Alvorens met ons verhaal verder te gaan, moet ik u weer verzoeken eens even eene wereldkaart voor u te leggen, of eene globe te raadplegen.
Beschouwen we den Atlantischen Oceaan, die de Oude van de Nieuwe wereld scheidt, dan zien we, dat die Oceaan op de eene plaats veel breeder is dan op de andere. Zijne grootste breedte is tusschen Senegambië en Mejico; zij bedraagt daar niet minder dan 9000 Kilometers. De geringste breedte bevindt zich tusschen Noorwegen en Groenland, want daar bereikt ze maar 1445 Kilometers. De breedte tusschen Afrika en Georgië bedraagt 7225, tusschen Kaap de Goede Hoop en Kaap Hoorn ook 7225, tusschen Brest en New-York 5550, en tusschen Kaap San Roque en Sierra Leone 3100 Kilometers.—
In den Atlantischen Oceaan is het water natuurlijk ook aan eb en vloed onderworpen, doch behalve deze beweging van het water, welke op gezette tijden wederkeert, heeft men er ook verschillende stroomingen. De voornaamste zijn de Noordelijke Aequatoriaal-stroom, de Zuidelijke Aequatoriaal-stroom, de Guinea-stroom, de Benguela-stroom, de Braziliaansche stroom, de Florida-stroom, de Groenland-stroom, de Noordkaap-stroom, de Labrador-stroom, en de zeer merkwaardige Golfstroom. Evenals het water eener rivier, nu eens snel, dan eens langzaam, maar altijd in dezelfde richting vloeit, zoo vloeien de zeestroomingen ook bijna altijd op bepaalde tijden in dezelfde richting. Soms echter kunnen er aanmerkelijke storingen in plaats grijpen. Den Golfstroom noemden we zeer merkwaardig, en wie zou dat niet doen? Hij neemt een aanvang in de Golf van Mejico, en loopt in noordoostelijke richting, doch na zich verscheidene malen verdeeld te hebben, tot Nova-Zembla in de Noordelijke IJszee. Met eene snelheid, die de snelheid van den Mississipi overtreft, stroomt hij voort, en voert zijne warme wateren ver het Noorden in. Aan de hooge temperatuur van het water van dezen stroom, welke hoogte natuurlijk afneemt, naarmate de stroom meer het Noorden nadert, is West-Europa zijn vochtig klimaat verschuldigd. Die vochtigheid houdt ook de felle koude tegen. Vandaar komt het, dat het in den winter te New-York meestal veel kouder is dan te Amsterdam, niettegenstaande New-York ruim tien graden zuidelijker ligt. De stad Hammerfest in Noorwegen ligt op zeventig graden noorderbreedte, en toch komen er menigmaal winters, dat in hare havens bijna geen ijs te zien is, terwijl op dezelfde breedte in Azië en Amerika eene koude heerscht, welke wij het best kennen onder den naam van „Siberische koude.”
Behalve die geregelde zeestroomingen, vinden we op onze wereldkaarten ook geregelde luchtstroomingen of winden aangeteekend. De voornaamste zijn de Noordoost-passaat en de Zuidoost-passaat.
Van deze regelmatige stroomingen en winden, waarvan we, in een boek als dit, geene verklaring kunnen geven, maken de zeelieden van den tegenwoordigen tijd gebruik, om de reis aanzienlijk te bekorten, doch al had Columbus op Porto-Santo en op zijne tochten in de Noordelijke IJszee ook kunnen waarnemen, dat er regelmatige stroomingen in den Oceaan waren, en dat sommige winden gedurende geruimen tijd vrij regelmatig woeien, het was er verre af, dat hij er op zijn’ ontdekkings-tocht opzettelijk gebruik van maakte. Daar de heele zee ten Westen van de Kanarische Eilanden onbekend was, kon hij ook met de meerdere en mindere breedte van den Oceaan geene rekening houden.
De reis vorderde niet snel, wat met den lompen bouw der schepen, zooals we op onze afbeelding kunnen zien, ook niet mogelijk was. Daarenboven had Columbus ook niet de beste schepen, die er in dien tijd te vinden waren. De beperkte, zelfs geringe middelen, waarover hij te beschikken had, dwongen hem om in zijne keus niet al te kieskeurig te zijn. Denkelijk had slechts één der drie schepen een doorloopend dek, terwijl de beide andere alleen hooge voor- en achterstevens hadden, waarin zich de hutten van de bemanning bevonden. Niet zonder reden was het dus, dat Columbus zooveel moeite gehad had, om de noodige manschap te vinden. Veel meer dan thans het geval is, waren de zeelieden toen aan de grootste gevaren blootgesteld. Daarom bleef men ook het liefst zoo dicht mogelijk bij de kusten, en dat niet, omdat men de kompassen niet vertrouwde, maar wel, omdat de schepen er niet op gebouwd waren, om de stormen en de golven te kunnen trotseeren. En Columbus zou de eerste zijn, die opzettelijk zich van de kust verwijderde, steeds verder, al door verder, op een’ tocht, die in het oog van de meesten toch niets anders was dan een zeer avontuurlijke. Waarlijk, we dienen ons eer te verbazen, dat Columbus zelfs nog eenige misdadigers vond, die met hem de reis wilden meemaken, dan dat we verbaasd zijn, dat er geen fatsoenlijk zeevolk voor zijne onderneming te vinden was.
Reeds op den derden dag na de afvaart, seinde de „Pinta” averij. Het roer was gebroken, en Columbus meende, dat twee mannen, die de eigenaars van deze karveel waren, en die de reis tegen hun’ zin medemaakten, opzettelijk die averij aangebracht hadden, om daardoor een voorwendsel te kunnen vinden om terug te keeren. De wind woei te hevig om de „Pinta” ter hulp te komen, doch Martinus Pinzon, die een ervaren en stoutmoedig zeeman was, wist zich te redden, door, zoo goed en kwaad het ging, het roer met touwen te bevestigen. Columbus begreep zeer goed, dat men zóó den Oceaan niet kon oversteken. Hij hield dus op de Kanarische Eilanden aan, en liet op het eiland Gomera het schip herstellen, toen alle pogingen vergeefsch bleken te zijn, om een ander te vinden. Men bleef daar tot den zesden September, en in dien tijd had de bemanning gelegenheid om eene uitbarsting van den vulkaan op het eiland Teneriffe te zien, iets waardoor de mannen zeer beangst geworden waren, want niettegenstaande ze wisten, dat er een Etna en Vesuvius was, hielden ze hier rekening met de vreeselijke verhalen, die omtrent de groote, onbekende zee in omloop waren.
Op Zondag den negenden September verdween Ferro, het laatste der Kanarische Eilanden aan den oostelijken horizon, en men zag nu, volgens zeemans-uitdrukking, niets dan lucht en water.
De kaart van Toscanelli was thans voor Columbus de eenige wegwijzer voor de richting, die men volgen moest, om het eiland Antilia, en daarna Zipangu te bereiken.
Zonder het te weten, bevond Columbus zich in den gordel van den Noordoost-passaat, en was er niet zooveel kunst aan, den koers steeds westelijk te houden. Uit vrees echter, dat de drie scheepjes, door storm of stroom, elkander uit het oog zouden kunnen verliezen, gaf hij den beiden Pinzons last, om in dit geval geen oogenblik den westelijken koers te verlaten. Hadden ze zóó zevenhonderd uur voortgezeild, dan moesten ze bijleggen, doch naar zijne stellige meening, zouden ze lang vóór dien tijd reeds land ontdekt hebben. De schepen bleven evenwel zonder veel moeite bij elkander, en dat was nog eenige troost voor de manschap, die al begon te vreezen, dat er geen einde zou komen aan die zee, en ook geen einde aan dien onveranderlijken wind. Vooral die wind maakte hen beangst. Zeilden ze nu zonder bezwaar steeds westelijk, hoe zouden ze terug kunnen keeren, als de wind steeds uit die streek bleef waaien?
Den dertienden September, toen men reeds meer dan tweehonderd uur van Ferro verwijderd was, bemerkte Columbus des middernachts, dat de stand van de Poolster niet in de richting was, waarin het kompas wees. Ook op de beide andere schepen was dat opgemerkt, en al hadden Columbus en de Pinzons het aanvankelijk ook voor het volk verzwegen, het kwam er toch achter, en de angst nam met elk oogenblik toe. Gelukkig wist Columbus het volk gerust te stellen, met eene uitlegging, die eigenlijk niet veel anders heeten mocht, dan er zich met een Jantje van Leiden af maken, doch de mannen waren te onervaren om te beseffen, dat hun Admiraal hen met een kluitje in het riet stuurde.
