Hij zeilde den achtsten Juli 1497 uit, doch ook deze tijd had beter kunnen zijn, evenals die van Diaz, want kort na het vertrek hadden de schepen, die met honderdzestig koppen bemand, en zeer goed bewapend waren, met tegenwind te kampen, ja, het duurde niet lang, of ook zij werden door stormen aangegrepen, en buitengewoon ver uit den koers geslagen. Hij kwam zelfs zóó ver het Westen in, dat enkele geschiedschrijvers niet alleen melden, dat hij Brazilië ontdekte, maar dat hij het zelfs op de gebruikelijke wijze voor zijn’ Koning in bezit nam.
Na een’ moeielijken tocht vol gevaren, die het volk alweer bewogen om oproerig te worden, kwamen de schepen eindelijk aan Kaap de Goede Hoop aan, en—den twintigsten November 1497 had men Afrika omgezeild, en kon men den koers noordelijk richten.
Merkwaardig was deze reis in alle opzichten, want welk eene verbazende uitgestrektheid lands bracht men nu niet aan de kroon van Portugal! Wat maakte men niet al kennis met voortbrengselen van allerlei aard, voortbrengselen, die uitmuntten door hunne hooge waarde, en voortbrengselen, die zich vooral kenmerkten door de buitengewone voordeeligheid in de dagelijksche samenleving.
Merkwaardig was deze reis vooral, omdat men thans de Indiën bereiken zou langs een’ heel anderen weg dan de Spanjaarden. En door schepen, die Portugal reeds aan de kusten der Roode Zee had laten uitrusten, was men verzekerd geworden, dat de rijke Indiën dáár lagen, waarheen men den koers richtte. Die wetenschap gaf zelfs den morrenden matroos moed, en den twintigsten Mei 1498 liet de moedige en volhardende Admiraal het anker vallen voor de groote en rijke handelsstad Calicoet in Voor-Indië.
Gaarne zouden wij deze reis zoo uitvoerig beschreven hebben, als zij het verdient, maar wij moeten naar Europa terug om te vernemen, wat daar is voorgevallen met de Spanjaarden, die reeds zes jaren vroeger, zooals zij meenden, de Indiën gevonden hadden.
DE DAGERAAD DER NIEUWE GESCHIEDENIS.
In het vorige hoofdstuk spraken we met een paar woorden van zekeren Martinus Behaim, die te Lissabon vertoefde, en daar door den Koning, om zijne vele verdiensten tot Ridder geslagen werd, terwijl hij tevens zitting kreeg in de Junta, die eene nieuwe sterrenkaart ontwerpen zou.
Met opzet verzuimden we te melden met wien de Koning onzen Behaim daar in kennis bracht, daar we den naam van één’ man nog niet wilden noemen, omdat de noodzakelijkheid zou medegebracht hebben dan ook een en ander van hem te zeggen. Nu we echter gereed staan om van dezen man zeer veel mede te deelen, kunnen we zeggen wie er door den Koning aan Behaim voorgesteld werd.
Die man was Christophorus Columbus.
Er zijn zoo enkele personen in de geschiedenis, van wien bijna ieder mensch wat gehoord heeft, en al brengen grondige nasporingen en nauwgezet onderzoek ook al aan het licht, dat men den bewusten persoon te veel verheerlijkt heeft, en dat hij veel minder deed dan men geleerd had, toch wischt al het water van de zee zijne daden niet uit, welke van hem in het boek der geschiedenis staan aangeteekend, en geene reuzenmacht is instaat den invloed te keeren, door hem op de geheele wereldgeschiedenis uitgeoefend.
Zulk een man was Christophorus Columbus, de ontdekker van Amerika, of, zooals we uit de reizen der Noormannen gelezen hebben, de weder-ontdekker van dat werelddeel.
Het zal iedereen wel eens opgevallen zijn, dat men van de jeugd van de meeste beroemde mannen zoo weinig zekers weet mede te deelen. Dit is echter zeer natuurlijk. Van Vorstenkinderen weten we vooraf, dat ze, als volwassenen, reeds door geboorte zoowel als door afkomst, zich boven alle andere menschen zullen verheffen, al maken zij zich ook niet door hunne daden beroemd. Heel anders is dat met een kind, wiens Ouders tot de gewone burgers of volksklasse behooren. Dat kind leeft geheel met andere kinderen mede, en niemand denkt er aan om aanteekeningen van zijne jeugd te maken, ten einde later in de gelegenheid te zijn, om eene volledige levensbeschrijving te kunnen geven.
Een kind zulk eene opleiding geven, dat het een beroemd man moet worden, is ten eenenmale onmogelijk, want het karakter en de aanleg van het kind, benevens de omstandigheden waaronder het opgroeit, hebben een’ beslissenden invloed. Geene duizend Professoren waren instaat, Piet Hein er toe te brengen, dat hij de Spaansche Zilvervloot nam, dat De Ruyter den Vierdaagschen Zeeslag won, dat Rembrandt zijne „Anatomische les” wist te scheppen, dat Cromwell een’ Koning op het schavot kon brengen, dat Washington de machtigste Republiek der Nieuwe Geschiedenis grondvestte, en dat Napoleon zich eene Keizerskroon op het hoofd drukte.
Nu is het met Columbus op dezelfde wijze gegaan, als met al de beroemde mannen hier zoo even genoemd. Van de kinderjaren weten we van hem zelfs nog minder, want nog altijd zoekt men naar het jaar en de plaats zijner geboorte.
Als geboortejaren van Columbus worden vermeld 1435, 1436, 1446, 1447 en 1456. De meeste schrijvers van onzen tijd houden het er voor, dat hij omstreeks 1446 geboren werd. Als zijne geboorteplaats noemt men meestal Genua, doch zonder hieromtrent eenige zekerheid te kunnen bijbrengen. De beroemde Engelsche geschiedschrijver William Robertson zegt eenvoudig, dat hij „een onderdaan uit het Gemeenebest Genua” was. Anderen zoeken zijne geboorteplaats op Corsica. De Spanjaarden, die hem haatten, gaven hem den scheldnaam van „Liguriër”, en daar Genua in de landstreek ligt, die oudtijds Liguria heette, zou men lichtelijk er toe kunnen overgaan, te gelooven, dat de Spanjaarden hem althans voor iemand hielden, die in Genua geboren was. Maar die scheldnaam is ook al geen bewijs, want het eiland Corsica, dat door de Genueezen veroverd werd, schijnt ten tijde der Romeinen, en ook nog later, door Liguriërs bewoond geweest te zijn.—Robertson echter, die geene plaats, maar alleen een land noemt, houdt zich stellig het dichtst bij de waarheid, want dat schijnt dan toch onomstootelijk waar te zijn, dat de beroemde man in het gebied van Genua geboren werd. Hij was dus een Genuees, en heeft bovendien in de stad Genua gewoond.
Zijne Ouders?
Robertson deelt mede, dat hij afstamde van een’ aanzienlijk geslacht, dat tot armoede vervallen was.
Washington Irving zegt, dat Fernando, een zoon van Columbus, schreef: „Het zou naar mijne meening voor mij niet zoo vereerend zijn, wanneer mijne Voorouders tot een adellijk geslacht behoorden, dan dat ik de zoon van zulk een’ Vader ben.”
