Dat de mededeeling van de gevonden goudlagen Columbus tot vreugde verstrekte, behoeven we nauwelijks mede te deelen. Het spreekt zoo vanzelf, dat hij er zeer verheugd over moest zijn. De vraag naar goud beheerschte alles; het antwoord er op te geven zou beslissen over den heelen toestand in de landen door hem gevonden. Van de groote vondst aan de rivier Ozema werd daarom tegenover Aguado geen woord gerept, en van eene mogelijke verplaatsing van de hoofdstad der Kolonie sprak men natuurlijk ook niet. Onze vriend Miguel Diaz was weer bij zijne Kazike Catharina, leefde met haar, nu ze ook Christin geworden was, zeer gelukkig en wachtte bedaard den loop der gebeurtenissen af. Zijne makkers schenen niets te weten of ook besloten te hebben om te zwijgen, althans ook van deze zijde lekte niets uit. Columbus meende daarom nu zelf naar Spanje te moeten gaan, om daar aan zijne Monarchen mededeeling van de vondst te doen en een onbewimpeld verslag te geven van den heelen stand van zaken. Dat moest wel noodig zijn, want Pater Boyle, Margarite en al de ontevredenen, die Hispaniola verlaten hadden, zouden tegenover den Koning en de Koningin hem van allerlei verkeerde handelingen beticht hebben. Don Aguado, die door de Kaziken zich had laten inlichten, en van hen niets anders vernomen had dan wat strekken kon tot nadeel van den Onder-Koning, wilde ook naar Spanje, en wat deze daar mededeelde, zou hem, den ontdekker der Indiën, den genadeslag geven. Hij liet daarom twee schepen gereed maken en bevrachten met goud, katoen en gevangenen. Onder deze laatsten behoorde ook de dappere en geslepen Kazike Caonabo, die zelfs in zijne boeien geen oogenblik zijne trotschheid verloren had, doch die Spanje niet zien zou, omdat hij op de langdurige reis overleed. Zoodra de beide schepen gereed waren, benoemde Columbus zijn’ broeder Bartholomeus tot Adelantado of Stadhouder, en moest hij komen te vallen vóór de Onder-Koning alweer teruggekeerd was, dan zou Diego, die ook weer in de Kolonie was, hem vervangen. Na op alles orde gesteld te hebben, verliet hij den tienden Maart 1496 de baai van Isabella, met twee schepen. Op het eene schip was hij, op het andere Don Aguado. De reis duurde buitengewoon lang, en daar men bij de uitrusting der schepen op een’ veel korteren tijd gerekend had met het aanboord nemen van levensmiddelen, waarop men in de Kolonie zoo zuinig moest zijn, zoo ontstond er weldra zulk een nijpend gebrek, dat de bemanning begon te morren en het voorstel deed om de gevangenen, als onnutte monden, overboord te werpen. Columbus wilde hiervan niets weten, doch als men kort na dit voorstel niet Cadiz bereikt had, zou hij er wel gevolg aan hebben moeten geven. Het was den elfden Juni toen ze daar aankwamen. Columbus vond in de haven drie schepen, die met levensmiddelen geladen waren en gereed lagen om, onder bevel van Don Pedro Alonzo Nino naar Hispaniola te vertrekken. Columbus las de brieven, die Nino voor hem vanwege de Monarchen bij zich had en ontdekte uit den inhoud, dat Pater Boyle, Margarite en alle andere ontevredenen het toch niet gedaan hadden gekregen om hem in ongenade te doen vallen. Hij schreef nu een’ brief aan zijn’ broeder, drukte hem daarin op het hart om toch op alle mogelijke wijzen de ontdekte goudmijnen te laten ontginnen, en vooral te zorgen, dat de inboorlingen onder bedwang bleven. Na dezen brief in handen te hebben, vertrok Nino, en thans zond Columbus aan den Koning en de Koningin bericht van zijne aankomst. De brief, dien hij eenigen tijd daarna van de Monarchen ontving, was zeer welwillend, en vriendelijk werd hij uitgenoodigd om, als hij van de vermoeienissen van de reis hersteld was, te Burgos ten Hove te verschijnen. Columbus wachtte niet lang, maar trok spoedig, als „zegevierend Veldheer”, naar de bepaalde plaats. Op dien tocht deed hij alles, wat hij kon om het volk te laten zien welke rijke schatten hij uit die verre gewesten medebracht. Om bovendien te toonen hoe de halfnaakte en zeer onbeschaafde Kaziken van dat land zich met goud versierden, liet hij in elke stad, die hij doortrok, den broeder van Caonabo, die ook tot de gevangenen behoorde, een’ gouden halskraag omdoen, welke eene waarde had van bijna achtduizend gulden. Nieuwsgierigen vond Columbus genoeg, doch met toejuichingen werd hij nergens ontvangen. Er was te veel kwaads van hem en zijne ontdekkingen verteld geworden om hem weer zoo feestelijk te begroeten, als bij zijn’ eersten terugkeer. Ook te Burgos verschilde de ontvangst zeer veel met die te Barcelona. Columbus had echter veel ergers verwacht, en daarom viel de ontvangst, ten Hove vooral, hem zeer mede. Hij kon aan niets ontdekken, dat hij ook maar eenigszins in achting en gunst gedaald was. Boven alles stelde de ontdekking van de goudmijnen Koning Ferdinand tevreden, want meer nog dan in de dagen toen hij oorlog voerde tegen de Mooren, had hij goud noodig. Door de staatkundige huwelijken, die hij zijne kinderen wilde laten sluiten, was hij druk bezig om de toekomstige macht van Keizer Karel V te grondvesten, doch dit had hem in een’ kostbaren oorlog met Frankrijk gewikkeld. De kosten aan dien oorlog verbonden deden evenwel nog onder voor die, welke hij maakte om eene prachtige vloot uit te rusten. Die vloot, honderd schepen sterk, en bemand met twintigduizend koppen, moest naar Vlaanderen, om de Infante Johanna derwaarts te brengen, want deze zou in het huwelijk treden met Filips, den machtigen Hertog van Bourgondië, Heer van bijna de halve Nederlanden en zoon van Keizer Maximiliaan van Duitschland. Dat er dus op het oogenblik geene schepen waren om naar de Nieuwe Wereld te stevenen, ligt voor de hand, en dat er geen geld was om ze voldoende uit te rusten, teneinde de ontdekte mijnen oordeelkundig en met spoed te ontginnen, spreekt vanzelf. Toen Columbus dus vroeg om acht uitnemend uitgeruste schepen, waarvan er twee rechtstreeks naar Hispaniola zouden zeilen met alles, wat voor het onderhoud der Kolonie noodig was, en zes zouden dienen om hem nu op een’ derden tocht aan het vasteland van Azië, in het schatrijke Kataï, te brengen, kreeg hij terstond de belofte, dat dit geschieden zou, maar de vervulling der belofte lag nog in een ver verwijderd tijdstip. Dat we hier niet alles op rekening van het geldgebrek en Koning Ferdinands staatkundige bemoeiingen te schrijven hebben, zal ieder wel begrijpen. Waar Columbus’ vijanden en tegenstanders hunne pogingen om hem in ongenade te zien vallen, mislukt zagen, daar bereikten ze voor een deel toch hun doel met de uitrusting te vertragen. De kleingeestigste middelen werden aangegrepen om Columbus in al zijne plannen te dwarsboomen, ja, men schaamde zichzelven niet door zelfs aan den roem zijner ontdekking te tornen. Het moet in dezen tijd geweest zijn, dat Columbus zich in gezelschap van Aanzienlijken en Geleerden bevond, dat een dezer laatsten op smadelijken toon te kennen gaf, dat de ontdekking van de Indiën door het Westen in te zeilen, niet zulk een moeielijk en gewichtig werk was, en dat iedereen dit wel gedaan kon hebben zonder nog geleerd, dapper, ondernemend of nadenkend te zijn.
