„Een vrij onschuldig plezier, dat men aan die heeren wel kan gunnen!”

„Zeg dat niet, meneer De Witt! De liberale partij moet niet alleen de numerieke meerderheid, maar ook de algemeene achting hebben! Onze mannen moeten overal gezien zijn. In de eerste plaats aan het Hof en in de hofkringen....”

Bijna fluisterend en met eene zeer geheimzinnige uitdrukking heeft de beroemde heer Gronovius deze laatste woorden aan André's oor gezegd.

De jonkman staart hem uitvorschend in de rollende, grijze oogen, en antwoordt:

„Dat begrijp ik niet!”

„Wel dat verwondert me, meneer De Witt! Een jong mensch met uwe capaciteiten moest dat begrijpen. Het is zeer noodzakelijk, dat de knappe lui onder onze partij elkaar in dit opzicht verstaan. Liberaal of conservatief, behooren de ministers, de leden der beide kamers, de leden der hooge collegiën van staat aan 't Hof, zonder onderscheid, met welwillendheid ontvangen te worden. Dit is een der eerste beginselen van constitutioneel staatsrecht. Hoe zegt men in Engeland, meneer De Witt? Her Majesty's loyal opposition! Vergeet dit niet!”

Een lakei met bekers champagne stoorde hun onderhoud. De heer Gronovius zette zijne dikke lippen maar even aan het glas, daar de aandacht van André, die naar de voorbijtrekkende gasten begon te staren, hem scheen te ontsnappen. Hij ging haastig voort:

„Nu ik het toevallig plezier heb, meneer De Witt! u bij mijn vriend Van Berenvelt te ontmoeten, kan ik niet nalaten u een en ander op het hart te drukken. Bewijs aan de lui, dat er ook fatsoenlijke menschen onder de liberalen zijn! Wij moeten ons vertoonen in de aanzienlijkste kringen. Uitstekende menschen allemaal! En niemendal moeielijk voor een wezenlijk fatsoenlijk man om in die kringen opgenomen te worden, dat zie je aan mij!”

André verlangde aan de mededeelzaamheid van den grooten Gronovius te ontkomen, maar hij bevond zich in een hoek der serre. Hij wilde niet opzettelijk onbeleefd zijn. Zijn nieuwe vriend sprak op zulk een ongemeen afdoenden, bijna commandeerenden toon, dat het moeilijk was een glimlach te onderdrukken of wel iets scherps te verzwijgen. De heer Gronovius vermoedde hoegenaamd niets van den zielstoestand zijns jeugdigen vriends, en hernam met betoon van groote nederigheid:

„Het is mij hier in Den Haag nogal meegeloopen! Enkelen van mijn liberale kennissen hebben mij kwalijk genomen, dat ik aan het Hof kom, en met de wereld omga.... Enfin, dat gaat zoo! U, meneer De Witt! raad ik aan de vriendschap van meneer Van Berenvelt op hoogen prijs te stellen! Het zal u niet moeielijk vallen aan de meeste familiën gepresenteerd te worden! Kent u hier het personeel al zoowat?”

„Pardon, Meneer Gronovius! Ik wilde....”

„Heel goed! Laat ons saam eens door de salons wandelen! Ik zal u dan met den een of ander in kennis kunnen brengen!”

André volgde, en bedwong een zucht van verlossing.

De knappe heer Gronovius leidde hem langzaam door het eerste vertrek. Hij ving aan fluisterend te spreken, en zich telkens tot André over te buigen:

„Van avond zijn er veel absenten! 'n Slecht seizoen voor een soirée! Dat kan nu niet anders met die Belgische artilleristen. De meeste leden van de Tweede Kamer zijn uit de stad. De aristocratie ontspant zich te Baden of te Homburg. Het corps diplomatique is nog het best vertegenwoordigd, omdat de meesten op hun post moeten blijven!”

André volgde zwijgend. De plotselinge sympathie, hem ten deel gevallen van de zijde des beroemden heeren Gronovius, verbaasde hem. Dit alles aan de lezing zijner dissertatie toe te schrijven, verbood hem de rede. Het scheen hem meer en meer, dat de groote staatsman dien avond zijne gewone vrienden miste, en dat hij iemand noodig had aan wien hij zijne verheven uitspraken vol gezag en majesteit kon mededeelen.

Terwijl zij voortwandelen, noemt het kamerlid de namen der verschillende gasten:

„Die lange heer, daar ginder, meneer De Witt! is een zeer merkwaardig man. Hij is attaché bij de Russische ambassade—graaf Tchitchikoff, millionnair, zeer gezien bij ons Hof. Hij bezit groote talenten in den gezelligen omgang, zingt, danst, goochelt en vervult de comische rollen in onze „comédie de société”. Ik zal u aan hem voorstellen!”

„Liever niet!”

„Hoe is het mogelijk? Het kan nooit kwaad kennissen in Rusland te hebben!”

André begreep, dat kennissen in Rusland van groot nut zijn tot het dingen naar Russische ridderorden, en vermoedde daarbij, dat een Russisch kruisje nog aan de „collectie” van den heer Gronovius ontbrak.

Hun tocht voortzettend vestigde de laatste zijn oog op den beleefden gastheer, die thans audiëntie verleende aan Van Reelant.

Gronovius fluisterde aanstonds:

„Meneer De Witt! Let nu eens op dien heer met dat gunstige voorkomen en dien blonden knevel. Dat is de pas benoemde referendaris bij Buitenlandsche Zaken, de heer Van Reelant. Een maand geleden is hij hier gekomen en nu spreekt ieder al met achting van hem. Dat jonge mensch zal carrière maken. Kennis van menschen en zaken bezit hij in hooge mate, ik heb er mij bij herhaling van overtuigd!”

Zulk eene getuigenis was allervleiendst voor Van Reelant, te meer nu een man als Gronovius haar uitsprak. De waarheid was, dat het den nieuwen referendaris bijzonder weinig moeite gekost had, deze gunstige meening omtrent zijn persoon en talenten te vestigen. Hij volgde eene zeer eenvoudige politiek—hij zweeg. Van Reelant legde buitengewone bekwaamheid aan den dag in de kunst van zwijgen. Hij luisterde daarbij met nog grooter talent. De heer Gronovius had soms een uur lang met Van Reelant op de aangenaamste wijze geredeneerd, daar men hem alleen het woord liet, of er enkel een bescheiden volzin aan waagde, als de stroom der ideeën trager dreigde te vloeien. Bij de deftige heeren uit de hoogste Haagsche kringen was er maar ééne stem over Van Reelant—„een uitstekend bekwaam ambtenaar.”

André had bij de lofspraak van den heer Gronovius de schouders opgetrokken. Openhartig, zelfs eenigszins vermetel riep hij uit:

„Mij viel de eer niet te beurt den nieuwen referendaris nader te leeren kennen. Ik werd aan hem voorgesteld, en zag hem een paar maal in het ministerie, dat is alles. Me dunkt, dat hij zijn positie louter aan protectie dankt. Toen de oude heer Mérelles stierf, heeft een hoofdcommies, mijn vriend Wythoff, maanden achtereen de functiën van referendaris waargenomen. Ongelukkig komt er in April een oproertje in de Kamer over de bisschoppen. Er volgt een nieuw ministerie, en bij de eerste benoeming aan Buitenlandsche Zaken wordt niet Wythoff gepromoveerd, maar krijgen we een wildvreemd heer uit een der noordelijke provinciën,—nota bene, griffier bij een kantongerecht!”

De vermaarde heer Gronovius bleef mijmerend stilstaan. Hij zag André met een bezorgden blik aan.

„Meneer De Witt! Het doet me plezier, dat ik het merk! Ik kan je een goeden raad geven! Spreek nooit zoo luid over je chefs! Meneer Van Reelant is boven je geplaatst, dus behoor je de ambtelijke hiërarchie te eerbiedigen. Wat zou er van onze staatsadministratie terecht komen zonder ambtelijke hiërarchie? Ik ben liberaal, dat weet je! Ik heb de Aprilbeweging met leede oogen zien ontstaan, maar nu het nieuwe ministerie er eenmaal is, zou ik in uw plaats geen critiek oefenen over benoemingen. Dat is de weg niet door een jong, talentvol ambtenaar in te slaan. Weet je, wat je hadt moeten doen? Je hadt den nieuwen referendaris moeten opzoeken .... nader kennis maken.... Laat ons te zaam Van Reelant eens aanspreken....”

Het werd André te eng in het schitterend salon van den secretaris-generaal. Hij bemerkte niet, dat hij lomp genoeg was den edelmogenden Gronovius op antwoord te doen wachten.

Deze laatste viel daarom haastig in:

„Jongelui kunnen dikwijls nog veel leeren, meneer De Witt! Wetenschappelijke kennis alleen is niet genoeg! Ik heb u een wenk gegeven, laat het daarbij blijven.... Wel, wel, freule Albertine! hoe vaart u?”

