Ferdinand Del Magelhanes. (geb. 1440, overl. 1521.) Ferdinand Del Magelhanes. (Geb. 1440, overl. 1521.)

De Portugeezen hadden hun gebied in de Indiën ook steeds uitgebreid, zoodat om Afrika’s Zuidpunt eene zeer drukke scheepvaart plaats had. Een der Portugeezen, die zich zeer beijverd had om de macht van Portugal in de Indiën te vergrooten, en die door zijne tochten reeds heel veel voordeelen aangebracht had, was zekere Ferdinand Del Magelhanes, een Portugeesch Edelman uit een oud, maar arm geslacht. Zijne diensten werden slecht beloond, en dit was ongetwijfeld wel de oorzaak, dat hij zich tot Koning Karel van Spanje wendde, om dezen Vorst zijne diensten aan te bieden tot het volvoeren van het plan, dat Columbus zich reeds voorgesteld had te zullen volbrengen. Ook Magelhanes hield zich overtuigd, dat men, het Westen inzeilende, eindelijk in de Indiën aankomen moest. Dat de aarde den vorm eener peer had, mocht Columbus nog beweerd hebben, reeds vóór hem leerden velen, dat de Aarde eene bolronde gedaante had, zoodat er mogelijkheid op bestaan moest, dat men eene reis om de Aarde deed. De groote vraag was maar: „Is er eene zee om die reis met een schip te doen?” Magelhanes, die uitgestrekte tochten in den Indischen Archipel gemaakt had, was opmerkzaam geworden op den vorm der landen ten Zuiden van de Oude Wereld. Groote schiereilanden met eene landengte zoo breed, dat men ze moeielijk schiereilanden noemen kon, liepen werkelijk peervormig naar het Zuiden. Dit was zoo in den Indischen Oceaan, dat was het geval met Afrika ook. Waarom zou nu de Nieuwe Wereld, door Columbus ontdekt, eene uitzondering maken? Voor dien vorm der landen moest immers eene oorzaak zijn? En de oorzaak, die gold voor de Oude Wereld, gold ook voor de Nieuwe. Bijgevolg hield Magelhanes zich overtuigd, dat de westelijke tocht naar de Indiën tot de mogelijkheden behoorde. Het blijkt niet, dat hij met dit plan reeds aan het Portugeesche Hof geweest was, toen hij het Koning Karel voorstelde, doch zeker is het, dat de Koning er dadelijk ooren naar had. De vraag alleen was maar: „Mag die tocht gedaan worden met het oog op de Pauselijke bullen, en zal hij, die het waagt ze te overtreden, met den Kerkelijken ban gestraft worden?” Slechts enkelen konden die vraag in ernst meer doen, want het was voor iedereen duidelijk, dat de deellijn tusschen het Spaansche en Portugeesche ontdekkings-gebied, zooals die door Paus Alexander bepaald was, eenvoudig niet kon getrokken worden, en met het oog op diezelfde lijn, viel het Del Magelhanes niet moeielijk om Koning Karel te bewijzen, dat de „Molukken” of „Specerij-Eilanden” tot het ontdekkings-gebied van Spanje behoorden. Het zou hem even gemakkelijk gevallen zijn om den Koning van Portugal te bewijzen, dat die eilanden niet door Spanje in bezit mochten genomen worden. Koning Karel was evenwel gerust gesteld; hij wist nu dat hij, zonder de bul te overtreden, de Molukken bij zijn gebied trekken kon, en benoemde Magelhanes, die met zijne korte, maar krachtige gestalte en fier uiterlijk een’ uitnemenden indruk maakte, tot Ridder van San-Jago, tot Opperbevelhebber over de vloot, die uitgerust zou worden, en tot Gouverneur der Molukken. Het was in 1519 toen Magelhanes met dit voorstel aan het Spaansche Hof kwam, doch dezelfde kleingeestige tegenwerking, die Columbus ongeveer dertig jaar geleden vond, vond Magelhanes ook. Onze moedige Ridder liet zich evenwel niet afschrikken, en de jonge Koning, die zelf, als vreemdeling, ook bij de echte Spanjaarden veel tegenstand ontmoette, ondersteunde Magelhanes zóó krachtig, dat reeds in Augustus eene vloot van vijf schepen, in alles uitmuntend uitgerust, in de haven van San-Lucar de Barrameda, gereed lag. De inscheping werd wat vertraagd, en zoo kwam het, dat Magelhanes pas den twintigsten September 1519 in zee stak. Bijna zeker van de wetenschappelijke overwinning, die hij behalen zou, had hij zijn Admiraalsschip den naam van „Victoria” gegeven. Den twaalfden Januari 1520 bereikte men de monding van de Rio La Plata, doch eer men daar was, had Magelhanes reeds ondervonden, dat men hem, den vreemdeling, slechts gedwongen gehoorzaamde. Moeite doen om zich onder het volk bemind te maken, scheen niet in het plan van den Admiraal te liggen, want toen men hem vroeg: „Waarheen wilt gij ons toch brengen?” gaf hij het hooghartige antwoord: „Vraagt niets! Het is uw plicht mij te volgen. Mijne vlag zal u over dag en mijn seinlicht bij nacht den weg wijzen.” Dat dit antwoord de trotsche Spanjaarden krenken moest, had hij vooraf kunnen begrijpen, en er ontstond ook algemeen gemor, dat oversloeg tot opstand. Men wilde Magelhanes dwingen, zijn plan te laten varen, en om de Kaap de Goede Hoop heen naar de Molukken te stevenen, en toen dit beslist geweigerd werd, zeiden drie Kapiteins hem hunne gehoorzaamheid op. Met behulp van zwaard en strop wist de Admiraal het oproer te dempen, doch gedurende den strengen winter, die volgde, terwijl ze in eene baai lagen, kostte het niet weinig kracht om het gezag te handhaven. De baai, waar de schepen lagen, bevond zich op ruim 49° Zuiderbreedte, dat is ongeveer op dezelfde breedte, als Parijs ten Noorden van de Linie ligt. Het klimaat van Zuid-Amerika kan evenwel op die breedte gerust gelijk gesteld worden met dat van Stockholm, zoodat het ons niet bevreemdt, dat de Spanjaarden, aan milder klimaat gewoon, er ontzettend veel koude leden en er tegen opzagen om nu nog verder het Zuiden in te gaan. Tot hoe ver? „Vraagt niets; het is uw plicht mij te volgen,” had Magelhanes gezegd. Tot in Augustus waren ze genoodzaakt in die baai te blijven, en toen eerst waren ijs en sneeuw opgeruimd, en was de weg naar het Zuiden weer vrij. Pas echter was hij op weg, of een der schepen liep op een rif, en de bemanning had juist nog den tijd om zich het leven te redden, doch al het overige, dat aanboord was, verdween in de golven. Het weder werd steeds onstuimiger, en de Admiraal was verplicht om naar de baai, waar hij overwinterd had, terug te keeren. Opnieuw brak er oproer uit en moesten zwaard en strop de orde herstellen. Eindelijk werd het weder gunstiger; de vaart werd voortgezet, en den twintigsten October had Magelhanes het geluk Amerika’s Zuidpunt te bereiken. De zeeëngte, welke hem van den Atlantischen naar den Grooten Oceaan bracht, kreeg den naam van „Straat van Magelhanes.” Ware hij nu de kust gevolgd, dan zou hij ook Chili en Peru ontdekt hebben. Hij deed het evenwel niet, en zond alleen twee zijner schepen uit om de heele zeeëngte nauwkeurig te onderzoeken. Het volk van een dezer schepen, nu buiten toezicht van den Admiraal, sloeg tot oproer over, en dwong de Officieren om naar Spanje terug te keeren. Met drie schepen stevende Magelhanes thans den Oceaan in, dien hij, omdat hij op de heele verdere reis geen’ hevigen wind had, den naam van „Stillen Oceaan” gaf. Mag het vreemd genoemd worden, dat hij in dezen Oceaan, waar evenzeer stormen heerschen, als in elken anderen, meer dan drie en eene halve maand lang kalm weder had, nog vreemder was het, dat hij in al dien tijd niet één der eilanden zag waarmede deze Oceaan als bezaaid is. Alle levensbehoeften waren reeds verbruikt, en met graagte werden de ratten en muizen gegeten, welke men beneden in het scheepsruim ving, toen men eindelijk den zesden Maart land ontdekte. Men was in den Archipel gekomen, waar, tusschen de 13 en 20 graden Noorderbreedte, de groote groep eilanden zich bevindt, welke bekend staan onder den naam van „Ladronen” of „Dieven-eilanden”. Met gejuich werden deze eilanden begroet, en hoopvol zette men, na een’ rijken voorraad levensmiddelen aan boord genomen te hebben, de reis voort. In het begin van April bereikte men de „Filippijnsche Eilanden”, waar eene vrij lange rust zou genomen worden om de schepen wat te herstellen. De natuur was er heerlijk en de bewoners waren vrij beschaafd en vriendelijk, zoodat Magelhanes begon met hier het Christendom te laten prediken. De Koning van het eiland Zeboe liet zich zelfs doopen, doch de Koning van het eiland Matan verkoos hiertoe niet over te gaan, en toen Magelhanes hem met geweld wilde dwingen om het Christendom te omhelzen, viel de Koning hem onverwachts aan, en doodde hem. Thans van hun’ Aanvoerder beroofd, vloden de reizigers naar hunne schepen, doch daar door honger en ziekten, en nu door het gevecht met den Koning van Matan, hun aantal veel te gering geworden was om drie schepen te bemannen, zoo werd één schip in den grond geboord. De andere twee kwamen pas den derden November op Tidori, een van de Molukken, aan. Zij vonden dat eiland echter door de Portugeezen bezet, en dezen stonden verbaasd te kijken, dat men uit het Oosten tot hen gekomen was. Men deed hen evenwel geen’ overlast, en stond hun zelfs toe om de „Victoria” met specerijen te laden. Het andere schip de „Trinidad” moest daar blijven, om hersteld te worden. Nu werd de thuisreis aangenomen, en den zesden September 1522 kwamen de eerste aardomzeilers te San-Lucar aan. Van de vloot van vijf schepen waarmede Magelhanes uitgezeild was, waren slechts twee schepen terug gekomen, en een van deze was reeds halverwegen den tocht naar Spanje gezeild. De „Trinidad” bleef op Tidori, en van hare bemanning kwamen slechts drie matrozen en een Geestelijke in Spanje weder. Op de „Victoria” waren bij de aankomst in San-Lucar slechts dertien Spanjaarden, zoodat van de tweehonderd veertig mannen, die uitgezeild waren, maar zeventien de heele reis om de Aarde gedaan hadden. Gelukkig behoorde tot die zeventien de geleerde aardrijks- en geschiedkundige Pigafetta, die dezen merkwaardigen tocht beschreef en daardoor aan de wetenschap een’ buitengewoon grooten dienst bewees.