Irving zelf beweert: „Columbus’ Vader was een wolkammer, die geruimen tijd in de stad Genua heeft gewoond.”
Columbus zelf heeft echter gezegd, zoo lees ik bij een Duitsch schrijver van onzen tijd: „Men mag mij eene afkomst geven, welke men wil. David was eenmaal schaapherder, en ik ben een dienaar van denzelfden God, die hem tot den troon verhief. Of mijn stamboom adellijk of niet adellijk is, daarop komt het al heel weinig aan. Genoeg, mijn bloedverwant of Stamvader Columbus stamde met mij van de oudste familiën der aarde af, en zonder mij te bedenken, durf ik mijn’ stamboom bij Adam beginnen.”
Winkler Prins zegt in zijne Encyclopædie, dat hij een bloedverwant van Admiraal Domenico Columbus was, doch als we lezen, dat een kleinzoon van Admiraal Piet Hein aan den Amsterdamschen Magistraat zich bekend maakte, als een „spellebaas”, die om een plaatsje voor zijne tent vroeg, dan zegt de bloedverwantschap van Admiraal Columbus al heel weinig. Admiraal de Ruyter, die als Hertog stierf, kan wel neven gehad hebben, die in lompen door ’s heeren straten gingen.
Maar wat doet die afkomst er ook toe? Als een bierdragers-jongen een’ Vierdaagschen Zeeslag kon winnen, dan kon ook een wolkammers-zoon wel een werelddeel ontdekken.
„Gij zijt van geene edele afkomst,” duwde een trotsch en zeer voornaam Athener den wijsgeer Socrates toe.
„Daarom verdien ik ook meer eer,” antwoordde Socrates „omdat mijn adeldom bij mijzelven begint.”
Ook Columbus had zulk een fier, maar hooghartig antwoord kunnen geven.
Maar zijn naam? Hoe heette hij toch?
Als Italiaan heette hij Colombo; de Spanjaarden zett’en zijn’ naam in hunne taal over, en noemden hem Colon; waar men zijn’ familie-naam in de Latijnsche taal gebruikt, heet hij Columbus, en wanneer hij een Nederlander van geboorte was, zou zijn familie-naam „Duif” zijn.
Ook zijn voornaam wordt verschillend geschreven. Wij, Nederlanders, zouden hem alweer „Stoffel” noemen, wat eene verkorting is van Christoffel. De Latijnsche naam Columbus eischt Christophorus, en de Spaansche naam Colon eischt Christoval. De naam beteekent „Christusdrager”, en zie, dat wenschte de man werkelijk te zijn. Hij wilde niets liever dan als een wereldlijk Missionaris overal het Evangelie verkondigen.
Hoe eenvoudig en arm zijn Vader ook ware, toch gaf deze Christophorus eene zeer goede opvoeding, ja, we zouden haast geneigd zijn te zeggen: hij gaf hem eene opvoeding boven zijn’ stand.
Al heel vroeg toonde de knaap, dat de zee en verre landen hem meer aantrokken dan de eenvoudige wolkammerij des Vaders, en daarom liet deze den jongen onderwijs geven in de Latijnsche taal, en in de wis-, aardrijks-, sterren- en teekenkunst. In het schrijven maakte hij zulke verrassende vorderingen, zegt Las Casas, Bisschop van Chiapas in Mejico, wiens Vader een reisgezel van Columbus was, dat hij, als hij niet op eene andere wijze door de wereld gekomen was, hiermede zijn brood had kunnen verdienen. Zelfs zou hij, volgens denzelfden schrijver, ook instaat geweest zijn om met schilderen, of het geven van onderricht in het rekenen en teekenen zich in het dagelijksch onderhoud te kunnen voorzien. In hoever dit waarheid is, durf ik niet verzekeren. Misschien, dat dankbaarheid hier wel wat overdreef, want Columbus was oorzaak geweest, dat Las Casas te Salamanca kon studeeren.
Behalve onzen Christophorus had Vader Columbus nog twee zoons, Bartholomeus en Giacomo, welke laatste door de Spanjaarden in hunne taal Diego genoemd wordt. Ter eere van onzen Christophorus mag het gezegd worden, dat hij later voor die twee broeders uitnemend zorgde. Ook had hij eene zuster, doch hiervan lezen we niets anders, dan dat ze gehuwd was met een eenvoudig burger, die Giacomo Varello heette.
Dat Christophorus, of, zooals ik hem voortaan liever noem, Columbus, op jeugdigen leeftijd zooveel lust toonde te hebben voor de aardrijkskunde en alle aanverwante vakken, kan niemand bevreemden. De aardrijkskunde was toen de wetenschap bij uitnemendheid, en in alle plaatsen, die zeehandel dreven, en vooral in de kloosters, stond ze zóó hoog aangeschreven, dat vele kloosterlingen van dat vak hunne lievelings-studie maakten. Menig beroemd aardrijkskundige was van beroep wat anders, en vooral onder de Artsen telde men vele beoefenaars van deze wetenschap.
Zoo heel laag stond die wetenschap ook niet meer. Wel bewaarde men eene groote globe, die Behaim te Neurenberg gemaakt had, als een wonderstuk van vernuft, en bevatte ze menige dwaasheid, maar Arabische geleerden, te Sennaar vergaderd, verstonden reeds de kunst om een’ lengtegraad te meten, en op de uitgestrekte vlakten van Mesopotamië berekenden zij den omtrek der aarde. Neemt men hierbij in aanmerking, dat de handelssteden, aan de Middellandsche Zee en in Spanje en Portugal, begrepen, dat haar eigenbelang medebracht om andere handelswegen te zoeken, dan zal ieder het natuurlijk vinden, dat Columbus zoo vroeg mogelijk trachtte, zich in de aardrijkskunde te bekwamen, en het geluk diende hem, dat hij een’ bloedverwant had, die Admiraal was.
Op zijn veertiende jaar ging hij naar zee, en als hij tot dien tijd school gegaan heeft, dan kan hij, want zijn hoofd was buitengewoon helder, als een wel ontwikkeld jongeling aanboord gekomen zijn. Al dadelijk dient echter gezegd, dat zijn eerste Kapitein niet zijn bloedverwant was.
Zijne eerste tochten deed hij in de Middellandsche Zee, doch weldra maakte hij grootere reizen, en niet alleen naar Engeland, misschien ook Antwerpen, maar zelfs naar IJsland, dat toen Thule genoemd werd.
Hoe lang hij daar in het hooge Noorden bleef, is niet bekend, doch de IJslanders van dien tijd waren zeer beschaafde menschen, en stellig zal Columbus daar wel wat vernomen hebben van het fabelachtige „Wijnland”, dat hunne Voorvaderen eenmaal bezocht hadden, doch dat daar nu ver in het Zuiden geheel vergeten lag. Van IJsland werd de reis zelfs nog noordelijker voortgezet, zoodat hij eenige graden over den Noordpool-cirkel kwam. Handelsbelangen kunnen hem daar niet heen gevoerd hebben, zoodat we aannemen mogen, dat deze Noordpool-tocht alleen in het belang der wetenschap, en een gevolg van de Pauselijke bul aan Portugal was.
