's Konings inhuldiging.
„O, wat prachtig weer! Wat scheelt dat bij gisteren!” riep Margot den volgenden morgen uit, toen ze met Florence beneden kwam, om te ontbijten.
„En 't mooist van alles is, dat we 't zullen houden,” zeide Bernard met die zekerheid, waarmede een buitenman over 't weer praat.
„Dat zal heerlijk komen voor de illuminatie van heden avond, die prachtig belooft te zijn,” zeide Gustaaf.
„Goeden morgen, ma! Goeden morgen, tante!” klonk het, toen mevrouw de Winter binnentrad.
„Goeden morgen, kinderen!” zeide deze, terwijl ze de meisjes een kus en den jongens een hand gaf. „Zooals ik bemerk, reeds vroeg uit de veeren. En al gekleed en gereed! Nu, ge moet vooral niet te laat komen. Oom Henri heeft het mij nog zoo op 't hart gedrukt, toen hij van morgen vertrok.”
„Is papa dan al weg!” riep Florence uit. „Moest hij zoo vroeg naar de kazerne?”
„Natuurlijk,” antwoordde mevrouw de Winter. „Bij zulke gelegenheden is 't voor heeren militairen vroeg dag.”
„En voor ons ook, mama,” zeide Margot. „Als u het dus goedvindt, moesten we maar gaan ontbijten.”
„Zoo'n vreeselijken haast hebt ge nu juist niet,” hernam mevrouw de Winter, terwijl ze op de pendule keek. „Als ge echter zoo ongeduldig zijt, gaat dan uw gang maar. Ik zal op tante wachten; die zou geheel uit haar humeur zijn, wanneer het ontbijt was afgeloopen zonder haar. Voor u maakt dit echter van daag een onderscheid. Op dagen als deze moet men 't met eten en drinken maar nemen zooals 't valt. Uw papa, Florence, zei toen hij jong was altijd: op zulke dagen kijkt een mensch zijn buik vol.”
„En deed papa dat?” vroeg Florence.
„Met dien verstande, dat hij zich dikwerf vergenoegde, met bij een bakker een paar broodjes te koopen, die hij dan maar zoo droog oppeuzelde, of dat hij uitgerammeld van den honger thuiskwam. En toch hield hij vol, dat hij zijn buik volkeek.”
Toen ons viertal ontbeten had, ging het regelrecht op den Dam aan. Wat was 't overal reeds vol! 't Leek wel of 't midden op den dag was. Maar 't verwonderlijkste gezicht van alles leverde de Dam zelf op. Van de meeste huizen waren op de eerste en tweede verdieping de ramen uitgenomen en amphitheatersgewijs zitplaatsen van ruw hout getimmerd; om de stoepen staketsels, waarboven zitplaatsen uitstaken, van verscheidene daken de pannen afgehaald en op de zolders planken op verschillende hoogte gelegd als staanplaatsen; ja, zelfs het plat van de Beurs en de platten van de Nieuwe kerk waren met zitplaatsen bezet. Daar is dien dag wat geld voor plaatsen betaald; en nog gelukkig hij, die voor geld een goed plaatsje kon erlangen—menigeen heeft zich moeten behelpen met onder de opgepakte menigte te staan en, als hij wat klein van persoon was uitgevallen, niets te zien. De weg van 't paleis naar de kerk was door een balustrade afgeschut en de grond met groen laken bekleed. Buiten dat hek reden, tot handhaving der orde, dragonders op en neer.
Daar slaat het acht ure! „Bom!” klinkt het eerste schot van de honderd en een, die er gelost worden; de klokken beginnen te spelen; aan Amstels burgerij is geen houden meer. Trouwens, daarin verschilt ze niet met die van andere steden. Intusschen hebben schutterij, grenadiers, jagers, infanterie en cavalerie hun standplaatsen ingenomen. Aan 't paleis staat een eerewacht van twee compagniën schutterij, binnen de balustrade hebben zich aan de eene zijde schutters, aan de andere 't garnizoen geplaatst. Aan de kerk zelf een eerewacht jagers en grenadiers, die ook de posten aan de andere kerkdeuren betrekken. Bij die grenadiers staan reeds vóór acht ure onze vier jongelieden.
Wij, die daar niet bij behoeven te staan, maar 't voordeel boven hen hebben, dat we ons gemakkelijk overal bewegen kunnen, kijken eens fiksch rond. Alles stroomt naar den Dam, die langzamerhand een vreemd schouwspel van menschenhoofden oplevert; want al de zit- en staanplaatsen worden gevuld, en zelfs op den nok der huizen zitten schrijlings de werklieden, die de stellages gemaakt en voor zich een plaatsje in de goot of op den nok bedongen hebben. De ruimte van den Dam vóór 't paleis ziet zwart van menschen. Voor elke kerkdeur staat het vol met prachtig gekleede heeren en dames, allen van toegangskaarten voorzien. Velen hunner zijn met rijtuig gekomen; doch staan nu evenals de anderen te wachten, tot de kerk zal opengaan. Zoo door infanterie als door cavalerie wordt er zorg gedragen, dat er geen anderen voor de kerkdeur komen dan zij die van toegangskaarten voorzien zijn. Daar slaat het halftien. De deuren gaan open.
„Nu zal ik u een goede plaats bezorgen,” zegt kapitein de Bosson tot zijn dochter en haar gezelschap, en we volgen hen naar de publieke galerij, waar we reeds niet zonder moeite komen, maar een perfect plaatsje hebben, zoodat we alles kunnen overzien.
„Nu, die kerk ziet er prachtig uit!” zegt Bernard. „Men zou er haast geen kerk meer in herkennen. Wat zijn die pilaren heerlijk gedrapeerd!”
„Dat zijn zeker de wapens der provinciën, daar boven aan elke pilaar,” meent Margot.
„Juist,” antwoordt Gustaaf. „En dat die van onze buitenlandsche bezittingen. Wat staan er die tropeeën goed boven.”
„En hoe sierlijk hangen die Oranjevlaggen aan hun zwarte stokken!” vindt Florence. „Maar waarom die roode en zwarte vlaggen daartusschen. Of is dat de kleur van Amsterdam?”
„Ook wel, Florence,” antwoordt Gustaaf. „Hier echter stellen ze de kleuren van Wurtemberg voor. Ge weet toch, dat onze koningin een Wurtemburgsche prinses is.”
„O, ja, dat is waar,” hervat Florence. „En die met wit gedrapeerde gang, door welke wij gekomen zijn, is zeker de plaats waar Zijne Majesteit zal binnentreden.”
„Juist,” antwoordt Gustaaf. „En daartoe is de grond met dat prachtige tapijt belegd. Maar hoe vindt ge den troon, die daar tegen 't koor aanstaat?”
„Allerprachtigst!” oordeelt Florence. „Maar wat is daar achter dien troon?”
„Het koor der kerk, waarin 't graf van de Ruyter,” antwoordt Gustaaf. „Dat is nu echter geheel en al door den troon verborgen. Hoe rijk is dat tapijt, waarmee de trappen zijn belegd. Ziet ge wel, op 't achtergedeelte van purperfluweel met wit en rood afgewisseld, is het koninklijke wapen, met de spreuk van Oranje „Je maintiendrai” geborduurd.”
„Maar wat is die troonhemel prachtig!” roept Margot uit. „Wat smaakvolle draperieën!”
„En dan die koninklijke zetel!” zegt Bernard.
„Dat is de fauteuil van koning Willem II en door Hare Majesteit de koningin-weduwe voor deze gelegenheid aan haar zoon geschonken. Op den achterkant, dien we natuurlijk nu niet zien kunnen, staat het met gouden letters. Deze fauteuil van moirée mahoniehout, werd vroeger dagelijks gebruikt door koning Willem II, en is nu tot een troonzetel ingericht.”
„Inderdaad een aandoenlijk geschenk voor onzen Koning,” verzekert Florence. „Ik had er reeds in Den Haag van gehoord. De gebroeders Horrix hebben den stoel gemaakt en nu zoo versierd. Dat alziend oog met stralen omgeven, in goud op den rug geborduurd, steekt prachtig af bij dat scharlakenfluweel. En daaronder staan letters; doch die kan ik op dezen afstand niet lezen.”
„Ik wel,” zegt Bernard. „'t Zijn de naamcijfers van koning Willem II en Zijne gemalin: W. A. P. (Willem en Anna Paulowna), met een kroon gedekt. Doch 't sierlijkst van alles vind ik die groote vergulde kroon boven den rand van den rug. Wat schittert zij van edelgesteenten!”