Dat niet alleen het volk, maar ook Columbus met de Pinzons op die eentonige vaart van alles notitie namen, is natuurlijk, en dat ze van hetgeen ze zagen, allerlei uitleggingen gaven, kon wel niet anders. Nu eens namen ze een’ drijvenden mast nauwkeurig op, en berekenden zelfs, dat hij afkomstig moest zijn van een schip van honderdtwintig ton. Dan weer verblijdden ze zich over het zien van een’ grooten vogel, die veel op een’ reiger geleek, en maakten ze de gevolgtrekking, dat ze dicht bij land waren. Op een’ nacht zagen ze groote vuurvlammen uit de zee opstijgen, althans, ze maakten er vuurvlammen van, en de vreeselijke verhalen van den onbekenden, donkeren Oceaan, rezen weer in hunne ontstelde verbeelding op. Langzamerhand kwamen onze reizigers nu meer onder den rechtstreekschen invloed van den Noordoost-passaat, en meteen ook meer in de heete of verzengde luchtstreek. De lucht was zóó zacht warm, en zóó heerlijk om in te ademen, dat men, zooals Columbus zich uitdrukte, „zich in Andalusië waande, en het gezang der nachtegalen slechts ontbrak.”
Ook het scheepsvolk was weer wel te moede en opgeruimd, doch toen men de zee, zoo ver als men zien kon, overdekt vond met een groen gewas, dat zóó dicht in elkander groeide, dat de vaart der schepen er door belemmerd werd, verloor men opnieuw den moed. Aanvankelijk dacht men, dat er land in de nabijheid zou zijn, en toen het maar al te ras bleek, dat dit niet waar was, kwam de vrees boven, dat men zich op de plek bevond, waar eenmaal het groote eiland Atlantis gelegen had, dat, volgens het oude verhaal, door de Goden verdelgd was. Het dieplood, dat uitgeworpen werd, bereikte echter op tweehonderd vademen nog geen’ grond, zoodat er geene vrees bestond, dat de schepen hier aan den grond zouden geraken. Columbus herinnerde zich een verhaal van Aristoteles, waarin voorkwam, dat eenige schepen, bij Cadiz zeilende, door een’ storm waren aangegrepen, en zóó ver in den Oceaan geslagen werden, dat ze eindelijk gekomen waren bij eene plek, waar de zee zóó begroeid was met groene planten, dat ze wel een weideveld van oneindige uitgestrektheid scheen. Zij gaven er den naam van „Wier-zee” aan, en hadden het geluk om den koers te wenden, zoodat ze behouden in Europa terug kwamen. Men had dit verhaal tot de fabels gerekend, doch thans zag Columbus, dat het waarheid bevatte. Vreemde vogels, die zich aan hunne oogen vertoonden, deden het volk weer eenigen moed vatten, en in de hoop, van nu heel spoedig het gezochte land te zullen zien, werd er veertien dagen lang, zonder dat er gewanhoopt werd, tegen deze waterweide geworsteld.
Nog altijd bevindt zich in den Atlantischen Oceaan, tusschen negentien en vierendertig graden Noorder-breedte, en vierendertig en zesendertig graden Westerlengte van Greenwich, deze Planten-zee. Men heeft haar den naam gegeven van „Sargasso-zee”, doch omtrent de oorzaak, dat de soort van wierplant, die deze zeeweiden vormt, hier in zulk eene verbazende hoeveelheid aangetroffen wordt, verkeert men in het onzekere.
Nog altijd kwam de wind, die hen voortdreef, uit dezelfde streek, en toen men na zooveel dagen worstelens, nog in het geheel geen land ontdekte, was de angst van het scheepsvolk verklaarbaar, dat men nimmer zou kunnen terugkeeren. Steeds voort, altijd voort, het verre, het oneindig verre Westen in! Was de plek er dan niet, waar, in den Oceaan, de zon in de baren dook? De kusten van het vasteland hadden ze steeds voor hunne oogen zien wijken, en eindelijk zien verdwijnen! Zoo was het ook gegaan met het eiland Ferro. En nu! Zestien dagen en zestien nachten was men ongestoord het Westen ingezeild, en nog altijd bleef de afstand van de ondergaande zon even groot. Dat moest wel, het kon niet anders. Columbus wist dat ook wel, en hij trachtte zijn volk duidelijk te maken, dat de aarde een bol was, en dat de zon nergens in den Oceaan dook, maar op elk punt van de aarde steeds op denzelfden afstand van den beschouwer bleef ondergaan.
Ach ja, men geloofde hem wel, men begreep dat het zóó wel zijn moest, maar—die wetenschap bracht het land, waarnaar met brandend verlangen uitgezien werd, toch niet in het gezicht, dat moede werd van het vruchtelooze staren.
En als men geen land vond, dan zou men van honger en dorst moeten omkomen, want de voorraad verminderde sterk, en het stond te bezien, of dit toch niet het geval zou zijn, wanneer men nu den steven wendde, en met dezelfde snelheid van vaart terugkeerde.
Terugkeeren? Kon dat wel? Was de wind dan voor de terugreis niet tegen?
De angst en ongerustheid namen steeds toe, totdat op den tweeëntwintigsten September de wind van richting veranderde.
Geen „Land vooruit!” had op dit oogenblik meer blijdschap kunnen verwekken, dan het zien, dat de wind omgeloopen was. Het was, in waarheid, voor allen een groot pak van het hart.
Men was in een heel ander deel der wereld, dan men ooit geweest was, dat bleek uit alles; en opnieuw werd de angst opgewekt, toen, bij geene verheffing van wind, de zee opeens hol begon te staan.
Geslingerd van hot naar haar, werd het volk elken dag, elk uur. Nu eens vol moed, dan weer vol vrees.
Den vijfentwintigsten September kwam Alonzo Pinzon, die meestal met zijn schip vooruit voer, omdat de „Pinta” hoe oud en bouwvallig ook, toch de beste zeiler was, bij den Admiraal aanboord met het bericht, dat hij land gezien had. Anderen bevestigden dit.
Columbus was op het vernemen van dit bericht diep ontroerd, en door een dankbaar gevoel aangedreven, viel hij op de knieën, en zong vol innige vroomheid het heerlijke lied, dat hij zoo dikwijls in de kerk onder de Mis had hooren klinken: „Gloria in excelsis Deo, et in terra pax hominibus bonae voluntatis. Laudamus te! Benedicimus te! Adoramus te! Glorificamus te!” dat is: „Glorie aan God in den allerhoogste, en vrede op aarde, den menschen van goeden wil! Wij loven U! Wij zegenen U! Wij aanbidden U! Wij verheerlijken U!”
Maar—Pinzons blijde tijding liep op eene groote teleurstelling uit, want het land, dat men meende te zien, werd niet gevonden. Wolken en nevelen hadden hun bedrieglijk spel gespeeld.
Om den moed van het volk levendig te houden, schijnt Columbus reeds eenige dagen vroeger eene lijfrente van zesentwintig dukaten uitgeloofd te hebben aan hem, die het eerst land zag, en Alonzo Pinzon, die gehoopt had de belooning te zullen ontvangen, zag zich nu natuurlijk zeer teleurgesteld.
Toen den volgenden morgen de zon opkwam, en nog velen de kooi verlieten om het land te aanschouwen, zag men—water en lucht, wat men nu al zoovele dagen gezien had.
Gelukkig was het weder bij uitstek schoon, en de zee was zóó kalm, dat menig matroos, zonder aan haaien te denken, overboord sprong om wat rond te zwemmen. De eentonigheid werd ook dikwijls afgebroken door het visschen naar dolfijnen, of het vangen van vliegende visschen, die op de schepen nedervielen.
Neen, eerlijk moest het scheepsvolk toch erkennen, dat het hier veel anders was, dan eenige dagen geleden bij die Wier-zee, waaraan men nog wel niet geheel ontkomen was, maar die toch minder moeielijkheden opleverde. Nu eens zag men groote vogels in scharen aan den gezicht-einder verdwijnen, en dan weer ontdekte men enkele vogels, die te klein waren om ver van het land in zee te kunnen vliegen.
Aan den morgen van den zevenden October meenden de wachthebbende matrozen van de „Santa Maria”, in het Westen land te zien, doch ze waagden het niet, om er den Admiraal kennis van te geven.
Opeens echter klonk een kanonschot langs de stille wateren.
De „Nina”, die nu vooruit voer, had het gelost, en tot overmaat van vreugd zag men, dat de vlag aan den mast geheschen werd, en dit was het teeken voor de „Santa Maria” en de „Pinta”, dat men „Land vooruit!” had.
Met luid gejubel werden kanonschot en vlag begroet. Allen zagen uit, en ontdekten land. Maar—het land verdween, loste zich in de blauwe lucht op, en—men zag zich weer door eene wolk bedrogen.