Van die groote reis teruggekeerd, trad hij in dienst van zijn’ bloedverwant, den Admiraal Columbus, die evenwel alweer niet veel verder kwam dan de Middellandsche Zee, om de Genueesche koopvaarders tegen de Venetianen en de Noordafrikaansche of Barbarijsche zeeroovers te beschermen.
Eens echter bevond hij zich met de vloot in de Spaansche Zee, in de nabijheid van de Portugeesche kust. Daar raakte men met eenige Venetiaansche schepen, die uit Nederland kwamen, slaags. Columbus gedroeg zich dapper, doch zijn schip werd in brand geschoten, en om zijn leven te redden, sprong hij in zee. Met behulp van een losgeslagen roer wist hij de Portugeesche kust te bereiken, en nu hij daar eenmaal was, besloot hij naar Lissabon te gaan, waar hij zeker was, landgenooten te vinden, want door het verloopen van den Genueeschen handel, zochten velen elders hun geluk. Hij bleef daar geruimen tijd, en geraakte in kennis met eene schoone, Felipa Monnis de Palestrello. Haar Vader was een Italiaansch Edelman, die zich te Lissabon gevestigd had. Dat Donna Felipa, niettegenstaande zij eene adellijke Jonkvrouw was, zich zóó tot den Genueeschen zwerver aangetrokken gevoelde, dat zij met hem in het huwelijk trad, is wel verklaarbaar. „Columbus,” zoo zegt Las Casas alweer, „was een lang en kloek gebouwd man, met eene edele en waardige houding. Zijn langwerpig rond gelaat was niet bol, maar eer mager; het had eene heldere kleur, en tusschen de lichtblauwe oogen, die van fierheid glinsterden, had hij een’ schoonen arendsneus. Wat hem vooral van zijne landgenooten onderscheidde, was, dat hij blond hoofdhaar had, dat in rijke lokken zijn sprekend gelaat omlijstte.” Als eene groote bijzonderheid merkt dezelfde schrijver aan, dat „de zorgen des levens en eene gestadige studie hem op zijn dertigste jaar reeds geheel grijs deden zijn.” Indien dit waar is, dan zullen de zorgen des levens hiervan wel niet de oorzaak geweest zijn, want tot op den dag van zijn huwelijk kon hij waarlijk niet klagen, dat zijn leven zoo stormachtig en onrustig was. Alleen de gedwongen zeereis op een drijvend scheepsroer, was het ergste, wat hem wedervaren was, doch dit was voor een goed zeeman toch geene reden, om het zich zóó aan te trekken, dat hij wit werd als eene duif. Eer is het te denken, dat èn zijn naam „Duif”, èn zijn blond haar, door de zuidelijke zwartharigen met elkander in verband gebracht zijn, en dat de „blonde Columbus”, heel dichterlijk, „wit als eene blanke duif” zal genoemd zijn.
Na het overlijden van zijn’ Schoonvader kwam Columbus in het bezit van eene plantage op het eiland Porto-Santo. Hij vestigde er zich metterwoon, en het scheen dus, dat hij als een eerzaam planter zijn leven zou eindigen, zonder dat hij nog nieuwe zeereizen gedaan had. Dit scheen echter maar zoo, want het verbouwen van suikerriet en wijnstokken, in eene aangename luchtstreek, op een vruchtbaar eiland, mocht anderen aantrekken en behagen, Columbus was er de man niet voor, om in zulke landelijke bezigheden zijn genoegen te vinden.
Dikwijls liep hij langs de kust van zijn betrekkelijk klein eiland, en meestal vergenoegde hij zich niet uitsluitend met het gezicht op het heerlijke Madeira, dat hij heel in de verte, als eene nevelstreep, kon zien liggen. Hij woonde hier aan het uiterste einde der wereld, zeide men. En daar ginder in het verre Westen, achter de plaats waar de zon onderging, was het land of de zee der eeuwige duisternis. Ja, dat had men hem ook geleerd, maar, was het wel zoo? Zag men, als men in de Middellandsche Zee was, ook niet de zon ondergaan in de golven van dezelfde zee? En wanneer men op eene groote vlakte stond, zag men dan de zon ook niet ondergaan op dezelfde vlakte? En lag er achter de avondplek der Middellandsche Zee, of achter de avondplek van de vlakte, niet nog menige streek waar het toch niet duister was, en waar men morgen en avond had, evenals te Genua, te Alexandrië, te Lissabon, en hier op het afgelegen Porto-Santo? Bevond de mensch zich niet altijd in het middelpunt van een’ cirkel, en was de afstand van de plaats waar hij zich bevond tot de morgenplek, niet even groot, als die tot de avondplek? Was er niet iets, iets, nu ja, iets dat men gezichts-einder noemt? En—de aarde was rond. Velen, en daaronder groote geleerden, noemden dien ronden vorm der aarde eene hersenschim, maar Thales van Milete had twintig eeuwen geleden toch al geleerd, dat de aarde rond was, en de beroemde Florentijner Arts, Paolo Toscanelli, had immers duidelijk bewezen, dat Behaims globe wel niet goed geteekend was, maar dat er aan den vorm, dien hij aan de aarde gaf, niets ontbrak! Had niet diezelfde Toscanelli verklaard, dat het vaste land der aarde veel breeder was dan de zee, die ten Westen van Europa en Afrika lag, en het vasteland doorsneed? Was dat zoo, wat zochten de Portugeezen dan een’ langen zeeweg naar de Indiën om Afrika’s zuidpunt heen? Die weg moest toch veel langer zijn, dan die door het Westen? En áls de aarde rond was, en hij was overtuigd, dát ze het was, welnu, dan moest men óók in de Indiën komen, als men steeds westelijk voer. Dat kon niet anders.
Maar, had die Toscanelli wel gelijk? Was langs de zee de afstand tusschen Europa en Afrika aan de eene, en Azië, met het reusachtig groote rijk Kataï, benevens Zipangu, aan den anderen kant, wel zoo gering? Was die weg niet veel langer?
Zoo dacht en peinsde de planter Columbus, als hij van zijn eiland af, in westelijke richting zijne blikken langs den uitgestrekten Oceaan liet gaan.
Een schipper, die wat ver het westen ingezeild was, zoo vertelde men, had, midden in zee, een kunstig besneden stuk hout opgevischt. Vanwaar was dat gekomen, en waar woonde de man, die dit hout bewerkt had?
Op Madeira’s en Porto-Santo’s westkust, had men menigmaal ongemeen zwaar riet zien aandrijven. Vanwaar kwam dat?
Een ander had hem verteld, dat er zelfs wel eens heele boomen aandreven. Dit verbaasde Columbus niet, want op Thule en in de Noordelijke IJszee had hij zoo menigmaal drijfhout gezien. De stroomingen der zee, ook dat had hij ondervonden, liepen niet steeds in dezelfde richting, zoodat een stuk hout, een boom of een riet, al eene heel vreemde reis langs het water konden gedaan hebben, eer ze hier op de kusten aanspoelden.
Daar kwam zijn Zwager Dom Pedro Correa, die ook op Porto-Santo woonde, hem een besneden stuk hout brengen, hetwelk hij op de westkust van het eiland gevonden had.
Het was merkwaardig, dat toch alles op die westkust aankwam,—zeer merkwaardig. En dat hij hier te doen had met het werk van eene geoefende hand, dat bewezen de kunstige figuren en lijnen. Dat moest het werk zijn van een bewoner van Kataï of van de Indiën. Hij had immers de reisbeschrijvingen van Marco Polo niet gelezen, maar verslonden, en wist dus op welk een’ hoogen trap van beschaving die volken stonden!
Een nieuw gerucht kwam onzen peinzenden planter ter oore. Er waren op de westkust van Madeira twee menschenlijken aangespoeld.
Matrozen van een Europeesch vaartuig waren het niet, en evenmin waren het negers van Afrika’s westkust. Geel als de Tataren of Mongolen waren ze ook niet, en evenmin blauwachtig als de Indiërs. Ze hadden lange, sluike, zwarte haren, en hun gelaat en hunne huid waren roodachtig of koperkleurig geverfd.
Alweer en alweer maar die westkust, en nu geen stuk gesneden hout, geen boomstam, geen riet, neen, menschenlijken, en dan nog wel lijken met vreemdgeverfde huid en vreemde hoofdharen!
Wat moest hij ervan denken?
Zou dan soms het verhaal van dien Plato niet maar zoo eene phantasie van den dichter geweest zijn? Vertelde hij niet van een eiland „Atlantis”, grooter dan Azië en Afrika samen? De goden hadden dat eiland verdelgd, luidde het verhaal, maar hier en daar waren er toch nog eilandjes overgebleven.
Was dan Plato’s verhaal wel enkel verdichting, en waren die lijken niet afkomstig van afstammelingen van de bewoners van dat eiland „Atlantis”? En was dit eiland „Atlantis” wellicht niet hetzelfde, als het groote „Goudland”, waarvan Marco Polo vertelde, dat het ten Oosten van Kataï lag, en Zipangu heette?
Al deze vragen bestormden den planter van Porto-Santo, en ze lieten hem nimmer met rust. Ze vervolgden hem overal, des daags bij het werk, des nachts in den droom.
Ten slotte kwam hij er toe, om op al die vragen slechts één antwoord te geven, een antwoord vol overtuiging: „Daar in het Westen liggen de Indiën, en ze liggen dichter bij dan men vermoedt.”
Hij kon niet langer het kalme en eentonige plantersleven op zijn afgelegen eiland blijven leiden. Hij moest, of hij wilde of niet, dien westelijken tocht naar de Indiën gaan maken.
Maar hoe? Aan zulk eene onderneming waren verbazend groote kosten verbonden, en hijzelf had slechts over zeer beperkte middelen te beschikken. Het was ook geene onderneming voor één’ man, maar voor een volk.
Hij dacht aan zijn geliefd Genua, hoe machtig het eens was, en hoe vervallen nu. Maar rijkdommen waren er toch nog te vinden, en hoe zou hij zich verheugen, als hij dat geliefde Genua weer eens tot vroegeren luister brengen kon! Vroegeren luister? Dwaasheid! Als hij den Genueezen den westelijken weg naar de Indiën wees, en men kreeg dan van den Paus dezelfde voorrechten voor het Westen, die Prins Hendrik voor Portugal in Afrika voor het Oosten verkregen had, dan zou Genua’s voormalige grootheid niet in de schaduw kunnen staan van de grootheid, die haar binnen luttelen tijd wachtte.
Bezield met dit heerlijke denkbeeld verliet Columbus zijne plantage en zijn eiland, en begaf zich naar Genua, waar bijna niemand den zwerver meer kende. Hij zocht de rijkste kooplieden op, doch dezen waagden het niet, om aan een plan, dat in de lucht hing, als het dichterlijkste luchtkasteel, zooveel geld te besteden. De Regeering van Genua had er nog minder ooren naar. Men mocht immers het Gemeenebest, dat toch al zoo verarmd was, geene grootere lasten opleggen, om een’ avonturier in de gelegenheid te stellen, eene hersenschim na te jagen?
Helaas, de achteruitgang van den handel had Genua’s oude veerkracht verlamd, haar’ ondernemingsgeest gedood. Columbus bleef aan doovemans-deuren kloppen; niemand deed hem open.
Columbus was vervuld van bitterheid, en wij, die nu leven, en weten welk een prachtig werelddeel Amerika is, wij lachen misschien om de domheid der Genueezen, en van allen, die later geene ooren hadden voor Columbus’ voorstel. Toch, ik mag het niet verzwijgen, verraadt ons lachen juist onze domheid, en de ontdekking van Amerika is een bewijs, dat Columbus’ tegenstanders groot gelijk hadden, met hem op wetenschappelijke gronden te bewijzen, dat hij niets anders dan eene hersenschim najoeg. Columbus moge een oogenblik gedacht hebben aan een eiland „Atlantis”,—aan een eiland, dat grooter was dan Azië en Afrika samen, geloofde hij niet; hij bracht Plato’s eiland slechts in verband met de Indiën, Kataï en Zipangu, en zijne grootste fout was wel deze, dat hij aan den Oceaan, die de Indiën van Europa scheidde, slechts honderdtwintig graden breedte gaf. De geleerden, die Columbus’ tegenstanders waren, geloofden niet aan die geringe breedte, en ze beweerden, dat Toscanelli in zijne voorstellingen volkomen onwaar was, en dat die afstand veel, zeer veel grooter was.
En hadden ze ongelijk?
Wanneer we de globe voor ons nemen, dan zien wij, dat de afstand tusschen het vasteland van Europa en dat van Azië nog meer dan tweehonderdvijfentwintig graden is. De tegenstanders hadden derhalve gelijk.
Ik geef terstond toe, dat de tegenstrevende geleerden dit ook niet zoo precies wisten, maar Columbus vergiste zich, door Toscanelli’s uitspraken, deerlijk, zoodat de partijen volkomen gelijk stonden, en Columbus het niet beter wist dan zijne tegenstanders. Had Columbus Amerika niet ontdekt, ware dat werelddeel er niet geweest, hij en de zijnen zouden op hunne westelijke vaart ongetwijfeld omgekomen zijn, eer Azië bereikt was.
Columbus’ fout is vereeuwigd in den naam van de eilanden van Amerika, welke „West-Indië” genoemd worden. Zijne fout is ook vereeuwigd in den naam der oorspronkelijke inwoners van Amerika. Men noemt hen immers, altijd nog, volgens hem, „Indianen”?
Ik voer dit alles niet aan om Columbus’ roem te verkleinen, want hij was een groot, een ondernemend man, doch men plaatse hem niet op den top van een „Wijsheids-berg”, en geve aan zijne tegenstanders geene plaats op den diepen bodem van den „Domheids-afgrond”. Columbus en zijne tegenstanders zijn daar geheel misplaatst.
Ze staan samen even hoog, doch hij met, en de anderen zonder eenige energie.
In Genua geen gehoor vindend, besloot Columbus zich te wenden tot de Portugeezen. Hij kende den koenen ondernemingsgeest van dat volk, en hij wist ook, hoe hun Koning, Johan II, geene gelegenheid liet voorbijgaan om de ontdekkingstochten uit te breiden. Daar zou men zijn plan niet afwijzen; daar zou men zijne voorstelling geene hersenschim noemen.
