[A] Een accountant is iemand, die balans en handelsboeken naziet en in orde brengt; iemand wiens arbeid overeenkomt met dien van onze boekhouders en tevens rechtsgeleerde kennis onderstelt.
De eerste maand Juni na mijn huwelijk was voor mij merkwaardig door drie belangrijke gevallen, waarin ik het voorrecht had, Sherlock Holmes in zijn nasporingen ter zijde te staan en zijn methode van onderzoek te bestudeeren. In mijn aanteekeningen vind ik deze drie gevallen vermeld onder den naam van „Het avontuur van de tweede vlek”, „Het avontuur van het Scheepvaart-verdrag”, „Het avontuur van den vermoeiden kapitein”. Het eerste evenwel heeft betrekking op zoo gewichtige belangen en zoovele van de eerste familiën des lands zijn er bij betrokken, dat het onmogelijk in de eerste jaren gepubliceerd kan worden. Geen geval evenwel, waarin Holmes betrokken was, heeft de waarde van zijn analytische methode zoo schitterend in 't licht gesteld en zooveel indruk gemaakt op hen, die met hem samenwerkten. Ik bezit nog een bijna woordelijk verslag van zijn onderhoud met den heer Dubuque van de Parijsche politie en met den heer Fritz von Walbaum, de welbekende politie-specialiteit van Dantzig, die beiden al hun geestkracht vruchteloos hadden aangewend om eenig licht in de zaak te ontsteken. Eerst na verloop van jaren kan de geschiedenis evenwel veilig verteld worden. Intusschen zal ik den lezers met het tweede geval op de lijst bezighouden, dat ook indertijd van nationale beteekenis beloofde te worden en zich onderscheidde door verschillende bijzonderheden, die het een geheel eenig karakter verleenen.
In mijn schooljaren had ik vriendschap gesloten met een knaap, Percy Phelps genaamd, van denzelfden leeftijd als ik, ofschoon hij mij twee klassen voor was.
Hij was een zeer schrandere jongen, die met alle prijzen van de school strijken ging en ten slotte een beurs verwierf, welke hem in staat stelde zijn studie aan de hoogeschool te Cambridge voort te zetten. Ik weet ook nog, dat hij van zeer goeden huize was en zelfs als kleine jongens wisten wij reeds, dat Lord Holdhurst, de groote conservatieve politicus, een oom van moederszijde was. Deze aanzienlijke bloedverwantschap deed hem op school weinig goeds.
Het werd evenwel geheel anders, toen wij de schooljaren achter den rug hadden en een positie in de wereld moesten zoeken. Ik vernam nog bij geruchte, dat zijn bekwaamheden en protectie hem een betrekking hadden bezorgd aan het ministerie van buitenlandsche zaken. Na eenigen tijd was ik hem bijna zoo goed als geheel vergeten, tot een brief van den volgenden inhoud mij weer aan zijn bestaan herinnerde.
Briarbrae, Woking.
Waarde Watson!
„Zonder twijfel herinnert gij u nog wel „Tadpole” Phelps, die in de vijfde klasse zat, toen gij leerling in de derde waart. Mogelijk ook hebt gij vernomen, dat ik door mijn ooms invloed een goede betrekking aan het ministerie van buitenlandsche zaken heb gekregen en een post van vertrouwen bekleedde, tot mijn toekomst plotseling door een noodlottig toeval vernietigd werd.
„Het dient nergens toe, u de bijzonderheden van deze vreeselijke gebeurtenis te verhalen. Stemt gij in mijn verzoek toe, dan zal ik ze u waarschijnlijk vertellen. Ik ben nauwelijks van een ziekte hersteld; negen weken lang heb ik zenuwkoortsen gehad en nog ben ik zeer zwak. Zoudt ge denken, dat uw vriend Sherlock Holmes genegen is met u bij mij te komen? Ik zou gaarne van hem vernemen, wat hij van de zaak denkt, ofschoon de autoriteiten mij verzekeren, dat er niets meer aan te doen is. Doe uw best hem hier te brengen en liefst zoo spoedig mogelijk. Iedere minuut schijnt mij een uur toe, zoolang ik in deze vreeselijke onzekerheid leef. Deel hem mede, dat niet geringschatting zijner talenten oorzaak is, dat ik zijn raad niet eerder gevraagd heb, maar dat ik van 't oogenblik af, dat de slag viel, mijn hoofd kwijt was. Nu is mijn hoofd weer helder, ofschoon ik uit vrees voor een instorting niet te veel durf denken. Ik ben nog zoo zwak, dat ik een ander dezen brief heb moeten dicteeren. Doe uw best uw vriend mede te brengen.
„Uw oude schoolmakker,
„Percy Phelps.”
Toen ik dezen brief las, was ik eenigszins bewogen; er was iets roerends in dat herhaalde verzoek, Holmes mede te brengen. Ik was zoo geroerd, dat ik er mijn best toe gedaan zou hebben, al ware het zelfs een moeilijke zaak geweest; doch natuurlijk wist ik wel, dat Holmes zijn beroep te lief had, om niet altijd bereid te zijn hulp te bieden, waar die door een cliënt gevraagd mocht worden. Mijn vrouw was het met mij eens, dat ik geen minuut mocht laten verloren gaan, eer ik hem met de zaak in kennis had gesteld en zoo was ik al binnen een uur na mijn ontbijt in de bekende oude kamer in Baker-Street.