Deze laatste woorden, met groote hartelijkheid uitgesproken, werden gericht tot een jong meisje van twaalf of dertien jaren.

Freule Albertine was de tweede en jongste dochter van den Baron Van Berenvelt. In het hagelwitte kleedje, de lange golvende zwarte haren met purperroode zijde strikken opgenomen, zag zij er zeer bekoorlijk uit. Toen de heer Gronovius haar aansprak, stond zij stil met een uitdagend glimlachje.

Gronovius, die tot nog toe niemand aan André had kunnen voorstellen, maakte van de gelegenheid gebruik, en zei plechtig:

„Freule Albertine! Mag ik het genoegen hebben u te presenteeren meneer De Witt, ambtenaar aan het ministerie van Buitenlandsche Zaken!”

André boog beleefd, maar de uitdrukking van zijne trekken verried, dat hij de plechtigheid wat overdreven vond. Het jonge meisje keek hem onverschrokken aan, en vroeg met een allerliefst air van nederbuigende vriendelijkheid:

„Bevalt u de soirée, meneer?”

„Uitstekend, freule!”

„Wat mij betreft, ik verveel me!”

„Zoo, freule!”

„Ja, ziet u! Adèle had me beloofd, dat er muziek zou gemaakt worden! Ik houd dol van muziek. Ik zou wel den heelen dag muziek willen maken! Ik kom alleen om wat te hooren spelen, en nu is er niemand, die van muziek spreekt!”

„Daar ginder heb ik eene pianino zien staan....”

„Mijn pianino!”

„Maar, freule als u zelve eens....”

„Ik speel nog niet in 't publiek, meneer!”

„Dan zou misschien uwe zuster....”

„Ga maar mee! Wij zullen 't haar vragen!”

Vrijmoedig en schalks wenkte freule Albertine, en André had plezier genoeg in het guitige kind, om terstond aan haar verzoek te voldoen. De heer Gronovius werd juist op dit punt des tijds aangesproken door graaf Tchitchikoff, welke laatste den geachten Nederlandschen staatsman in kennis wilde brengen met een Belgisch kolonel der artillerie.

André en zijne jonge vriendin zochten een oogenblik, en vonden Adèle in vriendelijk gesprek met drie bedaagde, buitengewoon leelijke freules, dochters van een overleden, hooggeacht generaal. Albertine vloog naar hare zuster, en zei met kinderlijke levendigheid:

„Adèle! Laat nu iemand eens wat spelen!”—En met den vinger André aanwijzende:—„Meneer hier houdt ook zooveel van muziek!”

Mejonkvrouw Van Berenvelt sprak zacht een paar woorden met Albertine. Deze trok plotseling een verdrietig gezichtje, en sloop heen zonder zelfs André te groeten.

„Meneer De Witt!”—zei freule Adèle, terwijl zij de schitterende zwarte oogen naar André wendde—„ons gesprek werd zooeven gestoord, toen ik u iets wilde vragen. Wie was het toch, die het eerst op het denkbeeld kwam, om een standbeeld aan den dichter Huygens te geven midden onder het groen van het eilandje in den Vijver?”

„Dat was Potgieter, freule!”

„Dacht ik het niet! Wij lezen zooveel Engelsch en Fransch, dat wij onze Hollandsche auteurs verwaarloozen!”

„Het is nu bijna tien jaren geleden, dat onze beste prozaschrijver dezen wensch bij wijze van verzuchting uitsprak in het tijdschrift „De Gids”. Misschien is het u toen ontgaan, freule!”

„Zoo is het, meneer De Witt! De gedachte trof mij, maar er is, vrees ik, niet veel kans tot verwezenlijking van dit lieve denkbeeld. Elken dag kijk ik uit mijn venster een poosje naar het schilderachtig eilandje.... Er zal, vrees ik, geen terrein genoeg zijn voor een standbeeld, wanneer men de mooiste boomen behouden wil!”

„Een technisch bezwaar, freule! Misschien zal later een vriend van Huygens en Potgieter het oplossen!”

„In dat geval zal ik uw plan met plezier ondersteunen, als het wat helpen kan!”

André wilde iets hoffelijks antwoorden, maar werd ten tweeden male gestoord door Van Reelant, die, zijn ineengeslagen hoed sierlijk onder den linkerarm dragend, eene diepe buiging maakte, en haastig sprak:

„Ik kom afscheid nemen, freule!”

„Nu al, meneer Van Reelant?”

„Tot mijn spijt, freule!”

André trad nogmaals ter zijde. De referendaris scheen van den ondergeschikten ambtenaar geen „notitie” te willen nemen. Misschien keurde hij het af in zijn buitengemeen goedhartigen vriend Van Berenvelt, dat deze zulk slag van menschen bij zich aan huis ontving. André verdween onder de gasten. De drie oude vogelverschriksters fluisterden eene poos over dat „knappe” jongemensch met die „mooie” bruine oogen en dien „mooien” bruinen knevel, en volgden toen met een verstrooid gemoed de woordenwisseling tusschen Adèle en Van Reelant.

Deze laatste wijdde een oogenblik uit over de staatszorgen, over zijn ambt en de vele bezigheden, waardoor hij een deel zijner avonden aan ernstigen arbeid moest offeren. Plotseling zich bedenkende, voegde hij er bij:

„Maar ik mocht u wel mijne excuses maken, dat ik u telkens stoor, freule! Ik schijn de lui op de vlucht te drijven!”

„U bedoelt meneer De Witt?”

„Juist! Hij heet De Witt, dat jonge mensch, dat de uitvinding der kappers en hairkunstenaars niet schijnt aan te moedigen!”

Adèle glimlachte niet, zooals Van Reelant verwacht had. Zij scheen de geestige teekening op haar waaier een oogenblik te bekijken. Van Reelant verweet zich heimelijk, dat hij niet voorzichtiger geweest was. De schoone tactiek van zwijgen en luisteren paste hij overal elders toe .... met den Baron Van Berenvelt en zijne dochter daarentegen poogde hij zooveel mogelijk een ongedwongen toon aan te slaan. Nu trachtte hij zich terstond een eervollen aftocht te verzekeren. Hij sprak snel door, en roerde met groote handigheid vele nieuwe onderwerpen aan. Adèle antwoordde beleefd. De schaduw, door André tusschen hen beiden geworpen, was verdwenen.

Plotseling zag de jonkvrouw Van Berenvelt van ganscher harte glimlachend naar Van Reelant op, en vroeg ze:

„Heeft u kennis gemaakt met Graaf Tchitchikoff?”

„Om u te dienen, freule!”

Adèle maakte eene beweging met haar waaier.

Oogenblikkelijk daarop stond de Russische attaché naast haar. 't Was een zeer lang en zeer mager heer zonder leeftijd. Men kon hem op dertig en op zestig jaren schatten. De haren, die zijn hoofd kunstrijk versierden, waren van het fraaiste zwart, dat ooit eenig „coiffeur” had uitgevonden. Zoo ook was de doorzichtige knevel, zoo waren de schrale „favoris”, terwijl zijne wangen schitterden van hetzelfde fraaie rood, dat op zijne lippen pronkte. Zijne stem klonk sleepend en krijschend. Hij sprak vloeiend Fransch.

Adèle, die hem had opgemerkt en geroepen, zei hem in dezelfde taal:

„Mijn waarde Graaf! Onze vriend Van Reelant heeft zulk een haast, dat hij ons nu al verlaat. Ik moet u daarom gauw iets vragen. Heeft u aan onze „comédie de société” gedacht? Meneer Van Reelant moet ons helpen, niet waar?”

Graaf Tchitchikoff boog, als volleerd hoveling.

Krassend, krakend en ratelend met iedere r, antwoordde hij:

„'n Charmant idee van u, freule! We hebben juist nog een „rôle de caractère” noodig. Als meneer Van Reelant misschien zoo goed wilde zijn?”

De aangesprokene streed met geen kleine verlegenheid, maar zonder eenige aarzeling zeide hij:

„Het zou mij eene bijzondere eer zijn, maar ik mag u niet verzwijgen, dat ik hoegenaamd geen aanleg heb voor comedie-spelen, en dat ik nooit vijf regels achter elkaar heb kunnen van buiten leeren!”

Adèle schudde het hoofd.

„Misschien heeft meneer Tchitchikoff dan wel een ander emplooi voor meneer Van Reelant. Wij moeten al onze krachten gebruiken. Ik stel het grootste belang in onze „comédie”. Tegen het naderen van den herfst moeten onze plannen klaar zijn. Van middag heb ik u er over gesproken, meneer Van Reelant!”

„Het was voor mij een alleraangenaamste onderscheiding, freule! Ik stel mij geheel tot uwe dispositie!”