Gewapend met Toscanelli’s aanbeveling, begaf hij zich naar het Portugeesche Hof, en ontmoette waarschijnlijk in die dagen aldaar Martinus Behaim, den man, die bij den Koning zoo hoog aangeschreven stond.
Tot zijne verbazing, vond zijn plan bij den Koning niet dien bijval, welken hij gewacht had.
Het is natuurlijk ook; want al valt het moeielijk te bepalen, in welk jaar Columbus met zijne plannen in Lissabon kwam, wij weten toch, dat hij daar Behaim leerde kennen, en dat Koning Johan dezen aanstelde tot lid van den Raad, die eene nieuwe sterrenkaart ontwerpen moest. De Portugeezen hadden in Afrika derhalve de Linie al overschreden, en den Congo zelfs reeds bereikt, zoodat men meende nu goed op weg te zijn, om langs de ontdekte wateren in de Indiën te komen. De kansen stonden goed, waarom nu nog nieuwe onkosten te maken voor een ander plan, dat nog geheel in de lucht hing?
Toch was de Koning verstandig genoeg, om zelf geene beslissing in die zaak te nemen, hoewel hij door het schrijven van aardrijkskundige en sterrenkundige werken bewijzen had gegeven, dat het hem aan geene bekwaamheden ontbrak. Niemand zou hem dan ook van verwaandheid beschuldigd hebben, zoo hij in deze zaak beslissend opgetreden was.
De Koning gevoelde echter, dat de zaak zeer gewichtig was, en beschouwde hij den Genuees nu ook al als een soort van dweper, toch had diezelfde man steun in den beroemden Toscanelli, die, jaren geleden, aan den geleerden Kanunnik Ferdinand Martinez van Lissabon zijne zeekaart van den Oceaan tusschen Europa en Azië gezonden had. En bij deze kaart was een brief, die luidde:
„Aan den Kanunnik Ferdinand Martinez te Lissabon, zendt de Natuurkundige Paolo Toscanelli zijn’ groet.
„Het bericht, dat ik ontving van uw’ vertrouwelijken omgang met Zijne Majesteit den Koning, was mij des te aangenamer, omdat ik u reeds vroeger gesproken heb over een’ korteren weg naar de Specerij-landen, dan die is, welke langs Guinea leidt. De Koning begeert nu van mij eene meer overtuigende opheldering, zoodat zelfs de eenvoudigste man instaat is, ze te begrijpen. Hoewel ik weet, dat men dit door een’ bol, die de aarde voorstelt, duidelijk aantoonen kan, zoo heb ik, omdat er minder kennis voor noodig en minder moeite aan verbonden is, besloten, dezen weg door eene kaart duidelijk voor te stellen. Ik zend daarom aan Zijne Majesteit eene kaart, die ik zelf ontworpen en geteekend heb. Op die kaart vindt ge nauwkeurig aangegeven al uwe kusten en eilanden, vanwaar de weg begint, welken men altijd in de richting naar de avondzijde des hemels volgen moet, benevens de landen, waar men dan zal aankomen. Verder is er op aangewezen, hoever men van de Pool en van den Evenaar afwijken moet, terwijl ook in mijlen de afstanden bepaald zijn om te komen in die landen, welke zulk een’ onuitputtelijken voorraad van edelgesteenten en specerijen bezitten. Verwonder er u niet over, dat ik die landen „Westelijk gebied” noem, daar men de „Specerij-landen” altijd beschouwt als „Oostelijk” gelegen. Ik doe dat uit overtuiging, dat men ook door eene westelijke vaart vinden zal, wat men voortdurend oostelijk zoekt. Derhalve beduiden de lijnen, die ik op de kaart rechtuit van het Oosten naar het Westen teekende, den afstand, terwijl daarentegen de transversale (overdwarse) lijnen, den afstand van het Zuiden naar het Noorden aanwijzen. Ik heb op de kaart verscheidene landen geteekend, waar men, volgens de nauwkeurigste berichten, welke de reizigers ons verschaft hebben, komen kan, al is het ook, dat men door tegenwind of andere omstandigheden, in eene geheel andere streek komt, dan die, welke men zich voorgesteld had. Ik deed het ook, om den inwoners te toonen, dat de zeevaarders, die langs dezen weg komen, reeds met hun land bekend waren, eene omstandigheid, welke hun aangenaam zijn moet. Op die eilanden wonen evenwel geene andere menschen dan kooplieden. Men verzekert, dat alleen in de haven van Zaïton zulk eene groote menigte koopvaardijschepen is, dat er meer zijn, dan op al de overige deelen der wereld te zamen. Men beweert, dat jaarlijks uit de genoemde haven meer dan honderd schepen vertrekken, welke met peper geladen zijn, en dan komen er nog die bij, welke andere specerijen vervoeren. Dat land is dicht bewoond, en bevat zeer vele provinciën, staten en tallooze steden. Het staat onder het bestuur van een’ Vorst, die tot titel heeft „Groot-Khan”, wat hetzelfde beteekent als: „Koning der Koningen”. Meestal houdt hij zich op in zijne residentie, die in de provincie Kataï gelegen is. Zijne Voorvaderen wenschten met de Christenen in onderling verkeer te komen, en reeds voor tweehonderd jaar vroegen ze den Paus om geleerden, die hun onderricht in de Christelijke leer konden geven. Die geleerden ontmoetten evenwel op hunne reis zooveel moeielijkheden, dat ze terugkeerden. Ook ten tijde van Paus Eugenius”—(Paus Eugenius IV van 1431 tot 1447)—„kwam een Afgezant van den Groot-Khan binnen Rome, en bevestigde de welwillendheid van den Vorst jegens de Christenen. Ikzelf heb met dien Gezant een langdurig gesprek gevoerd over de uitgebreidheid van de Koninklijke paleizen, over de ontzaglijk lange en breede stroomen, en over de menigte steden, die aan hunne oevers liggen. Aan één’ stroom liggen ongeveer tweehonderd steden, en marmeren bruggen, met zuilen versierd, en van eene verbazende lengte en breedte, verbinden in groot aantal de oevers met elkander. Dit land is waard, dat het door de Latijnsche volken opgezocht wordt, en dat niet alleen om de fabelachtige schatten van goud, zilver en allerlei edelgesteenten, die daar gevonden worden, niet alleen ook om den onnoemelijken voorraad van specerijen, maar ook om de vele geleerde mannen, wijsgeeren en sterrenkundigen, die er wonen, en om te zien, met welk eene wijsheid dat land geregeerd wordt, en hoe men er oorlog voert.
„Van Lissabon naar het Westen, in eene rechte lijn tot de prachtige en buitengewoon groote stad Quin-sai, zijn op de kaart zesentwintig ruimten of afstanden aangebracht, en elke ruimte beslaat tweehonderdvijftigduizend roeden.—De stad Quin-sai heeft een’ omtrek van honderdduizend roeden en tien bruggen. De naam „Quin-sai” beduidt: „Stad des Hemels”. Van de menigte der kunstenaars, die men daar vindt, en van de rijkdommen dier stad wordt zóóveel verhaald, dat het aan het ongeloofelijke, ja, aan het wonderbare grenst.—Deze afstand bedraagt ongeveer het derde gedeelte van den heelen omtrek der aarde. De stad Quin-sai ligt in de provincie Mangi, in de nabijheid van Kataï, in welk gewest de Groot-Khan zijne residentie heeft. De afstand van het bekende eiland der oudheid: „Antilia”, naar het beroemde eiland Zipangu bedraagt tien ruimten. Dat eiland Zipangu is buitengewoon rijk aan goud, parelen en edelgesteenten, en met zuiver goud zijn de paleizen en tempels gedekt. Zóó moet men langs onbekende, doch niet lange wegen de ruimte van den Oceaan doorsnijden.
Florence, 25 Juni 1474.”
De brief is niet in’ sierlijken stijl geschreven, en onder het lezen bemerkt men duidelijk, dat de reisbeschrijving van Marco Polo aan onzen Florentijner Arts niet onbekend was. Maar niet om die beschrijving van Quin-sai of Zipangu was het, dat die brief den Koning van zooveel gewicht scheen. Het was om het kernachtige, maar veelzeggende slot: „Zóó moet men langs onbekende, doch niet lange wegen de ruimte van den Oceaan doorsnijden.”
Die uitdrukking: „zóó moet men”, gaf te denken, vooral in 1474, toen men, voor zoover ik heb kunnen nagaan, nog niet tot den Congo gekomen was. Jaren lang was die brief met die kaart in het bezit geweest van den Koning, en als niet Diego Câno doorgedrongen was tot eenige mijlen bezuiden de Linie, en een’ grenssteen geplaatst had aan den zuidelijken oever van den Congo, wellicht dat hij dan tot andere gedachten zou gekomen zijn, en Toscanelli’s raad opgevolgd had. Maar toen Columbus in Lissabon kwam, had Diego Câno zijn’ grenssteen al geplaatst, en het was bewezen, dat Afrika naar het Zuiden steeds smaller werd, zoodat de hoop om Afrika heen te kunnen zeilen, geene hersenschim meer kon genoemd worden, maar veel kans had, vervuld te worden.
Begrijpelijk is het derhalve, dat de Portugeesche Koning het voorstel van Columbus niet met beide handen en terstond aangreep, maar dat hij het in bedenking nam, en aan het oordeel van een’ Raad van geleerden onderwierp.
Dat Columbus veel van Toscanelli gehoord had, weten wij, doch brief en kaart waren hem onbekend. Van den brief nam hij een afschrift en de kaart teekende hij na; het een zoowel als het ander zou hem te pas kunnen komen. Hier in Portugal echter zou hij er niets mede aanvangen.
De Junta of Raad, aan wien de Koning het voorstel van Columbus ter beoordeeling voorlegde, had tot zijn’ Voorzitter den Biechtvader des Konings. Hij heette Diego Ortiz, doch naar de plaats in Spanje, waar hij geboren was, voegde men meestal nog „de Cazadilla” bij zijn’ naam. Hij was bovendien Bisschop van Ceuta, en derhalve een man van invloed, zoowel aan het Hof, als onder de voornaamste Edelen. Twee andere leden van dien Junta waren de geschiedschrijvers Rodrigo en Joseph. Na nauwkeurig en langdurig onderzoek bracht de Junta als zijne meening uit, dat het voorstel van Columbus niet kon of mocht aangenomen worden, daar de wetenschap er tegen opkwam. De Voorzitter ging zelfs nog verder, en wilde, dat de Koning ook de ontdekkingstochten in Afrika niet voortzette, doch hierop vatte Dom Pedro de Meneses, een oud vriend van Prins Hendrik, vuur, en deze wist in eene welsprekende rede den Junta en de Regeering te bewegen, om die ontdekkingen met alle macht en kracht voort te zetten. Men verhaalt ook, dat men Columbus op eene listige wijze wist te bewegen om zijne aanteekeningen en kaarten af te staan, en toen men deze had, rustte men een schip uit, om den weg, door het Westen naar de Indiën, te zoeken. Dit schip bracht het echter niet verder dan eenige mijlen bewesten de Kaap-Verdische eilanden, en keerde toen terug. De proef op de som was geleverd, meende men, en Columbus’ voorstel daarmede veroordeeld. Denkelijk is dit verhaal niets anders dan een verzinsel.
Hoe lang Columbus in Lissabon vertoefd heeft, wordt niet vermeld, doch wat anders verzwijgt de geschiedenis niet. In dien tijd overleed zijne vrouw, en liet haar’ man met zeer berooide geldmiddelen achter. Dit laatste is zeer wel te verklaren, want voor zijn plan had hij zich heel wat opofferingen getroost, terwijl hij bovendien op eigen kosten zijne twee broeders te Genua had laten studeeren.
Met zijn zoontje Diego verliet hij nu Lissabon in het jaar 1484, en zijn’ broeder Bartholomeus, dien hij naar Lissabon had laten overkomen, zond hij naar Engeland, ten einde daar te beproeven, of hij Koning Hendrik VII kon overhalen tot het plan. Bartholomeus werd echter op zijne reis derwaarts door zeeroovers overvallen, en zóó uitgeplunderd, dat hij, toen hij in Engeland kwam, onmogelijk aan het Hof verschijnen kon. Met kaarten-teekenen wist hij nu zooveel te verdienen, dat hij het vier jaar later waagde bij den Koning gehoor te vragen. Dit gehoor werd hem verleend, doch de Koning, die met allerlei binnenlandsche staatkundige woelingen te worstelen had, wilde er niets van weten.
Het voornemen van Columbus was geweest, om, nu zijn voorstel door Portugal afgewezen was, zich naar Frankrijk te begeven. Hij schijnt er evenwel niet heengegaan te zijn. Ik zeg „schijnt”, want gedurende eenige jaren verliest de geschiedenis hem geheel uit het oog, en het zijn niet veel meer dan gissingen, dat hij zelfs zijne plannen aan de Regeering van Venetië voorgelegd heeft. Indien dit waar is, dan moet hij wel bittere teleurstellingen ondervonden hebben, want Genua en Venetië waren immers geslagen vijanden, en naarmate Genua’s handel meer en meer kwijnde, terwijl die van Venetië zich nog met groote inspanning staande hield, nam de vijandschap, versterkt door naijver, nog toe.—
Eindelijk echter komt de groote man weer te voorschijn.
In Andalusië ligt eene kleine stad; ze heet Palos de Moguer. Nog heden ten dage bevindt zich in de nabijheid van dit plaatsje een oud klooster. Dat klooster was er ook al in dien tijd, en werd door Franciscaner monniken bewoond. Het was gewijd aan Santa Maria de Rabida, en de Prior heette Juan Perez de Marchena.
Aan de poort van dat klooster nu, klopte op zekeren avond een schamel gekleed man aan, die zijn zoontje bij zich had, en op de vraag van den portier, wat hij begeerde, luidde het antwoord: „Wat brood en water voor dit kind!”
Die bedelaar was Columbus; dat hongerige en dorstige kind was zijn zoontje Diego.
De Prior, die in de nabijheid was, hoorde de stem van den man, en het viel hem terstond op, dat hij de Spaansche taal, als een vreemdeling sprak. Toen nu de portier hem de vraag van den armen man overbracht, gaf hij last te onderzoeken, vanwaar hij toch wel kwam. Columbus, die geene redenen had om zijn’ naam te verzwijgen, vertelde den portier een en ander, en het gevolg hiervan was, dat hem de poort van het klooster geopend werd, en hij binnen mocht komen.
De Prior was een geleerd man, en had natuurlijk wel eens wat van Columbus’ plannen opgevangen, zoodat hij weldra met hem in een ernstig gesprek verdiept was, en toen Columbus, na door spijs en drank versterkt te zijn, aanstalten maakte om weer verder te gaan, wilde de Prior hiervan niets weten, en zeide, dat een man als Columbus niet als bedelaar van de eene plaats naar de andere mocht trekken, en althans dezen nacht de gast van het klooster bleef.
In het stadje zelf woonde Garcia Fernandez, die Arts van beroep was, doch meteen zich toegelegd had op de studie van de aardrijks- en sterrenkunde, waarin hij zelfs grooten naam gemaakt had. De Prior, die met dezen Arts zeer bevriend was, liet hem roepen, en weldra waren de drie mannen nu in een zeer geleerd gesprek verdiept.
In dat klooster begon voor den armen zwerver het sterretje der hoop weer door de nevelen der teleurstellingen te schijnen; want Prior Juan Perez de Marchena droeg ook den titel van Biechtvader van Koningin Isabella.
Spanje was toen een heel ander land dan tegenwoordig, dat wil zeggen, op staatkundig gebied. Op het Pyreneesche schiereiland vond men toen, behalve het Koninkrijk Portugal, ook de Koninkrijken Navarre, Kastilië en Aragon, benevens het Mooren-gebied Granada. Over Aragon regeerde Koning Ferdinand, en over Kastilië, Koningin Isabella. Deze twee Vorstelijke personen waren met elkander gehuwd, zoodat na hun overlijden de kronen van beide landen op één hoofd kwamen. In den tijd evenwel waren beide rijken nog geheel gescheiden. In karakter verschilden Koning Ferdinand en Koningin Isabella buitengewoon veel met elkander, doch in ééne zaak stemden ze vrij wel overeen, en deze was: „uitbreiding van het gezag der beide Koninkrijken door de scheepvaart.” Den Prior nu, was die zucht zijner machtige biechtelinge niet onbekend, en daar hij hoog bij haar aangeschreven stond, wist hij te bewerken, dat Columbus aan haar Hof geroepen werd, om daar zijn plan voor te leggen.
Het was stellig ver met den voormaligen planter gekomen, want, om in eene eenigszins geschikte kleeding aan het Hof te kunnen verschijnen, zond Isabella hem drieënvijftig dukaten.
Om te bewerken, dat Columbus voor Koningin Isabella verschijnen mocht, schijnt Don Louis de la Cerda, Hertog van Medina Celi, die een schatrijk Edelman was, eene groote rol gespeeld te hebben. Zelfs had deze wel heel alleen Columbus willen helpen, doch hij vreesde daardoor de Koningin in moeielijkheden met het Portugeesche Hof te zullen brengen, wat hij liever niet wilde.
In 1486 verscheen Columbus voor Isabella, en met de geestdrift van een’ dweper, die reeds zijn geheele vermogen aan zijn plan opgeofferd had, deelde hij haar alles mede. De Koningin hield toen haar Hof te Cordova.
Isabella zelve had er wel ooren naar, maar—de uitvoering van het plan kostte geld, en hierover had zij niet te beschikken, vooral nu niet, daar ze in een’ kostbaren oorlog met de Mooren gewikkeld was. Of het uit geldgebrek was, dan wel om andere redenen, is alweer niet bekend, maar zeker is het, dat Isabella het voorstel van Columbus aan het oordeel van de geleerdste mannen van Salamanca onderwierp. Deze stad had toen eene bloeiende hoogeschool, en was voor heel het Pyreneesche schiereiland het brandpunt der wetenschappen.
De Voorzitter van den Raad, die over Columbus’ plannen te beslissen had, was Don Fernando de Talavera, Prior van Prado. Hij was een zeer geleerd man, en had een edel karakter, doch het bleek al heel spoedig, dat hij met de plannen van den Genuees niet bijzonder ingenomen was.
De beraadslagingen duurden lang, en gedurende dezen tijd kwam Columbus, die zich in beschaafde en deftige kringen gemakkelijk wist te bewegen, in kennis met vele voorname Edelen en Grooten. Een dezer was Don Pedro Gonzalez de Mendoza, Aarts-bisschop van Toledo en Groot-Kardinaal van Spanje, een man, die aan het Hof van Ferdinand en Isabella niet alleen in hoog aanzien stond, maar er ook veel invloed had. Bij dezen Kerk-vorst vond Columbus een luisterend oor, en eene genegen hand om hem te helpen.
Met dat al kon de Groot-Kardinaal voor zijn’ beschermeling in de eerste jaren niets gedaan krijgen. De Mooren, tot in hunne laatste sterkte verdreven, hielden hardnekkig stand, en zoolang deze oorlog duurde, viel er niet aan te denken, om geld uit te geven aan een’ ontdekkingstocht.
Eindelijk moesten de Mooren het hoofd in den schoot leggen, en zich aan Ferdinand en Isabella onderwerpen. Thans meenden Columbus’ vrienden, dat de tijd gekomen was, om aan zijn voorstel gevolg te geven, en trots den tegenstand der geleerden, die niet moede werden te bewijzen, dat men aan het Portugeesche Hof goed gezien had met het heele plan slechts de hersenschim van een’ dweper te noemen, zouden Ferdinand en Isabella bereid geweest zijn, aan Columbus’ voorstellen gevolg te geven, als niet Columbus zelf zijne eigene zaak bedorven had.
Hoe hij dat kon doen?
Toen dan het plan op het punt stond om aangenomen te worden, stelde Columbus de volgende voorwaarden, die stellig niet pleiten voor zijne nederigheid en liefde voor de wetenschap.
Vooreerst verlangde hij, als hij bewezen had, dat zijn plan geen droombeeld geweest was, verheffing tot den Adelstand en tot Grande van Spanje.—Een Grande werd als zulk een aanzienlijk persoon beschouwd, dat hij met gedekt hoofd voor den Koning en de Koningin mocht verschijnen.—Ten tweede eischte hij den titel van „Atlantisch Admiraal”, eene waardigheid, die slechts één rang lager was dan „Veldheer der Kroon”. Ten derde vorderde hij zijne benoeming tot Onder-Koning in de landen, die door hem ontdekt, en voor Spanje in bezit zouden genomen worden. Ten vierde wilde hij, dat die waardigheid op zijne mannelijke nakomelingen zou overgaan. Ten vijfde stelde hij de voorwaarde, dat een tiende deel van alle inkomsten der kroon in die landen, hem, als geldelijke vergoeding, zouden uitgekeerd worden, en ten zesde verlangde hij het achtste deel van het monopolie,—uitsluitend recht om in een’ Staat alleen handel te mogen drijven,—dat in de ontdekte landen, als iets dat vanzelf sprak, terstond zou ingevoerd worden.
Dat waren eischen, die zelfs velen zijner vrienden veel te ver gingen, en zijne geheime tegenstanders, die in talrijkheid voor zijne openbare vijanden niet onderdeden, wisten nu bij Koning Ferdinand gedaan te krijgen, dat deze alleen om deze eischen, niets meer van het heele plan wilde weten.
