[86] golvenden.

[87] voor verheuging.

[88] afloopt.

[89] kunnen.

[90] Met uw verlof.

[91] voor schijnt het.

[92] voor toegevoegd, opgelegd.

[93] voor zich.

[94] op vaderlijke wijs.

[95] ook (ofschoon).

[96] voor baatte (wegens den volg. klinker).

[97] Thans naar de ziel.

[98] dreigt

[99] met tranen in de oogen, weenend.

[100] Thans onbewogen.

[101] zijn verlaten opengezet.

[102] Minder gelukkig voor aardkloot.

[103] Thans van de ark.

[104] zuiver.

[105] kon.

[106] wel.

[107] bepaald; verg. boven bl. [3].

[108] Voor keert het, proeft het.

[109] toevoegt.

[110] Dit aanwijzende den staat hier niet overbodig, maar op gelijke wijs als 't nog steeds in Overijsel en elders—voor 't Hollandsche die of dien onzer schrijftaal—gebezigd wordt. Evenzoo vroeger "den Farao".

[111] gestarnte.

[112] De spraakverwarring der Bijbellegende bij den torenbouw.

[113] blinken (van daar onze metaalnaam blik en 't woord bliksem).

[114] voor beheerscht het.

[115] tot zijn straf.

[116] meê.

[117] wijselijk.

[118] Tot veroordeeling en dwaling leidend.

[119] anders verfrayen, thans vervrolijken.

[120] een van boven gespleten stok.

[121] staf.

[122] blinkend; verg. boven op blikken.

[123] voor te verteeren.

[124] Thans tot lachte verzwakt. Het enkelvoud verklaart zich lichtelijk door vereenigende samenvatting der volgende opsomming.

[125] Thans tot plukken verdikt.

[126] bedwelmd.

[127] de borst doorbonzend.

[128] Lat. 2e naamval: van Farao.

[129] voor duizenden.

[130] gekweld.

[131] Saamgetrokken uit hadtghy: hadt gij.

[132] Glinsterde.

[133] versta: geleek zij.

[134] verkeerdelijk voor zwierf, verstierf.

[135] Thans tot heette verzwakt.

[136] (Gelijk metterdaad, metterwoon, enz. saamgetrokken met der spoed) thans met spoed.

[137] begraven.

[138] vaak, dikwerf d. i. veelmaals.

[139] Thans ontstoken.

[140] schielijk afgedane.

[141] het gelaat verwringende.

[142] Thans de.

[143] Minder gelukkig voor overstelpt of iets derg.

[144] Lat. vierde naamval van Mozes.

[145] Helsche, Duivelsche.

[146] Maar al te ongaarne geuit.

[147] vlugger.

[148] manlijke kracht.

[149] lichtgeschitter.

[150] walmend, smokend.

[151] enkelv.

[152] Duizelig maakt.

[153] het groote heelal.

[154] voor gemakkelijk.

[155] plotseling.

[156] vreest.

[157] Thans geveegd, gezuiverd.

[158] makkers (nam. de zeeluî).

[159] voor wenden.

[160] verradelijk.

[161] vreeselijk; thans verkeerdelijk ijselijk geschreven.

[162] vork ('t Hoogd. gabel), hier voor Neptunus' drietand.

[163] bliezen.

[164] d. i. stuurman (omdat die van Aenëas bij Virgilius zoo heet).

[165] boos (druipend).

[166] 't Hoogd. kutscher; thans koetsier.

[167] aanging.

[168] voor binnen.

[169] voor berekenen.

[170] voor strandde.

[171] ellen.

[172] dubbel snel.

[173] ydele beelden.

[174] voor verzwonden of verdwenen.

[175] Lat. tweede naamval van Isis.

[176] Thans vochtig.

[177] Thans een of ander.

[178] In 't geheel niets.

[179] voor dier, thans wier.

[180] voor acht ik.

[181] Thans worden.

[182] onachtzaam.

[183] hoe langer.

[184] versta: ons te ontslaan van.

[185] voor te dreigen.

[186] Door 't twee regels later volgend weder- overtollig.

[187] wederbrengen, doen herboren worden.

[188] herbracht.

[189] ontzaggelijker.

[190] gewelf ('t Fransche voûte).

[191] d.i. van E.

[192] Geef nu verlof tot, veroorloof.

[193] Deze Jup. maakt hier al een zeer vreemde vertooning, en geeft slechts een blijk te meer van smakelooze verwarring aller Goden en Godenlegenden in Vondels eeuw.

[194] Van Saturnus (als Tijdgod genomen).

[195] Anders dwingeland, en een bewijs dat men verkeerd doet, dit saamgestelde woord van een vermeend dwingelen af te leiden.

[196] overladen.

[197] voor klimmen.

[198] Anders soep, spijs.

[199] wegneemt, belet.

[200] tot dwaling brengen. (verg. het Hoogd. verrückt.)

[201] een veêrtjen.

[202] gelooft gij.

[203] wakker.

[204] mars, koopwaar.

[205] afgebeeld, voorgedaan.

[206] kleuren.

[207] Schort op, staakt.

[208] is hij niet voorzichtig.

[209] in beweging, beroerte.

[210] voor keten of ketting ('t Lat. catena).

[211] schuinsch geslingerde.

[212] kunt.

[213] het meest Helsche.

[214] minder gelukkig voor onder hun vlerken, hun schaduw bedekken.

[215] Versta: de opgesperde kaken.

[216] Thans naar de ziel.

[217] streelende, vleyende.

[218] uitpraten.

[219] Verg. boven de aant. op Jupiter.

[220] zorgt.

[221] (voet-)zolen.

[222] Verkeerdelijk voor meer.

[223] Hier in slechten zin, voor hoogmoedig, overmoedig.

[224] bundel.

[225] voor hoofdhaar; eerst later werd het uitsluitend gebezigd voor 'tgeen men toen nog een "looze paruik" noemde. Verg. o.a. Hoofts Dichtjen aan Anna Roemers dienaangaande.

[226] Midden-Egypte.

[227] Gedoornde d. i. stekelige puisten.

[228] Voor een vloed van regendroppels,

[229] Rijmshalven voor eizig.

[230] onbedekt, dor.

[231] Anders altegaâr.

[232] voor de zon.

[233] houdt weg, verschuilt.

[234] schittert.

[235] Hier nog meer in zijne oorspronkelijke beteekenis van verspringen.

[236] vonkt (zie vroeger).

[237] rijksappel, als teeken der oppermacht.

[238] krijgshaftig.

[239] Neder-Egypte.

[240] voor grafteekenen in 't algemeen, hier de Pyramieden.

[241] het uitspansel te naderen.

[242] voor uitgespreid, uitgebreid.

[243] Het Westen, in tegenoverstelling van den Levant (of Opgang) voor 't Oosten.

[244] Zuiden.

[245] voor wimpel, vaan, banier.

[246] binnen den kring der stervelingen.

[247] voedt, onderhoudt.

[248] Minder juist voor afschiet.

[249] Thans tot noch (gelijk ofte tot of) afgekort.

[250] Volle verbuigingsvorm van den tweeden naamval.