„En dan die fraaie vergulde leeuwen, zich aan beide zijden vastklampende,” merkt Margot op. „Even rijk als de pooten, die in vier kolossale leeuwenklauwen eindigen. Wat zouden dat voor borduursels op de armkussens zijn?”
„Dat zijn twee maarschalkstaven,” verzekert Bernard. „'t Geheel is prachtig en rijk omzet met goud en franje.”
Al duurt de tijd tusschen halftien en één uur wat lang; onze jongelieden vervelen zich in 't geheel niet. Eerst beschouwen ze de verschillende tribunes en zitplaatsen; dan houden hen de prachtige galacostumes en de schitterende kleeding der dames genoegzaam bezig; zoodat het twaalf ure is, vóór ze 't weten. Maar al wordt hun geest ook ruimschoots door dat alles bezig gehouden; de jonge magen beginnen braaf te jeuken. Gelukkig is mama de Winter daarop bedacht geweest, en heeft ze ieder van hen, toen ze 't huis verlieten, twee krentebroodjes meegegeven, die dan ook nu met veel smaak verorberd worden en hen voor 't gevaar behoeden van flauw te vallen.
En nu zullen we eens mededeelen, wat ze al verder bijwonen en 't geen hun opmerkzaamheid geheel en al inneemt.
Eerst klinkt ons de militaire muziek in de ooren en trekken de schutters, die Z. M. eerewacht in de kerk zullen uitmaken, binnen, zich scharende van den ingang tot aan den troon. Kort daarop ('t slaat juist 12 ure) komen de leden van de beide Kamers der Staten-Generaal, vergezeld van hare griffiers, door de deur van den Dam de kerk binnen en nemen plaats op de voor hen bestemde zitplaatsen, vlak tegenover den troon. Daar behooren zij ook te zitten; want zij vertegenwoordigen het geheele Nederlandsche volk, hetwelk hen gekozen heeft, om zijn belangen voor te staan. Onder een doodelijke stilte, die thans in de kerk heerscht, opent de voorzitter der Eerste kamer, de graaf van Limburg Stirum, de vergadering met een korte toespraak, benoemt een commissie van negentien leden, onder welke ook Mr. Thorbecke, om Z. M. bij diens binnenkomen te ontvangen en bij het vertrekken uitgeleide te doen. Kort daarop komen door de Damdeur de ministers, de hoofden der ministerieele departementen en de leden van den Raad van State binnen; terwijl het corps diplomatique (de ambassadeurs der vreemde Mogendheden), door de deur onder 't orgel binnengekomen, ingelijks naar de voor hen bestemde zetels worden geleid. Na hen, de ministers van Staat, de kanselier en de grootkruisen der ordes, de leden van den Hoogen Raad der Nederlanden, het hoog militair gerechtshof, de gouverneurs der provinciën, de algemeene Rekenkamer, de Hooge Raad van Adel, Raden en Generaalmeesters der Munt en andere collegiën en staatsambtenaren.
Ik zal u niet vermoeien met u al de andere collegies te wijzen, welke hier vertegenwoordigd zijn, en waaronder we de Kamer van Koophandel, de Handelmaatschappij, het stedelijk bestuur van Amsterdam, ook kerkbestuur en collegiën van diakens en collectanten vinden. Onze aandacht wordt ('t is kwart voor éénen) afgeleid door 't liefelijk orgelspel en de oplettende blikken, welke alle zich naar de deur onder 't orgel richten.
Daar komt een fiere vrouwelijke gestalte binnen, gekleed in wit satijn en hermelijn, het hoofd versierd met een diadeem van schitterende briljanten, de lange sleep van haar kleed door twee pages gedragen. Aan elke hand houdt ze een harer zoontjes, prins Willem, nu prins van Oranje, en prins Maurits. Haar volgen twee prinsessen: prinses Frederik met haar dochter Louise, ook schitterend gekleed, wier slepen insgelijks door pages worden opgehouden. Onder 't spelen van 't orgel bezetten zij de voor haar bestemde loge, van buiten purper fluweel met gouden bloemen doorwerkt. In het midden zit de koningin, naast haar aan de rechterzijde de beide jonge prinsen, van welke de oudste den leeftijd van negen jaren nog niet bereikt heeft. Aan de linkerzijde van Hare Majesteit, prinses Frederik en achter deze, prinses Louise, schitterende door jeugd en door haar bevallig toilet. De edeldames van het Huis der beide vorstinnen zitten naar rang; de pages hebben zich op een kleinen afstand ter linkerzijde van de loge geplaatst.
Thans wacht alles op den held van het feest—op den koning. Reeds heeft zich de commissie der Staten-Generaal buiten de kerk begeven, om Z. M. te ontvangen. Daar slaat het één uur, het geschut dondert, de klokken beginnen te spelen, 't gejuich van 't volk klinkt tot ons door in de kerk, het orgel begint weder zijn tonen te doen hooren. Nog weinige oogenblikken, en daar komt de stoet binnen.
Eerst komen twee wapenkoningen, vergezeld van vier herauten, met hun rokken waarop van voren en van achteren de wapens van Nederland, Luxemburg, Limburg en Oranje zijn geschilderd, dan de kamerheer-ceremoniemeester, zes kamerheeren, twee aan twee, de grootofficieren van het Huis des konings. Daarop het ontbloote rijkszwaard, gedragen door den generaal graaf de Perponcher, begeleid door twee ordonnans-officieren des konings, vervolgens de standaard van 't koninkrijk, gedragen door den vice-admiraal Lucas, ook door twee ordonnans-officieren vergezeld; gevolgd door de vaandels van het achtste regiment infanterie, de dienstdoende schutterij te Amsterdam, en 't regiment grenadiers en jagers, alsmede de standaard van het regiment dragonders.
En nu komt de man, die 't middelpunt van al die statie is, de spil om wien alles zich beweegt: Zijne Majesteit koning Willem de derde. Een schetterend trompetgeschal heeft het intreden van den koning in de kerk aangekondigd; de commissie uit de Staten-Generaal heeft hem aan de deur van 't gebouw ontvangen. Allen zijn van hun plaatsen opgerezen.
Welk een vorstelijke gestalte, die koning Willem de derde, zooals hij daar gaat, gekleed in de uniform der marine, waarover een purperen mantel, bezaaid met kleine gouden leeuwen, gevoerd met hermelijn en voorzien van een palatine van 't zelfde bont. De prachtdegen, dien hij draagt, is hem dezen morgen door H. M. de koningin ten geschenke gegeven.
Achter hem gaan prins Frederik en prins Hendrik; dan volgen: het militaire huis des konings, de adjudanten van Hunne koninklijke Hoogheden, de vlagofficieren, generaals en eindelijk zes kamerheeren, allen drie aan drie. Het orgelspel blijft voortduren, tot de koning gezeten is en allen zich om den troon geschaard hebben. De koninklijke kroon, de schepter, de rijksappel en de grondwet liggen op rood fluweelen kussens op de credens-tafel in de nabijheid van den troon.
Het orgelspel houdt op; daar spreekt de koning tot de Staten-Generaal, als de vertegenwoordigers van 't Nederlandsche volk:
„Mijne Heeren! Leden der Staten-Generaal!
„Door Mijne geboorte en de Grondwet, na het afsterven van Mijnen onvergetelijken Vader, tot den koninklijken troon der Nederlanden geroepen, heb Ik onmiddellijk de Regeering aanvaard en dit plechtig aan al Mijne beminde onderdanen bekend gemaakt.
„Thans is het oogenblik daar, dat Ik, vóór het oog van den Almachtigen, die het lot van koningen en Volken in handen heeft, Mij onder inroeping van Zijnen Heiligen Naam, aan mijn edel, trouw en ordelievend Volk zal verbinden.
„Hoog is de betrekking, waarin Ik geplaatst ben; zwaar zijn de plichten, die op Mij rusten. Ook den koningen kleven menschelijke zwakheden aan, en daarom behoeven zij instellingen en zelfstandige voorlichting; opdat de kroon een brandpunt blijve, dat weldadigen gloed verspreidt.
„Dit Volk, dat een der eerste is geweest, om uit de duisternis, het geweld en de verdrukking der middeleeuwen orde en vrijheid en waarborgen voor het behoud van beide te voorschijn te roepen, heeft ook thans weder, naar de behoefte des tijds, zijne instellingen herzien en bevestigd. Koning en Volk, Oranje en Nederland hebben met kalmte dit gewichtig werk volbracht, en de onberekenbare voorrechten van rust en vrede zijn het deel van den dierbaren Nederlandschen grond gebleven.