Hoe Columbus, die toch zoo menige teleurstelling ondervonden had, en die gedurende zijn langdurig verblijf in Cordova wel had moeten ontdekken, dat tal van Edellieden hem, den Genuees of den „Liguriër”, zooals men hem smadelijk noemde, haatten; zulke verregaande en trotsche eischen stellen kon, is onverklaarbaar. Alleen door aan te nemen, dat het bij hem onwrikbaar vast stond, dat zijn plan moest gelukken, kan men zijne houding eenigszins verklaren.
Nadat Koning Ferdinand zich aan de zaak geheel onttrokken had, zou Columbus verder dan ooit van zijn doel gestaan hebben, indien niet Don Louis de Sant Angel, die in de beide Koninkrijken de waardigheid bekleedde, welke wij met „Minister van Financiën” zouden betitelen, Koningin Isabella had weten te bewegen, om Columbus niet in de noodzakelijkheid te brengen aan andere Hoven zijn geluk te beproeven. De redeneering van dezen aanzienlijken Edelman sneed ook vrij goed hout.
„Bereikt Columbus de Indiën niet,” zoo sprak hij, „dan is er niets verloren, dan het geld aan de uitrusting voor den tocht bestemd, want in dat geval vervallen al zijne eischen. Bereikt hij echter de Indiën wel, dan is voor Spanje eene onuitputbare goudmijn geopend, welke stellig waard is, dat men hem zijne eischen inwilligt. Bovendien zou Spanje, indien de weg door het Westen naar de Indiën gevonden werd, het machtigste Christenrijk van heel de wereld worden, en kon Koningin Isabella, naar den vurigsten wensch van haar vroom hart, de leer des Evangelies doen prediken van den op- tot aan den ondergang der zon.”
Isabella, die door alle geschiedschrijvers beschreven wordt, als eene vrouw „van middelbare lengte, welgemaakt, vol Vorstelijke waardigheid en lieftalligheid,” bezat, volgens hen, ook „een standvastig karakter, en een innig, vroom hart.” De oorlogen tegen de Mooren, en de tirannieke wijze, waarop zij hen behandelde, toen ze gedwongen waren geworden, zich te onderwerpen, mogen de maatstaf niet zijn, waarmede men haar karakter afmeet. Zij handelde in deze zaak geheel in den geest van haar’ tijd, welke geest sprak van: „dwing ze om in te gaan.”
Maar al te veel plaatsen we ons bij het beoordeelen van daden van Vorsten, en voorname personen uit vroegere eeuwen op het standpunt van onzen tijd, zonder een oogenblik te bedenken, hoe wij zouden gehandeld hebben, indien wij in die dagen geleefd hadden. Een oordeel over een karakter is niet zoo gemakkelijk uitgesproken, als men wel denkt. Er behoort eene diepe kennis toe van de geschiedenis der beschaving en der wetenschap. Dat er, zonder die diepe kennis, toch zoo menig oordeel uitgesproken wordt, is zeker, maar het gevolg daarvan is, dat ook zoo menig oordeel geheel verkeerd is.
Waarom ik dit hier zoo zeg?
Omdat we later met Cortez in Mejico, en met Pizarro in Peru zullen zijn, en daar het Evangelie zullen zien prediken op eene wijze, die ons, negentiende-eeuwers, tegen de borst stuit, en ook omdat we, met het oog op dien voormaligen bekeerings-ijver der Katholieken, er zoo gemakkelijk toe komen, om het werk der tegenwoordige Missionarissen er mede gelijk te stellen.
De zachte wateren der zee ronden de scherpe kanten van den harden steen wel af, en zou de beschaving van vier eeuwen niet de hoekige uitwassen van het menschelijke hart afgerond hebben?
Isabella dan bleef Columbus, ook om zijn’ bekeerings-ijver, dien hij openlijk beleed, genegen, en de woorden van Don Louis de Sant Angel vonden bij haar ingang, maar—de oorlog tegen de Mooren had de schatkist uitgeput; ze had geen geld om de uitrusting te bekostigen. Zij stelde nu voor, hare juweelen te verpanden, doch Don Louis voorkwam dat. Hoogstwaarschijnlijk geholpen door den schatrijken Hertog van Medina Celi, die nu was, waar hij zijn wilde, schoot Don Louis haar al het geld voor. Columbus’ eischen zouden, als hij werkelijk langs den voorgestelden weg in de Indiën kwam, alle ingewilligd worden. Den zeventienden Maart 1492 kwam de overeenkomst volkomen tot stand, en Columbus repte zich nu zijn doel te bereiken. Hij toog naar het zeestadje Palos, en rustte daar twee karveelen en een transport-schip uit, doch stuitte nu op eene zwarigheid, die hij niet verwacht had: het ontbrak aan mannen, die hem op dezen tocht wilden vergezellen. Zelfs een Koninklijk besluit, dat ieder, die aan dezen tocht deelnam, twee maanden na zijne thuiskomst voor geen enkel misdrijf, ja, voor geene enkele misdaad zou gestraft worden, kon de zeelieden niet bewegen, Columbus te volgen. Eindelijk had hij het geluk, om in de gebroeders Pinzon, zoons van een aanzienlijk geslacht, dat te Palos woonde, hulp te verkrijgen. Zij zelven zouden medegaan, en hun voorbeeld vond zooveel navolging, dat de drie scheepjes voldoende bemand waren. Honderdtwintig zeelieden zouden de reis medemaken, en deze honderdtwintig mannen togen in den avond van den tweeden Augustus naar het vredige Franciscaner-klooster van Santa Maria de Rabida, om daar, na het gebruiken van het Heilige Sacrament des Avondmaals, Gods zegen op de grootsche onderneming af te smeeken.
Den derden Augustus 1492 voeren de „Santa-Maria”, de „Pinta” en de „Nina” de haven van Palos uit. Ze droegen den morgen van een’ nieuwen dag, den dageraad van de eeuwen der Nieuwe Geschiedenis op het broze scheepsdek, den Atlantischen Oceaan in. Ze voeren den avond tegemoet, en zouden den morgen brengen.
EERSTE REIS VAN COLUMBUS.
Eer we met Columbus den tocht gaan medemaken, dienen we te zeggen, dat Martinus Alonzo Pinzon, die het bevel over de „Pinta”, en Vicente Yanez Pinzon, die de „Nina” kommandeerde, twee mannen waren, die als kloeke en ervaren zeelieden bekend stonden, en Columbus niet alleen hartelijk genegen waren, maar daarenboven ook dweepten met zijn grootsch plan. Zonder de Pinzons, zou Columbus zijn doel stellig niet bereikt hebben. Martin toonde echter later, dat hij eigenbelang ver boven vriendschap en eerlijkheid stelde.
De kaart van Toscanelli had Columbus voorloopig niet noodig te raadplegen, want zijn doel was om pas van de Kanarische Eilanden westwaarts te zeilen. Van dit gedeelte des Oceaans bestonden toen reeds zeer vele zeekaarten, en Columbus zelf had dezen weg zoo dikwijls afgelegd, dat hij daarvoor ook geene kaarten behoefde.