Atahualpa, Inka van Peru. (Geworgd 19 Aug. 1533.) Atahualpa, Inka van Peru. (Geworgd 19 Aug. 1533.)

Reeds een groot gedeelte van den dag was verloopen en men begon al te vreezen, dat de Inka geen woord zou houden, toen men eene groote beweging in het Peruaansche kamp gewaar werd. Aan het hoofd van eene kleine afdeeling van zijn leger werd de Inka, getooid met al de versierselen van zijne waardigheid, op een’ massief gouden stoel gedragen door de voornaamste Edelen, allen op het sierlijkst uitgedost. De „kleine” legerafdeeling bestond evenwel uit niet minder dan dertigduizend man en hieruit laat zich de sterkte van het heele leger gemakkelijk begroeten. Met een gevolg van slechts vijfduizend ongewapende mannen kwam hij in de stad; de overigen moesten buiten blijven. Tot groote verbazing van den Inka was nergens een Spanjaard te zien. Vol verontwaardiging over zulk eene ontvangst riep hij uit: „Waar zijn dan nu de vreemdelingen?” toen een Geestelijke verscheen en op den Inka toetrad. Crucifix en Brevier in de handen houdende, begon de Geestelijke terstond voor den Inka het Evangelie te prediken, doch het slot was, dat de Inka zich diende te onderwerpen aan het gezag van den machtigen Keizer Karel en dat hij zich moest laten doopen en Christen worden. Deze toespraak, door een’ tolk, zin voor zin, vertaald, maakte aanvankelijk op Atahualpa, die er waarschijnlijk al zeer weinig van begreep, den gewenschten indruk niet. Het slot evenwel begreep hij zooveel te beter en vol van verontwaardiging gaf hij ten antwoord dat hij, de machtigste Vorst der Wereld, aan geen’ enkelen anderen Vorst zich wilde onderwerpen. Was deze tevreden met zijne vriendschap, dan was hij bereid hem die aan te bieden. Wat het aannemen van een’ anderen godsdienst betreft, hiertoe was hij in het geheel niet te bewegen, en hij begreep niet, wie of wat den Priester den moed had kunnen geven om zoo tot hem te spreken.

„Dit boek beveelt het mij,” zeide de Priester.

Atahualpa nu het Brevier in handen nemende, hield het tegen het oor, en geene spraak hoorende, wierp hij het met een verachtelijk gebaar op den grond en zeide: „Dit boek zegt niets.”

Die onnoozele daad van Atahualpa rijmt niet zeer met de hooge beschaving der Peruanen en ze vereischt derhalve eenige opheldering.

De beschaving in Peru kende de kunst wel om gedachten in zichtbare teekenen uit te drukken. Wanneer een Peruaan dat wilde doen, nam hij een koord van ongeveer zeven deci-Meter lengte. Het was uit verschillend gekleurde draden gevlochten en bevatte bovendien ook verschillend gekleurde franje. Nu had de kunst bedacht om door het kiezen van de kleur en de rangschikking der draden en der franje zoowel als door het leggen van knoopen in het koord, zichtbare figuren aan te nemen om er gedachten door uit te drukken. Dit kan wel; men denke slechts aan het oude, telegraphische schrift, dat bestaat uit punten en strepen, die letters vervangen. Het schrift der leessnoeren, die den naam droegen van „Quippos” was echter veel gebrekkiger en veel ingewikkelder dan het genoemde telegraphisch schrift, zoodat het niet te verwonderen valt, dat alleen Inka’s, leden van zijn geslacht, Priesters en Edelen de „Quippos” lezen konden. Van boeken had men derhalve geen begrip, en nu we dat weten, wordt de handeling van den Inka minder onnoozel.

De Priester, die waarschijnlijk gehoopt had, dat zijne prediking in goede aarde zou vallen, raapte zijn Brevier op, liep naar het vertrek waar Pizarro zich bevond en deelde hem, vol geloofs-verontwaardiging, mede, wat de Inka gedaan had. Zulk eene daad moest gestraft worden.

Pizarro schijnt echter wel geweten te hebben hoe de zaak afloopen zou; dat blijkt uit alles. Hij gaf het afgesproken teeken; de Spanjaarden kwamen te voorschijn; de musketten knalden; de kanonnen donderden en onder het geroep van: „Santiago! Santiago!” viel men de verschrikte en ongewapende Peruanen aan. De ruiters, de kanonnen en de musketten deden wonderen. Men dacht aan geen tegenweer en wat niet vluchten kon, liet zich dooden. Het was een verschrikkelijk bloedbad waarmede aan den avond van dien dag de verovering van het machtige Inka-rijk in de straten van Caxamalca een’ aanvang nam.

Het eerste werk van Pizarro was geweest om Atahualpa gevangen te nemen. Hij bracht hem in een groot huis en behandelde hem met de achting aan zijn’ hoogen rang verschuldigd. Hij stond zelfs toe, dat zijn eigen mannen hem bedienden en dat hij met de Edelen en Bevelhebbers van zijn leger mondelinge gesprekken had om zijne bevelen te geven. „Quippos” echter mochten door hem niet verzonden worden, en bij elk gesprek, dat hij hield, was Felipillo tegenwoordig en daar deze tegen den Inka eene grief had, zoo behoefde Pizarro niet te vreezen, dat hem wat van het onderhoud zou verzwegen worden.

De tijding dat Atahualpa door de vreemdelingen gevangengenomen was, maakte in heel het Peruaansche Rijk een’ ontzettenden indruk.