„Indien wij het oog slaan op de beroeringen, die een groot deel van Europa teisteren, op de vernietiging der bronnen van bestaan en welvaart, die zulke treffende lessen geven, laat ons dan God dankbaar zijn, die het dierbaar Vaderland heeft behoed, en sluiten wij ons nauwer en nauwer aaneen, opdat wij Zijn zegen mogen waardig blijven.
„Laten wij ons dagelijks afvragen, of wij onze plichten als Nederlanders jegens het Vaderland, Ik als Koning, gij mijne Heeren! als Vertegenwoordigers des Volks, allen hebben vervuld, en die Rechter, die in ons binnenste is, dien niemand verloochenen kan, zal ons den weg wijzen tot handhaving der eer, tot bevordering van het heil des Lands.
„Onze rustige houding in deze bewogene tijden heeft ons niet slechts behoed voor groote rampen; zij heeft ook het aanzien des Rijks vermeerderd; want zij heeft de bewondering van alle beschaafde volken tot zich getrokken.
„Ik verbind mij aan een Volk, grooter in deugden dan in het bezit van een uitgestrekt grondgebied; krachtiger door eensgezindheid dan door zielental. Het is een grootsche roeping, koning van zulk een volk te zijn.”
Hierop staat de koning op en legt blootshoofds en met luide duidelijke stem den eed af:
„Ik zweer aan het Nederlandsche Volk, dat ik de Grondwet van het Rijk steeds zal onderhouden en handhaven.
„Ik zweer, dat ik de onafhankelijkheid en het grondgebied des Rijks met al mijn vermogen zal verdedigen en bewaren; dat ik de algemeene en bijzondere vrijheid en de rechten mijner onderdanen zal beschermen en tot instandhouding en bevordering van de algemeene en bijzondere welvaart alle middelen zal aanwenden, welke de wetten te mijner beschikking stellen, zooals een goed koning schuldig is te doen. Zoo waarlijk helpe mij God almachtig!”
Na 't uitspreken van dien plechtigen eed, zet de koning zich weder op zijn zetel en nadert de Voorzitter van de Eerste Kamer, als president van beide Kamers, den troon; zeggende:
„Wij ontvangen en huldigen, in naam van het Nederlandsche volk en krachtens de Grondwet, U als koning; wij zweren, dat wij uwe onschendbaarheid en de rechten Uwer kroon zullen handhaven; wij zweren alles te zullen doen, wat goede en getrouwe Staten-Generaal schuldig zijn te doen.
„Zoo waarlijk helpe ons God Almachtig!”
Nadat deze plechtige verklaring door den voorzitter der Tweede Kamer en door de leden van beide Kamers hoofd voor hoofd beëedigd is geworden, zwaait een der wapenkoningen zijn schepter, en roept met luider stem, zoodat het door 't geheele gebouw klinkt:
„Zijne Majesteit, koning Willem de derde is ingehuldigd! Leve de koning! Leve de koning! Leve de koning!”
„Leve de koning! Leve de koningin!” roepen we met de vierduizend menschen, die zich in de kerk bevinden. Daar blazen de trompetters 't geliefd Wilhelmus, het orgelspel doet vaderlandsche liederen hooren, de beide wapenkoningen begeven zich buiten de kerk, om strooipenningen onder 't volk te werpen, de vier herauten springen te paard en gaan, ieder vergezeld van een commando cavalerie, naar verschillende plaatsen der stad, om ook daar die penningen onder de menigte uit te strooien.
Het duurde een heelen tijd, eer onze jongelieden de kerk uit waren. Toch hoorden ze nog de klokken spelen en de saluutschoten lossen.
„En nu moeten we zien, dat we een strooipenning machtig worden!” zeide Gustaaf.
„Dat zal zoo gemakkelijk niet gaan, Gustaaf,” zeide Margot. „'t Zal nog al een erg gedrang zijn.”
„Ja, die eksteroogen heeft of bang is voor zijn glimmende laarzen, behoeft zich niet bij de herauten te wagen,” hernam Gustaaf. „U en Florence is 't niet geraden, zich in 't gedrang te begeven, evenmin als Bernard, die aan geen Amsterdamsche standjes gewoon is. Laat ons dus maar eens opwandelen en de aanstalten voor de illuminatie van dezen avond zien. Komen we dan toevallig op een plaats, waar een heraut penningen uitstrooit, dan zal ik mij wel alleen in 't gedrang begeven. Intusschen past Bernard op de beide dames.”
„Of wij op hem,” zeide Margot lachend. „Zoo'n buitenman heeft in de drukte meer oppassing noodig dan wij.”
Inderdaad was Gustaaf zoo gelukkig, door 't ophouden van zijn hoed zes bronzen strooipenningen machtig te worden. Nu had ieder er een; de beide andere bestemde hij voor mama en oom Henri.
De strooipenningen (er waren ook zilveren onder) waren iets grooter dan een halve cent. Aan de eene zijde was een geopende grondwet, waarop stond: Grondwet, art. 50, 51 en 52. Zij lag in een eikenkroon en rustte op een kruis, gevormd door het rijkszwaard en den schepter, waarboven een koninklijke kroon. Op de andere zijde stond: Willem III, Koning der Nederlanden, ingehuldigd XII Mei MDCCCXLIX.
„Nu, oom, gij hebt ons een heerlijke plaats bezorgd!” riep Margot kapitein de Bosson te gemoet, toen hij kort na hen bij zijn zuster thuiskwam, om te dineeren.
„Zoo, Margot, dat doet me genoegen,” antwoordde oom Henri. „Je hebt dus alles goed kunnen zien en hooren?”
„O, perfect,” antwoordde Margot. „'t Was geducht vol; maar daar we vooraan zaten, kon ons niets ontgaan. Tante en mama zijn zoo gelukkig niet geweest; want daar de tribune, waarvoor haar kaarten waren afgegeven, vol was, hebben ze zich met een plaats achteraf moeten vergenoegen.”
„Dat is jammer,” antwoordde de kapitein. „Doch ze hebben in 't lot van zoovelen gedeeld. Er zijn meer heeren en dames geweest, die niet op hun plaatsen hebben kunnen komen. Trouwens, bij zulke gelegenheden heerscht er wel eens meer wanorde. Intusschen doet het mij genoegen, dat gij allen hebt kunnen zien. Voor jongelieden is zoo'n plechtigheid een herinnering voor 't gansche leven.”
„En we hebben zes strooipenningen machtig kunnen worden, oom,” zeide Gustaaf. „'t Heeft mij wel een paar platgetrapte teenen gekost; dat is echter minder. Mag ik u er een offreeren?”
„Heel gaarne. Dank u, Gustaaf,” antwoordde de kapitein; terwijl hij den penning aannam. „'t Is jammer, dat ge er geen zilveren hebt kunnen opvangen.”
„Nu oom! Een zilveren!” riep Gustaaf lachend uit; „ik mag inderdaad van geluk spreken, dat ik een bronzen heb. Ik hield mijn hoed op, en moest mij nog geducht weren ook: want tien handen tegelijk wilden mij den buit ontrukken. Als er hier zoo iets te doen is zijn de Amsterdammers hachjes.”
„Ja, dat zijn ze. Dat heb ik ondervonden,” zeide de kapitein.
Op dit oogenblik kwam mevrouw de Winter binnen en noodigde de familie aan tafel.
Onder den maaltijd werd er druk gesproken over 't geen men gezien had, ook over de plannen om dien avond de illuminatie te gaan zien. Tante de Bosson was over de slechte plaats welke zij dien morgen in de kerk gehad had, geheel en al uit haar humeur en had geen lust om naar de illuminatie te gaan kijken. Er werd dus bepaald, dat de kapitein, die dezen avond vrij had, met mevrouw de Winter, Bernard met Margot en Gustaaf met Florence te zamen zouden gaan, om de voornaamste punten te zien. Van een open rijtuig, 't geen de kapitein voorstelde, wilde mevrouw de Winter niet hooren. Ze was in zulk een drukte veel te bang om te rijden, daarenboven ging zij liever te voet; omdat men dan meer kon zien. En zoo werd het plan tot een wandeling door de verlichte stad goedgekeurd.