HOOFDSTUK XI.


CORTEZ IN MEJICO.

Met groote schatten aan goud was Don Juan De Gryalva te San-Jago op Cuba teruggekeerd, doch toen hij verslag deed van de landen en volken, die hij ontdekt had, was Velasquez zeer ontevreden, dat De Gryalva de gelegenheid niet waargenomen had om in die landen eene Kolonie aan te leggen, en inplaats van dank voor de schatten, die hij medebracht, ontving hij eene strenge berisping. Dat zijne tochtgenooten vol waren over hetgeen ze gezien hadden en de gewoonte van vele reizigers volgden om waarheid en verdichting met elkander te vermengen, is iets, dat vanzelf spreekt. Men was op Cuba niet uitgesproken over „Nieuw-Spanje”, en van alle kanten ontwaakte een streven om dat land voor de Spaansche Kroon te veroveren. Don Velasquez zag echter wel in, dat hier bedaard en met veel overleg diende gehandeld te worden, wilde men niet alles, wat men nu in de Nieuwe Wereld aan de Spaansche Kroon gebracht had, verloren zien gaan. Het gold hier geene in bezitneming van kuststreken met eene kinderlijk eenvoudige en onbeschaafde bevolking, maar van een groot en beschaafd volk, dat tegenover de Europeesche wapenen eene goed georganiseerde overmacht stellen kon, waartegen diezelfde Europeesche wapenen niet opgewassen waren. Hij, die zich aan het hoofd der onderneming stelde, moest dus iemand zijn, die dapperheid aan beleid, en moed aan list wist te paren. Hij moest iemand zijn in de volle kracht van het leven, gehard tegen alle ongemakken, en tevens gezien en geëerd bij al zijne volgelingen. Wonder genoeg, zichzelven achtte hij niet voor die groote taak berekend, en ten slotte wist hij niemand, die beter aan al de gestelde eischen beantwoordde, dan Hernando Cortez.

Hernando Cortez. (Geb. 1485, overl. 1547.) Hernando Cortez. (Geb. 1485, overl. 1547.)

