Tenochtitlan of Oud-Mejico, residentie van Montezuma. Tenochtitlan of Oud-Mejico, residentie van Montezuma.

Was het wonder, dat de Spanjaarden in zulk eene stad bijna de oogen uit het hoofd keken? Ook Cortez deed dat, maar hij zorgde er voor, zich niet te laten verblinden, en weldra kwam hij er achter, dat het doel van Montezuma en de Azteken was om hem en de zijnen in een’ zorgeloozen roes van wellust en weelderigheid te brengen. Cortez hield zich evenwel, alsof hij het niet zag, en het mag ter eere van de meeste Spanjaarden gezegd worden, dat zij van zulk een leven walgden. De matigheid van Cortez in het gebruik van spijs en drank, en de zucht om het lichaam te harden, had een’ gunstigen invloed op zijn volk. Met afgrijzen zagen ze ook de bloedige offerfeesten aan de Afgoden aan, en het werk der bekeering werd met kracht begonnen, doch zonder veel baat. De godsdienst der Azteken had zich veel te veel vereenzelvigd met het heele maatschappelijke leven om hem dadelijk door het Evangelie te vervangen, dat terstond ook eene omkeering in het dagelijksche doen en laten zou brengen. Toen nu Cortez zag, dat hij niet vorderde met het invoeren van het Christendom, en dat er ook geene sprake was van eenige onderwerping aan den Koning van Spanje, begreep hij niet langer te moeten dralen. Er was meer, dat hem tot handelen dwong. De bezetting van Vera-Cruz was door de Azteken aangevallen, en hoewel de Spanjaarden de overwinning behaald hadden, hadden ze toch één’ man in den strijd verloren. De Azteken hadden dezen Spanjaard onthoofd, en het hoofd naar Montezuma gezonden. Het bijgeloof, dat de „Zonen van den God der lucht” onsterfelijk waren, hield dus op te bestaan, en juist dit bijgeloof was Cortez’ grootste kracht. Hij nam nu met overleg en goedvinden van zijne Onderbevelhebbers Montezuma, toen deze in het paleis van de Spanjaarden op bezoek was, gevangen, en hield hem in zijne onmiddellijke nabijheid. Alle besluiten, die Montezuma nam, en alle bevelen, die hij uitvaardigde, kwamen nu ter kennis van Cortez, die weigerde ze uit te voeren wanneer ze tegen zijn’ zin waren. Aanvankelijk verzette Montezuma zich wel, doch toen de aangeklaagde Stadhouder van Vera-Cruz, die den Spanjaard had laten onthoofden, met zijne onderhoorigen voor Montezuma verscheen, gaf deze hen aan Cortez over om er recht over te spreken. Het was een kort recht, dat gehouden werd, en het vonnis luidde, dat de Gouverneur en de zijnen levend verbrand zouden worden. In de hoop van hun leven te redden, zeiden de veroordeelden nu, dat ze op bevel van den Keizer gehandeld hadden, waarop Cortez den Keizer, die alles ontkende, als verrader in ketenen liet leggen. Het vreeselijke vonnis werd voor het paleis voltrokken, en pas toen de laatste rookwalmen van de brandstapels verdwenen waren, liet Cortez hem de ketenen afnemen. De verwijfde Vorst, die alle ziels- en geestkracht miste, schikte zich nu in alles, wat Cortez wilde, zoodat deze feitelijk het heele rijk regeerde. Montezuma nam den Christelijken godsdienst aan, en erkende Koning Karel als zijn Opperheer, ja, hij ging in zijne lafhartigheid zelfs zóó ver, dat hij zijn volk liet weten, dat hij geheel vrijwillig zich te midden van zijne vrienden, de Spanjaarden, bevond, en meteen gaf hij bevel om een’ der prachtigste tempels van Tenochtitlan aan de vreemdelingen af te staan, opdat dezen daarin hunne godsdienst-plechtigheden zouden kunnen verrichten. Een storm van verontwaardiging stak thans onder de Priesters en het volk op, en de toestand werd zóó dreigend, dat zelfs Montezuma alweer moed begon te krijgen, en Cortez beval om niet alleen de stad Tenochtitlan, maar het heele rijk te verlaten. Om tijd te winnen, zeide Cortez, dat hij dit doen zou, maar dat hij dan eerst schepen moest laten bouwen. Waren deze klaar, dan zou hij vertrekken, maar tegelijk Montezuma als gijzelaar medenemen. Zoodra de Keizer dit hoorde, begon hij alweer heel anders te spreken en was Cortez in alles ter wille. Het scheen dus dat het groote rijk der Azteken al op eene heel gemakkelijke en onbloedige wijze aan de Spaansche Kroon zou komen, doch Cortez had buiten den waard gerekend, en deze waard was zijn onverzoenlijke vijand Velasquez, die, jaloersch op de welgeslaagde onderneming van zijn’ tegenstander, eene vloot van achttien schepen, onder bevel van Don Panfilo De Narvaëz naar Vera-Cruz zond. Aan boord der schepen bevonden zich negenhonderd uitstekend gewapende soldaten, negentien ruiters en twaalf kanonnen met een’ grooten voorraad van kruit en lood. Zoodra Cortez de landing van dit leger vernam, liet hij Don Pedro de Alvarado met honderdvijftig man ter bewaking van Montezuma in Tenochtitlan achter, en met slechts tweehonderdvijftig man trok hij met geforceerde marschen naar Vera-Cruz, overviel Narvaëz, die geen kwaad vermoedde, en versloeg hem. De verwarring was zóó groot, dat er slechts weinigen sneuvelden, en allen gevangengenomen werden. Door list en toegevendheid wist Cortez het nu zoo ver te brengen, dat bijna geheel het leger van Don Narvaëz hem met alles, wat het bij zich had, toeviel, en thans bezat onze stoute avonturier eene macht, waarmede hij naar zijne meening, heel gemakkelijk, desnoods met geweld, het gansche rijk van Montezuma onderwerpen kon. Pas echter was hij bezig met zijn leger te ordenen, toen hij de tijding kreeg, dat er te Tenochtitlan eene gevaarlijke opstand uitgebroken was. Aanvankelijk had De Alvarado, op raad van Cortez, de Azteken met veel toegevendheid behandeld, en stond hij zelfs toe dat de Opperhoofden in den tempel van den Krijgsgod feest mochten vieren, indien men er maar geen menschenoffers bracht, en de Hoofden ongewapend verschenen. Wel zeshonderd Edelen zonder wapenen, doch beladen met goud en juweelen, waren in den tempel, toen De Alvarado van de Tlascalanen vernam, dat er onder die bijeenkomst der feestelingen heel wat anders school dan feestvreugde, en dat het plan er gesmeed werd om de Spanjaarden aan te vallen en Montezuma te bevrijden. Zonder onderzoek te doen naar de waarheid van dit beweren, greep De Alvarado de ongewapenden aan, en richtte met de zijnen een vreeselijk bloedbad aan, waarna de goudgierige Spanjaarden zich op de lijken wierpen om ze te plunderen. Had De Alvarado gedacht met deze handeling de Azteken door vrees te verpletteren, er gebeurde heel wat anders. De geheele stad kwam in opstand en begon het paleis der Spanjaarden te belegeren. De vreeselijke kanonnen mochten er honderden dooden, het hielp niet; voor honderd gevallenen kwamen dubbel zooveel wanhopige strijders in de plaats. Eindelijk verscheen Cortez in de nabijheid van Tenochtitlan, en Montezuma, die vol verlangen zijne terugkomst verbeid had, zond hem Gezanten tegemoet. Cortez evenwel, vernomen hebbende, dat Montezuma niet alleen in stilte met zijn volk onderhandelde, maar zelfs met Narvaëz in betrekking stond, beleedigde de Gezanten, en schold den Keizer uit voor „hond van een’ Koning”. Hoogstwaarschijnlijk was er nu van verraad van Montezuma geene sprake, en dezelfde man, die tot lafhartigheid toe zich aan Cortez onderworpen had, was thans, door de beleediging hem aangedaan, diep verontwaardigd en gegriefd, en wat Cortez, wien aan de genegenheid en onderwerping van den Keizer bijna alles gelegen was om de oude verhouding te herstellen, ook deed, het gelukte hem slechts maar tendeele.

