„Deugt Pau niet, dan gaan we naar Bagnerres of naar Arcachon! Arcachon, Letje, daar heb je een heerlijk zeestrand, nog veel mooier dan te Scheveningen, daar staan de heuvelen met loodrechte pijnboomen beplant, daar waait de wind niet snijdend langs je wangen, maar streelt hij het bleeke voorhoofd der patiënten; daar brengt hij leven en gezondheid op iederen ademtocht .... o, Letje! je zult en je moet beter worden, als je maar durft!”
André was opgestaan, en plaatste zich bij haar stoel. Zij zag hem aan met glinsterende oogen, en drukte zijne hand. Dominee De Witt liep rookend de kamer op en neer, als hij placht, wanneer er over eene lastige zaak moest beraadslaagd of nagedacht worden.
„En wanneer gaan we nu uit?”—riep Christien.—„'t Is zonde van 't weer. En frissche wind genoeg, om naar de Vink te wandelen!”
André zag glimlachend naar haar om.
„Wacht maar!”—antwoordde hij.—„Ieder zijn beurt. Nog een half uur geduld, en ik ga met je wandelen, kind!”
Geheimzinnig in 't rond ziende fluisterde hij Letje wat in 't oor, mompelde hij iets over eene noodzakelijke boodschap, en verdween hij, eer de predikant recht wist wat er gebeurde. André wilde het ijzer smeden, nu het gloeide. Hij haastte zich naar buiten, en bereikte na eene korte wandeling het Rapenburg. In de schaduw der aloude linden liep hij te midden der Zondagstilte peinzend verder. Snel had hij een plan gevormd, nu kwam het op de uitvoering aan. Nadenkend rezen er allerlei zwarigheden, zoodat zijn stap trager werd. Indien eens .... maar Letje en zijne belofte .... hij spoedde zich plotseling sneller voort, ging over eene brug naar de andere zijde van het Rapenburg, en schelde aan bij eene der deftigste woningen van de deftige gracht.
De dienstbode verzekerde, dat professor thuis was.
André werd binnengelaten door het breede marmeren voorportaal en trad een soort van salon binnen, waar alles meewerkte, om den bezoeker in eene kalme, tevreden stemming te brengen. De kleur der meubelen en sieraden was donker, zoodat een tiental schilderijen van moderne meesters uitmuntend tot zijn recht kwam. Reeds meermalen had André daar een meesterstuk van Bosboom, een frisch landschap met vee van S. van den Berg en een woelend water van Louis Meyer bewonderd. Hij kende dit vertrek uit de dagen, toen hij nog student was; sinds de eerste reis, dat hij er aarzelend binnentrad, om zich van het verplichte „theeslaan” te kwijten, tot de laatste, toen professor Van Dam hem als belangstellend vriend de brieven ter hand stelde, die hem den in de residentie onontbeerlijken steun zouden doen vinden.
De dienstbode verscheen, en noodigde „meheer” uit naar „prefesters” studeerkamer te komen. Ook dat vertrek en de weg, die er heen leidde, waren André van ouds bekend. Gedurende zijne studiejaren was het boekenvertrek van professor Van Dam langzamerhand meer en meer een heiligdom voor hem geworden. Van al de hoogleeraren had Van Dam den jonkman het meest geboeid, niet alleen door degelijkheid van wetenschap, maar hoofdzakelijk door de heldere en keurige voordracht. André had nooit eene enkele les verzuimd, en zich niet alleen daardoor bemind gemaakt bij zijn leermeester. Hij had door zijne welgeslaagde proeven van zelfstandige studie den hoogleeraar achting ingeboezemd, later zelfs zijne vriendschap gewonnen.
Toen hij nu weder de bovenverdieping bereikt had, en op zijn kloppen de bekende stem hem tot binnentreden machtigde, overviel hem andermaal de schroom van vroeger, nog verhoogd door het bewustzijn, dat hij om raad kwam vragen.
„Wel, De Witt, hoe gaat het? Je ziet er flink uit. Neem plaats!”
Professor Van Dam was opgestaan van de schrijftafel, en trad André met deze woorden te gemoet.
De hooge gestalte van den professor, het breede voorhoofd, de schrandere, zwarte oogen, donkere, lange baard, maakten telkens opnieuw indruk, wanneer hij ergens verscheen. André's eerbied en dankbaarheid voegden aan dien indruk nog iets buitengewoons toe; hij gevoelde zich klein en verlegen, maar poogde zoo goed mogelijk zijne ontroering te beheerschen. De heer Van Dam had zich op eene sofa gezet voor eene ronde tafel, waar bergen van boeken in de schilderachtigste verwarring bijeenlagen. André nam een stoel op eenigen afstand, en begon, nog eenigszins gedwongen:
„Ik kom u ophouden en storen in uw werk, professor! Neem het me niet kwalijk! Ik wilde u zoo gaarne even raadplegen!”
„Geen complimenten, De Witt! Je weet, dat ik je niet alleen het recht gegeven heb raad bij me te komen halen, maar dat ik zeer blij ben, als ik je eens zie!”
„Ik dank u, professor! al ben ik toch bang, dat ik u zal vervelen!”
„Ik niet. Hoe gaat het in Den Haag?”
„Uitstekend. Meneer Van Berenvelt blijft mij met buitengewone toegevendheid aanmoedigen, en heeft mij bovendien gezegd, dat hij mij belangrijk werk zal toevertrouwen!”
De hoogleeraar glimlachte opgeruimd.
„Het heeft dus wat geholpen!”—riep hij.
„Hoe zoo, professor?”
„'t Is waar! Je weet er niet van, De Witt! Ik heb voor een paar weken, bij gelegenheid, dat ik meneer Van Berenvelt over iets anders had te schrijven, hem nog eens op het hart gedrukt, dat hij je maar flink aan 't werk moest zetten .... natuurlijk!”
André boog zonder te spreken. Dit nieuw bewijs van genegenheid ontroerde hem.
De heer Van Dam merkte wel, dat André op dat oogenblik worstelde tegen de eene of andere buitengewone beklemdheid van hart. Recht op het doel afgaande, vroeg hij daarom, alsof de zaak niets te beteekenen had:
„En wat heb je me nu voor nieuws te vertellen?”
„Ja, ziet u, professor! ik zal het u maar ronduit zeggen. Sedert een maand of drie komt het mij dikwijls voor, dat redacteurs van kranten of tijdschriften mij vragen om artikelen over onderwerpen van den dag. Ik heb het tot nog toe niet gedaan, en herinnerde mij uw les geen tijd te verspillen met beuzelachtige zaken van voorbijgaand belang. Men kan zich zoo spoedig versnipperen, zeide u mij eens, wanneer men gaat arbeiden voor de dagelijksche pers. Bij het uitgeven van zooveel pasmunt, raakt men goud of zilver kwijt—het is uw eigen woord. Daarom heb ik mij onthouden .... en toch....”
Professor Van Dam giste nog tevergeefs naar de aanleiding tot deze woorden. Hij dacht een oogenblik na. Toen zeide hij:
„Laat ons niet overdrijven, De Witt! Wetenschappelijke opstellen te schrijven in een geacht tijdschrift, als „de Gids” bij voorbeeld, is een zeer goed werk. Ik zou mij verheugen, wanneer ik daarin iets flinks van je mocht aantreffen! Denk niet, dat ik het tegenovergestelde bedoeld heb. Probeer het met „de Gids”, als je er lust in hebt!”
„Ik zal het probeeren.... Maar dit is nog niet alles. Mijn doel is, ronduit gezegd, op de eene of andere wijze mijne inkomsten te vermeerderen. Ik zou dus gaarne vast medewerker worden aan een dagblad....”
„Daar zijn meer bezwaren aan verbonden. Werken voor de dagbladpers kan zeer goed vereenigd worden met grondig wetenschappelijk onderzoek.... Maar dat gebeurt niet altijd. Intusschen zou je misschien een wekelijksch overzicht van de beraadslagingen in de Europeesche parlementen kunnen schrijven, of wel, als je alleen maar een beredeneerd verslag over de debatten in onze Tweede en Eerste Kamer zoudt willen leveren, me dunkt, dat was een vruchtbaar werk!”
André herademde. Hij had ernstig gevreesd, dat zijn plan bij professor Van Dam tegenstand zou vinden. Hij zag nu, dat hij misschien zijn doel zou bereiken.
„U zou het mij dus niet afraden, als ik met een onzer groote dagbladen, bij voorbeeld het Handelsblad, overeenkwam voortdurend uitvoerige verslagen te geven omtrent de kamerzittingen?”
„Afraden, neen! Maar ik zag je toch liever aan meer theoretischen arbeid. Je werk over de Free-Traders is degelijk, en ik verwacht je natuurlijk op dat terrein terug.... Hoe komt het toch, dat je nu iets anders zoekt?”
André had de vraag verwacht, en toch bewoog hij zich verlegen op zijn stoel.
„Ik wil het u gaarne zeggen, professor! Ik weet, dat u het mij niet kwalijk zal nemen .... ook, als ik u verzoek, dit alles als zeer confidentieel te beschouwen!”
De heer Van Dam stond even op, greep een kistje met sigaren, en nadat hij André er eene had aangeboden, zei hij, ernstig en joviaal tegelijk:
„Zie zoo! Vertel me nu eens dood op je gemak, wat er eigenlijk aan de hand is, De Witt!”