't Was een schitterende illuminatie op dien Zaterdagavond in de hoofdstad des Rijks. Zoowel van stadswege als van de zijde der burgers was alles aangewend, om die prachtig te doen zijn. Waar men ging, overal bevond men zich in een zee van licht, dat met het groen en de draperieën der gevels, alsook met de tallooze vlaggen een allerfeestelijkst tooneel opleverde. Duizenden bij duizenden, inwoners zoowel als vreemdelingen, waren er op de been, een echt nationale vreugde heerschte onder die allen. Vaderlandsche liederen werden er gezongen, Oranje en Nederland was de leus. 't Was merkwaardig te zien, hoe, terwijl nog zoo kort geleden in andere landen de vlammen des oproers in de hoofdsteden van Europa gloorden, hier op den Kadijk en 't Kattenburg vreugdevuren werden gebrand ter eere van Neerlands geliefden koning, hoe, terwijl elders oproerige liederen werden aangeheven, hier 't Wilhelmus, 't Wien Neerlandsch bloed, en andere vaderlandsche gezangen uit volle longen schalden, en hoe, terwijl ginds de kreet: „Weg met den koning!” weerklonk, geen andere toon werd gehoord dan „Oranje boven! Leve koning Willem III!”
En toch wist niemand nog, wat Willem de derde voor een koning wezen zou; niemand kon voorspellen, of zijn regeering tot zegen of tot straf, tot heil of tot onheil van 't land zou zijn. Maar Willem de derde was een vorst uit het geliefde stamhuis, welks zonen goed en bloed voor 't lieve Vaderland hadden opgeofferd, een stamhuis, sedert bijna drie eeuwen aan ons door de onverbreekbaarste banden verknocht, en daarom juichte Amsterdam, en met Amsterdam geheel Nederland, dat het stamhuis van Oranje-Nassau niet was uitgestorven, maar 't een vorst bezat, om zijn kroon te dragen, den schepter over zijn volk te voeren.
„O, hemel! ma! Bernard is van mij afgeraakt!” riep Margot doodelijk verschrikt uit, toen men op de Muntsluis in een vreeselijk gedrang was geweest. Kapitein de Bosson, die met zijn zuster vooruitging, was 't eerst uit het gedrang en stond nu op een stoep op 't Schapenplein de andere op te wachten; weldra voegden zich Gustaaf met Florence bij hen—het duurde echter eenige minuten, eer ze iets van Margot vernamen, die met Bernard de achterhoede had uitgemaakt. Daar kwam ze geheel ontdaan zich aan de menigte ontworstelen, keek angstig rond, en werd haar gezelschap spoedig op den stoep gewaar. Radeloos was ze op hen aangesneld, en uitte den kreet, dien we haar hoorden slaken.
„Bernard van u afgeraakt. Goede Hemel!” riep mevrouw de Winter uit. „En hoe is dat gekomen, Margot?”
„Door 't vreeselijke gedrang, ma!” antwoordde Margot. „We konden elkander niet meer vasthouden. Ik dacht niet anders of we raakten onder den voet. Ik gilde 't uit van angst. Toen ik weer adem kon halen, miste ik Bernard.”
„Als hij maar niet gevallen is!” riep Florence uit.
„We willen hopen van neen,” merkte de kapitein aan. „Blijft mij hier even wachten, dan zal ik de Muntsluis opgaan, en zien of ik hem daar of op de Reguliersbreestraat vind. De knaap is hier vreemd, en zal waarschijnlijk, door 't gedrang meegesleept, op een plaats blijven wachten, waar hij vrij staat.”
„Doe zoo, Henri,” zeide mevrouw de Winter.
En de kapitein ging de Muntsluis weer op. Na geruimen tijd gewacht te hebben, zag men hem terugkomen maar zonder Bernard.
„Ik heb overal rondgekeken, maar hem niet kunnen vinden,” zeide hij.
„Als hij maar niet onder den voet geraakt is,” zeide mevrouw de Winter.
„Daarover behoeft ge u niet ongerust te maken. Als dat gebeurt, gaat het zoo stil niet in zijn werk, en zou ik er dus dadelijk iets van vernomen hebben. Zeer waarschijnlijk is hij, in de meening van u en Margot te volgen een verkeerden kant opgegaan.”
„We moesten maar naar huis gaan,” zeide mevrouw de Winter. „Ik heb nu toch geen lust meer om te kijken. Dat ook zoo iets moest gebeuren!”
„Hoor eens, zusje,” zei de kapitein. „Naar huis gaan, zou de grootste dwaasheid zijn, die er bestaat, Bernard is geen klein kind en zal dus zijn weg wel vinden. Hij weet zeer goed, dat gij vooreerst nog niet thuiskomt, en zal dus, als ik hem wel ken, de zaak nemen zooals zij is en wat op eigen gelegenheid rondloopen eer hij de weg naar huis vraagt. Uw kinderen en Florence zullen nog graag wat van de illuminatie zien. Er is altijd nog mogelijkheid, dat we den jongen hier of daar bij 't een of andere groote stuk ontmoeten. Doch dan moeten we de Muntsluis weer over. Margot kom jij aan mijn linkerarm.”
Mevrouw de Winter begreep, dat de raad haars broeders de beste was. Men drong dus de Muntsluis weer over en ging de Reguliersbreestraat op. Doch hoe zou men in zulk een volte Bernard vinden? Dat was wel niet zeer waarschijnlijk. Het ongeval had allen van het pleizier van den avond beroofd; want, al was men nu niet bang, dat Bernard juist een ongeluk zou krijgen; 't was toch onaangenaam, dat hij van hen was afgeraakt en men was er verzekerd van, dat hij die onbekend was in Amsterdam, zeker de tiende part niet zien zou. Vooral mevrouw de Winter was geheel en al neergeslagen.
„Hoor eens, Henri,” zei ze eenigen tijd daarna tot haar broeder. „Mijn genoegen is geheel en al over. Brengt mij met u vieren naar huis, en ga gij dan nog eens met de kinderen kijken.”
„Zooals ge wilt,” antwoordde de kapitein. „Maar wat is 't, Margot? Waar moet je heen?”
Het meisje had zich eensklaps van hem losgerukt, een oogenblik daarna kwam ze zegepralend met haar gebochelden cavelier terug. Terwijl ze stilstonden, had haar scherp oog bemerkt, hoe de knaap blijkbaar zoekende onder de menigte voortsukkelde. Ze had zich eensklaps van haar oom losgemaakt en was den zoekende achternagesneld, dien ze luid jubelend terugbracht.
„Hier heb ik den deserteur, kapitein,” zei ze tegen haar oom. „Wat vonnis velt de krijgsraad over hem?”
„Dat hij u vast moet houden in plaats van jij hem; verder is hij veroordeeld, om voortaan 't centrum uit te maken, opdat hij ons niet ten tweeden malen ontloope.”
Mevrouw de Winter was nu ten volle gerustgesteld, en stemde er in toe, om nog verder te zien. Men begaf zich echter eerst naar Hartman, om wat ijs te gebruiken en een weinig uit te rusten. Daar er verder dien avond niets bijzonders gebeurde, en het geval met Bernard, nu 't zoo goed afgeloopen was, meer stof tot pret gaf, dan 't vroeger de vreugde verstoord had, melden we alleen, dat de familie vrij laat en braaf vermoeid thuiskwam; doch uiterst tevreden over de wandeling was.
Den volgenden dag werden er in de kerken der onderscheidene godsdienstige gezindheden dankzeggingen en gebeden ter gelegenheid van de plechtigheid van den vorigen dag opgezonden. De koning, de koningin en de geheele koninklijke familie woonden de voormiddaggodsdienstoefening bij in de Westerkerk, onder 't gehoor van Ds. Wildschut. En 't was met dien bedestond, dat het werk der inhuldiging, met den plechtigen intocht in de hoofdstad aangevangen, voleindigd was. Ook wij eindigen hiermede dit hoofdstuk en rekenen ons gelukkig, dat we, na vijfentwintig jaren, die plechtige gebeurtenis voor 't nu levende aankomende geslacht hebben mogen beschrijven.
Een zilveren bruiloft in de Bommelerwaard.
