Hij liet een groote revolver zien, die uit zijn binnenzak stak. Hij liet een groote revolver zien, die uit zijn binnenzak stak.

Holmes zat bewegingloos bij den haard, met de handen diep in zijn zakken, de kin op de borst en zijn oogen gericht op het knetterende vuur. Gedurende een half uur bleef hij stil zitten kijken. Toen sprong hij eensklaps op als iemand, die een besluit genomen heeft, en ging naar zijn slaapkamer.

Kort daarop kwam een jonge werkman, slordig gekleed, met een weinig onderhouden baard en knevel te voorschijn en stak zijn steenen pijp aan de lamp aan, voor hij naar beneden ging. „Ik zal over eenigen tijd terugkomen, Watson,” zeide hij en verdween. Ik begreep, dat Holmes zijn campagne tegen Charles Augustus Milverton begonnen was, maar ik had hoegenaamd geen „ahnung” van den vreemden vorm, dien deze veldtocht te zijner tijd zou aannemen.

Eenige dagen kwam en ging Holmes geregeld in dit pak en behalve een opmerking, dat hij zijn tijd doorbracht te Hampstead en dat hij dezen wel besteedde, wist ik in 't geheel niet, wat hij deed. Eindelijk echter op een guren, stormachtigen nacht, toen de wind gierde en floot tegen de ruiten, keerde hij van de laatste expeditie terug en nadat hij zijn vermomming had afgelegd, ging hij voor den haard zitten en lachte hartelijk in zich zelf, zooals hij meer kon doen, wanneer de zaken naar wensch marcheerden.

„Je zoudt mij zeker niet rekenen tot de mannen, die een vrouw zoeken, is 't wel, Watson?”

„Neen, zeker niet.”

„Het zal je interesseeren te vernemen, dat ik geëngageerd ben.”

„Geëngageerd? Beste kerel, ik feliciteer....”

„Met het dienstmeisje van Milverton.”

„Goede hemel, Holmes.”

„Ik had eenige inlichtingen noodig, Watson.”

„Maar nu ben je toch ver gegaan.”

„Het was een zeer noodzakelijke stap. Ik ben nu een loodgieter met eigen zaakje; Escotte is mijn naam. Elken avond heb ik met haar geloopen en met haar gesproken. Goede hemel, die gesprekken! Maar enfin, ik heb bereikt, hetgeen ik wenschte. Ik ken nu het huis van Milverton als de palm van mijn hand.”

„Maar het meisje, Holmes?”

Hij haalde de schouders op.

„Ja, men kan overal niet voor zijn, waarde Watson. Je moet nu eenmaal je kaarten zoo goed mogelijk uitspelen, wanneer het om zulk een inzet gaat! Het doet mij echter genoegen te kunnen zeggen, dat ik een gehaten mededinger heb, die mij zeker zal verdringen op hetzelfde oogenblik, dat ik haar mijn rug toekeer. Wat een heerlijke nacht is het!”

„Vind je dit weer aangenaam?”

„Het komt mij goed van pas voor mijn plannen, Watson. Ik ben n.l. tot de conclusie gekomen, dat mij niets anders overblijft dan in te breken in het huis van Milverton.”

Ik hield mijn adem in en er liepen koude rillingen langs mijn lichaam hij het hooren van deze woorden, die langzaam werden uitgesproken op een toon, waaruit beslistheid sprak. Evenals een bliksemstraal in den nacht elk detail van een landschap laat zien, zoo zag ik met een oogopslag alle mogelijke gevolgen, die konden voortvloeien uit zulk een handelwijze—ontdekking, aanhouding, de eervolle loopbaan eindigend met een onherstelbaar fiasco en daardoor discrediet, mijn vriend zelf overgeleverd aan de genade van den afschuwelijken Milverton.

„Om 's hemels wil, Holmes, denk wat je gaat doen,” riep ik uit.

„Beste jongen, ik heb alle mogelijke gevolgen overwogen. Ik ben nooit haastig in mijn daden en ik zou zulk een paardenmiddel, dat daarbij tevens zoo gevaarlijk is, niet gaan toepassen, wanneer er een andere manier bestond. Laat ons de zaak kalm en zakelijk bespreken. Ik veronderstel, dat gij zult moeten erkennen, dat de zaak moreel te rechtvaardigen is, ofschoon zij voor de wet strafbaar moet zijn. Een inbraak in Milverton's huis is niet erger dan door geweld zich meester te maken van zijn zakboekje—een daad, waarbij gij bereid waart mij te helpen.”

Ik dacht eens even na.

„Ja,” zeide ik, „het is moreel te rechtvaardigen, zoolang het ons doel blijft geen andere artikelen weg te nemen behalve die, welke gebruikt worden voor onwettige doeleinden.”

„Precies, en sinds het moreel te rechtvaardigen is, heb ik alleen nog maar de quaestie van de persoonlijke risico te behandelen. Een gentleman zal zich zeker hiermede het hoofd niet al te lang kunnen breken, wanneer hij weet, dat een dame dringend behoefte heeft aan zijn hulp, is 't wel?”

„Je zult daardoor in zulk een valsche positie geraken.”

„Wel, dat is een gedeelte van het gevaar. Er bestaat geen andere manier om deze brieven machtig te worden. De ongelukkige dame heeft niet het noodige geld en er zijn geen lieden, waarvan zij zulk een som kan leenen. Morgen is de laatste dag en als wij van avond de brieven niet kunnen bemachtigen, zal de schurk zoo zeker als twee maal twee vier is, zijn woord houden en haar in 't verderf storten. Ik moet dus mijn cliënte aan haar lot overlaten of deze wanhopige troef uitspelen. Tusschen ons gezegd, Watson, het is een soort duel tusschen dezen Milverton en mij. Hij had, zooals je gezien hebt, bij de eerste ontmoeting het voordeel aan zijn zijde, maar mijn zelfrespect en mijn reputatie maken 't noodig, dat ik den strijd tot het einde volhoud.”

„Nu, ik heb er niets mee op, maar ik veronderstel, dat er geen andere uitweg is,” zeide ik. „Wanneer gaan wij?”

„O, jij gaat niet mee.”

„Dan ga jij evenmin,” antwoordde ik. „Ik geef je mijn woord van eer—en dat heb ik nog nooit in mijn geheele leven gebroken—dat ik een rijtuig neem en regelrecht naar het politiebureau rijd om je te verraden, wanneer je mij niet toestaat dit avontuur mee te maken.”

„Je kunt me toch niet helpen.”

„Hoe weet je dat? Je weet toch ook niet, wat er kan gebeuren. In elk geval, mijn besluit staat vast. Er zijn nog andere menschen behalve Sherlock Holmes, die zelfrespect en reputatie er op nahouden.”