Graaf Tchitchikoff glimlachte altijd eenige oogenblikken, voordat hij begon te spreken. Na zulk eene kleine pauze, haastte hij zich te zeggen:

„Ons gezelschap mist nog een knappen tweeden régisseur! Als ik zelf een rol heb—en dat komt in den regel voor—dan mis ik iemand, die mijn functie van eersten régisseur kan waarnemen! Wat zou u daarvan denken, mijn waarde heer Van Reelant?”

„Nu het de wil van freule Van Berenvelt is, bestaat er bij mij geen bezwaar, en neem ik uw vriendelijk voorstel aan. Ik hoop evenwel, dat mijn eerambt mij niet te veel tijd zal kosten!”

„Dat zal er van afhangen!”—zeide Adèle glimlachend.—„Wanneer u een talentvol régisseur wil zijn, meneer Van Reelant! dient u zich een beetje te sacrifiëeren!”

„Gaarne, freule! Maar ik weet zeker, dat ik geen enkel talent bezit! Adieu, freule!”

„Adieu, meneer Van Reelant!”

Een beleefde groet werd tusschen de heeren gewisseld, en daarna sloop de vriendelijk glimlachende referendaris voorzichtig door de gasten, om zonder opschudding te verdwijnen. Baron Van Berenvelt wist, dat groote ijver voor 's lands dienst den nauwgezetten ambtenaar zoo spoedig deed vertrekken.


1) „Ze mogen mij haten, als ze mij maar vreezen.”

ZESDE HOOFDSTUK.

Raadgevingen van Egeria.

De vier lakeien in gala lieten Van Reelant met buitengewoon diepe buigingen uit. De referendaris wist, dat de stalen hoogmoed van dergelijk bediendenvolk door zilveren Nederlandsche standaardpenningen kon worden omgetooverd tot kruipende beleefdheid, en hij verzuimde nooit er de proef van te nemen. Bovendien verlangde hij bij de Van Berenvelts voor ieder een welkome gast te blijven.

Het was nog vroeg. Nauwelijks halfelf. Op den Vijverberg zweefde de koele adem van den nachtwind. Boven het Binnenhof tintelden millioenen starren, de licht gerimpelde oppervlakte van den Vijver weerkaatste ze hier en daar. Onder de lindenlaan aan den waterkant te wandelen, was nu een waar genot. Van Reelant vermeide er zich in de geheimzinnige zwoelte van den zomernacht, na de drukkende hitte des dags met duizenden stemmen lokkend tot verademing en rust.

Hij was tevreden. Er ruischte een vroolijk lied in zijne ooren. Zoo moest het komen. In den kring der Van Berenvelts ontmoette hij langzaam de geheele aanzienlijke wereld der residentie. Men bejegende hem met zeker ontzag, en liet duidelijk doorschemeren, dat men hem voor een „serieus” en „geposeerd” man hield. Hij werd niet versleten voor een dier modeplaatjes uit de „jeunesse dorée”, welke met hem niets gemeen hadden, dan den „fournisseur de la Cour”, Emile van Pommeren, fils, aan welken ook hij, als tevreden „locataire” de zorg voor zijn toilet had opgedragen. Ieder begreep, dat hij geen jongmensch meer was, dat hij geene behoefte meer had aan die onuitputtelijke reeks van smakelooze en peperdure genietingen, welke het leven van een aanzienlijk Haagsch bachelor plegen te .... verkorten. Hij was matig in alles, roerde nooit een kaart aan, en volgde nimmer het voorbeeld zijner jeugdige kennissen, wanneer deze zich op hunne galante heldenfeiten te goed deden, daar hij vast besloten had op dit terrein geen enkelen lauwer te verdienen. Het voorstel van Adèle van Berenvelt was hem aangenamer geweest, dan hij wel had willen doen blijken. Hij wist, dat de „comédie de société” sinds eenigen tijd in de mode was. Op het tooneel te verschijnen scheen hem met de waardigheid van zijn persoon niet overeen te stemmen. Hij moest dit overlaten aan mannen als Tchitchikoff....

Evenwel .... Adèle! Mejonkvrouw Van Berenvelt stelde belang in de zaak. Zij had hem verzekerd, dat zij zelve herhaaldelijk in „proverbes”, of kleine blijspelen van Alfred de Muset, Octave Feuillet, Henri Murger of Mme. de Girardin had meegespeeld. Het scheen hem niet ongepast deel te nemen aan deze geestige oefeningen in de tooneelspeelkunst. Onder voorwendsel van régisseur te zijn, zou hem de gelegenheid open staan zijn invloed op oud en jong te versterken. Zonder een vast plan, volkomen geheel en afgerond, waagde hij zich aan niets. Hij had een afkeer van het onverwachte en het onzekere. Daarom had hij, na rijp overleg, besloten, zich een schitterend doel te stellen—de hand van Adèle....

De Baron Van Berenvelt stond op de lijst der voor Zuid-Holland hoogstaangeslagenen in de Rijks directe belastingen. Zijn zeer aanzienlijk fortuin zou na zijn dood geen al te groote versnippering ondergaan. Adèle en Albertine waren zijne eenige kinderen. De zaak was zoo goed „financiëel” als „moreel” van het hoogste gewicht voor hem. De groote vraag was evenwel, zou Adèle zijn plan begunstigen....

Van Reelant wandelt aan den Vijverzoom langzaam op en neer. Hij heeft eene sigaar—de sigarette is hem te verwijfd—ontstoken, en mijmert, terwijl zijn oog zich van tijd tot tijd naar het hooge huis der Van Berenvelts richt. Met den Baron zou alles waarschijnlijk goed gaan. Haast zes weken viel hem het voorrecht te beurt den secretaris-generaal dagelijks te zien, en nu al was hij zeker, dat hij het vertrouwen en de vriendschap van den hoogst achtenswaardigen man had gewonnen. Werkzamer en ijveriger ambtenaar, dan hij zelf was, zou moeielijk zijn op te sporen. Ook getroostte hij zich de grootste inspanning, om al de voorkomende quaestiën aan het ministerie zoo grondig mogelijk te bestudeeren. Hij verraste zijn chef menigmaal door zijne degelijke adviezen, en toonde een tact en kennis, die niet onopgemerkt konden blijven. Zijn ernstig voornemen was het, zich voortdurend onmisbaarder te maken bij den secretaris-generaal en den minister, om eindelijk, al kostte het jaren van onafgebroken arbeid, de invloedrijkste man aan Buitenlandsche Zaken te worden.

Dit alles mocht uitstekend zijn overlegd, maar stond niet in 't minst verband tot Adèle. Door den Baron aan dezes gastvrije tafel genoodigd met eene heuschheid, die boven zijn lof verheven was, had Van Reelant de meeste eerbiedige hulde geboden aan de oudste dochter des huizes. Adèle bleek geene alledaagsche persoonlijkheid. Zij openbaarde geest en vernuft in hare gesprekken, maar bewaarde daarbij een akeligen afstand tegenover de jongelui, wie de eer te beurt viel, aan haar te worden voorgesteld. Intusschen mocht hieruit niets ongunstigs worden afgeleid. Eerst na langdurige kennismaking, na verloop van jaren misschien, zou de hand van eene fijn ontwikkelde en edele jonkvrouw als Adèle te winnen zijn.... Maar dit stond vast: Van Reelant had met heel zijne geestkracht, met al de volharding, die hem eigen was, besloten, dat hij ze eenmaal, na langer of korter tijdsverloop, na heviger of kalmer strijd, na dieper of lichter vernedering, zou winnen, het mocht kosten, wat het wilde....

Terwijl hij met dit plan voor de toekomst gewapend langzaam den weg insloeg naar de Hoogstraat, terwijl hij glimlachend op de stoep voor het kapitale winkelhuis van den schitterenden hofleverancier Emile van Pommeren, fils, stilstond, wierp hij toevallig een blik naar boven.

Het derde venster der bovenverdieping was schitterend verlicht....

Hem ontsnapte eene uitroeping, die niet aan het woordenboek van een fatsoenlijk man ontleend was.

IJlings opende hij de deur, en snelde hij de trap op....


Anderhalf uur vroeger had mevrouw De Huibert, uitgelokt door den heerlijken zomernacht, eene dunne kanten mantille over het laag uitgesneden zilvergrijze kleedje geworpen en besloot zij, daar de geheele familie De Milde den avond te Scheveningen doorbracht, eene wandeling te maken. Suze had zich een paar dagen uiterst rustig bezig gehouden, om haar kwartier in het Westeinde zoo bewoonbaar mogelijk te maken. Ook had ze voor haar toilet te zorgen. De laatste zes weken hadden haar in dit opzicht veel te doen overgelaten. Met de uiterste vlijt had zij zich van deze gewichtige taak gekweten. Overvloed van bezigheden had den tijd met een tooverstaf op de vlucht gedreven. Thans wilde zij een oogenblik verpoozing zoeken.

