel, wordt hij maar eerst een man.
Nerissa:
Ja zeker, wordt een vrouw maar eerst een man.
Gratiano:
Wel, bij mijn hand, ik gaf hem een jongmensch,—
Een soort van knaap; een kleinen half-was knaap,
Niet grooter dan gij zelf, een rechtersklerk;
Een babbeljongen, die hem vroeg als loon;
't Hem weig'ren kon ik voor mijn leven niet.
Portia:
Gij waart te laken, 'k zeg het u ronduit,
Dat gij van 't eerste dat uw vrouw u gaf
Lichtvaardig scheiden kondt, dat met een eed
Aan uwen vinger werd gestoken, zoo
Met trouw werd vastgeklonken aan uw vleesch.
Ik gaf mijn liefste' een ring, waarbij hij zwoer
Er nimmer van te scheiden; zie hem daar,—
Ik zweer u, nooit doet hij er afstand van,
Of trekt hem van zijn vinger voor al 't goud
Op heel de wereld. Werk'lijk, Gratiano,
Gij geeft uw vrouw onvriend'lijk grond tot smart;
Gebeurde 't mij, ik was door 't dolle been.

Bassiano (ter zijde):

Ik kapte graag mijn linkerhand er af,
En zwoer dat 'k in een strijd den ring verloor.
Gratiano:
Bassanio gaf zijn ring aan den rechter
Die er om vroeg, en hem ook inderdaad
Verdiende, en toen verzocht de knaap, zijn klerk,
Die moeite deed met schrijven, dien van mij:
En heer noch dienaar wilden anders iets
Dan de twee ringen.
Portia:
Welken gaaft gij dan?
Toch niet dien gij van mij kreegt, heer gemaal?
Bassanio:
Kon ik een leugen voegen bij een fout,
Dan zou 'k het looch'nen, maar mijn vinger, zie,
Bezit den ring niet langer; hij is weg.
Portia:
Zoo is uw valsch hart ook van trouw ontdaan.
Ik zweer het u, ik kom niet in uw bed,
Eer ik den ring zie.
Nerissa:
Ik in 't uwe niet,
Eer ik den mijne weerzie.
Bassanio:
Portia lief,
Wist gij wien ik plezier deed met den ring,
Wist gij voor wien 'k vaarwel zei aan den ring,
Begreept ge waarom 'k afzag van den ring,
En hoe onwillig 'k scheidde van den ring,
Toen niets werd aangenomen dan de ring,
Gij zoudt de kracht wat temp'ren van uw toorn.
Portia:
Als gij de kracht gekend had van den ring,
Of wat de schenkster waard was van den ring,
Of hoe uw eer gemoeid was met den ring,
Dan waart gij niet gescheiden van den ring.
Wie is de man van zoo'n onreed'lijkheid
Die, hadt gij er met ijver voor gewaakt,
Zoo onbescheiden waar' geweest om iets
Te willen hebben dat u heilig was?
Nerissa leert mij wat ik denken moet,
'k Zal sterven als een vrouw den ring niet kreeg.
Bassanio:
Neen, bij mijn eer, Mevrouw, bij mijne ziel,
Geen vrouw ontving hem, maar een rechtsgeleerde,
Die drieduizend dukaten van mij afsloeg
En om den ring verzocht, dien 'k weigerde,
Waardoor hij mij in slechten luim verliet,
Ja, hij die 't leven van een dierb'ren vriend
Gered had. Wat moet ik nu zeggen, lief?
Ik was genoopt den ring hem na te zenden,
Door schaamte en hoff'lijkheid daartoe geleid.
Mijn eer liet zich door zulk een ondank niet
Bezoedelen: vergeef 't mij, lieve vrouw;
Want, bij die heil'ge kaarsen van den nacht,
Gij zelf hadt, dunkt mij, me om den ring gevraagd
Om hem te geven aan den waard'gen doctor.
Portia:
De doctor kome niet nabij mijn huis:
Nu hij 't mij zoo geliefde kleinood heeft,
Dat gij om mijnentwil te houden zwoert,
Zal ik vrijgevig worden als ook gij;
Ik zal hem niets ontzeggen dat ik heb;
Mijn lichaam niet en 't bed niet van mijn man.
Ik zal hem kennen, 't is mijn vast besluit:
Verlaat uw huis niet 's nachts; bewaak me als Argus[68]
En als ge 't niet doet, laat ge mij alleen,
Dan, bij mijn eer, die mij nog toebehoort,
Maak ik dien doctor tot mijn bedgenoot.
Nerissa:
En ik zijn klerk; dus overweeg nu goed
Hoe gij mij in mijn eigen hoede laat.
Gratiano:
Nu, doet ge 't, zorg dat ik er dan niet ben,
Want heusch, ik breek den jongen klerk zijn pen.
Antonio:
Ik ben de ellendige oorzaak van den twist.
Portia:
Trek 't u niet aan; tòch zult ge welkom zijn.
Bassanio:
Portia, vergeef mij de afgedwongen fout;
Voor de ooren van de vele vrienden hier,
Zweer 'k bij uw eigen schitt'rende oogen u:
Waarin 'k mijzelven zie,—
Portia:
Let wel hierop!
Hij ziet zich zelf verdubbeld in mijn oogen:
In elk oog één; zweer bij uw dubbel ik,—[69]
Een zeer betrouwbare eed!