Op deze nieuwe teleurstelling volgde groote ontevredenheid, en Columbus zag zeer goed, dat zijn volk op het punt stond, alle hoop te verliezen. Dat ze hem dwingen zouden om terug te keeren, hij begreep, dat dit niet gebeuren zou; want voor eene lange terugreis naar het verlaten land, was er geen voorraad van levensbehoeften genoeg. Maar door wanhoop gedreven, kon men hem te lijf gaan en dooden. En dan? Ja, dan was ook voor hen alles verloren, want hij alleen had het logboek gehouden, doch hier en daar een paar onwaarheden vermeld, om het volk niet al te wijs te maken. Hij wist echter volkomen, hoe hij gevaren was, en kon ook den terugweg vinden. Zijn volk daarentegen, zou met het logboek verkeerd uitkomen.
Toch gaf hij den moed niet verloren, en althans voor het oog van zijn volk was hij vol hoop en blijde verwachtingen.
Steeds kalmer en rustiger werd de zee, zoodat Columbus den achtsten October uitriep: „God zij geloofd! De lucht is zoo zacht, als in April te Sevilla. Met wellust ademt men haar met volle teugen in, want zij is doortrokken van de heerlijkste geuren!”
Weer gingen drie dagen in onafgebroken kalme, westelijke vaart voorbij, en was het Donderdag, de elfde October.
Daar komt Alonzo Pinzon bij den Admiraal aanboord, en toont hem een riet en een’ gesneden stok aan. Zijn volk had die voorwerpen opgevischt, en men had ook een’ boom zien drijven.
Iets nieuws was voor Columbus nòch boomstam, nòch riet, nòch gesneden stok, want dat alles had hij jaren geleden reeds op Porto-Santo gezien. Toch greep hij deze gelegenheid aan, om daardoor den wankelenden moed van zijn volk op te beuren.
Het was in waarheid eene reis, zóó vol moeielijkheden en teleurstellingen, dat men Columbus bewonderen moet, dat hij den moed niet verloor, en eerbied dienen wij te hebben voor zijne sterke overtuiging, voor zijn ongeschokt vertrouwen en voor zijne vastheid van wil. Zoo we Columbus groot noemen, nergens was hij grooter dan op die eerste ontdekkingsreis.
Maar, wat is dat?
Daar nadert Vicente Pinzon in eene boot, die zoo pas de „Nina” verlaten heeft. Wat reppen die roeiers zich! Wat is er eene haast! Oproer aanboord soms? Weigert men langer het Westen in te gaan? Men buigt zich over de verschansing. Vicente komt aanboord en—van onder zijn kleed haalt hij een soort van rozetak met nog half gave bloemen te voorschijn. Zijn volk heeft dien tak opgevischt, en thans biedt hij den Admiraal de eerste, frissche, levende bloemen der Indiën aan.
Boomstammen, rieten, gesneden stokken, ja, zelfs menschenlijken kunnen van zeer verre komen aandrijven, maar eene zwakke rozebloem is niet tegen den golfslag bestand; ze moet vernield worden, zelfs door de nauw merkbare rimpelingen van de wateren dezer lauwe zee.
Als de duif, die in de Ark aan Noach een’ olijftak bracht, is Vicente Pinzon, nu hij Columbus levende bloemen komt aanbieden.
Het volk op de drie schepen verkeert in eene ongekende spanning.
Het staart met brandende blikken naar den gezicht-einder.
Maar, als gisteren en eergisteren, en, ach, als zoovele dagen terug, ging de zon ver, ver in het Westen onder,—stevenden de schepen het Westen in—en viel de nacht.
Columbus echter bleef uitstaren. Het „Land der Bloemen” kon niet ver af zijn.
Door de duisternis boren zijne, blikken heen en ...
Zag hij daar geen lichtschijnsel?
Eene ster mogelijk! Misschien een werkende vulkaan op mijlen afstands!
Neen, geene ster, geen vulkaan, want zie, het verandert van plaats.
Hij roept Pedro Gutierrez, een’ Edelman van het Koninklijke Hof, bij zich, en wijzend naar de plaats, waar hij het bewegende licht ziet, vraagt de Admiraal gejaagd, en met kloppend hart: „Wat ziet gij daar?”
„Niets, Senor! Ik zie niets!”
„Ziet gij dan geen licht, geen licht dat zich beweegt?”
„Ja, ja, ik zie het! Ik zie licht!” luidt het antwoord.
Anderen worden er bij geroepen. De een ziet het; de ander ziet het niet.
Men hoort die woorden, haalt de schouders op, doch gelooft het niet. Men is immers in deze zee vol vreemde verschijnselen reeds zoo menigmaal teleurgesteld, zoo menigmaal bedrogen!
Zonder eenige merkbare spanning doen de matrozen van de „eerste wacht” hun’ dienst, en wekken de „mannen van de „hondenwacht.””—Zij gaan slapen, en met loomen tred komt de „hondenwacht” boven.
De „eerste wacht” is van des avonds acht uur tot middernacht. De „hondenwacht” is van middernacht tot vier uren in den morgen. De „dagwacht” duurt van vier tot acht uren in den morgen.
De zandlooper wijst aan, dat het vier uren in den morgen is. Het volk van de „hondenwacht” vindt er geen behagen in om op te blijven. Zij wekken de mannen van de „dagwacht”, die op hunne beurt ongaarne de kooi verlaten en op het scheepsdek komen.
Columbus waakt. Geen slaap is op hem neergedaald. Dat hamerende hart vol onrust belette hem in te sluimeren. Geen wonder! Hij gevoelt, dat hij op het punt staat zijn doel te bereiken, zijn doel, waarvoor hij alles, alles opgeofferd heeft, waarvoor hij als bedelaar, om brood en water aan de poort van een klooster klopte.
Hoe dacht hij op dat oogenblik aan den bedeltocht, die hem tot voor dat klooster bracht, waar hij slechts brood en water voor zijn zoontje vroeg, en niet alleen dàt kreeg, ook voor zich zelven; maar nog veel meer. De vriendelijke Prior had hem zijne hulp aangeboden ter bereiking van het doel, dat hem, den voormaligen planter, tot den bedelstaf gebracht had.
Wel lag er tusschen het oogenblik, dat hij het klooster binnentrad, en dat waarop hij van Palos uitzeilde, een lange tijd met veel moeite en teleurstelling, maar toch had hij gezegevierd; hij mocht aan zijn plan uitvoering geven.
En nu, hij gevoelde het, en zijne borst zwol van gelukkigen trots, nu stond hij op het punt, dat hij heel de wereld zou kunnen toeroepen: „Waar zijn ze nu, die mijn plan nog de hersenschim van een’ dweper durven noemen?”
Neen, het fel bewogen gemoed van den koenen, vurig geloovenden man, ontnam hem de behoefte aan slaap. Hij kon niet anders dan waken.
De „dagwacht” echter telde niet één’ dweper; ze bestond uit half onverschillige, half moedelooze mannen, die hunne taak op de gewone wijze volbrachten. Waarom zouden zij het ook op buitengewone wijze doen? Er was immers toch niets bijzonders?
Dat beweeglijke licht? Ei kom, wat zou dat? Een spel der verbeelding was het geweest, en niets anders.
De „hondenwacht” had wel wat gemompeld van eene donkere plek, die heel wat anders leek dan eene wolk, maar wat beduidde dat? Zij zagen dezelfde donkere plek ook, doch het kon niets anders zijn dan een nevel aan de kimmen, of eene laaghangende wolk, waaruit de verbeelding van Admiraal, Kapiteins en Volk, zoo dikwijls reeds land getooverd had!
Onverschillig liep men langs het dek heen en weer, en verlangde maar naar de opkomst der zon, die hare komst in de landen tusschen de keerkringen niet met zulk eene lange schemering aankondigt, als in de gematigde luchtstreek het geval is.
Reeds aanboord der „Pinta” had men even na middernacht het geroep van „Land! Land vooruit!” gehoord, doch geheel overgegeven aan eene doffe onverschilligheid, hechtte men er geene waarde aan.
Eindelijk braken de eerste lichtstralen der schemering door, en nauwelijks werd het donker van den nacht eenigszins verdreven, of een matroos, Rodrigo de Triana, die niet steeds als de anderen het Westen inkeek, ontdekte ten Noorden van de „Santa Maria” land. Vol vreugde snelde hij naar den Admiraal, om hem de blijde tijding te brengen, ten einde daardoor in de gelegenheid te zijn, om de uitgeloofde belooning te ontvangen van zesentwintig dukaten, benevens het zijden wambuis, dat de Admiraal een paar dagen vroeger nog uitgeloofd had aan hem, die het eerst land zag.