Het was nog zwoel en drukkend in het Westeinde. Zij schreed langzaam vooruit. Toen zij bij de Groenmarkt gekomen was, liep zij sneller. Zij naderde haar doel. In de Hoogstraat stond zij stil op de stoep van Emile van Pommeren, fils. Zonder eenige ontroering bracht zij haar verguld sleuteltje te voorschijn, en opende zij de deur van Van Reelant's bovenwoning. IJlings verdween ze, de deur voorzichtig sluitend, en snelde ze de trap op. Een zwak licht flikkerde op het portaal in de hanglantaarn van donkerrood glas. Haastig snelde ze naar de voorkamer. Alles was donker. De gaslantaarns uit de Hoogstraat wierpen eene schemering van licht naar binnen. Het kabinetje was even donker. Achter in de werk- en in de slaapkamer van Van Reelant was geen zweem van licht. De heer des huizes was uitgegaan .... bittere teleurstelling .... de eerste!

Suze laat zich niet ontmoedigen. Zij kan blijven. Arnold zal misschien onmiddellijk terugkomen. Hij verwacht haar elken avond. Dat was de afspraak. Zij zou komen zoo dikwijls het maar mogelijk was. Zij heeft van Zondag tot Donderdag geaarzeld. Daar zij aan Van Reelant iets te vragen heeft, denkt zij niet aan terugkeeren. Bovendien Arnold zal haar met blijdschap verwelkomen. Reeds had zij heimlijk op een episteltje gehoopt, daar hij haar adres kende. Den vorigen Zondag had hij haar duizendmaal van zijne vurige liefde gesproken....

Suze grijpt eene doos met waslucifers, en ontsteekt eene bougie. Er klinkt eene schelle stem:

„Is u daar, meneer?”

Voetstappen naderen op het portaal. Aan de geopende deur vertoont zich de corpulente figuur van eene oude juffrouw in 't zwart, met eene zwarte muts en een zwart zijden boezelaar. Zoodra zij Suze ontdekt, roept zij hevig ontsteld:

„Heer in den Hemel! Wat .... is dat?”

„Stel u gerust. Meneer Van Reelant heeft mij geïnviteerd!”

Sprakeloos bleef de oude juffrouw staan, en tuurde niet zonder eene behoorlijke mate van wantrouwen naar de indringster.

Suze begreep, dat zij de oude Anna voor zich had, de huishoudster van den uitstekenden hofleverancier Emile van Pommeren, fils, de deftige verzorgster van Van Reelant's huiselijke belangen.

De oude juffrouw scheen bijzonder snel uit het veld geslagen, want zij viel op een stoel bij de deur neer, en mompelde bevend:

„Is me dat schrikken.... Ik draai met de kamer in 't rond.... Meneer heeft me niet gewaarschuwd! En meneer is uit dineeren.... 't Is wat te zeggen!”

Suze wilde haar zoo snel mogelijk van achterdochtige vrees genezen, en zei daarom deftig, uit de hoogte:

„Het spijt me, dat meneer Van Reelant u niet waarschuwde! Voor mij behoeft u niet te schrikken. Ik ben mevrouw De Huibert, schoonzuster van meneer!”

De corpulente huishoudster slaakte een kreet van verademing. Zij stond langzaam en zuchtend op.

„Daar heeft meneer ook nooit iets van gezegd! Maar ik wil u wel gelooven, mevrouw! Mag ik alleen maar vragen, hoe komt u hier boven .... de deur is gesloten!”

Suze nam het gulden sleuteltje, en kwam een stap nader tot de huishoudster. Daar zij oude Anna noodig had, ook voor de toekomst, zei ze heel vriendelijk:

„Hier is de sleutel, dien meneer me Zondag heeft gegeven! Ik zal u de waarheid zeggen. Er zijn groote onaangenaamheden in onze familie, Juffrouw! Niemand mag weten, dat ik met meneer Van Reelant kom spreken! Ik hoop dus, dat u zoo vriendelijk zal wezen van net te doen, of u mij niet ziet!”

Zeer behendig nadert Suze oude Anna, en, terwijl ze haar voorbijloopt, legt ze bijna ongemerkt iets in de hand der verschrikte huishoudster. Deze laat het zich welgevallen—het gewicht pleit voor de waarde .... maar toch kan de oude nog alle achterdocht niet laten varen. Zij heeft eene voorstelling van dieven en inbrekers uit hare krantenlectuur opgedaan, die haar thans uitermate voorzichtig maakt. Suzes voorkomen en toilet stellen haar evenwel voor een goed deel gerust. Ervaringen van allerlei aard uit haar „veelbewogen” leven—als hare kranten zouden zeggen—wegen op tegen hare vrees. Zij heeft reeds veel beleefd, en daarenboven nog veel geleerd in de laatste tien jaren, als huishoudster van den voortreffelijken Van Pommeren „fournisseur de la Cour.”

Zich snel bezinnend, zegt ze:

„Mevrouw zal het hoop ik niet kwalijk nemen! Ik wist niet, dat mevrouw komen zou! Ik zal gauw de lamp aansteken!”

De corpulente openbaart nu eene groote bedrijvigheid. Zij neemt eene sierlijke porseleinen lamp van den schoorsteenmantel. Zij gaat Suze voor naar het gezellig kabinetje, waar dagbladen en tijdschriften klaar liggen, en de brandende lamp een helder licht in alle hoeken werpt. Bedaard overlegde de oude bij zich zelve, wat haar in dit geval te doen stond. Meneer Van Reelant ging zelden uit, en kwam altijd voor elven thuis. Zij zou onder een of ander voorwendsel kunnen wachten, een praatje maken, en zoo het tijdstip verbeiden, dat meneer terugkwam. Reeds wilde ze zich familiaar op een leunstoel bij de tafel zetten, en een lang verhaal van haar leven beginnen, toen Suze zeer droog zei:

„Ik wil u niet ophouden, juffrouw!”

Oogenblikkelijk greep mevrouw de „Oprechte Haarlemmer”, en verdiepte zich in de advertentiën.

De stellige toon deed de babbelzieke oude ontstellen. Zij waagde nog eene poging.

„Kan ik mevrouw soms met iets dienen?”

„Dank u, juffrouw!”

Ditmaal was de toon gebiedend. Er bleef niets anders over dan in zich zelve murmelend heen te gaan. Maar ze vertrouwde de zaak nog niet. Zij besloot de bovenverdieping in stilte te bewaken. Zij koos een veilig observatorium achter de openstaande deur van Van Reelant's studeervertrek. Zij wilde weten wat de geheimzinnige dame in 't schild voerde. Als deze werkelijk de schoonzuster van meneer was, als zij werkelijk het sleuteltje van meneer had ontvangen, dan zou Anna zich met de zaak niet verder bemoeien—zij kon zwijgen. Ook kwam hier in dit geval het honorarium in aanmerking .... het eerste wichtige stuk voelde zij al in den zak van haar zijden voorschoot.

Geruimen tijd toefde de oude huishoudster achter de deur. Zij vernam niets dan geritsel van kranten en papieren in het kabinetje—anders bleef alles stil. Eindelijk hoort ze beneden aan de trap de deur, die haastig ontsloten wordt. Anna sluipt snel te voorschijn. Driftig komt Van Reelant naar boven stormen. In het flauwe, roodachtige licht der hanglantaarn staat de huishoudster raadselachtig met den vinger op de lippen.

„Wat is er?”

„Uw schoonzuster is binnen!”

„Mijn schoonzuster....”

„Ja wel! Ze is met meneers sleutel binnengekomen. Ik moet maar net doen, of ik haar niet zie!”

Van Reelant deed een onbestemd tusschenwerpsel hooren, waardoor hij te kennen gaf, dat hij alles begreep....

Aanstonds zendt hij Anna met een geruststellend woord weg. Toornig naar boven gekomen, is hij thans door het bericht der oude schijnbaar volkomen tevreden gesteld. Suze heeft zich de weelde veroorloofd voor zijne schoonzuster op te treden.... IJlings snelt hij door de voorkamer naar het kabinetje.

Suze had van het gefluister aan de trap niets verstaan. Zij blijft achteloos uitgestrekt in den gemakkelijken, lagen leunstoel, en tuurt naar den ingang van het kabinetje, daar het blauw damasten deurgordijn, als gewoonlijk, wijd is weggeschoven. Stappen klinken. Oogenblikkelijk staat Van Reelant in zwarten rok en witte das, als overgoten en omstraald met een waas van voornaamheid en aanzienlijkheid, bij den ingang der kamer. Eéne seconde aarzelde hij, toen boog hij de knie, en omhelsde hij haar. De sprekende, donkere oogen vestigden zich onderzoekend op zijn gelaat. Van Reelant glimlachte, hij gevoelde zich onder den invloed der oude tooverkracht, en bood niet den minsten tegenstand.