Deze Hernando of Ferdinando Cortez werd in 1485 geboren te Medellin in Estramadura, uit een oud en aanzienlijk geslacht. Aanvankelijk studeerde hij aan de beroemde Hoogeschool te Salamanca in de rechten, doch zijn vurige en ridderlijke geest kon in den deftigen tabbaard der Rechtsgeleerden geen behagen vinden; hij haakte naar zwaard en schild. Hij trad derhalve in den krijgsdienst, en na een paar jaren in Spanje zich geoefend te hebben in alles, wat een krijgsman weten moest, vertrok hij naar Hispaniola, om aan Ovando zijne diensten aan te bieden. Op Hispaniola heerschte evenwel rust, en zoo kwam het, dat onze naar krijgsroem dorstende Edelman van 1504 tot 1511 een eerzaam planter was. Toen echter Velasquez naar Cuba overstak om dat eiland te veroveren, sloot Cortez zich bij hem aan, en toonde weldra hoe goed hij hier op zijne plaats was. Met welke onderneming hij belast werd, steeds had hij het geluk te slagen, zoodat Velasquez hem benoemde tot zijn’ Secretaris, want de pen en het zwaard waren hem beide even goed toevertrouwd. Cortez was bovendien, èn door zijn fier voorkomen, èn door zijn vroolijk en geestig karakter, bij allen, niet het minst bij de Donna’s, gezien, en weldra was hij dan ook verloofd met de schoone Catalina, eene bloedverwante van eene vriendin van Velasquez. Cortez was echter als eene bij, die van de eene bloem naar de andere vliegt, en hoe schoon Catalina ook wezen mocht, hij had geene begeerte om haar alleen te behooren. De trouwbelofte werd dus verbroken, en Velasquez nam de partij der beleedigde vriendin op. Hij ontsloeg Cortez als Secretaris en begon hem het leven onaangenaam te maken. Dat was Cortez natuurlijk niet naar den zin, en hij smeedde eene samenzwering tegen het gezag van Velasquez. De samenzwering werd tijdig ontdekt en Cortez terdood veroordeeld. Toen Cortez evenwel geboeid in de gevangenis zat, om na eenige dagen, als een gemeene misdadiger zijn leven aan de galg te eindigen, wist hij te ontvluchten. Hij werd echter spoedig gevat en opnieuw gevangen gezet. Toch wist hij andermaal te ontsnappen, en zijn leven te redden door Velasquez te melden, dat hij bereid was, de schoone Donna Catalina te huwen. Velasquez nam hiermede vrede, en gaf het jonge paar eene uitgestrekte landstreek, als huwelijksgave. Andermaal was de man, die naar krijgsroem dorstte, dus een eerzaam planter, en wel zulk een, die wist hoe men rijk worden kon. Toch zag hij begeerig naar alle kanten uit om als krijgsman op te treden, en toen hij van Nieuw-Spanje hoorde, wist hij een paar zijner vrienden over te halen, hem heel voorzichtig en langs bedekte wegen bij Velasquez aan te bevelen, als de eenige man, die meer dan iemand geschikt was om deze landstreek te veroveren. Meende Velasquez dus dat hijzelf en niemand anders Cortez tot die gewichtige taak riep, dan vergiste hij zich. Zoodra Cortez de opdracht ontvangen had, sloeg hij de handen aan het werk, en wel met zulk een’ ijver, dat het de achterdocht van Velasquez opwekte. Niet alleen offerde hij zijn verbazend groot vermogen, verworven uit de goudmijnen van zijn huwelijksgoed, op, maar hij verpandde zelfs al zijne bezittingen, en kwam daardoor aan het hoofd van eene uitrusting, waarmede hij gemakkelijk geheel Cuba onderwerpen kon aan zijn gezag. Toen de prachtige vloot op de reede van San-Jago gereed lag om, na het innemen van levensvoorraad, uit te zeilen, vernam Cortez, dat Velasquez hem ten slotte verbieden zou om te vertrekken. Dit wilde Cortez voorkomen, en zonder er kennis van te geven liet hij zijne vloot zee kiezen, en wel midden in den nacht. Vooraf echter had hij bij al de slagers den geheelen voorraad van vleesch, dien ze hadden, met geweld afgekocht. De slagers spoedden zich nu naar het paleis van Velasquez en deelden hem mede, wat er gebeurd was. Velasquez liet terstond alarm slaan en rende aan het hoofd der zijnen naar den mond der baai, waaraan San-Jago gelegen is. Toen Cortez hem bij het licht van den aanbrekenden dageraad zag, ging hij in eene welgewapende sloep en liet zich dicht onder den wal roeien om zoogenaamd te vragen, of er wat bijzonders aan de hand was. Velasquez zeide, dat hij het vreemd vond, dat Cortez, zonder van iemand afscheid te nemen, vertrokken was, en dat hij alleen daarom zich hier bevond, waarop Cortez ten antwoord gaf, dat de zaak voortgang eischte, en dat hij derhalve vertrokken was. Hiermede was het onderhoud geëindigd, en spoedig was de vloot, maar half uitgerust, uit het gezicht. Eer Cortez het eiland Cuba voor goed verliet, wist hij evenwel op vele kustplaatsen nog aanzienlijke hoeveelheden levensmiddelen aan boord te nemen, zoodat de driehonderd mannen, die onder zijne bevelen stonden, geen gevaar liepen honger te zullen moeten lijden. Het mag vreemd schijnen, dat ik in een boek, dat uitteraard zeer beknopt moet zijn, tot zulke kleinigheden afdaal, maar het vervolg van Cortez’ geschiedenis zal niemand nu doen vragen, wat toch de reden was, dat Cortez in Velasquez zulk een vijandig tegenstander vond. Eene der laatste plaatsen, die Cortez op Cuba aandeed, was Trinidad, waar Don Verdugo bevel voerde, en deze had door een’ ijlbode van Velasquez in last gekregen om Cortez gevangen te nemen en naar San-Jago te zenden. Verdugo zag evenwel geene kans om dat te doen, en liet den ijlbode naar Havana vertrekken om daar den last van den Stadhouder aan den Gouverneur Don Pedro Barba over te brengen. Cortez wist ook deze te verschalken, en zoo kwam het, dat hij ten slotte Cuba geheel verliet, en aan het hoofd stond van elf schepen met