Waaraan het ligt, weet ik niet, doch over die uitgeloofde belooning wordt zeer verschillend gesproken. De een zegt, dat het een jaargeld of lijfrente was, en de ander, dat het eenvoudig eene belooning was, welke ineens, maar ook niet meer dan eens uitgekeerd werd. Volgens den een was die belofte reeds schriftelijk gegeven door Ferdinand en Isabella, en volgens den ander deed Columbus die belofte in zijne betrekking als Onder-koning van al de landen, die hij ontdekken zou, in naam van zijne Meesters. Volgens den een was het eene som van tienduizend maravedis, wat dan zooveel zou wezen, als vijfendertig gulden van onze munt. Een ander spreekt van dertien escados of zoogenaamde schilddaalders, wat ongeveer veertig gulden zou bedragen hebben. Die sommen ontloopen elkander niet veel, maar over het toekennen ervan verschilt de eene schrijver aanmerkelijk met den ander. Er zijn schrijvers, die beweren, dat Columbus dat jaargeld, of die belooning voor één keer en aan zichzelven uitbetaalde, omdat hij de eerste was geweest, die het beweeglijke licht ontdekt had, hetwelk blijkbaar van het land kwam. Een ander schrijver spreekt wel van de uitgeloofde belooning, doch rept er met geen enkel woord van, wie ze kreeg, terwijl weer een derde zegt, dat Rodrigo de Triana ze ontving, doch inplaats van dezen matroos deel te laten uitmaken van de bemanning der „Santa Maria”, plaatst hij hem op de „Pinta”, en is hij de man, dien hij even na middernacht het geroep van „Land vooruit!” laat aanheffen. Zeker is het, dat als aan iemand de belooning moest uitgereikt worden, deze niet toekwam aan Columbus, want hij had zich wel gewacht om stellig te verklaren: „Land vooruit!” Ook aan het volk, dat bij hem aanboord was, kwam die belooning niet toe, want het volk der „Pinta” was hun voor geweest.
Behalve over die belooning, loopen de schrijvers ook zeer uiteen, omtrent het gedrag van het scheepsvolk op die moeielijke en langdurige reis. Volgens sommigen sloegen de matrozen meer dan eens tot oproer over, en was Columbus zelfs genoodzaakt, om, wilde hij het leven behouden, de belofte af te leggen, dat ze zouden terugkeeren, indien men na drie dagen nog geen land gevonden had.
Later zullen we nog dikwijls genoodzaakt zijn, om achter eene daad van Columbus een vraagteeken te zetten, en de oorzaak hiervan laat zich hieruit verklaren.
Columbus was een vreemdeling, die hooge eischen stelde. Als vreemdeling was hij in Spanje reeds gehaat, en telde men de hooge eischen, die hij stelde, niet, omdat men er toch aan twijfelde of hij den weg naar de Indiën wel vinden zou. Maar toen hij dien weg beweerde gevonden te hebben, en er bijna niemand was, die aan de waarheid twijfelde, bracht men die eischen wèl in rekening. Columbus schijnt verder iemand geweest te zijn, die gaarne zijn gezag liet gelden, doch die geen overleg bezat om dat op eene verstandige en omzichtige wijze te doen. Hoe het zij, hij had in Spanje veel meer vijanden dan vrienden. Zijne vijanden berokkenden hem veel kwaads, en wisten allerlei minder goede dingen van hem te vertellen, om hunne houding tegenover hem te rechtvaardigen. Zijne vrienden, hierover gebelgd, aarzelden niet om Columbus’ deugden breed uit te meten en zijne gebreken òf te bewimpelen, òf te verzwijgen, òf wel te loochenen. Nemen we verder in aanmerking, dat zijn logboek niet in den haak was, en dat het dagboek, hetwelk hij aangelegd en zorgvuldig bijgehouden had om het Ferdinand en Isabella terhand te stellen, natuurlijk eigen fouten verzweeg, dat verder zijne levensgeschiedenis, die het meest aangehaald wordt, naar het heet, geschreven werd door zijn eigen zoon, dan zullen we ons niet zoo zeer verwonderen, dat de berichten omtrent zijn persoon en zijne handelingen, zoo zeer uiteen loopen.
Zoodra Columbus de blijde tijding vernam, snelde hij naar het dek, en—hij ook, hij zag het land!
Welk eene algemeene vreugde er aanboord van de drie scheepjes heerschte, kan niet beschreven worden. Zelfs de ruwste zeerobben, die zich wellicht zouden schamen om in hun eigen land te laten zien, dat ze nog tranen hadden, weenden van blijdschap en omarmden elkander. Het was geen wonder ook. De vele teleurstellingen, die ze ondervonden, en de angsten, die ze uitgestaan hadden, maakten de blijdschap des te grooter, en vol dankbaarheid hieven ze, doch nu niet in het gezicht van eene wolk, die ze voor een eiland hielden en zich in de lucht oploste, maar in het gezicht van een echt land, een „Te Deum laudamus: Te Dominum confitemur. Te aeternum Patrum, omnis terra veneratur” aan, dat is: „U, o God, loven wij! U, o Heer, belijden wij! U, o Eeuwige Vader, vereert de gansche aarde!”
Neen, het was nu geen gezichtsbedrog, want zie, toen de zon geheel boven de kimmen verrezen was, en de schepen het land naderden, wemelde het strand van inboorlingen, die vol verbazing de schepen zagen naderen.
Zij wisten niet, wat zij zagen, want de zeilen deden hen denken aan vleugels, en de rompen der schepen werden daardoor in hunne oogen tot vogels herschapen.
Vrijdag, de twaalfde October van het jaar 1492, is en blijft, hoe men ook over Columbus denken moge, een dag die een der merkwaardigste in de wereld-geschiedenis heeten mag. Die drie scheepjes, met hunne honderdtwintig mannen, deden hier meer dan zelfs een Godfried van Bouillon voor Jeruzalem deed. Was deze, door zijne grootsche daad, bij machte om aan Europa’s maatschappelijke instellingen eene andere richting te geven, Columbus met zijne mannen gaf aan de heele maatschappij, zooals ze over de Oude, en nu ook de Nieuwe wereld verspreid was, een’ ruk, die haar niet alleen van koers deed veranderen, maar ook in eene heel andere stelling bracht.
Na het eindigen van den lofzang, werden de booten uitgezet, om, op Portugeesche wijze, bezit van het land te gaan nemen.
Columbus was de eerste, die den voet aanwal zette, en toen allen, die in de booten geland waren, zich om hem heen schaarden, plantte hij den standaard van Kastilië en Aragon op het strand, en verklaarde plechtig het land in bezit te nemen voor Zijne Majesteit Koning Ferdinand en Hare Majesteit Koningin Isabella.
Dat Columbus met al zijne tochtgenooten in de stellige overtuiging was, dat hij de Indiën langs den westelijken weg bereikt had, weten we. Dat men nog verscheidene jaren daarna dit geloofde, en niet wist, dat men Plato’s fabelachtig Atlantis gevonden had, weten mijne lezers uit dit boek nog niet, maar toch is het zoo.
Volgens de nauwkeurigste onderzoekingen, was het eiland, dat Columbus het eerst ontdekte, het eiland Watling, dat behoort tot die groep eilanden, die zich boogvormig uitstrekt ten Noorden van Cuba en Haïti en bekend is onder den naam van Bahama-eilanden. Op sommige atlassen staat er ook de naam Guanahani bij, en wordt er bij vermeld, dat het voorheen San Salvador heette, en het eerst ontdekte eiland van Columbus was.
Van de inboorlingen, die vol aandacht de handelingen der vreemde mannen gadesloegen, vernam Columbus, zoo goed en kwaad dit met de gebarentaal ging, dat het eiland door hen „Guanahani” genoemd werd. Hij echter, bezield met het voornemen, den Christelijken godsdienst over de heele Indiën te laten prediken, noemde het San Salvador, wat in onze taal beduidt: „Heilige Verlosser”.
Vreemd moet het ieder schijnen, dat de inboorlingen zoo weinig vrees aan den dag legden, en bij de landing niet vol angst voor die zonderlinge wezens in hunne bosschen vloden. Hiervoor bestond echter eene oorzaak, die de Spanjaarden eerst later vernamen. Er was onder de inboorlingen van Mejico, dat later door Cortez ontdekt werd, eene oude voorspelling in omloop, waarover we bij de geschiedenis van Cortez breedvoeriger spreken zullen. Het zij voldoende hier te melden, dat de Mejicanen de komst dier „kinderen van de zon” verwachtten. Dat geloof was zelfs zóó sterk, dat een voornaam inboorling eens aan een’ Spanjaard vroeg, hoe ze uit den hemel neergedaald waren, op vleugels of op wolken? Hoogstwaarschijnlijk was die voorspelling ten deele ook doorgedrongen tot de eenvoudige bewoners der Bahama-eilanden.
Eenvoudig, ja, dat waren ze, en wel tot groote teleurstelling der Spanjaarden. Om goud te verkrijgen, hadden ze zich tot het doen van dezen gevaarlijken tocht verbonden; aan goud dachten ze elken dag van hunne lange reis. Het woord „goud” was instaat, de vrees in moed te veranderen. Vertellingen, waarin goud eene hoofdrol speelde, hadden het eentonige leven aanboord eenigszins verlevendigd; van goud droomden ze. En zie, de inboorlingen liepen bijna naakt, en van paleizen en tempels, gedekt met gouden platen, was niets te zien. Alleen hadden sommigen den neus doorboord, en droegen in die opening, als sieraad, kleine gouden staafjes. Wapenen van metaal kenden ze zóó weinig, dat een hunner in Columbus’ zwaard liep, en zich daardoor deerlijk verwondde.
Waarlijk, de teleurstelling was al te groot, waar de verwachting zoo buitengewoon gespannen was. Toch, de menschen hadden goud, al was het weinig, en toen men, natuurlijk steeds met gebaren, hun gevraagd had, vanwaar ze dat goud hadden gekregen, wezen ze naar het Zuiden.
Zoodra men dit vernomen had, wilde Columbus niet langer op dat kleine eiland blijven, en reeds twee dagen later verliet hij het, om zijne ontdekkingen voort te zetten. Met het doel hun op den verderen tocht eenig Spaansch te leeren, opdat ze dienst zouden kunnen doen als tolken, nam hij zeven inboorlingen mede, en zette koers naar het Zuiden. Hij zag nu verscheidene eilanden en eilandjes, doch daar geen dezer het gezochte „Zipangu” kon zijn, deed hij er slechts drie aan, en zeilde de andere voorbij. Ook op de drie eilanden, die hij bezocht, vond hij dezelfde, onbeschaafde, arme, doch goedige inboorlingen, die, als sieraad, een gouden staafje door den neus droegen, en op zijne vraag, vanwaar ze dat goud hadden, hun antwoord, door gebaren, geregeld deden luiden: „Uit eene streek ten Zuiden van hier!”
In den vroegen morgen van den achtentwintigsten October, kreeg men echter eene kust in het gezicht, welke niet aan een eilandje, als de reeds ontdekte, kon behooren. Het moest de kust zijn van een zeer groot eiland, of van het vasteland. De monding eener rivier ziende, liep Columbus deze binnen, niet alleen met het doel om dit land in bezit te nemen voor Spanje of het te laten onderzoeken, maar ook om de schepen, die op den tocht veel geleden hadden, eens goed te laten herstellen.
Bij het naderen der schepen, waren twee kano’s hun te gemoet geroeid, doch toen Columbus de zeilen liet strijken en de ankers liet vallen, namen ze de vlucht.
Zoodra men aanwal was, werd het land op de gebruikelijke wijze in bezit genomen, en door Columbus „Juana” genoemd. Thans draagt het den naam van Cuba. Het is nog altijd in het bezit der Spanjaarden, en voor hen, wat Java voor de Nederlanders is, hoewel het voor Spanje zoo vele voordeelen niet oplevert. In grootte ontloopen deze twee eilanden elkander zoo heel veel niet, daar Java slechts tweehonderd vierkante geographische mijlen meer oppervlakte heeft. Het binnenland is bergachtig, en de hoogste top heeft eene hoogte van vijfentwintighonderd Meters. Tal van rivieren, die uit den aard der zaak niet groot kunnen zijn, stroomen naar de kusten, en maken den vruchtbaren grond zeer geschikt voor den landbouw. Suiker, koffie, katoen, tabak, cacao, indigo, maïs, rijst, ananassen, bananen, allerlei zuidvruchten en kostbare houtsoorten zijn de tegenwoordige voortbrengselen uit het plantenrijk. Als men echter weet, dat slechts het elfde deel van de heele oppervlakte des eilands vrij goed bebouwd wordt, en dat de overige tien elfde deelen zoo goed als geheel verwaarloosd worden, dan springt het terstond in het oog, dat de Spanjaarden van deze heerlijke bezitting al heel weinig voordeel trekken.
De vraag der eerste ontdekkers: „Is er goud?” besliste over het toekomstige lot van alle landen, die door de Spanjaarden ontdekt werden.
Op eene vraag, die men eens aan Cortez deed, waarom de Spanjaarden toch zoo altijd naar goud verlangden, luidde het antwoord: „Wij lijden aan eene ziekte, waartegen goud het eenige geneesmiddel is.” En zóó was het. De goudkoorts was Spanjes ziekte, en het scheen, dat zij zich verhief, naarmate men het geneesmiddel meer vond.
„Is er goud?” Men kon die vraag nu niet aan de inboorlingen doen, want dezen lieten zich aanvankelijk niet zien. Nu stuurde Columbus eenige gewapende mannen, vergezeld van een paar eilanders van San Salvador, het binnenland in.
De mannen drongen meer dan zestig mijlen landwaarts in, en toen ze terugkwamen, deelden ze aan hunne nieuwsgierige makkers mede: „Het land is buitengewoon vruchtbaar, zeer goed bebouwd, en vol prachtige bosschen. Wij zijn op een dorp geweest, en werden daar niet alleen vriendelijk ontvangen, maar men kuste ons zelfs de voeten, als wilde men ons goddelijke eer bewijzen. Zij gaven ons volop te eten, en wel een soort van wortels, die, als ze gekookt waren, in smaak veel geleken op kastanjes. Het brood, dat we kregen, was uitnemend om te eten, en gebakken van een meel, dat ze „cassave” noemden. Wilde dieren hebben we nergens gezien, ja, we ontdekten zelfs geene andere viervoetige dieren dan eene soort van honden, die niet kunnen blaffen, en diertjes, die wel wat op konijnen geleken.”
„„En is er goud?””
„De inwoners van het dorp liepen niet zoo naakt, als die van San Salvador, maar hunne hutten waren zeer eenvoudig, ja, bijna armoedig ingericht. Slechts door den neus droegen velen een gouden staafje. Wij hebben eenigen van hen overgehaald, om ons te volgen. Daar zijn de lieden; oordeelt nu zelf!”
De medegebrachte inboorlingen werden voor Columbus gebracht, en nadat deze, met behulp der tolken, wat evenwel nog zeer gebrekkig in zijn werk ging, hun een en ander gevraagd had, wees hij op de gouden neusstaafjes, en vroeg: „Vanwaar krijgt gij dat goud?”
De inboorlingen antwoordden: „Uit Cubanacan,” wat beteekende: „Uit het binnenland van ons eiland.”
Columbus, die niet beter wist, dan dat hij werkelijk de eilanden, die ten oosten van Azië lagen, bereikt had, en die Cuba voor Zipangu hield, meende nu uit „Cubanacan” te moeten verstaan: „Groot-Khan”.
Thans was, indien hij nog bestond, alle twijfel opgeheven. Dit eiland wás Zipangu, en ten zuiden lag het goudland. Dat kon niet anders zijn dan Kataï, want daar woonde immers de „Groot-Khan”?
Al heel spoedig echter werd Columbus tot eene andere dwaling gebracht.
Drie der tolken, die aanboord van de „Pinta” waren, herkenden het land zeer goed, en nu zeiden ze tot Martin Alonzo Pinzon, dat achter de kaap, die daar voor hen lag, eene rivier was, en slechts vier dagreizen daarvan verwijderd was het zoogenaamde „Cubanacan”.
Pinzon gaf hiervan aan Columbus terstond bericht, en nu redeneerde deze: „Als vier dagreizen van deze rivier Cubanacan gevonden wordt, dan is dat niet het eiland Zipangu, maar dan hebben we het vasteland van Azië vóór ons, en bevinden we ons in de nabijheid van het machtige Tataarsche rijk Kataï.”
Hij vatte het plan op om er heen te zeilen en dan een Gezantschap naar den Groot-Khan te zenden, doch hoe men zocht, nergens werd eene geschikte ankerplaats gevonden, zoodat de reizigers weder den steven wendden naar de plaats, die ze verlaten hadden.
Onder den ruilhandel, die andermaal gedreven werd, vernam Columbus, dat de Vorst van het land vier dagreizen ver in het binnenland woonde, en nu besloot hij, er toch een Gezantschap heen te zenden.
Bij hem aanboord diende Louis De Torres, een bekeerde Israëliet, die niet alleen Hebreeuwsch en Chaldeeuwsch, maar zelfs Arabisch verstond. Aan het Hof van den „Groot-Khan” zouden er stellig zijn, die ook Arabisch spraken, en daarom werd De Torres met nog een’ anderen Spanjaard uitgezonden om den „Groot-Khan” de komst bekend te maken van een’ Afgezant van den machtigen Koning van Aragon en de Koningin van Kastilië. Voor de zekerheid gaf Columbus echter ook een’ der tolken mede.
Na verloop van eenige dagen keerde De Torres terug, met het teleurstellende bericht, dat hij den Vorst gezien had, maar dat hij niet met hem had kunnen spreken. Dit had de tolk moeten doen, en het was geen wonder, want van den „Groot-Khan” was geene sprake. Inplaats van de groote stad „Quin-sai”, waar alles van goud, zilver, diamanten en parelen moest blinken, hadden ze een dorp gevonden van hoogstens vijftig ellendige hutten. De bewoners, ten getale van ongeveer duizend zielen, liepen ook bijna geheel naakt, en de Koning van het land was een alledaagsch man, zonder eenige uiterlijke teekenen van zijne hooge waardigheid. Het merkwaardigste, dat ze gezien hadden was, dat de inboorlingen droge bladeren, die ze „tobacco” noemden, in elkander rolden, in den mond en dan inbrand staken om den rook in wolken uit te blazen. Zij waren met allerlei eerbewijzen ontvangen, dat was waar; men had hen, als boden des hemels of zonen der goden vereerd, dat was óók waar. Het land was verder overal even schoon, en vruchtbaar, vol prachtige boomen, bloemen, vruchten en veldgewassen, het kon niet tegengesproken worden, maar—van goud, zilver, diamanten of parelen was geene sprake. Om Columbus te overtuigen van de waarheid van hetgeen ze zeiden, hadden ze drie mannen uit het dorp medegebracht.
Dit was dus eene nieuwe teleurstelling, en daar de nachten koel begonnen te worden, vreesde hij, dat hij in den winter vervallen zou, zoo hij in bijna noordelijke richting voortzeilde. Men keerde dus terug, en voer naar het Oostzuidoosten zonder het eiland ergens aan te doen. Op dien tocht had Columbus met veel tegenwind te worstelen, en toen hij eindelijk ten oosten van Cuba weer aan alle kanten de zee had, ontdekte hij ver in het Zuidoosten land. Hopende dat dit het verlangde rijk van den „Groot-Khan” zijn zou en dat daar het goudland was, zeilde hij er heen, doch een sterke tegenwind dreef hem ver van den koers. Opeens ook ontdekte hij, dat de „Pinta” afhield, en hoe er ook geseind werd, niet terugkwam. Intusschen viel de avond, doch toen den volgenden dag de zon opkwam, was de „Pinta” verdwenen.
Columbus zeide, dat Martin Pinzon niet tegen wind en zee had kunnen opwerken, en nu, ver van het land geslagen, misschien wel verloren was.
Hij vergiste zich echter. Een der tolken had op zijne manier zoo duidelijk het goudland aangewezen, dat Martins hebzucht overhand kreeg over de vriendschap. Hij had besloten op eigen gelegenheid, en zonder Columbus, dat goudland op te zoeken.
Andere geschiedschrijvers stellen het zóó voor, alsof Columbus zeer goed wist, wat zijn Onder-bevelhebber in het schild voerde. Hij vreesde evenwel, zoo zegt men, dat mogelijk ook Vicente het voorbeeld zijns broeders zou volgen, als hij wist, dat Martin het waagde, den Admiraal ongehoorzaam te zijn. Mogelijk zou zelfs het volk van de „Santa Maria” daardoor oproerig durven worden. Door nu te vertellen, dat de „Pinta” door storm en hooge zeeën uit den koers geslagen en denkelijk verloren was, kon hij die ongehoorzaamheid voorkomen. Toen later Martin weer bij Columbus kwam, liet de laatste echter niet blijken, dat hij hem wantrouwde, hoewel dit toch wel degelijk het geval was. Dit bleek later uit Columbus’ daden.
Pas den vijfden December kwam Columbus bij dat nieuwe land aan. Het duurde lang eer hij eene geschikte plaats kon vinden om er te ankeren, en op dien tocht langs de kust zag hij dat het ook een schoon en vruchtbaar land was met bergen, die met verbazend groote en trotsche wouden overdekt waren.
Eindelijk zag hij eene kleine baai, die hij binnenliep. De enkele inboorlingen, die men af en toe gezien had, hadden allen de vlucht genomen, doch ten slotte wisten de matrozen zich meester te maken van eene jonge vrouw, die ze bij Columbus brachten.
De Admiraal begreep dat hij door middel van deze vrouw met de inboorlingen misschien vertrouwelijk zou kunnen worden. Hij vroeg haar niet veel, doch gaf haar eenige glazen koralen en een paar andere kleinigheden en liet haar toen weer teruggaan.
Dat middel had geholpen, want nu kwamen de bewoners spoedig van alle kanten opdagen om ruilhandel te drijven. Met de meeste vriendelijkheid en gastvrijheid boden ze den Spanjaarden cassave-brood, visschen en vruchten. Zij waren blanker en schooner van gestalte dan alle inboorlingen, die men tot op dit oogenblik gezien had, doch ze liepen ook bijna naakt, en schenen niet alleen zeer onwetend, maar ook zeer arm te zijn, en het gebruik van het ijzer kenden ze niet, want hunne wapenen bestonden slechts uit eene soort van lansen, die aan de punt van eene scherpe, doch groote vischgraat voorzien waren.
Op de vraag hoe hun land heette, gaven ze ten antwoord: „Haïti”.
Columbus nam er weer plechtig bezit van, en noemde het „Hispaniola” of „Klein Spanje”. Later gaf hij het den naam van „San-Domingo”.
Hoe vriendschappelijk ook door de inboorlingen ontvangen, er ontbrak wat aan. Hoe schoon het eiland, van de kusten gezien, ook schijnen mocht, er haperde wat aan.
Men vond slechts weinig goud.
Blijkbaar waren de bewoners zeer vredelievende menschen, die tevreden en gelukkig leefden te midden van eene onuitputtelijk rijke natuur, en onder het bestuur van een’ Vorst, die den titel van Kazike droeg, en die geen tiran of dwingeland, maar een zachtzinnig en goed man was. Wat wilde men meer?
Ja, dat die onnoozele menschen tevreden en gelukkig waren, wilden de Spanjaarden wel aannemen, zulke onbeschaafde wezens hadden ook zooveel niet noodig, en de staat van onbeschaafdheid, waarin zij leefden, maakte ook de behoeften zeer gering. Maar zij, de beschaafde Spanjaarden, hadden een heel ander begrip van het woord behoefte, en om aan die behoeften te voldoen, hadden ze goud, zilver, parelen of diamanten noodig. En juist dát alles vonden ze hier niet, en daarom togen ze steeds verder langs de kust, overal zoekende, overal vragende naar goud en naar niets anders dan goud.
Op dien tocht liepen ze eene kleine, natuurlijke haven binnen, en hoewel de bewoners aanvankelijk zeer schuw waren, gelukte het den Spanjaarden toch ook met hen vertrouwelijk te worden. Columbus kreeg zelfs een bezoek aanboord van een’ jongen Vorst of Kazike, en deze vereerde den Admiraal een’ sierlijk afgewerkten gordel en twee stukken goud. Inruil hiervoor gaf Columbus hem een’ lap laken, een paar schoenen van gekleurd leder, eene flesch met water van oranjebloesem en eenige glazen koralen. Meer dan elders lachte deze schoone streek den Spanjaarden toe, zoodat ze besloten er eene soort van vestiging te bouwen, waar men vertoeven kon, als men niet aanboord was. Midden op het dorpje, als men de verzameling van huizen althans zóó noemen mag, maakten ze bovendien een zeer groot houten kruis, en zoowel aan het woonhuis, als aan het kruis, arbeidden de inboorlingen trouw mede. Ja, toen het kruis klaar was, en de Spanjaarden er voor nederknielden, bogen ook de goedhartige en eenvoudige inwoners de knieën. Was het wonder, dat Columbus, dit ziende, overtuigd was, dat de prediking van het Evangelie hier in vruchtbare aarde vallen zou?
Eenige dagen daarna, het was op den tweeëntwintigsten December, ontving Columbus een bezoek van Guacanagari, blijkbaar den voornaamsten Vorst van het heele eiland. Vooraf echter kwam de eerste dienaar van dien Vorst en gaf den Admiraal, uit naam van den Kazike, eenige geschenken. Tot die geschenken behoorde een gordel, waaraan gekleurde balletjes en kunstig bewerkte beentjes waren, en verder was er ook bij een houten menschenhoofd, met ooren, neus en tong van goud. Na deze geschenken te hebben overgereikt, verzocht hij Columbus aan het verzoek van den Kazike te willen voldoen, door met zijne schepen een weinig oostelijker eene baai binnen te loopen.
Columbus voldeed hieraan, en zoodra hij binnen de bedoelde baai lag, zond hij eenigen van zijn volk naar de plaats waar de Kazike waarschijnlijk zijne residentie had en de Afgezanten wachten zou.
De Spanjaarden werden met allerlei bewijzen van eerbied en hoogachting ontvangen, en toen de Kazike aan ieder hunner een katoenen kleed gegeven had, kwamen ook de inboorlingen aandragen met eene groote menigte van de heerlijkste vruchten.
De Kazike had de Afgezanten gaarne bij zich willen houden, doch dezen waren verplicht om naar hunne schepen terug te keeren. Bij hun vertrek gaf hij hun voor den Admiraal eenige tamme papegaaien en een paar stukken goud mede.
Terwijl de Afgezanten op bezoek bij den Kazike waren, kwamen talrijke kano’s langszij de schepen van Columbus, en alle inboorlingen, die hem het een of ander aanboden, verzekerden hem, dat het land niet alleen schoon en vruchtbaar, maar ook buitengewoon rijk aan goud was. Zij hadden bij het noemen van goud naar het Oosten gewezen, en den naam „Cibao” genoemd.
Later bleek het, dat dit Cibao eene streek in het midden van hun eiland was, welke ten oosten van deze baai lag. Columbus echter bracht alles, wat hij hoorde of zag, in verband met de Indiën, en de namen van volken, landen en steden, welke genoemd werden in de reisbeschrijving van Marco Polo. Zoo verwarde hij „Cibao” met „Zipangu”, en die verwarring ontstond nog te eer, omdat de eenvoudige Haïtiërs hem mededeelden, dat de Kazike van dat land gouden huizen en gouden banieren had.
Wie zich over de onnoozelheid van Columbus verbaast, waar deze van Cibao,—men spreekt de ao uit als onze ou,—eenvoudig Zipangu maakte, vergeet, dat het spreken met deze menschen nog zeer gebrekkig ging, daar men in een paar maanden tijds geene vreemde taal leert in een land, waar zelfs, voor de bezoekers, kunst- en natuurvoortbrengselen vreemd zijn.
Dit land Cibao, of zooals hij dan dacht, Zipangu, wilde hij opzoeken, en daartoe verlieten de schepen weer de baai. Nauwelijks echter was men buiten, of de Stuurman van de „Santa-Maria”, die met de klippen en riffen van het vaarwater onbekend was, liet zijn schip op eene blinde klip loopen. Het zat muurvast, en tot overmaat van smart bleek het weldra, dat het ook gebroken was. Thans was het „haast-je, rep-je,” om alles, wat aanboord was, op de „Nina” over te brengen, en daar de wal gelukkig nog gemakkelijk te bereiken viel, zoo werden daar tal van voorwerpen gebracht, waarvoor op de „Nina”, die zeer klein was, niet zoo dadelijk plaats kon gevonden worden. De goedige Haïtiërs, die getuigen van de ramp waren geweest, bewezen, bij het bergen, met hunne kano’s goede diensten.
Het verlies van de „Santa Maria” was voor Columbus bijna eene onherstelbare ramp, vooral nu de „Pinta”, die bijna even groot als het verloren Admiraalsschip was, hem verlaten had.
Hoe Columbus over de Haïtiërs dacht, vooral na deze schipbreuk, blijkt uit hetgeen hij schreef in het Journaal, dat hij aan Ferdinand en Isabella wilde geven.
„Zoo liefderijk, zoo meegaande en zoo vreedzaam zijn deze eenvoudige lieden, dat ik aan Uwe Majesteiten de plechtige verzekering geef, dat er op heel de aarde geene betere menschen zijn, en dat er nergens eenig land is, dat beter zou kunnen genoemd worden. Zij hebben hunne naasten lief, als zichzelven, en uit al hunne gesprekken straalt liefelijkheid en zoetheid. Hun mond heeft steeds een’ vriendelijk lachenden trek, en al loopen ze ook bijna naakt, toch zijn ze in al hunne manieren onberispelijk en betamelijk.”
Zeer neergedrukt door het verlies van de „Santa-Maria” zat den achtentwintigsten December Columbus in de kleine kajuit van de „Nina”, toen de goedhartige Kazike Guacanagari hem kwam bezoeken, en deze had zooveel medelijden met het leed des Admiraals, dat hij zijne tranen niet weerhouden kon.
Terwijl beide mannen daar bij elkander zaten, kwamen er matrozen in de kajuit, die zeiden dat er inboorlingen uit het Zuiden des lands gekomen waren, om stukjes en klompjes goud te verruilen tegen kleine valken-belletjes. Deze belletjes had Columbus vóór dien tijd al eens gegeven, en het scheen wel, dat de Haïtiërs hierop zeer gesteld waren; men zegt, dat ze op de maat van die belletjes godsdienstige dansen uitvoerden.
Op het hooren van dit belangrijke bericht verhelderde Columbus’ gelaat, en de verbaasde Guacanagari vroeg waardoor dit kwam.
Columbus deelde het hem mede, en eenigszins minachtend haalde nu de Kazike de schouders op, en zeide, dat er op grooten afstand in het gebergte zooveel goud te vinden was, dat men er weinig waarde aan hechtte. Gaarne wilde hij zorgen, dat de Admiraal hiervan een’ goeden voorraad kreeg. Ook Guacanagari noemde dat land „Cibao”, en natuurlijk was het, dat Columbus nu alweer aan Zipangu dacht. Maar in alle gevallen, Columbus sloeg dat aanbod niet af, en beloofde den Kazike den volgenden dag bij hem een bezoek te zullen brengen. Dit geschiedde ook, en toen de overvloedige maaltijd afgeloopen was, en de Kazike door zijne onderdanen eenige spelen liet uitvoeren, gaf Columbus bevel aan een’ der zijnen om vanboord een’ Moorschen boog met pijlkoker te halen, en dan meteen den Kastiliaan mede te brengen, van wien het bekend was, dat hij een uitnemend boogschutter was. Toen deze voor den Vorst en zijne onderdanen de noodige proeven geleverd had van hetgeen er met dit wapen kon gedaan worden, waren de Haïtiërs opgetogen van verbazing en verwondering, en de Kazike zeide, dat, als zijne onderhoorigen ook zulke wapenen hadden, die dan menigmaal te pas zouden komen.
„Of ze dan zooveel oorlog voerden?” vroeg Columbus.
„Nooit,” antwoordde Guacanagari. „Maar ver uit het Zuiden komen vaak de Caraïben, in kano’s, van hunne eilanden om ons hier te vangen, te slachten en te verslinden. Wij kunnen geene tegenweer bieden en niets anders doen dan in onze bosschen vluchten.”
Thans werd het Columbus duidelijk waarom de Cubanen en ook de Haïtiërs zoo schuw waren en van het strand vluchtten, zoodra ze de schepen zagen. Men zag hen aan voor Caraïben. Dat de bewoners van Guanahani heel anders gehandeld, en veel minder vrees betoond hadden, kwam zeker, omdat de Caraïben het niet waagden met hunne kano’s zich zoo ver in zee te begeven.
Intusschen bracht de geheel argelooze mededeeling van den Kazike den Admiraal op een denkbeeld.
Hij was nu al zoo lang uit Spanje afwezig geweest, en het werd tijd om weer terug te keeren, niet alleen om verslag van zijne ontdekkingen te doen en de belooningen te ontvangen, welke hij geëischt had, maar ook om nieuwe schepen te krijgen. Met de kleine „Nina” kon hij niets van belang uitvoeren, en bovendien, waar moest hij al het volk bergen en wáár alles laten, wat op de „Santa-Maria” geweest was?
Als hij hier eens eene sterkte liet bouwen en een deel van de bemanning achterliet, als bezetting? De kanonnen, het kruit, de kogels en de wapenen, die op de „Santa-Maria” geweest waren, konden dan in het fort blijven, en de „Nina” kreeg daardoor laadruimte vrij, en deze had hij hard noodig. Hij wilde toch aan Ferdinand en Isabella een en ander uit die vreemde wereld laten zien. Ze zouden hem dan beter gelooven, en zijn’ tegenstanders zou hij er het zwijgen door opleggen.
Hij deed Guacanagari dit voorstel en vol vreugde nam deze het aan, waarop men terstond aan het bouwen ging van het houten fort. De onnoozele Haïtiërs, door den Kazike onderricht, welk een groot geschenk de „Zonen der zon” hun geven wilden, hielpen met alle macht aan den bouw mede, en binnen een paar dagen was het fort, dat van Columbus den naam van „La Navidad” kreeg, voltooid. Om te laten zien welk eene uitwerking het geschut had, liet Columbus een paar kanonnen afschieten. Doodelijk verschrikt zagen de Haïtiërs welke vreeselijke verwoestingen de kogels konden aanrichten, maar ze begrepen ook, dat ze onder bescherming van zulke wapenen tegen de Caraïben volkomen bestand waren.
Zoo ongemerkt had de „Nina” toch nog al eene vrij rijke lading ingekregen, welke lading nog in waarde won door het vreemde waaruit ze bestond, want wat Columbus ook van de Westkust van Afrika te Lissabon had zien binnenkomen, en wat hij ooit in Genua gezien had, dat uit de Indiën aangevoerd was, nooit had hij gezien, wat hij aanboord had, en zijn volk ook niet.
Toch bleef Columbus standvastig in zijn geloof, dat hij de Indiën gevonden had, al weersprak dit ook bijna de heele lading. Het moet inderdaad vreemd genoemd worden, dat Columbus zelf dat niet inzag.
Veertig mannen, die zichzelven daartoe vrijwillig aangeboden hadden, liet hij als bezetting van „La Navidad” achter, en den vierden Januari van het jaar 1493 verliet de „Nina”, onder het gebulder der saluutschoten, het heerlijke eiland Haïti of Hispaniola, met zijne hartelijke bewoners.
Twee dagen na zijn vertrek ontmoette Columbus de „Pinta”, die, zooals later bleek, een’ vruchteloozen tocht gedaan had. Columbus deed, alsof hij de verontschuldigingen van Martin Pinzon aannam, en zeilde langs Haïti verder, hier en daar nog eenige baaien binnenloopende, om ruilhandel te drijven, en ten slotte om zich van een’ goeden voorraad cassave-brood en water te voorzien.
Den zestienden Januari staken de „Nina” en de „Pinta” den Oceaan in, doch nu op eene hoogere breedte dan ze gekomen waren, zeilden ze het Oosten in.
Aanvankelijk was de wind voor den terugkeer niet gunstig, doch daar het weder voortdurend goed en zonnig was, maakte niemand zich ongerust. Langzaam stak men de breede wateren over, en reeds had men de Azorische Eilanden in het gezicht, toen de twee schepen door een’ woedenden storm overvallen werden. Dagen lang werden de vaartuigen heen en weer over de baren geslagen. De „Nina”, een oud en slecht schip, liep het grootste gevaar, en, alsof het werk sprak, van de „Pinta” was geene hulp te verwachten, want die was alweer verdwenen. Vergaan was ze niet, dat wist ieder van Columbus’ mannen, die evenwel geen van allen gissen konden, dat Martin Alonzo Pinzon ten tweeden male opzettelijk de „Nina” verlaten had.
Columbus echter doorgrondde dien man volkomen. Martin zou beproeven, met zijn sterk schip Spanje te bereiken, want de „Nina” moest, naar zijne meening, stellig vergaan. Dan zou Martin ten Hove ijlen, en daar mededeelen, dat hij, en niet Columbus, de Indiën op de westelijke vaart gevonden had.
Nu, moest de „Nina” vergaan, dan zou ook de Admiraal zijn graf in de golven vinden, en hij zou er geene schade bij kunnen hebben, als een ander de eer der ontdekking zich toeëigende.
Maar Columbus was bij al zijne deugden zeer eerzuchtig, en hij wilde, dat ook na zijn’ dood zijn’ naam met eere zou genoemd worden door Spanjaard en vreemdeling, door vrienden en tegenstanders.
Of die eerzucht alleen sprak?
Columbus was ook Vader, en hij had te Cordova op eene der kloosterscholen zijne twee zoons achtergelaten om hen op te voeden en te onderrichten in alle wetenschappen, en wanneer nu een ander de eer kreeg, de Indiën gevonden te hebben, wat zou er dan van zijne kinderen worden?
Neen, bij al de eerzucht, die hem beheerschte, sprak ook de Vaderliefde, die hem bezielde, en die Vaderliefde denkelijk nog wel het meest.
Hij haalde het Journaal, dat hij voor Ferdinand en Isabella zoo trouw bijgehouden had, nam er, onder het schommelen en slingeren van het machtelooze schip, een afschrift van, en schreef daaronder een roerend slot, een afscheid aan de wereld. Hij deed dit op perkament, wikkelde het in eene waterdichte stof en verzegelde het. Daarop liet hij het in eene ton kuipen en—het werd aan de golven toevertrouwd. Het origineele Journaal werd op dezelfde wijze ingepakt en in eene ton gedaan, welke aanboord bleef. Verging de „Nina”, deze ton zou óók drijven, en waar uit de „Indiën” zoo menigmaal voorwerpen op Madeira of Porto-Santo waren aangedreven, daar zou toch wel ééne van die twee tonnen ook in handen van Europeanen komen.
Deze maatregelen van voorzorg waren evenwel niet noodig geweest. De storm bedaarde, en hoewel met zware averij, de „Nina” bleef behouden. Ze kwam op het eiland Santa-Maria aan, en velen der bemanning verlieten daar het schip, om in de Kerk God voor hunne redding te danken. De Portugeesche Gouverneur, meenende, dat de Spanjaarden naar Guinea geweest waren, waar ze volgens het besluit van den Paus niet mochten komen, liet deze mannen gevangennemen, doch toen Columbus de zaak opgehelderd had, werden ze weer vrijgelaten en de terugreis werd voortgezet. Andermaal werd echter, den derden Maart, de „Nina” door een’ vreeselijken storm aangevallen, en de Admiraal was genoodzaakt de Taag binnen te loopen. Zoo was hij dan andermaal te Lissabon, waar zijne komst alle gemoederen in beweging bracht, vooral toen men zag, niet alleen welke waren en handels-artikelen, maar ook welke vreemde menschen en dieren hij aanboord had.
Al heel spoedig ontwaarde Columbus, dat de Portugeezen heel ontstemd waren, dat de Spanjaarden den weg door het Westen naar de Indiën gevonden hadden. Eenige aanzienlijke mannen sloegen Koning Johan II zelfs voor, den gehaten Columbus te overvallen en te dooden, doch de Koning, hoeveel spijt hij ook mocht hebben, dat hij indertijd Columbus’ voorstel niet aangenomen had, wilde van zulk eene laaghartige handelwijze niets weten. Integendeel hij vereerde den moedigen en stouten ontdekker eene som van twintig ducaten, die hij aan den Stuurman der „Nina” moest uitkeeren, en den dertienden Maart vertrok Columbus uit Lissabon. Twee dagen later kwam hij te Palos aan. Het was de vijftiende Maart van het jaar 1493, en ontegenzeglijk mag deze datum een der merkwaardigste uit de Spaansche geschiedenis genoemd worden. Niet zoodra was het schip in het gezicht, of het heele stadje liep naar de haven.
Nauwelijks lag het schip aan den wal gemeerd, of Columbus gaf gehoor aan den aandrang van zijn vroom gemoed. Gevolgd door zijne schepelingen begaf hij zich terstond naar de kerk om God voor Zijne bescherming te danken. Spoedig was bekend geworden, dat Columbus de Indiën werkelijk ontdekt had, en de heele stad werd vervuld van het gejuich der opgetogen bewoners. Alle werkzaamheden werden gestaakt; de handelaars sloten hunne winkels, en, als op een’ hoogen feestdag, werden alle klokken geluid. Geen’ Koning kon meer eer bewezen worden dan Columbus tendeel viel.
Het eerste werk van den Admiraal, welke titel hem nu ten volle toekwam, was te vernemen, waar het Hof zich thans ophield, en toen hem gezegd was, dat de Koning en de Koningin zich te Barcelona bevonden, was hij aanvankelijk van voornemen om met de „Nina” er heen te zeilen. Daar het vaartuig op de reis echter veel geleden had, zag hij van dat plan af, en besloot hij, de reis naar de residentie over land te maken. Aan den avond van denzelfden dag kwam ook de „Pinta” te Palos aan. Voortgejaagd door den storm, of met opzet Columbus vooruitgezeild, was Martin Alonzo Pinzon toch zóó afgedwaald, dat hij te Bayonne in Frankrijk aangekomen was. Terstond stuurde hij eene boodschap naar Koning Ferdinand om dezen bekend te maken, dat de Indiën gevonden waren, en hem meteen te vragen of hij aan het Hof komen mocht om verslag van de ontdekking te doen. Of Pinzon nu werkelijk geloofde, dat Columbus en de zijnen in den storm omgekomen waren, dan wel of hij de eer der ontdekking zich wilde toeëigenen, is nog altijd de vraag. De vreemde handelwijze van dezen Pinzon doet evenwel het vermoeden aan de hand, dat hij Columbus onderkruipen wilde. Koning Ferdinand, die waarlijk den Genuees niet al te zeer genegen was, schijnt ook begrepen te hebben, dat Pinzons handelwijze niet in den haak was, want hij liet hem weten, dat hij wel aan het Hof verschijnen mocht, doch alleen in het gevolg van den Admiraal. Zoo nu deze Pinzon hoopte toch nog voor den Koning te zullen verschijnen, als ontdekker van de Indiën, omdat Columbus omgekomen was, dan zal die hoop wel dadelijk verdwenen zijn, toen hij des avonds te Palos kwam, en daar niet alleen de „Nina”, maar ook den Admiraal vond. Hij trok, naar het schijnt, zijn’ tegenspoed zich zóó aan, dat hij kort daarop stierf.
Nauwelijks van de vermoeienissen uitgerust, begaf Columbus zich nu over Sevilla op reis naar Barcelona. Dat moet voor den man een onvergetelijke tocht geweest zijn, want overal waar hij doortrok, werd hij als een machtig Koning ontvangen. Niet te ontkennen is het, dat Columbus zelf aan zulk eene ontvangst medewerkte, want al wat hij in die vreemde gewesten gevonden en naar Spanje medegebracht had, werd voor hem uitgedragen. Zelfs zes Indianen openden den tocht, en hadden met hunne beschilderde of gekleurde huid, en hun hoofdtooisel van vogelvederen buitengewoon veel bekijks.