Toch had hij een ondeelbaar oogenblik van wrevel moeten overwinnen. Reeds drie dagen achtereen had hij er over nagedacht, welke gevolgen Suze's komst naar Den Haag voor hem zouden opleveren. Dat hij haar den vorigen Zondag met blijdschap had ontvangen, dat hij onder de macht van zijn eigen hartstocht haar had gevleid en gehuldigd als de eenige vrouw, die hij ooit zou liefhebben, dat waren feiten, waaraan niet veel te veranderen viel. Dit alles stond in het nauwste verband met de twee onaangename jaren in Osterwolde gesleten. Indien Suze eens misbruik wilde maken van haar overwicht .... indien zij eens telken avond met denzelfden weemoedig-vriendelijken glimlach aan zijne zijde kwam staan .... hoe zou hij haar kunnen doen gewaarworden, dat zij van .... illusiën leefde?

De overweging van dezen toestand maakte hem dikwijls angstig. Nu hij eenmaal een levensdoel had gekozen, waarbij eene andere jonge vrouw de hoofdrol zou spelen, moest hij, het koste wat het wilde, langzaam den ouden band verscheuren. Hoe meer hij hier aan dacht, hoe onmogelijker het hem voorkwam. Een oogenblik had hem het denkbeeld van Suze's tragisch lot bewogen. Indien hij de zoo dikwijls met woord en schrift bezegelde trouw brak, wat zou er van haar worden? Hij moest zich zelf bekennen, dat Suze hem met vollen ernst bleef aanhangen, dat Suze met haar geheele hart op zijne schoone beloften vertrouwde. Hoe jammer, dat zij geen erfdochter was, dat zij niet ongetrouwd was, dat zij op den Vijverberg geen hooggeplaatst vader bezat, wiens fortuin dat der Van Berenvelts evenaarde! Nu was en bleef zij mevrouw De Huibert. De gebroeders De Huibert van Vliethuyzen deinsden terug voor de voltrekking eener echtscheiding, waarbij hun naam door duizenden onverschilligen genoemd, door honderdduizenden van lichtzinnigen met lafhartigen spot zoude worden uitgesproken. Eerst na den dood van Onno de Huibert zou Suze hare vrijheid herwinnen, maar hoe zou zij dan nog eene begeerlijke echtgenoote kunnen zijn voor een man als Van Reelant?

Terwijl hij zich aldus met velerlei kwellende gedachten verontrustte, betrapte hij zich nu en dan op den dwazen wensch Suze terug te zien. Hij streed een harden strijd tegen zijn eigen zelfzuchtig hart. Hij had het des Maandags zeer natuurlijk geacht, dat hij haar niet wederzag. Des Dinsdags had hij tot zich zelven gezegd, dat zij hem misschien even de hand zou komen drukken; maar zij was zoo voorzichtig en begreep beider „positie” zoo volkomen. Des Woensdags had hij bijna de pen gegrepen, om haar te zeggen, dat hij nieuwsgierig was te weten, hoe het haar in Den Haag beviel. Doch des Donderdags had hij haar bijna vergeten, daar hij zijne volle belangstelling aan de soirée bij den secretaris-generaal had geschonken.

En nu knielde hij naast den lagen leunstoel, tegen den blauw damasten rug van welken het donkere lokkenhoofd van Suze zoo schilderachtig uitkwam. En nu zag hij haar in de zielvolle oogen, en bewonderde hij weder in stilte de aantrekkelijke bevalligheid van hare geheele persoon. Het zilvergrijze kleedje, met een laag vierkant aan den hals uitgesneden en kort van mouwen, zoodat Suze's blanke arm de doffe zijde zegepralend overschitterde, stond haar verrukkelijk mooi. Van Reelant wilde nu niet aan de toekomst denken, hij wilde alles vergeten. Knielend vatte hij hare hand, en begon:

„Het schijnt, dat ik van avond mijne schoonzuster mag welkom heeten!”

„Je begrijpt, Arnold! dat ik met die oude huiszorg op de eene of andere wijze moest kennismaken! En ik heb dadelijk gezien, dat ze zeer discreet zal zijn! Ik voel me zoo nauw aan je verwant, dat ik niet beter wist te vinden dan schoonzuster....”

„Zeer goed! Bekommer je verder maar niet om haar. Ik ben waarlijk verrast je zoo onverwacht te zien!”

„Is dat een verwijt, Arnold?”

„Ja, min of meer is het een verwijt....”

„Min of meer?”

„Sinds Zondagmorgen heb ik niets meer van je gehoord of gezien .... ik stond juist op het punt een epistel te zenden naar het Westeinde!”

Suze richtte zich op uit hare liggende houding. Een vreugdevuur flikkerde uit hare kijkers, onmiddellijk daarna getemperd door een traan van voldoening, dien ze blozend afwischte. Van Reelant sprong op. Hij ontdeed zich van de knellende witte handschoenen, die hem aan zijne soirée herinnerden. Hij zag, dat de blauwe overgordijnen voor het eenige venster nog opgenomen waren blijven hangen, dat het raam gesloten was. Hij stiet het raam open en deed de gordijnen vallen, daar hij steeds vermijden wilde de aandacht van overburen of voorbijgangers noodeloos op te wekken.

Zich omkeerend stond Suze vóór hem. Ondanks alle inspanning vulden zich hare oogen telkens weer met tranen. Glimlachend legt hij zijn linkerarm om hare leest, en beknort haar fluisterend. Plotseling slaat zij beide blanke armen om zijn hals, en zegt ze, half lachend, half snikkend:

„Ik ben zoo onbegrijpelijk gelukkig, Arnold! Lieve man! Heb je dus waarlijk al dien tijd aan mij gedacht?”

Van Reelant boog het hoofd naar de diepbewogen vrouw, die zich aan zijne borst drong. Alle zijne wijze en verstandige plannen schenen in rook te vervliegen. Hij dacht aan niets meer dan aan het luidkloppende hart, dat tegen het zijne bonsde....

Zij hadden dien avond veel te overleggen.

Suze zeide, dat het al zeer laat was, dat zij volstrekt naar het Westeinde moest terugkeeren uit eerbied voor de familie De Milde, maar Van Reelant was immers bereid en vereerd haar naar huis te geleiden—en hij had nog zooveel met haar te praten. Suze knikte, en beiden zetten zich op den divan. 't Werd recht prettig en genoeglijk in het fraaie kabinetje. 't Was er luchtig, want Van Reelant had de ramen van de aangrenzende kamer wijd opengezet en, daar hij lust had een enkel glaasje Rhijnschen wijn te drinken, vond Suze geen bezwaar hem gezelschap te houden.

Het gesprek liep eerst over Suze's woning, over de familie De Milde, over Den Haag, en, terwijl ze vroolijk antwoordde op Van Reelant's vragen, klonk hare stem zoo jubelend, of ze een zegelied zong. Eensklaps viel ze zich zelve in de rede, en zei haastig:

„Goed, dat ik er om denk! Arnold! ik moet je iets vragen!”

Van Reelant bewoog het hoofd, alsof hij zeggen wilde, dat hij alles zou toestemmen, en bracht Suzes blanke hand aan zijne lippen.

„Mama en Betsy zijn Maandag bij me geweest. Betsy verveelt zich in Rijswijk, en zou graag het een of ander werk ondernemen. Zij denkt er over pianolessen te geven hier in Den Haag, maar ze kent niemand. Adverteeren is niet fatsoenlijk .... ze wil liever door de een of andere relatie met Haagsche familiën in kennis komen. Zou dit mogelijk zijn, Arnold?”

„Wel zeker! Dat kan zeer goed. Van middag aan tafel vertelde freule Van Berenvelt me, dat haar zuster Albertine, een meisje van twaalf jaar, een waren hartstocht voor de piano heeft. Ze speelt avond en morgen, maar met haar onderwijzers is ze niet heel gelukkig. Ze heeft er al drie versleten, en wil nu probeeren of het met eene onderwijzeres beter zal gaan. Dat zou een flink begin voor Betsy zijn. Ik zal .... laat eens zien....”

Suze zag Van Reelant uitdagend aan, en viel hem in de rede:

„Je kunt er den Baron over spreken, Arnold! Van mij daarbij geen woord.... Je kent de familie Muller Belmonte uit Osterwolde, fatsoenlijke menschen, ongelukkig geworden door financiëele rampen. Toen je griffier waart in Osterwolde, heb je ze in betere omstandigheden gezien. Mama en dochter wonen nu te Rijswijk, de jonge dame heeft een bijzonder talent voor de piano, en zoo voort, en zoo voort.... Je ziet, dat je er niets bij waagt, en dat je zelfs den naam van mevrouw De Huibert niet hebt te noemen!”

Aangenaam getroffen door den vleienden toon van Suze's stem, sloeg Van Reelant toch de oogen neder voor haar blik. Het scheen, dat zij zijne zelfzuchtige bespiegelingen maar al te goed doorzag. Het was duidelijk, dat ze niets voor zich zelve eischte, dat zij door geene persoonlijke belangen kon worden uitgelokt zoo te spreken, dat zij zich zelve zooveel mogelijk naar den achtergrond schoof.