honderdtweeënzestig matrozen bemand. Zijn landingsleger bestond uit vijfhonderd en acht soldaten, waarvan er dertien met musketten en tweeëndertig met armborsten gewapend waren. De overigen hadden zwaarden en lansen. Verder had hij nog veertien kleine kanonnen en zestien paarden, en daar in deze landen het dragen van zware wapenrustingen hinderlijk was, zoo waren allen voorzien van katoenen harnassen met watten gevoerd, sterk genoeg om pijlschoten te weren. Naar het aantal zijner schepen had hij zijn legertje in elf afdeelingen gesplitst, en elke afdeeling kreeg een vaandel met een Kruis, waaronder stond: „In hoc signo vinces”, wat zeggen wil: „In dit teeken zult gij overwinnen.” Hij gaf dus, geheel in den geest van zijn’ tijd, aan zijn’ veroveringstocht het karakter van een’ geloofskrijg, en als een bewijs, dat het hem hiermede ernst was, had hij ook gezorgd twee Geestelijken in zijn gevolg mede te nemen. Als loods had hij een’ zekeren Antonio Alaminos, die reeds driemaal in deze streken geweest was. Op het eiland Cozumel kreeg hij nog een’ Geestelijke aan boord, die acht jaren lang onder de inboorlingen verkeerd had, en niet alleen ingewijd was in de taal van het volk, maar ook in hunne wijze van oorlog voeren. Om zijn leven te behouden, had deze Geestelijke zelfs als krijgsman onder de inboorlingen gediend. Cortez zeilde daarop het geheele schier-eiland Yucatan om, liep de rivier de Tabasco op en nam de stad van dien naam in. De inwoners onderwierpen zich, en beloofden Cortez om aan den Koning van Spanje schatting te zullen betalen. Reeds dadelijk begonnen ze hiermede door goud en slavinnen te leveren. Tot deze slavinnen behoorde eene Prinses, die de bewoners van Tabasco bij een’ oorlog in de binnenlanden gevangengenomen hadden. Zij heette Marina, en was niet alleen jong, maar zóó schoon, dat Cortez, toen hij haar zag, terstond dacht aan Anacaona, wier schoonheid op Hispaniola spreekwoordelijk was. De vereerder van het schoone geslacht gevoelde zich tot haar, die zoo schoon en lieftallig was, buitengewoon aangetrokken, en nog meer wenschte hij haar steeds in zijne nabijheid te hebben toen hij ontdekte, dat ze eene zeer beschaafde en verstandige vrouw was, die de taal der inboorlingen van Nieuw-Spanje sprak, en daarenboven volkomen op de hoogte van de zeden en gewoonten was. Deze Marina was in vele opzichten menigmaal Cortez’ goede geest. Zij nam gaarne het Christendom aan, en daar Cortez wel oppaste om haar te zeggen, dat hij gehuwd was, en dat de Christelijke leer hem verbood eene vrouw buiten wettig huwelijk te hebben, zoo leefde ze met hem als eene gade, die haar echtgenoot grenzenloos liefhad en onbezweken trouw was. Na te Tabasco enkele inboorlingen overgehaald te hebben om zich te laten doopen, trok hij verder en kwam op Witten Donderdag bij een eiland, dat hij den naam van „San-Juan De Ulloa” gaf. Hij wierp hier de ankers uit, en kreeg al aanstonds bezoek van de inwoners der stad, die in de onmiddellijke nabijheid op het vasteland lag. De Geestelijke Aquilar, dien hij op Cozumel aan boord genomen had, kon de menschen niet verstaan, doch thans trad Marina als tolk op. Zij zeide in eene taal, die Aquilar verstond, wat de inboorlingen spraken, en Aquilar vertolkte dat alweer in het Spaansch. Deze gebrekkige manier van zich met het volk te onderhouden was maar van korten duur. De begeerte om te kunnen spreken met hem, dien ze zoo oprecht en innig liefhad, deed Marina in korten tijd de Spaansche taal zoo goed leeren, dat zij haar sprak, alsof ze hare opvoeding in Andalusië ontvangen had.—Uit hetgeen Cortez verteld werd, kwam hij te weten, dat De Gryalva vroeger hier al geweest was, dat het land „Mejico” genoemd en geregeerd werd door een’ Vorst, dien ze een’ titel gaven, welke eenige overeenkomst had met dien van Keizer, en dat hij Montezuma heette. Onbekendheid met het schrift en de taal van dat volk mag wel oorzaak zijn, dat de naam van dezen Vorst zoo verschillend geschreven wordt, en dat we Montezuma, Moctheuzema, Muteczama, Motezuina en Montecuhcuma naast elkander zien staan, als namen voor een’ en denzelfden persoon. Den eenentwintigsten April, juist op Goeden Vrijdag, landde Cortez, en na het hooge feest met de zijnen aan den wal plechtig gevierd te hebben, begon hij terstond met het inrichten van de legerplaats, die een versterkt fort en daarna eene stad moest worden. Daar de stichting er van op Goeden Vrijdag begonnen was, kreeg ze den naam van „Villa Rica de Vera Cruz,” wat „Rijke stad van het Ware Kruis” beteekent. Terwijl men zoo aan het werk was, kwamen twee Kaziken, die aan Montezuma onderworpen waren en Pilpatoe en Teutile heetten, met schatten beladen bij Cortez. Zij boden hem alles, wat ze bij zich hadden, vriendschappelijk ten geschenke aan, doch vroegen hem meteen, wat hij met dat bouwen toch van plan was. Cortez zeide dat hij hier voor den Koning van Spanje eene stad wilde stichten, doch Pilpatoe en Teutile meenden, dat men dit eerst wel eens aan Keizer Montezuma diende te vragen. Zij stuurden daarom boden met brieven naar den Keizer en eenige dagen later kwamen die boden met een Gezantschap terug. Waren de schatten, die de beide Kaziken gebracht hadden, reeds onnoemelijk groot, ze verzonken in het niet bij hetgeen de Gezanten brachten, als een geschenk van den Keizer aan zijne blanke vrienden. Er was evenwel een bevel bij dat ze terstond moesten vertrekken, en deden ze dat niet, dan zouden ze aan de Goden geofferd worden. Dit „aan de Goden geofferd worden” was eene parlementaire uitdrukking voor „opgegeten worden.”