Kort geleden had eene zons-verduistering plaats gehad, en waar nu de Peruanen in de Zon hun’ Hoofdgod hadden, daar behoeven we niet te vragen, welke droevige voorspellingen er naar aanleiding van die verduistering gedaan werden. Het is nog niet eens zoovele jaren geleden, dat in de Christelijke maatschappij zons- en maansverduisteringen, als voorboden van onheilen en rampen beschouwd werden. De voorspellingen waren ditmaal uitgekomen; de Inka’s, die elkander beoorloogden, waren beiden gevangen. Men gevoelde het: Peru stond aan den vooravond eener vreeselijke revolutie. De Spanjaarden konden nu doen, wat zij wilden: stelen, rooven, moorden, branden, vrouwen en meisjes mishandelen; men liet hen begaan, want men vreesde, dat de geringste mishandeling, die een Spanjaard onderging, gewroken zou worden op den Inka. De Spanjaarden maakten hiervan een schandelijk misbruik en Atahualpa zag zeer goed in, dat goud het eenige middel was om hem zijne vrijheid te doen herkrijgen. Hij bewoonde een vertrek van bijna tien Meter lengte en vijf Meter breedte, en nu deed hij Pizarro het voorstel om dit vertrek, ongeveer drie Meter hoog, binnen twee maanden met goud te vullen, als hij dan zijne vrijheid terugkreeg. Pizarro bedacht zich geen oogenblik en nam het voorstel aan, wel wetende, wat hij doen zou, als de losprijs er was. Van alle kanten kwam men nu met goud aandragen, doch eer de bepaalde hoeveelheid er was, begon men het al tot baren te smelten en te verdeelen. Veilig mag men berekenen, dat de waarde van dien losprijs twintig millioen gulden bedroeg. Het leeuwendeel van dat goud was natuurlijk voor Koning Karel, Pizarro, Almagro, De Luque, De Espinosa en de Bevelhebbers, doch dat nam niet weg, dat zelfs de minste lansknecht door zijn deel een rijk man werd. Velen verbrasten den gemakkelijk verkregen schat, doch enkelen wilden nu terug. Pizarro hield deze laatsten niet tegen en gaf hun gaarne verlof. Hij begreep wel dat één rijk teruggekeerde avonturier er tien of twintig bewegen zou om naar Peru te komen. Zijne berekening faalde niet, want heel Spanje was in rep en roer bij het vernemen van den gouden oogst; ieder wilde daar gaan maaien en oogsten van hetgeen hij niet gezaaid had.

Atahualpa, die wel inzag, dat hij met zijn’ losprijs nooit klaar zou komen, meende evenwel nu al genoeg betaald te hebben en drong thans op zijne vrijheid aan. Vele edeldenkende Spaansche Ridders ondersteunden het billijke voorstel. Een zekere Don Hernando De Soto was voor die Ridders de woordvoerder. Dit voorstel aan te nemen lag niet in het plan van Pizarro, en daarom wendde hij het over een’ anderen boeg. Onder den schijn van de zaak tusschen Atahualpa en Huascar te willen onderzoeken, had hij Atahualpa voorgesteld om Huascar uit de gevangenis te ontslaan en bevel te geven, dat men hem naar Caxamalca zou brengen. Atahualpa had hierin echter geen’ lust, want ongetwijfeld zou Pizarro, zoo meende hij, Huascars rechten erkennen, en wat er dan gebeuren zou, was hem geen raadsel. Inplaats dus van bevel te geven Huascar te ontslaan en naar Caxamalca te voeren, beval hij, dat men hem in de gevangenis dooden zou en dit geschiedde ook. Toen nu Felipillo nog verklaarde dat de Inka eene samenzwering smeedde tegen het leven der Spanjaarden, werd Atahualpa, beschuldigd dat hij zijn’ broeder had laten vermoorden, dat hij eene samenzwering tegen de Spanjaarden smeedde en dat hij volhardde in zijn Heidensch geloof, door Pizarro’s rechtbank veroordeeld om levend verbrand te worden.

Bij het hooren van dit vreeselijke vonnis verloor de arme Vorst al zijn’ moed en zijne geestkracht. Bijna weenend smeekte hij om het behoud van zijn leven, en als men het hem schonk, dan beloofde hij nog dubbel zooveel goud te geven, als hij voor zijn’ losprijs reeds betaald had. Pizarro, die nu gedurig versterkingen in soldaten, musketten en kanonnen gekregen had en dus zoo zwak niet meer stond als in het begin, sloeg dat aanbod af en was alleen te bewegen om den dood op den brandstapel door eene andere straf te vervangen, als de Inka Christen worden en den doop ondergaan wilde. De Inka, geheel ontmoedigd en van alle fierheid en geestkracht beroofd, stemde toe. Hij nam het Christendom aan, liet zich doopen en—werd geworgd. Het is zoo natuurlijk als iets, dat de dood van Atahualpa, die gestorven was zonder omtrent de opvolging eenige beschikking gemaakt te hebben, de grootste wanorde te voorschijn roepen moest. Een Inka werd niet gekozen door Priesters van de Zon, door Edelen of Krijgsbevelhebbers. Een Inka volgde eenvoudig op, en als dat de oudste zoon uit het voorgeschreven huwelijk niet was, dan was het een broeder of ander familielid van den overledene. Maar welke gevallen van opvolging zich ook mochten voordoen, Priester noch Edelman of Volkskind liet er zich mede in; het was eene zaak, die enkel het geslacht van Manco Capac aanging. Thans was er ineens in het regeeringsstelsel eene verbazend groote verandering gekomen. Wat de stok doet, dien men door het spinneweb slaat, dat had de hand van Pizarro met het geslacht der Inka’s gedaan, en letterlijk was hier het Bijbelwoord van toepassing: „Ze dwalen als schapen, die geen’ herder hebben.” Aan dien toestand wilde Pizarro een einde maken. Hij zou den Inka benoemen en hem even als Atahualpa bij zich en onder zijn rechtstreeksch toezicht houden. Een broeder van Huascar werd gevonden en deze heette ook Manco Capac, doch als Pizarro had gemeend in dezen jongen Vorst een werktuig te vinden, dan had hij zich vergist. Na het in bezit nemen van Cuzco, de oude hoofdstad van Peru, waar de Spanjaarden alweer opgestapelde schatten vonden, deed Pizarro Manco Capac kronen. Toen dit geschied was, liet hij den Inka te Cuzco, welke stad door een’ Spaanschen Raad zou bestuurd worden, en zelf trok hij met een groot deel van zijn leger uit, om, in de nabijheid der zee, eene andere hoofdstad van de Kolonie te stichten, dewijl Cuzco te diep in het binnenland gelegen was, wat, met het oog op de verbinding met Spanje, op den duur te lastig was. In eene heerlijke landstreek stichtte hij nu, dicht bij den Stillen-Oceaan, zijne hoofdstad en noemde die „Ciudad de los Reyes,” wat „Stad der Koningen” beduidt. Naar den kuststroom Rio Lima, aan welks oevers ze gelegen is, kreeg ze later den naam van Lima.

Thans begon Pizarro zich met alle macht en kracht toe te leggen op de verdeeling van het land, en hoeveel men hem, helaas, ten laste leggen moet, hij toonde een „organiseerend talent” te hebben, als slechts weinigen. Met krachtige hand voerde hij de teugels van bewind, en handel, nijverheid en landbouw konden overal en altijd op zijne krachtige ondersteuning rekenen, maar—alles ten voordeele der Spanjaarden. Aan de belangen der millioenen Peruanen werd niet gedacht, en hun grond, het „Staatseigendom”, werd eenvoudig aan Spanjaarden gegeven, want van die oude grondverdeeling wilde Pizarro niets weten. Daar de heele Inka-regeering met dat algemeene grondbezit alleen bestaanbaar was, zoo gevoelde de Inka, dat hij, wilde hij in handen der Spanjaarden geene ledepop zijn, iets doen moest om hieraan een einde te maken. Hij wist de waakzaamheid van den Spaanschen Raad, waaronder Pizarro’s broeders Gonzalo en Juan waren, te verschalken, ontvluchtte Cuzco, en stelde zich aan het hoofd zijns Volks.