Holmes zat aan een zijtafel, gekleed in zijn huisjas en was druk bezig met scheikundige proeven. In een lange gebogen retort kookte een vloeistof boven de blauwachtige vlam van een Bunzenschen brander en het gedistilleerde vocht bekoelde in een glas van een paar liter inhoud. Mijn vriend keek bij mijn komst nauwelijks op. Ik trad binnen, en daar ik zag, dat zijn proeven belangrijk waren, ging ik in een armstoel zitten en wachtte. Hij doopte een glazen buisje, dat hij in de hand hield, nu in de eene dan in de andere flesch, haalde er met zijn pipet een paar droppels uit en legde ten slotte een met de oplossing gevuld proefbuisje op de tafel. In zijn rechterhand had hij een stukje lakmoespapier.
„Gij komt op het oogenblik van een crisis, Watson,” zeide hij. „Als dit papier blauw blijft, is alles goed; maar wordt het rood, dan staat een leven van een mensch op het spel.” Hij doopte het papier in het proefbuisje en het werd op eens karmozijnrood. „Hum, ik dacht het wel,” riep hij. „Ik ben onmiddellijk tot uw dienst, Watson. Als gij rooken wilt, is er tabak in mijn Perzische muil.” Hij ging daarna naar zijn lessenaar en schreef vlug verscheidene telegrammen, die hij daarna aan zijn bediende overhandigde. Toen ging hij tegenover mij zitten en trok zijn knieën op, zoodat hij zijn vingers om zijn lange dunne schenen kon slaan.
„Een heel gewone, kleine moordgeschiedenis,” zeide hij. „Ik denk, dat gij wel iets beters zult brengen. Uw komst kondigt de misdaad aan, Watson, als de stormvogel den orkaan! Wat is het?”
Ik overhandigde hem den brief, dien hij met de grootste aandacht las.
„Veel zegt dat schrijven ons niet, vindt ge wel?” zeide hij, toen hij mij den brief teruggaf.
„Zoo goed als niets.”
„En toch is de inhoud van gewicht.”
„Het is evenwel niet zijn eigen handschrift.”
„Precies. Het is dat van een vrouw.”
„Neen, ongetwijfeld dat van een man,” zeide ik.
„Neen, dat van een vrouw; van een vrouw met een bijzonder karakter. Bij het begin van een onderzoek is het van belang te weten, dat een cliënt in nauwe betrekking staat tot iemand, die hetzij ten goede of ten kwade ongewone karaktertrekken heeft. Mijn belangstelling is reeds gaande gemaakt. Als gij gereed zijt, zullen we terstond naar Woking vertrekken en den diplomaat, die zich in zulke moeilijke omstandigheden bevindt, en de dame, wie hij zijn brieven dicteert, een bezoek brengen.”
Wij waren zoo gelukkig den eersten trein naar Waterloo te halen en binnen een uur waren wij te midden der dennenbosschen en der heidevelden van Woking. Briarbrae was een groot op zich zelf staand gebouw, een paar minuten gaans van het station. Nadat wij onze kaartjes hadden afgegeven, werden wij in een fraai gemeubileerd salon binnengelaten, waar wij onmiddellijk werden begroet door een forsch gebouwd man, die ons zeer beleefd ontving. Hij scheen, wat zijn leeftijd aangaat, dichter bij de veertig dan bij de dertig, maar zijn wangen waren zoo blozend, zijn oogen stonden zoo vroolijk, dat hij den indruk maakte van een welgedanen, ondeugenden knaap.
„Uw komst doet mij zeer veel genoegen,” zeide hij, ons hartelijk de hand schuddende. „Percy heeft den geheelen morgen naar u gevraagd. Ach, die arme jongen, hij klampt zich aan een stroohalm vast. Zijn ouders verzochten mij, u te spreken, want het is hun zelf hoogst pijnlijk de zaak aan te roeren.”
„Wij zijn nog in 't geheel niet met de bijzonderheden bekend,” antwoordde Holmes. „Ik veronderstel, dat gij niet tot de familie behoort.”
Onze nieuwe bekende scheen verrast en voor zich ziende begon hij te lachen.
„Natuurlijk hebt gij de initialen „J. H.” op mijn medaillon gezien. Een oogenblik dacht ik, dat gij hier een bewijs van groote schranderheid hadt gegeven. Mijn naam is Joseph en daar Percy met mijn zuster Annie gaat trouwen, zal ik ten minste door een huwelijk tot de familie behooren. Gij zult mijn zuster in Percy's kamer vinden, want zij heeft hem de verloopen twee maanden trouw verpleegd. Mogelijk doen wij het beste, maar dadelijk naar binnen te gaan, want zij is zeer verlangend u te zien.”
De kamer, waarin wij thans werden binnengelaten, was op dezelfde verdieping als het salon. Zij was half als woonkamer, half als slaapkamer gestoffeerd; in alle hoeken waren met smaak bloemen aangebracht. Op een sofa lag een jonge man, bleek en vermoeid, bij het geopende venster, waardoor de geuren van den tuin en de verkwikkende zomerlucht ongehinderd naar binnen stroomden. Naast hem zat een vrouw, die opstond, toen wij binnenkwamen.
„Zal ik heengaan?” vroeg zij.
Hij greep haar hand vast, om haar terug te houden.
„Hoe gaat het u, Watson,” sprak hij vriendschappelijk. „Ik zou u met dien knevel niet herkend hebben en ik geloof, dat gij er ook geen eed op hadt durven doen, dat ik het was. Deze heer is, naar ik vermoed, uw beroemde vriend Sherlock Holmes?”
Ik stelde mijn vriend aan hem voor en wij gingen beiden zitten. De forschgebouwde jonge man had de kamer verlaten, maar zijn zuster was gebleven en liet haar hand nog rusten in die van den zieke. Zij was een vrouw met veel uitdrukking in 't gelaat, kort en gezet van gestalte; zij had een mooie bruine tint en groote, donkere oogen, als een Italiaansche, en weelderig zwart haar. Haar donkere tint deed het bleeke en afgematte in het voorkomen van haar verloofde des te scherper uitkomen.
„Ik zal niet te veel van uw tijd vergen,” zeide hij, zich op de sofa oprichtende, „en zonder verdere inleiding u mededeelen, waarom ik u wensch te spreken. Ik was een gelukkig en voorspoedig man, mijnheer Holmes, en op het punt in den echt te treden, toen een ongelukkig voorval al mijn schoone vooruitzichten den bodem insloeg.
„Zooals Watson u zal hebben medegedeeld, was ik werkzaam op het ministerie van buitenlandsche zaken en door den invloed van mijn oom, Lord Holdhurst, verkreeg ik weldra een aanzienlijke verantwoordelijke betrekking. Toen mijn oom onder het tegenwoordige bewind minister van buitenlandsche zaken werd, ontving ik meer dan eens een vertrouwelijke opdracht en daar ik mij daarvan steeds tot zijn genoegen kweet, stelde hij ten laatste een onbeperkt vertrouwen in mijn bekwaamheid en tact.
„Een week of tien geleden—of om mij juister uit te drukken, den 23en Mei—riep hij mij in zijn spreekkamer en na mij een compliment over mijn goed werk te hebben gemaakt, deelde hij mij mede, dat hij mij opnieuw een gewichtigen arbeid had op te dragen.
„Hier heb ik,” sprak hij—een rol grijs papier uit zijn schrijfbureau nemende—„het origineel van het geheim tractaat tusschen Engeland en Italië, waarvan tot mijn spijt het gerucht reeds tot de openbare pers is doorgedrongen. Het Fransche of Russische gezantschap zou een onnoemelijke som willen betalen om met den inhoud van deze papieren bekend te worden. Ik zou ze dan ook niet uit handen geven, moest ik ze niet noodzakelijk gecopiëerd hebben. Hebt gij een lessenaar op uw kantoor?”
„Ja, mijnheer.”
„Neem het tractaat dan en sluit het goed weg. Ik zal zorg dragen, dat gij op uw bureau kunt blijven, als de andere ambtenaren naar huis gaan, en gij het op uw gemak kunt afschrijven, zonder te vreezen, dat men u bespiedt. Als gij er mee klaar zijt, sluit dan beide stukken, het origineel en het afschrift, in uw lessenaar en stel ze mij morgen ochtend ter hand.”
„Ik nam de papieren, en—”
„Met uw verlof,” zeide Holmes. „Was er iemand bij dit gesprek tegenwoordig?”
„Volstrekt niemand.”
„Waart gij in een groote kamer?”
„De kamer was dertig voet in 't vierkant.”
„Stondt gij in 't midden?”
„Ja, ongeveer.”
„En spraakt gij zacht?”
„Mijn oom spreekt steeds opmerkelijk zacht, ik zelf zeide nauwelijks een woord.”
„Dank u,” zeide Holmes, zijn oogen sluitende, „ga voort, als 't u blieft.”
„Ik deed precies, zooals mij was gezegd, en wachtte op het bureau tot de andere ambtenaren vertrokken waren. Een van hen in mijn kantoor, Charles Gorot, had nog eenig werk af te maken; daarom liet ik hem daar blijven en ging eerst eten. Toen ik terugkwam, was hij vertrokken. Ik haastte mij met mijn werk, want ik wist, dat Joseph Harrison, dien gij zooeven gezien hebt, in de stad was, en dat hij met den trein van elven naar Woking zon reizen; en ik wilde hem zoo mogelijk van den trein halen.
„Toen ik het tractaat inzag, bemerkte ik terstond, dat mijn oom het gewicht daarvan niet overdreven had. Zonder in bijzonderheden te treden, kan ik u zeggen, dat er de verhouding van Groot-Britannië tot de Triple Alliantie in was omschreven en de politieke gedragslijn van het genoemde land vaststelde, voor 't geval de Fransche vloot een volkomen overwicht over die van Italië in de Middellandsche Zee verkreeg. De quaestiën, in dit tractaat behandeld, waren van uitsluitend maritiemen aard. Aan 't slot stonden de namen van de hooge dignitarissen, die het hadden onderteekend. Ik zag het vluchtig door en begon het toen af te schrijven.
„Het tractaat was een lang document, geschreven in de Fransche taal en bevatte zes en twintig artikels. Ik schreef zoo vlug als ik kon, maar om negen uur had ik toch nog slechts negen artikelen afgeschreven en ik begon het hard te betwijfelen, of ik nog den trein zou kunnen halen. Ik gevoelde mij slaperig en suf, deels een gevolg van mijn diner, deels van mijn lange dagtaak. Een kop koffie, dacht ik, zou mijn geest opfrisschen. In een klein kamertje, aan den voet van de trap, houdt alle nachten een bode de wacht en die zet gewoonlijk op zijn spirituslamp koffie voor de beambten, die na den gewonen kantoortijd op het bureau blijven werken. Ik trok daarom aan de schel, om hem te roepen.
„Tot mijn verbazing kwam er een groote, eenigszins bejaarde vrouw met een ruw gezicht en een schort voor. Zij zeide, dat zij de vrouw was en dat zij schoonmaakte; daarna gaf ik haar order koffie te zetten.