Hij antwoordde met buitengewonen ernst:

„Je hebt volkomen gelijk, liefste! Ik heb het in mijne macht Betsy bij de Van Berenvelts te introduceeren. Ik zal er morgen dadelijk werk van maken. Heeft Betsy slag, om aan het jonge meisje wat te leeren, dan zal ze werk genoeg vinden—ik ben er zeker van!”

„Dank je, Arnold!”—klonk het even ernstig.—„Ik wist wel, dat je me begrijpen zoudt! Betsy zal haar best doen! Ze kan niet anders!

Er volgde eene kleine pauze.

Suze begon weer met haar innemendsten lach:

„En die andere freule Van Berenvelt is zeker wel wat ouder dan twaalf jaar?”

„Zeker, ik denk, dat ze om en bij de dertig is!”

„'n Respectabele leeftijd.”

„O, misschien is ze al ouder dan dertig, maar ze ziet er nog zeer jong uit!”

„Is ze mooi?”

„Bleek, mager, ernstig en zeer elegant!”

„Ja, maar ze zal wel heel rijk zijn?”

„De Baron Van Berenvelt heeft veel vermogen!”

„Het verwondert me, dat ze dan nog ongetrouwd is!”

„Freule Van Berenvelt schijnt zeer hooge eischen te stellen aan den man, wiens naam zij zou moeten dragen!”

„Een heel verstandige dame!”

„Verstandig—waarom?”

„Ja, zie je! in onzen tijd hebben de zoogenaamde fatsoenlijke jongelui geen ander motief om te trouwen dan enkel geld!”

„Maar Suze!”

Al deze woorden waren op vroolijken toon gewisseld. De laatste uitroep van Van Reelant alleen verried een lichten schrik.

Suze staarde mijmerend naar de blauwe gordijnen, door den nachtwind telkens lichtelijk heen en weer bewogen.

Zachtkens murmelde zij:

„O, ik weet wel, dat er uitzonderingen zijn!.... Hoe armzalig zijn de mannen, die niets beteekenen dan door het fortuin van hunne vrouwen. De stumperts meenen, dat zij machtig veel in te brengen hebben, als zij voor het geld van mevrouw zich een schijntje van consideratie gekocht hebben bij het hebzuchtig burgervolkje, dat klaar staat van hunne blufferige royaliteit te leven! Hoe kan een vrouw den man liefhebben, van wien ze weet, dat hij niets waard is zonder haar geld?”

Van Reelant hield zich een oogenblik bezig met zijn glas te ledigen, en scheen het beter te oordeelen Suze ditmaal het woord alleen te laten.

Daar zij verwonderd was over zijn stilzwijgen, zag zij hem plotseling vragend aan. Van Reelant, die geen lust gevoelde over dit onderwerp zijne meening te zeggen, trok haar zachtkens aan zijne zijde, en vroeg fluisterend:

„En hoe zou 't dan moeten gaan in de wereld volgens jou, Suze!”

„Volgens mij kan eene vrouw alleen den man liefhebben, van wien ze weet, dat hij hooger dan zij zelve staat. Arnold, jij hebt talent, jij hebt eerzucht, jij wilt en zult vooruitkomen in de wereld! Dat is mijn trots, als ik aan je denk! Iedere vrouw moet met bewondering tegen den man opzien, dien zij liefheeft—anders.... Och! laat er ons niet verder over spreken!”

„Uitstekend, liefste! Maar zou toch in sommige gevallen het vermogen eener liefhebbende vrouw geen wonderen kunnen doen....”

„In sommige gevallen misschien. Maar wat zou je denken van het paar, dat door liefde en geestkracht zich een eigen weg baant? Wat zou je denken van de vrouw, die door haar schoonheid, haar vuur, haar verstand, haar steun den geliefden man naar het hoogste toppunt van maatschappelijke onderscheiding vergezelde en in zijn zegepraal deelde? De kleine voordeelen, die het geld oplevert, zouden dan toch in het niet zinken! Wat zou je denken van zulk eene vrouw, Arnold?”

„Dat zij een engel, dat zij een ideaal is!”

Suze had haar hoofd aan zijn schouder gelegd en zag triumfeerend naar hem op. Van Reelant begreep haar. Hij werd meegesleept door hare geestdrift, beheerscht door hare overredingskracht, vastgeketend door de macht harer schoonheid....

Onwillekeurig ontsnapte hem een kreet van bewondering, terwijl hij haar vuriger dan ooit aan zijn hart sloot.

Suze ontworstelde zich langzaam aan zijn armen, en vroeg, terwijl een blos van genoegen hare wangen tintte:

„Laat ons nu eens over je plannen spreken, Arnold! Hoe gaat het aan het ministerie?”

Van Reelant gaf haar trouw verslag van alles. Hij deelde haar het voornaamste mede, wat er aan Buitenlandsche Zaken voorviel, zonder eenig staatsgeheim, dat hij verzwijgen moest, te verraden.

Maar mevrouw De Huibert vond, dat haar Arnold grootscher plannen moest vormen. Schielijk vroeg ze:

„Welke vooruitzichten heb je nu als referendaris?”

„Van allerlei! Aan het ministerie is natuurlijk bevordering mogelijk! Dan zou ik misschien later, indien ik wilde, bij eene buitenlandsche legatie kunnen geplaatst worden!”

Suze dacht eene pooze na. Zij schudde langzaam het hoofd. Buiten Nederland .... onder welken titel zou zij hem kunnen volgen .... daar mocht niet aan gedacht worden.

Zoo snel mogelijk vroeg ze:

„Maar zou je geen politieke carrière in Nederland kunnen maken?”

„Als ik heel, heel veel geduld had!”

„Geen nood! Geduld oefenen is een quaestie van tijd! Ik zal geduld hebben!”

„Jij Suze?”

„Natuurlijk! Zoolang ik den naam van De Huibert draag, moet ik geduld oefenen! Maar laat dat rusten.... Zou het dus zeer lang moeten duren, eer je hier in Den Haag promotie maakte?”

Van Reelant bleef een oogenblik verward zwijgen.

Hare bedoeling ontsnapte hem niet. En toch wilde hij er niets van laten merken. Met de deftigheid van een echt referendaris antwoordde hij:

„Men kan op zeer verschillende wijzen carrière maken. Ik zou er niets tegen hebben lid van de Tweede Kamer te worden! Maar dit is zoo gemakkelijk niet. Het beste middel is nog altijd een célébrité de clocher te zijn in de provincie, of wel een zeer populair man, die heel Nederland kent. Noch het een, noch het ander, kan ik op mij zelven toepassen....”

„Welnu, Arnold! Dan moeten wij een anderen weg kiezen. Tout chemin mène à Rome! Geloof me, houd je aan één plan! Uitstekende ambtenaren zijn zeldzaam. Tot op dit oogenblik loopt alles mee aan het ministerie! Blijf er, en wacht je tijd af!”

De pendule in de voorkamer sloeg middernacht.

Suze vloog schielijk op, en liet zich niet verbidden nog eene pooze te toeven.

Van Reelant greep een fantaisiehoed, schoot een luchtig jasje aan en geleidde haar. Na middernacht zal niemand hem op straat verwachten of naar hem omzien. En waarom zou hij eene fatsoenlijke dame niet naar huis kunnen vergezellen.... Dit alles nam niet weg, dat hij in de Hoogstraat voorzichtig om zich heen gluurde, en Suze's vragen maar met halve stem beantwoordde. Zij spraken af, dat Van Reelant een enkel woord aan Suze zou schrijven, wanneer de zaak van Betsy in orde was. Betsy zou dan verder geheel alleen de onderhandelingen met de dames Van Berenvelt voeren. Voor haar zou het geene onaardige „relatie” zijn.

In het Westeinde namen zij op de stoep der De Mildes afscheid met eenvoudigen handdruk. Al was het na middernacht en buitengewoon donker, men moest altijd voorzichtig zijn. Suze zou haar bezoek spoedig herhalen, eene vaste belofte legde ze evenwel niet af. Zacht opende zij de deur en vond eene brandende waskaars heel voorzichtig geplaatst op een klein tafeltje met marmer blad. De Milde leefde in gedurige vrees voor brand. Suze nam de waskaars, om naar boven te gaan. Een zonderling gerucht deed haar plotseling stilstaan. Zij zag overal in de gang, maar bespeurde niets. Alles was donker, de familie moest al lang ter ruste gegaan zijn. Ook hoorde zij niets meer. Misschien had zij zich bedrogen, en zonder verder aan de zaak te denken, begaf zij zich naar hare kamers.