Montezuma, Alleenheerscher van Mejico. (Overl. 30 Juni 1520.) Montezuma, Alleenheerscher van Mejico. (Overl. 30 Juni 1520.)

Eer we verder gaan, dienen we eerst eens in vluchtige trekken den toestand van Mejico te schetsen, zooals die was ten tijde, dat Cortez er landde. Misschien hebben sommige lezers ook reeds vreemd opgekeken, waar ze van „brieven” hoorden spreken en denken ze dat hier eene vergissing plaats greep, of dat er met „brieven” heel wat anders bedoeld werd. Hooren ze nu dat hier wel degelijk sprake is van echte brieven, dan moet de vraag wel rijzen: „Maar welk land was dat Mejico dan toch, dat men er zelfs van brieven sprak?”

Wat Pizarro later in Peru vond, dat vond Cortez in Mejico: een volk met eene hooge en fijne beschaving, die evenwel geheel onafhankelijk van de Europeesche, en in den loop der eeuwen zelfstandig ontstaan was. Ze bewoonden, we zagen dit reeds elders, steenen huizen en droegen prachtig geweven katoenen kleederen, die met kleuren en goud rijk versierd waren. De geschiedenis van het land was beschreven in teekens, die veel overeenkomst hadden met de Egyptische hiëroglyphen, en met deze teekens voerden ze ook onder elkander briefwisseling, zoodat er zelfs een vrij goed ingericht postwezen was. Door het heele rijk heen vond men op bepaalde afstanden huizen, die bewoond werden door ijlboden of hardloopers. De eene hardlooper bracht de brieven bij den anderen, en zoo kwamen ze in handen van hen, aan wie ze gericht waren, en dat wel in een’ onbegrijpelijk korten tijd, want menige hardlooper kon een rennend paard bijhouden. Volgens de weinige historische oorkonden, die onder de Spaansche overheersching niet vernietigd werden, moeten, omstreeks de zevende eeuw van onze jaartelling, beschaafde Indianen, Tolteken geheeten, uit het Noordwesten in deze streken gekomen zijn en daar de stad Tecla gesticht hebben.—De bouwvallen, die men van deze stad, die ook wel Tollan of Toela genoemd wordt, gevonden heeft, bewijzen op welk een’ hoogen trap van beschaving dit volk stond. Later, wellicht in de twaalfde eeuw, kwamen de Azteken, die hunne eigen beschaving aanvulden met die der overgebleven Tolteken en stichtten het machtige rijk, zooals Cortez dat vond. De Vorst van het land, die uit de afstammelingen van de oude, Koninklijke familie gekozen werd door vier der aanzienlijkste Edelen, voerde de heerschappij met bijna onbeperkte macht. Eer hij evenwel als Vorst erkend was, moest hij een’ veldtocht doen en slechts dan, wanneer hij als overwinnaar terugkeerde, werd hij door den Vorst van Tezcuco tot Alleenheerscher gekroond. Die kroon was eene bonte muts of hoofdband, versierd met prachtige vederen en een schat van parelen, edelgesteenten en het fijnste goud. De Vorst bewoonde een verbazend groot en prachtig paleis, dat zich bevond in de hoofdstad van het land, welke stad gelegen was midden in een meer en door de Azteken „Tenochtitlan” genoemd werd. Kunstige dammen en bruggen, welke gemakkelijk konden weggenomen worden om den toegang tot de stad voor vijandelijke stammen af te sluiten, verbonden de residentie met den vasten wal, terwijl tal van sierlijke kano’s het uitgestrekte meer in allerlei richtingen bevoeren. De oevers en de naaste omstreken van het meer waren schilderachtig mooi, en geen ’s-Gravenhage, Utrecht of Arnhem bezit schooner villa’s en buitenplaatsen dan het „Meer van Tenochtitlan” bezat. Eene ongekende welvaart heerschte in het geheele land, waar handel, nijverheid en landbouw bloeiden. In de bewerking der metalen hadden de Azteken eene ongekende hoogte bereikt, en zelfs verstonden ze de kunst om uit een mengsel van koper en tin gereedschappen en wapenen te maken, welke in hardheid voor de stalen niet veel onderdeden. Was de regeering van den Vorst des lands bijna onbeperkt, toch werd ze gevoerd naar geschreven wetten, doch deze werden door hemzelf gemaakt met behulp der aanzienlijkste Edelen, die hij, door hun leengoederen te schenken, aan zijn’ dienst verbond. De Azteken zelven, deden weinig werk, doch ze lieten het verrichten door slaven, en het gevolg hiervan was, dat de slavenhandel in dit rijk op groote schaal gedreven werd. Hun godsdienst was de heidensche en ging gepaard met menschenoffers. Een talrijke Priesterstand zorgde, dat de dienst voor de dertien Hoofdgoden en tweehonderd en tien Ondergoden behoorlijk verricht werd, en wat zeer merkwaardig was, ja, bijna een raadsel mag genoemd worden, de Azteken verbonden aan hun’ godsdienst niet alleen doop, biecht en vasten, maar ze gebruikten zelfs het kruisteeken, en het kloosterleven was er met vaste instellingen aan verbonden. Vanwaar dat alles toch? Ondenkbaar is het aan te nemen, dat men hier met eene toevallige overeenkomst te doen heeft. De Tolteken of Azteken moeten op eene of andere wijze reeds eeuwen vroeger met Christenen in aanraking gekomen zijn, en wanneer we deze Christelijke instellingen voegen bij hunne hiëroglyphen, dan zouden we bijna geneigd zijn om aan te nemen, dat Koptische Christenen de grondvesters zijn geweest van de oude, Mejicaansche beschaving, en onwillekeurig denken we daarbij aan het fabelachtige rijk van den raadselachtigen „Aartspriester Johannes,” van wien we reeds vroeger spraken. Intusschen week de godsdienst toch ook alweer zeer ver van den Christelijken af door de menschenoffers, die vooral aan den Hoofdgod Huitzilopotchli, den God des oorlogs, gebracht werden. Uit de bewaarde oorkonden bleek het, dat men in 1486, bij gelegenheid van de inwijding van een’ nieuwen tempel voor den eeredienst aan den Krijgsgod bestemd, niet minder dan zeventigduizend krijgsgevangenen offerde. Die offers werden ook gegeten, doch wie nu denkt aan een’ Kannibalen-maaltijd, waar het vleesch verslonden wordt, vergist zich. De beschaving had hier koks en keukenmeesters, die het menschenvleesch met allerlei kruiden en vruchtensappen, als een gerecht vol afwisseling, lieten ronddienen op den rijk versierden feestdisch. Het gevolg van deze menschenoffers en afschuwelijke feestmaaltijden was, dat de Azteken een volk waren, dat weinig vatbaar was voor edele aandoeningen.

De schatten, die de Afgezanten van Montezuma bij Cortez brachten, hadden echter eene heel andere uitwerking dan Montezuma gehoopt had. Hij meende dat dit goud en die edelgesteenten de „bleeke zonen van den God der lucht,” zooals hij hen met al de Azteken noemde, zóó blij zou maken, dat ze als kinderen, die wat moois gekregen hadden, terstond naar huis loopen zouden, om daar vol vreugde te laten kijken welke schatten ze hadden ontvangen. Het gezicht van dat goud en die edelgesteenten wekte echter den lust op om de stad en het volk te zien, welke zulke schatten bezaten. Enkelen onder de Spanjaarden waren er evenwel, die al dat schoons en al dien rijkdom ook wel zouden willen zien, doch die zich vrees lieten aanjagen door de bedreiging, dat ze „aan de Goden zouden geofferd”, dus, opgegeten worden. Anderen nog, die het er wel op durfden wagen, vroegen zich af, of ze zich niet blootstelden aan gevangenis of galg, wanneer ze Cortez bleven gehoorzamen. Immers, duidelijk was het gebleken, dat de Gouverneur Velasquez niet wilde hebben, dat Cortez zich aan het hoofd van den veroveringstocht stelde, en zoo zij hem nu bleven gehoorzamen, dan kon Velasquez hen als rebellen beschouwen en als zoodanig behandelen. Cortez zag dat zeer goed in en hij begreep ook wel, dat men hem bij den minsten tegenspoed de gehoorzaamheid ontzeggen zou en dat hij dan het recht niet had om gehoorzaamheid te eischen. Hij was evenwel de man er niet naar om moedeloos het hoofd te laten hangen, en gelukkig voor hem gebeurde er wat, dat hem licht gaf. Terwijl hij nog bezig was met het bouwen van „Vera Cruz” kwam tot hem een Gezantschap van vijf Indianen, die blijkbaar tot een’ anderen stam behoorden dan de Azteken. Ze zeiden dat ze Totonaken waren en in de bergen woonden, doch door Montezuma onderworpen waren en nu schandelijk verdrukt werden, waarom ze Cortez kwamen vragen hen te helpen, waar ze dit dwangjuk wilden afschudden. Verder kwam hij te weten, dat de tegenwoordige Keizer eigenlijk voor een groot deel zijner onderdanen een vreemdeling en bij velen in minachting was. Thans was het voor Cortez zaak, hiervan partij te trekken en hij deed dat op eene wijze, welke den naam van eerlijk niet verdient. Zoodra Montezuma hoorde, dat de Totonaken in Cortez’ legerkamp waren en een verbond met hem gesloten hadden, zond hij eenige Edelen naar Vera Cruz met de boodschap aan de Afgezanten der Totonaken: „Gij hebt zonder mijne voorkennis een verbond met de vreemdelingen gesloten en moet mij nu tot straf twintig van uwe jonge mannen en vrouwen zenden om aan de Goden geofferd te worden.” Reeds wilden de verschrikte Indianen toegeven, toen Cortez de Edelen der Azteken liet boeien en in de gevangenis werpen. Na deze daad konden de Totonaken niet meer terugtreden; ze hadden zich bij Montezuma onmogelijk gemaakt. Des nachts evenwel bevrijdde hij twee der Edelen en liet ze in stilte met vriendelijke groeten aan den Keizer vertrekken. Toen den anderen dag de Totonaken hoorden, dat twee Azteken ontkomen waren, wilden ze de anderen dooden. Cortez sprong evenwel voor hen in de bres en liet ook dezen in vrijheid naar Tenochtitlan vertrekken. Door deze sluwe handelwijze had hij het den Totonaken geheel onmogelijk gemaakt om hem te verlaten, terwijl hij aan den anderen kant Montezuma te vriend hield. In troebel water meende Cortez het best te kunnen visschen. Eindelijk was Vera Cruz in zooverre voltooid dat het, met eene voldoende bezetting, weerstand kon bieden aan een’ aanval, en thans besloot Cortez zijn’ laatsten slag te slaan. Vóór hij zijne plannen nu verder doorzette, moest hij een wettig gezag hebben. Dit zou hij verkrijgen als zijne tochtgenooten zelven hem tot Aanvoerder kozen. Ontstond er dàn verdeeldheid, dan had hij het recht om te zeggen: „Gij zelf hebt mij tot uw’ Bevelhebber gekozen, bijgevolg kan ik van u eischen, dat ge mij gehoorzaamt.” Hij stelde nu een’ Raad over Vera Cruz aan, en den schijn aannemende, dat hij naar Cuba wilde terugkeeren, omdat zijn gezag onwettig was, legde hij zijne waardigheid neder. Nu gebeurde echter, wat hij voorzien had, dat gebeuren zou, en met bijna algemeene stemmen verklaarden de Spanjaarden, dat zij hem tot hun’ Bevelhebber uitriepen en niemand anders begeerden. Zóó door het volk zelf in zijn gezag bevestigd, besloot Cortez naar Tenochtitlan te trekken en daar Montezuma het bezoek te brengen, hetwelk deze beslist geweigerd had te ontvangen. Vooraf echter zond hij twee schepen met eene buitengewoon rijke lading aan goud, edelgesteenten en kostbaarheden rechtstreeks naar Spanje, in de hoop dat Koning Karel hem dan in zijn gezag bevestigen zou. Na dit alles gedaan te hebben, aanvaardde hij, in het volste vertrouwen dat alles hem gelukken zou, den tocht naar de wonderstad, waarvan men hem reeds zooveel verhaald had. Waar hij kon, daar sloot hij met de leenroerige Kaziken een verbond van vriendschap en meteen trachtte hij hen voor het Christendom te winnen. Dit nu deed hij in zijn’ ijver niet altijd met de noodige bezadigdheid, en zelfs zou hij er, door onbekendheid met de taal der Totonaken, eenmaal het leven bij ingeschoten hebben, als men hem niet tijdig gewaarschuwd had. Toch liet Cortez de afgodsbeelden vernietigen en toen de Totonaken zagen, dat de Goden die heiligschennis niet wreekten, gingen velen hunner vrijwillig tot het Christendom over. Op eenmaal echter vernam hij, dat er ook onder de aanhangers van Velasquez eene samenzwering gesmeed was en dat dezen met een der schepen naar Cuba wilden terugkeeren. De Aanvoerders van die samenzwering liet Cortez terdood brengen en de overigen geeselen, en om te voorkomen, dat men op den een’ of anderen dag toch niet met een schip naar Cuba ontvluchten zou, liet hij, na eerst alles, wat van de schepen gehaald kon worden, aan den wal gebracht te hebben, zijne heele vloot vernielen, onder voorwendsel, dat al de schepen zóó door den zeeworm gehavend waren, dat ze niet langer konden gebruikt worden. Lezen we later van onzen Prins Maurits, die op het strand van Nieuwpoort de schepen wegzond, en aan zijn volk de keus gaf om te overwinnen of de zee ledig te drinken, dan zien we hier, dat Salomo’s gezegde: „Er is niets nieuws onder de zon” al weer door Cortez bevestigd werd. Eén, slechts één der kleinste schepen, liet hij ongeschonden, doch toen hij verklaarde, dat dit toch nog te groot was voor de enkele lafaards, die hem niet durfden volgen, was er niet één, die er gebruik van wilde maken om naar Cuba terug te keeren, en vol geestdrift aanvaardde men den avontuurlijken tocht.

Ongetwijfeld was Montezuma een zeer machtig Vorst, maar hoe machtig ook, den vrijstaat Tlascala had hij niet tot onderwerping kunnen brengen. De Tlascalanen waren een moedig en dapper bergvolk, dat Cortez op zijn’ tocht naar de hoofdstad des rijks niet misloopen kon. Hij hoopte evenwel, dat hij met hen ook wel een soort van verbond zou kunnen sluiten, zooals hij met de Totonaken gesloten had, en daar hij op zijn’ moeielijken weg, over bergen en door dalen, van alle Kaziken de vriendelijkste hulp ontvangen had, zoo twijfelde hij er niet aan, of de Tlascalanen zouden zich met hem vereenigen, als ze maar wisten dat de „Zonen van den God der lucht” gekomen waren om hunne erfvijanden, de Azteken, van wie ze overigens in godsdienst, beschaving, zeden en gewoonten niet te onderscheiden waren, te helpen bestrijden. De gesloten verbonden met de Kaziken, die met Montezuma bevriend waren, klopten echter niet met het voorstel, dat Cortez door zijne Afgezanten den Tlascalanen liet doen om de Azteken te bestrijden, en het gevolg was, dat in den Raad der Tlascalanen besloten werd, de vreemdelingen als vijanden te beschouwen. Cortez’ heele leger bedroeg niet meer dan vierhonderd Spaansche voetknechten, vijftien ruiters en dertienhonderd Indiaansche krijgslieden. Verder had hij enkele musketten en zeven kleine kanonnen, doch over deze geringe macht had hij nog niet eens geheel op het slagveld te beschikken, omdat er altijd nog een deel overblijven moest om de bagage te bewaken. Toch trok Cortez moedig voorwaarts en versloeg tot tweemalen, vooral met behulp zijner kanonnen, den overmachtigen vijand. Op eenmaal echter stond hij in eene vlakte tegenover een leger van vijftigduizend Tlascalanen, die blaakten van krijgsmoed en hunkerden om de vreemdelingen aan te vallen. De kans stond hachelijk, want met den moed der wanhoop liepen de dappere verdedigers van hun vaderland tegen het vuur der kanonnen in, en lieten zich bij honderden tegelijk doodschieten. Reeds stond het kleine hoopje Spanjaarden gereed om op de vlucht te slaan, toen Cortez op dat gevaarlijke oogenblik met het zwaard in de vuist, onder het geroep van „Santiago! Santiago!” en gevolgd door de veertien andere ruiters, moedig op den vooruitdringenden vijand toesnelde. Wat de kanonnen niet hadden kunnen doen, dat deden de ruiters. Vol schrik en ontzetting gingen de Tlascalanen nu op de vlucht, achtervolgd door al de Spanjaarden. Verschrikkelijk was de nederlaag, die de Tlascalanen leden en onvoorwaardelijk onderwierpen de overgeblevenen zich thans. Cortez aarzelde geen oogenblik om die onderwerping aan te nemen, en inplaats van zich te wreken, behandelde hij hen vriendschappelijk en prees hun’ weergaloozen moed. Deze handelwijze van Cortez deed hem de trouw en genegenheid van het dappere bergvolk verwerven, en onder het gejuich der menigte werd hij in de hoofdstad van den Vrijstaat ontvangen. Bij de eerste pogingen, die hij aanwendde om zijne nieuwe vrienden tot het Christendom te bekeeren, bemerkte hij echter, dat hij gevaar liep hierdoor hunne genegenheid te verliezen, waarom hij dan ook de zaak der bekeering rusten liet.

Cortez met zijne ruiterij in den slag tegen de Tlascalanen. Cortez met zijne ruiterij in den slag tegen de Tlascalanen.

Toen nu Montezuma zag, dat het kleine hoopje vreemdelingen een volk overwinnen kon, dat hij niet ten onder had kunnen brengen, hield hij op met Cortez nog langer te verbieden om in de hoofdstad te komen. Hij ging zelfs verder en zond Gezanten om hem uit te noodigen wél te komen, doch dan zijn’ weg te nemen over Cholula. De Tlascalanen, die Montezuma kenden, gaven Cortez den raad om den Keizer niet te vertrouwen en niet over Cholula te gaan, doch hij hoorde er niet naar, en zijn geleide van zesduizend Tlascalanen bevolen hebbende achter te blijven, deed hij zijn’ intocht in Cholula, dat feestelijk versierd was en slechts inwoners scheen te bevatten, die hem met oprecht gemeend gejuich begroetten. De schoone Marina evenwel waakte met Argusoogen voor haar’ beminden vriend, en door zich te houden, alsof ze door de Spanjaarden mishandeld werd, won ze het vertrouwen van de vrouw van een’ Kazike van Cholula en kwam er achter, dat men bij een groot offerfeest de argelooze Spanjaarden overvallen en dooden zou. Zoodra Cortez met dit plan in kennis gesteld was, viel het hem niet moeielijk het in zijn voordeel aan te wenden. Hij bracht zijn volk op de hoogte der zaak en deelde toen op een bezoek, dat eenige voorname ingezetenen hem brachten, zijn voornemen mede om den volgenden dag te vertrekken, en vriendelijk vroeg hij of men wel zoo goed wilde zijn om hem tweeduizend mannen te geven, die zijne bagage naar Tenochtitlan wilden dragen. Omdat dit voorstel zoo geheel in hun plan greep, beloofden ze gaarne om hem die lastdragers te bezorgen, en vol vertrouwen, dat men den volgenden dag vierhonderd vreemdelingen aan den Krijgsgod zou kunnen offeren, gingen de Cholulanen ter ruste.

Nauwelijks was de dag aangebroken of de Kaziken kwamen, zonder eenig kwaad vermoeden, op het ruime plein waarop Cortez zich met de zijnen, gereed om te vertrekken, opgesteld had. De duizenden, die zich voorgenomen hadden om de gehate vreemdelingen aan te vallen, als zij zich op marsch begaven, stonden in dicht opeengepakte hoopen in de nabijheid. Toen trad Cortez vooruit, en de Kaziken aanziende, verweet hij hun het laaghartige plan, dat ze hadden willen volvoeren. De Kaziken stonden verslagen en één hunner riep uit: „Hij is als één van onze Goden; voor hem is niets verborgen.”

Thans vroeg Cortez hun waarom zij zulk een plan gesmeed hadden, en eerlijk bekenden ze, dat Montezuma hun bevolen had zoo te handelen, omdat hij de Spanjaarden liever niet in zijne hoofdstad ontvangen wilde. Cortez nu genoeg wetend, nam een musket en schoot het af. Het was het afgesproken sein, en op hetzelfde oogenblik braakten de kanonnen, in batterij opgesteld, dood en verderf uit te midden der opeengepakte Cholulanen. De musketiers volgden het voorbeeld en daarna vielen al de Spanjaarden op de menigte aan. Het was geen strijd meer; het werd eene algemeene slachting. De achtergebleven Tlascalanen, van alles onderricht, snelden mede toe en in een’ ontzettend korten tijd was Cholula’s val beslist en lagen duizenden bij duizenden gedood op pleinen en straten. Eene week lang bleef Cortez in de uitgemoorde stad om haar te plunderen en trok toen, overladen met schatten, naar Mejico. Telkens kwamen er nu Afgezanten van Montezuma om Cortez te bevelen terug te keeren, doch toen deze hiernaar niet luisterde, verschenen er andere Afgezanten om hem schatten aan te bieden, als hij deze streken verliet. Hoe meer de Spanjaarden de hoofdstad naderden, hoe grooter de voordeelen werden, welke Montezuma hun aanbood, als ze maar niet naar de hoofdstad kwamen. Zelfs de minste trosdrager onder de Spanjaarden begreep, dat alleen vrees de Azteken en hun Keizer zoo deed handelen, en toen Montezuma inzag, dat het gevaar niet te keeren was, besloot hij de Spanjaarden te ontvangen, alsof hij hen tot het houden van een’ triomftocht binnen Tenochtitlan uitgenoodigd had. Het was te laat. De beschaafde Vorst der Azteken mocht slim en geslepen zijn, tegen Cortez was hij niet opgewassen. Den achtsten November 1519 bereikte Cortez met zijne dappere schaar avonturiers eene hoogte bij het Meer van Tenochtitlan. Onbeschrijfelijk was de indruk, dien dit meer met de machtige stad in het midden er van op de Spanjaarden maakte. Het is historisch zeker, dat Tenochtitlan toen meer dan zestigduizend huizen, paleizen en tempels telde. Duizenden inwoners verdrongen zich op de dammen of voeren in kano’s op het meer om de verschrikkelijke mannen met baarden te zien, en onder de Spanjaarden was er op dat oogenblik niet één, die er aan dacht om den man, die hen tot hier gebracht had, ontrouw te worden.

Een schitterende stoet Edelen der Azteken kwam Cortez en de zijnen namens Montezuma begroeten, doch toen de Spanjaarden over eene ophaalbrug de stad binnentraden, sloeg velen de vrees om het hart, dat ze hier in de val liepen. Lang tijd om er over na te denken hadden ze echter niet, want, gezeten in een’ gouden draagstoel, getooid met al de versierselen zijner Keizerlijke waardigheid en omringd door al de Edelen van zijn Hof, op het prachtigst uitgedost, kwam Montezuma hen te gemoet en heette „Malinche,”—met dien naam sprak hij Cortez aan,—en al zijne „Zonen van den God der lucht” welkom in Tenochtitlan. Hij zelf geleidde hen, doch altijd gezeten in zijn’ draagstoel, naar een prachtig paleis, dat aan een groot plein stond, en zoodra ze daar waren wees hij op het paleis, en zeide tot Cortez, die met zijn gevolg van ruiters ook te paard naast den draagstoel reed: „Malinche, zie daar voor u en de uwen eene woning! Eet en drinkt er, verkwikt u en neemt uw vermaak. Ik zal binnen weinige oogenblikken weer bij u terug zijn!”

Montezuma liet zich nu wegdragen, en Cortez betrok het huis. Hij verdeelde de talrijke vertrekken onder de zijnen, doch zorgde dat de kanonnen, steeds geladen en in batterij, voor den ingang van het huis goed bewaakt werden. Schildwachten werden overal uitgezet, en toen dit alles gedaan was, begaf hij zich aan den rijken disch, waarop keur van spijzen en dranken waren.

Nog niet lang was de maaltijd afgeloopen, toen Montezuma binnentrad om zich met „Malinche” te onderhouden. Natuurlijk moest Marina hier als tolk dienst doen, en deze had al heel gauw bemerkt, dat Montezuma maar op een geschikt oogenblik wachtte om al de vreemdelingen met één slag gevangen te nemen, en dan aan Huitzilopotchli te offeren. Cortez zag echter ook zeer goed in, dat al die eerbewijzen, die onderdanigheid en vriendschap slechts gehuicheld waren, en om te maken, dat hij niet in de val liep, had hij zijn plan reeds gemaakt toen Marina hem kwam waarschuwen.

Montezuma, die bij de komst der Spanjaarden ongeveer veertig jaar oud schijnt geweest te zijn, had eene rijzige gestalte en een innemend gelaat vol Vorstelijke waardigheid, doch het wellustig leven, dat hij leidde, had maar al te duidelijk zijn stempel op hem afgedrukt.—

Om duidelijk te maken welk eene machtige en schoone stad Tenochtitlan was, willen wij er even eene kleine wandeling in afleggen. Wij zullen dan nog beter begrijpen welk een merkwaardig land dit Mejico was. We beginnen bij het paleis van Montezuma. Zijn hoofdpaleis had twintig poorten of deuren, en drie voorhoven. Op een’ dezer voorhoven bevond zich eene fontein, die het zuivere water door zeer doelmatige leidingen in al de kamers van het paleis bracht. Het paleis bestond uit verschillende afdeelingen, en elke afdeeling bevatte meer dan honderd kamers, die bijna allen van badtoestellen voorzien waren. De muren waren van marmer, jaspis, porfier en bonte steenen gebouwd. Het timmerwerk was van zeer licht hout, doch stevig in elkander gezet, terwijl de daken en schoorbalken, zoowel als de zolders, van uitnemend en zwaar timmerhout gemaakt waren. Waar dit maar mogelijk was, had men het hout gebeeldhouwd of was het kunstig gesneden. De wanden waren beschilderd, en op de vloeren lagen zware tapijten, die meest gemaakt waren van konijnenhaar. In alle kamers stonden metalen,—meestal gouden,—vuurpannen met reukwerken te branden en de wanden waren versierd met prachtige vogelvederen, zeer bevallig en kunstig gerangschikt. Tafellakens, servetten en handdoeken waren van geweven katoen en hagelwit. Een zeer groot gedeelte van het paleis was ingenomen door het serail, want de Vorst had op zijn minst duizend vrouwen. Verder waren er aan de hofhouding een groot aantal narren, dwergen, mismaakten, kunstenmakers, dansers, muzikanten en andere lieden verbonden, wier taak het was om het leven van den Monarch op te vroolijken. Zijne gebeden verrichtte de Vorst des nachts in eene kapel, die in de nabijheid van zijn slaapvertrek was. Deze kapel was honderdvijftig voet lang en vijftig breed, en de wanden van onder tot boven beladen met goud, edelgesteenten en parelen. Behalve dit paleis in de stad had Montezuma nog verscheidene landhuizen in de prachtige omstreken van het Meer van Tenochtitlan. Het weelderige en wellustige leven, dat de Keizer leidde, werd door alle Hofgrooten nagevolgd, en ieder deed dit naarmate van zijn vermogen, zoodat het oude Capua, waar Hannibal overwinterde, en door de wellustige levenswijze der Capuanen zijn leger geheel liet verderven, nog niet in de schaduw van Tenochtitlan staan kon. De verfijnde zedeloosheid, verbonden aan eene dierlijke wreedheid, een grof bijgeloof en eene zucht om te schitteren, had er haar toppunt bereikt. Daar de stad midden in het meer gebouwd was, waren de beste wegen de waterwegen, en wedijverden de Aanzienlijken alweer onder elkander om de prachtigste kano’s te hebben. Langs die waterwegen liepen evenwel ook straten, die geplaveid waren met eene soort van harde klei. Zoowel die straten als grachten werden buitengewoon zindelijk gehouden, en van vuil of afval in het water of op straat werpen was geene sprake; het was ten strengste verboden. Het water uit het meer werd niet gebruikt om te drinken, want het was brak. Het drinkwater kwam door zeer doelmatige leidingen uit de naburige bergen, en op de markten en pleinen vond men voor den minderen man, die vaak met zes of zeven gezinnen één huis bewoonde, openbare fonteinen. Op die groote en ruime pleinen werden geregeld markten gehouden, want winkelhuizen waren er onbekend. Al wat men noodig had aan eten, drinken, kleederen, opschik, gereedschap, bloemen, vederen of huiselijke godsdienstplechtigheden, werd op die markten verkocht, en steeds onder streng toezicht der Overheid. Naar het verbazend aantal Hoofd- en Ondergoden, dat de Azteken vereerden, was ook het aantal tempels. Een dezer was de Hoofdtempel en heette „Teucalli”, dat zooveel beduidt als „Godshuis”. Het was een vierkant steenen gebouw van verbazende grootte. Een oud schrijver zegt: „Van hoek tot hoek had men een’ afstand van een roerschot ver.” Een roer was een musket, doch die oude musketten droegen niet veel verder dan honderd Meters. Het geheel geleek op eene afgeknotte vierzijdige pyramide, die op twee hoeken zware en vrij hooge torens droeg. Met trappen, aan den buitenkant aangebracht, beklom men het platte dak en kwam men ook in de torens, die eveneens tot godsdienstige doeleinden dienden.