Wie herinnert zich niet de laatste bedrijven van den Fransch-Duitschen oorlog van 1870–71? Wie gevoelde geene warme sympathie voor den Franschman? Geen militie-plichtig of gehuurd leger was het, dat onder den dapperen Generaal Baptiste d’ Aurelle de Paladine aan de Loire streed. Het waren nu de zonen des Volks, die hun hartebloed wijdden aan de verdediging van hun’ geboortegrond, en—geen heftiger tegenstanders hadden de Duitschers dan deze Patriotten.—Zoo ging het ook in Peru. Onder aanvoering van den dapperen en beleidvollen Manco Capac aanvaardden de Peruanen den strijd tegen hunne onderdrukkers en overweldigers. Het scheen zelfs, dat het lot hun gunstig was, want weldra brak ook onder de Spanjaarden een broederoorlog uit. Almagro, die, en niet ten onrechte, meende dat hij aan de verovering van Peru een even groot aandeel had als Pizarro, kon het niet verkroppen, dat deze laatste alle macht en gezag aan zich trok. Wel had Koning Karel hem tot belooning van zijne diensten benoemd tot Stadhouder van de Zuidelijke gewesten van Peru, doch hiermede was Almagro niet tevreden. Een tocht naar Chili, dat hij in 1535 ontdekte, leverde hem geene voordeelen op. In den strijd tegen Pizarro om het bezit van de oude hoofdstad Cuzco, moest hij het onderspit delven, en de man, die zooveel gedaan had voor de ontdekking van Peru, werd, op last van Pizarro’s broeder Hernando, op bijna vijfenzeventigjarigen leeftijd in de gevangenis geworgd en daarna onthoofd. Zoo eindigde de man, die in 1464 bij Almagro te vondeling gelegd was, zijn beroemd leven, dat alleen, omdat het geketend was aan dat van Pizarro, van al te veel bloedige tooneelen getuige was. Tijdgenooten noemen hem een edel man, doch juist zou zijn edel karakter ook al zijn ongeluk geweest zijn, als hij inplaats van Pizarro aan het hoofd der onderneming gestaan had. Thans regeerde Pizarro zoo goed als oppermachtig Vorst, doch de wraak sliep niet, al behaalde Pizarro op Inka Manco Capac, die zelfs te paard zijne legers aanvoerde, de eene overwinning na de andere. Een zoon van Almagro smeedde eene samenzwering tegen het leven van den dwingeland, en deze werd nu op Zondag den twintigsten Juni 1541 vermoord. De regeeringloosheid van het land duurde niet lang, want kort na Pizarro’s dood kwam de nieuwbenoemde Onder-Koning Don Vaca De Castro, die het land met beleid en zachtheid regeerde, doch daardoor ook in Spanje den goud- en zilveraanvoer verminderde. Zulke mannen kon men niet gebruiken, en zóó zag men te Lima, beurtelings onder dezen dan dien Onder-Koning, het oude Inka-rijk langzaam, maar zeker ten gronde gaan. Het mocht voor het geslacht van Manco Capac zelfs niet baten, dat Sayri Capac in 1557 vrede met de Spanjaarden sloot en afstand van de Regeering deed ten behoeve van Koning Filips van Spanje, want in 1571 werd het geheele Inka-geslacht eenvoudig onthoofd of geworgd. Het schoone en vruchtbare Chili werd in 1550 door Don Pedro Valdivia onder het bestuur van Lima’s Onder-Koning gebracht.

Terwijl Zuid-Amerika langs den Stillen Oceaan zoo in het bezit van Spanje gebracht werd, trachtten de Portugeezen zich meester te maken van de landen aan den Atlantischen Oceaan gelegen. Ze werden, we lazen dit vroeger, ontdekt door Vincente Yanez Pinzon, doch na hem kwam er de Portugees Pedro Alvarez De Cabral. Het was niet het doel van hem geweest om dit land te naderen, doch op eene reis naar de Oost-Indiën werd hij door storm hierheen geslagen. Hij nam deze kust voor Portugal in bezit, en noemde ze „Terra da Vera-Cruz,” dat is „Land van het Ware Kruis.” Later kreeg het naar het verfhout „pao do brazilia” den naam van Brazilië. Onder de regeering van Koning Johan III van Portugal hechtte de Paus zijne goedkeuring aan deze in bezitneming. Eerst in 1549 echter kwam er onder het bestuur van Don Thomas Da Souza, die door Koning Johan tot Gouverneur aangesteld was, in de Koloniën eenig leven van beteekenis, en tot eer van Portugal, dat toch óók een Katholiek volk was, en alles deed, wat het kon om het Evangelie te verbreiden, moet gezegd worden, dat de Koloniën zich in vrede ontwikkelden, en dat er van een bloedvergieten als in Mejico, Peru en Chili geene sprake was. Ongelukkig echter kwam Portugal in 1580 onder den Koning van Spanje, en zoo werd Brazilië ook Spaansch. Het was voor de Kolonie zoo goed als haar ondergang, want hoewel meest door Portugeesche Stadhouders bestuurd, moesten dezen zich toch schikken naar den zin en den wil van den Spaanschen Koning, die hun in de Nederlanders vijanden bezorgde, die medetellen konden. De Tachtigjarige Oorlog toch tegen Spanje, deed in Holland de later zoo machtige Oostindische Compagnie in 1602, en in 1621 de Westindische ontstaan. Deze Westindische Compagnie was het, die eerst onder Admiraal Piet Hein, de Braziliaansche Koloniën fel liet bestoken, om later, in 1630, Graaf Johan Maurits van Nassau, als Stadhouder naar deze nieuwe Westindische bezitting te zenden. Eenendertig jaar lang bleef Brazilië nu in het bezit der W. I. Compagnie, doch daar inmiddels Portugal zijne zelfstandigheid als Koninkrijk weer herkregen had, en de zaken der Compagnie in dat groote land niet naar wensch gingen, zoo werd het in 1661 eenvoudig aan Portugal teruggegeven voor eene som van ruim vier millioen gulden. Deze Compagnie, die al te veel bedacht was geweest op groote uitkeeringen van winst, was daardoor in schulden geraakt, en moest in hetzelfde jaar ontbonden worden. Wel werd er terstond weer eene nieuwe opgericht, maar van deze ging slechts een zwak leven uit, waaraan het wel toe te schrijven is, dat onze Westindische bezittingen niet tot bloei geraakten en meestal schadeposten waren, niettegenstaande de Kolonie Suriname, veel meer dan de eilanden, die daar tot onze bezittingen behooren, rijke bronnen van welvaart bevat.