We treden elf jaren later, op den vroegen morgen van den elfden Mei 1860, een der grootste boerderijen van het eiland tusschen Maas en Waal, den Bommelerwaard, binnen. De boerderij behoort tot het dorp Brakel, en ligt dicht bij den dijk, tusschen dat dorp en 't meer oostwaarts gelegen Zuilichem; men kan het aan alles bemerken, dat de boer rijk is. Daarenboven zullen we, wanneer we haar binnentreden, terstond bespeuren, dat, hoewel al wat tot het boerenbedrijf behoort hier in de uiterste orde is en door zijn keurigheid den rijkdom des eigenaars vertoont; we in de huis- en andere vertrekken een smaak en een geest vinden, die er van getuigen, dat de eigenaar der boerderij en zijn vrouw in hun jeugd een steedsche opvoeding genoten hebben. Immers, we vinden er niet die bonte, schreeuwende kleuren, die misplaatsing van somtijds prachtige meubelen, die overlading van ornementen, zooals men ze in andere boerenhuizingen aantreft; maar iets steedsch, iets comfortabels, ja, men zou zich bijna verbeelden, in de stad verplaatst te zijn, wanneer de blik naar buiten ons niet herinnerde, dat we ons op het land bevinden. Een en ander zal u niet verwonderen, als ik u zeg, dat deze woning het eigendom is van Ernst Veldhuis, wiens vrouw de eigen zuster is van mevrouw de Winter. Hij is zoo wat een heereboer en beiden zijn in een stad grootgebracht. Ernst had in zijn jeugd zin om boer te worden, en is door zijn vader op de landbouwkundige school te Groningen gedaan, waar hij zich voor zijn vak gevormd heeft. Toen, nu ruim vijfentwintig jaren geleden, deze boerderij te koop kwam, heeft hij haar gekocht. Ze zag er destijds echter heel anders uit dan nu. Naast het oude, sombere huis heeft hij in later jaren dit laten bouwen en 't andere laten afbreken. En zoo vinden we hier een tweeslachtig gebouw: van voren heerenhuis, van achteren boerderij, met al de zaken welke daartoe noodig zijn.
We weten er nu genoeg van, om het huis zelf binnen te treden en begeven ons naar de zoogenaamde pronkkamer, een ruim hoog vertrek met modernen schoorsteenmantels en glazen deuren, die met spanjoletten gesloten worden en toegang schenken tot een vriendelijk aangelegden bloemtuin. Een man van zesentwintig jaren, eenigszins contrefait, staat op een trapladder, en is bezig, hier en daar uiterst fijne duimpjes in de balkstukken te slaan, waaraan hij slingers van groen met bloemen doorstoken vasthecht. Een jeugdige vrouw, ruim een jaar jonger dan hij, met den blos der gezondheid op de frissche wangen en den schalkschen lach van 't geluk op 't gelaat, helpt hem. Twee andere meisjes van eenentwintig en twintig jaren, kennelijk zusters, zoo sprekend gelijken zij op elkander, zijn bezig den spiegel te versieren, terwijl een jongman van tweeëntwintig jaren, wiens kleeding tusschen die van een boer en een stedeling is, bloemen steekt in de slingers, welke op de net geschuurde gele steentjes voor de kamer liggen.
Wie die personen zijn! Slechts twee kennen wij er van. Hij, die op den trapladder staat, is onze oude kennis, Bernard Veldhuis, sedert een jaar predikant op een klein dorp in Gelderland; die hem helpt, is zijn vrouw, Margot de Winter, met wie hij, toen hij zijn dorp betrok, gehuwd is; dezelfde, die hem terugvond, toen hij bij de illuminatie was weggeraakt. Bernard is geworden, wat hij reeds in zijn jeugd deed verwachten, een zeer knap degelijk mensch, en men houdt het er voor, dat hij, wanneer hij slechts lang genoeg op zijn dorpje gestaan heeft, wel spoedig een ander beroep zal krijgen. De twee, die den spiegel versieren, zijn Bernards zusters Truda en Netje. Beide meisjes hebben, even als haar broeders, in Bommel school gegaan en zijn daarna nog twee jaren op een goede kostschool geweest. Hij, die zich met het versieren der slingers bezighoudt, is Frits Veldhuis, die eens zijn vader in de boerderij zal opvolgen en er nu reeds deel in heeft. Zijn vrouw, want hij is reeds meer dan anderhalf jaar gehuwd, zit in een andere kamer, waar ze haar kleinen Ernst aankleedt. Straks, als het kind gereed is, zal ze 't aan de meid overgeven, en wel hier komen, om te zien, of ze een handje helpen kan. De reden waarom alles zoo versierd wordt, is, dat op morgen 12 Mei vader en moeder hun zilveren bruiloft vieren.
„Hoor eens, Bernard,” zegt Frits. „Ik heb geen bloemen meer, en Net en Truda hebben den tuin zoo geplunderd, dat er geen enkele meer te vinden is.”
„Wacht dan maar wat,” antwoordt Margot. „Jans heeft me beloofd, ons nog wat bloemen te bezorgen.”
Jans? vraagt ge. Zou dat de vroegere dienstmaagd van mevrouw de Winter zijn? Ja, dat is ze. In den zomer van 't zelfde jaar, toen we haar voor 't eerst ontmoetten, kreeg zij verlof, om haar ouders te gaan bezoeken, en daar een dag of wat te logeeren, en toen ze terugkwam, had ze tegen haar meesteres gezegd: „Hoor eens, mevrouw, u moet het mij niet kwalijk nemen, maar ik heb thuis een vrijer opgedaan.”—„Zoo, Jans,” had mevrouw geantwoord, „en wat is dat voor een soort van vrijer?”—„Welnou,” had Jans geantwoord, „een boerenknecht, mevrouw, die bij uw broer Veldhuis werkt, een knappe, brave borst. En als mevrouw 't nu goedvindt, dan hadden we afgesproken, om 't volgende voorjaar te trouwen!”—„Nu, Jans, ik heb daar niets tegen, ofschoon 't me zal spijten, als ik je zal missen. Maar eerst zal ik eens aan mijn broer schrijven, om te weten, wat voor een knaap uw aanstaande is: want ik zou niet graag hebben, dat je in je ongeluk liept.”—„O, dat kan mevrouw gerust doen; zijn naam is Klaas Veen.”—En mevrouw de Winter had onderzoek gedaan, en Jans was in 't voorjaar van 1850 vrouw Veen geworden en ze woonde nu met haar man en vier kinderen in een aardig huisje op eenigen afstand van de woning van baas Veldhuis, bij wien Klaas echter nog in 't werk was; want van knecht was hij arbeider geworden, en ik moet u zeggen, dat hij een oppassend man was, en hij en zijn vrouw bij de familie van zijn baas zeer gezien waren. Om u nu verder op de hoogte te brengen van 't geen er in de tien jaren met onze oude kennissen gebeurd was, moet ik u meedeelen, dat de oude tante de Bosson sedert drie jaren dood was, dat Gustaaf makelaar in effekten en met zijn nicht Florence gehuwd was, en dat mevrouw de Winter nog altijd haar huisje op de Heeregracht bewoonde, doch om de gezelligheid een juffrouw van gezelschap had genomen, een officiersdochter en een zeer beschaafd meisje, Emma Kellner, die zich bij de geheele familie zeer bemind had weten te maken. Kapitein de Bosson was sedert twee jaren gepensionneerd: zijn oudste zoon August was op de militaire academie te Breda, zijn jongste, Emile, was bij hem aan huis, en (want hij woonde tegenwoordig in Amsterdam) bij Gustaaf op 't kantoor. Ge bemerkt wel, dat we er eenige nieuwe kennissen bij gemaakt hebben. En zoo zijn we nu na tien jaren geheel en al op de hoogte van de familie, van welke we er in onze vorige hoofdstukken eenige leerden kennen.
„Hoe laat komt tante, Margot?” vroeg Truda aan haar nicht en schoonzuster.
„Dat weet ik niet,” antwoordde Margot. „Mama heeft mij geschreven, dat ze met de Rijnspoor uit Amsterdam zou vertrekken en dan naar Gorkum, waar ze wel gelegenheid zou vinden om hier te komen.”
„Een lastige reis,” zeide Ernst. „Waarom is ze niet over Rotterdam gegaan; dan was ze met de Nijmeegsche boot hier vlak voor den dijk aangeland.”
„Nu, die reis zou nog vrij wat lastiger zijn geweest,” oordeelde Margot. „Dan had ze den nacht in Rotterdam moeten overblijven.”
„En een grooten omweg moeten maken ook,” voegde Bernard er bij. „Zooals ze nu de reis doet, is die veel beter. 't Zal echter zoo lang niet meer duren, of de reis herwaarts en door 't geheele land wordt vrij wat gemakkelijker!”
„Hoe meen je dat, Bernard?” vroeg Netje.
„Wel, nu de wet op de staatsspoorwegen is aangenomen. Weet je wel, dat we dan door den tijd een brug over de Waal krijgen?”
„Die spoorwegen zullen duiten genoeg kosten,” zeide Ernst. „Eenige millioenen, naar ik hoor.”
„En toch zullen ze een zegen voor handel, nijverheid en akkerbouw zijn,” hernam Bernard. „'t Is nu elf jaren geleden, sedert we koning Willem den derden te Amsterdam zagen huldigen, Margot. En in dien tijd is er al wat gebeurd. Daar heb je vooreerst in 't jaar '52 het voltooien van de droogmaking der Haarlemmermeer. Dat land heeft wat geld aan 't Rijk opgebracht.”
„Maar ook geld genoeg gekost,” hernam Ernst. „Sakkerloot! daar zijn wat duiten mee heengegaan.”
„Vergeet echter niet, dat die droogmaking driedubbele voordeelen oplevert Ernst,” hernam Bernard. „Vooreerst is daardoor 't nationale kapitaal aanzienlijk vermeerderd, ten tweede is er een groot terrein voor akkerbouw en veeteelt aangewonnen, en ten derde brengen dat land en de gebouwen die er op gezet zijn, jaarlijks vrij wat in de belastingen op.”
„Daar heb je gelijk in, Bernard,” hernam Ernst. „En wat is er dan nu meer onder de regeering van koning Willem den derden gebeurd, dat je die zoo roemt?”
„De wet op de rijkstelegrafen, zoo onmisbaar voor een goede correspondentie met het buitenland, vooral voor den handel van groot gewicht.”
„Wat hebben wij daaraan?” vroeg Truda.
„Wat wij er aan hebben?” hervatte Bernard. „Nu eenmaal de wet er door is, wordt het telegraafnet langzamerhand meer en meer uitgebreid, en zullen we spoedig zien, dat men voor weinig geld naar alle oorden van ons land in onbegrijpelijk korten tijd allerlei soort van berichten kan zenden.”
„Maar 't kost allemaal zooveel geld,” zeide Ernst. „En de belastingen zijn toch al zoo hoog. Waarom geen vermindering van lasten?”
„En dat zegt een landbouwer, die zijn producten reeds zooveel duurder verkoopt dan vroeger! Laat het spoorwegnet maar eens klaar zijn, en de landbouwproducten zullen nog meer stijgen. Daarenboven, wat klaagt gij, landlieden, over de belastingen? Je moest eens in Amsterdam of andere groote steden wonen; dan zou je anders praten. Uw land, uw producten zijn ontzaglijk in waarde vermeerderd, en uw belastingen zijn genoegzaam 't zelfde gebleven.”
„Maar wij hebben ook onze polder- en andere lasten, Bernard; vergeet dat niet.”
„Dat is waar; doch....”
„Kom, kom! Twist nu niet over die belastingen,” zeide Margot. „Laat ieder gewillig dragen wat hij kan. Ik zeg maar, dat we een gezegende regeering onder onzen Willem den derden hebben, en geld moet er wezen, als er onder hem wat tot stand zal komen. Daar heb je nu onder ander die nieuwe schoolwet, voor een paar jaren ingevoerd. Wat kost tegenwoordig het onderwijs een boel geld meer als vroeger. Op ons dorp ten minste klagen ze er steen en been over. Doch ik zeg: Als men 't onderwijs wil verbeteren, moeten de onderwijzers ook beter betaald worden, er moeten beter schoollokalen zijn; kortom, zachts dat we wat meer betalen voor een zaak, die een weldaad is voor de natie.”
„Hoor me zoo'n advocaat eens aan!” riep Bernard uit. „Dat zou goed voor de rechtbank kunnen pleiten. Inderdaad, verbetering van den toestand van 't lager onderwijs is een zegen voor Volk en Staat. En welk een vooruitgang in beschaving, dat alle openbare schavotstraffen2) zijn afgeschaft....”
„Behalve de doodstraf,” hernam Ernst. „Ik had dat overblijfsel uit de middeleeuwen nu meteen maar uit ons strafwetboek verwijderd.”
„Wacht maar, Ernst, dat zal later wel volgen,” hernam Bernard, „evengoed als er spoedig kans is op uitdelging van schuld en vermindering van rentelast. En wat zeg je dan van de afschaffing der belasting op 't gemaal, Ernst?”
„Voorzeker een zegenrijke wet; daar nu de arme man vrij wat goedkooper brood kan eten dan vroeger. Doch daar is Jans. Sakkerloot; ze brengt een heelen schoot bloemen mee. Zoo, vrouw Veen! Daar doe je goed aan.”
„Niet waar, baas?” antwoordde Jans, die vrij wat gezetter geworden was dan toen we haar voor 't eerst zagen. „Maar wat zie ik? Den dominé en zijn vrouw! Wel, juffrouw Margot! Hoe maak je 't en kun je al zoo wat aan 't stille buitenleven wennen?”
„Dat gaat nog al, Jans,” antwoordde Margot. „Trouwens, we hebben een lieve pastorie. Die moest je eens zien.”
„'t Is anders nog al een verschil: het drukke, levendige Amsterdam bij zoo'n stil eenzaam boerendorp,” hernam Jans. „Niet, dat ik er wat tegen heb. Als 't aan mij staat, verkies ik een dorp boven zoo'n rumoerige stad. Maar, zie je, dat maakt verschil: ik ben buiten op 't land gewonnen en geboren, en de juffrouw is van kindsbeen in Amsterdam grootgebracht.”
„En is dat nu uw oudste dochter, Jans?” vroeg Margot, op een achtjarig meisje wijzende, dat heel verlegen aan den ingang van het huishek was blijven staan.
„Ja, juffrouw Margot, dat is Johanna, mijn oudste. Dan volgt Jaap, die wordt aanstaanden Allerheiligen zeven jaar; die gaan beiden al school.”
„En leeren ze goed, Jans?” vroeg Bernard.
„Nu, dat zou ik meenen, dominé,” antwoordde Jans. „De meester is wat tevreden. En weet u al, dominé, dat we hier een nieuwen meester gekregen hebben? Onze oude is gepensionneerd, en nu hebben we er een—kijk, zoo is er geen tweeden in den heelen Bommelerwaard.”
„Jij bent ook wel de bevoegde persoon om dat te beoordeelen, Jans,” hernam Bernard lachende, en toch was 't roemen van die eenvoudige vrouw koren op zijn molen. „Maar laat ons nu eens kijken, wat je voor ons hebt meegebracht?”
„Veel is 't niet, dominé,” antwoordde Jans. „Maar 't spreekwoord zegt: die geeft van 't geen hij heeft, is waard dat hij leeft, en ik heb meer gedaan dan dat; ik heb alles gegeven, wat ik had en bij de buren de tuinen geplunderd op den koop toe.—Maar jongens! wat maakt u dat daar netjes,” vervolgde zij, toen ze naar binnen keek. „En wat moet dat groote papier met die letters beteekenen?”
„Dat zijn de eerste letters van de namen van 't zilveren bruidspaar,” antwoordde Margot, „en die cijfers zijn de jaartallen van hun groene en die van hun zilveren bruiloft.”
„Kijk, dat vind ik aardig,” hernam vrouw Veen. „En mevrouw komt vandaag toch zeker ook?”
„Niet alleen mama, maar ook neef Gustaaf en zijn vrouw en nog een van de neven,” antwoordde Margot.
„Nu dan mag ik toch nog wel eens aankomen, om mijn goede oude mevrouw te zien,” zeide Jans. „'t Is al een tijd geleden dat ik haar niet ontmoet heb.”
„Welzeker Jans. Je bent ons allen welkom,” antwoordde Margot. „Misschien wil mama zelf ons wel vergezellen, als we na den middag eens bij je aankomen.”
„Wel, dat zou heerlijk zijn!” zeide vrouw Veen. „Dan kan ze mijn vier kinderen eens zien, juffrouw Margot. En de dominé komt dan toch zeker ook mee, niet waar?”
„Welzeker,” zeide Bernard. „'t Is meteen een kleine wandeling.”
„Nu, dan ga ik gauw naar huis,” zeide Jans. „Want als er zulke groote gasten komen, mag ik wel maken, dat de boel netjes aan kant is.”
„Daar zul je toch altijd wel voor zorgen,” zei Margot. „Mama zegt ten minste dikwijls, dat ze nooit zoo'n heldere en zindelijke meid gehad heeft als jou.”
„Wel, dat doet me pleizier,” antwoordde Jans. „En daarom moet alles krek in orde zijn, als mevrouw komt. Zie je, juffrouw Margot. Als men vier kinders heeft, dan kan alles niet zoo in de puntjes wezen. Dus tot dezen achtermiddag!”
En zoo vertrok Jans.
Dien namiddag kwam mevrouw de Winter met hare beide kinderen, Gustaaf en Florence, benevens haar broeder met zijn zoon August, den kadet op de academie te Breda. Emile had thuis moeten blijven, om gedurende de afwezigheid van den patroon de zaken op het kantoor te besturen. Ons vijftal werd hartelijk verwelkomd, en ik behoef u niet te zeggen, dat het geheele huis op stelten stond bij zooveel logés. Mevrouw de Winter en haar broeder, de gepensionneerde kapitein, waren er niet jonger op geworden; toch hadden zij zich goed gehouden, en August was een knappe kerel en zou, vooral daar hij een helder hoofd en studielust bezat, eens een ferm officier worden.
Den volgenden dag werd het aantal gasten nog vermeerderd; want behalve een paar vrienden met vrouwen, dochters en zoons uit Gorkum en Bommel, kwamen ook de broeder van Veldhuis, Frans genaamd, uit Whamel (een dorp tegenover Tiel) met vrouw, twee zoons en twee dochters, en dan nog een oude neef, die 't vorige jaar als Oost-Indisch invalide te Bronbeek geplaatst, en evenals kapitein de Bosson metalen-kruisridder was. Hij heette Jan van Dijk, had in den tiendaagschen veldtocht onder de compagnie van de Bosson, toen nog maar tweeden luitenant, gestaan en daarna jaren lang in de Oost-Indiën gediend. De ontmoeting tusschen hem en zijn vroegeren luitenant was heel hartelijk.
„Zoo, oude jongen,” zei kapitein de Bosson, toen de veteraan met de stoomboot was aangekomen en hij hem hartelijk de hand reikte. „Hoe maak je 't sinds 't jaar '56 toen we beiden in Amsterdam waren ter gelegenheid van de onthulling van 't monument op den Dam3)?”
„O, kapitein,” antwoordde de veteraan. „Ik ben zoo gezond als een visch, en heb, sedert onze goede koning Willem III ons 't Huis te Bronbeek ter residentie gegeven heeft, een oud leventje.”
„Dat wil ik wel gelooven, van Dijk,” antwoordde de kapitein. „Zoo'n troep mannen bij elkaar, die allen in de Oost geweest zijn, zullen elkander wat te vertellen hebben.”
„Ja, doch dat vertellen is gauw uit. Maar we hebben een prachtige bibliotheek, een biljard, allerlei spelen, en dan een mooien tuin om in te wandelen. Wat echter sommigen van ons niet bevalt (want er zijn altijd menschen die ontevreden zijn, al hebben ze 't nog zoo goed) is, dat we op onzen tijd thuis moeten wezen en aan militaire discipline onderworpen zijn.”
„Nu, dat zal jou toch niet hinderen,” hernam kapitein de Bosson. „Ten minste, toen je nog in mijn compagnie stondt, was je altijd prompt op je tijd. Ik geloof niet, dat je daarvoor ooit straf gehad hebt.”
„Ja, maar zulk een goeden luitenant als u heb ik ook nooit weer gekregen. In de Oost had ik er een, dat was een ware Nero. Dien kerel kon je ook nooit iets naar zijn zin doen.”
„'t Is toch een nobele daad van onzen koning, om zijn buiten Bronbeek aan die oude Oost-Indische militairen af te staan, papa,” zeide Florence.
„Dat is het. En eere zij dien goeden Vorst daarvoor,” hernam kapitein de Bosson. „Als we van middag aan het diner zijn, van Dijk, dan zullen we eens een boordevol glas op hem leeg drinken.”
„Nu, dat hebben we voor vier jaren in Amsterdam ook gedaan, kapitein,” zeide van Dijk. „Dat waren prettige dagen, hé!”
„Dat zou ik denken,” hernam de kapitein. „'s Maandags4), afgehaald van den trein en onder 't spelen van 't carillon door de met duizende vlaggen versierde straten gewandeld naar 't Park, waar we feestelijk ontvangen werden. Toen om vier ure den maaltijd in de Nederlanden, waar wat toasten werden geslagen, 's avonds voorstelling van „Onthoud uw dag” in den grooten schouwburg.”
„En wat daar een geestdrift was, kapitein!” zeide van Dijk. „En toen Dinsdag dien optocht naar de werf William op de Kadijk, waar 't klipperschip, „Het Metalen kruis” te water werd gelaten.”
„En des avonds in 't Park dat groote landelijke feest,” zei kapitein de Bosson. „Toen zijt gij nog mee geweest, zusje.”
„En ik ook, oom,” zei Margot. „Dat was daar toen allergezelligst.”
„Ik wil 't wel gelooven,” zeide van Dijk. „Mij was het te duur. Een gulden vijftig de persoon.”
„Ho, ho! voor kruisridders half geld, dus maar vijfenzeventig cents,” zei kapitein de Bosson.
„Nu ja, kapitein,” antwoordde van Dijk. „Maar voor een gepensioneerd Oost-Indisch onderofficier is vijfenzeventig cents al een heele schat, vooral wanneer de vertering er niet onder begrepen is. Dat grapje kostte ons toch al geld genoeg.”
„Dan zijt ge ook Woensdag niet aan 't feestmaal in 't Park geweest, van Dijk. Dat kostte tien gulden de persoon: maar 't was prachtig.”
„Ik zou mijn tien gulden zeker twintigmaal hebben omgekeerd, eer ik daartoe besloten had,” zeide van Dijk. „'t Was anders een heerlijke dag, die Woensdag. Eerst de ontvangst van Z. M. den Koning en toen de onthulling van 't monument. En dan Donderdags die réunie in Artis. Doch dien dag ben ik vertrokken. Den wedstrijd met de buks in Frankendaal heb ik niet bijgewoond.”
Zoo spraken de beide grijze mannen over hun herinneringen, en wij hebben daarbij gelegenheid gehad te vernemen, hoe koning Willem III zijn landgoed Bronbeek voor in den dienst grijs geworden krijgslieden had laten inrichten, een daad, die hem tot eer verstrekt en hem de zegenbeden van menigen hulpbehoevenden grijsaard heeft waardig gemaakt.
Ons doel is niet, u een beschrijving te geven van de viering der zilveren bruiloft, noch met u de verrassing te beschrijven van het zilveren paar toen ze in de keurig versierde pronkkamer kwamen, waar hun bij de schoone cadeaux de hartelijkste zegenwenschen werden aangeboden; noch met u aan den feestdisch aan te zitten, waaraan de gulste vreugde heerschte; we willen liever Gustaaf en Bernard met hun vrouwen en August den volgenden dag op een toertje vergezellen, hetwelk zij door den Bommelerwaard maakten, en dat bovenal voor Florence, Margot, Gustaaf en August merkwaardig was. Bernard kende 't land en had alleen 't genoegen der herinnering; Ernst mende de twee bruine blessen, die voor 't keurige eikenhouten speelwagentje gespannen waren.
Eerst ging men naar Loevestein, vermaard in onze geschiedenis door de inneming en verdediging van Herman de Ruyter, alsmede door de inkerkering van den geleerden Hugo de Groot. Dat fort, gebouwd op de plaats waar Maas en Waal zich vereenigen en te zamen den naam van Merwede aannemen, bestaat uit een onregelmatigen vijfhoek, die bij hoogen waterstand geheel en al door water omringd is. De binnenruimte wordt ingenomen door het kasteel, eenige rijksgebouwen en drie particuliere huizen.
„Wanneer is dit fort toch gesticht?” vroeg Margot haren man.
„Men weet het niet,” antwoordde Bernard. „Alleen gist men op goede gronden, dat het in 't laatst der negende eeuw door de Noormannen gebouwd is. In 1397 werd het door Willem, den zoon van Albrecht van Beieren, ingenomen; doch eerst later is 't vermaard geworden.”
„Juist—door de inneming van den dapperen Herman de Ruyter, die 't in 1570 met een gering aantal manschappen verdedigde,” zeide Margot.
„Toen het door driehonderd Spanjaards belegerd werd,” zeide Florence, „en de dappere Bosschenaar daar hij het tegen de overmacht niet kon volhouden, het in de lucht deed springen!”5)
Intusschen was men over de houten brug de breede gracht overgegaan, en kreeg verlof, Loevestein te bezichtigen. 't Meest van allen interesseerde hen de kamer van Hugo de Groot, waar men hun 't venster wees, uit hetwelk Maria van Reigersbergen het trouwe Elsje van Houweningen nastaarde; ook bezag men de kamer van Hoogerbeets en die, waar de Remonstrantsche predikanten gevangen gezeten hadden.
„'t Is of 't slot Loevenstein een levend getuigenis moet zijn van echtelijke liefde,” zeide Bernard. „Behalve toch Maria van Reigersbergen, blonk hier ook de trouwe gade van Rombout Hoogerbeets uit, die in 't lot van haar man deelde. Niet minder Susanna van Oostdijk, een edele jonge dochter uit Den Briel, die met een der Remonstrantsche predikanten, Arnold Geesteranus, verloofd was, en verlof wist te bekomen, hem in zijn gevangenschap te huwen, en als vrouw gezelschap te houden en te vertroosten!”
„Hier hebben Jacob de Witt en de andere Hollandsche heeren onder Willem II immers ook gevangen gezeten?” vroeg Margot.
„Welzeker,” antwoordde August. „Vandaar nog den naam van Loevesteinsche factie, aan de anti-stadhouderlijke partij gegeven. Later heeft dit kasteel gediend tot kerker van krijgsgevangenen en voorname personen onder andere van den Engelschen admiraal Ascue.”
Nadat zij Loevenstein, welks bevolking met inbegrip van de bezetting 30 zielen bedraagt, bezichtigd hadden, zetteden zij zich weder in het wagentje, waarin Ernst was gebleven om op de paarden te passen, en reden over Poederrooien met 450 inwoners, en Aalst, een even gering dorp met slechts 400 inwoners en een heel oude kerk, naar Neder-Hemert, even als Aalst aan de Maas gelegen.
„Een gedeelte van dit dorp ligt aan de overzijde der Maas,” zeide Ernst.
„En wat voor een gebouw is dat, hetwelk daar aan de overzijde zoo bevallig boven 't geboomte uitsteekt?” vroeg Florence.
„Dat is 't adellijk huis van Neder-Hemert,” antwoordde Ernst. „Het ligt te midden van aangename tuinen en boschages. We rijden echter nu voort; 't zou ons te lang ophouden, om de rivier over te steken, en dan zou 't nog de vraag zijn, of we 't mogen zien. Het huis zelf en 't andere gedeelte van het dorp ligt op een eiland, den Hemerwaard genaamd.”
„Waar Floris de eerste, graaf van Holland, Zeeland en West-Friesland de Stichtschen geslagen had; toen hij na den strijd zoo verraderlijk door Floris van Kuyk vermoord werd,” zeide August.
Altijd den Maasdijk volgende, reed ons gezelschap over Ammerroden, een dorp met 900 inwoners en een deftig kasteel met vier ronde torens, naar het onder de zelfde gemeente gelegen Well, waar ook een klein slot staat, omgeven door grachten en bezet met twee hangtorentjes.
„We zullen te Hedel uitspannen; daar is een goede herberg,” zei Ernst.
„En dan te gelijk koffie drinken en er 't noodige bij gebruiken,” zeide August. „Ik wil wel ronduit bekennen, dat ik de plaats begin te voelen, waar mijn maag zit.”
„Om u de waarheid te zeggen, begint de mijne ook te jeuken,” zeide Bernard.
„Foei, welk een uitdrukking, Bernard!” zeide Margot. „Een maag jeukt niet, maar vermaant.”
„Eigenlijk zijn geen van beiden goed,” merkte Bernard aan. „Ik zou zeggen: waarschuwt dat ze gebrek aan werk heeft: want het gevoel dat wij honger noemen en hetgeen eigenlijk trek is, komt immers door 't inkrimpen van de wanden der maag, die geen werkeloosheid kunnen verdragen.”
„Ten minste als ze in haar normalen toestand zijn,” hernam Gustaaf. „Doch kijkt eens uit; vindt ge dit landschap niet schoon?”
„Inderdaad prachtig!” riep Florence uit.
Te Hedel, een dorp met 1400 inwoners en waarvan reeds in 840 gewag gemaakt wordt, stapte men in de voornaamste herberg uit en bestelde koffie, brood, boter en vleesch.
„'t Laatste hebben we niet, mijnheer,” zeide de kastelein. „Wel heerlijke ham.”
„Ook al goed, hospes,” zei Ernst. „Dan maar een fermen schotel met gesneden ham; want je krijgt hongerige lui te gast.”
Weldra stond er, behalve een kolossale koffiekan, een groote schotel met ham benevens brood en boter op tafel, en onze zes reizigers deden zich dapper te goed. Men kon 't merken, dat de frissche morgenlucht en de lange rit hun eetlust hadden opgewekt.
Van Hedel deden ze te voet een uitstapje naar Bruchem zoo wat midden in den Bommelerwaard gelegen, en dat met het dorp Kerkwijk en de heerlijkheid Delwijnen, ongeveer duizend inwoners bevat. Alles was heerlijk bebouwd of leverde prachtige mollige weiden op, zoodat het oog met welgevallen op de afwisselende kleuren rustte, en ons zestal zeer tevreden over hun wandeling, in de uitspanning te Hedel terugkwam, waar men, na nog iets gebruikt en den kastelein betaald te hebben, 't rijtuig weer liet voorkomen, en steeds den Maasdijk over, naar Driel reed, een welvarend dorp, ook reeds vroeg en wel in de tiende eeuw bekend en vroeger door verscheidene adellijke sloten omringd. In zijn buurtschappen bevat het een bevolking van 2800 zielen. Van hier reden zij tot aan het dorp Rossum, in den Noord-Oostelijken hoek van den Bommelerwaard gelegen, en waarbij het in 1816 gebouwde fort Sint-Andries ligt. De beruchte Maarten van Rossum, heer van Poederooien, ligt hier begraven.
Hier lieten zij zich met de pont over de Maas zetten, om oom Frans te Whamel, te bezoeken, die hen dien middag te eten gevraagd had, en wien zij beloofd hadden, aan zijn verzoek te zullen voldoen, mits hij zijn diner tot 's namiddags vier ure uitstelde; hetgeen tante Betje beloofd had. Te Dreumel, aan den Waaldijk gelegen, stapten ze even uit, om er de prachtige, in 1838 ingewijde R. K. kerk te bezichtigen, met haar zwaar orgel en drie altaren, waarvan het hoofdaltaar, dat een rots voorstelt, een meesterstuk van kunst is. Spoedig kwamen zij aan het dorp Whamel aan, waar een gierpont over de Waal is, ze werden zoowel door oom Frans als tante Betje, ook door de neven en nichten hartelijk ontvangen, en hadden 't er zeer goed. Daar ze echter nog een heelen tocht te maken hadden, eer ze thuis waren, gingen zij terstond na het theedrinken weer op reis, reden andermaal over Dreumel naar 't veer van Sint-Andries, en nu over den Waaldijk naar huis. De tocht, welke bijna rechtuit ging, was slechts de helft van dien, van dezen morgen. Van Rossum reden ze over 't kleine Hurwenen, met slechts 350 inwoners en een oud-adellijk huis, naar de stad Bommel of Zalt-Bommel, reeds in 850 vermeld en in 1316 als stad voorkomende. Men hield zich echter hier niet op en reed door naar Gameren, dat met het kleine Nieuwaal éen gemeente vormt en welks 1300 inwoners genoegzaam geheel van den aardappeloogst bestaan; terwijl een steenoven aan enkele andere brood verschaft. Van Gameren reden zij over Zuilichem, waar vroeger een zwaar vierkant kasteel stond, dat in 1753 werd afgebroken en aan de in de geschiedenis wel bekenden Constantijn Huygens toebehoorde. In 1819 heeft de toenmalige eigenaar der heerlijkheid op den overgebleven voorburg een grooten ronden toren laten opbouwen en een kleineren zeskanten met bijgebouwen opgetrokken, waarbij de oude poort van het slot hersteld is. Daar 't echter reeds donker begon te worden, kon ons gezelschap er niet veel van zien. Het duurde niet lang, of ze waren te Brakel, waar ze den dijk afreden en weldra thuis waren, zeer tevreden over hun tochtje, hetwelk hun een goed denkbeeld van den Bommelerwaard had gegeven. Eer we echter dit hoofdstuk sluiten, moet ik u nog even met de dijken en polders van den Bommelerwaard bekend maken.