Holmes keek eerst verstoord, maar nu verhelderde zijn gelaat weer en klopte hij mij op den schouder.

„Wel, wel, waarde heer, laat 't dan zoo zijn. Wij hebben eenige jaren dezelfde kamer gedeeld en het zou amusant zijn, indien wij eindigen met dezelfde cel te deelen. Ge weet, Watson, dat ik er tegenover jou nooit doekjes om heb gewonden, dat ik een uiterst handig en geslepen misdadiger had kunnen worden. Dit is nu de groote kans van mijn leven in deze richting. Kijk eens hier!” Hij haalde een betrekkelijk kleine leeren tasch uit een kast, opende haar en liet een aantal glimmende instrumenten zien. „Dit is prima klasse inbrekersgereedschap: breekijzers, boren, diamanten glassnijder, loopers, kortom alle werktuigen van de nieuwste constructie, die door den vooruitgang noodig geoordeeld worden. Hier is voorts mijn dievenlantaarn. Alles is in orde. Heb je een paar schoenen, die niet kraken?”

„Ik heb een paar tennis-schoenen met gutta-percha zolen.”

„Uitstekend. En een masker?”

„O, dat kan ik gemakkelijk uit een stuk zwarte zijde knippen.”

„Ik kan zien, dat jij ook al voor dit soort van dingen een zekeren aanleg hebt. Zeer goed, maak jij de maskers. Wij moeten, voor wij op weg gaan, eerst nog iets eten. Het is nu halftien. Om halfelf laten wij ons tot Church Low rijden. In een kwartier loopen wij van daar wel naar Appledown Towers, zoodat wij nog voor middernacht met het werk kunnen beginnen. Milverton slaapt vast en gaat precies op de minuut af om halfelf naar bed. Met een weinig geluk kunnen wij hier om twee uur terug zijn met de brieven van Lady Eva in mijn zak.”

Holmes en ik trokken onzen rok aan en zetten den hoogen hoed op, zoodat wij gehouden zouden worden voor twee schouwburgbezoekers, die naar huis gingen. In Oxford Street namen wij een rijtuig en reden naar een adres in Hampstead. Hier betaalden wij ons rijtuig en na onze jassen hoog dichtgeknoopt te hebben, want het was vreeselijk koud en de wind scheen door ons heen te waaien, sloegen wij den hoek om bij de Heath.

„Het is een zaak, die met overleg moet worden ondernomen,” zeide Holmes. „De documenten worden bewaard in een brandkast, die staat in het studeervertrek van den man, en dit vertrek grenst aan zijn slaapkamer. Daar staat gelukkig tegenover, dat hij als alle corpulente dikke menschen, die er een goed leven van nemen, zeer vast slaapt. Agatha—dat is mijn fiancée—zegt, dat het dienstpersoneel dikwijls zelfs weddenschappen maakt in verband met het wekken van hun meester. Hij heeft een secretaris, die zijn taak zeer conscientieus opvat en den geheelen dag het studeervertrek niet verlaat. Daarom gaan wij in het holle van den nacht. Dan heeft hij een reusachtigen hond, die 's nachts losloopt. Ik ben de beide laatste avonden bij Agatha op visite geweest en zij heeft het dier opgesloten om mij gelegenheid te geven ongedeerd te kunnen komen of gaan. Hier is het huis, dit groote gebouw met een tuin voor en achter. Door het hek—nu rechtsom door een zijlaan. Hier moesten wij onze maskers maar voordoen. Zooals je ziet, is er achter geen der ramen licht te bespeuren en alles gaat naar wensch.”

Met onze zwarte zijden maskers voor slopen wij naar het eenzame, stille huis. Een soort veranda liep langs de geheele voorzijde, en hier bevonden zich verscheidene ramen en twee deuren.

„Dat is zijn slaapkamer,” fluisterde Holmes. „Door deze deur komt men regelrecht in het studeervertrek. Dat zou voor ons de gemakkelijkste toegang zijn, maar de deur is gesloten en bovendien gegrendeld en wij zouden om daarin te kunnen komen te veel leven moeten maken. Kom dus hier langs. Er is een serre, waardoor wij in de woonkamer kunnen komen.”

De serre was gesloten, maar Holmes sneed een stuk uit een der ruiten, stak er zijn hand door en draaide den sleutel om. Een oogenblik later had hij de deur weer achter ons gesloten, en waren wij in het oog der wet misdadigers geworden. De zoele, warme lucht van de serre en de scherpe geur van exotische planten sloegen ons op de keel. Holmes greep mij bij de hand en leidde mij snel langs groote potten met planten, waarvan de bladeren langs ons gezicht slierden. Holmes bezat de merkwaardige eigenschap, welke hij bovendien zorgvuldig onderhield, in het donker te kunnen zien. Mijn hand in de zijne houdend, opende hij een deur en ik meende te bemerken, dat wij een groote kamer binnengingen, waar nog niet lang geleden een sigaar was gerookt. Hij volgde zijn weg tusschen de meubelen door, opende een tweede deur en sloot deze achter zich. Mijn hand uitstekende, voelde ik verscheidene jassen aan den muur hangen, en ik begreep, dat wij ons in een gang bevonden. Wij liepen er door, en Holmes ontsloot zacht een deur aan zijn rechterzijde. Er kwam iets op ons af en mijn hart stokte in mijn keel, ofschoon ik had kunnen lachen, toen ik bemerkte, dat het slechts een kat was. In dit vertrek brandde in den haard een vuur en de lucht was hier doortrokken van tabaksrook. Holmes ging op zijn teenen binnen, wachtte op mij tot ik hem gevolgd was en sloot daarop weer zacht de deur. Wij waren in het studeervertrek van Milverton en een portière aan de vensterzijde toonde ons, waar zich de slaapkamer bevond.

Het vuur brandde hel op en de geheele kamer werd er voldoende door verlicht. Bij de deur zag ik het glimmende knopje van het electrisch licht, maar het was onnoodig, zelfs al ware er geen gevaar geweest, om het op te draaien. Aan een zijde van den haard was een zwaar gordijn, dat hing voor het raam, dat wij buiten hadden gezien. Aan de andere zijde was de deur, die uitkwam op de veranda. In het midden stond een bureau ministre met een kantoorstoel van rood leder er voor, aan de tegenovergestelde zijde was een groote boekenkast, met een marmeren buste van Athene er boven op. In den hoek tusschen de kast en den muur stond een zware groene brandkast en het haardvuur werd teruggekaatst in de gepolijste schroeven. Holmes sloop er heen en onderzocht haar. Daarna ging hij naar de deur van de slaapkamer en stond met gebogen hoofd aandachtig te luisteren. Er werd niets door hem gehoord. Intusschen was ik tot de conclusie gekomen, dat het verstandig zou zijn, wanneer wij ons door de buitendeur een aftocht verzekerden, en daarom ging ik er eens naar kijken. Tot mijn verbazing was zij niet gesloten en ook niet gegrendeld. Ik raakte Holmes even aan en hij draaide zijn gemaskerd gelaat in die richting. Ik zag hem schrikken en hij was klaarblijkelijk even verrast als ik.

„Ik heb 't er niet op begrepen,” fluisterde hij zijn lippen tegen mijn oor drukkend, „ik weet niet, wat 't heeft te beteekenen. In elk geval hebben wij geen tijd te verliezen.”

„Kan ik iets doen?”

„Ja, bij de deur blijven staan. Indien je iemand hoort komen, doe dan de deur aan de binnenzijde op de grendels en wij kunnen ontkomen langs den weg, waarlangs wij zijn gekomen. Komen zij langs de andere zijde, dan kunnen wij door de deur gaan, indien onze karwei is afgeloopen en ons achter deze gordijnen verbergen, wanneer wij nog niet gereed zijn. Begrijp je?”

Hij stond met voorovergebogen hoofd en luisterde aandachtig. Hij stond met voorovergebogen hoofd en luisterde aandachtig.

Ik knikte en ging bij de deur staan. Mijn eerste gevoel van vrees was verdwenen en ik was thans van grooter ijver vervuld dan ik ooit had getoond, wanneer wij de verdedigers [B 89]
[B 90]
van de wet in plaats van de aanranders waren geweest. Het hooge doel van onzen tocht, de wetenschap, dat dit eerlijk en onzelfzuchtig was, het schurkachtige karakter van onzen tegenstander, alles droeg er toe bij om de belangstelling in het avontuur te verhoogen. Verre van mij schuldig te gevoelen, verheugde ik mij over de gevaren, die wij nu liepen. Met een blik van bewondering sloeg ik Holmes gade, die zijn tasch instrumenten losmaakte en zijn gereedschap uitkoos, met de kalme wetenschappelijke nauwkeurigheid van een heelmeester, die een gevaarlijke operatie volbrengen gaat. Ik wist, dat het openen van brandkasten een kolfje naar zijn hand was en ik begreep de vreugde, welke hij ondervond, nu hij zich tegenover het groene monster bevond, de draak, die in zijn klauwen de reputatie van vele schoone dames hield. De mouwen van zijn rok omslaande—hij had zijn overjas op een stoel gelegd—haalde Holmes twee drilboren, een breekijzer en verscheidene loopers voor den dag. Ik stond voor de middelste deur, nu eens naar deze, dan weer naar gene deur kijkend en op alles voorbereid, ofschoon ik, het moet gezegd, niet precies wist, wat ik zou doen, indien wij werden gestoord. Gedurende een half uur werkte Holmes uit alle macht, nu eens een stuk gereedschap neerleggend, dan weer een ander oprapend: elk stuk gebruikte hij met de kracht en de behendigheid van den ervaren machinist. Eindelijk hoorde ik een klik, de breede groene deur sprong open en binnenin zag ik een aantal pakken, alle dichtgebonden en verzegeld met opschriften. Holmes zocht er een uit, maar het was moeilijk om bij het flikkerend haardvuur te lezen; hij haalde dus zijn kleine dievenlantaarn te voorschijn, want het was te gevaarlijk om met Milverton in de kamer naast ons het electrisch licht aan te steken. Plotseling zag ik hem ophouden, aandachtig luisteren en het volgend oogenblik had hij de deur van de brandkast dichtgeworpen, zijn jas opgeraapt, de gereedschappen in zijn zakken geborgen, waarna hij naar het gordijn liep en daarachter verdween, na mij beduid te hebben hetzelfde te doen.

Eerst toen ik daar bij hem was, hoorde ik, hetgeen hij met zijn veel scherper zintuigen reeds veel eerder vernomen had. Ergens in het huis was iemand op. Een deur werd toegeslagen. Daarna hoorden wij voetstappen in de verte, die al dichter en dichter bij kwamen, door de gang. Aan de deur hield het op. Deze werd geopend. Wij hoorden, hoe het electrisch licht werd opgedraaid. De deur werd weer gesloten en de doordringende geur van een zware sigaar drong in onze neusgaten. De voetstappen gingen voortdurend voor- en achterwaarts, achter- en voorwaarts tot op een meter van ons. Eindelijk hoorden wij het kraken van een stoel en de voetstappen werden niet meer vernomen. Een sleutel werd in het slot omgedraaid en ik hoorde het geritsel van papier.

Tot dusverre had ik het niet gewaagd even te kijken, maar nu schoof ik zachtjes de plooien iets weg, zoodat ik een smalle reet had om door te turen. Aan het duwen van den schouder van Holmes tegen den mijne wist ik, dat hij ook door de nu ontstane opening keek.

Recht voor ons uit en bijna binnen ons bereik was de breede ronde schouder van Milverton. Het was duidelijk, dat wij geheel en al gedwaald hadden bij de gissing van zijn bewegingen; dat hij in het geheel niet was geweest in zijn slaapkamer, maar gewoonweg had gezeten in een of andere kamer, aan de andere zijde van het huis, waarvan wij de ramen niet aan de straatzijde hadden kunnen zien. Zijn breed, grijzend hoofd met de glimmende kale plek in 't midden konden wij met de hand aanraken. Hij leunde achterover in zijn rood lederen kantoorstoel, zijn beenen ver naar voren uitgestrekt en een lange zwarte sigaar recht voor zich uit in den mond houdend. Hij droeg een smoking van roode stof met zwart fluweelen kraag en omslagen. In zijn hand hield hij een lang gezegeld papier, dat hij op zijn gemak, zonder er groote aandacht aan te schenken, doorlas, waarbij hij groote rookwolken voor zich uitblies. Uit de wijze, waarop hij was gaan zitten en waarop hij dit document las, was gemakkelijk op te maken, dat wij niet konden rekenen op een spoedig vertrek.

Ik voelde, hoe Holmes mijn hand zocht en deze geruststellend drukte, alsof hij zeggen wilde, dat hij meester was van den toestand en zich op zijn gemak gevoelde. Ik wist niet of hij gezien had, hetgeen ik duidelijk kon waarnemen, n.l. dat de deur van de brandkast niet geheel gesloten was en dat Milverton elk oogenblik tot deze ontdekking kon komen. Bij mij zelf had ik reeds het plan opgevat dat wanneer ik uit de strakheid van zijn blik in die richting moest opmaken, dat het ook zijn aandacht had getrokken, ik terstond naar voren zou springen, mijn groote jas over zijn hoofd werpen, hem binden en de rest aan Holmes overlaten. Milverton keek echter heelemaal niet op. Hij bepaalde zijn aandacht tot de papieren, die hij in de hand had en pagina na pagina werd ter zijde gelegd. Eindelijk dacht ik dat, als hij gereed en zijn sigaar opgerookt was, hij wel naar zijn slaapkamer zou afzakken, maar voor hij nog zoover was gekomen, gebeurde er iets, waardoor onze gedachten een geheel andere wending namen.

Meer dan eens had ik opgemerkt, dat Milverton op zijn horloge keek en eenmaal was hij opgestaan om met een ongeduldig gebaar weer te gaan zitten. Het denkbeeld echter, dat hij op zulk een vreemd uur een afspraak had, kwam heelemaal niet bij mij op, totdat van de zijde van de veranda een geritsel mijn oor bereikte. Milverton ging recht overeind zitten en legde zijn papieren neer. Een oogenblik later hoorde ik voetstappen, die gevolgd werden door een zacht kloppen op de deur. Milverton stond op en deed open.

„Wel,” zeide hij kortaf, „u is bijna een half uur te laat.” Dus dit was de verklaring, waarom de deur niet gesloten was en Milverton nog zoo laat opzat.

Wij konden het ruischen van een japon hooren. Ik had de reet van het gordijn dichtgedaan, zoodra Milverton was opgestaan, omdat hij misschien in onze richting zou kijken, maar nu waagde ik het de gordijnen nog even op een kier te zetten. Hij was weer gaan zitten, zijn sigaar vormde met zijn neus een hoek van 90° en voor hem in het volle licht stond een lange, slanke, donkere vrouwenfiguur met een voile voor het gelaat, haar mantel hoog tot over haar kin dichtgeknoopt. Zij haalde snel en diep adem en elk deel van haar lichaam sidderde van ontroering.

„Wel,” vervolgde Milverton, „u hebt mij geruimen tijd van mijn nachtrust beroofd, mijn waarde. Ik hoop, dat gij 't waard zijt. U kondt op geen ander uur komen?”

De vrouw schudde het hoofd.

Kon u niet op een ander uur komen? Kon u niet op een ander uur komen?

„Wel, als u niet kondt komen, was er natuurlijk niets aan te doen. Indien de gravin een strenge meesteres is, hebt u nu de gelegenheid het haar betaald te zetten. Wees kalm, meisje, waarom beeft ge zoo! Het is in orde! Kom tot je zelf. Laat ons nu de zaak bespreken.” Hij haalde een briefje uit een lade. „Je zegt, dat je vijf brieven hebt, waardoor de gravin d'Albert wordt gecompromitteerd. Je wilt ze verkoopen. Ik wil ze koopen. Dat is dus ook in orde. Alleen blijft nu nog de prijs over. Natuurlijk moet ik de brieven eerst zien. Als het werkelijk goede stukken—goede hemel, is u het?”

De vrouw had zonder een woord te zeggen haar voile in de hoogte gedaan en den mantel om haar kin losgemaakt. Het was een donker, mooi, zuiver gelijnd gelaat, dat Milverton aanschouwde, een gelaat met een arendsneus, zware donkere wenkbrauwen, die een paar harde, schitterende oogen overschaduwden en een dunnen mond, waarom een gevaarlijk lachje speelde.

„Ik ben het,” zeide ze, „de vrouw, wier leven gij verwoest hebt.” Milverton lachte, maar vrees deed zijn stem trillen: „Gij waart zoo onhandelbaar,” zeide hij. „Waarom hebt gij mij ook tot het uiterste gedreven? Ik verzeker u, dat ik zelfs geen vlieg kwaad zal doen, maar ieder heeft zijn zaken en wat kon ik anders doen? Ik stelde de som binnen uw bereik. U wildet niet betalen.”

„Daarom zondt gij de brieven aan mijn echtgenoot en hij—de edelste man, die ooit leefde, een man, wiens schoenen ik zelfs niet waard was te rijgen—hij werd er door gebroken en stierf. Gij herinnert u dien nacht nog, toen ik door die deur kwam en smeekte en bad om genade en gij lachte mij in mijn gezicht uit, evenals gij nu tracht te lachen, alleen uw laf hart kan niet verhinderen, dat uw lippen beven. Ja, gij dacht niet mij hier weer te zullen zien, maar het was op dien avond, dat mij geleerd werd, hoe ik u van aangezicht tot aangezicht kon ontmoeten. Wij zijn nu alleen. Wel, Charles Milverton, wat hebt gij te zeggen?”

„Denk niet, dat gij mij vrees kunt aanjagen,” zeide hij opstaande. „Ik heb alleen luid te roepen en mijn personeel is hier om u te arresteeren. Maar ik kan mij uw ergernis zeer goed verklaren. Daarom, verlaat de kamer, zooals gij gekomen zijt en ik zal er verder over zwijgen.”

De vrouw stond met haar hand in haar boezem verborgen en dezelfde doodelijke glimlach speelde weer om haar lippen.

„Gij zult geen levens meer verwoesten, zooals gij het mijne hebt gedaan. Gij zult geen harten meer vaneenrijten, zooals gij het mijne hebt gedaan. Ik zal de wereld bevrijden van een vergiftig beest. Neem dat, jij hond!—en dat!—en dat!—en dat!—en dat!”

Zij had een kleine, glinsterende revolver voor den dag gehaald en loste lading na lading in het lichaam van Milverton, waarbij de loop nog geen twee voet van zijn borst was verwijderd. Hij sprong achteruit en viel vervolgens voorover op de tafel, vreeselijk hoestend, terwijl hij met zijn handen wild in de papieren ronddraaide. Plotseling stond hij weer op, kreeg nog een schot en rolde op den vloer. „Je hebt me vermoord,” riep hij, en lag stil. De vrouw keek hem strak aan en plantte haar hiel in zijn gelaat. Weer keek zij, maar er was geen beweging of geluid meer in hem. Ik hoorde iets ruischen, de koude buitenlucht drong in het warme vertrek en de wreekster was weg.

Plotseling stond hij weer op en ontving nog een schot. Plotseling stond hij weer op en ontving nog een schot.