De jonkman toonde zich nog vrij zenuwachtig en schutterig in zijne bewegingen, toen hij de sigaar opstak, maar vermande zich.
„Professor!”—ving hij, snel en vastbesloten, aan.—„Ik moet geld verdienen. Ik had gedacht, dat het tractement van adjunct-commies eene heele schat was. Ik had gehoopt mijne familie hier in de stad te kunnen steunen, maar er is tot nog toe niets van gekomen, en ik kan u op mijn woord verzekeren, dat ik geen cent heb verspild. U weet, dat mijn vader niet rijk is. Nooit zou ik u van deze dingen gesproken hebben, als geene buitengewone omstandigheden mij er toe noodzaakten. Voor vier jaren stierf mijne moeder, wij bleven met ons vieren kinderen achter. U kent mijn vader, zacht, vriendelijk, spoedig tot toegeven overhellend. Mama had de huiselijke zaken met flinkheid bestuurd. In de eerste dagen na mama's dood scheen het of alles in de war zou loopen. Toen nam mijne oudste zuster Letje de taak van moeder op zich. Zij was maar zestien jaar oud, zij scheen door haar tenger voorkomen weinig geschikt voor zoo'n moeielijke taak .... en toch, binnen weinig dagen was alles geregeld. Letje had bij hare taak maar ééne gedachte: doen zooals mama zou gedaan hebben! Ik was student, mijn broer Willem ging nog op het gymnasium, mijn zuster Christien was een speelsch en druk kind van elf jaar, maar ik geloof niet, dat de knapste huishoudster, de verstandigste moeder haar plicht met meer stiptheid en tact zou hebben kunnen vervullen. Zoo ging alles vrij goed tot November van verleden jaar. Papa, die niet van de sterksten is, werd gevaarlijk ziek .... misschien heeft u er van gehoord....”
Professor Van Dam knikte. Hij zag André met belangstelling aan, al lag misschien in den opslag zijner geestige oogen de vraag te lezen—waar moet dit alles toe dienen? André ontcijferde die onuitgesproken woorden, en ging schielijk voort:
„Er is nog maar weinig bij te voegen. Zes weken waakte Letje bij mijn zieken vader, en redde hem door hare voorbeeldige zorg het leven. Het hielp niet, of ik haar noodzaakte wat te gaan rusten, of ik in hare plaats waakte .... zij kwam ieder oogenblik aan het ziekbed terug. Toen papa geheel hersteld was, werd Letje ziek. Zij is schijnbaar wat beter geworden, maar eigenlijk lijdt zij altijd door. De verschijnselen zijn zeer verontrustend .... borsttering....”
Het gelaat van den hoorder veranderde. Duidelijk merkbaar stelde hij nu oprecht belang in de zaak.
Snel vraagt hij:
„Wie is je dokter, De Witt?”
„Santman, professor!”
„Zoo—en wat zegt hij?”
„Nog geen oogenblikkelijk gevaar, maar hij ziet de zaak zeer ernstig in. Zij mag hier den winter niet blijven, zij moet naar het Zuiden....”
„Natuurlijk, dat is misschien het eenige radicale middel!”
André zweeg. Hij had gehoopt, dat professor Van Dam begrepen zou hebben, wat hij eigenlijk meende. Maar de vriendelijke hoogleeraar had van kindsbeen af in overvloed geleefd, en was sinds zijn huwelijk nog rijker geworden. In dergelijke gevallen is het soms zeer moeielijk te raden, met welke angsten fatsoenlijke armoede bijna dagelijks te strijden heeft. André doorleefde zulk een oogenblik van pijnlijken angst. Maar plotseling moed vattend, zei hij fluisterend:
„Dit is de reden, waarom ik probeeren wilde in de dagbladen te schrijven. Ik heb besloten mijne arme zuster het leven te redden, als het nog mogelijk is. Maar ik herinnerde mij uwe waarschuwingen, en wilde vooraf om raad vragen!”
„Bravo, De Witt! Dat is een goed plan! Als ik je helpen kan, zeg het dan maar!”
De heer Van Dam zag met heimelijk medelijden naar zijn vluggen leerling. Wat zou er van hem worden, als hij met het beste doel van de wereld zich ging wijden aan den afmattenden arbeid der journalistiek? Hij had zoo dikwijls arme jongelieden, die iets beloofden voor de wetenschap, zien ondergaan in de dagelijksche beslommering om fatsoenlijk te blijven leven. Het was de oude, zeer oude geschiedenis, maar....
Zijne laatste woorden hadden André bemoedigd.
„Professor!”—zei hij onbeschroomd.—„U heeft invloed bij de redactie van „de Gids”. Er zijn in den laatsten tijd eenige Engelsche boeken over economie uitgekomen. Ik wenschte er een critisch verslag van te geven. Zou u mijn opstel willen aanbevelen?”
„Met het meeste plezier, amice! Maar .... neem me niet kwalijk, als ik eene zwarigheid maak. Zou dit wel de practische weg zijn, om tot je doel te komen? Wetenschappelijk werk brengt weinig op, en we hebben hier eenvoudig een geldquaestie, niet waar? Ik zou de zaak anders begrijpen. Geef aan dagbladen en tijdschriften, wat ze van je vragen .... het moet nu eenmaal, maar zie zooveel mogelijk vast werk te krijgen voor een bepaalde som. Ik ben bereid je in alles te helpen, doe me maar het een of ander voorstel....!”
Volkomen tevreden, verruimd, alsof hem een pak van het hart viel, stond André op.
„En nu durf ik u niet langer storen, professor! Ik weet nu, wat ik te doen heb. Bij voorkomende gelegenheid mag ik immers op uw hulp rekenen?”
„Dat spreekt van zelf. Beschik over mij. Nog één raad. Blijf in je werk voor dagbladen en tijdschriften zooveel mogelijk oorspronkelijk en degelijk! Schrijf nooit anoniem. Plaats je naam onder je stukken, en zie toe, dat je hem niet bederft!”
Professor Van Dam bleef op de sofa zitten, alsof hij niet bemerkte, dat André wilde vertrekken. De hoogleeraar was bezig een plan te vormen, en zon op middelen. Juist poogde André eerbiedig de hand uit te steken, om afscheid te nemen, toen de heer Van Dam haastig opsprong, en riep:
„Gevonden, De Witt! gevonden!”
Hij liep naar de schrijftafel, en kwam met een bundel handschriften op André af.
„Kijk eens hier! Heb je lust dit alles te lezen en te beoordeelen? Het zijn manuscripten van verschillende auteurs, die een bijdrage wenschen te plaatsen in mijn Tijdschrift voor Staatswetenschap. Als je die stukken gelezen hebt, geef mij dan in een kort woord op, of je ze geschikt vindt voor plaatsing en waarom?”
André neemt de handschriften zonder te antwoorden.
Professor Van Dam brengt hem naar de tafel, waar ze gezeten hadden, terug. Hij wijst hem naar een stapel boeken.
„Zie je die boeken? Altemaal ingezonden op hoop van een beoordeeling in mijn Tijdschrift voor Staatswetenschap. Heb je moed ze te lezen, en met een kort woord van critiek te behandelen? Zie je er niet tegen op? Dan verlos je mij van een taak, die me maand op maand meer begint tegen te staan. Jij neemt het eigenlijk redactiewerk van het tijdschrift op je—ik blijf adviseerend redacteur, en jij verdient het honorarium, dat spreekt van zelf! Wat zeg je daarvan?”
André was hoogrood van blijdschap, verrassing en ontroering. Hij stamelde eenige woorden van dank, en lachte ondanks den ernst van het oogenblik. Hij sprak van eer, van onderscheiding, van jeugd, van gebrek aan ervaring en wetenschap, van verplichting en dankbaarheid.... De hoogleeraar viel hem in de rede:
„Hoor eens! Eens en vooral, hier wordt niet van dank gesproken! Jij doet je werk, en daarvoor krijg je je loon. Apropos, geef me maar een wenk, wanneer je er over beschikken wilt. En, als alles naar wensch gaat, word je een volgend jaar mede-redacteur, en komt je naam naast den mijne op het titelblad.”
„O, professor! professor!”
„Verlies nu je tijd niet met praten, maar loop eens gauw naar dokter Santman.... Je moet toch weten, waar je de arme patiënte brengen zult!”
Prettige komplotten.
Wat er in twaalf maanden kan voorvallen als men al de gebeurtenissen uit een enkel menschenleven bijeenbrengt, is soms meer dan de soberste historieschrijver in ettelijke boekdeelen kan verhalen. Breidt men den kring uit tot eene afzonderlijke familie, tot eene geheele stad, dan wordt de taak schier onmogelijk. In de meeste gevallen zal de Muze der geschiedenis echter de aangeboden stof versmaden, de talrijke handschriften in de scheurmand werpen, en binnen een enkelen volzin saamvatten wat gedurende een geheel jaar voorviel.
Aldus Clio. Maar niet alzoo Erato en Euterpe. Het lief en leed van een enkel mensch, van een enkel huis zijn haar dierbaar. Van de geschiedenis des harten te vertellen is haar duizendwerf aangenamer dan te spreken over eene ministeriëele crisis. Onder aanroeping dier beide vriendelijke Muzen wordt er hier opnieuw een begin gemaakt met het tweede deel van de geschiedenis der familie De Milde uit het Westeinde in Den Haag, en wel juist twaalf maanden, nadat zij voor het eerst in dit eenvoudig verhaal te voorschijn trad. Wat er in het verloopen jaar geschied is, zal, als het noodzakelijk mocht schijnen, ter gelegener plaatse worden ingelascht.
Zondag, September 1854. Heldere hemel, felle zonneschijn. De golven aan 't strand te Scheveningen komen vroolijk bruisend naar den lagen oever stroomen. Water en hemel vertoonen bijna dezelfde tint—een flikkerend blauw door de zonnestralen met goudvonken getooid.... Er is groote deining in zee ten gevolge van eene flinke bries uit het Zuidwesten. De stem der golven zingt een vroolijk lied met het oude, geheimzinnige refrein, half vol weemoed, half vol jubel. De pinken liggen in eene lange rij voor anker; de slanke masten teekenen zich geestig tegen het azuur, terwijl nauwlijks zichtbaar een rood of blauw wimpeltje de windrichting aanstreept. De schommeling der baren doet de vaartuigen zachtkens bewegen, als het witte schuim der branding tegen de kiel spat. Aan den horizon, schemerend en flauw geteekend door eene amethistkleurige wolkbank, verraadt een wegblauwende damp, dat een stoomer is voorbijgegaan. Terugkeerende visschersvaartuigen doemen op uit de verte, de masten in rustelooze beweging door de hooge, woelende zee.
Aan het strand bij de pinken heerscht groote levendigheid. Scheveningsche kinderen met bruine gezichten en wit hair scheppen een nationaal plezier in het blootvoets waden door het heldere water, terwijl zij luid joelend onder de ankertouwen doorkruipen. Invaliden der zee met duizend plooien in de geblakerde troniën rooken een bruin eindje pijp, en turen naar den gezichteinder. Enkele vrouwen dalen van de gele duinen, schommelend met eene weelde van rokken om de heupen, als nimmer in eenig oord der beschaafde of onbeschaafde wereld is aangetroffen.
Hoog verheft zich het duinzand van den dorpstoren tot aan het „groot stedelijk” badhuis, welk laatste gebouw nog in geen enkel opzicht „groot” en veel minder „stedelijk” te noemen is. Boven de woestijn van zand tusschen beide gebouwen rijst alleen het eenvoudig, vorstelijk paviljoen op een heuveltop. De beroemde zeebadplaats Scheveningen is nog niet ontdekt door den stroom der Europeesche reizigers; de Nomaden onder de Londenaren spannen hunne tenten elders; de tengere dochters van den Rhijn en de Spree verschrikken nog niemand met hare ongeoorloofd leelijke hoofddeksels van bruin stroo.
Rondom het badhuis heerscht stilte. De dagen der muziektent zijn nog niet gekomen, de zee maakt hier alleen muziek voor den eenzamen wandelaar. Niemand droomt van de hooge teenen strandstoelen, waarin Duitsche bankiers aan hunne millioenen en Hollandsche freules aan hare bruidstoiletten zullen denken, totdat het fluisterend lied der golven ze al te zaam in den slaap der onnoozelen zal hebben gewiegd. Op de duinen en omlaag wemelt geene bonte menigte van bezoekers; de kinderen der voorname badgasten zullen eerst later komen, om met hunne ijzeren spa of houten schop beddingen voor kleine stroomen te graven of bergen van vochtig zand op te werpen.
Behalve het Scheveningsche publiek bij de pinken vindt men evenwel het dagdievend stadsvolk in groote getale vereenigd op het terras of in de omstreken der gastvrije inrichting van oudsher „Zeerust” genoemd. De frissche bries maakt het zitten in de open lucht trots fellen zonneschijn niet onaangenaam. Aan tafeltjes zitten enkele groepen bijeen. Daar het omstreeks drie uren is, laten de heeren zich kleine glaasjes met nationale vloeistof geven; het gerucht der stemmen wordt luider.
Dicht bij den kleinen muziektempel van „Zeerust”, in het genot der schaduw, heeft zich een gezelschap van vier dames en twee heeren neergezet. Het zijn de dames De Milde—Kee, Jans en Willemien—vergezeld van de sedert een jaar bij haar inwonende mevrouw De Huibert. André de Witt is de eene heer, de andere heet Kees Tulk, ambtenaar bij de posterijen, en droog komiek bij gelegenheid. De beide oudste dames De Milde zijn misschien wat ronder en Willemien misschien wat schraler geworden, maar voor 't overige heeft „de tand des tijds” haar nog niet veel kwaad gedaan. Mevrouw De Huibert ziet er in haar zwierig zomertoilet jonger en bevalliger uit dan ooit te voren; haar toon tegen de familie De Milde is merkbaar milder geworden. Suze heeft de herhaalde pogingen van een viertal doodgoede, maar buitengemeen nieuwsgierige dames niet kunnen verijdelen; de dames De Milde hebben een soort van vriendschappelijk verkeer met haar aangeknoopt, en nu weten zij dan ook zeker, dat mevrouw De Huibert geene weduwe is, dat ze vrijwillig gescheiden van haar echtgenoot leeft wegens finantiëele onaangenaamheden, die voor geene minnelijke oplossing vatbaar zijn. De dames De Milde vertellen nu aan ieder, die het hooren wil, dat mevrouw De Huibert eene „allerliefste lieve vrouw” is, die men heel „leelijk” behandeld heeft. In één opzicht werd de nieuwsgierigheid der dames nog niet bevredigd. Mevrouw De Huibert gaat dikwijls des avonds uit, en komt somtijds laat thuis, altijd begeleid door denzelfden heer. Maar niemand der familie, welke zij verklaart met hare visites te begunstigen, komt ooit in het Westeinde terug. Daar mevrouw De Huibert omtrent dit verschijnsel altijd even geheimzinnig blijft, spannen de dames De Milde hare uiterste krachten in, om den sleutel van dit mysterie te vinden. Intusschen duurt de dagelijksche omgang op den aangenaamsten toon voort, en is er tot nog toe geen wolk gerezen tusschen beneden en boven in het Westeinde.
Dit zestal dames en heeren had het zeer druk met praten en lachen. Boven allen uit klonk de stem van Willemien, die naast André zat, en telkens van kleur verwisselde, daar de beide oudsten haar voortdurend zusterlijke aanmaningen toedienden. André had het niet minder druk met allerlei mededeelingen, terwijl de jonge Tulk voor de ververschingen zorgde, en Suze droomend naar de onmetelijke zee zat te staren.
„Alles dient nu afgesproken!”—ging André voort.—„In deze maand kunnen we nog vier- of vijfmaal repeteeren....”
„Zou dat wel genoeg zijn, André?”—vraagt Willemien.
„Laat hem toch uitspreken!”—vermaant Kee.
„Vóór den twaalfden October kunnen we dan nog een paar maal in kostuum en met al de accessoiren repeteeren,”—hernam de dilettant-regisseur,—„en dan komt het ding wel in orde!”
„Te beginnen met van avond!”—riep Willemien.
„Juist! Van avond repetitie!”—vervolgt André.—„Ik reken er nu op, dat de dames de rollen van buiten kennen. Vooral Roza en Louise mogen er nog wel wat meer werk van maken!”
„Ja, dat heb je er van, als je er kinderen bij haalt!”—meent Willemien.
„De kinderen moeten er bij voor papa en mama!”—herinnert Jans.—„Ik zal wel zorgen, dat Roza en Louise hare rollen kennen!”
„Goed; en dan moeten de dames eens aan de kostumen gaan denken!”
„De kostumen! Bravo! de kostumen!”—roept Willemien.
„Ja, dat is een lastige quaestie! Daar moest mevrouw ons eens wat aan helpen!”
Als uit verre gewesten plotseling op „Zeerust” aangeland, zag Suze in 't rond bij dit woord van de oudste der De Mildes.
„Helpen .... met plezier, maar wat bedoel je eigenlijk?”
„Meneer De Witt zegt, dat we voor onze kostumen moeten gaan zorgen!”
Zonderling. Suze had juist gemijmerd over het kostuum van .... minister! Zij zag een rijzig jongmensch vóór zich staan met den ministerrok vol goud borduursel....
Haastig antwoordde zij:
„Laat meneer De Witt je dan zeggen, hoe hij het hebben wil!”
André, die, wat er ook met hem in het verloopen jaar was voorgevallen, altijd zijne gezonde opgeruimdheid had bewaard, toonde zich onmiddellijk bereid.
De drie De Mildes luisterden aandachtig. Mevrouw De Huibert vestigde hare blikken weer naar zee, en vervolgde den afgebroken droom.
„Ons kostuum, dames!”—begon André—„kan zoo poëtisch mogelijk opgevat worden. We leven niet onder de verplichting, om er bepaald Olympisch uit te zien. Daar heb je in de eerste plaats Tulk, die voor Mars speelt....”
„Ik heb je al gezegd, De Witt! dat ik sergeant ben bij de Haagsche schutterij!”—viel de droogkomieke ambtenaar der posterijen in.—„Voor mijn kostuum als krijgsgod heb ik dus niet te zorgen!... Aannemen!”
De deftige knecht van „Zeerust” schoot ergens uit een schuilhoek te voorschijn, en hield eene fluisterende beraadslaging met den Haagschen schutter.
„Het moeilijkste zijn de dameskostumen!”—ging André voort.—„Voor de kleineren, Roza en Louize, die Apollo en Eroos zullen voorstellen, is nog wel wat te vinden. We nemen een tuniek van wit gaas, een verguld gordel, gouden kothurnen, pijlenkoker, boog en pijlen van hetzelfde metaal, en rozen, in kransen op het hoofd gedrukt, zooveel je maar wilt....”
Willemien had met hooge belangstelling dit debat gevolgd. Blozender dan ooit vroeg ze:
„En wat zou je mij raden, André? Dat kostuum voor de kinderen zal ik wel in orde maken. Er is niet veel aan te doen, en ik begrijp precies wat je wilt. Maar dat Pallaskostuum, wat begin ik daarmee?”
Kees Tulk, die naar een ouderwetsch glaasje keek, waaruit elk spoor van vocht verdwenen was, viel driftig in:
„Wel, juffrouw Willemien! dat is, dunkt me, gemakkelijk. Je trekt eerst je regenmantel aan, dan huur je een borstharnas en een kurassiershelm! En als je dan nog een schild en een speer van de Leidsche Minerva kunt leenen, dan ben je al een heel eind heen!”
Kee en Jans vonden dit „allerdolst”, en schaterden het uit. Willemien richtte een vragenden blik naar André, waaruit eene wereld van bittere verontwaardiging zich openbaarde.
André hield zich zeer ernstig, met heldenmoed allen lust tot schertsen onderdrukkend. Hij greep oogenblikkelijk de gelegenheid aan, om het vraagstuk der kostumen tot de repetitie van den avond uit te stellen. Niet minder ernstig voegde hij er bij:
„Maar er is nog iets anders. Hebben de dames wel gedacht om de muziek? Een zilveren bruiloft zonder muziek is een onmogelijkheid. En daar wij al te zaam als dilettant-artisten optreden, moeten we zien ook dilettanten voor de muziek te vinden!”
De drie De Mildes keken elkander verschrikt aan. De muziek .... nieuwe moeielijkheid! Zij hadden er al zoo veel overwonnen. Nu kwam de muziek! André loste tot nog toe als goed vriend bijna alle zwarigheden zegevierend op. En hij had daarbij vooral gezorgd, dat de beurzen der verschillende kunstenaars konden gesloten blijven.
Suze, die opnieuw uit haar droom wakker schrikte, en het woord muziek verstaan had, beijverde zich nu, om met de meeste hartelijkheid te zeggen:
„Wou jelui muziek hebben? Wel, me dunkt, dat is heel eenvoudig. Ik zal jelui wel helpen. Van avond komt mijn zuster Betsy me opzoeken, dan breng ik haar bij de repetitie, en jelui hebt een virtuoos eerste klasse!”
Een koor van blijde stemmen begroette dit voorstel.
De dames De Milde vonden het „allercharmantst”, maar stelden tevens voor, dat ook mevrouw De Huibert als werkend lid bij het huiselijk orkest zou optreden. Suze beloofde een „quatre-mains” met Betsy te zullen uitvoeren op den avond van den twaalfden October. Het sprak van zelf, dat zij een zoo belangrijk huiselijk feest, als de zilveren bruiloft der echtelieden De Milde, zou helpen meevieren. Hier moesten de algemeene beraadslagingen worden geschorst, daar het tijd werd naar Den Haag terug te wandelen. De corpulente De Mildes vormden met Suze de voorhoede; Willemien had het privilegie door twee vroolijk sprekende geleijonkers te worden vergezeld. Zoolang men nog in het onooglijke dorp Scheveningen bleef, had niemand lust iets te zeggen, en wandelde men vrij snel voort, tot men bij den heerlijken „ouden” weg met zijne olmen, eschdoorns, linden en gastvrije schaduwen was aangekomen. Toen begon de voorhoede der drie dames druk te spreken over maatregelen te nemen bij het aanstaande jubilé en poogden de zusters De Milde van Suze het geheim te leeren, om met zeer bescheiden middelen een prachtig feest te geven.
Niemand van het drietal lette op den weg....
Willemien lette er natuurlijk niet op, want zij genoot van het zeldzaam feit, dat twee heeren haar huiswaarts vergezelden. Zij had haar jeugdig hoofd vol zilveren-bruilofts-ideeën, en dus geen enkel oogenblik over voor de buitengewone schoonheid van den weg.... De jonge Tulk hield zich bezig, omdat hij niets aangenamers wist te bedenken, met eene weinig hoffelijke onderneming—hij poogde Willemien door alle bedenkelijke onaardigheden te sarren. Het arme slachtoffer had daarbij weinig hulp van André te verwachten, hij was de eenige, die op de dingen daar buiten, op boomen en zonneschijn, op licht en bruin, lette.
André volgde het spel der zonnevonkeling over het wandelpad. Hij tuurde beurtelings naar het groene dak boven zijn hoofd en naar het vluchtig dansen der gulden stralen aan zijn voet. De zeebries hield op met blazen, eene zachte koelte bewoog de takken. André luisterde niet naar wat er in zijne nabijheid gesproken werd, hij had alleen ooren voor de mooie natuur, voor den heerlijken namiddag. En dan dwaalden zijne gedachten naar elders. Plotseling had hij al droomend eene reize gemaakt tot aan de Pyrenaeën....
Hij zag de bergvlakte van Pau, het dal der Gave, het oude kasteel van den braven Henri IV—hij zag eene vriendelijke villa door acacia's en pijnboomen omringd, hij zag er een jong meisje rondwandelen met zonnescherm en breeden zonnehoed....
Zij lachte uit het verre Zuiden tot haar broeder!
Zij schreef, dat zij dagelijks beter en sterker werd, en dat zij tegen de volgende lente voor goed en geheel hersteld zou terugkomen.... Arme Letje! Zij had een jaar van lijden en leed achter den rug. Moeite en zorg had het gekost dominee De Witt te bewegen, om zijne lijdende dochter naar Pau te brengen. Allerlei bezwaren, finantiëele en moreele, hadden hem terneergedrukt, maar André had volgehouden en overwonnen. Aanvankelijk scheen het milde klimaat Letje weinig goed te doen; eene ernstige ziekte verschrikte de bloedverwanten in Nederland; reeds wilde André verlof vragen om voor eenige weken op reis te gaan, toen langzaam betere tijdingen kwamen. Intusschen mocht de patiënte er niet aan denken naar Leiden terug te komen tegen den zomer: zij moest te Pau blijven. Maar ze schreef vlijtig aan André—en André werkte vlijtig voor Letje.
Sinds een jaar had hij met buitengewone geestkracht zich aan den arbeid gezet. Behalve zijn gewoon werk aan het ministerie had hij geregeld moeten zwoegen voor het „Tijdschrift voor Staatswetenschap”, had hij een opstel in „de Gids” geplaatst en talrijke correspondentiën voor het „Handelsblad” voltooid. Hij had naar den raad van professor Van Dam alles onderteekend, en de voldoening gesmaakt, dat men zijn naam met lof noemde, mochten ook hier en daar zich stemmen doen hooren tegen het gewaagde en al te philanthropische karakter zijner economische bespiegelingen. Doch dit scheen van minder gewicht, als zijn vriendelijke Maecenas, Van Dam, maar te vreden was. Gelukkig werd de goede verstandhouding met Leiden niet gestoord. André mocht zich verheugen in de meest belanglooze hulp van zijn genialen meester—een zeldzaam voorrecht, dat hem levendiger trof, naarmate hij in zijn werkkring aan het ministerie van Buitenlandsche Zaken minder ondersteuning vond.
André wilde met den heerlijken Zondagmiddag zoo min mogelijk over deze hinderlijke zaak nadenken—en, wanneer ook hier zijn voorbeeld gevolgd wordt, het is, omdat Erato thans nog de hulp van Clio versmaadt. De adjunct-commies had zijne ambtszorgen des Zaterdags op het ministerie achtergelaten, hij wijdde zich nu geheel aan de familie De Milde. Tot tweemaal toe had Willemien hem verweten, dat hij zoo „distrait” was, en daarom luisterde hij nu naar hare klachten over den onridderlijken Tulk, die trots zijne toekomstige rol van Mars zoo weinig achting bewees aan Pallas Athene.
Toen men Den Haag bereikt had, scheidde het gezelschap; de dames haastten zich naar het Westeinde, Tulk naar het huis zijner ouders in de Nobelstraat, en André naar het „Zefrientje”, om een der taaie biefstukken van de eerbare juffrouw Barbara Bont broederlijk te deelen met zijn contubernaal, luitenant Van Houweningen. Deze laatste was ook in de komplotten der dames De Milde betrokken, daar hem voor deze bijzondere gelegenheid op aanbeveling van André de rol van Zeus was toevertrouwd.
De repetitie zou stipt te acht uren beginnen. De meisjes De Milde hadden met de oude lui afgesproken: dat niemand in huis nieuwsgierig mocht zijn; dat zij „plein pouvoir” zouden genieten voor alles wat het groot festijn van den twaalfden October betrof; dat vader en moeder alzoo voor een zeker aantal avonden de tuinkamer moesten afstaan met de vaste belofte geene pogingen aan te wenden, om daarin tijdens de geheime zitting der jongelieden door te dringen.
In langen tijd had de heer De Milde zich niet mogen verheugen over zoo groote belangstelling zijner vijf dochters. De oude heer was nu de held van de aanstaande zilveren bruiloft, en de voorbereiding tot dezen prettigen hoogtijd gaf reeds zooveel blijdschap, dat een weerglans van de toekomstige zaligheid hem dagelijks tegenstroomde. Hij was er zoo vol van, dat zijne vrienden, die gewoon waren hem des namiddags te vier uren aan hetzelfde tafeltje van de „Witte” te ontmoeten, onder het diepste zegel des geheims al volkomen op de hoogte waren der groote verwachtingen. De aanstaande zilveren bruid en bruidegom hadden plechtiglijk besloten, dat zij ditmaal voor geene onkosten zouden terugdeinzen, en dat geene spaarpenningen te heilig zouden zijn voor den grooten dag.
Tegen acht uren hadden de vijf zusters het buitengewoon druk in de tuinkamer. Roza en Louise waren twee jongejuffrouwtjes, die men met een smakeloos germanisme „bakvischjes” zou kunnen noemen; dametjes, die op het punt stonden van de korte tot de lange japonnen te worden bevorderd. Ze aardden het meest naar Willemien, daar ze, vrij lang en mager van gestalte, toch vrij aardige en levendige gezichtjes hadden. De dames hadden de groote tafel ter zijde geschoven, om plaats te maken voor de „repetitie”. Er brandden twee lampen, eene op gezegde tafel haar licht verspreidend over een deftig theeservies, eene tweede op een vierkant speeltafeltje, dat tot de accessoiren van het tooneel werd gerekend. Nog vlamden er op den breeden schoorsteenmantel vier waskaarsen, zoodat de door haren aanleg zoo gezellige kamer er buitengewoon feestelijk uitzag. Op het geschilderd behang schenen de hooggekapte en witgepoeierde dames zich met blijdschap klaar te maken om de repetitie bij te wonen en de heeren met vermiljoenkleurige „houppelandes” van de voorpret te glimlachen.
De luidklinkende bel in de gang verkondigde, dat de dilettant-artisten op de stoep stonden. Met grootte vlugheid schaarden de zusters zich nu om de theetafel en, toen de drie heeren binnentraden, vormden ze in de helderverlichte kamer eene vroolijke groep. Al te zaam hadden zij zich beijverd, om een net kleedje of een mooi kraagje ter eere der repetitie voor den dag te halen. Dit was wel voor een deel uit belangstelling in de aanstaande zilveren bruiloft geschied, maar voor een ander deel hadden hoogst natuurlijke behaagzucht en onschuldige coquetterie zich niet onbetuigd gelaten.
De ontvangst der heeren greep met zekere deftigheid plaats. De Luitenant Van Houweningen, een corpulent jongmensch met een gul gelaat en een stereotypen glimlach onder den dikken knevel, verscheen voor de tweede reis in het Westeinde. De drie oudste dames De Milde achtten het noodzakelijk zekere statige vormen aan te nemen, althans in het begin dier bijeenkomst. André en Tulk waren oude kennissen, met hen maakte men geene „complimenten”. Roza en Louise zwegen op hoog bevel. Er werd plechtig thee geschonken door Jans; de heeren moesten eerst allen een kop thee drinken. Onder deze omstandigheden begon de repetitie.
„Kom aan!”—riep André.—„Mijne rol komt pas bij 't slot. Ik zal weer voor régisseur optreden!”
Een schrijfboek in de hand—het manuscript van eene losweg door hem geïmproviseerde „féerie”, met den titel: Venus contra Mars—rees hij van zijn stoel. Onder veel beweging en veel gelach stond men op. Het tooneel werd voorgesteld door een deel der kamer, 't welk men met eene rij stoelen afpaalde. Toegang tot het tooneel gaf de opengeschoven deur der suite, waarin de spelers zich verzamelden, om naar behooren te kunnen optreden. André zette zich met zijn schrijfboek op een der stoelen vlak voor het tooneel, en joeg de acteurs naar de suite.
„Als je blieft, dames en heeren! we gaan beginnen!”
Maar de zenuwachtige uitroepingen der dames en de luide lach van luitenant Van Houweningen noodzaakten André zijne vermaning tot tweemaal toe te herhalen. Eindelijk kwam er stilte, en kon men beginnen. In het eerste tooneel verschenen Eroos (mejuffrouw Louise) en Aphrodite (mejuffrouw Kee). Dat men der oudste zuster de eer had gegund Aphrodite voor te stellen, lag aan de onmogelijkheid, om de zaak anders te schikken—al te zaam wilden ze voor de onweerstaanbare Cyprische godin spelen. Kee hoopte tevens, dat een welgekozen kostuum veel tot de „illusie” zou bijdragen, en André had beloofd daarvoor een practisch en zooveel mogelijk smaakvol idee aan te geven.
Aphrodite en Eroos vertoonden allereerst een familietafereel. De moeder moest den vlindervluggen zoon de les lezen over zijne uithuizigheid. Eroos klaagt, dat hij vermoeid is door het forsche spannen van zijn boog, en dat hij al zijne pijlen heeft verschoten op één na. Hij wil uitrusten in de schaduw van Aphrodite's myrtenbosschen, en zijn hart ophalen aan de herinneringen zijner heldendaden. Hier wordt natuurlijk eene vertelling van Eroos geplaatst, oorspronkelijk voor zang geschreven, maar daar de onsterfelijke knaap weinig stem bezit, is de vertelling vertelling gebleven.
De régisseur valt de spelers herhaaldelijk in de rede. Mejuffrouw Louise is nog niet vertrouwd met de rol van Eroos. De vertelling komt niet tot haar recht. De medespelers hinderen door gefluister, en gelach in de suite.
„Komaan, Louise! Nog ééns!”—beveelt de régisseur.—„Harder spreken en vooral duidelijker!”
„Eens”—begint Eroos weer—„eens hadden de goden mij den vreugdekweekenden nectar verboden. Ik kwam u storen in een onderhoud met den geduchten oorlogsgod. In wilde drift stortte Mars....”
Bij deze woorden verschijnt de krijgsgod (Kees Tulk), en bespiedt het tafereel tusschen moeder en zoon.
„Komaan, Louise! In wilde drift stortte Mars....”
En Eroos zegt geduldig nog eens de „claus”, als het heet onder de heuschelijke tooneelisten.
Op dit oogenblik tikte men zeer bescheiden aan de deur der tuinkamer in de gang. Aphrodite liet het tooneel zonder veel ceremoniën in den steek, en keek voorzichtig door een kier van de deur, wie zich aanmeldde....
Hoe aardig! Het was mevrouw De Huibert en hare zuster juffrouw Betsy Muller Belmonte. Al de artisten kwamen snel te voorschijn. De repetitie werd afgebroken. De drie heeren hadden juffrouw Betsy nog niet ontmoet. Plechtige voorstellingen moesten derhalve plaats grijpen. Toevallig was André de laatste. Kee bracht hem naar Betsy, die ter zijde bij de tafel stond.
„Juffrouw Muller wilde gaarne onze repetitie bijwonen, en zal ons het genoegen doen voor de piano te zorgen!”
Na deze vriendelijke woorden trok Kee zich terug.
André zag een zeer bevallig jong meisje met weelderige donkerbruine krullen, doordringende, helderblauwe oogen en iets buitengewoon eenvoudigs in figuur en kleeding. Die eenvoudigheid kenmerkte zich evenwel door een bijzonder goeden smaak, zoodat André verrast en aangenaam getroffen, zich eenige oogenblikken met Betsy onderhield en de geheele repetitie vergat.
Van de oude Betsy Muller Belmonte was niets overgebleven. Tegenspoed en zorge hadden het jonge meisje een volkomen nieuwe richting gegeven. Tot op den dood van haar vader had zij in ledige werkeloosheid en trage onzekerheid geleefd; de harde noodzakelijkheid had haar wakker geschud, en bij het ontwaken had zij besloten het hoofd moedig omhoog te houden. Zij had vlijtig gewerkt en de sterkende, heiligende kracht van den arbeid had haar leven en karakter geheel hervormd. Betsy, nu meestal kortaf onder den naam van juffrouw Muller bekend, was begonnen met pianolessen te geven aan freule Albertine van Berenvelt. De proefneming was zóó wel geslaagd, dat zij spoedig bij aanzienlijke familiën werd aanbevolen, en in den regel vijf of zes uren per dag les gaf. Zij leefde onbezorgd met hare moeder op een eenvoudig bovenhuis aan den Lutherschen Burgwal. Ieder, die haar leerde kennen, sprak met de hoogste achting over hare voorbeeldige stiptheid, haar ijver en hare beminnelijke zachtmoedigheid. Zoo er eene schaduw over haar leven mocht gevallen zijn in Osterwolde, zij herleefde in Den Haag, en bejammerde het alleen, dat eene bittere oneenigheid tusschen hare moeder en zuster bleef heerschen. Mevrouw Muller Belmonte droeg hare jongste dochter op de handen, maar wilde van de oudste niets weten. Sedert zij in Den Haag was komen wonen, had de moeder geweigerd hare dochter te zien, en Betsy alleen van tijd tot tijd zich in het Westeinde vertoond.
André geboeid door de lieftallige verschijning van het jonge meisje, liet zijne artisten rustig met elkander praten.
Betsy moest herinneren aan het doel der bijeenkomst.
André was onmiddellijk tot haar dienst.
Plotseling buitengewoon belangstellend in de repetitie riep hij zijn volkje op. Hij noodigde mevrouw De Huibert en Betsy vóór het tooneel te willen plaats nemen.
Alles moest weer geheel van nieuws beginnen.
Sinds de beide vreemde dames er zaten, waren de acteurs en actrices bedaarder en regelmatiger. Nog was het opmerkelijk, dat de beide oudste De Mildes goedvonden—het was toch maar repetitie!—bij Suze en Betsy te gaan zitten en ten tooneele te verschijnen, als de loop van het Olympische spel dit vorderde.
Verwonderlijk kalm, soms even glimlachend, volgde Betsy het stuk. André begon nu eigenlijk recht goed in te zien, dat zijne mythologische klucht een akelig middelmatig gewrocht was. Aan zijne zijde zag hij de slanke figuur van Betsy, en telkens ergerde hij zich over zijn geesteloos werk, als deze, hem met hare groote, mooie, blauwe oogen aanziende, de eene of andere opheldering vroeg. En terwijl Mars tevergeefs tegen Eroos streed op het tooneel, fluisterde André:
„Het stuk is maar een gelegenheidsstuk, juffrouw Muller! Ik hoop, dat u het genadig zal beoordeelen. Een eenvoudige gedachte, anders niet! De Goden vieren feest op den Olymp, en drinken zich een goddelijken roes. Zij bemerken niet, dat Eroos zich listig van hunne machtsattributen meester maakt. De dolle knaap steelt Zeus zijn bliksem af, neemt den drietand van Neptunus, helm en speer van Pallas, zwaard en schild van Mars. Toen hij nu zag, dat ze allen ontwapend waren, schoot hij den krijgsgod een scherpen pijl in de borst en leidde hem ter genezing naar zijne moeder Venus Amathusia....”
Hier werd André verhinderd voort te gaan door een driftig roepen van zijn naam.
Mars (Kees Tulk), Zeus (luitenant Van Houweningen), Pallas (mejuffrouw Willemien) en Eroos vragen hem souffleursdiensten, van welke zich te kwijten hij anders nooit in gebreke blijft.
Schielijk helpt hij de zaak in orde brengen, en begint telkens weer van nieuws Betsy ophelderingen omtrent zijne bedoelingen te geven.
„De schalksche liefdegod—voor wien men nooit genoeg op zijne hoede kan zijn, juffrouw Muller!—zegeviert dien dag over al de Olympiërs, en onderwerpt ieder met Zeus incluis aan zijne macht! Hij wil dezen zijn bliksem niet teruggeven, voordat al de goden de opperheerschappij zijner moeder hebben erkend. Mars wordt voor goed geketend tot groote blijdschap van Apollo en zijne negen zusters....”
„Komen al de Muzen op het tooneel?”—vraagt Betsy.
„Zoo'n groot personeel kan ik u niet aanbieden. Onze krachten zijn beperkt. Apollo treedt als vertegenwoordiger zijner zusters op.... misschien had ik ongelijk niet aan Polyhymnia te denken....”
Betsy glimlachte zoo flauw, dat André het niet waagde haar zijne meening duidelijker te maken.
De gang van zaken op het tooneel vorderde alweer zijne tusschenkomst.
Het gold de hulde van al de Olympiërs aan Venus Cytheréa en een woedenden aanval van Hera (mejuffrouw Jans) op Zeus. De houding, de standen, de gebaren der vertooners lieten veel te wenschen over, en André moest lange pooze al zijne oplettendheid wijden aan de repetitie. Betsy, die louter uit nieuwsgierigheid op verzoek van Suze gekomen was, scheen de zaak niet onaardig te vinden; terwijl hare zuster, enkel uit beleefdheid voor de meisjes De Milde verschenen, met groote inspanning den gedurig terugkeerenden lust tot geeuwen onderdrukte.
Na eenige moeite, na eenig over- en weerspreken, kwam eindelijk dit tooneel tot zijn eisch, en ging men verder.
André zette zich haastig weer aan Betsy's zijde, en fluisterde opnieuw:
„Nu komen we tot een conflict. Hera wil niets van Eroos' pretentiën weten, maar Zeus trekt partij voor den knaap, omdat hij als oppergod verplicht is een goed exempel te geven, en zijn woord te houden. Pallas verschijnt als bemiddelaarster. Op haar stuiten al de pijlen van Aphrodite's zoon af—zij stelt voor in dezen twist de scheidsrechterlijke uitspraak op te dragen aan Phoebus Apollo (mejuffrouw Roza) en de negen Muzen. Met algemeene stemmen aangenomen. Apollo velt het volgend vonnis: Hera, Aphrodite en Pallas zullen gezamenlijk de wereld regeeren, Zeus, Mars en Apollo voeren hare bevelen uit. Inzonderheid wordt aan Mars opgedragen al zijne dienaars onder eene dure verplichting te stellen—de uitsluitende hulde aan Eroos en Aphrodite. En nu verloopen er op een machtwoord van Zeus twee duizend jaren in ééne seconde .... de onsterfelijke Olympiërs kennen geen tijd. Chronos is lang overleden....”
André kon het niet verder brengen met zijne toelichtingen, want hij werd door een koor van stemmen in de rede gevallen.
Hij zelf moest op het tooneel verschijnen in zijne rol van Hermes, den welbespraakten kleinzoon van Atlas, den boodschapper van goden en menschen.
Het scheen, dat André aarzelde.
Trok Betsy's tegenwoordigheid zijne aandacht af van het door hem zelf geschreven spel? Wilde hij ongaarne zijn zetel aan hare zijde verlaten, of vreesde hij zich belachelijk te maken op het tooneel?
„Hier zullen we de repetitie maar sluiten!”—riep hij met luide stem.—„Wat er nu komt, is altemaal voor mij, en ik ken mijn rol natuurlijk....”
Alle stemmen verhieven zich tegen dit voorstel.
André moest zijne rol vervullen; hoe zouden de anderen weten, wat zij in het slottooneel te doen hadden?
Daar was niet veel tegen in te brengen—André moest spelen.
Betsy zei lachend, dat ze nieuwsgierig was naar het slot, en hierop verscheen André onder de artisten ten tooneele. Het bleek nu, dat hij aan den hoogen raad der Goden verslag had te geven omtrent een gewichtig feit, in Nederland voorvallend den 12den October 1854. Dan zou een dappere zoon van Mars, die in 1831 als vrijwillig schutterofficier aan den tiendaagschen veldtocht deelnam, die zich daartoe met heldhaftige zelfopoffering uit de armen zijner jeugdige gade had losgescheurd, zijne zilveren bruiloft vieren. Nu volgde de historie van 's heeren De Mildes vrijaadje en huwelijk, zeer uitvoerig naar authentieke bronnen bewerkt. Ten slotte werd nog eene ovatie der onsterfelijke Olympiërs aan de zilveren bruid en bruidegom ingelascht, waarbij ieder onsterfelijke met gelukwenschen en verrassingen naar den voorgrond kwam, en alles zich oploste in een „combat de générosité” tusschen Aphrodite en Mars. Beide hemelingen verklaarden, dat de zilveren bruigom zijn of haar allergetrouwste dienaar in Nederland mocht heeten, waarop Hera en Pallas als hoogste autoriteiten van den Olymp het pleit beslisten door te verzekeren, dat de zilveren bruigom gedurende vijf en twintig jaren „de allergetrouwste dienaar” der Cythereïsche Venus geweest was.
Zoodra de repetitie afgeloopen was, zorgden de beide oudste De Mildes, dat al de sporen ervan verdwenen. Mevrouw De Huibert oordeelde het een geschikt tijdstip om te gaan, maar Kee en Jans kwamen haar op de gulste manier overstelpen met uitnoodigingen, om een „boterhammetje” te blijven eten. Willemien opperde het plan juffrouw Muller ook eens te doen repeteeren op de piano. André sprak er met geestdrift over, en Betsy liet zich verbidden. Toen Betsy zich voor de ouderwetsche piano neerzette, zweeg ieder, zelfs de luidruchtige Van Houweningen onthield zich van schaterlachen.
André plaatst zich naast het jonge meisje, en staart met kwalijk onderdrukte bewondering naar de kunstenares, die begint het gebrekkige werktuig tot een nieuw leven te doen ontwaken. Betsy vergeet het gezelschap, en draagt een paar schoone muzikale gedachten voor. Een glimlach beweegt hare lippen—een vonk van geestdrift tintelt in haar oog. Oningewijden mochten misschien de fijnheid en zekerheid van haar spel niet naar waarde kunnen beoordeelen, allen luisterden met eerbiedige stilte. André is opgetogen. De tonen van het klavier dringen in zijn hart als eene tooverhymne, die hem opheft naar een fantastisch Eden, waar alles schittert van kleur, alles ademt van geur, alles jubelt van lust. Een dorst naar het oneindig Schoone en Verhevene doordringt zijn gemoed—zijne ademhaling versnelt zich, een traan begint in zijn oog te parelen....
Daar zwijgt de muziek. Allen komen om strijd Betsy bedanken. André blijft ter zijde staan. Toen zij even naar hem omzag, straalde uit zijn vochtig oog zooveel bewondering, dat zij schielijk het hoofd wendde, en met een vluchtig blosje de al te luidruchtige hulde der heeren Tulk en Van Houweningen beantwoordde.
De deur der tuinkamer wordt voorzichtig geopend.
De heer De Milde vraagt op nederige wijze vergunning, of hij even mag binnenkomen? Daar werd zoo mooi .... zoo beeldig mooi gespeeld, dat hij nieuwsgierig geworden was, en, als de dames en heeren het niet kwalijk namen, dan.... Kee, Jans en Willemien komen hem te gemoet in feestelijke stemming alsof de bescheiden lachende man reeds zilveren bruigom was, en stellen hem voor aan den jongen Van Houweningen, den eenige, die hem onbekend is. De heer De Milde, op het deftigst gedost in 't zwart met zijne glanzigste satijnen sjaaldas en schitterendste diamanten speld, gaat daarna vol drukte juffrouw Muller voor de kostelijke muziek danken, en roept als in één adem:
„En wat zullen de dames en heeren gebruiken .... Rhijnschen wijn of rooden wijn.... Jans! Schenkt niemand hier in?”
Kluchtig bijna van bewegelijkheid wipte hij weg, en kwam terstond terug met mama De Milde, die op hare beurt gevolgd werd door eene knappe kamermaagd—deze laatste belast met eene eerbiedwekkende hoeveelheid flesschen, karaffen en glazen. De vrouw des huizes was even deftig gekleed als haar man in eene zwierige, maar door vetvlakken ontwijde, grijze japon, en had hare prachtigste muts met splinternieuwe azuurkleurige linten opgezet. Druk sprekend boog zij voor het gezelschap op ouderwetsche, stuipachtige wijze, en ving zij onmiddellijk aan iedereen te bedienen.
De gezelligheid nam nu hand over hand toe. Vroolijkheid blonk uit ieders oog. De jongejuffrouwtjes Roza en Louise, die weer volop mochten spreken, daar papa en mama waren binnengesmokkeld, draafden in 't rond met flesschen wijn en weerden zich dapper door inschenken. De heeren Tulk en Van Houweningen maakten fatsoenshalven een klein ziertje het hof aan Kee en Jans, die de echo's der tuinkamer wakker riepen met haar giggelend gebabbel. De heer De Milde, volkomen tevreden over „quantiteit” en „qualiteit” der ververschingen, zette zich aan de tafel naast mevrouw De Huibert, om recht op zijn gemak over allerlei Haagsche familiën en historiën van vroegeren datum te keuvelen. Zoodra Suze toevallig genoopt werd een oogenblik in den kring der De Mildes door te brengen, was het bijna zeker, dat zij met den ouden heer een levendig gesprek aanknoopte. Deze laatste was op de hoogte van heel het Haagsche leven uit vroeger of later tijd. Suze stelde het meest belang in familiën met aristocratische namen, en de heer De Milde gaf zoo uitvoerig verslag over allerlei levensbijzonderheden van Haagsche grooten, alsof hij dagelijks hun drempel betrad.
Bij de ouderwetsche piano was een gezellig hoekje der tuinkamer, daar men er zich in de onmiddellijke nabijheid der gepoeierde heeren en dames van het behangsel op een deftigen leunstoel neerzetten en het geheele vertrek overzien kon. Toevallig misschien had Betsy, na de levendige „ovatiën” haar met geestdrift gebracht, zich op dien fauteuil neergezet, om aan al te luide lofredenen te ontkomen. Minder toevallig mocht het genoemd worden, dat André zich op het pianostoeltje plaatste, om met haar een afzonderlijk gesprek bijna onder vier oogen aan te knoopen. Bijna onder vier oogen, want mevrouw De Milde bemoeide zich uitsluitend met de versnaperingen, die nu niet alleen in vloeibaren staat, maar ook in den vasteren vorm van boterhammen met zalm of gehakt werden aangeboden. Suze verdiepte zich met den „ouden heer” steeds verder in de genealogiën van Voorhout en Vijverberg. Roza en Louise wijdden al hare studie aan de „sandwiches”, en de beide oudsten, Kee en Jans, hadden alleen oogen voor hare broeders-acteurs, die zoo talentvol de rollen van Zeus en Mars vervulden.
Zoo stond het André vrij met Betsy eene lange pooze te spreken .... bijna onder vier oogen!
Bijna .... want wat verder ter zijde bij de deur der suite staat Willemien, geheel alleen, door niemand bespied, aan zich zelve overgelaten. Zij heeft zich meester gemaakt van de „Oprechte Haarlemmer”, die Zondags op de piano blijft zwerven. Zij leunt tegen den wand en houdt de krant uitgespreid, zoodat niemand een blik op haar gelaat kan werpen.
Arme Willemien! Zij zou in André's tooverkluchtspel de rol van de godin der wijsheid vervullen, en nu moest ze zich met alle macht bedwingen geene dwaasheid te doen. Zij zag door haar „Haarlemmer” heen de schitterende oogen van den jonkman, terwijl hij Betsy fluisterend toesprak over den betooverenden invloed der muziek—terwijl hij duidelijk hoorbaar zeide:—„Nu ik u heb hooren spelen, juffrouw Muller! is het mij of ik een nieuw gezang ken, dat ik in mijn hart moet bewaren!”—terwijl eenige oogenblikken later Betsy hem toch doodeenvoudig verzocht haar telkens niet zoo deftig „juffrouw” Muller te noemen....
Arme Willemien! Zij volgde dit gesprek, 't welk duidelijk verried, hoe de harten der beide jongelieden met half onbewuste sympathie, half bewuste genegenheid elkander begonnen tegen te kloppen .... en niemand lette op haar bitter verdriet, op hare wanhoop.... Zij had het luid willen uitschreeuwen:—„André is een bedrieger!”—maar zij durfde niet, want het was eigenlijk niet eens waar.... André had nooit tot haar met zooveel uitdrukking, zoo eerbiedig, zoo nederig gesproken....
Het was niet, om uit te houden....
Snel en onhoorbaar opent zij de deur der suite, en trekt zich in de duisternis terug, om luid weenend op eene sofa neer te vallen.
Arme Willemien! Niemand merkte het op, niemand miste haar. Het geheele gezelschap koutte, lachte en schertste, terwijl bittere tranen van spijt haar langs de magere wangen biggelden....
De Secretaris-generaal ad-interim.
Sinds het voorjaar van 1854 was er zeer veel veranderd bij het besturend personeel aan 't ministerie van Buitenlandsche Zaken.
Baron Van Berenvelt, de door ieder hooggeschatte secretaris-generaal, was door een lichten aanval van beroerte getroffen. In Den Haag leefde zeker niemand, die bij de meest uiteenloopende kringen der maatschappij zoo algemeen gezien was. Met groot genoegen hoorde men, dat de toestand van den achtenswaardigen man niet hopeloos scheen. Langzaam herstellende keerde hij in het begin van September van zijne villa bij Utrecht terug. Freule Adèle had haar vader gaarne langer buiten willen houden, zijn eigenaardige toestand maakte dit evenwel niet raadzaam.
De secretaris-generaal hing met hart en ziel aan zijne betrekking. Zoodra hij zich wat beter gevoelde, wilde hij weten, hoe de zaken aan het ministerie stonden. Zijn hoofd was gelukkig helder, maar zijne groote bezorgdheid voor zijne ambtelijke bezigheden maakte hem onrustig. De minister had de tijdelijke waarneming zijner „functiën” aan den referendaris Van Reelant opgedragen. Deze laatste was daardoor bijna onmisbaar voor den heer Van Berenvelt geworden. Voortdurend had de uiterst beleefde referendaris zich kleine uitstapjes naar Utrecht getroost. Toen de familie zag, dat de heer Van Berenvelt na de bezoeken van den referendaris voortdurend kalmer en rustiger werd, kon men bij aanhoudende beterschap den ijverigen secretaris-generaal niet langer tegenwerken. Hij wilde volstrekt naar Den Haag terug, dan kon hij Van Reelant dagelijks raadplegen. Hij beloofde aan zijne dochter Adèle, dat hij verstandig genoeg zou wezen, om niet onmiddellijk naar het ministerie terug te gaan; hij verlangde alleen in de nabijheid te zijn; hij klemde zich met beide handen aan den zetel van secretaris-generaal. Bijna een heel leven lang had Baron Van Berenvelt, schijnbaar onopgemerkt, maar des te vruchtbaarder en invloedrijker gearbeid. Hij werd bij de verschillende staatkundige partijen als een hoogst bekwaam en schrander man geacht. Dat zijne noodlottige ziekte hem ongeschikt zou kunnen maken voor bezigheden, die hem allengs dierbaar en noodzakelijk waren geworden, liet hij zich door niemand opdringen.
Zoo was het geschied, dat Van Reelant nu al vijf maanden de betrekking van secretaris-generaal ad-interim vervulde. Aan het ministerie heerschte daarover in het geheim de grootste ontevredenheid. Ieder wist, dat Van Reelant een witten voet had bij den minister. Men durfde zich daarom niet openlijk verzetten tegen zijn bestuur. Met de uiterste nauwkeurigheid en de overdrevenste zorg waakte de nieuwe man, een groot jaar nog maar werkzaam aan het ministerie, over de plichtsbetrachting van ambtenaren, die er sedert jaren den eentonigen gang der dagelijksche werkzaamheden volgden. Het geheele ministerie was in rep en roer, sedert Van Reelant voorloopig de plaats van den heer Van Berenvelt bekleedde. Hoogere en lagere ambtenaren gehoorzaamden morrend aan allerlei nieuwe voorschriften, inbreukmakend op hunne vrije beweging.
De secretaris-generaal ad-interim verscheen met klokslag van tien uur op het ministerie. Daar de minister des zomers altijd eenige weken in Gelderland toefde, was het practisch beleid van zaken sinds primo September in Van Reelant's handen. Zoodra hij zijne kleine, nette kamer heeft bereikt, stelt hij een onderzoek in naar de ambtenaren, en vraagt hij wie afwezig is. De heeren fluisteren elkander toe, dat hij eene lijst nahoudt van absenten en telaatgekomenen; menigeen heeft zich overtuigd, dat die lijst bestaat, als de secretaris-generaal ad-interim hem doet roepen, en op koud-beleefden toon verzoekt, aan het ministerie de eer zijner tegenwoordigheid in 't vervolg wat vroeger te willen gunnen.
Geen aangenamer oogenblik van den dag voor al de levende zielen op het ministerie dan des middags te kwart na twaalf. Dan gaat Van Reelant voor een kwartier, een half uur of langer, „confereeren” met den uiterst langzaam herstellenden Baron Van Berenvelt. Nadat deze laatste in Den Haag en zijn huis op den Vijverberg was teruggekomen, bleek het duidelijk, dat hij te veel van zijne krachten gehoopt had. Een gevoel van uitputting en lichte duizelingen kwelde hem, zoodat volstrekte rust noodzakelijk was. Alleen een kort gesprek met zijn voorloopigen plaatsvervanger was alles, wat men hem konde toestaan. En toch verlangde de heer Van Berenvelt niet sterker naar den dag, waarop hij, geheel hersteld, zijn zetel in het ministerie weer zou mogen bezetten, dan al de ambtenaren hoog en laag, van den „chef de cabinet” tot aan den nederigsten „boute-feu”.
Terwijl Buitenlandsche Zaken aldus zuchtten onder de afwezigheid van den algemeen beminden secretaris-generaal, gebeurde het op den middag van 13 October 1854, dat wederom stipt kwart na twaalf de bel klonk in de kamer van zijn plaatsvervanger.
Bij het binnentreden van den bode vroeg van Reelant:
„Is meneer De Witt gekomen?”
„Nog niet, meneer!”
„'t Is wel! Ik zal binnen een kwartier terug zijn! Laat de tafel in orde brengen!”
De bode knikte.
Een paar borden, een witte porseleinen kop verrieden, dat Van Reelant uit vurigen dienstijver nog altijd zeer eenvoudig „dejeuneerde” in zijne kamer.
De bode wilde juist aan meneer Van Reelant mededeelen, dat het hard regende, doch toen hij zag, dat de nette meneer met de nette zwarte jas en blinkenden, zwarten hoed een zoo mogelijk nog netter zwartzijden regenscherm ter hand nam, zweeg hij. Buitengewone beleefdheid was overbodig met dezen norschen heer, die altijd op denzelfden hoogen toon sprak, en nooit glimlachte.
Van Buitenlandsche Zaken naar den Vijverberg is maar eene kleine wandeling, en toch woelde er eene lange reeks van allerlei gedachten door Van Reelant's hoofd. Naar de lucht opziende boven de vervallen gebouwen van het oude stadhouderlijke kwartier trof hem de grauwe kleur der schielijk door het zwerk voortjagende wolkstapels. De westenwind woei soms boven de Gevangenpoort een klein plekje open, waardoor vriendelijk blauw schitterde, maar de zon bleef achter een dicht floers verborgen, en de hardnekkige najaarsregen viel ongestoord. De pannen en de muren glommen van het neerstroomend vocht; de keien op het Buitenhof en de Plaats spiegelden elk voorwerp met bijzondere nauwkeurigheid af; de plassen tusschen de steenen ontvingen de scherpe regenstralen onder opborrelend spatten. De felle wind rimpelde de oppervlakte van den Vijver, en joeg de eenden, die met luid gekwaak wegzwommen, onder de beschermende schaduwen van het eilandje. Alleen de zwanen dreven trouw en statig naast elkander over den bewogen waterspiegel, en gaven om wind noch regen.
Van Reelant poogde zich onder zijne parapluie voor nat worden te bewaren, maar achtte evenmin op de guurheid van den regenachtigen Octoberdag. Hij dacht aan vrij wat belangrijker onderwerpen. Het toeval had gewild, dat hij plotseling geroepen werd tot waarneming der „functiën” van secretaris-generaal. Men moest erkennen, dat hij er niet mee schertste. De minister had hem zijn volle vertrouwen geschonken, en de Baron Van Berenvelt zou geen vier en twintig uren hebben kunnen doorbrengen zonder hem te raadplegen. Met tooverachtige snelheid was hij zoo hoog gestegen, waren zijne vurigste wenschen verhoord. Hij had geene moeite, geene inspanning gespaard—dat was waar. Niemand twijfelde meer aan zijne hooge achtenswaardigheid, aan zijne diplomatische bekwaamheid; het naijverige Haagsche publiek, zoo wantrouwend jegens vreemdelingen, roemde hem reeds als een zijner edelste sieraden. De voorzichtige praktijk van zwijgen had hem bemind gemaakt bij al de deftige en invloedrijke heeren; zijn trouw kerkbezoek en zijne nette handschoenen hadden het hart der oude, aanzienlijke dames gewonnen. Om de jongeren van beide sexen bekreunde hij zich minder, en toch was het opmerkelijk, dat ook dezen nog nimmer lust gevoeld hadden met Van Reelant te schertsen. Ieder hield het er nog steeds voor, dat hij zeer „serieus” was, en zeer „serieus” bleef.
Hij had met buitengewonen ijver alles bestudeerd wat tot zijn ambt in verband stond. Hij gaf alleen „advies”, wanneer het door een zijner chefs gevraagd werd, maar dan zorgde hij er voor iets buitengewoons te kunnen zeggen. Gedurende den vorigen winter was hij aan het Hof voorgesteld, en sedert dat tijdstip bestond er geene familie uit de oude Haagsche aristocratie, of uit het corps diplomatique, welke hem niet onder hare meest gezochte gasten telde. Van Reelant was, om zijne eigen uitdrukking te gebruiken, volkomen „gelanceerd” in de beste Haagsche kringen; zijne betrekking was eervol; hem ontbrak niets dan .... fortuin. En daar het zijne door den eigenaardigen gang van zaken verbrokkeld was, betaamde het hem ieder verstandig middel aan te grijpen, om het weder op te bouwen.
Zou Adèle van Berenvelt hem daartoe hare hand willen bieden? Hij twijfelde er niet aan, wanneer de omstandigheden bleven medewerken. Tijdens de laatste vijf maanden had hij groote vorderingen gemaakt. De familie Van Berenvelt had zijn trouwen ijver nimmer tevergeefs op de proef gesteld. Adèle toonde zich dankbaar, en behandelde hem als een goed, oud vriend. Zij raadpleegde met hem in alles, waar het op het belang en de gezondheid van haar vader aankwam. Dikwijls hadden zij zonder eenige getuigen noch eenigen schroom familiaar als broeder en zuster gesproken. De afstand tusschen beiden was aanmerkelijk ingekrompen. Zij hadden te zaam den hulpbehoevenden lijder verpleegd in het begin zijner plotselinge ongesteldheid. Adèle had nimmer op Van Reelant's tegenwoordigheid of goeden raad behoeven te wachten—hij had zich zoo onontbeerlijk gemaakt als een ijzeren wil en een bedachtzame tact vermochten. Reeds was het hem gelukt den Baron op kiesche wijze zijn oogmerk te doen vermoeden, en terstond bleek het hem, dat zijne kansen uitmuntend mochten genoemd worden.
Adèle sprak met gulle hartelijkheid en zonder eenige gedwongenheid, als zij saam onder vier oogen waren. Zijne eerbiedige hoffelijkheid stiet haar nooit tegen de borst; zij had er niet aan gedacht hem het stilzwijgen op te leggen. Evenwel scheen het hem nog zeer moeilijk te bepalen, of hare vriendelijke genegenheid ooit tot een dieper, een inniger leven zou ontwaken, of hij het hart zou winnen van een zoo fier, zoo onafhankelijk, denkend meisje, als Adèle.... Hem ergerde het daarbij 't meest, dat hij zelf zoo weinig durfde wagen uit vrees alles met één slag te bederven.
Toen hij bij Baron Van Berenvelt aanschelde, trad er eene dame de stoep op, voor wier parapluie hij beleefd ter zijde ging, terwijl hij deftig groette. Zij droeg een uiterst eenvoudig kostuum, maar zag er bekoorlijk uit met hare lange, donkerblonde krullen en schrandere oogen. Het was de pianojuffrouw van freule Albertine; hij had haar meermalen in het voorbijgaan ontmoet, maar vereerde zijne oude kennis Betsy Muller Belmonte alleen met een stijf knikje. Bij het binnentreden liet hij haar voorgaan, en verloor haar oogenblikkelijk uit het oog. De lakei bracht hem met alle mogelijke bewijzen van eerbied naar de studeerkamer van den Baron.