In doodelijken angst zaten de drie dames De Milde—Kee, Jans en Willemien—achter de overgordijnen van de voorkamer. Zij waren door louter nieuwsgierigheid gedreven. Mevrouw De Huibert kwam zoo laat thuis .... ze wilden weten, of haar ook iemand zou komen brengen. Door de uitgelatenheid van Willemien, die haar lust tot lachen niet kon bedwingen, hadden ze zich bijna verraden. Gelukkig kwam mevrouw De Huibert niet op den inval even in de voorkamer te kijken. Toen het drietal haar in de bovenverdieping hoorde heen en weder loopen, namen zij den terugtocht naar hare slaapkamers op de derde verdieping aan.

Een zonderlinge tocht! Als inbreeksters en diefeggen slopen zij op hare kousen door de gang, terwijl zij haren adem inhielden. 't Was pikdonker. En dat was heel gelukkig voor de nieuwsgierige Aagjes, daar ze met het hair onder eene ouderwetsche nachtmuts weggeschoven, met even ouderwetsche nachtjakjes en een dun onderrokje het voorkomen hadden of ze op het punt stonden naar een bezemsteel te grijpen en Sint-Walpurgis-nacht te houden.


ZEVENDE HOOFDSTUK.

Een uitstapje naar Leiden.

Zondag, 1 September 1853, kwart na elf.

De trein uit Rotterdam nadert snuivend en sissend het station Leiden. Uit een waggon tweede klasse springt André de Witt, die zijn vrijen Zondag bij zijne familie komt doorbrengen.

Getroost haast hij zich langs het vervelend wegje van Zomerzorg naar de oude poort, die toegang geeft tot het Leidsche Atheen. Het scheen of de stad hem niet meer wilde herkennen, zoo vreemd en onhartelijk keken de huizen en de voorbijgangers hem aan. Zijne kinderjaren, zijne vlegeljaren, zijne studentenjaren had hij te Leiden doorgebracht en nu reeds werd alles hem vreemd. Zoo dikwijls hij sinds een jaar des Zondags uit Den Haag kwam, trof hem de onsierlijkheid der veemarkt, lette hij op de lage huizen en het diepzinnig-onbekoorlijk uitzicht der straatslijpers. Hij verweet zich soms, dat zijne vestiging in Den Haag hem al te keurig maakte, dat hij zijn oud geliefd Leiden onrecht deed, maar kon het zich zelf niet ontveinzen, dat zijn hart minder warm klopte voor de goede, oude stad der Douza's en Scaligers.

Domine De Witt woonde op eene stille binnengracht, waar men de voorbijgangers kon tellen. Toen André bij de ouderlijke woning was aangekomen, helderde zijn gelaat op. Hij zou een stillen, aangenamen dag slijten in den familiekring. De deur werd opengedaan door een jong meisje van vijftien jaar, met lang, bijna witblond hair, heldere, lichtblauwe oogen en zulk een jolig lachend mondje, dat zelfs de zuurste stovenzetster der aloude Pieterskerk er niet tegen bestand zou geweest zijn, en de meest ontzagwekkende der Leidsche „klabakken” met pleizier een eindje op zijde zou zijn gegaan, als hij haar op de kleine steentjes der Breestraat had mogen ontmoeten.

Zoodra deze levenslustige blondine André zag, sprong ze hoog op van den grond, en juichte:

„André! Beste André! Wat ben ik blij, dat je komt! En 't is zulk mooi weer! Nu gaan we stellig wandelen, André?”

In opgewondenheid pakte ze hem om den hals, en danste in het voorportaal van de gang op en neer.

André poogde haar bedaard wat te vragen, maar zij holde met hem de gang door, altijd driftig sprekend:

„We gaan uit, hé? waar gaan we heen? Gaan we naar de Vink! Mag Mina Santman mee? Of wil je naar Leiderdorp, André....”

André bracht haar eindelijk tot staan bij eene glazen deur, die toegang gaf tot den tuin. Hij greep de kruk, en verhinderde haar verder te vliegen.

„Waar is Letje?”

„Ze zit in 't priëel!”

„En papa?”

„Nog in de kerk!”

„En Willem?

„Naar Utrecht!”

„Zie zoo, nu kun je verder gaan, Christien!”

De drukke en beweeglijke Christien schudde het lichtblonde hair met een vluggen zwaai over den schouder, en ijlde den tuin in.

De tuin van domine De Witt was een vierkant stuk grond, door muren en andere tuinen afgesloten, vrij aangenaam gemaakt door allerlei hooge vruchtboomen en bloeiende heesters. Het viel dadelijk in 't oog, dat men veel zorg aan den tuin wijdde. Gele bladeren of afgewaaide takjes werden niet geduld. Een bloembed met dahlia's van allerlei kleurschakeering werd door de vroolijke najaarszon verlicht.

Christien was vooruitgevlogen. André hoorde haar onvermoeid doorbabbelen. Weldra vond hij haar bij den ingang van een ruim priëel, smaakvol aangelegd door middel van een fraaien treurberk en een schat van hooge stamrozen. De meeste rozenstruiken hadden uitgebloeid; eene enkele witte roos scheen nog afscheid te moeten nemen van den zomer, en prijkte eenzaam midden in het welig groen. Op een lagen rieten leunstoel zat daar een jong meisje, even twintig jaar oud. Men zou haar zelfs geen twintig gegeven hebben, ondanks de treurig bleeke kleur van het ovaalrond gezichtje, trots het wijdgeopend donkerblauw oog en den kalmen blik, die van geduldig lijden scheen te spreken.

„Letje, beste Letje!....”

André kon niet meer zeggen, hij ontstelde, Christien hield zich ijverig bezig met haar zakdoek, de wezenlijke of gewaande spinnewebben weg te slaan.

Letje glimlachte, toen zij André de hand reikte. Maar zij glimlachte met matten glans, als de eenzame witte roos, die boven haar hoofd bloeide. Zij hief zich op in haar rieten leunstoel, en schudde de verwonderlijk rijke, donkerblonde hairen, nu met een zwart fluweel lint maar vluchtig bijeengeschikt.

Zij voelde zich telkens zoo zwaar vermoeid, en had daarom den moed niet meer het weelderig haar op te maken.

André ging ijlings naast haar op een laag tuinstoeltje zitten, en zag haar zwijgend aan.

„Ik zei van morgen al, dat je vandaag wel komen zoudt, André! Drie Zondagen achter mekaar overslaan, dat mag niet!”

Merkwaardig muzikaal en aandoenlijk klonk de eenigszins vermoeide, schoon toch jeugdige en frissche stem.

„Maar, Letje! kindlief! hoe gaat het nu toch met je?”

„Ik ben veel vooruitgegaan in de laatste drie weken! Het ergste is, dat ik altijd zoo moe en zwak blijf! Maar dat gaat eerst langzaam over, zegt dokter!”

Letje kuchte even, doch het had niets te beduiden.

„Ja, maar wat doet dokter Santman voor je? Het duurt nu al zoo lang! Dat kan zoo niet blijven! Daar moet een eind aan komen!”

„De dokter zegt geduld en moed houden. De dokter .... Christien, wil jij even naar de koffie gaan zien.... Papa kan ieder oogenblik thuis komen!”

Christien wipte vroolijk weg, in het heengaan André vriendschappelijk op het hoofd tikkend.

Letje ademde moeilijk en zweeg.

André drukte bemoedigend hare hand, en huiverde, toen hij de dorre, brandende vingeren aanroerde.

„Christien”—ging ze voort—„is een goed kind, maar ze babbelt over alles, wat ik zeg. Daarom kon ik je niet vertellen, wat onze dokter denkt. Hij meent, dat ik me in de laatste jaren te sterk heb ingespannen met huiselijk werk, vooral verleden winter, toen papa zes weken ziek was. Ik heb toen te veel gewaakt, en voelde mij later altijd onplezierig .... en dat is langzaam erger geworden....”

„Ja, maar nu ben je aan de beterhand!”

„Och! Ik zei het maar zoo, omdat Christien er bij was, en omdat ze alles, wat ik zeg, dadelijk aan papa vertelt. Maar beter .... neen, André! beter ben ik niet!”

Zij boog het hoofdje met eene uitdrukking van geduldige berusting, terwijl het zware, donkerblonde hair eene gordijn weefde voor de vochtige kijkers.

André was aangedaan. Hij gevoelde zich door diep, gadeloos diep medelijden ontroerd. Hij moest zijne arme zuster redden, dat stond vast. Hij greep nogmaals hare hand, en beproefde opgeruimd te spreken:

„Kom, Letje! Kom, meid! Laat den moed niet vallen! Je bent altijd zoo heldhaftig geweest! Ons klein vroolijk moedertje huilen, dat kan niet! Hoor eens, kind! jij zult en jij moet beter worden! De dokter heeft gezegd, dat je er weer heelemaal bovenop zoudt komen, als je tegen het najaar naar het zuiden van Frankrijk kondt gaan! Begrijp eens, Let! het zuiden van Frankrijk! Pau of Arcachon! Geen noordenwind—altoos vroolijke en warme zonneschijn—reusachtige pijnbosschen, heerlijk geurend, als de wind de altoos groene naalden beweegt—en de zee, de immer blauwe golf van Gaskonje! Daar moet je den heelen winter blijven, en dan terugkomen tegen den zomer, sterk, frisch, gezond en mooier, nog veel mooier, dan nu, Let!”

Letje had het hair uit de oogen gestreken, en blozend naar André geluisterd.

„Ik zou heel graag beter worden!”—lispte zij.—„Papa kan mij volstrekt niet missen, nu jij—en Willem ook al—niet meer hier bent. Wat zou papa beginnen, als hij heel alleen met Christien overbleef? Maar André, hoe zou ik naar Frankrijk kunnen gaan? De dokter heeft het gezegd, 't is waar! Maar dat is immers onmogelijk .... beste jongen!”

André schoof zijn tuinzetel dichter bij haar leunstoel, en terwijl hij den arm zachtkens om haar schouder sloeg, begon hij vertrouwelijk te fluisteren:

„Onmogelijk, Letje! Niets is onmogelijk, als we jou maar kunnen redden! Denk je dan, dat ik vergeten ben, hoe lief je voor ons allen waart, toen mama stierf. Ik was negentien en jij nog geen zestien—en toch heb je alles gedaan, net als mama gewoon was. Je hebt papa gesteund in alles, of je een volwassen dame waart .... je bent een hartelijk, vroolijk moedertje voor ons allen geweest.... Ons huis heeft altijd geleefd op dezelfde manier, als mama het had ingericht .... niets is veranderd, en dat alleen, omdat we onze brave en knappe Letje hadden! En nu je ziek bent geworden van al dat werken, nu zouden we niet alles doen, om je weer op de been te brengen? Neen, mijn naam zal geen André zijn, als ik jou hier van den winter laat zitten. Letje, jij gaat naar het Zuiden, en je zult gezond terugkomen, dat zweer ik je!”

In zijne geestdrift had hij zijn arm uitgestrekt alsof hij een duren eed zwoer. Driftig sprong hij overeind, terwijl Letje half opgeruimd, half weemoedig glimlachte. Zou het nog niet te laat zijn, en hoe zou André dat wonderwerk ten uitvoer brengen?

Er naderden schreden. Dominee De Witt trad naar het priëel toe. Zijn kalm gelaat was verhit door inspanning. Hij had de voormiddaggodsdienstoefening geleid, en keerde met loome schreden naar huis. Evenals immer was zijn eerste werk geweest eene ouderwetsche Goudsche pijp te stoppen, en behagelijk rookend wandelde hij nu door zijn tuin.

„Dag, André! Dag, Letje! Hoe gaat het, kinderen?”

Letje wilde voor haar vader niet weten, dat ze zich vermoeid en zwak gevoelde. Zij rees vlug op, en greep André bij den arm.

Broeder en zuster zagen elkaar aan met die vriendelijke verstandhouding, die de vrucht is van jarenlange sympathie en jarenlang gedeelde zorgen.

Een oogenblik babbelde het drietal op vroolijken toon.

Dominee De Witt bleek zeer in zijn schik, omdat zijn oudste zoon gekomen was, wijl zijn oudste dochter zoo opgeruimd en vlug meewandelde. Nauwelijks hadden ze eene enkele maal rondom het kleurenrijk perk der dahlia's gedrenteld, of eene luide stem klonk uit de tuindeur:

„Kom jelui eindelijk! De koffie is klaar!”

In de luchtige tuinkamer wachtte de koffie, bereid en geschonken door Christien, die al haar best deed Letje te hulp te komen, hoewel ze dikwijls door hare uitgelatenheid meer onheil stichtte dan hulp verleende.

Dominee De Witt legde zijne getrouwe vriendin de pijp met een zucht neer. André hielp Christien, en verhielp hare onhandigheden. Hij bleef vroolijk doorspreken, om zijn vader en Letje aangenaam bezig te houden, en vertelde van de „soirée” bij den vriendelijken Baron Van Berenvelt, van den grooten Gronovius, van den vroolijken Tchitchikoff en andere sieraden der voornaamste Haagsche samenleving.

De predikant herstelde zich langzamerhand van de gewone afmatting, aan het waarnemen eener predikbeurt voor den bejaarden man verknocht. Hij begon mee te spreken, en zei flauw glimlachend:

„Heb je 't al gehoord van Willem, André?”

„Neen, papa!”

„Van morgen een brief uit Utrecht gehad .... want hij is nu voor vast in Utrecht, moet je weten!”

„Maar hoe is het mogelijk, dat u daarin berust?”

„Hoor maar verder, André! Willem schrijft me, dat de studie in de theologie te Leiden hem een gruwel is! Hij geeft een critiek van hetgeen er te Leiden „zooal beleden en geleeraard” wordt. De leer der hervormde kerk is tot onkenbaar wordens verknoeid, omdat de „prediking van den levenden Christus Gods” achterstaat bij de „moderne leer der eigen gerechtigheid.” Men verkondigt te Leiden, dat de oorspronkelijke aanleg van 's menschen hart goed is, en ontkent, dat ieder mensch, de beste niet uitgezonderd, tot in hart en nieren bedorven wordt door de macht des Satans en den zondenval van den eersten Adam. Verder is zijn hart diep bedroefd over de Christusverloochening dezer dagen....”

„Dat alles is goed en wel, maar u kan als onvermogend predikant te Leiden u toch de weelde niet veroorloven, om uw zoon te Utrecht te doen studeeren!”

„Willem schrijft, dat hij door de professoren en predikanten uitstekend ontvangen is, dat men hem in alle opzichten zal ondersteunen, ook met geld, maar .... dat hij nu dadelijk vijftig gulden noodig heeft!”

Aan André ontsnapte een kreet van verontwaardiging.

Hij ziet eerst Letje met diepen weemoed aan, en richt daarop een vragenden blik naar zijn vader.

Dominee De Witt schijnt met de zaak verlegen, daar hij den brief van den Utrechtschen theoloog nog eens doorloopt.

„Vijftig gulden! O, ik zou wel weten, wat ik met die vijftig gulden doen zou!”—fluisterde André.

„Ik ook wel!”—riep Christien.—„Ik zou een rijtuig huren en met ons allen gingen we een heelen dag naar het Molentje.”

Niemand antwoordde.

Eindelijk vroeg de vader met zijne gewone, zachte, vriendelijke stem:

„En wat zou jij met die vijftig gulden doen, André?”

„Ik? Wel ik liep er mee naar den spoor, en kocht voor Letje een biljet tweede klasse, van hier naar Arcachon .... anders wordt ze nooit weer beter!”

Dominee De Witt zag angstig naar André. De toon van zijn antwoord klonk bijna toornig.

Letje was vuurrood geworden, en begon uit gejaagdheid te hoesten. Zij schudde zachtkens haar hoofd. Van haar moest geen sprake zijn, maar de hoest bleef haar plagen .... zij kon niet verder gaan.

„'t Is waar!”—zei eindelijk de predikant.—„Ik denk er dagelijks over. Dokter Santman komt er altijd op terug. En het zou zoo goed zijn voor mijn lieve Letje!”

André knikte zijne oudste zuster bemoedigend toe.

Vroolijk glimlachende, hernam hij:

„Ik weet er raad op, papa! Letje gaat tegen den herfst naar het zuiden van Frankrijk! Dat heb ik beloofd en dat zal gebeuren ook, of mijn naam zal geen André zijn!”

„Maar, jongen! hoe kan dat?”

„Dat is van later zorg! Ik neem alles op me! Het voornaamste is, of Letje wel zou durven?”

Het donkerblonde hoofd richtte zich op, de groote blauwe oogen zagen André vol liefde aan.

„Ik zou wel durven, André! Vraag het mij maar!”—snapte Christien.

André schudde even het hoofd, en ging ernstig voort:

„Dezen winter hier blijven en erger worden, sukkelen en achteruitgaan, dat mag Letje niet! Maar waar zullen we haar brengen? Laat dokter Santman beslissen. Zegt hij Pau, Let! dan ga je naar een heerlijk dal aan den voet der Pyrenaeën. Daar schittert alles van gouden zonnegloed, daar is de hemel altijd blauw. Daar bruist het donkere water der Gave in de schaduw van esschen en eiken, daar stroomt de weldadige lucht, die ons Letje terug zal geven, zooals ze was verleden zomer, gezond, sterk en vroolijk!”

Dominee De Witt stond uit zijn armstoel op, en greep ter afwisseling zijn gouwenaar. Terwijl hij zijne pijp stopte, zag hij zijne kinderen met zekere kluchtige verbazing aan. Hij begreep, dat André het een of ander plan had, maar maakte zich bezorgd voor illusiën, die niet vervuld zouden kunnen worden. Zijn oudste zoon onderscheidde zich door veel verbeeldingskracht, maar met de praktijk was hij minder vlug. Juist wilde hij voorzichtig eene bedenking opperen, toen André voortging: