Ontvangst van Columbus in Barcelona. Ontvangst van Columbus in Barcelona.

Het is eigenaardig, dat men zich altijd vergist heeft met te beweren, dat de oorspronkelijke bewoners van Amerika geboren roodhuidige menschen zijn. Dr. H. F. C. Ten Kate Jr. zegt in zijn „Reizen en onderzoekingen in Amerika”: „Eens en voor al moet ik hier wijzen op de onjuistheid der benaming „Roodhuiden”, eene benaming, die niet alleen zeer populair is, maar die zelfs haar’ weg in wetenschappelijke werken heeft gevonden. De Indianen hebben geene roode huid, evenmin als Hindoes, Javanen, Maleiërs of Polynesiërs, en ik geloof, dat men veilig kan aannemen, dat de Noord-Amerikaansche Indianen al de huidschakeeringen hebben van de zoo even genoemde rassen, en dikwijls zelfs lichter van kleur zijn. Bij de Moqui- en Zuïn-Indianen heb ik vrouwen gezien, die eene lichtere gelaatskleur hadden dan menige van hare zusters in Zuid-Europa. Het is echter de gewoonte, die bij zeer vele Indiaansche stammen bestaat, om zich het gelaat gedeeltelijk met eene roode kleurstof in te smeren, die den onjuisten naam „Roodhuiden” in zwang heeft doen komen.”

Wie zou na het lezen van Coopers en Aimards werken gedacht hebben, dat er geene geboren „Roodhuiden” waren!

Met dat al verschilden de Indianen toch zooveel van de Spaansche bevolking, dat ze iedereen terstond in het oog vielen, en dat ze zelfs hem, die nu nog niet gelooven kon, dat Columbus vreemde landen in het Westen gevonden had, terstond overtuigden, dat het land, dat zulke menschen zag geboren worden, een onbekend land moest zijn. Dat bewezen ook de dieren, die in den optocht waren, en vooral de bonte papegaaien verkondigden door hunne prachtige vederen, dat ze uit vreemde streken kwamen.

Eindelijk naderde Columbus met zijn gevolg Barcelona, en zoodra dit den Koning en de Koningin bericht was, begaven ze zich naar het groote marktveld, waar men alles voor Columbus’ plechtige en schitterende ontvangst had laten gereedmaken. Het Vorstelijk paar nam op eene tribune plaats, en ten aanschouwe van duizenden nieuwsgierigen mocht Columbus zich bij Ferdinand en Isabella neerzetten om verslag van zijne reis te doen. Hoogere eer kon Columbus al niet bewezen worden, dan te mogen zitten in het bijzijn van zijne Monarchen. Geen wonder dat dit eerbewijs onzen Columbus onder de trotsche Spaansche Edellieden nog meer vijanden bracht dan hij reeds had. Tegenover dien vreemdeling te moeten erkennen dat men zich vergist had, toen men zijn plan eene hersenschim noemde, was al erg genoeg, en dan nog te moeten zien, dat hem een voorrecht vergund werd, hetwelk den meesten onder hen nimmer verleend zou worden, dat was om de ergernis ten top te doen stijgen. Columbus’ vijanden waren evenwel zoo wijs om in die eerste dagen van algemeene geestdrift te zwijgen. Ze begrepen, dat ze hem dan nog meer tot den man van den dag zouden maken. Ze kenden Koning Ferdinand ook te goed, om niet te weten, dat diens geestdrift voor den Genuees spoedig genoeg bekoeld zou zijn, en daarom zouden ze hun’ tijd wel afwachten. De latere lotgevallen van Columbus zullen bewijzen, dat zijne vijanden volkomen hun doel bereikten. Ze mochten nu ook al niet doen, als de vereerders van den „Liguriër”, en hem op alle mogelijke wijzen vleien en verheerlijken, ze mochten hem zelfs zoo nu en dan in het geheim doen gevoelen, dat ze hem haatten en minachtten, in het openbaar hielden ze zich, alsof zij volkomen eenstemmig over Columbus dachten, als alle anderen. Of Columbus zich door hen liet verschalken, het is niet te denken. Maar hij trok er zich niets van aan, want de Koning en de Koningin hadden hem in al de bedongen waardigheden bevestigd. Hij was „Admiraal van den Oceaan” en „Onder-koning van de Indiën”. En zóó hoog geplaatst, zóó dicht bij den troon staande, en zóó gesteund door duizenden en duizenden uit het volk, gevoelde hij zich tegen alle aanslagen bestand. Dat wie hoog geklommen is, laag vallen kan, bedacht hij niet, en hieraan kon hij ook niet denken. Niet door vleierij, niet door slaafsche onderworpenheid, maar door grootsche daden had hij dat hooge standpunt bereikt, en—deze daden en die, welke hij nog verrichten zou, ze zouden hem handhaven in zijne waardigheden, want daden vielen niet weg te cijferen. De geschiedenis meldt die gedachten van Columbus niet, maar uit alles, wat hij een tijdlang deed, blijkt het dat hij aan geen „laag vallen” dacht.

Het groote nieuws dat de weg naar de Indiën door Columbus gevonden was door het Westen in te zeilen, verspreidde zich als een loopend vuurtje door al de landen van Koning Ferdinand en Koningin Isabella. Had het plan van Columbus bijna allen onverschillig gelaten, nu het bleek, dat het plan uitgevoerd was, en dat men, het Westen inzeilende, werkelijk in de Indiën kwam, zag men die onverschilligheid opeens verdwijnen en plaats maken voor de begeerte om in die verre landen Ridderlijke avonturen na te jagen, of zich te verrijken met het goud, dat er in overvloed was. Vooral de Spaansche Edelen, die eeuwen lang in een’ voortdurenden strijd, of, als er geen oorlog was, in veete met de Mooren geleefd hadden, waren geboren „mannen van wapenen”. Nu waren de Mooren geheel onderworpen, en de meeste Ridders liepen zich op hunne landgoederen vervelen. De Indiën brachten uitkomst; dáár konden ze den wapenroem van zichzelven en hun geslacht door nieuwe heldendaden vermeerderen en verhoogen.

„Wapenroem? Bah!” zoo dachten de kooplieden, wier zaken in wanorde waren, of zij, die zonder veel moeite en bijna zonder werken, schatrijk wilden worden. Het woord „goud” bracht hen in verrukking, en deed bij hen de begeerte ontstaan om te trekken naar die vreemde gewesten.

Overal kwam leven, overal beweging, overal een verlangen, om, onder aanvoering van Columbus, naar de Indiën te gaan, om daar ridderlijk te kampen, gemakkelijk rijk te worden, of om het Evangelie onder de Heidenen te verkondigen. Geen wonder was het dus, dat er nu met spoed aan eene nieuwe uitrusting gewerkt werd. En thans zouden het geene drie scheepjes zijn, tendeele bemand met booswichten, dieven en moordenaars! Neen, eene vloot zou men in zee brengen, en deze vloot zou bemand worden met de keur van Castiliës Edelen, met de kundigste zeelieden en met de meest berekende handelaars. Vrome en ijverige Monniken en Geestelijken zouden medegaan, en misplaatste spaarzaamheid zou niet aan het woord zijn, waar het gold de vloot van alles te voorzien.

De slimme Koning Ferdinand echter trachtte ondertusschen zich van de ontdekte landen niet alleen te verzekeren, maar ook alle andere volken den pas af te snijden, om door het Westen heen naar de Indiën te gaan. Een Pauselijke bul was daartoe voldoende, en daar Paus Alexander VI Borgia, een geboren Spanjaard was, en op het oogenblik zelfs in Spanje vertoefde, zoo repten Ferdinand en Isabella zich om van die schoone gelegenheid gebruik te maken. De Paus, die als een groot Staatsman bekend staat, begreep dat het verstandig was om zich naar de begeerten van de beide Monarchen te schikken, en door eene bul van den derden Mei 1493, en nog door eene andere van den volgenden dag bepaalde hij, dat alle ontdekkingen, die door de Spanjaarden in het Westen zouden gedaan worden, uitsluitend aan de Kroon van Spanje zouden behooren. Eene denkbeeldige lijn, die op honderd Spaansche mijlen afstands ten Westen van de Azorische Eilanden en van pool tot pool liep, zou de grensscheiding zijn tusschen Oost en West, wat in dit geval beduidde: tusschen Portugal en Spanje. Naar den zin van den Portugeeschen Koning was dat niet. Het schijnt dat deze begreep, dat die lijn niets te beduiden had, en er nog eene tweede noodig was. Immers, als hij het Oosten ingaande ook de Indiën vond, en hij vertrouwde dat dit gebeuren zou, dan moesten, het kon niet anders, Spanjaarden en Portugeezen op een bepaald punt der ronde Aarde elkander naderen? Hij wendde derhalve allerlei pogingen aan om die denkbeeldige grenslijn op te heffen. Dit gelukte hem evenwel niet, en hij kreeg alleen gedaan, dat bij eene bul van den zevenden Juni 1494 die grenslijn verlegd werd tot op driehonderd zeventig Spaansche mijlen afstands ten Westen van de Kaapverdische Eilanden.

Tot die beslissing hadden de Spaansche Monarchen echter niet gewacht met het uitzenden van Columbus op een’ tweeden ontdekkingstocht, en toen die grenslijn verlegd werd, was Columbus reeds lang andermaal in de Nieuwe wereld. Op die tweede reis willen wij hem volgen.


HOOFDSTUK VII.


LASTER EN NAIJVER.

Zoodra de eerste gunstige beschikking door den Paus genomen was, begon men alle krachten aan het uitrusten der vloot te wijden, en weldra lagen in de haven van Cadiz drie groote koopvaardijschepen en veertien karveelen te wachten op—geschikte manschappen. Twaalfhonderd mannen zouden medegaan, doch de aanvragen om mede te mogen trekken, waren zóó talrijk, dat men er nog driehonderd man bij deed. Ongelukkig genoeg waren onder die vijftienhonderd menschen slechts zeer weinigen, die zeeman van beroep konden genoemd worden, en daar de matrozen zich niet zoo gemakkelijk lieten vinden als de avonturiers, zoo werd het nog de vijfentwintigste September 1493 eer Columbus kon uitzeilen. Gedurende dien tijd had Columbus reeds menigmalen tegenwerking ondervonden. Koning Ferdinand had Don Juan Rodriguez De Fonseca benoemd om toezicht op de uitrusting te houden en meteen voor het welbesteden van het geld te zorgen. Fonseca behoorde tot de geheime tegenstanders van Columbus, en eer deze uitzeilde, was het over de bezoldiging van het schitterende gevolg des Admiraals tot onaangenaamheden gekomen, daar Fonseca en de Betaalmeester, Don Juan De Soria, die bezoldiging weigerden uit te betalen. Koningin Isabella bleef hem in deze netelige omstandigheden, die tot groote moeielijkheden aanleiding konden geven, trouw ter zijde staan, zoodat Columbus triumfeerde, en zich machtig genoeg gevoelde om zijn’ tegenstanders trotsch het hoofd te bieden.

Terstond na zijn vertrek richtte Columbus den koers naar de Kanarische Eilanden. Bij Gomera, op Groot-Kanarië, werd het anker uitgeworpen. Men voorzag daar de vloot van versch water en brandhout, nam er kalveren, geiten, schapen en varkens aanboord, en zorgde meteen om zich te voorzien van allerlei zaden van planten, met het oogmerk, om die dieren en planten naar de Indiën over te brengen. Toen de vloot gereed was om het Westen in te stevenen, gaf Columbus aan iederen Scheepsbevelhebber een’ verzegelden brief, met last, dien slechts te openen, wanneer zijn schip van de overige schepen afgedwaald was. In dien brief zou hij dan kunnen zien hoe hij varen moest om op het eiland Hispaniola aan te komen. Er ligt iets geheimzinnigs in deze handelwijze van Columbus, dat eenige opheldering behoeft. Columbus wilde de wegwijzer blijven, om aan de Spanjaarden de gelegenheid te ontnemen, op eigen hand op ontdekkingen uit te gaan en zich daardoor bij de Monarchen verdienstelijk te maken. Deze mededingers zouden voor het behoud zijner hooge waardigheid gevaarlijk worden, en dat er vele Edelen aanboord waren, die hem gaarne den voet lichten zouden, wist hij maar al te goed, en zijn broeder Diego, die hem op deze reis vergezelde en die meer voor Geestelijke dan Krijgsbevelhebber geschikt was, en daardoor bij velen in zekere minachting stond, kon vaak ervaren, dat er tal van Edelen en Ridders op de vloot aanwezig waren, die slechts gedwongen Columbus als hun’ Opperbevelhebber beschouwden, en zich aan zijn gezag zouden onttrekken, zoodra zij meenden, dat er aan hunne waardigheid van Hidalgo te kort gedaan werd.

De tocht, die door Columbus thans veel zuidelijker gemaakt werd dan op de eerste reis, in de hoop de eilanden der Caraïben te zullen vinden, waarvan de inboorlingen hem verteld hadden, was vrij voorspoedig. De schepen bleven steeds in elkanders gezicht, en den dag, na dien waarop men op de heele vloot het feest van Allerheiligen gevierd had, werd een eiland ontdekt. Het was het eerste der Caraïbische Eilanden. Men ging er niet aan wal, en toen de vlotelingen, ongeduldig om toch aan land te gaan, er bij hem herhaaldelijk op aandrongen, gaf hij dit eiland den naam van „Deseada”, dat „Verlangen” beteekent. Op den Zondag, die daarop volgde, ontdekte men opnieuw een eiland. Columbus noemde het naar den dag waarop het ontdekt was, „Dominica”, doch daar hij nergens eene geschikte plaats vond om te ankeren, zoo besloot hij verder te zeilen, en vond nu achtereenvolgens de eilanden, die hij den naam gaf van „Marie Galante” en „Guadaloupe”. Dezen laatsten naam gaf Columbus aan dit schoone eiland, omdat hij den Abt van het klooster Onze Lieve Vrouwe van Guadaloupe in Estramadura beloofd had, een nieuw ontdekt deel der Indiën naar zijn klooster te noemen.

Toen men in de nabijheid van dit eiland eene goede reede gevonden had, liet men het anker vallen en begaf een deel der schepelingen zich aan wal, om het eiland nader te verkennen. Zoodra de Spanjaarden in booten den wal naderden, hadden de bewoners met zooveel overhaasting de vlucht genomen, dat ze zelfs eenige kinderen achterlieten. Het volk, aan den wal gekomen, deed den kinderen geen leed, integendeel, men gaf hun allerlei snuisterijen, vooral belletjes, waarop de Indianen verzot waren. Men hoopte door deze kleine geschenken de Ouders te winnen, doch dit mislukte. De Spanjaarden zagen evenwel, dat de bewoners van dit eiland beschaafder moesten zijn dan die van de eilanden, welke Columbus op zijne vorige reis gevonden had. De bouworde der woningen was veel doelmatiger, en ook de inrichting van binnen bood meer gemakken aan. Tot hunne verbazing vonden ze in eene dezer woningen een’ achteroploop of hekbalk van een schip van Europeesche makelij. Hoe dit hier gekomen was, scheen velen een raadsel, doch Columbus vermoedde, dat het afkomstig was van de „Santa-Maria”, die hij, zooals we weten, op de eerste reis door schipbreuk verloren had. Zeer wel mogelijk kan het ook zijn, dat een Portugeesch schip, door storm afgedwaald, hier in de nabijheid van dit eiland vergaan was, en die mogelijkheid wordt er grooter op, als we weten, dat de Spanjaarden in een der huizen ook een’ ijzeren pot vonden. Intusschen bleek uit alles, dat de bewoners dezer eilanden menscheneters waren, want behalve dat men in de woningen vele bekkeneelen vond, ontdekte men op tal van plaatsen ook deelen van menschelijke geraamten. Dat de Caraïben menscheneters waren, valt niet tegen te spreken, maar of ze het wel in die mate waren, als ze door de Spanjaarden, zelfs van veel lateren tijd, afgeschilderd werden, mag betwijfeld worden. Vele oorspronkelijke bewoners van Amerika hadden de gewoonte om het stoffelijk overschot van bloedverwanten en vrienden in hunne onmiddellijke nabijheid te bewaren. Dit kan ook de gewoonte der Caraïben geweest zijn. De Spanjaarden hadden echter geene moediger tegenstanders dan juist deze Caraïben, en—van zijn’ vijand vertelt men immers zelden wat anders dan kwaad?

Vruchtbaar was Guadaloupe in hooge mate, doch dat, wat de meesten naar de Indiën gedreven had, was er niet. Men vond geen goud. Columbus vond dat niet zoo heel erg; want goud zouden ze in overvloed vinden, als ze bij het fort La Navidad aangekomen waren. De achtergelaten Kolonisten zouden gedurende den tijd zijner afwezigheid van de goedige en hartelijke inboorlingen, op de gemakkelijkste wijze, groote schatten verzameld hebben. Dat La Navidad trok hem zóó machtig aan, dat hij er niet aan dacht om, nu hij de Caraïbische Eilanden gevonden had, ook dat groote vasteland op te zoeken, dat volgens de mededeelingen van Guacanagari en zijne vrienden in het Zuiden lag. Niet te verwonderen is het dus, dat hij zoo spoedig mogelijk het fort wilde opzoeken, en zeer ontstemd was, toen hij tegen zijn’ zin bij Guadaloupe eenige dagen opgehouden werd. Diego Marque, een Kapitein van eene karveel, was met acht man aan wal gegaan en niet teruggekomen. Stellig was hij in de dichte bosschen van het eiland verdwaald, en hem met de zijnen achterlaten, dat kon niet. Na een paar dagen te vergeefs gewacht te hebben, bood Alonzo De Hojeda zich aan om met veertig man de vermisten op te sporen. Columbus nam dat aanbod aan, en onder de schepelingen behoefde men niet lang te zoeken naar veertig man, die onder De Hojeda het eiland wilden doorkruisen. Alonzo De Hojeda was de moedigste, krachtigste, dapperste en onverschrokkenste avonturier van geheel Spanje. De daden van dezen Ridder, die, als knaap, in den oorlog tegen de Mooren reeds de sterkste proeven van zijne vermetele dapperheid gegeven had, grenzen bijna aan het ongeloofelijke. Vol moed begaven de dapperen zich op weg, doch keerden ze terug met allerlei berichten over de schoonheid en vruchtbaarheid van dat eiland, de vermisten brachten ze niet mede. Nu besloot men de mannen aan hun lot over te laten en de ankers te lichten, doch juist terwijl men hiermede bezig was, verschenen de verlorenen op het strand, en in een’ deerlijken toestand, het gevolg van al de ellende, die ze geleden hadden, keerden ze op de vloot terug. Voor de overtreding der krijgstucht waren ze door al de ellende, waaraan ze dagen lang overgegeven waren geweest, stellig genoeg gestraft, maar ze hadden Columbus door het veroorzaakte oponthoud verbitterd, en daarom werd Kapitein Diego Marque in arrest gesteld, en de acht mannen, die hem vergezeld hadden, werden gestraft door het inkorten van hun rantsoen.

Thans echter werd niet langer vertoefd, en vol moed nu spoedig de Kolonie te bereiken, richtte men den steven noordwaarts. Talrijke eilanden werden nog op die vaart ontdekt, en ieder kreeg een’ naam. Bij een van die eilanden, door de inboorlingen „Ayay” genoemd, geraakten eenige matrozen in een bloedig gevecht met zes Caraïben, vier mannen en twee vrouwen. Zelfs toen hunne kano door de boot der Spanjaarden overzeild was, zett’en de mannen zoowel als de vrouwen den strijd nog voort, en niet dan met groote moeite werden er vijf gevangengenomen. Een der Caraïben was gesneuveld. In dit gevecht maakten de Spanjaarden ook kennis met de vergiftigde pijlen der inboorlingen, want een matroos, die er door gekwetst was geworden, stierf korten tijd daarna onder de vreeselijkste pijnen. Vele eilanden latende liggen, zette Columbus de reis voort en kwam eindelijk bij een groot en schoon eiland, dat door de gevangenen „Boriquen” genoemd werd, doch dat van den Admiraal den naam ontving naar Johannes den Dooper: „San Juan Baptista”, bij welken naam later nog gevoegd werd „de Puerto Rico”, dat zeggen wil: „Van de Rijke Haven”. Tegenwoordig kent men het alleen onder den naam van Portorico. Op den tocht van Deseada tot hier had men op enkele eilanden eenige vrouwen aanboord gekregen, die de vlucht naar de schepen genomen hadden. Door de Caraïben gevangengenomen, ontkwamen ze zóó het treurige lot, dat haar wachtte. De meeste vrouwen waren van dit eiland afkomstig, en van haar vernam Columbus, dat het niet alleen schoon en vruchtbaar, maar ook rijk en machtig was, en dat het door één’ Kazike bestuurd werd. Eene goede ankerplaats gevonden hebbende, ging men er aanwal, en kwam heel spoedig bij een dorp, dat er buitengewoon net en welvarend uitzag. Het was blijkbaar de verblijfplaats van een Opperhoofd, misschien wel van den Kazike. Niemand echter kon hun inlichtingen geven, want bij hunne nadering waren de bewoners naar het binnenland gevlucht, en de vrouwen, die aanboord waren, schenen niet te weten welk volk er woonde. Slechts twee dagen vertoefde Columbus daar, en na eenigen levensvoorraad ingenomen te hebben, werd de tocht weer voortgezet. Den tweeëntwintigsten November zag men de kusten van een groot eiland, en weldra bleek het, dat het Hispaniola was. De grootste vreugde heerschte op de vloot, want dat was immers het eiland, dat men als zoo schoon, en zoo rijk, zoo groot en zoo machtig had afgeschilderd? Hier zouden nu mannen als De Hojeda hunne begeerte naar krijgsroem en avonturen kunnen bevredigen. Hier weer zouden ze, als in den strijd tegen de Mooren, zich door heldendaden onderscheiden! Hier zouden ze het echte leven eens Ridders kunnen leiden! Voor mannen, die gekomen waren om hunne verwarde financiën te herstellen, of eenvoudig, om van doodarm, schatrijk te worden, zonder er veel voor te doen, was het in het gezicht komen van het eiland niet minder eene bron van vreugde. In hunne verbeelding zagen ze reeds het blinkende goud bij stapels voor zich, en bouwden ze reeds in hunne gedachten kasteelen in Spanje.

Voor hen, die vol vromen ijver medegegaan waren om het Evangelie onder de Heidenen te brengen, was de nadering van het eiland eene bron van het hoogste genot. Hier zouden zij kerken bouwen, trotsch als de Kathedraal van Sevilla! Hier zouden ze, aangehoord door gedoopte Christenen, de gewijde gezangen laten weerklinken, en duizenden, duizenden door het geloof in de Leer des Kruises tot God brengen.

Wat al verschillende redenen tot blijdschap!

En samen hadden ze nog dezelfde reden. Ze zouden weer voet aan land kunnen zetten, niet in een onbekend land, waar verbleekte bekkeneelen en doodsbeenderen van afschuwelijke gewoonten vertelden, maar in een land, bewoond door landgenooten en eene bevriende bevolking.

Geene verwachting kon ooit stouter, geene verbeelding ooit sterker, geene hoop ooit grooter zijn dan hier het geval was.

En—alles, alles viel zóó tegen, dat ons Nederlandsch: „kasteelen in de lucht bouwen”, mogelijk dààrom wel in het Fransch luidt: „Bâtir des Chateaux en Espagne.”

Zacht voor den wind langs de kust voortzeilende, zond Columbus eene sloep naar den wal om den matroos, die ten gevolge van de wonde, door den vergiftigden pijl aangebracht, overleden was, te laten begraven. Door de inboorlingen werden ze in deze plechtigheid niet bemoeielijkt en zelfs kwamen eenigen hunner op de vloot, om, uit naam van den naburigen Kazike, Columbus uit te noodigen aan den wal te komen, daar er veel goud was. Zij wisten dus, wat zoo velen herwaarts dreef, en dat het woord „goud” op hen eene tooverachtige uitwerking had. Columbus gaf aan die uitnoodiging geen gehoor, en stevende verder. Drie dagen later werd in eene geschikte baai geankerd, doch toen het volk aan den wal ging, vond het daar de geraamten van een’ man en een’ jongen. De man had een koord om den hals, en de armen waren geboeid. Men twijfelde eraan of het geene Spanjaarden waren, doch zekerheid had men er niet voor. Den volgenden dag evenwel vond men weer twee lijken, en nu zag men aan den knevelbaard van het eene lijk, dat men hier de overblijfselen van Spanjaarden voor zich had.

Treurige vermoedens rezen op. Wat kon er gebeurd zijn?

„Naar La Navidad! Dan weten we het! Dan zal men ons daar mededeelen, wat er met enkele Kolonisten geschied is.”

Zoo dacht men, en vol belangstellende nieuwsgierigheid kwam men den zevenentwintigsten November, toen de nacht al ingevallen was, voor La Navidad ten anker. Te laat om nu nog aan den wal te gaan, liet Columbus door twee kanonschoten aan de Kolonisten bericht geven.

Met koortsachtig ongeduld hoopte men van het fort nu antwoord te ontvangen, en iedereen op de vloot luisterde naar het schot, dat van den wal moest komen.

Stil bleef het echter, stil als de tropische nacht, die hen omringde, en die zelfs de klotsende golfjes inslaap scheen gewiegd te hebben.

Geen enkel seinlicht werd van het fort gegeven.

Niet één op de heele vloot, die niet in angstige spanning verkeerde; niet één, die gerust ter kooi ging. Men waakte op bijna alle schepen. Wanneer het gemoed zoo gejaagd is, slaapt men niet.

Eindelijk, stil, daar ziet men wat naderen!

Het is eene kano met inboorlingen bemand, en een dezer vraagt naar den Admiraal, en als men hun de „Marie Galante” heeft aangewezen, verdwijnt de kano in de duisternis om het Admiraalsschip te bereiken.

Columbus staat op het dek, en laat door den eenigen tolk, dien hij nog aanboord heeft, vragen wat het doel hunner komst is.

„Wij willen den Admiraal spreken,” luidt het antwoord, en als Columbus zegt, dat hijzelf de Admiraal is, gelooven ze hem niet, vóór de bemanning toortsen ontsteekt om zijn gelaat te verlichten.

Thans herkennen ze hem, en deelen ze mede welke de redenen van hunne komst zijn. De tolk verstaat hen slechts gebrekkig, doch Columbus komt toch te weten, dat van La Navidad niets meer over, en dat er van de Spanjaarden niet één meer in leven is. Ziekten hadden enkelen ten grave gesleept; in onderlinge twisten waren velen gestorven, en ten slotte had de machtige Kazike Caonabo de zwakke sterkte met de gedunde bezetting overvallen, en gedood, wie van de Kolonisten, na ziekten en twist, nog in het leven gebleven waren. Maar trouw was de Kazike Guacanagari den Spanjaarden gebleven tot het einde, en zelfs was hij in den strijd tegen Caonabo zoo gewond geworden, dat hij onmogelijk komen kon om zijn’ vriend, den Admiraal, welkom te heeten en alles te vertellen.

Treuriger tijding hadden de Spanjaarden wel niet kunnen ontvangen, en slechts één lichtpunt was er in dit alles voor Columbus, dat de inboorlingen en de Kazike, waarmede hij vriendschap gesloten had, hem niet ontrouw geworden waren, of aan laag verraad zich hadden schuldig gemaakt.

Had hij niet in het reis-journaal van den eersten tocht, hetwelk voor de Monarchen bestemd was, geschreven: „Deze lieden zijn zoo liefderijk, zoo handelbaar en zoo vreedzaam, dat ik voor Uwe Majesteiten zweer, dat er geene betere menschen op de wereld zijn, en geen beter land is. Zij beminnen hunne evenmenschen als zichzelven.”?

Hoewel Columbus van grootspraak en oppervlakkigheid in dat journaal niet vrij te pleiten is, had hij deze woorden toch naar waarheid en stellig met zijn heele hart geschreven.

Wat de Afgezant van Guacanagari mededeelde, bevestigde hem in zijn geloof aan de oprechte trouw van den Kazike en de zijnen. La Navidad mocht dan verwoest, de Kolonisten mochten gedood zijn, niet alles was verloren, en veel kon nog goed gemaakt worden.

Des morgens vroeg liet Columbus zich aan den wal brengen, waar hij van de waarheid der mededeeling dadelijk overtuigd werd, doch hoe alles in zijn werk gegaan was, vernam hij natuurlijk niet. Eerst later, als hij Guacanagari,—die denkelijk zich maar hield, alsof hij gewond was, om bij Columbus niet in verdenking te komen,—zelf gesproken had, zou hij weten, dat de achtendertig mannen, die hij onder bevel van Don Arada achtergelaten had, al heel spoedig na het vertrek van den Admiraal toonden, dat men het ongebonden leven, hetwelk men in Spanje geleid had, wilde voortzetten. Dat kon gemakkelijk immers? Guacanagari en zijne onderdanen waren toch de goedheid zelven? Ja, dat waren ze, zoolang de Spanjaarden zich gedroegen als „hoogere wezens”, waarvoor de eenvoudige inboorlingen hen aanvankelijk hielden. Maar toen ze door hun laaghartig gedrag, hun ongestoord toegeven aan dierlijke driften en hunne onverzadelijke begeerte naar goud toonden, dat ze in deugden verre beneden de Indianen stonden, verloren ze den stralenkrans der heiligheid en verhevenheid, die bij de onnoozele bewoners tot eerbied en ontzag gedwongen had, en vonden ze in iederen Indiaan een’ vijand, die hen slechts onderdanig bleef, omdat hij wel wist, dat ze door hunne geweldige oorlogswapenen de overmacht hadden. Anders dacht Caonabo, de fiere en dappere Kazike van Cibao, er over. Hij liet de Spanjaarden, die in driesten overmoed rondzwierven, den een na den ander overvallen en worgen, en toen ziekten de gedunde gelederen der bezetting teisterden, en Don Arada, òf reeds gesneuveld, òf ziek was, en dus geene macht meer kon uitoefenen, liet hij La Navidad overrompelen, uitmoorden en vernielen.

Zóó treurig was het uiteinde van de eerste Kolonie in de Nieuwe Wereld.

Allerminst mocht men Columbus hiervan een verwijt maken. Men kon geene vijgen van distelen lezen, en iedereen, die nadacht, zou tot de overtuiging komen, dat alleen het lage, zedelijke gehalte van het volk, waarvan hij zich had moeten bedienen, de oorzaak van alles was. Toch besefte Columbus al te goed dat die ongelukkige afloop van zijne eerste onderneming koren op den molen zijner tegenstanders was, en dat zij er wel wapenen uit zouden weten te smeden, om hem bij de Monarchen in gunst te doen dalen. Maar, klagen hielp niet; hij moest handelen. Hij moest, wilde hij niet in ongenade vallen en daardoor het heele doel van zijn leven voor goed verliezen, zich met kracht boven de slagen van het noodlot verheffen. Hij deed dit, maar, niet altijd waren de middelen om zijn gezag staande te houden, en zich in zijne hooge betrekking te handhaven, edel te noemen.

Zijn eerste werk was nu aan den wal te gaan om zijn’ trouwen vriend en bondgenoot Guacanagari een bezoek te brengen. Deze lag, door zijne vrouwen omringd, in een hangbed, en was op het gezicht van den Admiraal zeer bedroefd. Hij betuigde alles gedaan te hebben, wat in zijn vermogen was, om den noodlottigen afloop te keeren, en om te bewijzen hoe genegen hij den Admiraal was, liet hij hem mooie steenen, eene gouden kroon en eenige kalebassen vol stofgoud geven. Een der Spanjaarden, die Arts was, drong er nu op aan om de wonde van het been, dat geheel omwikkeld was, te onderzoeken, doch toen men de windselen losgemaakt had en geene enkele wonde vond, vertelde de Kazike, dat hij niet gewond was geworden, maar dat men een’ steen tegen zijn been gesmeten had. Toen hij de plek waar de steen hem trof, had aangewezen, en de Arts dat plekje, waar ook niets te zien was, aanraakte, schreeuwde hij het uit van pijn.

Pater Boyle, een der aanwezige Spanjaarden, beschouwde de heele handelwijze van den Kazike, en denkelijk niet ten onrechte, als komedie-spel, en stelde Columbus voor, op Guacanagari en al de inboorlingen eene bloedige wraak te nemen. Columbus echter wilde in Guacanagari’s gedrag geen komedie-spel zien en bleef hem zijn vertrouwen schenken. Dit zette bij Pater Boyle en de meeste Spanjaarden kwaad bloed. Als vreemdeling was hij met de gevallenen niet verbroederd; hun treurig uiteinde liet hem koud; hij was geen man, die wat gevoelde voor Castiliaansche eer! En—toch waren ze verplicht hem, den vreemdeling, den „Liguriër”, te gehoorzamen! Ja, men zou hem gehoorzamen, zoo lang ongehoorzaamheid gevaarlijk was, langer niet.

Merkwaardig genoeg vergezelde Guacanagari Columbus nog denzelfden dag naar de vloot, zonder, naar het scheen, eenig ongemak van zijn been te hebben. Een’ grooten indruk van de Spaansche macht gaven hem de gevangen Caraïben, want een volk, dat deze gevreesde vijanden durfde wederstaan en kon overwinnen, was machtiger dan iemand anders. En dan die paarden daar aanboord der schepen! Nog nimmer had hij zulke groote dieren gezien! Toch waren ze onderworpen aan die Blanken! Hoe groot moest niet hunne macht zijn! Maar trots dat alles, de Kazike had te veel van de Kolonisten gezien, om nog te gelooven, dat de Blanken bovenaardsche wezens waren, en mocht hij vroeger ook al getoond hebben, dat hij den Christelijken godsdienst niet ongenegen was, nu dacht hij er anders over, en niet zonder tegenstand geboden te hebben, liet hij zich door Columbus een Heiligen-beeldje om den hals hangen. Die handelwijze van den Kazike verbitterde allen, die gekomen waren om de leer des Evangelies te prediken, en niet het minst Pater Boyle.

Gaarne had Columbus den Kazike dien nacht aanboord willen houden, doch dit gelukte hem niet, hoewel het Opperhoofd buitengewoon aangetrokken werd door de schoonheid van Catalina, eene der vrouwen, die op de Caraïbische Eilanden bescherming op de vloot gezocht en ook gevonden hadden, doch die geheel als gevangenen beschouwd en behandeld werden.

Toen de Kazike het Admiraalsschip verlaten had, bleven de Spanjaarden in een soort van besluiteloosheid ook aanboord, en toen ze den volgenden morgen aanwal gingen, bemerkten ze onder de inboorlingen, die zich vertoonden, volstrekt niets van de hartelijkheid, die Columbus zoo hoog geprezen had. Er was blijkbaar te veel gebeurd, dat den eenvoudigen Indianen vrees voor de Spanjaarden inboezemde. Tegen den avond kwam de broeder van Guacanagari weer aanboord bij Columbus en onderhield zich geruimen tijd met Catalina en hare medegevangenen. Hij verliet op de gewone wijze het schip en des nachts wisten de vrouwen overboord te springen en zwemmende den wal te bereiken. Toen Columbus den volgenden dag bij Guacanagari de vluchtelingen wilde laten opeischen, vond men den Kazike nergens. Hij was, althans voor het oogenblik, den Spanjaarden ontweken, en velen, die met Columbus hem aanvankelijk voor onschuldig hielden aan de gepleegde gruwelen, begonnen hem nu ook te verdenken. Guacanagari, wiens gedrag tegenover de eerste Kolonisten nimmer opgehelderd is, kan aan den moord onschuldig geweest zijn, doch niet tegen te spreken valt het, dat hij handelde, alsof zijn geweten niet zuiver was, en eenigszins te bevreemden was het, dat Columbus, trots dit alles, geen oogenblik het volste vertrouwen in hem verloor.

Dit vertrouwen belette evenwel niet, dat de Admiraal besloot om eene nieuwe sterkte niet op de plaats van het verwoeste La Navidad te bouwen. Niet al de Kolonisten toch waren vermoord, maar velen waren gestorven aan ziekten, die aan deze streek eigen bleken te zijn, vooral ook, omdat ze vrij laag en moerassig was. Er werd dus eene betere gelegenheid gezocht, en deze vond hij oostelijk van de oude nederzetting aan eene ruime baai, die eene vrij hoog gelegen landstreek bespoelde, welke bovendien in de nabijheid lag van Cibao, welk binnenland hem reeds op de eerste reis aangewezen was, als het land, waar veel goud te vinden was.

Zoodra Columbus nu besloten was, hier eene stad te bouwen, liet hij de schepen lossen en met het medegebrachte werkvolk begon hij den arbeid. Het werk vorderde bijzonder goed, maar—het klimaat bleek voor zwaren arbeid niet geschikt, en elken dag kwamen er onder het werkvolk nieuwe zieken. Columbus zelf werd door overspanning ook ziekelijk, en toen hij, om de stad klaar te krijgen, bijna iedereen bevel gaf om te arbeiden, ondervond hij van alle kanten zooveel tegenwerking en ontevredenheid, dat hij er zwaarmoedig onder werd. Die tegenstand en ontevredenheid waren te verwachten geweest. Van het oogenblik af, dat de twee kanonschoten door La Navidad niet beantwoord werden, was de teleurstelling gekomen, en niets werkt de ontevredenheid en het verzet meer in de hand dan juist teleurstelling.

En nu moeten gaan werken! In Spanje had geen enkele Ridder ooit het werk van een’ ambachtsman, of den arbeid van een’ werkman verricht. Een Ridder was een man van het zwaard, niet een man van het gereedschap. Het laatste was voor een’ Ridder eene vernedering.

Om schop en spade te hanteeren, daarvoor was de berooide koopman, die zich even goed een’ Hidalgo gevoelde als de voornaamste Edelman, niet over zee gegaan. Hij was er heen getrokken om goud te verzamelen en hiermede zijne verwarde geldmiddelen te herstellen.

Om te arbeiden, als een daggelder, was ook de Geestelijke niet naar die onbekende streken getogen. Hij was gekomen om het Kruis onder de Heidenen te prediken. Het was er verre af dat men dit doen kon.

Maar, voorloopig zweeg Ridder, Koopman, Geestelijke. Er werd gearbeid, doch onder voortdurend mokken, en niemand deed iets meer dan hij moest. Eindelijk was de stad, door Columbus naar zijne Beschermster „Isabella” genoemd, zoo goed als voltooid. Er was niet alleen eene kerk, maar ook een paleis voor den Onderkoning en er waren magazijnen voor levensmiddelen, kleederen en oorlogsbehoeften. Vooral met het oog op de levensmiddelen, die niet door de inboorlingen aangebracht werden, diende men ook den vruchtbaren grond te bebouwen. De inboorlingen zelven leefden buitengewoon matig, en maakten zeer weinig werk van den landbouw. Dit voorbeeld schenen ook de Spanjaarden te willen volgen, althans er werd aan het zaaien niet veel gedaan, en, eerlijk gezegd, daarvoor stonden hunne handen geheel verkeerd. Men had er, bij het uitzenden der vloot, niet aan gedacht om boerenarbeiders te laten medetrekken. Dat was immers ook niet noodig, want de bodem was ongekend vruchtbaar en de inboorlingen waren de vriendelijkheid en behulpzaamheid in persoon? De treurige gevolgen van die zorgeloosheid bij het uitrusten der vloot en de volslagen lusteloosheid, die thans onder de nieuwe Kolonisten, die door koortsen en ziekten verzwakt waren, heerschte, zouden niet achterblijven.

Intusschen werd het ook meer dan tijd dat de schepen, die hunne lading gelost hadden, voor een deel terugkeerden naar Spanje. Die schepen, dat begreep ieder, en niet het minst Columbus, werden in de Spaansche havens terug verwacht met een ongeduld, dat evenredig was aan de geestdrift, waarmede zij uitgezonden waren. Columbus zelf had in die blijde verwachting gedeeld. Te La Navidad de Kolonisten vroolijk begroeten, de schepen lossen en terstond weer bevrachten met den onnoemlijk grooten voorraad van goud en zeldzaamheden, door diezelfde Kolonisten verzameld, dit was zijn plan. De rijkdommen en heerlijkheden der ontdekte landen zouden in Spanje iedereen uit het vol geladen scheepsruim tegenblinken.

Hoe deerlijk was hij teleurgesteld! Hij, o, dat gaf niets! Hij bleef den moed behouden; hij wist, dat hij de rijke Indiën ontdekt had; hij was onwankelbaar in zijne hoop, ongeschokt in zijn vertrouwen. Maar hij was Koning Ferdinand niet, en nog minder een De Fonseca, De Soria of een ander zijner bittere tegenstanders. O, hij voorzag, wat er gebeuren zou, als men daar in Spanje in het scheepsruim der teruggekeerde vaartuigen blikte, en teleurstelling en ontevredenheid, niets anders dan deze, uit de ledige diepte den bezoeker bijna toeschreeuwden: „Bedrogen door den Genuees, juist zooals we voorspeld hadden!” En wat dan de gevolgen zouden zijn, ook dát begreep hij levendig. Er moest dus wat gedaan worden eer de schepen vertrokken. Op goud en zilver hoopte men in Spanje, en brachten de schepen dat ook al niet terstond aan, ieder der mannen, die de reis gedaan had, moest toch volmondig erkennen kunnen: „Er is goud, overvloed van goud in dat nieuw ontdekte land!”

Om hiervan de zekerheid te hebben, besloot hij eene afdeeling krijgsvolk op expeditie uit te zenden, en niemand vond hij beter geschikt om aan het hoofd daarvan te staan dan De Hojeda. Deze nam dat voorstel gaarne aan en begaf zich met een veertigtal stoutmoedige mannen, waaronder eenige ruiters waren, op weg. Die ruiters vooral maakten onder de eenvoudige bevolking, die nimmer zulke groote viervoetige dieren als de paarden, gezien had, een’ buitengewonen indruk. Zij hield ruiter en paard voor één wezen. Misschien maakte de vrees de inboorlingen vriendelijk, want overal waar De Hojeda met de zijnen kwam, werden ze gastvrij ontvangen. Had men gedacht om op dien tocht groote steden te vinden met paleizen, die gouden wanden en daken hadden, dan was men opnieuw teleurgesteld, want men vond niets dan eenvoudige hutten en inwoners, die naakt liepen en van eenige beschaving geen begrip schenen te hebben. Toch trokken onze avonturiers zich dat niet aan, want inplaats van bewerkt goud, zagen ze, dat het zand der bergstroomen schitterde van de vele goudkorrels, die het bevatte. De Indianen, ziende dat de vreemdelingen dit stofgoud zoo gaarne hadden, verzamelden een’ aanzienlijken voorraad en schonken dat den Spanjaarden. Er waren zelfs plaatsen, waar men maar te bukken had om een’ klomp gouderts op te rapen. De gevolgtrekking lag voor de hand: de bodem bevatte groote schatten, die nog onaangeroerd lagen, want van het mijnwezen en de kunst om uit erts goud te halen, hadden de Indianen geen begrip. Zij verzamelden slechts stofgoud en hadden hieraan voor hunne geringe behoeften ook meer dan genoeg. Verheugd, den Admiraal zulk eene goede tijding te kunnen mededeelen, keerde De Hojeda met zijne manschappen naar „Isabella” terug, en pas had hij den Admiraal verslag van zijne ontdekking gedaan, of Corvalan, een Ridder, die met eenige mannen van een’ anderen kant het landschap Cibao binnen gedrongen was, keerde terug en vertelde hetzelfde.

Dit was ten slotte nog eene ongedachte uitkomst, en daar de tijd van het jaar juist geschikt was om uit te zeilen, zoo liet Columbus twaalf schepen naar Spanje vertrekken en gaf zooveel goud en zeldzaamheden mede, als er op het oogenblik voorhanden waren. Zelfs de gevangen genomen Caraïben zond hij mede. De Bevelhebber der vloot was Don Antonio De Torres, en deze kreeg voor de Monarchen een’ brief mede, welke van het begin tot het einde, doch in vrij bloemrijken stijl, den waren toestand schetste. Hij drong er op aan, dat men hem zoo spoedig mogelijk werkvolk sturen zou, dat geschikt was om de rijke mijnen van Cibao te ontginnen. Paarden en werktuigen waren ook daarbij onmisbaar. Zond men hem bovendien nog eenige Ingenieurs, dan stond hij er voor in, dat hij weldra schepen vol goud naar Spanje kon bevrachten. Vooral echter vroeg hij ook om levensmiddelen, daar de Kolonisten, gewoon aan krachtig voedsel, door de voortbrengselen van Hispaniola niet voldoende gevoed konden worden. Eer men van de overgevoerde granen en andere zaden oogsten kon, duurde nog te lang. Verder drong hij er op aan om hem veel vee toe te zenden, en zoo men er tegen opzag om al die uitgaven te maken vóór er goud was, dan zou hij zorgen, dat er een groot aantal Caraïben gevangen en, als slaven, naar Spanje gezonden werden. Deze laatste raad mishaagde Koningin Isabella, die bij het vertrek van Columbus er ten sterkste op aangedrongen had, dat men de inboorlingen op de liefderijkste en vriendelijkste wijze moest behandelen en in de Christelijke leer onderwijzen. Elke Spanjaard, die het waagde een’ dezer menschen leed te doen of te benadeelen, moest door Columbus streng gestraft worden. Dit bevel had hem sterk gemaakt tegenover Pater Boyle en alle anderen, die van meening waren, dat de dood der eerste Kolonisten voorbeeldig gewroken moest worden. De bijvoeging van Columbus, dat die Caraïbische slaven tot heil hunner ziel in Spanje tot Christenen konden bekeerd worden, redde zijn voorstel niet, want hij kreeg er op ten antwoord, dat men over dit voorstel nog eens moest nadenken, en Koningin Isabella schreef hem zelfs, dat hij de bekeering der heidenen ter harte moest nemen, en wel terstond in het land, waar hij ze vond. Verstond hij de taal dier menschen niet, in Spanje verstond men deze immers evenmin?

Met over het antwoord te reppen, hetwelk Columbus op zijn’ brief ontving, loopen we de geschiedenis wel wat vooruit, maar het was noodig om er hier over te spreken, omdat er uit blijkt, dat Columbus zelf nu en dan maatregelen nam, welke niet te verdedigen waren, zelfs niet in een’ tijd toen men over den slavenhandel heel anders dacht dan tegenwoordig.

De Kolonisten hadden met droefheid of ergernis de twaalf schepen zien vertrekken. Wat zou hun lot worden? Velen hunner waren ziek, en zij, die ziek geweest waren, konden niet op krachten komen. De Admiraal zelf was ook dikwijls bedlegerig en ging onder de omstandigheden gedrukt. De levensvoorraad minderde met den dag en van de zijde der inboorlingen kwam geene toenadering. Zoo nam de ontevredenheid hand over hand toe, en ten laatste werd er, onder aanvoering van Don Bernal Diaz De Pisa, eene samenzwering gesmeed, welke ten doel had, zich van de vijf andere schepen meester te maken, naar Spanje terug te keeren, en Columbus, als een bedrieger, in staat van beschuldiging te stellen. Vóór de samenzwering tot eene uitvoering kwam, werd ze ontdekt, en in een der schepen vond men nu een schotschrift tegen Columbus, zóó vol laster en leugen, dat men moeite had te gelooven, dat het door een’ der Kolonisten kon opgesteld zijn. En toch was dit wel degelijk het geval. Don Bernal Diaz De Pisa, die aan het Hof van den Onderkoning met het bestuur der geldmiddelen belast was, had het geschreven en gebruik gemaakt van de leugens, die zekere Fermin Cado geliefde op te disschen. Deze laatste was als essayeur medegegaan, doch zeer onbekwaam in zijn vak. Hij zeide, dat er slechts zeer weinig goud op Hispaniola was en dat de inwoners het weinige, dat er was, sinds eeuwen wellicht, verzameld en telkens gesmolten hadden, om op die wijze klompen van eenige grootte te verkrijgen.

Nu zulk eene gevaarlijke samenzwering ontdekt was, diende Columbus als rechter op te treden. Hij deed dat ook, doch inplaats van streng te straffen, vergenoegde hij zich met de twee hoofdaanleggers eenvoudig gevangen te laten zetten, en om te voorkomen, dat men niet andermaal eene dergelijke samenzwering smeedde en ten uitvoer bracht, liet hij al den krijgsvoorraad en wapenen, benevens de zeevaartkundige instrumenten van de vijf schepen op één schip overbrengen. Dit eene schip werd bemand met personen, die volkomen te vertrouwen waren. De straf was zacht, te zacht zelfs, want velen dachten nu dat Columbus, aangeklaagd door zijn geweten, niet strenger straffen durfde, en dat zelfs die zachte straf onrechtvaardig was.

Na de samenzwering verijdeld en de twee belhamels gevangen gezet te hebben, besloot Columbus om, nu hij weer van zijne ziekte hersteld was, zelf Cibao te gaan bezoeken. Hij stelde zijn’ broeder Diego tot zijn’ plaatsvervanger in het bevel over de stad aan en vertrok aan het hoofd van eene schitterende krijgsmacht van vierhonderd man het gebied van Caonabo binnen. Die tocht was wel geschikt om den terneergeslagen moed op te beuren. Men stond verstomd bij het aanschouwen van de wondervolle natuurpracht der heele omgeving, die een Paradijs geleek. „Vega Real”, dat is „Koninklijke Vlakte”, zoo noemde Columbus deze streek, en niemand was er, die wat op dien naam af te dingen had, want Koninklijk was alles, tot zelfs het met goud getooide rivierzand, dat de leugens van den onbekwamen Fermin Cado ten duidelijkste liet uitkomen. Na een’ tocht van twee dagen, waarop men van de zijde der inboorlingen, na vrees, niets dan hartelijke gastvrijheid ontvangen had, kwam het leger in eene ruwe bergstreek. De natuur verloor hier hare Paradijsachtige schoonheid en werd steenachtig, wat geheel in overeenstemming was met den naam Cibao, die „steen” beteekent. Opmerkelijk mag het heeten, dat Columbus’ volk telkens zoo gauw den moed verloor, want niettegenstaande men overal in het zand der beken en rivieren stofgoud vond, wat een bewijs was, dat in het gebergte zich goudaderen moesten bevinden, haalden de meesten ongeloovig de schouders op, toen Columbus bevel gaf om hier eene houten sterkte te bouwen, teneinde de goudmijnen en het volk, dat er in werken zou, te beschermen. Naar dat ongeloof der zijnen noemde Columbus dat fort zelfs „San-Thomas”. Terwijl hij toezicht hield op het bouwen van het fort, zond hij Ridder Juan De Luxan met eenige mannen uit om het land nader te verkennen, en gedurende dien tijd kwamen de inboorlingen van alle kanten aan om ruilhandel met hem te drijven. Al spoedig wisten ze, dat ze voor goud alles konden krijgen, wat in hun oog eenige waarde had, en spoedig had Columbus nu eene vrij aanzienlijke hoeveelheid stofgoud verzameld. De inboorlingen, die voor ééne onnoozele valkenbel soms wel stukken goud gaven, die een ons zwaar waren, verzekerden, dat er verder in de vallei ook stukken goud ter grootte van een’ oranje-appel, ja, van een kinderhoofd gevonden werden. Toen De Luxan van zijn’ tocht terugkwam, deelde hij den Admiraal mede, dat overal waar hij geweest was, zich, te midden eener vruchtbare en schoone natuur, sporen van goud vertoonden.

Thans wist Columbus genoeg, en besloot hij naar Isabella terug te keeren, het fort San-Thomas, onder het bevel van zijn’ gunsteling Don Pedro Margarite met zesenvijftig man achterlatend.

Was Columbus op dezen tocht tot de overtuiging gekomen, dat De Hojeda en Corvalan hem waarheid hadden medegedeeld, hij had meteen de inboorlingen nader leeren kennen. Hij wist nu, dat ze niet zoo goedig en vreedzaam waren, als hij gedacht had, en dat ze ook een soort van godsdienst hadden, en dat de dansen, die ze zoo dikwijls hielden, een godsdienstig karakter hadden. Nu wist hij ook waarom zij zoo verzot waren op de onnoozele valkenbellen, omdat ze op het geluid daarvan dansen konden. Later zou hij nog meer van hun’ godsdienst leeren kennen, en zou hij het volgende weten. Zij geloofden aan een Opperwezen, dat onsterfelijk, onzichtbaar en almachtig was, doch dat te hoog boven hen verheven stond om het rechtstreeks aan te roepen. Door middel van halve Goden, die ze „Zemi’s” noemden, hielden ze gemeenschap met Hem. Bijna elke natuurkracht, elk dampkringsverschijnsel, was het werk van zulk een „Zemi”, die ze soms in gedrochtelijke afbeelding om den hals of op het hoofd droegen. Zij wisten ook te vertellen van een’ zondvloed, die bijna de heele aarde had overstroomd, en aan een leven na dit leven geloofden zij ook. De zielen der zalige afgestorvenen leefden in eene heerlijke vallei aan de westzijde van het eiland. Overdag verborgen zij zich voor de levenden, maar in de stilte van den nacht kwamen zij zich voeden met de vruchten der velden en der boomen, welke daarom door de levenden ook nimmer geoogst of geplukt werden. Hunne Priesters waren getatoeëerd of beschilderd met afbeeldingen, zoo gedrochtelijk als maar mogelijk was, van allerlei „Zemi’s”. Priester en Medicijn-man of Geneesheer zijn, was zoo ongeveer hetzelfde. In de geneeskundige kracht der kruiden waren ze zeer bedreven, doch bij de ingetogen en eenvoudige leefwijze der inboorlingen waren er maar zelden zieken. Wanneer een Kazike op het punt van sterven stond, en de Medicijn-man verklaarde, dat de zieke niet meer herstellen kon, dan zou het voor het stervende Opperhoofd eene oneer geweest zijn, indien men hem niet geworgd had, dat de dood er op volgde. Stond een voornaam inboorling op het punt van sterven, dan droeg men hem vaak naar de woning van den Kazike, en wanneer deze dan den lijder eene hooge eer wilde bewijzen, gaf hij vergunning hem te worgen. Andere lieden, die den dood nabij waren, gaf men brood en water aan het hoofdeinde en verliet hen dan, om hen in eenzaamheid te laten sterven.

Werkzaam waren de inboorlingen geen van allen. Hunne behoeften waren bij uitstek gering, zoodat de natuur, zonder dat zij veel werkten, hun alles opleverde, wat ze noodig hadden. Door die weinige behoefte leidden ze zulk een vreedzaam, kalm en gelukkig leven, dat wij er onszelven, in onze eeuw van duizenden behoeften voor lichaam en geest, geene voorstelling van maken kunnen. Petrus Martyr, een tijdgenoot van Columbus, eindigde een zijner brieven over de Indianen van Haïti of Hispaniola met de woorden: „Alles brengt er geluk en zegen aan.” Columbus zag dat zeer goed, en daar hij inderdaad een man was, die een goedig en liefderijk hart bezat, is het voor de inwoners eene ramp te noemen, dat haat, naijver en laster hem daden konden doen bedrijven waaraan zijn hart geen deel kon nemen.

Bij zijn’ terugkeer te Isabella werd hij al dadelijk uit zijne gelukkige stemming gebracht door den geest van ontevredenheid of doffe onverschilligheid, dien hij er vond: een gevolg van de vele ziekten, die er heerschten. Het was echter niet alleen het vochtige en heete klimaat, dat die ziekten te voorschijn had geroepen. Velen leidden een zedeloos en liederlijk leven, en allen leden onder het gebrek aan goede levensmiddelen. Zelfs het eten, dat zoo goed als bedorven was, moest bij porties, die steeds kleiner werden, uitgedeeld worden. Meel had men niet meer, zoodat het weinige koren, dat men nog had, bij gebrek aan watermolens, met handmolens moest gemalen worden. De Admiraal begon terstond alles te doen, wat in zijn vermogen was, om den algemeenen nood te bestrijden, doch pas was hij hiermede bezig, of er kwam eene boodschap van San-Thomas. De Bevelhebber Margarite vroeg om versterking, daar de inboorlingen vijandelijke gezindheden aan den dag legden. De versterking werd gezonden, doch Columbus begreep, dat het niet veel baten zou, want de oorzaak van die vijandelijke houding der inboorlingen, zat in het wangedrag der bezetting, welk wangedrag waarschijnlijk grooter afmetingen zou krijgen, waar de bezetting talrijker werd. Dreigende vijanden in het binnenland, ziekten in de stad en eene ontevredenheid onder de zijnen, welke weldra tot verzet oversloeg, maakten den toestand van Columbus zeer hachelijk, en wilde hij niet, dat de heele Kolonie andermaal te gronde ging, dan was hij genoodzaakt als straffend Rechter op te treden. Hij deed dat ook, en, ziedaar, alweer eene nieuwe reden om den gehaten vreemdeling, den „huichelachtigen Liguriër”, nog meer vijandig te zijn. De ongunstige gezondheids-toestand dwong hem ook om iedereen aan den arbeid te zetten; hij stelde niemand vrij. Ridders en Priesters, die nimmer handenarbeid geleerd hadden, dwong hij hetzelfde en evenveel werk te doen, als een geboren werkman. Wanneer men niet genoeg werk verricht had, werd dit niet aan onmacht om meer te doen, maar aan onwil toegeschreven. Door deze handelwijze kreeg het verzet bij velen redenen van bestaan, want eenige Edelen, die aan aanzienlijke geslachten in Spanje verwant waren, stierven ten gevolge van uitputting, en toen men hiervan in Spanje de tijding kreeg, rees, zeer natuurlijk, de vraag: „Mag Columbus zoo willekeurig handelen?”

Aan dien ongelukkigen toestand moest op de eene of andere manier een einde gemaakt worden en Columbus beraamde daartoe het volgende plan, dat hij ook ten uitvoer bracht. Hij zelf zou met drie karveelen een’ nieuwen ontdekkingstocht gaan doen. De krijgslieden, die nog gezond waren, zouden dan in dien tijd onder aanvoering van Don Margarite het eiland in alle richtingen doorkruisen, en Don De Hojeda zou het bevel over San-Thomas op zich nemen. Zijn broeder Diego zou met de zieken, de oppassers en enkele soldaten in de stad blijven. De Geestelijken zouden, òf het leger, òf hem vergezellen, en tendeele ook in de stad blijven om de Kerk te bedienen. De Junta aan welks hoofd hij zijn’ broeder stelde, en die hij in Isabella achterliet, bestond uit Pater Boyle, Pedro Fernandez Coronel, Alonso Sanchez Caravajal en Juan De Luxan. Na dit alles geregeld te hebben, verliet hij de baai van Isabella, doch met de drie kleinste schepen, omdat de twee andere, waaronder het Admiraalsschip, te veel diepgang hadden voor de onbekende wateren en kusten, die hij opzoeken wilde. Naar zijne meening moest hij het rechte goudland vinden, waarheen de inboorlingen hem telkens heengewezen hadden.

Het was den vierentwintigsten April van het jaar 1494 toen Columbus Isabella verliet om een’ nieuwen ontdekkingstocht te beginnen. Zijn doel was om het eiland Cuba te naderen, op de hoogte, waar hij het bij zijne eerste reis verlaten had. Vandaar zou hij dan oostelijker zeilen om zich te overtuigen, dat zijn vermoeden zekerheid was, dat Cuba geen eiland, maar het vasteland, en derhalve een deel van Kataï was. Vijf dagen later had hij dat punt bereikt. De inboorlingen namen bij de nadering der schepen de vlucht, doch de tolk van Guanahani wist hen over te halen om met de Spanjaarden vriendschap te sluiten. Langzaam werd de tocht voortgezet, en overal waar Columbus kwam, vond hij bij de bevolking eerst vrees, doch daarna groote vriendelijkheid en gastvrijheid. Natuurlijk werd al weer druk naar het goudland gevraagd, en geregeld wees men hem naar het Zuiden. Columbus verliet daarom de kust van Cuba, zeilde zuidelijk en weldra zag men hooge bergen zich aan den horizon verheffen. Vol hoop dat dit het goudland was, naderde men de nieuwe kust. Werkelijk scheen men hier met een heel ander volk te doen te hebben, want de oevers wemelden van bont opgesierde mannen, die in geregelde slagorde naar het strand kwamen, en onder het zwaaien met lansen en een luidklinkend krijgsgeschreeuw plaats namen in kano’s, waarvan enkele keurig versierd waren. Eenige kleine geschenken brachten de krijgers tot bedaren, doch Columbus achtte het minder wenschelijk hier te landen en toog verder. Toen nu evenwel bleek, dat zijn schip lek geworden was, zocht hij eene geschikte baai op om daar het vaartuig te laten herstellen. De inboorlingen schenen besloten te hebben, niet te dulden, dat de Spanjaarden landden. Eene groote menigte van hen verzamelde zich, gewapend met werplansen, bogen en pijlen op het strand, en scheen besloten, elke landing onmogelijk te maken. Columbus liet zich echter niet afschrikken, want hij was gedwongen te landen, niet alleen om zijn schip te laten kalefaten, maar ook om versch drinkwater in te nemen. Hij liet dus eenige booten bemannen en naar den wal roeien. Een oorverdoovend krijgsgeschreeuw der Indianen weerklonk langs den oever, doch de Spanjaarden schoten hunne kruisbogen af, wondden verscheidene vijanden, stapten aanwal en vielen den troep aan. Tegen de Europeesche wapenen waren de verdedigers van hun land niet bestand, en toen men ten slotte een’ bloedhond op hen aanhitste, werd de vlucht algemeen. Het gebruiken van deze honden had hier voor het eerst plaats, en zou later op treurige wijze herhaald worden. Op de gewone plechtige wijze nam Columbus voor de Spaansche Kroon bezit van het land en al zijne bewoners. Hij gaf het den naam van „San-Jago”, en later kreeg het dien van Jamaïca. Toen de inwoners tot de ervaring gekomen waren, dat ze te doen hadden met lieden, die veel machtiger waren dan zij, werden ze zeer handelbaar en voorzagen, in ruil tegen kleine voorwerpen, de schepen ruimschoots van levensmiddelen en vruchten. Goud vond men er niet meer dan elders, en toen men zekerheid had, dat het een eiland was, begreep Columbus, dat dit „San-Jago” niet het goudland zijn kon en hij stak weer naar Cuba over om daar langs de kust nog meer westelijk te zeilen. Dagen achtereen ging het steeds verder het Westen in; de moeielijkheden om den tocht voort te zetten namen met elk oogenblik toe. Tal van eilanden en blinde klippen belemmerden de vaart; stormen en onweders schenen hier onafgebroken te woeden; de levensmiddelen verminderden sterk en een groot deel der equipage begon te lijden aan koortsen. Verscheidene malen deed men eene landing, doch niets wees er op, dat men eene meer beschaafde streek naderde. Het waren steeds dezelfde menschen, dezelfde onaanzienlijke woningen, dezelfde boomen en vruchten. Vroeg men aan de bewoners of hun land een eiland was, dan wisten zij het niet. Zij wisten alleen, dat de kust nog veel verder doorliep. Het moest dus het vasteland zijn, het kon niet anders, zoo meende Columbus, die nog moed genoeg bezat om den moeielijken en gevaarlijken tocht voort te zetten. In zijne verbeelding zag hij zich reeds in de Roode Zee. Hij zou eene bedevaart doen naar Jeruzalem, en als eerste omzeiler van de wereld, triomfantelijk uit het Oosten terugkeeren in Spanje, dat hij, het Westen ingaande, verlaten had. De wil om dien tocht te doen, was bij hem aanwezig, maar zijn volk, door ziekte en zwaar werk afgemat, werd oproerig, en Columbus was genoodzaakt, zijne reis te staken en terug te keeren. Eer hij hiertoe overging, wilde hij echter door allen erkend zien, dat Cuba niets anders was dan het vasteland van Azië. Hij liet door een’ beambte een stuk opstellen waarin dat verklaard werd, en toen Columbus dit stuk had, las hij het aan de heele bemanning voor. Wie niet geloofde, dat dit het vasteland van Azië was, mocht nu nog zijne bedenkingen inbrengen. Had men het stuk eenmaal, als waarheid, bezworen, dan zou iedere Officier, die het tegensprak, gestraft worden met het verlies van zijn’ rang, en eene boete van drie dukaten. Waagde een der minderen den bezworen inhoud tegen te spreken, dan zou hij honderd geeselslagen ontvangen.

Het volk, dat nu eenmaal terug wilde, aarzelde niet om den inhoud van dat stuk met een’ eed te bekrachtigen. Ongeveer driehonderd vijfentwintig Spaansche mijlen was men voortgezeild, zonder het einde van de kust te bereiken, en derhalve te ervaren, dat Cuba een eiland was. Denkelijk geloofden allen dan ook wel, dat men hier het vasteland voor zich had, en de terugtocht werd aanvaard onder nog veel meer tegenspoed dan men reeds gehad had. Zelfs Columbus werd ziek van inspanning. Zijne gedachten werden beneveld; zijn geheugen scheen verloren te gaan, en menigmaal werd hij, zelfs midden op den dag, door den slaap overvallen. In dezen toestand kwamen hij en de zijnen, na eene afwezigheid van honderddrieënvijftig dagen, den vierentwintigsten September te Isabella aan. En wat hij hier vond? Iets dat den armen kranke geheel opbeurde; hij vond er zijn’ broeder Bartholomeus, dien hij in geene dertien jaren gezien had. Deze was van zijne omzwervingen in Engeland en Frankrijk eindelijk in Spanje gekomen, en daar had hij vernomen, dat Christophorus de Indiën reeds ontdekt had. Hij spoedde zich nu naar het Hof der Monarchen, in de hoop er zijn’ broeder te ontmoeten, doch deze was reeds voor de tweede reis uitgezeild. Ferdinand en Isabella ontvingen Bartholomeus met de meeste onderscheiding, verhieven hem in den Adelstand, ze gaven hem drie schepen, die behoorlijk bemand en ruimschoots van levensmiddelen voor de Kolonie voorzien waren, en lieten hem naar de Nieuwe Wereld vertrekken. Deze Bartholomeus was een buitengewoon stoutmoedig man en een onverschrokken zeevaarder. Hij had een fier en standvastig karakter, een helder verstand en een’ vasten wil, zoodat Columbus niet ten onrechte verheugd was, hem hier te vinden. Zulk een man was hem meer waard dan eene sterke afdeeling soldaten. En zulk een’ man had hij meer dan noodig, want de toestand der Kolonie was zorgwekkend. Margarite, de man aan wien hij opgedragen had, het eiland te onderzoeken en dien hij volkomen vertrouwd had, was een ondankbare en ontrouwe geworden. Met zijne soldaten had hij gemoord en geplunderd, en de heele bevolking tegen de Spanjaarden in bittere vijandschap gebracht. Ten slotte was hij met een groot aantal ontevredenen, waartoe ook Pater Boyle behoorde, op een der drie schepen, waarmede Bartholomeus gekomen was, naar Spanje teruggekeerd. Wat die ontevredenen daar bewerken zouden, was voor Columbus geen raadsel. Inmiddels had de onverschrokken Kazike Caonabo al de Opperhoofden van het heele eiland tot een verbond tegen de Spanjaarden weten te bewegen, en ware De Hojeda, die Columbus trouw bleef, niet zoo weergaloos dapper en stoutmoedig, zoo geslepen en slim geweest, Columbus zou in Isabella mogelijk een tweede La Navidad gevonden hebben. Te midden van dezen ongelukkigen toestand bleek het, dat de Kazike Guacanagari trouwer was dan men waande, want hij liet Columbus weten, dat de heele bevolking van het eiland, onder aanvoering van Caonabo tot den ondergang der Spanjaarden besloten had. De dappere De Hojeda stelde Columbus nu voor om dien Caonabo, die blijkbaar de ziel der heele onderneming was, door list gevangen te nemen. Hoe? Men wist, dat de Indianen vol bewondering luisterden naar de klokketonen van de kerk te Isabella. Men moest nu eene zware, klinkende keten maken, en die Caonabo, alsof het een geschenk was, om den hals hangen en hem er dan mede boeien. Wat er verder geschieden moest, zou van de gebeurtenissen afhangen. Het plan was meer dan gewaagd, doch De Hojeda wilde het ten uitvoer brengen, en zoo er één was, die het kon, dan was hij het. Columbus nam het voorstel aan; de keten werd gemaakt, en door slechts tien mannen, even groote waaghalzen als hij, vergezeld, trok hij Cibao binnen, verscheen voor Caonabo, kuste hem de hand en bood hem de rammelende, klinkende keten aan. Caonabo zag in die keten niets anders dan een „Zemi” van de Spanjaarden, en geloofde den Spanjaard terstond, toen deze zeide, dat Caonabo eerst in de rivier een bad moest nemen, eer hij die keten dragen kon. De lichtgeloovige Kazike ging nu in gezelschap van De Hojeda en diens metgezellen naar de rivier, baadde zich en liet zich de keten omhangen. Pas was dit geschied of de Spanjaarden maakten er eene boei van, wierpen hem op een paard en—op dollen draf ging het nu naar Isabella, waar Caonabo in de kelders van het steenen huis des Onderkonings gevangen werd gezet. Hoewel de inboorlingen van hun’ Aanvoerder beroofd waren, besloten ze toch de Spanjaarden aan te vallen. Te midden van al deze bedrijven was de Admiraal geheel van zijne ziekte hersteld, doch was het ook Mei van het jaar 1495 geworden. Columbus begreep, dat krachtig, doortastend handelen alleen de Kolonie redden kon, en aan het hoofd van slechts tweehonderd man voetvolk en twintig ruiters, doch vergezeld van een aantal bloedhonden, vertrok Columbus, na zijn’ broeder Diego met eenige schepen, tendeele met goud en slaven beladen, naar Spanje afgezonden te hebben. Tijdens zijn’ krijgstocht zou Don Bartholomeus te Isabella achterblijven om de gewone zaken der Kolonie te besturen.

Tot hun ongeluk hadden de Bondgenooten een openlijken strijd gekozen, en zich gelegerd in de „Vega Real”, niet begrijpende, dat ze, hoe talrijk ook, in het open veld niet tegen de zwaargewapende Europeanen bestand waren. Columbus viel hen aan, en verschrikkelijk was de nederlaag, die de arme Indianen leden. Negen maanden lang toog de Admiraal met zijne gevreesde ruiters, wraakgierige soldaten en verschrikkelijke bloedhonden, doodend, brandend en verwoestend door het geheele bekende deel van het eiland. De onderwerping der Verbondenen was volkomen, en daar Columbus er steeds op uit was om schepen, rijk geladen met goud, katoen en andere voorwerpen van waarde naar Spanje te zenden, zoo maakte hij van deze onderwerping gebruik, om de overwonnenen te straffen door het betalen van schatting. In alle gewesten waar goud gevonden werd, moest elke inboorling, die boven de veertien jaar oud was, alle drie maanden eene Vlaamsche valkenbel vol stofgoud leveren. Zulk eene valkenbel stofgoud zou in onzen tijd ongeveer veertig gulden waarde hebben. De Kaziken moesten nog veel meer opbrengen; zoo was één hunner verplicht om alle drie maanden eene kalebas vol stofgoud te leveren, dat naar onze munt ongeveer vierhonderd gulden was. De inboorlingen der katoen-districten moesten op dezelfde termijnen vijfentwintig pond katoen, als schatting, inleveren. Bij het inleveren der schatting kreeg men eene koperen medaille, die om den hals moest gedragen worden, en wie zonder die medaille gevonden werd, werd in de gevangenis gezet of moest boete betalen.

Is het te verwonderen, dat de arme inboorlingen het oogenblik verwenschten, waarop de „Blanke zonen des hemels” den eersten voet aanwal zett’en? Is het nu nog een raadsel, waarom de prediking van de Christelijke leer onder die heidensche menschen zooveel tegenstand vond? Hadden die vreemdelingen dan niet onmeedoogend hun Paradijsachtig leven geheel verstoord, en hen gedwongen tot den zwaarsten en vernederendsten arbeid? Hadden die Blanken niet hunne hutten verbrand, hunne velden verwoest, hunne vrouwen en dochters beleedigd, hunne ouden van dagen en kinderen als slaven weggevoerd? Bij duizenden vloden ze naar de ontoegankelijke bergstreken, om daar te sterven aan honger, gebrek en pest.

En eenmaal in die richting begonnen, moesten de Spanjaarden er in volharden, wilden ze niet alles verliezen. Toen er in 1877 sprake was van Columbus onder de Heiligen op te nemen, gebeurde dat niet, omdat „afgezien van de groote daad van Amerika’s ontdekking, het privaat en openbaar leven van Columbus zich te veel gekenmerkt had door daden, die berispelijk waren.” Nu, al moeten we toegeven, dat Columbus door allerlei omstandigheden, waarvoor niet hij, maar een ander aansprakelijk gesteld moet worden, gedwongen werd tot zulke daden, berispelijk zijn en blijven ze, al doen we nog zoo ons best om ze in de lijst van haar’ tijd te plaatsen.

Terwijl Columbus op Hispaniola zoo werkte, werkten zijne vijanden en tegenstanders in Spanje ook, maar tegen hem. Pater Boyle en Margarite waren daar aangekomen en hadden den toestand in de Nieuwe Wereld met zulke schrille kleuren geschetst, zij hadden zoovele bewijzen, ware en gezochte, bijeengebracht, om aan te toonen, dat Columbus, zooal geen bedrieger en avonturier, dan toch stellig de man niet was om aan het hoofd der zaken te staan, dat Ferdinand en Isabella besloten, iemand naar de Nieuwe Wereld te zenden om de zaken onpartijdig te onderzoeken. Niemand achtten zij daartoe beter geschikt dan een hunner aanzienlijke Hovelingen, een zekere Don Juan Aguado. Columbus zelf had dezen Edelman bij de Monarchen aanbevolen als iemand, die door stand en karakter verdiende om aanzienlijke betrekkingen te bekleeden, zoodat Columbus in de zending van dien man eer een bewijs van vriendschappelijk vertrouwen, dan eene onedele verdenking zou zien. De Monarchen hadden zich echter zeer vergist. Bij al de fouten, die Columbus beging, moet ook, en waarlijk niet in de laatste, maar bijna in de eerste plaats genoemd worden, dat hij veel te lichtvaardig was in het schenken van vertrouwen, en het koesteren van wantrouwen. Hij maakte daardoor vijanden tot zoogenaamde vrienden, en echte vrienden tot ware vijanden en tegenstanders. Don Margarite had de bewijzen van dat onverdiende vertrouwen reeds geleverd, en Don Aguado zou ze leveren. Gezonden door de Monarchen om onder den Admiraal onderzoek naar den stand van zaken te doen, overschreed Don Aguado, zoodra hij te Isabella aangekomen was, zijne lastgeving door zich boven Columbus te plaatsen, en hem, ten aanzien van ieder, met grove minachting te bejegenen. De voormalige gunsteling had gehoopt, dat de Admiraal hem openlijk tegenstand zou bieden, doch Columbus wilde met den laaghartigen man in geene woordenwisseling komen, en behandelde hem beleefd, doch met eene koele hooghartigheid, die den trouwelooze geheel uit het veld sloeg.

Te Isabella aangekomen, werd hij door zijn’ broeder met een aangenaam bericht verrast. Een knecht van Don Bartholomeus was in twist geraakt met een’ makker, en had dezen zoo gewond, dat hij dood scheen. Miguel Diaz, zoo heette de knecht, nam nu met een vijftal anderen, die er ook aan medeplichtig waren, de vlucht, en kwam eindelijk aan de Zuidkust in het gebied eener vrouwelijke Kazike, die de vluchtelingen niet alleen vriendelijk opnam, maar zelfs Diaz tot haar’ echtgenoot verhief. Het leven te midden der wilden verveelde Diaz al heel gauw en hij kreeg het heimwee naar zijne landgenooten. Zijne vrouw, die Catharina genoemd wordt, zag dat, en vreezende dat hij haar verlaten zou om nimmer terug te keeren, kwam ze er toe om hem te zeggen, wat nog geen enkel Spanjaard wist. Zij wees hem de goudmijnen, die in haar gebied lagen, en gaf den raad om de heele Spaansche Kolonie, uit het ongezonde Isabella naar haar gebied te verleggen waar de lucht veel gezonder was. Gewapend met zulk eene goede tijding, hoopte Diaz van Don Bartholomeus vergiffenis te ontvangen en ging naar Isabella, waar hij den gewaanden doode in leven en volkomen gezond vond. Bartholomeus hoorde het bericht met blijdschap aan, schonk Diaz vergiffenis en toog met hem naar Catharina’s gebied aan de rivier Ozema, ter plaatse waar thans San-Domingo ligt. De goudmijnen werden nu door hem bezocht en gevonden. Bij deze gelegenheid deed men bovendien eene andere en zeer merkwaardige ontdekking. Men wist, dat de inboorlingen slechts de kunst verstonden om uit het rivierzand stofgoud te wasschen, en dat dan te smelten om er zeer kunstlooze en leelijke voorwerpen van te maken. Om uit het ruwe erts het goud af te zonderen was eene kunst, die ze niet verstonden, en dat bevreemdde niemand, want ze kenden zelfs geene werktuigen om dat erts uit te graven. En wat zag Don Bartholomeus nu? Sommige mijnen waren op wetenschappelijke wijze ontgonnen, en zij, die dit gedaan hadden, moesten derhalve ook bekend geweest zijn met de wijze, waarop men het edele metaal uit het erts kreeg, en bovendien voorzien zijn geweest van werktuigen om het erts uit te graven. De heele toestand van het eiland wees op geen enkel teeken van eenige beschaving; geene enkele oudheid werd gevonden, die bewees, dat hier vroeger een ontwikkeld volk gewoond had, en de leefwijze van de bevolking toonde duidelijk aan, dat men er eeuwen lang geleefd had zooals nu. Wie hadden dan daar in die mijnen gouderts gedolven? Welk beschaafd volk had dan, eeuwen geleden, reeds hier vertoefd? Don Bartholomeus en Columbus vertelden van die vondst niets aan Don Aguado, doch voor Columbus waren die ontgonnen mijnen niet zulk een raadsel. Hij geloofde immers in Cuba het vasteland van Azië gevonden te hebben? Het rijk der beschaafde Tataren moest dus niet zoo ver af liggen, zoodat hij aannemen kon, dat diezelfde Tataren daar gouderts gedolven hadden. Die ontgonnen mijnen versterkten hem derhalve alleen in zijn dwaalbegrip, maar wij, die weten, dat hij dwaalde, staan bij die ontginning der goudmijnen nog altijd voor eene vraag, die niet beantwoord is. Waren het de Egyptenaren, de Phoeniciërs, de Israëlieten, de Grieken, de Karthagers of de Romeinen? Waren het latere Europeesche volken, die door stormen op dit eiland gekomen waren, en daar goud vindende, begonnen met hunne werktuigen erts te graven? Zoo ja, waar waren ze dan gebleven? Waren het de beschaafde Mejicanen of Peruanen, die hier goud haalden? De laatste meening is zeer onwaarschijnlijk, want Mejico en Peru bezaten rijke goudmijnen in hun eigen land, waarom zouden ze nu een afgelegen eiland opgezocht hebben om daar te halen, wat ze thuis ook krijgen konden? Trots al de studie, die er tegenwoordig gemaakt wordt van de Oudheid, blijft de geschiedenis van Amerika met hare bevolking, die in een paar landen zoo fijn beschaafd was, een groot, en een zeer groot raadsel ook. Slechts dat blijkt uit alles, òf dat Amerika eenmaal een’ tijd heeft gehad, en een’ tijd van zeer langen duur, dat het in verbinding stond met de Oude Wereld, òf dat Kolonisten van een beschaafd volk zich hier neergezet hebben, en de beschaving van hun eigen land voortplantten. Wanneer we later met Cortez in Mejico, en met Pizarro in Peru komen, zullen we nog voor veel meer vragen staan, waarop men reeds toen een antwoord zocht, en dat men nu nog niet gevonden heeft. Liever dan ons aan allerlei gissingen wagen, welke toch geen’ historischen grond hebben, keeren we tot Columbus terug.