„Ik schreef nog twee artikelen af en mij toen nog veel slaperiger gevoelende, stond ik op en wandelde de kamer op en neer om mijn beenen eens uit te rekken. Mijn koffie was nog niet gekomen en ik werd nieuwsgierig, wat de oorzaak van dit uitstel kon zijn. De kamer, waarin ik had zitten werken, kwam uit op een rechte, flauw verlichte gang, de eenige weg, waarlangs men zich uit de kamer kon verwijderen. De gang liep uit op een wenteltrap aan welker voet het kamertje van den bode was. Halfweegs deze trap is een kleine rustplaats, waarop een andere gang met een rechthoek uitkomt. Deze tweede gang leidt langs een tweede kleine trap naar een zijdeur, die door de knechts wordt gebruikt en ook als een kortere weg naar hun bureaux door de klerken, die uit Charles-Street komen. Hier hebt gij in ruwe omtrekken den platten grond van de plaats.”
„Dank u. Ik volg uw verhaal met groote aandacht,” zeide Sherlock Holmes.
„Het is van het hoogste belang, dat gij hierop let. Ik liep langs de trap naar beneden en kwam in de vestibule, waar ik den bode in zijn kamertje in diepen slaap vond, terwijl op tafel het water zoo hard boven de spiritusvlam kookte, dat het over den vloer spatte. Ik stak mijn hand uit, om den man wakker te schudden, toen de schel, die boven zijn hoofd hing, luid overging en hij verschrikt ontwaakte.
„Mijnheer Phelps!” zeide hij, mij verbijsterd aanziende.
„Ik kwam naar beneden, om eens te zien of mijn koffie al klaar is.”
„Onder het koken van het water ben ik in slaap gevallen, mijnheer.” Hij keek mij aan en zag toen naar het nog trillende schellekoord, met een steeds sterkere uitdrukking van verbazing op zijn gelaat.
„Wie kan daar, terwijl u hier waart, aan de schel getrokken hebben?” vroeg hij.
„De schel!” zeide ik. „Welke schel was het?”
„Het was de schel in de kamer, waarin u hebt zitten werken.”
„Ik kreeg een gevoel, of een ijskoude hand mijn hart in elkaar kneep. Er was dus iemand in de kamer, waar mijn kostbaar tractaat op tafel lag. Als krankzinnig van angst liep ik naar boven en de gang door. Er was niemand in de corridors, mijnheer Holmes; er was ook niemand in de kamer. Alles in de kamer was precies, als toen ik ze verlaten had, behalve dat de papieren, die aan mijn zorgen waren toevertrouwd, van mijn lessenaar waren genomen. Het afschrift lag er nog, maar het origineel was verdwenen.”
Holmes ging recht overeind zitten en wreef zich in de handen. Ik kon zien, dat de zaak een kolfje naar zijn handen was. „Vertel mij alsjeblieft, wat ge toen deedt,” zei hij.
„Terstond was het mij duidelijk, dat de dief door de zijdeur de trap op moest gekomen zijn, want natuurlijk zou ik hem ontmoet hebben, als hij van den anderen kant was gekomen!”
„Waart gij er zeker van, dat hij zich niet al dien tijd in de kamer verborgen kon hebben of in de gang, die volgens uw zeggen zoo flauw verlicht was?”
„Het is volstrekt onmogelijk. Zelfs geen rat had zich in de kamer of de gang kunnen verbergen.”
„Dank u, vertel verder, alsjeblieft.”
„De bode, die aan mijn bleek gezicht zag, dat er iets ernstigs moest gebeurd zijn, was mij naar boven gevolgd. Nu snelden wij de gang door en de stoep af, die op de Charles-Street uitkomt, de deur beneden was dicht maar niet op slot. Wij stieten de deur open en snelden naar buiten. Zeer duidelijk herinner ik mij, dat de klok van een naburige kerk speelde. Het was kwart voor tien.”
„Deze mededeeling is van groot gewicht,” zeide Holmes, een aanteekening op de manchet van zijn overhemd makende.
„Het was zeer donker en er viel een warme motregen. In Charles-Street liep geen mensch, maar in Whitehall op het andere eind was het als gewoonlijk zeer druk. Wij liepen blootshoofds door de straat en zagen op den hoek een politieagent staan.
„Er heeft een diefstal plaats gehad,” hijgde ik. „Uit het ministerie van buitenlandsche zaken is een document van onschatbare waarde gestolen. Is hier iemand langs gekomen?”
„Ik heb hier een kwartier lang gestaan,” zeide hij; „in dien tijd is hier slechts één persoon gepasseerd—een vrouw, lang en van gevorderden leeftijd, met een wollen doek om.”
„Ha, ha, dat is mijn vrouw,” riep de bode. „Is hier niemand anders langs gekomen?”
„Niemand.”
„Dan moet de dief den anderen weg gekozen hebben,” riep de vent, mij aan mijn mouw trekkende.
„Ik was evenwel niet gerustgesteld en zijn pogingen mij mede te trekken, vermeerderden mijn wantrouwen.
„Welken weg heeft de vrouw genomen?” riep ik.
„Ik weet het niet, mijnheer. Ik zag haar loopen, maar had geen reden haar te volgen. Zij scheen veel haast te hebben,” zeide de agent.
„Hoe lang is het geleden?”
„O, nog maar eenige minuten.”
„Nog niet langer dan vijf?”
„Langer dan vijf minuten kan het niet geleden zijn.”
„Gij verspilt hier uw tijd en elke minuut is nu kostbaar,” zeide de bode. „Geloof mij op mijn woord, dat mijn vrouw er niets mede te maken heeft en volg mij naar het andere eind der straat. Als gij niet wilt, dan ga ik alleen,” en dit zeggende liep hij den anderen kant uit.
„Ik volgde hem onmiddellijk en greep hem bij den arm.
„Waar woont gij?” vroeg ik.
„No. 16, Ivy Lane Brixton,” was het antwoord; „maar laat u niet op een dwaalspoor brengen, mijnheer Phelps. Kom mee naar het andere eind der straat en laten wij zien, of wij iets kunnen vernemen.”
„Door zijn raad te volgen, was er niets te verliezen. Wij snelden dus beiden met den politieagent de straat door, waar het zeer druk was en een menigte lieden passeerden, allen verlangende, in dezen regenachtigen avond veilig onder dak te komen. Geen enkele wandelaar, die ons zeggen kon, wie er langs was gekomen.
„Wij keerden naar het ministerie terug en zochten op de trap en in de corridors, doch zonder eenig resultaat. De gang, die naar de kamers voerde, was met een soort roomkleurig linoleum bedekt, waarop gemakkelijk indrukken achterblijven. Wij onderzochten deze vloerbedekking nauwkeurig, maar vonden geen spoor van eenigen voetstap.”
„Had het den ganschen avond geregend?”
„Sedert ongeveer zeven uur.”
„Hoe is het dan mogelijk, dat de vrouw, die te ongeveer negen uur in de kamer kwam, met haar modderige laarzen, geen voetsporen achterliet?”
„Ik ben blij, dat gij dit punt te berde brengt. Wat gij daar zegt, trok ook mijn aandacht. De werkvrouwen hebben de gewoonte haar laarzen op de bureaux der ambtenaren uit te doen en zachte muilen aan te trekken.”
„Dat is dus zeer duidelijk. Er waren geen voetsporen van iemand te zien, ofschoon het buiten modderig was. De feiten zijn ongetwijfeld buitengewoon belangwekkend. Wat deedt gij daarna?”
„Wij onderzochten eveneens de kamer. Er kon onmogelijk een geheime deur aanwezig zijn en de vensters bevinden zich wel dertig voet boven den grond. Beide waren aan de binnenzijde gesloten. Door de aanwezigheid van een vloerkleed is het ondenkbaar, dat er een valluik kan zijn en de kamer heeft een gewoon plafond. Ik durf er mijn leven op verwedden, dat wie ook mijn papieren gestolen moge hebben, door de deur binnengekomen moet zijn.”
„Hoe is de haard gebouwd?”
„Er is geen haard aanwezig. Er brandt een kachel. Het schellekoord hangt van den schelledraad tot aan de rechterzijde van mijn lessenaar. Wie aan het koord trok, moet dus tot voor den lessenaar gekomen zijn. Het blijft een onoplosbaar geheim.”
„Zeker was 't een ongewoon geval. Wat deedt gij nu in de eerste plaats? Naar ik vermoed, onderzocht gij de kamer om te zien, of de inbreker eenige sporen van zijn verblijf daarin had achtergelaten—een eindje sigaar, een handschoen, een haarspeld of een ander voorwerp?”
„Ik vond niets van dien aard.”
„Was er ook geen bijzondere reuk in het vertrek?”
„Wel, daaraan dachten wij volstrekt niet.”
„Een beetje tabakslucht zou bij een onderzoek als dit van veel belang voor ons zijn.”
„Ik zelf rook nooit en daarom denk ik, dat ik het wel gemerkt zou hebben, als er een tabaksreuk in de kamer ware geweest. Er was volstrekt niets aanwezig, dat ons eenige aanwijzing kon geven. Alleen stond het vast, dat de vrouw van den bode—haar naam is Mrs. Tangey—het gebouw haastig had verlaten. Haar man kon als eenige reden daarvoor opgeven, dat het de tijd was, waarop de vrouw gewoonlijk naar huis gaat. De politieagent en ik waren het met elkaar eens, dat we moesten trachten de vrouw in handen te krijgen, aleer zij zich van de papieren kon ontdoen, aangenomen dat zij die in bezit had.
„Het gerucht van het ongeval was reeds tot Scotland Yard doorgedrongen en de heer Forbes, de detective, kwam onmiddellijk en begon met kracht het onderzoek. Wij huurden een hansom en binnen een half uur waren wij aan het ons opgegeven adres. De deur werd geopend door een jonge vrouw, die Mrs. Tangey's oudste dochter bleek te zijn. Haar moeder was nog niet thuis gekomen en het meisje liet ons in de voorkamer en verzocht ons daar op de komst van haar moeder te wachten.
„Ongeveer tien minuten later hoorden wij aan de deur kloppen en nu begingen wij een ernstigen misslag. In plaats van zelf de deur te openen, lieten wij het meisje dit doen. Wij hoorden haar zeggen: „moeder, er zijn hier twee heeren, die op u wachten om u te spreken,” en een oogenblik later hoorden wij het geluid van voetstappen door de gang. Forbes stiet de deur open en allebei liepen we naar de achterkamer of keuken, maar de vrouw was er eerder dan wij. Zij staarde ons met tartende blikken aan, en toen zij mij plotseling herkende, kwam er een uitdrukking van verbazing op haar gelaat.
„Hé, als dat niet mijnheer Phelps van het ministerie is!” riep zij.
„Kom, kom, wie dacht gij dan wel dat wij waren, toen gij voor ons wegliept?” vroeg mijn metgezel.
„Ik dacht, dat gij de deurwaarders waart. Wij hebben eenige moeilijkheden met een leverancier.”
„Die verklaring komt ons niet waarschijnlijk voor. Wij hebben reden te gelooven, dat gij een papier van groot gewicht uit het ministerie van buitenlandsche zaken hebt gestolen en dat het uw plan was, dit hier te verbergen. Gij moet ons naar Scotland Yard volgen om gefouilleerd te worden.”
„Haar protesteeren en tegenstribbelen hielp niets. Er kwam een rijtuig voor en met ons drieën reden we weg. Eerst hadden wij de keuken en in 't bijzonder het keukenvuur onderzocht, om te zien waar zij de papieren kon hebben gelaten in de oogenblikken, dat zij alleen was. Er was geen spoor van asch of snippers te zien. Toen wij te Scotland Yard waren aangekomen, werd zij dadelijk door een vrouwelijke beambte gefouilleerd.
„In angstige spanning wachtte ik de terugkomst van deze af. Er was zelfs geen spoor van de papieren bij de vrouw gevonden.
„Voor de eerste maal stond nu al het verschrikkelijke van mijn toestand mij klaar voor de oogen. Tot dusverre had ik gehandeld en de handeling had mij geen tijd tot nadenken gelaten. Ik had er zoo vast op gerekend, het tractaat terug te krijgen, dat ik er niet aan had gedacht, wat de gevolgen zouden zijn van het tegendeel. Maar nu was er niets meer aan te doen en ik had overvloed van tijd, mij in mijn toestand in te denken. Het was verschrikkelijk. Watson weet ook, dat ik een zenuwachtige, gevoelige jongen op school was. Mijn aard is zoo. Ik dacht aan mijn oom en aan zijn ambtgenooten in 't ministerie; aan de schande, die ik over hem had gebracht, over mij zelf en over iedereen, die tot mij in betrekking stond. Wel is waar was ik het slachtoffer van een buitengewoon ongelukkig toeval! Maar bij ongevallen, waarbij diplomatieke belangen op het spel staan, wordt geen toegevendheid gebruikt. Ik was geruïneerd, schandelijk, hopeloos geruïneerd. Ik weet niet, wat ik deed. Ik geloof, dat ik een scène veroorzaakte. Ik heb nog een flauwe herinnering van een groep beambten, die om mij heen stonden en hun best deden om mij tot bedaren te brengen. Een van hen reed met mij naar het Waterloo-station en bracht mij naar den trein voor Woking. Hij zou mij, geloof ik, tot aan huis begeleid hebben, was Dr. Ferrier, die naast mij woont, niet met denzelfden trein naar huis gereisd. De dokter was zoo vriendelijk zich met de zorg voor mij te belasten, en hij deed daar wel aan, want in het station kreeg ik een zenuwtoeval en voor ik nog te huis was aangekomen, was ik razend krankzinnig.
„Gij kunt u voorstellen, hoe ze hier te moede waren, toen de dokter hen wakker schelde en zij mij in zoo beklagenswaardigen toestand vonden. De arme Annie en mijn moeder waren geheel verslagen. Dokter Ferrier had aan het station genoeg van den detective gehoord, om haar in 't kort mede te kunnen deelen, wat er gebeurd was. Daar het duidelijk was, dat ik langen tijd ziek zou blijven, moest Joseph deze mooie slaapkamer afstaan, die voor mij als ziekenkamer werd ingericht. Hier, mijnheer Holmes, heb ik langer dan negen weken gelegen, zonder bewustzijn, ten prooi aan sloopende zenuwkoortsen. Hadden mejuffrouw Harrison en de dokter mij niet goed verzorgd, ik zou nu niet met u kunnen spreken. Annie heeft mij overdag verpleegd en een ziekenverpleegster paste mij bij nacht op, want in vlagen van verstandsverbijstering was ik tot alles in staat. Langzamerhand kreeg ik mijn verstand terug, maar eerst de laatste drie dagen is mijn geheugen volkomen teruggekeerd. Somwijlen komt de wensch bij mij op, dat dit niet zoo ware. Het eerste wat ik deed was te telegrafeeren naar mijnheer Forbes, die de zaak in handen had. Hij kwam over en verzekerde mij, dat men, ofschoon alles in 't werk was gesteld, niets had gevonden, wat tot ontdekking van de bedrijvers van den diefstal kon leiden. De bode en zijn vrouw waren nauwkeurig gefouilleerd, zonder dat iets aan 't licht kwam. Toen viel het vermoeden der politie op den jongen Gorot, die, zooals gij u herinneren zult, op den bewusten avond langer dan gewoonlijk op het bureau bleef. Dit en de omstandigheid, dat hij een Franschen naam draagt, waren inderdaad de eenige redenen, die de op hem rustende verdenking konden wettigen. Ik was echter nog niet met mijn werk begonnen, eer hij vertrok en zijn familie behoort, wat de afkomst betreft, wel tot de Hugenooten, maar in sympathieën en traditiën even goed tot de Engelsche natie als gij en ik. Er werd niets ontdekt, dat hem in de zaak kon betrekken. En zoo is nu de stand van zaken. Op u, mijnheer Holmes, is mijn laatste hoop gevestigd. Stelt gij mijn hoop teleur, dan is mijn eer en mijn positie voor altijd verloren.”
De zieke zonk, vermoeid door zijn lang verhaal, in zijn kussens terug, terwijl zijn verpleegster hem een glas van een opwekkenden drank inschonk. Holmes bleef stil zitten, het hoofd achterover en zijn oogen gesloten, een houding, welke iemand, die hem niet kende, zeer onverschillig mocht toeschijnen, maar die mij aanduidde, dat hij in gepeins was verdiept.
„Uw mededeelingen zijn zoo duidelijk,” zeide hij ten laatste, „dat mij zeer weinig te vragen overblijft. Daar is evenwel een zeer gewichtige vraag. Hadt gij iemand verteld, dat u die bijzondere taak was opgedragen?”
„Niemand.”
„Ook niet aan Miss Harrison, bijvoorbeeld?”
„Neen, ik ben niet te Woking geweest in den tijd, die er verliep tusschen het oogenblik, dat mij de papieren werden ter hand gesteld, en dat, waarop ik met het werk begon.”
„En heeft u ook niemand van uw familie bij toeval gezien?”
„Niemand.”
„Was iemand van hen te huis op het bureau?”
„O ja, allen waren er wel eens geweest.”
„Indien gij evenwel met niemand van hen over het tractaat hebt gesproken, bewijst dit natuurlijk niets.”
„Ik zeide niets.”
„Weet gij iets van den portier?”
„Niets, behalve dat hij een oud-soldaat is.”
„Van welk regiment?”
„Ik heb gehoord van de Colstream-garde.”
„Dank u. Ik twijfel er niet aan, of Forbes zal mij nadere bijzonderheden kunnen mededeelen. De autoriteiten munten uit in het vermelden van gegevens, ofschoon zij daarvan niet altijd een goed gebruik weten te maken. Hoe heerlijk schoon is toch een roos!”
Hij liep de sofa voorbij naar het geopende raam en hield den steel van een mosroos in de hand, met welgevallen neerziende op de liefelijke roode en groene kleurenschakeering. Hij openbaarde hier een nieuwen trek in zijn karakter, want ik had vroeger nooit opgemerkt, dat hij veel belang stelde in voorwerpen uit de natuur.
„In niets is het maken van gevolgtrekkingen zoo noodzakelijk als in den godsdienst,” sprak hij, met zijn rug tegen de vensterblinden leunend. „De godsdienst kan als een nauwkeurige wetenschap door de redeneering worden opgebouwd. Het hoogste bewijs van de goedheid der Voorzienigheid schijnt mij uit de bloemen te blijken. Alle andere dingen, onze krachten, onze verlangens, ons voedsel, zijn in de eerste plaats voor ons bestaan werkelijk noodzakelijk. Maar deze roos is iets overvloedigs. Haar geur en kleuren zijn een veraangenaming van het leven, niet een voorwaarde daarvoor. Het is alleen goedheid, die iets extra's geeft, en zoo zeg ik nogmaals, dat wij veel met het oog op de bloemen te hopen hebben.”
Percy Phelps en zijn verpleegster zagen Holmes onder dit betoog met verbazing en met een uitdrukking van teleurstelling op 't gelaat aan. Holmes was weer in gepeins verzonken, nog steeds de roos tusschen zijn vingers houdend. Het duurde verscheiden minuten, eer de jonge dame het stilzwijgen verbrak.
„Ziet gij eenige kans, dit raadsel op te lossen?” vroeg zij, met iets scherps in haar stem.
„O, het geheim!” antwoordde Holmes, opeens tot het werkelijke leven terugkeerende. „Het zou dwaas wezen, te ontkennen, dat het geval zeer duister en ingewikkeld is, maar ik durf u beloven, dat ik zal trachten er achter te komen en u van elk opvallend feit in kennis zal stellen.”
„Ziet gij reeds eenigen draad?”
„Gij hebt mij er zeven verschaft; maar natuurlijk moet ik ze op de proef stellen, voor ik over hun waarde een oordeel kan uitspreken.”
„Verdenkt gij iemand?”
„Ik verdenk mij zelf—”
„Hoe?”
„Van te snel tot een gevolgtrekking te komen.”
„Ga dan naar Londen en onderzoek de juistheid uwer conclusiën.”
„Uw raad is uitstekend, Miss Harrison,” zeide Holmes, van zijn stoel opstaande. „Ik geloof inderdaad, Watson, dat wij niets beters kunnen doen. Vlei u niet met ijdele hoop, mijnheer Phelps. De zaak is zeer ingewikkeld.”
„Ik verkeer, zoolang gij niet terug zijt, in koortsachtige spanning!” riep de diplomatieke ambtenaar.
„Ik kom u zoo spoedig mogelijk den uitslag mijner nasporingen mededeelen,” zeide Holmes.
„God zegene u er voor, dat gij belooft te komen,” riep onze cliënt. „De gedachte, dat er iets gedaan wordt, schenkt mij nieuwen levensmoed. Ik moet u ook nog vertellen, dat ik een brief van Lord Holdhurst heb ontvangen.”
„Ha, wat schreef hij u?”
„Zijn brief was koel, maar niet barsch. Ik denk, dat mijn ernstige ziekte hem weerhield barsch te wezen. Hij herhaalde, dat de zaak van het hoogste gewicht was en voegde er bij, dat omtrent mijn toekomst (hij bedoelde mijn ontslag) geen stappen gedaan zouden worden, aleer ik weer gezond en in de gelegenheid zou wezen, het mij overkomen ongeluk te herstellen.”
„Dat was verstandig en toegeeflijk,” zeide Holmes.
„Kom, Watson, wij hebben zooveel in de stad te doen, dat we blij mogen wezen, als we vandaag met ons werk gereed kunnen komen.”
De heer Joseph Harrison reed ons naar het station en weldra zaten wij in den trein van Portsmouth naar Londen. Holmes was in gedachten verdiept en deed, eer wij Clapham Junction voorbij waren, ternauwernood zijn mond open.
„Het is toch aangenaam in Londen te komen langs een van deze lijnen, die over de stad loopen en u vergunnen op de huizen neer te zien.”
Ik meende, dat hij schertste, want ik vond het gezicht vrij treurig, maar hij verklaarde zich dra nader.
„Zie naar die alleenstaande massieve gebouwen, die boven de leien daken der omringende huizen uitsteken als eilanden van baksteen boven een loodkleurige zee.”
„De stadsscholen.”
„Vuurtorens, mijn vriend! Bakens van de toekomst! Capsules, ieder met honderden heldere, kleine zaadjes er in, waaruit het wijzere, betere Engeland der toekomst zal voortkomen. Ik mag toch niet aannemen, dat Phelps drinkt?”
„Ik zou het niet denken.”
„Ik evenmin. Maar wij zijn verplicht, met elke mogelijkheid rekening te houden. De arme drommel heeft zich ongetwijfeld zelf in moeilijkheden gewikkeld en 't is de vraag, of wij in staat zullen zijn hem er uit te redden. Wat denkt gij van Miss Harrison?”
„Een meisje van een vast karakter.”
„Ja, maar zij is ook een goede vrouw, of ik vergis mij zeer. Zij en haar broer zijn de eenige kinderen van een ijzergieter ergens in Northumberland. Op zijn reis in den voorgaanden winter werd Phelps met haar verloofd en daarna kwam zij hier om aan zijn familie voorgesteld te worden. Toen kwam de bekende ramp en zij bleef om haar beminde op te passen, terwijl haar broer Joseph, die het tegenwoordig leventje lekker vindt, ook bleef. Gij ziet, dat ik al op eigen hand enkele dingen gevraagd heb. Maar de dag van heden moet geheel aan het onderzoek besteed worden.”
„O, als gij uw eigen zaken van meer belang vindt dan de mijne—” zei Holmes op scherpen toon.
„Ik wilde zeggen, dat ik wel een dag of twee mijn praktijk kon laten varen, daar het de slapste tijd van 't jaar was.”
„Uitmuntend,” riep Holmes, weer goed gehumeurd. „Dan zullen wij gezamenlijk een onderzoek instellen; ik denk, dat wij moeten beginnen met een bezoek aan Forbes te brengen. Hij kan ons waarschijnlijk de bijzonderheden mededeelen, welke wij noodig hebben, tot wij weten, hoe wij ons licht in de zaak kunnen verschaffen.”
„Gij zeidet, dat gij een draad in handen hadt.”
„Wel, wij hebben er verscheidene, maar alleen door een verder onderzoek kunnen we nagaan, of ze eenige waarde hebben. Geen misdaad is moeilijker op 't spoor te komen dan die, van welke men het doel niet weet. Wie is in dit geval de persoon, die van den diefstal voordeel kan hebben? De Fransche gezant, de Russische gezant, iedereen, die het tractaat aan een van beiden zou kunnen verkoopen; en dan Lord Holdhurst.”
„Lord Holdhurst!”
„Het is te begrijpen, dat een staatsman in omstandigheden kan komen, waarin hij er volstrekt niet rouwig om zou wezen, als zulk een document bij toeval was zoekgeraakt.”
„Geen staatsman met een eervolle loopbaan als Lord Holdhurst.”
„Het geval blijft altijd denkbaar, en wij mogen het niet over het hoofd zien. Wij zullen vandaag den edelen Lord een bezoek brengen en zien, of hij ons iets kan vertellen. Middelerwijl ben ik reeds met mijn nasporingen begonnen.”
„Nu reeds?”
„Ja, ik heb in het station te Woking aan alle avondbladen in Londen een telegram gezonden. In al deze bladen zal de volgende bekendmaking voorkomen.”
Hij reikte mij een uit een zakboek gescheurd blad papier over, waarop met potlood het volgende was geschreven:
„Tien pond sterling belooning voor dengene, die het nommer kan zeggen van het rijtuig, dat op den avond van den 23en Mei om kwart voor tien vóór of ongeveer bij de deur van het ministerie van buitenlandsche zaken iemand uitliet. Adres 221B Baker-Street.”
„Gij rekent er dus op, dat de dief in een cab gekomen is?”
„Zoo niet dan kan deze bekendmaking nog geen kwaad. Indien Mr. Phelps' verklaring, dat er noch in de kamer, noch in de corridors een plaats is, waar iemand zich kan verschuilen, waarheid behelst, dan moet de dief van buiten zijn gekomen. Als hij op zulk een regenachtigen avond van buiten kwam en toch geen spoor van modder op het linoleum achterliet, dan is het zeer waarschijnlijk, dat hij in een rijtuig kwam. Ja, ik geloof, dat wij gerust mogen aannemen, dat hij in een huurrijtuig is gekomen.”
„Het klinkt waarschijnlijk.”
„Dat is een van de draden, waarover ik sprak. Misschien leidt hij ons tot iets. En dan natuurlijk hebben wij nog het gebeurde met de schel, het meest eigenaardige van het geval. Waarom zou er aan de schel getrokken wezen? Zou de dief het uit louter vermetelheid gedaan hebben? Of deed het iemand, die bij den dief was, ten einde de misdaad te beletten? Of was het—?” Hij verzonk opnieuw in diep gepeins, doch mij, die met elk zijner eigenaardigheden bekend was, scheen het toe, dat hem plotseling iets anders in de gedachte was gekomen.
Om twintig minuten over drie stapten wij uit den trein en na haastig geluncht te hebben, vertrokken wij onmiddellijk naar Scotland Yard. Holmes had reeds aan Forbes een telegram gezonden en bij onze aankomst vonden wij dezen op ons wachten. Forbes was een kleine, schrandere man, met een scherp geteekend, maar eenigszins vriendelijk gelaat. In zijn houding tegenover ons was hij beslist koel, vooral toen hij de reden van onze komst vernam.
„Ik heb al vroeger van uw methodes gehoord, mijnheer Holmes,” zeide hij scherp. „Gij zijt handig genoeg, om van al de gegevens, die de politie te uwer beschikking stelt, gebruik te maken en dan tracht gij de zaak tot een goed einde en de politie in discrediet te brengen.”