De tusschenkomst van onze zijde zou den man niet hebben kunnen redden, zoo snel ging alles in zijn werk, maar toen de vrouw kogel na kogel in het ineenkrimpende lichaam van Milverton joeg, stond ik op 't punt te voorschijn te springen, had ik niet den kouden, vasten greep van Holmes om mijn pols gevoeld. Ik begreep terstond, wat hij hiermede wilde zeggen—dat het een zaak was, die ons niet aanging, dat recht was gedaan aan een schurk en wij onze eigen zaken en bedoelingen hadden, die niet uit 't oog mochten worden verloren. Maar nauwelijks was de vrouw de kamer uit, of Holmes was met eenige snelle, zachte schreden bij de andere deur. Op hetzelfde oogenblik hoorden wij stemmen in het huis en haastig naderende voetstappen. De revolverschoten hadden het geheele dienstpersoneel in rep en roer gebracht. Met bewonderenswaardige kalmte ging Holmes naar de brandkast, pakte beide armen vol met pakken brieven en smeet ze alle op het vuur. Driemaal herhaalde hij dit en toen was de brandkast leeg. Iemand draaide de kruk van de deur om en klopte aan de buitenzijde. Holmes keek nog even in 't rond. De brief, die den dood gebracht had voor Milverton, lag op de tafel, geheel in bloed gedrenkt. Holmes wierp hem te midden van de fel brandende papieren. „Dezen kant, Watson,” zeide hij, „wij komen langs deze richting spoedig bij den tuinmuur.”

Ik zou nooit hebben kunnen gelooven, dat iedereen in zulk een groot huis zoo spoedig na het lossen van de schoten bij de hand kon zijn. Omkijkend zag ik, dat overal reeds licht brandde. De voordeur stond open en wij zagen menschen heen en weer loopen. De geheele tuin scheen wel vol te zijn en iemand riep ons reeds bij het verlaten van de veranda aan en volgde ons, toen wij natuurlijk geen antwoord gaven. Holmes scheen den weg uitstekend te kennen, en hij bewoog zich snel tusschen struiken en boomen. Ik volgde hem op den voet met onzen vervolger eenige meters achter ons. De tuinmuur was zes voet hoog, maar Holmes sprong als een acrobaat er op en er overheen. Ik volgde zoo goed mogelijk zijn voorbeeld, moest mij echter eerst ophijschen, ten gevolge waarvan de man achter mij nog juist mijn enkel kon grijpen. Ik gaf hem echter met mijn anderen voet een trap en rolde vervolgens over den muur met mijn gezicht voorover in eenige struiken; Holmes had mij oogenblikkelijk weer op de been geholpen en samen renden wij langs Hampstead Heath.—


Wij hadden ontbeten en rookten onze morgenpijp op den dag van het merkwaardig avontuur, hetwelk ik juist heb meegedeeld, toen mijnheer Lestrade van Scotland Yard, statig en indrukwekkend, onze eenvoudige zitkamer werd binnengelaten.

„Goeden morgen, mijnheer Holmes,” zeide hij. „Goeden morgen. Mag ik u vragen, of u het tegenwoordig nog al druk hebt?

„Niet te druk om naar u te luisteren.”

„Ik meende, dat wanneer u niets bijzonders aan de hand hadt, u ons wellicht zoudt willen assisteeren in een zeer merkwaardig geval, dat juist in den afgeloopen nacht te Hampstead is afgespeeld.”

„Wel heb ik van mijn leven!” zeide Holmes. „Wat was dat?”

„Een moord—een zeer dramatische en merkwaardige moord. Ik weet, hoezeer u gesteld zijt op deze dingen en ik zou het voorts als een groote welwillendheid beschouwen, wanneer u mee wildet gaan naar Appledown Towers en ons uw meening zeggen. Het is geen gewone misdaad. Wij hielden dezen mijnheer Milverton reeds eenigen tijd in het oog, want, tusschen ons gezegd, was het iemand van minder goed allooi. Bekend is, dat hij papieren in zijn bezit had, die hij gebruikte om menschen geld af te persen. Deze papieren zijn alle door de moordenaars verbrand. Niet een voorwerp van waarde werd door hen meegenomen, zoodat het waarschijnlijk is, dat de misdadigers behoorden tot den voornamen stand, wier eenig doel bestond in het voorkomen van schandaal.”

„Misdadigers?” vroeg Holmes. „Meer dan één?”

„Ja, er waren er twee. Het scheelde zeer weinig of zij waren op heeterdaad gearresteerd. Wij hebben hun voetsporen, wij hebben hun beschrijving, tien tegen een, dat wij hen op het spoor komen. De eerste was een weinig te vlug, maar de tweede werd door den tuinman gegrepen en ontkwam eerst na een worsteling. Het was een stevig gebouwde man van middelmatige lengte, hij had een dikken nek en snor en een masker voor de oogen.”

Zijn blik volgend, zag ik de beeltenis van een voorname dame in baltoilet. Zijn blik volgend, zag ik de beeltenis van een voorname dame in baltoilet.

„Dat is tamelijk vaag,” zeide Sherlock Holmes. „Wel, het zou een beschrijving van Watson kunnen zijn.”

„Dat is waar,” lachte de inspecteur, vroolijk.

„Maar ik ben bang, dat ik u niet zal kunnen helpen, Lestrade,” zeide Holmes. „Het feit is, dat ik dezen mijnheer Milverton heb gekend en dat ik hem beschouwde als een der gevaarlijkste typen uit geheel Londen. Ik vermeen voorts, dat er zekere misdaden zijn, welke de wet niet kan treffen en die daardoor in zeker opzicht persoonlijke wraak wettigen. Neen, het helpt niet, ik laat mij in deze niet overreden. Ik heb mijn besluit genomen. Mijn sympathie is aan de zijde van de misdadigers en niet aan die van het slachtoffer, en ik zal mij met deze zaak niet inlaten.”

Holmes had tegenover mij met geen enkel woord meer gesproken over het drama, waarvan wij getuigen waren geweest, maar ik bespeurde den geheelen morgen, dat hij in gedachten was verzonken, en ik kreeg door zijn starenden blik en zijn afgetrokken manieren den indruk van iemand, die tracht zich iets te herinneren. Wij zaten aan onzen lunch, toen hij plotseling opsprong. „Bij Jupiter, Watson, ik heb het,” riep hij. „Zet je hoed op en ga met me mee.”

Zoo snel hij kon liep hij door Baker-Street en daarna langs Oxford Street, totdat wij bijna bij het Regent Circus waren. Hier was links een winkel, waarvan de etalagekast vol stond met de fotographieën van alle beroemdheden en schoonheden van den dag. De oogen van Holmes vestigden zich op een dezer portretten en zijn blik volgende, zag ik de beeltenis van een voorname dame in baltoilet, met een groote diamanten tiara op het edele hoofd. Ik keek naar dien ietwat gebogen neus, naar de donkere wenkbrauwen, naar dien vastberaden mond en de van wilskracht getuigende [B 99]
[B 100]
kleine kin. Ik hield mijn adem in, toen ik den te allen tijde eerbied afgedwongen hebbenden titel van den grooten edelman en staatsman las, wiens vrouw zij was geweest. Mijn oogen ontmoetten die van Holmes en hij legde den vinger op de lippen, terwijl wij wegliepen.


IV.

Het avontuur van de zes Napoleons.

Het gebeurde meer dan eens, dat de heer Lestrade van Scotland Yard een avondje bij ons kwam praten. Zijn bezoeken waren Sherlock Holmes zeer welkom, daar hij zoodoende op de hoogte bleef van alles, wat er in het hoofdkwartier van de politie voorviel. Als wederdienst voor het nieuws, dat Lestrade bracht, was Holmes steeds bereid aandachtig te luisteren naar de bijzonderheden van elke zaak, waarin de detective betrokken was en nu en dan was hij in staat, zonder zich zelf met het geval te bemoeien, den een of anderen leiddraad te verstrekken of een vermoeden uit te spreken, dat hij putte uit zijn enorme kennis en ervaring.

Op dezen bijzonderen avond had Lestrade gesproken over het weer en de dagbladen. Daarna was hij minder spraakzaam geworden, keek strak voor zich uit en trok hard aan zijn sigaar.

Holmes keek hem scherp aan.

„Is er iets bijzonders aan de hand?” vroeg hij eindelijk.

„O, neen, mijnheer Holmes, niets bijzonders.”

„Nu, dan kunt gij 't mij ook wel vertellen.”

Lestrade lachte.

„Wel, mijnheer Holmes, er helpt geen ontkennen aan, ik zit werkelijk met een moeilijk geval. Maar het is zulk een dwaze geschiedenis, dat ik aarzelde u er mee lastig te vallen. Daar staat echter tegenover, dat hoewel de zaak doodgewoon is, er toch iets, dat zonderling moet genoemd worden, aan verbonden is en ik weet, dat gij u gaarne bezighoudt met alles, wat niet tot het gewone behoort. Maar volgens mij is het een zaak, die eerder voor dr. Watson geschikt is dan voor ons.”

„Een ziekteverschijnsel?” vroeg ik.

„Krankzinnigheid in elk geval. En een zonderlinge krankzinnigheid tevens. Zoudt u zich kunnen voorstellen, dat er thans nog iemand bestaat, die zulk een haat koestert voor Napoleon I, dat hij elk portret, dat hij van den grooten keizer ziet, zou willen vernielen?”

Holmes leunde achterover in zijn stoel.

„Dat is niets voor mij,” zeide hij.

„Juist. Dat heb ik zelf ook gezegd. Maar wanneer de man zich schuldig maakt aan inbraak om schilderijen en bustes te vernielen, die niet zijn eigendom zijn, verhuist de zaak van den geneesheer naar de politie.”

Holmes toonde weer meer belangstelling.

„Inbraak! Dat is interessanter. Laat mij de bijzonderheden eens hooren.”

Lestrade haalde zijn notitieboekje voor den dag en frischte zijn geheugen op, door nu en dan zijn aanteekeningen te raadplegen.

„Het eerste geval, dat ons ter kennis kwam,” vertelde hij, „is vier dagen geleden. Het was in den winkel van Morse Hudson, die een filiaal heeft voor het verkoopen van schilderijen, bustes enz. in Kensington Road. De bediende was even naar achteren gegaan, toen hij in den winkel een harden slag hoorde, en naar voren snellende, vond hij een buste van Napoleon, die met verschillende andere kunstwerken op een plank tegen den muur stond, aan gruis liggen op den grond. Daar de buste onmogelijk uit zich zelf kon gevallen zijn, snelde de bediende naar buiten, maar hij zag niemand en er was ook niets, waardoor hij den vernieler kon aanduiden. Wel verklaarden eenige voorbijgangers, dat zij iemand uit den winkel hadden zien komen, maar zij hadden daarop verder geen acht geslagen. De zaak werd aangegeven. De buste was echter niet meer waard dan een paar gulden en de geheele geschiedenis leek te eenvoudig, om er verder het hoofd over te breken.

„Het tweede geval echter was ernstiger en ook vreemder. Het gebeurde in den afgeloopen nacht.

Lestrade haalde zijn notitieboekje voor den dag. Lestrade haalde zijn notitieboekje voor den dag.

„In Kensington Road en nog geen honderd meter verwijderd van den winkel van Morse Hudson, woont een welbekend geneesheer, dr. Barnicot genaamd, die een van de drukste praktijken heeft op de zuidzijde van den Theems. Zijn woning ligt aan den Kensington Road, maar hij heeft ook nog een paar kamers gehuurd aan den Lower Brixton Road, waar hij eenige uren van den dag is te consulteeren. Deze dokter Barnicot is een geestdriftig bewonderaar van Napoleon en zijn huis is vol boeken, schilderijen en reliquieën van den Franschen keizer. Eenigen tijd geleden kocht hij van Morse Hudson twee busten, gemaakt naar den beroemden kop van Napoleon door den Franschen beeldhouwer Devine. Een dezer heeft hij in de gang van zijn huis te Kensington Road laten plaatsen en de andere op den schoorsteen van een zijner vertrekken te Lower Brixton. Welnu, toen Barnicot heden morgen naar beneden kwam, bemerkte hij tot zijn schrik, dat in den afgeloopen nacht bij hem was ingebroken, maar dat niets was weggenomen als de buste uit de gang. Deze was naar buiten gedragen en daar stuk tegen den muur geslagen. Alleen de scherven waren overgebleven.”

Holmes wreef zich in de handen.

„Dat is zeker bijzonder,” zeide hij.

„Ik dacht, dat u er belang in zoudt stellen. Maar ik ben nog niet aan 't eind. Dr. Barnicot ging om twaalf uur naar zijn kamers in Lower Brixton en u kunt u zijn verbazing voorstellen, toen hij bij aankomst vond, dat het raam in den nacht was geopend en dat de brokstukken van zijn tweede buste over den grond lagen verspreid. Deze was eveneens aan duizend stukken geslagen. In geen van beide gevallen waren er eenige teekenen, die ons ook maar de geringste aanwijzing konden geven over den persoon van den misdadiger of krankzinnige, die dit gedaan heeft. En nu, mijnheer Holmes, hebt u de feiten.”

„Zij zijn zeer vreemd, om niet te zeggen grotesk,” meende Holmes. „Mag ik u vragen of de beide busten, die in de vertrekken van dr. Barnicot werden vernield, precies dezelfde waren als de eene, die in den winkel van Morse werd stuk geslagen?”

„Zij werden van hetzelfde soort gips gemaakt.”

„Zulk een feit past niet in de theorie, dat de man, die ze stuk slaat, bezield is met een doodelijken haat voor Napoleon. Wanneer men in aanmerking neemt, dat er honderden busten van den grooten keizer moeten bestaan te Londen, zouden wij te ver gaan, wanneer wij van de veronderstelling uitgingen, dat een beeldstormer nu juist drie exemplaren van dezelfde buste had uitgezocht.”

„Wel, dat heb ik ook al gedacht,” zeide Lestrade. „Daar staat tegenover, dat deze mijnheer Morse Hudson de eenige handelaar in dergelijke artikelen is in dit gedeelte van Londen en deze drie waren de eenige, die in de laatste jaren in zijn winkel waren geweest. En daarom, alhoewel zooals u zegt, honderden busten en afbeeldingen van Napoleon in Londen zijn, is het zeer waarschijnlijk, dat deze drie de eenige waren in dat gedeelte van Londen. En iemand, die in dat district woont, zou dan ook zeer goed juist met deze drie kunnen beginnen. Wat dunkt u er van, mijnheer Watson?”

„Er zijn grenzen te trekken, wat de mogelijkheid betreft van monomanie,” antwoordde ik. „We hebben den toestand, dien de moderne Fransche psychologen het „idée fixe” hebben genoemd, dat op zich zelf bijna onmerkbaar is, daar de patiënt overigens volkomen gezond kan zijn. Iemand, die veel gelezen heeft over Napoleon of wiens familie door de groote oorlogen geleden heeft, kan zich zeer begrijpelijk in dit opzicht een „idée fixe” vormen en onder den invloed daarvan in staat zijn tot het plegen van zulke daden.”

„Neen, Watson, daar is hier geen sprake van,” zeide Holmes hoofdschuddend, „want dat „idée fixe” alleen zou uw interessanten monomaan niet in de gelegenheid, stellen te weten te komen, waar deze busten te vinden waren.”

„Zoo, welke verklaring hebt u dan?”

„Ik tracht geen verklaring te vinden. Alleen zou ik willen doen opmerken, dat er een zekere methode spreekt uit de excentrieke handelwijze van dezen mijnheer. Zoo werd bijvoorbeeld in de gang van het huis van dr. Barnicot, waar geraas zeker de familie wakker gemaakt zou hebben, de buste naar buiten gebracht, alvorens stuk geslagen te worden, terwijl op de kamers van den dokter, waar minder gevaar voor alarm bestond, de buste stuk geslagen werd op de plaats, waar zij stond. De zaak schijnt van bijzonder weinig beteekenis en toch durf ik niets van weinig beteekenis noemen, wanneer ik bedenk, dat eenige van mijn beste gevallen al een zeer weinig belovend begin hadden. Gij zult u herinneren, Watson, hoe de vreeselijke geschiedenis van de Abernetty familie mij eerst een leiddraad opleverde, nadat ik opgemerkt had, hoe diep de boterspaan in de boter was geraakt. Ik kon het daarom niet over mij verkrijgen, te glimlachen over uw drie gebroken busten, Lestrade, en u zult mij zeer verplichten, indien u mij op de hoogte wilt houden, wanneer zich nieuwe verwikkelingen voordoen in zulk een zonderlinge geschiedenis.”

De nieuwe omstandigheden, waarnaar mijn vriend gevraagd had, kwamen sneller en in een oneindig meer tragischen vorm dan hij zich kan hebben voorgesteld. Ik was den volgenden morgen nog bezig mij te kleeden, toen er op mijn deur werd geklopt en Holmes binnenkwam met een telegram in zijn hand. Hij las luid:

„Kom dadelijk 131, Pitt Street, Kensington—Lestrade.”

„Wat zou 't wezen?” vroeg ik.

„Ik weet 't niet.—Het kan alles zijn. Maar ik vermoed, dat dit het vervolg is van de geschiedenis van de busten. In dat geval heeft onze vriend de beeldenstormer zijn operaties in een ander deel van Londen begonnen. Daar staat koffie op tafel, Watson, en ik heb een rijtuig voor de deur.”

In een half uur hadden wij Pitt Street bereikt, een stil rustig plekje, juist in de nabijheid van een der drukste punten van Londen. No. 131 was er een uit een reeks vrij lage, maar goed uitziende huisjes. Toen wij naderbij kwamen, zagen wij een aantal nieuwsgierigen voor de deur. Holmes floot een deuntje.

„Bij George, hier is minstens een moordaanslag gepleegd. Anders zou een Londensche „message-boy” zeker niet blijven staan. Aan den uitgestrekten hals, waarmee die knaap naar binnen gluurt, is duidelijk te merken, dat er een daad van geweld gepleegd is. Wat is dat, Watson? De bovenste treden van de deurstoep zijn nat en de overige droog. In elk geval voetstappen genoeg. Maar daar zie ik Lestrade aan het middelste raam en nu zullen wij spoedig alles van de zaak weten.”

De detective ontving ons met een ernstig gelaat en duwde ons in een zitkamer, waar een buitengewoon geagiteerd man van gevorderden leeftijd, gekleed in een flanellen morgenjapon op en neer liep. Hij werd aan ons voorgesteld als de eigenaar van het huis—mijnheer Horace Harker van het Centraal Pers Syndicaat.

„Het is alweer die geschiedenis van de busten van Napoleon,” zeide Lestrade. „U scheen daarin gisteren avond nog al belang te stellen, mijnheer Holmes en daarom dacht ik, dat u gaarne tegenwoordig zoudt willen zijn, nu de zaak een veel ernstiger wending heeft genomen.”

„Welke wending heeft zij dan genomen?”

„Niets meer of minder dan tot een moord. Mijnheer Harker, zoudt u deze heeren precies willen vertellen, wat er gebeurd is?”

De man in de kamerjapon keek ons met een melancholieken blik aan.

Hij werd aan ons voorgesteld als de eigenaar van het huis—mijnheer Horace Harker. Hij werd aan ons voorgesteld als de eigenaar van het huis—mijnheer Horace Harker.

„Het is een buitengewoon iets,” zeide hij, „dat ik, die mijn geheele leven bezig geweest ben het nieuws van andere menschen te verzamelen, nu er werkelijk nieuws op mijn weg is gekomen, zoo van streek ben, dat ik geen twee woorden kan schrijven. Wanneer ik hier was gekomen als journalist, zou ik mij zelf geïnterviewd hebben en twee kolommen voor alle avondbladen hebben geleverd. En nu geef ik kostbare inlichtingen en kopie, door mijn verhaal over en over te vertellen aan verschillende personen en zelf heb ik er niets aan. Ik heb echter uw naam vroeger wel eens hooren noemen, mijnheer Sherlock Holmes en als u alleen deze zonderlinge geschiedenis kunt verklaren, zal ik mij ruimschoots beloond achten voor de moeite haar nog eens te moeten vertellen.”

Holmes ging zitten en luisterde.

„Alles schijnt zich te concentreeren om die buste van Napoleon, die ik ongeveer vier maanden geleden voor deze zelfde kamer gekocht had. Ik kwam er voor een kleinigheid aan van de gebroeders Harding, twee deuren van het High Street Station. Een groot deel van mijn journalistieken arbeid doe ik 's nachts, en dikwijls schrijf ik tot laat in den nacht. Aldus ook gisteren avond. Ik zat in mijn studeervertrekje, dat achter gelegen is, omstreeks twee uur, toen ik eenig geluid beneden hoorde. Ik luisterde, maar ik hoorde niets meer en ik dacht, dat het buiten was geweest. Plotseling, geen vijf minuten later, hoorde ik echter een verschrikkelijken gil—den vreeselijksten kreet, dien ik ooit vernam. Zoo lang ik leef zal die mij bijblijven. Eenige minuten bleef ik stom van schrik zitten. Daarna greep ik den pook en ging naar beneden. Toen ik deze kamer opende, vond ik het raam wijd open en dadelijk bespeurde ik, dat de buste van den schoorsteenmantel was verdwenen. Waarom een inbreker dat ding zou meenemen, gaat mijn begrip te boven, want het was slechts een buste van gips, die geen bijzondere waarde had.

„U kunt zelf zien, dat iemand, die door dat open raam gaat, door het doen van een grooten stap, op de bovenste tree van de stoep kan komen. Dit had de inbreker klaarblijkelijk ook gedaan, waarom ik omliep en de deur opende. In het donker naar buiten gaande viel ik bijna over een lijk, dat hier lag. Ik holde terug om licht te halen en ja, daar lag een man met een diepe snede over de keel, badende in zijn bloed. Hij lag op zijn rug met opgetrokken knieën en den mond wijd open. Ik zal hem in mijn droomen steeds zien. Ik had juist den tijd om op mijn politiefluit te blazen en daarna ben ik zeker flauw gevallen, want ik herinner mij niets meer, totdat ik een agent over mij heengebogen zag in de gang.”

„Wel, wie was de vermoorde man?” vroeg Holmes.

„Er is niets, dat daaromtrent eenige aanwijzing verschaft,” antwoordde Lestrade. „U kunt het lijk aan het bureau zien, maar wij zijn er nog niets wijzer door geworden. Het is een zware, door de zon verbrande, krachtige man, niet ouder dan dertig jaar. Hij is armoedig gekleed en toch ziet hij er niet als een werkman uit. Een mes met beenen heft lag in een bloedplas naast hem. Of 't het mes was, waarmee de wonde werd toegebracht, of dat het aan den verslagene toebehoorde, weet ik niet. Zijn kleeren waren ongemerkt en niets vonden wij in zijn zakken, behalve een appel, een stukje touw, een kaartje van Londen en een foto. Hier is alles.”

Holmes greep naar de foto. Het was klaarblijkelijk een plaatje, genomen met een kleine handcamera. Het stelde voor een sluw uitzienden man met sterk geprononceerde trekken en dikke wenkbrauwen en met een eigenaardig vooruitstekende onderkaak, als bij een baviaan het geval is.

„En wat is er van de buste geworden?” vroeg Holmes, na deze foto nauwkeurig te hebben bestudeerd.

„Wij hoorden er juist iets van, vóórdat u hier waart. Zij is gevonden in het tuintje van een leeg huis in Campdon House Road. Zij was ook aan gruis geslagen. Ik ga er eens naar kijken. Gaat u mee?”

„Zeker. Ik moet echter eerst even hier rond zien.” Hij keek naar het karpet en naar het raam. „De knaap moet lange beenen gehad hebben of wel buitengewoon vlug zijn,” zei de hij. „Het was anders niet gemakkelijk om van den grond dat raam open te krijgen en er door te kruipen. Terug ging het veel gemakkelijker. Gaat u ook mee om de overblijfselen van uw buste te aanschouwen, mijnheer Harker?”

De troostelooze journalist was voor zijn schrijftafel gaan zitten. „Ik moet trachten er iets van te maken,” sprak hij, „hoewel ik niet twijfel of de avondbladen zijn reeds vol met allerlei bijzonderheden. Dat dit nu juist mij moet overkomen! U herinnert u, dat de tribune te Doncarte ingestort is? Wel, ik was de eenige journalist op die tribune en mijn blad het eenige, dat geen verslag had, omdat ik te diep geschokt was om te kunnen schrijven. En nu zal ik waarachtig weer te laat komen met een moord, die op de stoep voor mijn deur is gepleegd.”

Toen wij de kamer uitgingen, hoorden wij zijn pen over het papier krassen.

De plek, waar de overblijfselen van de buste gevonden waren, was slechts een paar honderd meter verder. Voor de eerste maal rustten onze oogen op dit conterfeitsel van den grooten keizer, die zulk een haat scheen te hebben opgewekt in het brein van een onbekende. De buste lag aan stukken in het gras. Holmes zocht ze op en bekeek ze aandachtig. Uit zijn geheele manier van doen en zijn nauwkeurig onderzoek maakte ik op, dat hij een punt van uitgang gevonden had in deze duistere zaak.

„Wat denkt u?” vroeg Lestrade.

Holmes haalde de schouders op.

„Wij moeten nog een langen weg afleggen,” zeide hij. „En toch—en toch—er zijn eenige feiten. Het bezit van deze goedkoope buste was in de oogen van dezen vreemdsoortigen misdadiger meer waard dan een menschenleven. Dat is één punt. Dan is er nog het zonderlinge feit, dat hij de buste niet in het huis stuk sloeg of onmiddellijk daarbuiten, vreemd te meer, wanneer zijn eenig oogmerk niets anders dan het vernielen daarvan was.”

„Hij werd verrast door de komst van dien anderen man. Hij heeft ternauwernood geweten, wat hij deed.”

„Ja, dat kan zijn. Maar ik wensch uw aandacht in het bijzonder te vestigen op de ligging van dit huis, in welks tuin de buste werd vernield.”

Lestrade keek eens rond.

„Het was een leeg huis en derhalve wist hij, dat hij niet gestoord zou worden in den tuin.”

„Ja, maar er is nog een leeg huis verder op, waar hij langs gekomen moet zijn, alvorens hier te komen. Waarom heeft hij de buste daar dan niet gebroken, vooral daar bij elken stap verder de kansen vermeerderden van een ontmoeting met dezen of genen?”

„Ik geef het op,” zeide Lestrade.

Holmes wees op de lantaarn boven ons hoofd.