Verlaten we nu Zuid-Amerika om een’ blik te werpen op de noordelijke helft der Nieuwe Wereld bekend onder den naam van Noord-Amerika.

Wij kwamen er reeds met de Noormannen langs de kusten tot bij de plaats waar nu New-York ligt; met Juan Ponce De Leon en de Cabots in Florida, en met Cortez in Mejico en Californië.

De omstandigheid, dat het verarmde Europa zooveel behoefte had aan goud, mag wel oorzaak genoemd worden, dat de geschiedenis van Noord-Amerika zulk een geheel andere is dan die van Zuid-Amerika. Wie hier Koloniën stichten wilde, had heel wat anders te doen dan goud te verzamelen. Slechts krachtige en nijvere handen, mannen bezield met lust tot den arbeid en niet krachteloos gemaakt door een lui, wellustig en weelderig leven, konden in dit gedeelte der Nieuwe Wereld Koloniën stichten. Zoo kwamen hier onder de regeering van Koningin Elisabeth, in 1585, de Engelschen onder Sir Walter Raleigh. Zij vestigden zich op het eiland Roanoke, bij de kust van Noord-Carolina, en Sir Walter gaf aan zijne Kolonie den naam van „Virginia” of „Maagd” ter eere van zijne Koningin, die ongehuwd was. In 1606 echter begonnen de Koloniën, die daar aangelegd waren, eerst van eenige beteekenis te worden, daar Koning Jacobus I er op bedacht was om er geschikte landbouwers en handwerkslieden heen te zenden. Deze Kolonisten waren dus Planters, die hunne plantages slechts zeer langzaam naar het binnenland uitbreidden. Met het musket op den schouder en pistolen en dolken in den gordel, bebouwden ze het land, dat ze in bezit genomen hadden, telkens aangevallen en verontrust door de Indianen, die wel ruw en onbeschaafd waren, doch niet, als Azteken en Peruanen, door een weelderig leven verzwakt waren geworden. De strijd om het bestaan werd daardoor voor de Planters een felle strijd, en iemand, die gaarne klakkeloos rijk wilde worden, zocht allerminst de Noordamerikaansche wouden en prairiën op. Kloeke mannen, kerels waar pit in zat, waren die Engelsche Planters.

Weldra zouden ze eene zeer gewenschte versterking ontvangen ook in lieden, die terwille van den Godsdienst hun land verlieten. Koning Jacobus I, die gaarne de rol van groot godgeleerde speelde, begon al heel spoedig na zijne troonsbeklimming de Presbyterianen,—Protestanten, die zich tegen de Bisschoppelijk Protestantsche Kerk verzett’en,—te onderdrukken en te vervolgen. Zijn zoon, Koning Karel I, was als zijn Vader, een heftig tegenstander van de Presbyterianen, en tal van dezen nu namen de wijk naar de Noordamerikaansche Koloniën, waar ze met open armen ontvangen werden, als ernstige mannen, die vast besloten hadden, in het aangenomen Vaderland zich eene positie te veroveren.

Het waren evenwel de Engelschen alleen niet, die Koloniën in Noord-Amerika gevestigd hadden. Henry Hudson, een Engelschman, was in dienst van onze Oostindische Compagnie getreden, en op zijne reis om eene noordoostelijke doorvaart te vinden, ontdekte hij den derden September 1609 het eiland Manhattan. Een deel der bemanning bleef hier achter en stichtte er eene Kolonie, die weldra uit het Vaderland de noodige versterking ontving. Er werd nu een fort gebouwd, dat den naam kreeg van „Nieuw-Amsterdam”. De Kolonie nam, in korten tijd, in omvang toe, en het fort werd een zeer welvarend, echt Hollandsch stadje. Echt Hollandsch was men ook te werk gegaan met het in bezit nemen van het eiland, want men had het voor de som van vierentwintig dollars van de Indianen gekocht. Die som moge bespottelijk klein heeten, het feit blijft toch bestaan, dat de Nederlanders aan de Indianen den grond maar niet eenvoudig met het recht van den sterkste ontnamen. Dat koopen van grond hielden zij vol toen ze, ter uitbreiding van hunne Kolonie, gronden aan de rivier de Delaware en het Staten-eiland noodig hadden. Aan deze handelwijze zal het dan ook wel te danken geweest zijn, dat de Kolonisten steeds in welvaart en macht toenamen, want de Indianen dreven met hen gaarne handel in pelterijen, en waren er niet op uit om hen te scalpeeren, als ze hen wat ver van hunne Kolonie aantroffen. Nieuw-Amsterdam breidde zich steeds meer en meer uit, en de welvaart nam met den dag toe. Doch wat gebeurde?

Nieuw-Amsterdam of New-York vóór derdehalve eeuw. Nieuw-Amsterdam of New-York vóór derdehalve eeuw.

Met Karel II was het huis der Stuarts weer op den Engelschen troon gekomen, en hoeveel Koning Karel ook aan de Nederlandsche Republiek te danken had, hij bleef haar levenslang vijandig, en niet lang was hij aan de Regeering, of hij verklaarde de Republiek den oorlog. Schitterend werd deze zee-oorlog, vooral door het beleid van onzen grooten De Ruyter, door de Republiek gevoerd, maar, de Kolonie „Nieuw-Nederland”, zooals de Nieuw-Amsterdammers hun land noemden, ging er bij verloren. Koning Karel II, wiens geldmiddelen steeds in een’ berooiden toestand verkeerden, moest zijn’ broeder Jacobus, Hertog van York, toch ook eenige inkomsten geven, en daar hij zelf geen geld had, zoo gaf hij de Kolonie Nieuw-Nederland aan hem. Door vier Engelsche fregatten werd deze streek in bezit genomen, en ter eere van den nieuwen Vorstelijken eigenaar kreeg de stad den naam van „New-York”. De Hollanders, die hier eigendommen hadden, en niet heel erg bemoeielijkt werden, bleven er voor het grootste gedeelte wonen, en nog altijd kan men in New-Yorks adresboek honderden namen vinden, die of nog geheel Hollandsch zijn, òf tendeele hun’ Hollandschen klank behouden hebben. Hoe die afstammelingen van onze wakkere Voorvaderen ons gezind zijn, blijkt uit tal van voorbeelden, en waar men nu gedachtenis viert van Columbus’ groote ontdekking, daar blijven de New-Yorkers niet achter om ook de geschiedenis van hunne stad door den druk algemeen bekend te maken, en de wijze waarop ze met lof spreken van de kloeke stichters van deze wereldstad, kan ons tevreden doen zijn en steekt scherp af bij de oordeelvellingen, die in den vreemde ons land en volk meestal tendeel vallen. Trouwens van New-Yorks grootheid en aanzien legden die Oud-Hollandsche familiën—er is geen Amerikaan, die dat tegenspreekt—den hechten grondslag. Trotsch zijn ze op hunne Oud-Hollandsche namen, en hoe hunne zeden en gewoonten in den loop der tijden ook veranderd mogen zijn, zóó zelfs, dat zij geen woord meer van onze taal verstaan, toch sluiten zij zich gaarne aaneen om in de groote wereldstad eene vereeniging te vormen, waarin men, stellig eenmaal in het jaar op het aartsvaderlijke Sinterklaasfeest, nog eens op zijn Oud-Hollandsch feest viert, en een aanzienlijk aantal hunner is, uit sympathie voor het geboorteland hunner Vaderen, lid van de Leidsche „Drie October vereeniging”. Daar onder de leden van die Vereeniging tal van mannen gevonden worden, die zeer vermogend zijn, zoo wordt het duidelijk, dat zelfs de Engelsche Amerikanen rekening houden met de leden van de „Hollandsche Club”.