Keizer Montezuma door pijlen en steenen zwaar gewond. Keizer Montezuma door pijlen en steenen zwaar gewond.

Intusschen werd de toestand der belegerden met ieder oogenblik dreigender, en thans verlangde Cortez, dat Montezuma als bemiddelaar optreden zou, doch deze weigerde dit te doen. Eindelijk echter liet hij zich overhalen; hij kleedde zich, en met al de waardigheden van zijn’ rang versierd, beklom hij den toren boven het paleis der Spanjaarden, en vertoonde zich aan het volk. Dadelijk heerschte onder den hoop, die bijna schouder aan schouder voor het paleis op het plein stond, eene sombere stilte, doch toen Montezuma begon te zeggen, dat hij verlangde dat al zijne onderdanen de wapenen zouden neerleggen, en dat hij een vriend van de Spanjaarden was, steeg er een woest geschreeuw op; pijlen snorden door de lucht, en groote steenen vielen in de richting van het torenplat. Getroffen door steenen en pijlen werd de arme Keizer door de Spanjaarden weggedragen en zorgvuldig verbonden. Cortez wilde hem in het leven behouden, doch in een onbewaakt oogenblik rukte Montezuma de verbanden van de wonden, die nu onherstelbaar waren, en den dertigsten Juni 1520 overleed hij.

Grooter ramp had Cortez op dat oogenblik niet kunnen treffen, en er zat voor hem nu niets anders op dan de stad te verlaten. Dat moest evenwel in alle stilte geschieden. In den nacht tusschen den eersten en tweeden Juli maakte Cortez zich voor den aftocht gereed. De Keizerlijke versierselen en kroon-juweelen, die een’ onnoemlijken schat vertegenwoordigden, liet hij op een paard laden, doch zijn volk verzocht hij zoo weinig goud mogelijk mede te nemen, omdat dit hun op den tocht last veroorzaken kon. Zijne oude soldaten gehoorzaamden hem, doch de soldaten van Narvaëz, die gedroomd hadden van schatten te zullen verzamelen, en die inplaats daarvan wanhopig hadden moeten strijden, luisterden er niet naar, en staken alle zakken vol met goud, juweelen en parelen.

Eindelijk toen de heele stad in duisternis gehuld was, verliet Cortez met de zijnen en met de Tlascalanen zoo stil mogelijk het paleis. Reeds waren ze op een’ der laatste dammen gekomen, en meenden ze in veiligheid te zijn, toen de Aztekische schildwachten den aftocht gewaar werden en alarm maakten. Oogenblikkelijk was de heele stad in beweging. De Priesters hitsten van de daken der tempels het volk tot wraakneming aan. Het meer zag zwart van kano’s, tot zinkens geladen met woeste krijgers.

„Voorwaarts! Voorwaarts!” klonken de bevelen van Cortez en zijne Bevelhebbers.

Maar de orde werd verstoord, want zij, die achteraan kwamen, en dus het meest te lijden hadden van de steenen en de pijlen der Azteken, begonnen te duwen, te dringen en te schreeuwen. Ten deele waren de bruggen, die de dammen met elkander verbonden, weggenomen of afgebroken, en zij, die nu bij zulk eene afgebroken brug kwamen, werden door de opdringende menigte onbarmhartig in het meer geduwd. Er ontstond eene ontzettende verwarring en naar bevelen werd niet meer geluisterd; ieder trachtte zich te redden, zoo goed hij kon. De soldaten van Narvaëz echter, die zich zoo zwaar met goud beladen hadden, werden door het gewicht van hun’ roof verhinderd te zwemmen en moesten verdrinken of werden levend gevangengenomen om als krijgsbuit aan den Oorlogsgod geofferd te worden.

Cortez in den „Nacht der treurigheid” op een’ dam van Tenochtitlan. Cortez in den „Nacht der treurigheid” op een’ dam van Tenochtitlan.

Cortez verrichtte wonderen van dapperheid en wendde bijna bovenmenschelijke pogingen aan om de orde te herstellen. Het was echter alles vergeefsch, en pas tegen het aanbreken van den morgen bereikte hij met het overschot van zijn legertje den oever. Het was een treurig overschot, want meer dan de helft zijner soldaten had in het meer een’ akeligen dood gevonden of wachtte in de gevangenis het verschrikkelijke oogenblik af om aan den Krijgsgod geofferd te worden.

Noche triste!” riep Cortez met tranen in de oogen uit, en thans noemt men nog altijd in Mejico iets, dat vreeselijk treurig is een „Noche triste” of „Nacht der treurigheid.”

Al zijn geschut was verloren gegaan, en slechts enkele paarden waren overgebleven. De heele ruiterij bestond maar uit drieëntwintig man. De musketten waren weggeworpen; kruit en kogels lagen bij de kanonnen op den bodem van het meer.

Hadden de Azteken, inplaats van in dolle vreugde het offerfeest te vieren, zich terstond op Cortez’ bende geworpen, de Spanjaarden zouden dan onherroepelijk verloren zijn geweest. Nu echter hadden Cortez en de zijnen tijd om wat uit te rusten, en zich voor den tocht naar Vera-Cruz gereed te maken. Eer ze evenwel nog halverwegen waren, ontmoetten ze een ontzettend groot leger van Azteken, te wapen geroepen door Cuitlahuac, den broeder en opvolger van Montezuma.

„Overwinnen of sterven, broeders,” sprak Cortez tot de zijnen, en allen beaamden het ten volle, en geloofden dat het „sterven” zijn zou, want zonder kanonnen of musketten konden ze zulk eene verpletterende overmacht niet keeren. Dat „zich overgeven” hetzelfde was, als „aan de Goden geofferd worden,” ieder wist dat, en zoo ving men den ongelijken kamp aan, vast besloten zijn leven zoo duur mogelijk te verkoopen. De aanval werd zelfs door de Spanjaarden en trouwe Tlascalanen gedaan, doch reeds scheen voor Cortez alles verloren te zijn, toen hij den Aanvoerder van het vijandelijke leger in het oog kreeg, die met opgeheven banier den slag bestuurde. Het was eene wanhopige poging, maar het eenige middel tot behoud.

Santiago! Santiago! Volgt mij!” riep hij, en vergezeld door enkele ruiters rende hij op den Aztekischen Bevelhebber toe, ontrukte hem de banier en doodde hem.

De heilige krijgsbanier in handen van den vreeselijkenMalinche!” Ontzetting greep de Azteken aan, en zij die op het punt stonden om alle Spanjaarden te dooden, sloegen nu op de vlucht, achtervolgd door Spanjaarden en Tlascalanen, die de moordbijl zwaaiden tot vermoeidheid hen dwong ze neer te leggen. Deze schitterende overwinning behaalde Cortez den achtsten Juli 1520 bij Otumba.

Zwaar gekwetst kwam Cortez in de hoofdstad van zijne getrouwe Tlascalanen aan, en verscheidene dagen lag hij daar tusschen leven en dood. Zijn sterk gestel echter zegevierde; hij herstelde. En wat hij in het ijlen der wondkoorts uitgeroepen had: „Ik zàl Mejico onderwerpen!” dat begon hij nu, waar hij weer de oude, veerkrachtige man was, terstond te beproeven. Na den verschrikkelijken slag bij Otumba schenen de Azteken met verlamming geslagen te zijn, want dat dit kleine hoopje Spanjaarden op honderdduizenden de overwinning behalen kon, dat moest iets goddelijks zijn; het kon niet anders. De eene stad na de andere werd dan ook door Cortez ingenomen, en toen Velasquez, niet wetende, dat Narvaëz in boeien lag, andermaal versterkingen zond, lieten de nieuw aangekomen benden, toen ze vernamen hoe de zaken stonden, zich gemakkelijk overhalen om onder Cortez’ vanen dienst te nemen. Bij de eerstvolgende wapenschouwing, die gehouden werd, bleek dat het leger bestond uit zeshonderd voetknechten, gewapend met hellebaarden, lansen en zwaarden, tachtig musketiers, veertig ruiters en ongeveer tweehonderd duizend Tlascalanen en andere Indianen. Verder had hij nu alweer twaalf kanonnen en een’ voldoenden voorraad van kruit, lood en levensbehoeften. Wat belette hem thans om den dood te wreken van hen, die in den „Noche triste” gevallen waren? De vrees en schrik zaten er bij de Azteken in, en Cortez meende, dat hij veilig kon overgaan om Tenochtitlan in te nemen en te plunderen. Was de hoofdstad gevallen, dan zouden daarbij duizenden en duizenden Azteken omgekomen zijn en de verdere verovering van het land zou niet veel moeielijkheden baren.

Thans hield Cortez in dien geest eene toespraak tot het leger en de Spaansche soldaten waren terstond bereid om met hem op te trekken, en toen Marina de toespraak ook vertaald had voor de Tlascalanen en andere bondgenooten, toonden ook dezen zich bereidwillig om den „Malinche” te volgen. Wilde hij echter met hoop op een’ goeden uitslag het beleg van Tenochtitlan ondernemen, dan had hij schepen noodig, welke in den omtrek van het meer zouden gebouwd worden. Gedurende den tijd, dat men aan die schepen werkte, werden er benden uitgezonden, die de steden, daar in den omtrek gelegen, innamen en plunderden. Bijna nergens werd tegenweer geboden. Eindelijk waren de schepen klaar en Cortez liet ze door de Tlascalanen naar het meer dragen en te water brengen, en toen men dit gedaan had, kreeg Narvaëz, ditmaal uit Hispaniola, eene versterking van tweehonderd man, tachtig paarden en een groot aantal kanonnen. Wat voor Narvaëz gekomen was, nam Cortez, en de mannen waren met dien ruil van Bevelhebber zeer tevreden.

Te midden van al deze bedrijven was het inmiddels al Juli van het jaar 1521 geworden. Het volk werd ongeduldig en wilde, nu men eene voldoende macht bijeen had, ook maar aanstonds de verovering van Tenochtitlan beginnen, doch Cortez, die zijn’ vijand maar al te goed kende, en wist hoe alleen voorzichtigheid en beleid hier zegevieren konden, maande tot geduld en kalmte aan. De broeder van Montezuma was, na zijne korte regeering, gestorven, en door zekeren Guatemozin, een verklaard vijand van de Spanjaarden en een geducht krijgsman, opgevolgd. Hiermede diende rekening gehouden te worden, want de Keizer zoowel als zijne onderdanen begrepen, dat het te doen zou zijn om den ondergang der Azteken en van het Mejicaansche rijk, of om den ondergang der Spanjaarden. In een’ krijgsraad werd nu, tegen den zin van Cortez, besloten, om den derden Juli reeds een’ aanval op de heele stad te doen. Wel trachtte Cortez dit tegen te houden, doch men luisterde niet naar hem. Gereed staande om den aanval te beginnen, waarschuwde Cortez nog, om niet te snel voort te trekken, zelfs dan niet, als ze een open terrein voor zich hadden. Hij kende de manier van oorlogvoeren der Azteken en wist, dat ze den schijn zouden aannemen, van te vluchten. Ook deze raad van Cortez werd niet opgevolgd, en vol overmoed kwamen de soldaten over de dammen tot diep in de stad. Op eenmaal echter liet Guatemozin van zijn paleis den krijgshoorn klinken, en de vluchtelingen werden aanvallers. Cortez snelde toe om zijne makkers bij te staan en viel gewond in het meer. „Malinche! Malinche!” joelden de Azteken, en verscheidene handen waren gereed hem gevangen te nemen, toen een der Spaansche soldaten zijn leven opofferde om zijn’ Veldheer te redden. Met zware verliezen waren de Spanjaarden afgeslagen, en aan den oever van het meer gelegerd, zagen ze des nachts, dat hunne gevangengenomen makkers, bij fakkellicht, boven op de daken der tempels, aan de Goden geofferd werden. In zijn’ overmoed liet nu Guatemozin tot ver in het land verkondigen, dat de Krijgsgod door de laatste offers voldaan was, en dat binnen acht dagen geen enkele Spanjaard meer over zou zijn. Door deze profetie verschrikt, verlieten de meeste Bondgenooten, waaronder zelfs vele Tlascalanen waren, de legerplaats van Cortez, die alleen zeide: „Trekt maar niet te ver, want over acht dagen zult gij zien, dat alle Spanjaarden er nog zijn!” Toen nu werkelijk eene week later zelfs niet één Spanjaard gevallen was, kwamen al de Bondgenooten terug en Cortez had gewonnen spel. Gewonnen spel had hij ook door te zeggen, dat de eerste aanval mislukt was, omdat men niet naar zijn’ raad geluisterd had.

„Men moet met behoedzaamheid langzaam voorwaarts dringen,” zeide hij. „Komt men bij een huis, men breke het af en gebruike het puin om de grachten te vullen en de dammen te versterken.”

Zoo deed men meer dan eene maand lang. De prachtigste paleizen lagen in puin en vulden de grachten of het meer. De eene straat na de andere verdween en steeds kleiner werd de plek, waar de verdedigers stand hielden, te midden van den vreeselijksten hongersnood. Den derden Augustus 1521 werd de laatste versterking ingenomen en met den grond gelijk gemaakt, en—het schoone Tenochtitlan was verdwenen van de oppervlakte der Aarde. Guatemozin werd gevangen voor Cortez gebracht en zeide: „Malinche, ik heb alles gedaan, wat een krijgsman doen kon. Het hielp mij niet. Neem nu uw zwaard en dood mij, want het leven is mij eene ergernis.”

„Neen, Guatemozin, vrees niet! Malinche doodt geene helden als gij zijt,” antwoordde Cortez. „Uw leven is veilig!”

Het was te veel gezegd. Waar waren de onbegrijpelijk groote schatten aan goud, edelgesteenten en parelen gebleven? Niemand kon ze vinden, en nu eischte het volk, dat men Guatemozin op de pijnbank leggen zou, opdat hij bekende, waar ergens al die schatten gebleven waren. Cortez wilde er eerst niets van weten, doch toen het volk tot oproer dreigde over te slaan, gaf hij toe. Het pijnigen hielp niet, en welk een moed Guatemozin had, bleek wel hieruit, dat hij een’ klagenden vriend, die ook op de pijnbank gefolderd werd, kalm toevoegde: „Denkt gij dan, mijn vriend, dat ik in een bad lig?” Cortez, dit pijnigen moede, liet beide Vorsten wegvoeren.

Na de verwoesting van Tenochtitlan, waarbij, den eersten aanval uitgezonderd, slechts weinig Spanjaarden gesneuveld waren, had de verovering van het Mejicaansche rijk zooveel moeite niet meer in, zoodat Cortez, na eenigen tijd, aan Koning Karel melden kon, dat hij een land aan Spanjes Kroon gebracht had, veel grooter dan het heele gebied zijns Konings in Europa, en zóó rijk, dat de schatten eenvoudig niet te overzien waren.

Er heerschte in dat bericht geene overdrijving, want Mejico was langs den Stillen Oceaan zevenendertighonderd en vijftig, en langs den Atlantischen Oceaan drieduizend Kilo-meter lang. Nog steeds grooter werd dit wingewest door de ontdekkingen en veroveringen, die enkele Veldheeren van Cortez deden. Zoo veroverde De Alvarado, die onder de Azteken den bijnaam van „Tonatiuk”, dat is „Zoon der Zon”, ontvangen had, in 1523 dát deel van Middel-Amerika, hetwelk wij thans onder den naam van Guatamala kennen, terwijl een ander Veldheer, wiens naam ik niet vermeld vond, in hetzelfde jaar Honduras aan de Kroon van Spanje bracht.

Het bericht van die groote ontdekkingen bewoog in Spanje tal van lieden zich onder Cortez’ vanen te scharen teneinde nieuwe veroveringen te doen. Maar honderden kwamen ook, wien het alleen om goud te doen was, en deze laatsten juist waren het, die alweer onrust en verdeeldheden in de Kolonie brachten. Zoo lang deze lieden maar niet in hunne handelingen gestoord werden, en Cortez hen hielp wanneer ze door hunne hebzucht in moeielijkheden kwamen, ging alles goed, doch wanneer hij ook voor de rechten der Azteken opkwam, en dezen durfde verdedigen, liep het mis, zoodat de positie van Cortez ten slotte al niet veel beter werd dan die van Columbus eenmaal was. Bovendien, De Fonseca leefde nog altijd, en deze was een vriend van Velasquez, zoodat we niet behoeven te vragen, wat gebeurde. Op zijn aanraden werd door Koning Karel een’ zekeren Don Christoval De Tapia naar Nieuw-Spanje gezonden om als Stadhouder op te treden. Toen De Tapia evenwel te Vera-Cruz aangekomen was, zag hij wel in, dat er geene sprake was van Cortez eenvoudig af te zetten, want niemand wilde er naar luisteren. Hij ging dus weer terug naar Spanje en wist daar zelfs voor den grooten held zóó te werken, dat Koning Karel Cortez den vijftienden October 1522 tot Stadhouder, Opperbevelhebber en Opperrechter van „Nieuw-Spanje,” zoo werd Mejico voortaan genoemd, aanstelde.

Drie jaar lang heerschte Cortez als zoodanig, en de Azteken en andere onderworpen volksstammen mochten van geluk spreken, want hij was niet wreed of bloeddorstig en strikt rechtvaardig. Het is waar, hij liet Guatemozin terdood brengen, en Cortez’ vijanden zeiden, dat hij onschuldig terdood veroordeeld werd. De vrienden van Cortez daarentegen beweerden, dat Guatemozin deelgenomen had aan eene samenzwering en dus wel degelijk schuldig was.

Hoewel Cortez nu eene schitterende betrekking bekleedde, dreef zijn onrustig karakter hem aan om telkens nieuwe tochten te doen, welke nu juist niet altijd even voordeelig voor hem afliepen. Zoo deed hij in 1528 eene reis naar Spanje, en zijn onmetelijk vermogen stelde hem in staat om aan het Spaansche Hof te verschijnen met eene ongeëvenaarde pracht. Hij en zijn talrijk gevolg van Aztekische Edelen spreidden een’ luister en een’ rijkdom ten toon, welke noodwendig heel wat anders dan verblinden moest, waar de naijver door zijne heldendaden nog lang niet tot zwijgen gebracht was. Cortez was naar Spanje gekomen met het doel, zich te verdedigen tegen de beschuldigingen, die tegen hem ingebracht waren. Men had hem beticht, dat hij misbruik van zijn gezag maakte, dat hij de Azteken steeds behandelde, alsof hij hun beul was, alleen om zichzelven rijkdommen te verschaffen, dat hij den Godsdienst niet ijverig liet prediken, en zelf voorging in eene onzedelijkheid, die met het Evangelie niet te rijmen was, door zijne Gemalin Donna Catalina schandelijk te verlaten en met Marina te leven.

Nu, veel ervan was waar, want vroom en deugdzaam was Cortez allerminst, doch de beschuldigingen waren toch onbillijk. Cortez was in zijn privaat leven niet beter, maar ook niet slechter dan alle andere Ridders en Edelen, en onwaar was het, dat het hem met de prediking van het Evangelie geen ernst was. Hij had echter aan zijne trouwe Tlascalanen gezien, hoe uiterst voorzichtig hij met de Evangelie-verkondiging moest te werk gaan. Zijne meening was het Christendom zóó te prediken, dat men er toe kwam, het vrijwillig en niet gedwongen aan te nemen. Ongetwijfeld waren er velen, die hem hierin gelijk gaven, doch de ijveraars waren er niet mede tevreden. Dat Cortez zich verrijkte, ten koste der Azteken, was ook waar, doch indien hij dat recht niet had, dan had de Spaansche Kroon het toch ook niet. Mejico was veroverd zonder dat de Azteken van hunne zijde iets gedaan hadden, dat den Spanjaarden daartoe eenig recht gaf.

Intusschen maakte Cortez door den luister, dien hij tentoon spreidde, er zijne zaak niet beter op. Wel wist hij alle beschuldigingen te wederleggen, en werd hij door Koning Karel in het gelijk gesteld, maar hiermede had hij zijn pleit nog niet gewonnen. Koning Karel was een zeer staatkundig Vorst, die, wilde hij zich als Koning van Spanje, Keizer van Duitschland, Heer der Nederlanden en Oppermachtig Gebieder der Nieuwe Wereld handhaven, verplicht was, hier en daar toe te geven waar hij, zoo hij vrij geweest ware, dit stellig niet zou gedaan hebben. Zeer goed zag Koning Karel in, dat hij moest toegeven aan den drang van Cortez’ vijanden. Hij gaf hem daarom den titel van Markies Del Balle, en schonk hem in Nieuw-Spanje de landstreek Oaxaca als Leen. Verder benoemde hij hem tot Opperbevelhebber over het leger en tot Admiraal van den Stillen-Oceaan, doch tot Onder-Koning werd benoemd Don Antonio De Mendoza.

Teleurgesteld keerde Cortez naar Nieuw-Spanje terug, na inmiddels, daar hij weduwnaar geworden was, in zijn Vaderland met eene Gravin in het huwelijk getreden te zijn. Hij vestigde zich in zijn nieuw Leen, dat zeer rijk en vruchtbaar was, en in grootte menig Europeesch Koninkrijk overtrof. Hoewel hij aanvankelijk zich in zijn lot scheen te zullen schikken, en als een machtig Land-edelman leefde, had hij er op den duur geen behagen in, en begon hij zich uit te rusten voor nieuwe ontdekkingen en veroveringen. Dat er ver in het zuiden een „Goudland” was, dat wist hij, en hij had zelfs Pizarro hierin reeds wenken gegeven. Zelf wilde hij daar niet heen, want naar zijne meening lagen er ten Noorden van Nieuw-Spanje ook landen, die nog rijker aan goud waren dan het land der Azteken. Die landen wilde hij ontdekken en veroveren. Met opoffering van het grootste deel van zijn vermogen mocht het hem gelukken om in 1536 Californië te ontdekken, doch zonder voordeel, want de rijke mijnen, die daar aangetroffen werden, zouden pas driehonderd jaar later gevonden worden.

Teleurgesteld in alles keerde hij in 1540 naar Spanje terug, waar men hem zoo goed als links liet liggen. Verdrietig trok hij zich nu uit het openbare leven terug, en de man, wiens naam genoemd zal worden, zoolang het menschdom bestaat, stierf als een vergeten burger op een landgoed in de nabijheid van Sevilla, den tweeden December 1547 aan eene ingewands-ziekte.


Nog altijd wordt Cortez zeer verschillend beoordeeld, doch naar mijne meening begaan zij, die hem veroordeelen, de groote fout, dat zij de onrechtvaardige handelingen van een geheel Volk laden op één’ man, en hem zóó het uitgestrekte veld der Historie injagen, zooals vroeger de Israëlieten den bok, beladen met de zonden des volks, de woestijn injoegen. Trots al zijne ondeugden en gebreken kan ik in Cortez niets anders zien dan een’ man, die in groote daden en zelfs in vele deugden uitblonk boven duizenden zijner tijdgenooten. In alle gevallen plaats ik hem ver boven den man, die Peru aan de Spaansche Kroon bracht.


HOOFDSTUK XII.


ZUID-AMERIKA ONDER SPANJAARDEN EN PORTUGEEZEN.—NEDERLANDERS EN ENGELSCHEN IN AMERIKA.

Jaren lang had men den Archipel tusschen Noord- en Zuid-Amerika reeds doorkruist, kustlanden had men er ten Zuiden, ten Westen en ten Noorden van gevonden, maar nog altijd lag het vasteland in het Zuiden zoo goed als onbekend. Zelfs een Del Magelhanes kon dat groote Zuidelijke vasteland omzeilen, zonder er aan te denken om te onderzoeken of het ook waar was, wat al de Wilden, zonder eenige uitzondering, aan Columbus verteld hadden, dat het land, waar veel goud was, ten Zuiden lag.

En dat land was er werkelijk, en één man was er, die reeds geruimen tijd geleden begeerige blikken naar die onbekende streken geworpen had. Wij hebben hem reeds tegenover De Balboa zien staan, en hoorden hem toen Francisco Pizarro noemen.

Buiten huwelijk in 1478 geboren, weggeloopen van achter de zwijnen, die hij hoeden moest, en als soldaat in dienst getreden, kwam hij in de Nieuwe Wereld aan om daar eene rol te spelen, welke in schitterende krijgsdaden, die van Cortez misschien wel overtrof. Dezelfde man, die niet lezen of schrijven kon, zou Spanje in de gelegenheid stellen, zich in schatten te kunnen baden, en wat aan een beschaafd en wel onderwezen man, als Columbus of Cortez, niet gelukt was, dat gelukte dezen soldaat van fortuin: hij wist zich in zijn gezag te handhaven tot hij viel onder de dolken zijner vijanden.

Francisco Pizarro. (Geb. 1478, vermoord 1541.) Francisco Pizarro. (Geb. 1478, vermoord 1541.)

Na onder De Hojeda en Pedrarias, als ondergeschikt Bevelhebber gestaan te hebben, werd hij eindelijk Stadhouder van het landschap Uraba, doch het was er verre af, dat deze aanzienlijke betrekking zijne eerzucht bevredigde; hij wilde meer zijn, en zonder ophouden dacht hij aan dat land ver in het Zuiden, waarvan de inboorlingen van Uraba hem zoovele wonderen wisten te verhalen.

Het was werkelijk een wonderland, zooals later bleek. Het heette Peru, en bevatte door zijne ligging bijna alle planten der wereld en het bezat ook groote dieren, die, tam gemaakt, den mensch groote diensten bewezen. Deze dieren waren de lama’s of kameelschapen. Het goud was in dat land in zulk een’ overvloed aanwezig, dat men er bijna hetzelfde gebruik van maakte, als heden ten dage van het ijzer in onze streken. Maar dat land onderscheidde zich door nog wat anders dan door rijkdom aan voortbrengselen uit de drie rijken der natuur, het onderscheidde zich door beschaving en door regeeringsvorm. De beschaving der Peruanen was evenwel eene heel andere dan die der Azteken, en stellig is dit voor een groot deel toe te schrijven aan het bezit van dieren, die men tot trek- en lastdieren afgericht had. Het is moeielijk te bepalen hoe heel anders onze eigen Maatschappij zijn zou, zoo we geene koeien en paarden hadden. Nog veel meer dan nu het geval is, zouden we onzen geest gericht houden op het vinden van machines om de werkkracht te vermeerderen. Daar de meeste machines echter met de kennis der natuur in verband staan, zoo spreekt het vanzelf, dat de Azteken er al heel weinig hadden, doch ze trachtten dat te vergoeden door het houden van slaven. In Peru was, voornamelijk omdat men er trek- en lastdieren had, de slavernij zoo goed als onbekend, en daardoor waren ook de zeden zachter. Om slaven te verkrijgen moesten de Azteken telkens oorlog voeren, en daardoor is het geen wonder, dat de Krijgsgod hun voornaamste God was. Ook de Peruanen voerden oorlogen, doch niet om slaven te verkrijgen, maar alleen om het Rijk uit te breiden en andere Volken te regeeren volgens de wetten van Manco Capac.

Eeuwen geleden, zoo vertelde men, waren de Peruanen wilde en woeste menschen. Eensklaps echter verschenen onder hen een man en eene vrouw van eene prachtige gestalte en eene heerlijke gedaante. Ze hadden kleederen aan, en wisten zooveel als de Goden. De man heette Manco Capac en de vrouw Mámá Ocollo.—Manco Capac leerde den mannen allerlei mannelijke bedrijven en handwerken, en Mámá Ocollo leerde aan de vrouwen spinnen, weven en velerlei huiselijk werk. Na den dood dezer twee zette hun zoon het werk zijner Ouders voort, en gaarne erkenden de Peruanen ook dezen tot hun Opperhoofd of Inka. Manco Capac en Mámá Ocollo hadden den vrede bemind, en beschaving van den geest hooger gesteld dan ruw wapengeweld. Zij hadden den Peruanen ook geleerd, dat er een Wezen was, dat alles, wat op Aarde is, geschapen heeft. Om dat geschapene te onderhouden, had Hij iemand aangesteld tot Hoofdgod, en dezen alleen moesten alle menschen dienen en aanbidden. Deze Hoofdgod was de Zon.

Wie die Manco Capac en Mámá Ocollo geweest zijn, niemand, die het weet. De beschaving der Tataren en Indiërs echter, waarvan Marco Polo zooveel verhaald heeft, de wijze waarop ze gekleed gingen en hunne huizen bouwden en versierden, geven veel zekerheid aan de meening, dat Peru beschaafd werd door Mongolen, Indiërs of Perzen, en waarschijnlijk wel door de laatsten, want de Zonnedienst der Peruanen kwam in vele opzichten overeen met dien der Perzen.—Dat een Hoofdgod als de Zon, die slechts goed doet, eene heel andere richting aan de beschaving moest geven dan een Hoofdgod, die zich bloedige menschenoffers laat brengen, gevoelt ieder. Het Rijk der Inka’s was dan ook in den loop der eeuwen een land geworden met instellingen, waarvan de Spanjaarden bijna niets begrepen. De heele oppervlakte van het Rijk was in drie deelen verdeeld, en die deelen behoorden aan den Hoofdgod, den Inka en zijn geslacht, en het Volk, doch alle drie de deelen moesten door het Volk bearbeid worden. Geen land werd veroverd, of de bodem werd terstond staatseigendom, en op de bepaalde wijze verdeeld. Met de opbrengst van het Kroonland, als wij het zoo noemen mogen, bezoldigde de Inka niet alleen zichzelven en zijne familie, maar ook de Edelen en alle anderen, die hij wilde begunstigen. De Peruanen bestonden uit drie standen, en wel uit den Priester- en Adelstand en uit het Volk. De familie der Inka’s behoorde tot geen’ stand; daartoe was ze te verheven. Kunsten en wetenschappen werden vlijtig beoefend door den Priester- en Adelstand, doch altijd onder toezicht van den Inka. Aan eenige ontwikkeling van het Volk werd niet gedacht. Het Volk was er alleen tot welzijn van het Peruaansche Rijk, als geheel, en om dat welzijn nu te bevorderen, zorgden de Inka’s steeds, dat het Volk alles had, wat het als „dier” noodig had om te leven. We zouden het Peruaansche Volk dan ook geen’ beteren naam kunnen geven dan „uitmuntend onderhouden machine”. Veel nadenken vereischt het echter niet, dat hetzelfde Volk, hoe de ontwikkeling van den geest ook onderdrukt werd, bij het dagelijksch zien der verfijnde beschaving van Inka’s, Priesters en Edelen, vanzelf langzamerhand aan dat machinale leven en werken moest ontgroeien, en dat men maar op eene gelegenheid wachtte om zich uit dien vernederenden staat op te heffen. Die gelegenheid kwam. We zeiden hierboven reeds, dat het geslacht der Inka’s eigenlijk tot geen’ stand behoorde, en daarom was er bepaald, dat de zoons uit dat geslacht slechts met de dochters uit dat geslacht, sommigen beweren met hunne eigen zusters, mochten huwen.

Ook Inka Huana Capac had dat gedaan, en uit dit huwelijk had hij een’ zoon Huascar geheeten. Weduwnaar geworden, veroverde hij het machtige Rijk Quito, en, tegen alle wetten in, huwde hij voor de tweede maal met eene dochter van den Koning van Quito. Ook uit dit huwelijk werd hem een zoon geboren, dien hij den naam van Atahualpa of Athabaliba gaf. Had het veler ontevredenheid verwekt, dat Huana Capac de oude wetten met voeten trad, toch had men gezwegen, want hij was een uitnemend Vorst. Bij zijn overlijden had hij echter bepaald, dat Huascar hem in Peru, en Atahualpa in Quito zou opvolgen, en dit was andermaal eene inbreuk maken op de wetten, die bepaalden, dat de oudste zoon van den Inka, bij den dood zijns Vaders, Inka werd over het geheele Peruaansche Rijk. Geen land, hoe groot of klein ook, of het behoorde, zoodra het veroverd was, tot het Inka-gebied, dat één en ondeelbaar was. Nauwelijks was dan ook Huana Capac, als mummie, op een’ gouden stoel in de schitterende begraafplaats der Inka’s gebracht, of de strijd tusschen de broeders uit de twee verschillende huwelijken ontbrandde. Het behoeft niet gezegd te worden dat zij, die alle oude vormen en wetten onveranderd en ongeschonden wilden bewaren, zich schaarden aan de zijde van Huascar, terwijl zij, die gaarne verandering gebracht zagen in het machinale leven en werken, de partij kozen van Atahualpa.

We hebben lang stil gestaan bij iets, wat men alweer geene „ontdekking van Amerika” noemen kan, doch daar het woord „ontdekking” steeds vergezeld is door het woord „verovering”, zoo moeten wij dit hier doen, want zonder dien strijd tusschen de Peruaansche Conservatieven en Revolutionnairen uit het begin der zestiende eeuw, zou het Pizarro nimmer gelukt zijn, zich meester te maken van het rijk en van de schatten der Inka’s. Het zij evenwel terstond gezegd, dat Pizarro en de zijnen niets wisten van die binnenlandsche verdeeldheid, waar ze een „Goudland” gingen zoeken, dat volgens de geruchten ergens in het Zuiden lag. Ze vernamen dat later.

Toen Pizarro eenmaal besloten had om dat onbekende, rijke land op te sporen, verbond hij zich met zekeren Diego Almagro, en beiden zeilden met twee kleine scheepjes uit. Hun tocht was evenwel zeer rampspoedig, en bijna een jaar later kwamen ze onverrichter zake terug, zonder evenwel den moed opgegeven te hebben. Een rijk man Gaspar De Espinosa, die te Santa-Maria of daar ergens in den omtrek woonde, liet zich door Hernando De Luque, een’ Priester, overhalen om geld voor de werving en het bouwen van twee schepen voor te schieten. Waar De Luque met de twee avonturiers een verbond aanging, meende De Espinosa voldoende waarborg te hebben voor de twintigduizend onsen goud, die hij in deze onderneming stak.

Deze tweede tocht scheen voordeeliger te zullen zijn dan de eerste, want nog niet heel lang waren ze onderweg, of ze veroverden een dorp, en bemachtigden daarbij zooveel goud, dat Almagro met zijn schip, rijk geladen, naar Panama terugkeerde. Men deed dit vooral om avonturiers, die aan den goeden uitslag getwijfeld hadden, te lokken met Almagro terug te keeren naar het schip van Pizarro, die inmiddels den tocht zou voortzetten. Toen evenwel Almagro met versterking terugkwam, moest men de verdere reis voor eene poos staken, omdat het jaargetijde in hun nadeel was. Toen eindelijk weer en wind zóó waren, dat men verder trekken kon, kregen ze het bij het kleine eiland Gallo, bij de kust van Quito gelegen, met de inboorlingen zóó te kwaad, dat er besloten werd dat Almagro andermaal naar Panama om versterking zou gaan, en in dien tusschentijd zou Pizarro op dit eiland Gallo hem afwachten.

De nieuwe Landvoogd van Goud-Castilië en Nieuw-Andalusië, die Pedrarias opgevolgd was en Don Pedro De los Rios heette, wilde evenwel niets van nieuwe wervingen weten, en zond zelfs een schip uit om Pizarro van het eiland Gallo terug te halen, en hem te verbieden, den ontdekkingstocht voort te zetten. Het schip van De los Rios vond Pizarro met de zijnen in een’ ellendigen toestand, doch Pizarro was niet te bewegen om naar Panama terug te keeren, en toen Almagro en De Luque hem eindelijk eenige versterking en levensmiddelen zonden, besloot hij den tocht voort te zetten.

Zijne volharding werd met den meest begeerden uitslag bekroond, want eindelijk kwam hij op de kust van Peru aan. Hoe stond hij verbaasd daar eene schoone havenstad te vinden! Voor de haven en zelfs tot diep in zee wemelde het van uitmuntend gebouwde booten, die van zeilen en roer voorzien waren. De inwoners waren allen zeer goed gekleed, beleefd en voorkomend. Zij vertelden, dat hunne stad Toembez heette, en een paar mannen van Pizarro’s schip kregen zelfs vergunning om aan den wal te komen en den zonnetempel binnen te treden. Weer aanboord teruggekeerd, waren ze niet uitgesproken over de schatten van goud en zilver, die ze gezien hadden. Pizarro voer nog een heel eind het Zuiden in, doch hoe verder hij kwam, hoe meer hij zag, dat hij hier niets uitrichten kon. De inwoners waren volstrekt niet bevreesd voor de mannen met baarden, en beschouwden hen alleen, als een soort van hemelsche wezens, aan wie donder en bliksem onderworpen waren. Wilde men hier wat in het belang van de Spaansche Kroon verrichten, dan was er eene veel sterkere macht noodig, en daarom keerde Pizarro naar Panama terug, in de hoop, dat zijne verhalen van hetgeen hij en zijn volk gezien hadden, tal van mannen bewegen zou om te beproeven, dat machtige land met al zijne schatten te veroveren. Om het niet te laten enkel bij verhalen, bracht hij ook eene groote hoeveelheid goud mede, dat hij op eene gemakkelijke manier tegen kleinigheden ingeruild had. Van Toembez had hij bovendien twee inwoners aanboord, die vrijwillig met hem medegegaan waren.

Toen hij evenwel te Panama aankwam, was Don Pedro De los Rios nog altijd even vijandig aan het plan. Hij diende nu, van achteren bezien, wel de wetenschap niet, maar hij toonde toch, dat hij eene groote uitzondering op vele Spanjaarden maakte, want hij verbood alle werving, en zeide, dat er al meer dan genoeg menschenlevens geofferd waren voor een handvol gouds en een paar Peruaansche schapen, die Pizarro medegebracht had. Wilde het driemanschap hun plan doorzetten, dan moest men andere middelen te baat nemen, en hiertoe werd besloten. Men wilde, om tot het groote doel te geraken, niet langer den kostbaren tijd zoek maken door met een’ koppigen Gouverneur te onderhandelen, maar sloeg den Koninklijken weg in. Pizarro zou naar Spanje gaan, en daar den Koning om zijne hulp vragen. Na eene voorspoedige reis kwam Pizarro in zijn Vaderland, en verscheen bijna tegelijkertijd met Cortez aan het Hof. Hij werd daar zeer goed ontvangen, en Koning Karel aarzelde geen oogenblik om den moedigen avonturier en twee deelgenooten te steunen met zijne volkomen goedkeuring. Geld of schepen vroeg Pizarro niet, zoodat Koning Karel hem gemakkelijk veel beloven, en goedkoop veel geven kon. Den zesentwintigsten Juli 1529 werd dan ook tusschen den Koning van Spanje en Pizarro het volgende verbond gesloten. Pizarro verbond zich van zijne zijde om het machtige en rijke Peru te veroveren voor de Spaansche Kroon, en was hem dit gelukt, dan stelde Koning Karel van zijne zijde Pizarro aan tot Stadhouder en Opperbevelhebber van Peru, terwijl Almagro als Bevelhebber van Toembez tot den Adelstand verheven werd, in welke laatste eer Pizarro natuurlijk ook deelde, daar de Koning hem tot Ridder van San-Jago sloeg. De Luque zou Bisschop van Toembez worden, doch alle benoemingen, zoo van Officieren als Ambtenaren, zou een recht zijn, dat alleen aan het Stadhouderschap verbonden was. Aan dit laatste voordeel was het bezwaar verbonden, dat Pizarro al de kosten voor zijne eigen rekening zou nemen. Nu, dat wilde de avonturier wel, want niet alleen had hij voor zijn plan de Koninklijke goedkeuring verworven, hij had ook een’ raad ontvangen, die het welslagen zijner onderneming zoo goed als verzekerde. Cortez had hem namelijk aangeraden met Atahualpa te doen, wat hij indertijd met Montezuma gedaan had, en Pizarro, die ontwaard had, dat de Peruanen zeer argeloos waren, meende dat Atahualpa even goed in de val gelokt zou worden als Montezuma.

Verlokt door de schitterende aanbiedingen, die hij deed, nam hij uit Spanje, behalve vier zijner broeders, nog een groot aantal mannen mede, die onder zulk een’ Aanvoerder het wel eens wagen wilden een land vol goud en zilver te veroveren. Almagro en De Luque waren met de tijdingen, die Pizarro medebracht, niet zeer ingenomen. Zij handelden immers in gemeenschap? En waarom moest hij dan zoo hoog boven hen verheven worden? Er ontstond tusschen Pizarro en Almagro een hevige twist, die nog hooger liep toen de vier broeders van Pizarro er zich in mengden, en reeds bestond het gevaar, dat de heele onderneming in duigen vallen zou, toen De Luque en De Espinosa, die beiden reeds zulke groote sommen voorgeschoten hadden, de zaak wisten bij te leggen, door Pizarro over te halen, afstand te doen van zijne benoeming tot Opperbevelhebber of Adelantado.

Nu men weer zoo ver was, begon men met kracht aan de uitrusting van eene vloot en een leger, maar dit plan mislukte deerlijk. Vertrouwde men De Luque en De Espinosa al, Almagro vertrouwde men niet, en nog veel minder vertrouwde men Pizarro met zijne vier broeders, zoodat de verbondenen zich ten slotte moesten tevreden stellen met drie scheepjes, honderddrieëntachtig mannen, waaronder, tot Pizarro’s geluk, nog vijfentwintig ruiters waren, eenige musketten en een paar kanonnen.

Vol moed en vertrouwen aanvaardde men evenwel den tocht en hadden Pizarro en Almagro aanvankelijk ook te strijden tegen oproerige handelingen van goudgierige manschappen, die niets vonden dan onbevolkte kusten en verlaten dorpen, toch bleven ze volharden. Eindelijk kwamen ze aan de kuststreek, die „Coaque” genoemd werd, en hier vonden ze in de huizen, waaruit ze de inwoners verdreven hadden, goud in overvloed. Voor het welslagen van den tocht was dit eene gelukkige gebeurtenis. Het regen-seizoen was op handen en indien men nu nog geen goud gevonden had, dan zou de oproerige manschap Pizarro stellig tot den terugtocht gedwongen hebben. Nu in het bezit van goud, en met het gegronde vooruitzicht van nog meer goud te zullen verkrijgen, wilde men den regentijd, die steeds van stormen en onweders vergezeld ging, wel op het eiland Poena, in de nabijheid der kust, overblijven. Dat er gebrek aan levensmiddelen zou komen, behoefde men niet te vreezen. Toen het weder zich weer in hun voordeel veranderd had, zette men den tocht voort en aan de monding van de rivier de Pioera besloot Pizarro een fort te bouwen en daar eene Kolonie achter te laten. Het fort kreeg den naam van San-Miguel de Pioera, en het kan de eerste Spaansche stad in Peru genoemd worden.

Een der Peruanen uit Toembez had met Pizarro de reis naar Spanje medegemaakt, vrijwillig zeiden we. Nu ja, Pizarro had hem niet gedwongen, maar Felipillo, zoo heette de man, had wat op zijn geweten, en zou door Inka Atahualpa hoogstwaarschijnlijk niet zoo heel vriendelijk behandeld zijn. Deze Felipillo nu was met den anderen Peruaan alweer bij Pizarro aanboord. Beiden hadden in dien tusschentijd voldoende Spaansch geleerd om als tolk op te treden, en van hen had Pizarro later vernomen, dat er een burgeroorlog in het Inka-rijk woedde en wel tusschen twee Kroon-pretendenten. Hier te San-Miguel nu hoorden de tolken, dat Inka Atahualpa, na eerst het onderspit gedolven te hebben, thans weer overwinnaar was en dat hij zijn’ broeder, Inka Huascar, die zijn tegenstander was gevangen hield. Verder werd er verteld, dat Atahualpa met zijn overwinnend leger een kamp in het gebergte betrokken had, niet ver van de staat Caxamalca, om in een’ volgenden veldtocht de laatste aanhangers van zijn’ broeder te onderwerpen.

Zoodra Pizarro dit alles hoorde, nam hij het stoute besluit om Inka Atahualpa in zijn kamp een bezoek te brengen. Daar hij even vóór zijn vertrek weer versterking van manschappen en krijgsmaterieel uit Panama ontvangen had, kon hij eene voldoende bezetting achterlaten in het kleine fort om met de overige mannen den stouten tocht te ondernemen. En wel mocht die tocht stout, zoo niet meer genoemd worden. Zijn geheele leger bestond uit slechts zevenenzestig ruiters, honderdtien lansknechten, zeventien boogschutters en drie musketiers benevens eenige kleine kanonnen, en uit hetgeen Pizarro van Felipillo begrepen had, kon de Inka gemakkelijk tegenover één Spanjaard duizend Peruanen stellen. Het zou dan ook groote dwaasheid geweest zijn om met dit legertje Peru door een’ oorlog te veroveren, en Pizarro, die niet alleen een geboren Veldheer, maar ook een geboren Staatsman was, had, zooals we weten, een heel ander plan.

Met behulp der tolken werd men overal zeer vriendelijk en voorkomend ontvangen, wat niet te verwonderen was, want het bevel van Pizarro, dat niemand eenig geweld mocht plegen, werd stipt gevolgd. Ook hier waren, even als elders in de Nieuwe Wereld, de ruiters het voorwerp van verbazing en vrees, want nimmer had men het veelgebruikte kameelschaap afgericht tot het dragen van een’ ruiter, en de forsche paarden met hunne fiere gestalte maakten op sommige plaatsen zooveel indruk, dat men gouden sieraden, als een offer, voor hen neerlegde. Na eene lange en afmattende reis, omdat de kanonnen moeielijk te vervoeren vielen en men ze toch niet wilde achterlaten, kreeg men, op eenige dagreizen afstands van Caxamalca, bezoek van enkele Afgezanten, die de vreemdelingen namens den Inka welkom heetten en hun eenige geschenken aanboden. Pizarro ontving de Gezanten vriendelijk en zond hen met enkele voorwerpen van Europeesch maaksel, als een geschenk voor den Inka, terug. Toen men eindelijk te Caxamalca aankwam, was het half November geworden. Pizarro vond de groote en schoone stad geheel verlaten en zond nu zijn’ broeder Hernando, aan het hoofd van eenige ruiters, naar het Peruaansche kamp om den Inka vriendelijk uit te noodigen een mondgesprek te willen komen houden met den Veldheer van den machtigen Keizer uit verre landen.

Het kamp van Atahualpa kon uit Caxamalca gemakkelijk gezien worden, en één blik erop was voldoende om elken avonturier den schrik om het hart te doen slaan. Gelegerd tegen de hellingen van het gebergte, was het kamp niet te overzien. Duizenden en duizenden soldaten bewoonden daar tenten, die met de meeste orde opgeslagen waren, en nergens was iets te ontdekken, dat op gebrek aan krijgstucht wees. De soldaten waren goed gewapend en uit alles bleek, dat ze ook aan eene soort van exercitie onderworpen waren en den oorlog voerden naar krijgsregelen. Wat moest men hier beginnen? Pizarro zou het zijn volk duidelijk maken, en hij had het voorbeeld van Cortez in zijn voordeel. Het was een waagstuk den Inka gevangen te nemen, dat gevoelde ieder, maar àls het plan gelukte, dan zou men alles gewonnen hebben, geloofde men algemeen. Eindelijk kwam Hernando Pizarro met zijn gevolg terug en hij bracht het bericht mede, dat de Inka den volgenden dag in persoon komen zou, doch meteen was er het bevel bij om in Caxamalca slechts eenige huizen, aan een groot plein gelegen, te mogen betrekken. Dat Inka Atahualpa een zeer trotsch man was, die hen uit de hoogte behandeld had, vertelden zij ook, en deze mededeeling was niet zeer geschikt om den Inka de hoogachting van de Spanjaarden te verzekeren.

Met eene zekere onrust verbeidde men nu den volgenden dag, den zestienden November van het jaar 1532. Deze datum zou een der merkwaardigste worden in de geschiedenis der Nieuwe Wereld.