Het was zeker moeielijk voor Columbus om hierop een afdoend antwoord te geven, want, waarlijk, nu de ontdekking geschied was, moest iedereen verbaasd staan, dat men aan zulk een’ eenvoudig iets niet veel vroeger gedacht had. Columbus, zoo zegt het verhaal, nam nu een ei, en vroeg wie der Heeren het op zijn punt kon zetten, zonder dat het omviel; hij kon het, zei hij. De Heeren begonnen dit kunstje te beproeven, doch het gelukte natuurlijk niemand. Eindelijk uitgenoodigd om het zelf dan te doen, tikte Columbus voorzichtig een plat vlakje aan de punt, en zette het ei op dat vlakje neer.
„O,” was het algemeene geroep, „als we geweten hadden, dat we dit mochten doen, dan zouden wij het ei ook wel op zijn punt gezet hebben. Zoo is er geene kunst aan.”
„Juist, Mijne Heeren,” zeide Columbus, „nu gij het weet, is er geene kunst aan. Op vooraf weten komt het aan, en zoo is het ook met de ontdekking van de Indiën.”
Vele schrijvers houden dat voorval van het ei voor verzonnen, maar verzonnen of waar, het karakteriseert volkomen het streven van Columbus’ tegenstanders en Columbus zelven.
Doch keeren we terug tot hetgeen geschiedenis is.
Nino was inmiddels alweer in Spanje terug gekomen, en inplaats van aan de Monarchen de brieven te zenden, welke de Adelantado hem medegegeven had, berichtte hij zijne terugkomst met de drie schepen, geladen met goud. Thans dacht Columbus alles gewonnen te hebben, want met Nino’s schatten, zeker afkomstig uit de rijke mijnen, werd het bewijs geleverd van de waarheid van hetgeen hij gezegd had, en was er meteen ook van geldgebrek geene sprake meer. Koning Ferdinand maakte aan dien droom al dadelijk een einde, door te verklaren, dat hij het geld niet missen kon, omdat hij het noodig had voor den oorlog tegen Frankrijk. Werd Columbus’ zoete droom wreedelijk verstoord, ook die van den Koning zou verstoord worden. Toen men bij Nino kwam om goud te halen, vond men slechts zeer weinig. Hij had gevangenen aanboord, antwoordde hij, en als men die op de slavenmarkten verkocht, had men óók goud. „Ander goud is er niet veel meer op Hispaniola,” zeide hij smadelijk, en hing verder een zeer droevig tooneel van heel de Kolonie op. Thans kostte het Columbus kracht om zich staande te houden, en zelfs zij, die hem genegen waren, wezen op de arme gevangenen en riepen spottend: „Zie daar het zeldzame goud der Nieuwe wereld!” Dat door deze teleurstelling de uitrusting der vloot nog meer vertraagd werd, ja, zelfs gevaar liep geheel nagelaten te worden, dat zag ieder. Columbus zag het ook, en, hij leed er onder. Er kwamen leelijke plooien in zijn karakter, welke hem vreemd zouden gebleven zijn, zoo hij niet in zulk eene omgeving van laster en naijver geleefd had. Eene slechts bleef hem trouw ter zijde staan, ten minste, zij sloeg niet zulk een onvoorwaardelijk geloof meer aan al de beschuldigingen, die tegen den grooten man ingebracht werden. Die ééne was Koningin Isabella, die zelfs hielp om Koning Ferdinand over te halen een besluit uit te vaardigen, dat, op Columbus’ verzoek, alle ontdekkingsreizen, die op eigen kosten, dus buiten de Regeering om gedaan konden worden, verboden werden.
Een Duitsch historie-schrijver van onzen tijd noemt deze eisch van Columbus niets anders dan „kleingeestige zelfzucht om zichzelven en zijne familie een monopolie van ontdekkingen te verzekeren.” De aanmerking is niet vriendelijk, doch behalve dat zij onvriendelijk is, is ze ook zeer oneerlijk. Had Columbus er dan geen recht op dat zijn onvermoeid streven, hetwelk met zulk een’ goeden uitslag bekroond was, beloond werd? Indien hij eenvoudig gezwegen had, zouden de particuliere Spaansche ontdekkers, gebruik makende van zijne ontdekking, het zóó ver gebracht hebben, dat ze hem uit de Indiën drongen, en, zonder eenige vergoeding. Dit streven zijner vijanden om hem, den gehaten „Liguriër”, van de vruchten van zijne vlijt en moeite te berooven, spreekt uit de kroniek van den dag.
Na het uitvaardigen van dit bevel werd nu weldra het besluit genomen om de schepen gereed te maken ten einde Columbus eene derde reis te laten doen, doch de uitrusting had heel wat voeten in de aarde. De Kroon had geen geld; het Volk had geen’ lust.
Om nu toch het aantal mijnwerkers te kunnen medenemen, wist Columbus het gedaan te krijgen, dat de Regeering Hispaniola tot een soort van Straf-kolonie maakte. De misdadigers werden nu naar dit eiland gebannen, en de Rechters, zoo beweert men, deden hun best om op deze gemakkelijke manier van een aantal schelmen en deugnieten af te komen. Wel moet Columbus ten einde raad geweest zijn om zulk een ondoordacht, ja, bijna onzinnig voorstel te doen. Zulk werkvolk, het kòn niet anders, zou eene ramp voor hem en voor de heele Kolonie worden.
Met dat al ging de zaak zóó langzaam voort, dat Columbus pas den dertigsten Mei 1498 met zes slecht uitgeruste schepen den derden ontdekkingstocht aanvaarden kon, en de Admiraal was over deze vertraging zóó woedend, dat hij Ximeno De Breviesca, die hem op den dag der afvaart beleedigde, aangreep, op den grond smeet en eenige schoppen toedeelde. Deze Ximeno was de Schatmeester van De Fonseca, Columbus’ heftigsten en gevaarlijksten tegenstander. Toen Koningin Isabella vernam, wat Columbus gedaan had, was zij hierover zeer gebelgd, en hoewel de Admiraal later in een’ brief, vol berouw vergeving aan de Monarchen vroeg voor zijne daad in drift gepleegd, nimmer werd de goede Koningin meer voor hem, die ze zoo lang en zoo trouw geweest was.
AMERIGO VESPUCCI.—COLUMBUS IN KETENEN.
Welk een verschil den dertigsten Mei 1498 op de reede van San Lucar de Barrameda aan den mond van den Guadalquivir, of den vijfentwintigsten September 1493 voor de haven van Cadiz. Nu een armzalig uitgerust vlootje, bemand met Spanjes uitschot, toen eene prachtige vloot, rijk van alles voorzien met eene bemanning, samengesteld uit Spanjes aanzienlijkste Edelen. Nu nergens geestdrift, toen alles vol opgewekt en vurig leven. Nu een Admiraal die schoppen uitdeelt en zijne oogen mismoedig over de zee laat waren, toen een Admiraal wiens mond niet stilstond met het vertellen van de heerlijkheden, die men zien, den roem, dien men behalen, den rijkdom, dien men zich verwerven zou, een Admiraal wiens vurige oogen reeds, aan gindsche zijde van den Oceaan, de schatrijke Indiën, die hij gevonden had, zagen.
Behalve de gewone matrozen en manschappen had Columbus nu slechts tweehonderd man geleide hij zich. Op de hoogte van Ferro zond hij drie zijner schepen onmiddellijk naar Hispaniola, want hij begreep dat zijne broeders in de Kolonie met reikhalzend verlangen naar toevoer van levens- en krijgsvoorraad zouden uitzien, al waren er ook in Januari reeds twee schepen heen gezonden.
Met de drie andere schepen zeilde hij naar de Kaap-Verdische Eilanden. Hij wilde ditmaal den tocht in eene richting maken, die veel zuidelijker liep, om het vasteland, dat in zijn oog het ware „goudland” was, op eene heel andere plaats te bereiken dan op den tweeden tocht. Hij verkeerde in de meening dat alle menschen daar zwart waren evenals de negers in Afrika.
Die zuidelijke koers bracht Columbus en de zijnen echter onder de Linie en in de gevaarlijke streek van windstilte en vreeselijke hitte. Deze laatste was werkelijk ondragelijk. Op het dek was er zelfs des nachts geen koeltje te voelen en beneden in het scheepsruim was de hitte zoo groot, dat de hoepels van de wijn- en watervaten sprongen. Te sterven aan dorst en aan hitte scheen ieders toekomst te zijn, en wanneer we nu in aanmerking nemen, dat de bemanning voor een groot deel uit moordenaars en dieven bestond, dan moeten we verbaasd staan, dat de Admiraal onder zooveel tegenspoed het hoofd niet verloor en den moed niet opgaf. Gelukkig kwam er een klein koeltje opzetten en de Admiraal hiervan gebruik makende, kwam nu onder den invloed van den passaat. Hij zag zelf wel in dat zijne schepen door eene hitte, die het pek uit de naden deed smelten, te ontredderd waren om nog zuidelijker te varen. Bovendien bevond men dat er den eenenderdigsten Juli op elk schip maar één vat water meer over was. Hij moest dus trachten zoo spoedig mogelijk land te bezeilen en een zucht van verlichting steeg uit aller borst toen de uitkijk des middags van denzelfden dag luide hooren deed: „Land vooruit!” Men kreeg eerst drie hooge bergtoppen in het gezicht, en het land, dat later bleek een eiland te zijn, ontving naar deze drie bergtoppen, den naam van „La Trinidad,” d. i. „De Drie-eenheid.” Pas den volgenden dag vond hij een’ geschikten ankergrond en zond nu sloepen aan wal om water in te nemen en eene plaats te zoeken waar de schepen konden gekalefaat worden. Water vond men, en de vreugde hierover deed vergeten, dat men genoodzaakt was met de ontredderde schepen verder te trekken, omdat er geene goede haven gevonden werd. Columbus stond verbaasd over den weelderigen plantengroei, dien hij hier aantrof, want hij had stellig verwacht eene landstreek te vinden, waar alles door de hitte verschroeid was. Dat viel hem tegen, want hij was het vreemde geloof toegedaan, dat het fijnste goud, de zuiverste edelgesteenten en de schoonste parelen alleen in zulk eene streek konden voorkomen. Zuidelijk van La Trinidad was nog eene kust zichtbaar en aanvankelijk hield Columbus dit voor een ander eiland. Hij vergiste zich echter zeer, want de kuststreek, die hij zag, behoorde wel degelijk tot het vasteland van Zuid-Amerika. Hij was hier aan de breede monding van den Orinoco, wiens melkwitte wateren tot op grooten afstand in den Oceaan nog zichtbaar zijn. De oevers van dezen machtigen stroom, wiens monding slechts honderdzestig uur van zijn’ oorsprong verwijderd is, doch welke zulk een’ bochtigen loop heeft, dat zijne heele lengte vierhonderd vijftig uur bedraagt, zijn schilderachtig schoon. Ook toen vertoonde de natuur er zich in volle pracht. Columbus was echter ziekelijk en behalve dat hij veel aan ontstoken oogen leed, werd hij ook erg gekweld door de jicht, zoodat de lust bij hem niet groot was om lang in deze streken te vertoeven. Hij wilde naar Hispaniola om daar, door eenige weken rust, tot herstel te komen om dan, als de jicht hem niet meer kwelde en de oogen weer hersteld waren, van Hispaniola uit, naar deze streken op ontdekkingen uit te gaan. Dat men in de kolonie behoefte aan krijgs- en levensvoorraad hebben zou, geloofde hij niet, want de drie schepen, die hij er van Ferro rechtstreeks heengezonden had, zouden nu reeds te Isabella aangekomen zijn. Maar de levensvoorraad, die hij met zijne schepen ook voor de Kolonie aan boord had, had door de hitte verbazend geleden en zou misschien geheel onbruikbaar worden, als hij den tocht in deze streken te lang voortzette.
Er werd dus besloten om slechts een deel van de kust langs te zeilen om de overtuiging op te doen, dat een nader bezoek aan deze streek de moeite loonen zou.
Het was een heerlijk, schoon land, dat Columbus en zijne reisgenooten te zien kregen, en op onzen Admiraal, die zoo gaarne aan zijne dichterlijke gedachten de vrije vlucht gaf en dan voor waarheid hield, wat toch eigenlijk niets anders was dan eene poëetische vinding, maakte dit land zulk een’ indruk, dat hij waande in de nabijheid van het Paradijs te zijn.
Over de plaats waar dit Paradijs eenmaal lag, werd in die dagen zeer veel getwist, zelfs door geleerden. Dat evenwel hunne uitspraken kant noch wal raakten, is duidelijk, omdat hunne kennis van de gedaante en oppervlakte der aarde zeer gebrekkig was. Eene algemeen aangenomen meening in Columbus’ tijd was, dat het Paradijs op de Oostkust van Azië gelegen had, en er eigenlijk nog lag. Bij den Zondvloed was het door zijne eigenaardig hooge ligging gespaard gebleven van de overstrooming.
Toen nu bij het aanschouwen van die schoone kust, waar zoo menig vriendelijk gelegen Indianen-dorp zich vertoonde de dichterlijke verbeelding des Admiraals opgewekt werd, begon hij ook naar den berg of de hoogte uit te zien waarop het Paradijs lag. Hij schreef zijne meening hierover aan de Monarchen, en om dezen duidelijk te maken, dat hij zich maar niet iets ongerijmds voorstelde, deelde hij hun de kersversche wetenschap mede: „De Aarde heeft den vorm eener peer en verlaat den bolvorm op de plek waar bij eene peer de steel zit, en in de nabijheid van de Linie, in den Indischen Oceaan, is het hoogste gedeelte en nadert de Aarde het meest den Hemel.”
Tot den vijftienden Augustus bleef Columbus zijn’ tocht langs de heerlijke kust voortzetten, en had hij gelegenheid om te zien, dat de inwoners hier veel beschaafder waren dan de inboorlingen van Hispaniola. Aanvankelijk ontweken ze bij het naderen der schepen hunne kustdorpen en namen de vlucht in de bosschen. Zij hadden nimmer zeilschepen gezien, en later bleek het, dat ze de schepen voor reusachtige waterdieren hielden, die niet alleen zwemmen, maar ook vliegen konden. De zeilen waren dan hunne vleugels, en in dat geloof moesten ze wel versterkt worden, als ze zagen hoe die „zeedieren”, als ze ophielden met zich voort te bewegen, de vleugels sloten. Elke beweging van de zeilen beschouwden ze als eene vrijwillige beweging met de vleugels. Om met de bewoners, die zich niet zien lieten, in aanraking te komen, liet Columbus den zesden Augustus op een deel der kust, waar zich sporen van landbouw vertoonden, eenige sloepen landden. De matrozen zagen uit alles duidelijk, dat kort geleden hier menschen moesten vertoefd hebben, want ze vonden zelfs vuren, die nog niet uitgedoofd waren. Eindelijk wierpen de schepen de ankers in de monding eener rivier uit, en thans zag men eene kano waarin een viertal mannen zaten, de karveel naderen, welke het dichtst bij den wal lag. Een zonderling middel om de kennismaking met deze menschen aan te knoopen, bracht de Kapitein van de karveel in practijk. Hij sprong van zijn schip in de kleine kano, die daardoor omkantelde. De Wilden trachtten zwemmende den oever te bereiken, doch werden door de Spaansche matrozen achterhaald en gevangengenomen. Sidderend en bevend verschenen ze voor Columbus, die hen vriendelijk toelachte, en na hun eenige valkenbelletjes, koralen en wat suiker gegeven te hebben, weer naar den wal liet brengen. Die geschenken hadden de gewenschte uitwerking, want de gevangengenomen Wilden hielden, toen ze alweer bij de hunnen waren, de geschenken, die ze gekregen hadden, niet verborgen, wat ze ook bezwaarlijk konden doen, daar ze geene kleederen droegen en de gordel om het middel geene zakken had om de valkenbellen te verbergen. Hun hoofd was gedekt met een voorwerp, dat van katoen gemaakt was. Nu eenmaal de vrees voor de vreemde dieren en de vreemde menschen overwonnen was, kwamen de Indianen van alle kanten opdagen, en met hunne kano’s, die soms heel aardig versierd waren, aan boord van de schepen. Ze maakten op Columbus en de zijnen een’ zeer gunstigen indruk. Hunne lichaams-gestalte, hoewel niet boven het middelmatige, was kloek en krachtig en tot groote verbazing van den Admiraal, die gedacht had hier, zoo dicht onder de Linie een verschroeid land en zwarte menschen, met wol in plaats van haar op het hoofd, te vinden, had hij al sinds eenige dagen gezien dat er van een verschroeid land in de verste verte geene spraak was. Hij zag daarenboven niet alleen menschen, die lang zwart haar hadden, maar die tevens eene huidkleur bezaten, welke al heel weinig verschilde met de gebruinde kleur zijner manschappen. Ja, er waren meisjes, zóó bevallig en schoon, en zóó blank, dat ze menige beroemde Andalusische schoone evenaardden, zelfs overtroffen. In het schieten met den boog waren ze zeer ervaren, en om hunne naakte lichamen tegen de pijlen der vijanden te beschermen, gebruikten ze een klein soort van houten schilden. Heel eigenaardig was ook het gebruik, dat ze van den neus maakten. Het zintuig van den reuk scheen, evenals alle andere zintuigen, sterk ontwikkeld te zijn, wat nog het geval is bij volken, die bijna in den natuurstaat leven. In plaats van, zooals wij zouden doen, de voorwerpen en menschen, die ons vreemd zijn, te betasten, begonnen zij alles te beruiken. Op de vraag, natuurlijk door teekenen gedaan, hoe hun land heette, gaven ze ten antwoord: „Paria!” en ze deelden meteen ook mede dat het land in het Westen veel sterker bevolkt was. Zij gaven Columbus wegwijzers mede om dat land op te zoeken, en toen hij en zijn volk er aankwamen, stonden ze letterlijk verbaasd op het gezicht van zooveel natuurschoon als hier heerschte. Natuurlijk was Columbus’ eerste werk om, nu hij aan wal gekomen was, het land voor zijne Monarchen in bezit te nemen, en dit geschiedde op dezelfde wijze, als bij gelegenheid, dat hij den eersten voet op het gebied der Nieuwe-Wereld zette. In de keuze der woorden was hij wel eenigszins vrij, omdat er omstandigheden konden zijn, die wijziging in eene voorgeschreven formule noodzakelijk maakten, doch de plechtigheden, die er mede gepaard gingen, waren wel degelijk voorgeschreven door het Hof waar eene zeer strenge etiquette heerschte. De toespraak van Columbus was steeds kort, en eindigde met een’ nieuwen eed van trouw door hem en zijne manschappen afgelegd. Later kwam het onder Don Alonzo De Hojeda in gebruik om eene ellenlange toespraak te houden in het bijzijn van de inboorlingen. De plechtige toespraak geschiedde in het Spaansch, waarvan de arme menschen natuurlijk geen woord verstonden, en als we dan lezen hoe de inboorlingen hunne plichten voorgeschreven werden tot in de kleinste bijzonderheden, dan klinkt het al zeer naïef, als het ten slotte luidt: „Indien gij het niet doet, of voorbedachtelijk en listig uitstelt, het te doen, verzeker ik u, dat ik met Gods hulp, u met geweld zal aanvallen, en u overal en op alle wijzen zal beoorlogen. Ik zal u onderwerpen aan de macht en aan de gehoorzaamheid der Kerk en van Zijne Majesteit. Uwe vrouwen en kinderen zal ik als slaven wegvoeren, en zoodanig over hen beschikken als Zijne Majesteit zal bevelen. Ik zal uwe bezittingen wegnemen en u al het leed en verdriet aandoen, dat in mijne macht is, omdat gij vasallen zijt, die hun’ Souverein niet willen gehoorzamen of erkennen, maar die zich tegen hem verzetten en hem tegenstand bieden. Ik verklaar bij deze, dat gij de ellende en jammeren, die ge langs dezen weg uzelven veroorzaakt, eenig en alleen aan uzelven en niet aan Zijne Majesteit, aan mij of aan deze krijgslieden, die mij vergezellen, zult te wijten hebben.”
Het was gesproken, en of de inboorlingen er nu ook geen enkel woord van verstaan hadden, dat hinderde niet. Wanneer ze nu niet in alles naar den zin en wil van de Spanjaarden handelden, dan meenden deze laatsten in hun volle recht te zijn om hen, als oproerlingen te behandelen, want „met luider stem waren hunne verplichtingen afgekondigd.” Waarlijk, indien deze voorgeschreven toespraak niet in de archieven bewaard was gebleven, dan zou men niet kunnen gelooven, dat ze gehouden werd.
Ja, dat de heele toespraak van het begin tot het einde volgens de voorgestelde formaliteiten gehouden wàs, werd telkens door een’ Notaris verzekerd, en deze was dan verplicht hiervan een schriftelijk bewijs aan den Spaanschen Bevelhebber, die de toespraak hield, over te reiken. Men zou anders, wanneer men las, dat deze of gene ontdekkings-reiziger een’ Notaris bij zich had, lichtelijk kunnen vragen: „Wat doet nu toch zulk een Ambtenaar hier?” Thans weet men het. Er waren Notarissen bij elken ontdekkings-tocht om de rechten van de Spaansche Kroon op de gevonden landen tegenover alle vreemde Mogendheden vast te stellen. Dat de inboorlingen er niets van begrepen, leverde geen bezwaar op; er was aan den vorm voldaan en die vorm redde alles.
Nadat de plechtigheid van de huldiging afgeloopen was begon Columbus zich met de inboorlingen bezig te houden. Zij waren blijkbaar nog beschaafder dan die, welke hij reeds ontmoet had en tot zijne vreugde zag hij, dat ze ook heel andere versiersels bezigden. Om den blanken en sierlijken hals droegen de jonge vrouwen en meisjes snoeren van kostbare parelen, en de mannen hadden om hals, armen en beenen banden van een zeker soort van goud, dat ze „gaunin” noemden, en dat, zooals ze zeiden, afkomstig was uit een land, dat niet zoo heel ver af lag. Ook de parelen kwamen er vandaan, maar de bewoners van dat land waren menscheneters. Indien dit laatste waar was, wat nauwelijks te veronderstellen is, dan moeten het bijna wetenschappelijk ontwikkelde menscheneters geweest zijn, want later bleek dat „gaunin” een mengsel was van goud, zilver en koper, dat zelfs kunstig bearbeid was. Dat „gaunin” uit die bestanddeelen bestond, wist Columbus niet, maar dat belette hem niet te twijfelen aan de waarheid van hun beweren. Hij hield het ervoor dat ze hem niet zeggen wilden waar het „gaunin” en de parelen gevonden werden, omdat ze vreesden dat de vreemdelingen er hen van berooven zouden. Nu, de Spanjaarden gaven tot zulk een valsch beweren dan zelf ook aanleiding, want hunne begeerte om parelen en „gaunin” tegen allerlei snuisterijen te verruilen was te groot om zelfs de inboorlingen niet terstond te laten begrijpen, dat ze alles wegnemen zouden, als ze de plaats maar wisten, waar het te vinden was.
Columbus, die met het „gaunin” niet zooveel ophad, sloeg een begeeriger oog op de parelen, en hij hield zich overtuigd, dat deze kostbare voorwerpen hier in de nabijheid moesten gevonden worden. Immers, een geleerd Romein, Plinius, had eeuwen geleden reeds geschreven, dat parelen ontstonden door dauwdruppels, die tusschen geopende oesterschelpen vielen. Oesters vond men hier in menigte, en de dauw viel er sterker dan hij ergens elders gezien had. Hij zeilde daarom langs de kust verder in de hoop dat hij hier op „Paria”, dat hij steeds voor een eiland bleef houden, de plek vinden zou, waar de pareloesters leefden, en in de stellige meening dat hij hier in het land der parelen was, noemde hij eene der vele golven, die hij op dien tocht vond: „Parelgolf.”
Zijn zoeken was echter vergeefsch, en daar zijne oogen bovendien zoo ontstoken werden, dat hij bijna blind werd en hij genoodzaakt was om alles aan zijn’ Stuurman over te laten, wat zeer gevaarlijk was, omdat de zee op vele plaatsen buitengewoon ondiep werd, zoo besloot hij de verdere onderzoekingen voorloopig te staken en de reis naar Hispaniola aan te nemen. Was hij eenmaal dáár, dan zou hij tot volkomen herstel van zijne geschokte gezondheid en van zijne zieke oogen, rust nemen, en inmiddels zijn’ broeder Don Bartholomeus met karveelen, die niet zoo diep gingen als zijn Admiraalsschip, op verdere ontdekking van dit heerlijke land uitzenden.
Veel leed Columbus, maar de zieke oogen straalden van vreugde, als hij er aan dacht, welke schatten hij aan de Spaansche kroon brengen, en hoe hij dan een kostelijk loon op al zijn streven vinden zou.
Dat land der parelen deed hem denken aan de schriftelijke beloften, die hij bij de ontdekking der Nieuwe Wereld aan zijne Monarchen gedaan had, namelijk om te zorgen dat hij binnen zeven jaar uit de voordeelen, welke zijne ontdekkingen hem zouden aanbrengen, een leger van vijftigduizend man voetvolk en vijfduizend ruiters zou kunnen uitzenden om een’ nieuwen Kruistocht tegen de Ongeloovigen te doen, en het Heilige Land te heroveren.
De belofte was gedaan, en hij stond aan de grens van de zeven jaar, nu, zoo hij meende, verzekerd dat hij die belofte met ladingen parelen zou kunnen inlossen.
Arme man, hoe zou hij bedrogen uitkomen! Maar hoe blijkt het alweer uit deze onvoorzichtige belofte, dat hij bij al zijne kennis, al zijn’ moed, al zijne ervarenheid, in vele opzichten een onpraktisch man was, die zich aan allerlei dichterlijke droomen overgaf. Zulk een man, het kon niet anders, was niet berekend om de gewichtige en moeielijke betrekking van Onder-Koning te bekleeden. Hij moest al zijn wenschen en hopen, meestal door eigen schuld, zien mislukken; want wie niet, als hij, zulk eene dichterlijke verbeelding had, diende hem wel voor een’ grootspreker of bedrieger te houden. De tegenstand, dien hij vond, ging werkelijk niet altijd van kwaadwillige en hebzuchtige menschen uit.
Aan dat alles dacht echter onze gelukkige Admiraal, vooral op dit oogenblik, niet.
Den negentienden Augustus kwam hij, door sterke stroomen en door eene miswijzing van het kompas, of mogelijk wel, omdat hij zelf, zoo goed als blind, den koers niet bepalen kon, op een zeer afgelegen deel van Hispaniola aan, en terstond zond hij een scheepje af naar Isabella om Don Bartholomeus bericht te geven van de aankomst van hem, den Admiraal.
Reeds vóór zijn broeder bij hem kwam, zag Columbus een’ inlander, die met een’ Spaanschen kruisboog gewapend was, en terstond rees de bange gedachte bij hem op: „Zou ik wellicht te Isabella een tweede La Navidad vinden?”
Die gedachte was niet zoo ongegrond. Hoe kwam die inlander aan een’ kruisboog? Het zou immers al te groote dwaasheid geweest zijn om de Indianen, die reeds overvloedige bewijzen gegeven hadden van hunne vijandelijke gezindheid, te oefenen in den handel met wapenen, die dienen moesten om hen in bedwang te houden. Had die Indiaan evenwel een’ Spanjaard gedood om zich van zijn’ boog meester te maken, dan was het nog erger, want dan leverde immers hij het bewijs, dat de Kolonisten gedood of onmachtig waren om den overmoed der Indianen met afdoende middelen te keer te gaan.
Tot den dertigsten van die maand bleef Columbus, die slechts langzaam verder zeilde, in eene pijnlijke onzekerheid. Op dien dag echter kwam Don Bartholomeus bij hem aanboord en vernam hij van dezen dat de toestand der Kolonie hachelijk stond.
Wat was er dan toch gebeurd?
Heel veel.
Twee ijverige Monniken hadden op het eiland het Christendom gepredikt en het geluk gehad, een gezin van zestien personen te bekeeren. Nu wendden zij zich met hunne pogingen tot den machtigen Kazike Guarionex. Deze hield zich aanvankelijk, alsof hij wel ooren had naar de Leer van het Kruis, en leerde het Pater noster, het Ave Maria en het Credo. Hij gaf zijne huisgenooten niet alleen bevel dit ook te leeren, maar beval tevens, dat men het elken dag driemaal moest opzeggen. De ijverige Monniken waren vol hoop, doch zagen weldra zich deerlijk teleurgesteld. De een zegt, dat de naburige Kaziken hem er toe kregen om niet meer naar de Monniken te luisteren, terwijl een ander beweert, dat een Spanjaard de lievelingsvrouw van den Kazike beleedigd had. Het laatste schijnt het meest de waarheid nabij te komen. Zooveel is echter zeker, dat de Monniken hunne pogingen opgaven en elders heentrokken. Zij namen het hoofd van het bekeerde gezin mede, doch lieten vooraf voor de vijftien achterblijvenden eene kleine kapel oprichten. Nauwelijks echter waren de Spanjaarden vertrokken of de inlanders vernielden het gebouwtje en begroeven het altaar, het crucifix en een paar Heiligen-beeldjes in den grond.
Deze daad moest streng gestraft worden. De plunderaars werden opgezocht, en toen men hen gevonden en gevangengenomen had, werden ze veroordeeld, levend verbrand te worden, welk vonnis ook aan hen voltrokken werd.
De Indianen besloten nu den dood hunner broeders te wreken. Zij vereenigden onder hunne Kaziken de verschillende benden en bedreigden de fortjes, die Don Bartholomeus had laten aanleggen. Toen de Adelantado hiervan bericht kreeg, besloot hij, omdat de Kolonisten door gebrek aan goed voedsel misschien niet bestand zouden zijn om de opstandelingen te bestrijden, de Kaziken door list gevangen te nemen. Die list gelukte, en de opstand werd daardoor den kop ingedrukt.
Nu liet de Adelantado het bevel zijns broeders ten uitvoer leggen en bouwde aan den mond der rivier Ozema, in de nabijheid der goudmijnen, de stad San-Domingo, en toen deze voltooid was, besloot hij met een groot gevolg eene reis te maken naar het machtige rijk Xaragua, dat ten Westen van Hispaniola lag en nog nimmer door Spanjaarden bezocht was. Wat zou men er ook doen? Schoon moest het er zijn, onvergelijkelijk schoon en vruchtbaar. Wat men eenmaal onder de beschaafde Grieken en Romeinen de „Elyseesche Velden” noemde, dat was Xaragua voor Hispaniola. Maar, men vond er geen goud en slechts katoen, bloemen, heerlijke vruchten en visch.—Over Xaragua regeerden de Kazike Behechio en zijne zuster, de beeldschoone Anacaona, weduwe van den bekenden Caonabo. In Xaragua aangekomen, werden Don Bartholomeus en de zijnen ingehaald door een groot aantal jonge meisjes van buitengewone schoonheid, en de ontvangst was zoo hartelijk, als men maar wenschen kon. Na daar te midden van zooveel schoons eenigen tijd doorgebracht te hebben, kwam de Adelantado onzen Behechio mededeelen, dat hij hem voortaan ook schatting in katoen moest opbrengen. Behechio had hierin niet veel lust, doch Anacaona, die wist hoe haar echtgenoot door zijn’ opstand tegen de Spanjaarden zichzelven slechts schade berokkend had, gaf haar broeder den raad om de schatting te voldoen. De Kazike luisterde er naar en zeide, dat hij bericht zenden zou als de schatting bijeen was. Thans vervolgde de Adelantado zijne reis, doch toen hij eenigen tijd daarna te Isabella aankwam, vond hij er een treurig tooneel. Wel driehonderd der Kolonisten waren aan koortsen bezweken of leidden een treurig leven tengevolge van gebrek aan het noodige voedsel. Gelukkig brachten de drie schepen onder bevel van Nino eenige verademing, doch weldra was de aangebrachte voorraad verteerd. Nu nam het gebrek alweer onrustbarende verhoudingen aan. Men begon te morren en te klagen, dat Columbus te midden van de feesten aan het Spaansche Hof, de Kolonie geheel vergat. Dat hij-zelf daar in Spanje leed onder allerlei tegenwerking en teleurstelling, bevroedde niemand. Dat bevroedde zelfs Ridder Francisco Roldan niet, en deze had toch zeer goed kunnen weten dat de oorzaak van al de ellende onmogelijk bij Columbus gezocht moest worden.
Toen Columbus nog bij zijne tweede reis op Hispaniola vertoefde, was Roldan dagelijks met hem in aanraking geweest, en hij had zooveel werkkracht en zooveel goeden wil getoond, dat de Admiraal hem meer dan anderen genegen was. Die genegenheid droeg vruchten, want toen Columbus naar Spanje vertrok, benoemde hij dezen Roldan tot Opperrechter, en beval hem zijn’ broeder aan, als een man, die zijn volste vertrouwen verdiende. Columbus had echter in de keuze van Roldan andermaal getoond hoe bitter weinig menschenkennis hij bezat, want Roldan behoorde tot zijne grootste vijanden, en pas was de Admiraal weg, of de valschaard begon reeds zijne rol te spelen. En toen ten slotte, door gebrek en ziekte, de ellende der Kolonie ten top gestegen was, beschuldigde hij Don Bartholomeus en diens broeder Don Diego van allerlei oneerlijke handelingen ten opzichte der Kroon, en wist hij verscheidene Kolonisten over te halen om met hem alle gehoorzaamheid aan den Adelantado op te zeggen.
De sluwe Kaziken, hoewel nog buiten den twist gehouden, zagen zeer goed hoe erbarmelijk zwak de toestand der heele Kolonie was, zoodat Don Bartholomeus, wilde hij althans van Isabella geen tweede La Navidad gemaakt zien, verplicht was om tegenover de opstandelingen met de uiterste gestrengheid op te treden.
In dien treurigen toestand vond de Admiraal de schoone Kolonie, toen hij er den laatsten Augustus aankwam.
En hier was hij dan nu gekomen om uit te rusten en van zijne ziekten te herstellen!
Roldan zelf hield zich ver van Isabella buiten het bereik des Admiraals, doch zijn aanhang was over het geheele eiland verspreid en leefde daar in de liederlijkste ongebondenheid. Vooral was het heerlijk schoone Xaragua het tooneel waarop Roldan en de zijnen hun brooddronken leven leidden. Op zekeren dag zagen zij drie schepen naderen. In het eerst meenden ze, dat de Adelantado die op hen afgezonden had, doch weldra wisten ze dat het de drie schepen waren, die Columbus vooruit gezeild waren om de Kolonie terstond van krijgs- en levensvoorraad te voorzien. Roldan begon hier zijne rol nu nog uitgebreider te spelen, en weldra had hij door list het scheepsvolk, dat uit de grootste deugnieten bestond, overgehaald om hier te blijven, en niet naar de ongeluksstad Isabella te gaan. De bemanning der schepen, die door allerlei tegenspoeden afgedwaald en nu pas op dit punt aangekomen waren, verkoos natuurlijk dat „Luilekkerland”, en de samenzwering was al in vollen gang, toen de Kapiteins der schepen er alles van te weten kwamen. Het was te laat, en verscheidene deugnieten in Xaragua achterlatende, omdat ze geene kans zagen, hen weer aanboord te krijgen, zett’en ze koers naar San-Domingo, waar ze met een’ voorraad van bedorven levensmiddelen eindelijk aankwamen.
Thans was de ellende ten toppunt gestegen, en Columbus wist geen’ anderen uitweg dan de schepen waarmede hij gekomen was, naar Spanje terug te zenden. Hij zou brieven aan de Monarchen medegeven, waarin hij een onbewimpeld verslag van den stand van zaken zou doen. Eenmaal hiertoe besloten, vroeg hij aan zijne Souvereinen om een kundig man, als Opperrechter, naar Hispaniola te sturen, ten einde deze de bestaande geschillen beslechten zou, en hij eindigde zijn’ brief met den raad om, als die Rechter er niet in slaagde, de rebellen dan eenvoudig te verdelgen. Met deze schepen gaf Roldan evenwel ook brieven aan de Koningin en den Koning mede, en hierin had de geslepen Rechtsgeleerde allerlei beschuldigingen tegen den Admiraal en zijne broeders aangevoerd. De leeperd wist bovendien hoe hij het aanleggen moest om bij Koningin Isabella een gunstig gehoor te erlangen. Hij deed zich voor als iemand, die in zijne betrekking van Opperrechter gestadig te worstelen had met den Admiraal en zijne broeders om geene arme inboorlingen als slaven aanboord der schepen naar Spanje te zenden, omdat zulk eene onbarmhartige handelwijze een’ Christen onwaardig was. Het was heel gemoedelijk van Roldan, en zijne woorden zou Columbus zelf bevestigen, want met de terugkeerende schepen gaf hij een groot aantal gevangenen mede om die in Spanje, als slaven te verkoopen. Dat deze meeste gevangenen daar gekomen waren, omdat zij geweigerd hadden, schatting te betalen, dat verzweeg Roldan, en nog veel minder maakte hij bekend, dat hij-zelf en niemand anders het geweest was, die de arme Indianen ingeblazen had, geene schatting te betalen, zoodat hij feitelijk de oorzaak was, dat die lieden, als veroordeelde opstandelingen, naar Spanje gevoerd werden.
Met die schepen, waarop een groot aantal ontevredenen naar Spanje terugkeerden, doen we ook die reis en verlaten dus voor een oogenblik den grooten man, die op een ongelukkig oogenblik zijne aangewezen betrekking als landontdekker vereenigd had met die van gezaghebber. Hij had het nooit moeten doen, want hij miste geheel den tact om met zulk een hoog gezag bekleed te worden, waar hij, als vreemdeling, dagelijks aan laster en naijver bloot stond. Het was evenwel niet geheel zijne schuld, want echte Spanjaarden, van ouden stam en onverdachten Adel, zouden naderhand ondervinden, dat zij zichzelven ongelukkiger maakten, naarmate ze meer deden, meer landen ontdekten, meer voordeel aan de Kroon bezorgden. Het ellendige goud was oorzaak, dat te midden van zooveel edels en schoons, tienmaal meer onedels en slechts zich vertoonde, dat daden, die ons met bewondering vervullen, met groven ondank beloond werden.
Zooals te denken is, brachten de ongelukkige brieven aan het Hof niet veel goeds voor Columbus, en vooral Koningin Isabella was vertoornd dat hij steeds voortging met slaven naar Spanje te sturen, en dan nog wel zulke onschuldige (?) menschen, zooals uit de brieven van Roldan ten duidelijkste bleek. Welk een man was dan toch die Genuees, die Spanjaarden schopte, onschuldige inboorlingen tot slavernij doemde, en ten slotte in zijn’ brief kon spreken van een „verdelgen” van de oproermakers? Haar eerste bevel was om al de slaven naar de Nieuwe Wereld terug te zenden en hen daar weer vrij te laten.
Een geleerd Rechter naar de Indiën zenden, dit had Columbus zelf gevraagd, en daardoor een bewijs van eigen onmacht gegeven. Geheel met hem breken, neen, dat wilde Koning Ferdinand niet, maar dat wilde stellig en zeker Koningin Isabella ook niet. Wel kon ze niet meer voor hem zijn, wat ze vroeger geweest was, maar vergeten welke groote daden hij verricht had, dat ging niet.
Er werden terstond aanstalten gemaakt om De Bobadilla naar de Nieuwe Wereld te zenden, maar als altijd was er geen geld genoeg om den nieuwen Stadhouder, want dat was hij door de brieven, die hij medekreeg, metterdaad, met een eskader, dat aan zijn’ rang paste, naar Hispaniola over te brengen. Het werd zelfs Juni van het jaar 1500 eer hij kon afreizen, en in dien tusschentijd was er in Europa andermaal een groot nieuws verbreid.
De tijding dat Columbus door steeds het Westen in te zeilen de lang gezochte Indiën gevonden had, was voor de ondernemende Portugeezen geene reden geweest om nu moedeloos hunne ontdekkingsreizen te staken. Met allen ernst hadden ze hun doel vervolgd, en met den besten uitslag waren hunne pogingen bekroond: Vasco De Gama had om Afrika’s Zuidpunt heen óók de Indiën gevonden, en de berichten van die ontdekking waren van zulk een’ aard, dat de Spanjaarden zelven moesten erkennen, dat de Indiën, van die zijde genaderd, meer gelijkenis hadden met de landen door Marco Polo beschreven, dan het deel der Indiën dat men gevonden had, het Westen inzeilende. Intusschen, de Portugeezen waren nu óók in de Indiën, en dit feit kan strekken om de handelingen der Spaansche Monarchen ten opzichte van Columbus eenigszins te vergoelijken. Als Columbus het land al niet regeeren kon wanneer de Portugeezen hem niet bemoeielijkten, hoe zou hij het dan kunnen, als de Portugeezen er werkelijk ook kwamen? Men begreep wel dat die ontmoeting nog wel niet in de eerste weken of maanden plaats hebben zou, omdat de afstand tusschen de Oostelijke en Westelijke kusten van de Indiën onbegrijpelijk groot was, maar de ontmoeting moest eenmaal plaats hebben, dat kon niet anders, en in dat geval diende er aan het hoofd der Spaansche Indiën een man te staan, die Spanjes gezag met macht en kracht wist te handhaven. En hoe men over Columbus ook denken mocht, niet één zou durven beweren, dat hij in dit geval de rechte man was om de orde te bewaren.
In Spanje had evenwel nog iets meer plaats gegrepen. Columbus had in een’ zijner brieven ook een wijdloopig verhaal gedaan van de landen, die hij op zijn’ laatsten tocht gevonden had. Op de gewone manier had hij zich vaak aan allerlei dichterlijke bespiegelingen overgegeven en die voor waarheid gegeven. Vooral dat Paradijsachtige van de landen, die „Paria” genoemd waren, en den schat van parelen, dien men daar vinden zou, had hij met de sprekendste kleuren gemaald, en menigeen brandde van verlangen om dat heerlijke Paria op te zoeken. Geen evenwel wenschte dit zoo vurig als onze bekende Don Alonzo De Hojeda, die niet met Columbus op de derde reis medegegaan was. Maar onze avontuurlijke Ridder miste, wat het noodigste was om zulk een’ tocht te doen, en dat was geld. De overeenkomst tusschen de Monarchen en Columbus, dat niemand der Spanjaarden bijzondere ontdekkings-reizen mocht doen, bestond, dat wist heel Spanje en dat wist De Hojeda ook, maar wat zou die overeenkomst? Was ze niet gesloten tusschen de Monarchen eenerzijds en den Onder-Koning anderzijds? Was Columbus door de benoeming van De Bobadilla niet van zijne waardigheid ontzet en slechts „Admiraal van den Oceaan” gebleven? De overeenkomst had derhalve hare kracht geheel verloren, en als hij nu maar een’ machtigen steun verkrijgen kon, dan zou hij, De Hojeda, wel uitzeilen om dat Paria te vinden en aan de Kroon van Spanje te brengen.
Die machtige steun was spoedig gevonden in zijn’ neef, den Eerwaarden Vader Alonzo De Hojeda, een der Groot-Inquisiteurs van Spanje, en wat meer zegt, een der beste vrienden van Bisschop Don Juan Rodriguez De Fonseca, den volhardenden tegenstander van Columbus.
De Fonseca gaf, zeker wel met goedvinden van Koning Ferdinand, aan onzen avonturier een’ lastbrief, waarin hij gemachtigd werd om eene vloot uit te rusten, ten einde het vasteland van Amerika nader te onderzoeken. Waar De Bobadilla uit geldgebrek der Kroon nog niet uitzeilen kon, daar was het De Hojeda duidelijk, dat hij bij de Kroon niet om geldelijke bijdragen behoefde te komen. De rijke kooplieden van Sevilla zouden hem evenwel helpen aan het uitrusten der schepen, want er waren, als hij die Parel-landen vond, groote voordeelen van te verwachten. De naam van den dapperen Alonzo De Hojeda was in heel Spanje bekend, en weldra had hij dan ook aanboord van vier schepen, die te Port Santa-Maria in de nabijheid van Cadiz lagen, manschappen zoo goed als hij ze maar wenschen kon, want wie der zeelieden nog aarzelde om onder bevel van een’ Ridder dien tocht te maken, die aarzelde niet meer toen hij wist, dat Juan De la Cosa, als Eerste stuurman de reis zou medemaken. Afkomstig van Biscaye en als het ware op zee geboren en oud geworden, stond hij als Spanjes beste Stuurman bekend, terwijl hij daarenboven in de Indiën geen vreemdeling was, omdat hij de heele tweede reis met Columbus had medegemaakt.
Den twintigsten Mei 1499 ging Alonzo De Hojeda onder zeil. Geholpen door de kennis van zijn’ Eersten stuurman, zijne eigene ervaringen en de kaarten en aanwijzingen van Columbus zelven, kwam De Hojeda, na eene voorspoedige reis van eenentwintig dagen, in dat gedeelte van de Nieuwe Wereld aan, hetwelk thans Guyana heet, doch wat hij er vond, geen goud en geene parelen. Het doel van den tocht was dus niet bereikt, doch den zorgloozen en verkwistenden De Hojeda was het meer om avonturen dan om schatten te doen. Hij zette daarom spoedig den tocht voort, leverde op een der Caraïben-eilanden slag met de inboorlingen, die zich dapper verweerden, doch het onderspit moesten delven, en kwam eindelijk bij een eiland, dat hij den naam gaf van „Giganten-” of „Reuzen-eiland”, omdat het, zoo het heette, bewoond werd door menschen „waarvan elke man een Antaeus en elke vrouw een Penthesiléa was.” Naderhand kreeg dit eiland den naam van Curaçao, doch niemand heeft er ooit een’ man of eene vrouw gevonden, die aan de personen uit de fabelleer Antaeus of Penthesiléa deed denken. Toch was hij, die dit in zijn dagboek „Quatuor navigationes” schreef, een man, die zich later bekend maakte door nog enkele tochten in de Nieuwe Wereld te doen en van die tochten uitvoerige beschrijvingen te geven. Het was Amerigo Vespucci, en naar dezen man kreeg het nieuwe werelddeel den naam van Amerika.