HOOFDSTUK XIII.


DE EERSTE REPUBLIEK IN AMERIKA.

De omstandigheid, dat onder de Kolonisten van Noord-Amerika zeer velen waren, die Engeland verlaten hadden om in vrijheid hun’ godsdienst te belijden, heeft in het karakter der Kolonisten eene zeer groote rol gespeeld. Ze hadden waarlijk niet zoo heel veel redenen om een land te beminnen, waar voor hen en hun geloof geene plaats was, en steeds waren ze er op uit om de Regeering van Engeland tegen te streven, wanneer deze hen ook hier het leven bemoeielijkte. Dat ze er prijs op stelden om althans hier God naar de inspraak van hun hart vrijelijk te dienen, is duidelijk, maar even duidelijk is het, dat ze ook prijs stelden op hetgeen ze met zooveel moeite en kosten hadden tot stand gebracht. Veel wilden ze dulden, maar ten opzichte van het geloof en handelszaken waren ze zeer prikkelbaar. Dit bleek helder als de dag in 1642, toen de Engelsche Regeering een algemeen handels-monopolie eischte, waarop de Kolonisten van Virginië eenvoudig antwoordden, dat ze niet genegen waren dat handels-monopolie te erkennen, omdat „vrijheid van handel het bloed en leven is van een’ Staat.” Men ziet uit deze woorden dat de „freetraders”, die heden ten dage nog zoovele pennen in beweging brengen en zoovele hoofden warm maken, niet van vandaag of gisteren zijn.

Met zulk een handelsbeginsel en zulk een Republikeinsch streven kon het den Kolonisten in Noord-Amerika natuurlijk niet welkom zijn, toen in 1664 de verschillende Koloniën meer rechtstreeks onder den invloed der Engelsche Regeering kwamen. Wel toonde deze laatste aanvankelijk het zoo heel kwaad niet te meenen. Zij trachtte door schenkingen en giftbrieven van allerlei aard aan de Koloniën eene soort van staatkundige onafhankelijkheid te verleenen. Aan de eene Kolonie schonk zij dit en aan de andere dat voordeel, en daar vele Koloniën later Staten werden, zoo kwam het, dat er tusschen deze Staten onderling dikwijls tweedracht en twist ontstond. Die twisten wilden de Staten liever onder elkander uitmaken, doch de Engelsche Regeering begreep dit anders, en trad tusschenbeiden door gegeven voorrechten op te heffen, wat natuurlijk van de zijde der Kolonisten tot ontevredenheid aanleiding gaf. Zoo waren de verschillende Koloniën of Staten telkens in botsing met de Regeering, en daar zij zich sterk uitbreidden, kwamen ze ook menigmaal in verzet. Onderwerping was dan meestal het geval, omdat ze te zwak waren om zich tegen Engelands macht te verzetten. Dat men zich slechts noode onderwierp, ligt in den aard der zaak. Om hunne belangen krachtiger te kunnen behartigen, hadden de Kolonisten van Connecticut, Rhode Island, New Hampshire, Vermont en Maine in 1643 een verbond met elkander gesloten, dat den naam kreeg van „Unie der Koloniën van Nieuw-Engeland”. Was het vooral gericht tegen de Nederlanders en Franschen, die zich op hunne kosten wilden uitbreiden, later gebruikte men die Unie toch ook tegenover de onbillijke eischen van Engeland. Na den val van Koning Jacobus II, en de verheffing van Willem van Oranje tot Koning van Groot-Britannië en Ierland in 1688, kon men in de Amerikaansche Koloniën niet veel verbetering in den toestand gewaar worden. Alles bleef bij het oude, ja, het duurde niet lang, of men maakte zich vanwege de Regeering aan handelingen schuldig, welke nieuwe grieven te voorschijn riepen. Handel en nijverheid werden gesteund, ja, maar altijd in het belang van Engeland, nimmer in dat van de Kolonisten.

„Vrijheid van handel is het bloed en leven van een Staat,” hadden de Virginiërs reeds in 1642 gezegd, maar Engeland ging voort met die stelling niet aan te nemen, en beperkte den handel op kleingeestige wijze.

De „Acte van Navigatie”, door Cromwell in het leven geroepen, vooral om den koophandel en de vrachtvaart van Holland te kortwieken, werd ook hier toegepast, want in de verschillende havens mochten geene andere schepen dan Engelsche binnenloopen.

Den handel werkten de Engelsche Regeering en het Koloniaal Bestuur door allerlei hooge belastingen tegen, en het binnenlandsche verkeer kwijnde onder tal van lastige en kleingeestige maatregelen.

Hadden de Kolonisten kleederen, gereedschappen, werktuigen of voorwerpen van huiselijk gebruik noodig, dan mochten ze die uit geen ander land laten komen. In Engeland moesten ze alles koopen en verkoopen.

Dat drukte vooral op den landbouw en de nijverheid, die werktuigen en gereedschappen noodig hadden. De ijzer-industrie mocht, wanneer het ander werk beoogde dan gewoon smidswerk, niet gedreven worden, en schandelijk genoeg maakten de Engelsche ijzer-fabrikanten hiervan gebruik door hun fabrikaat met grove winsten aan de Kolonisten te verkoopen.

Voor het verbouwen van suikerriet was de bodem in vele streken uitnemend geschikt, maar wie dacht er aan om suiker-plantages aan te leggen, waar de Regeering op de suiker-raffinaderijen zulke hooge lasten legde, dat het verbouwen van suikerriet niets anders dan schade opleverde?

Uit alles bleek het duidelijk, dat Engeland de Koloniën alleen beschouwde als zijn’ citroen, dien het met alle recht mochten uitknijpen tot de pitten droog van tusschen de schillen vielen.

Wat Freiligrath van Ierland dichtte, zou met verandering van woorden op de toenmalige Koloniën toegepast kunnen worden:

„De visscher, herder, jager zien
Beroofd de landstreek rond;
Hier diep moeras, daar weel’gen, maar
Nog onontgonnen grond.
O, dit gedempt, en dien bebouwd...
„Laat af! Gij zult niet!”—
Hoe?—
Niet aan den Ier hoort de Iersche grond
Hij komt den landheer toe.”

en die landheer is dan een Engelschman, waarvan het snijdend scherp heet:

„En dan te Londen of Parijs
Er de opbrengst van verspeelt.”

Inmiddels was ook van eene andere zijde de toestand der Kolonisten niet rooskleurig.

Hadden de Spanjaarden, zoo het volgens de overlevering heet, hoog ten Noorden van den Amerikaanschen Archipel een land gevonden, waarvan ze eenparig getuigden: „Aca nada!” dat is: „Hier is niets!” toch had omstreeks 1500 een zekere Italiaan Giovanni Verragani, die in Franschen dienst was, dit land, dat later den naam van „Canada” kreeg, voor Frankrijk in bezit genomen. Frankrijk vond dat goed, doch deed er niets mede, en honderd jaar moest er verloopen eer de eerste Fransche Kolonie zich daar nederzette. Kardinaal De Richelieu was het, die wist door te drijven, dat er zich een handels-genootschap vestigde, hetwelk niet minder dan zestienduizend handwerkslieden en landbouwers derwaarts brengen zou. Deze Fransche Kolonie nu, leverde door landbouw-producten en pelterijen-handel groote voordeelen op, zoodat de Kolonie zich steeds uitbreidde, en ten laatste in aanraking kwam met de Engelsche Kolonisten.

Het was natuurlijk, dat nu de vraag geopperd werd waar de grenzen waren tusschen de Fransche en de Engelsche Koloniën, en dit was maar niet met een paar woorden uit te maken.

Over die grensscheiding ontstond een oorlog tusschen Frankrijk en Engeland, die niet alleen in Europa, maar ook in Amerika gevoerd werd.

Het was voor de Engelsche Kolonisten werkelijk niet alles om goed en bloed in dien strijd te wagen, en toch deden ze het, en wel met zulk een’ goeden uitslag, dat Frankrijk in 1763 Canada aan Engeland afstond, welk Rijk deze veroverde Kolonie als een zelfstandig geheel beschouwde en geheel van de andere Koloniën afscheidde.

De man, die had weten te bewerken, dat de Engelsche Kolonisten zich in dezen oorlog zoo wakker weerden, was William Pitt, de beroemde Staatsman, die echter in de oogen van Koning George III geene genade vinden kon. Te vergeefs was het, dat Pitt zich beijverde om aan de Engelsche Koloniën, ter belooning voor hunne onwaardeerbare diensten in den oorlog tegen Frankrijk, eene eigen Wetgeving en een eigen Bestuur te verleenen. De stijfhoofdige Koning wilde, opgestookt door lieden, die Pitt’s tegenstanders waren, hiervan niets weten. Hij wilde in die Koloniën niets anders zien dan een winstgevend bezit. Ware het daarbij nu nog maar gebleven, wellicht dat men in de Koloniën zou gezwegen hebben. Maar Koning George had nog andere plannen. De oorlog tegen Frankrijk had Engeland een’ schat van geld gekost, en om de rente van de nieuwe staatsschulden te kunnen betalen, besloot hij de belastingen in de Koloniën te verhoogen.

Was het wonder, dat deze Vorstelijke willekeur alle Kolonisten in verzet bracht tegen de Regeering? Toch bleef het verzet lijdelijk, en bepaalde het zich alleen tot gemor. Minder lijdelijk verdroegen ze de verklaring van den Minister, in het Parlement gegeven, dat de Koloniale Staten zich onvoorwaardelijk onderwerpen moesten aan de uitspraken van Kroon en Parlement. In vinnige geschriften en vurige redevoeringen werd dit recht van Kroon en Parlement betwist.

Koning George, die het er inderdaad op scheen toe te leggen om den opstand der Koloniën in het leven te roepen, voerde nu eene zegelwet in, die niemand begeerde, en hij liet ook bekendmaken, dat de Kolonisten verplicht waren aan de Koninklijke troepen huisvesting en verpleging te verschaffen, waar en wanneer de Koning zulks begeerde.

Het was een tijd van gisting in Europa, en de „onschendbare rechten” van den mensch vonden hare predikers in James Otis, John Adams, en vooral in den Franschen wijsgeer Jean Jacques Rousseau.

Met de geschriften en prediking van die mannen bleef men in de Amerikaansche Koloniën niet onbekend. Allerwegen verrezen vereenigingen van „Vrijheidszonen”, die zich ten doel stelden om als Apostelen van de onschendbare rechten van den mensch op te treden. Te midden van dien algemeenen tegenstand verordende de Koning de invoering der zegelwet, doch men moest dit nalaten, omdat de zegels gestempeld moesten worden, en er niemand was, die zich aanbood om de betrekking van stempelaar te aanvaarden.

Met elken dag werd de toestand steeds meer gespannen.

In December 1773 liepen te Boston eenige overmoedige Kolonisten, die zich als Indianen verkleed hadden, een Engelsch schip af. Het was met thee geladen, en de heele lading, die eene waarde had van ruim twee ton, werd in zee geworpen.

Deze handeling was de ouverture van het heele spel.

Boston werd door de Regeering in staat van beleg verklaard, en eenige regimenten werden naar de Kolonie gezonden om de inwoners van Boston te straffen, en de oproerige menigte tot zwijgen te brengen. Een adres aan de Regeering, om het gebeurde niet zoo hoog op te nemen, werd eenvoudig terzijde gelegd. Dit ging den Kolonisten te ver, en in September 1774 kwamen de vertegenwoordigers van twaalf Koloniën of Staten bijeen om den toestand te bespreken en dan onder elkander uit te maken, wat er gedaan moest worden. Het was het eerste Congres der Revolutionnairen.

De besluiten, die genomen waren, konden zeker niet strekken om eene verzoening met het Moederland tot stand te brengen, want ze waren zoo vijandig mogelijk, ja, er werd eenvoudig besloten, dat men, als zelfstandig land in het Koninkrijk, zitting en stem in het Parlement hebben zou, en zoo lang de Regeering weigerde aan dien eisch te voldoen, zoo lang zou men ook alle verkeer met Engeland afbreken.

De teerling was geworpen; de opstand in de Kolonie was uitgebroken.

Men kon in die dagen nog mannen huren, die er het ambacht van soldaat op nahielden, en er waren ook wel enkele Duitsche Vorsten, die hunne soldaten aan een’ vreemden Koning tegen eene billijke vergoeding, die de Vorsten in den zak staken, afstonden.

Koning George wist zoo eenige regimenten van die geoefende vechtersbazen te bekomen en zond ze naar Amerika. In het eerst scheen het, dat de ongeordende troepen „Vrijheidszonen” het op de gehuurde soldaten winnen zouden, doch weldra bleek het, dat orde en tucht onder die „Vrijheidszonen” al te veel ontbraken, zoodat de huurbenden niet zooveel moeite hadden om de overwinning te behalen. De eerste nederlaag van aanbelang leden de opstandelingen bij Bunkershill. Thans was goede raad duur. Wat moest men doen?

In dien dreigenden toestand verscheen een redder in den persoon van den Kwaker, George Washington, die op het tweede Congres, dat de opstandelingen hielden, den tienden Mei 1775, tot Opperbevelhebber over het leger benoemd was geworden. Weinig beroemde mannen zijn er, die zóó de algemeene achting van vriend en vijand genoten hebben, als deze George Washington, eene der beminnelijkste historische figuren uit de achttiende eeuw, de Wilhelm Tell van Amerika. De nederlaag bij Bunkershill had hij niet kunnen beletten, en evenmin kon men hem aansprakelijk stellen voor den noodlottigen winterveldtocht van Montgomery tegen Canada, in November 1775. Zijne heele aandacht was gevestigd op de geduchte toebereidselen, die Engeland maakte om door kracht van wapenen den opstand ineens te onderdrukken. Engeland zond veertigduizend man geoefende troepen, en hiertegen over kon Washington slechts zeventienduizend ongeoefende plaatsen. Washington deed, wat hij kon, maar was aanvankelijk niet gelukkig. Dit belette evenwel niet, dat de opstandelingen minder dan ooit eraan dachten om het hoofd in den schoot te leggen. Integendeel, dertien Staten of Koloniën gingen verder dan ze reeds gegaan waren, en op een nieuw Congres verklaarden ze zich onafhankelijk van Engeland, en namen den naam aan van „Vereenigde Staten van Noord-Amerika.”

Dit gedenkwaardig besluit werd genomen den vierden Juli 1776, en—de eerste Republiek in Amerika was gegrondvest.

Zwaar, ontzaglijk zwaar viel de strijd, maar Washington bezielde alles, zelfs na eene nederlaag, en waar hij in de Koloniën alles deed om de zaak der vrijheid te doen zegevieren, daar was zijn vriend Benjamin Franklin buiten de Koloniën in Europa bezig, om de belangen van de opstandelingen aan het Fransche Hof te bepleiten, en hij deed dit met zulk eene warmte en met zóóveel overleg, dat Koning Lodewijk XVI in 1778 de onafhankelijkheid van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika erkende. Spanje volgde met het sluiten van een handelsverdrag met deze Vereenigde Staten, hetwelk vanzelf de erkenning als Mogendheid inhield, het volgende jaar.

Bij deze erkenning van Frankrijk bleef het niet.

Dit mag ons verbazen van een’ Koning van Frankrijk, doch we moeten niet vergeten, dat Koning Lodewijk XVI gedreven werd door den wil van het Fransche volk, dat doortrokken was van Rousseau’s leer over de onschendbare rechten van den mensch. Er heerschte in Frankrijk een zelfde geest van verzet, als in de oproerige Engelsche Koloniën, zoodat Koning Lodewijk genoodzaakt was te doen, wat met zijne beginselen streed.

Den tienden Juli 1780 stapte een Fransch hulpleger van zesduizend man op Rhode Island aan wal, om tegen de Engelschen op te trekken. Generaal Rochambeau, die de Fransche troepen aanvoerde, stelde Washington bovendien nog eene som van zestien millioen livres terhand, welke ten deele door het Fransche volk geschonken, tendeele geleend werden.

Stonden de zaken van Engeland al hopeloos vóór de Franschen hulp zonden, nu zag ieder verstandig mensch terstond in, dat de Koloniën onherroepelijk voor Engeland verloren waren.

Alleen Koning George wilde dat niet zien, en hield met eene hoofdigheid, die het Rijk op millioenen ponden sterling te staan kwam, den strijd nog anderhalf jaar vol, en men ging pas tot onderhandelingen met de opstandelingen over toen een vrijzinnig Ministerie „Rockingham-Shelburne” aan het roer kwam. Den dertigsten November 1782 kwam er een verdrag tot stand, waarbij Engeland voorloopig de onafhankelijkheid van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika erkende. Voor goed werd die onafhankelijkheid erkend bij den vrede van Versailles in 1783.

Het was onmogelijk om in een boek van dit bestek waarin zoovele gebeurtenissen moesten opgenomen en geschetst worden, over dezen vrijheidsoorlog breedvoeriger te zijn. Deze oorlog is waard om door ieder uitgebreider gelezen te worden, al ware het alleen om de twee groote en schoone figuren, George Washington en Benjamin Franklin, in hunne volle kracht te leeren kennen.

Geen wonder was het, dat de Vereenigde Staten, nu ze eenmaal, en zelfs door Engeland, erkend waren, de handen ineen sloegen tot het ontwerpen eener Constitutie, en toen volgens de bepalingen dezer Constitutie een President moest gekozen worden, verbaasde niemand zich, dat George Washington de uitverkorene was. Dat men verder de stad, waar de zetel der Regeering gevestigd werd, „Washington” noemde, is verklaarbaar voor iedereen, die gaarne aanneemt, dat dankbaarheid geene vreemdelinge in de Vereenigde Staten is.—

De verschoonbare geest van verzet tegen de Europeesche Souvereinen heerschte evenwel niet uitsluitend in de Engelsche Koloniën van Noord-Amerika. Die geest doorreisde de heele Nieuwe Wereld, en gaandeweg verklaarde, op het voorbeeld der Vereenigde Staten, de eene Spaansche Kolonie na de andere zich onafhankelijk.

De geschiedenis van al die nieuwe Republieken te verhalen is ondoenlijk, en wij willen volstaan met alleen eene opgaaf te doen van de jaren waarin ze ontstonden.

Peru verklaarde zich onafhankelijk en werd eene Republiek in 1824; Chili had zichzelf reeds in 1818 vrijgemaakt en tot Republiek verklaard. Mejico was in 1824 eene Republiek geworden. Wat de andere Republieken betreft, valt dit zeer moeielijk te zeggen, want geene kaart waarop de staatkundige indeeling der landen afgebeeld is, onderging zoovele malen eene verandering, als die van Middel-Amerika.

Van de Republiek Mejico dient evenwel nog wat vermeld.

Keizer Napoleon III, die eenmaal President van de Fransche Republiek was, maar die zich tot Keizer van Frankrijk had weten te verheffen, kon met geene goede oogen eene Republiek aanzien, en trachtte met de verwikkelingen, die voortdurend in Mejico heerschten, zijn voordeel te doen. Zich verbonden hebbende met een deel ontevreden Mejicanen, zond hij, onder Bazaine, een Fransch leger naar het voormalige Azteken-rijk en weldra was een groot deel van dat land veroverd. Nu wist Keizer Napoleon een’ broeder van den Keizer van Oostenrijk te bewegen om, aanvankelijk onder het protectoraat van Frankrijk, Keizer van Mejico te worden. Deze Aartshertog heette Maximiliaan en hij was een innemend, vriendelijk en zachtmoedig man. Als zoodanig was hij reeds ongeschikt om de Mejicaansche Keizerskroon te dragen. Zij werd hem eene smartelijke doornenkroon, en na haar drie jaar gedragen te hebben, kreeg de partij der revolutie de overhand, omdat Frankrijk zijn’ beschermeling zoo goed als aan zijn lot overliet, en de arme Keizer werd den negentienden Juni 1867 gefusilleerd. Na dien tijd is zijne ongelukkige Gemalin, Keizerin Charlotte, eene zuster van Koning Leopold II van België, krankzinnig.

Merkwaardig is het, dat na de ontdekking van de Nieuwe Wereld en den ondergang der oorspronkelijke Monarchale Rijken, in heel Amerika slechts twee Keizerrijken geweest zijn, door Christen-keizers bestuurd. Beiden werden het nog niet eens door vrije keuze, doch door een’ samenloop van omstandigheden.

Het Keizerrijk Mejico onder Maximiliaan hield zich slechts drie jaar stand; vele jaren langer bleef het Keizerrijk Brazilië bestaan.

Nadat de W. I. Compagnie dit land aan Portugal verkocht had, bleef het ook in het bezit van dat Rijk, doch toen Keizer Napoleon I in 1808 het Portugeesche Koningshof tot wijken dwong, verlegde dit den zetel der Portugeesche Regeering van Lissabon naar Rio de Janeiro, de hoofdstad van de Kolonie Brazilië.

De komst van de Vorstelijke familie was voor de Kolonie, die bijna altijd in kwijnenden toestand verkeerd had, van groote beteekenis. Er ontstond een heel nieuw leven, want vele voorname Portugeezen, die in Brazilië bezittingen hadden, maar nimmer, zoo lang ze in Portugal vrij leven konden, er aan gedacht hadden om op die bezittingen te gaan wonen, kwamen nu ook in Brazilië, dat eensklaps van Kolonie in een Koninkrijk Portugal veranderd was, want over het Europeesche Portugal had Koning Johan tijdens de Fransche overheersching natuurlijk niets te zeggen. Toch bleef het land Brazilië heeten, zelfs toen Koning Johan het in 1815 tot een Koninkrijk verhief, dat evenwel afhankelijk zou zijn van het inmiddels herstelde Koninkrijk Portugal. De Brazilianen wilden echter meer, en toen Koning Johan in 1821 naar Lissabon terugkeerde, hield men niet op, of de Kroonprins Dom Pedro moest, als Koning, achterblijven. Koning Johan gaf toe, doch eenmaal weer in Lissabon zijnde, zond hij Dom Pedro bevel om naar Portugal te komen. De Brazilianen echter meldden den Koning, dat men, als dit bevel gehoorzaamd werd, terstond na het vertrek van Dom Pedro, de Republiek zou uitroepen.

Dom Pedro besloot nu te blijven, doch verkeerde in het moeielijke geval van heel dikwijls besluiten te moeten nemen welke lijnrecht indruischten tegen de belangen zijns Vaders. De Cortes-vergadering,—wij zouden zulk eene vergadering „Tweede Kamer” noemen,—ging inmiddels steeds verder, en in 1822 verklaarde zij het Koninkrijk Brazilië onafhankelijk van Portugal onder de regeering van Dom Pedro, die met zijne Gemalin tot Keizer en Keizerin van Brazilië uitgeroepen werd. In 1825 erkende de Koning van Portugal het Keizerrijk Brazilië, doch het geleek er niet naar, dat de Brazilianen nu tevreden waren. In 1831 zag Keizer Dom Pedro zich genoodzaakt afstand van de regeering te doen ten behoeve van zijn’ zoon, die hem onder den naam van Dom Pedro II opvolgde, doch onder voogdijschap, want hij was pas vijf jaar oud. Thans echter is Brazilië ook eene Republiek. Dom Pedro II heeft jaren lang de Braziliaansche Keizerskroon gedragen, en alleen door zijn buitengewoon helder verstand, maar vooral door zijn vriendelijk en innemend karakter, kon hij zich op den troon staande houden. Zijne langdurige regeering was echter een even langdurige strijd van de Monarchale tegen de Republikeinsche beginselen, en het einde was, dat hij in 1889, door een’ opstand, gedwongen werd om afstand van de regeering te doen. Daar zijn eenig kind, de Infante Isabella, gehuwd met Hertog Lodewijk van Orleans, Graaf van Eu, verre van bemind was, zoo dacht hij er niet aan, ten behoeve van haar afstand te doen. Hij verliet, zonder dat iemand hem eenige moeielijkheden in den weg legde, zijn Rijk en vertrok naar Europa, en oogenblikkelijk werd nu in Rio de Janeiro de Braziliaansche Republiek uitgeroepen.

Thans telt heel Amerika van Noord tot Zuid geene enkele Monarchie meer; Amerika is het werelddeel der Republieken.


HOOFDSTUK XIV.


NA VIER EEUWEN.

Het jaar 1892 is een jaar van feesten waaraan de geheele beschaafde wereld deelneemt.

Genua huldigt zijn’ grooten zoon en Spanje viert schitterend feest ter eere van zijn’ grooten ontdekker.

Christophorus Columbus is de man van 1892.

Wie met zijn’ tijd medeleeft, en wie dit boek en nog veel meer andere boeken over hem en zijne ontdekking gelezen heeft, vraagt niet meer „waarom?” want hij weet het, en stellig stemt hij in met het kernachtige onderschrift van de plaat in „De Nederlandsche Spectator” van den dertienden Augustus van dit jaar: