DERDE BEDRIJF.

(Vertrek van Judith).

Judith (zit, in verwaarloosde kleeding, met asch bestrooid, ineengedoken terneer).

Mirza (treedt binnen en blijft naar haar kijken). Zoo zit zij nu al drie dagen en drie nachten. Zij eet niet, drinkt niet, spreekt niet. Ze zucht of klaagt niet eens. „'t Huis staat in brand!” schreeuwde ik haar gisterenavond toe en deed alsof ik geheel van streek was. Zij vertrok geen spier en bleef zitten. Ik geloof dat zij het liefst zou hebben dat men haar in een kist pakte, den deksel dichtspijkerde en wegdroeg. Zij hoort alles wat ik hier spreek, maar zegt er toch niets op. Judith, moet ik den doodgraver bestellen?

Judith (wenkt haar met de hand om heen te gaan).

Mirza. Ik ga al, maar alleen om dadelijk weer terug te komen. Om u vergeet ik den vijand en alle ellende. Als er een den boog op mij aanlegde, ik zou het niet merken zoolang ik u hier zoo levend-dood zag zitten. Eerst was u zoo moedig dat de mannen zich voor u schaamden en nu... Ephraim had gelijk. Hij zeide: zij daagt zichzelf uit om haar vrees te vergeten. (Af).

Judith (op de knieën vallend). God, God! Het is mij of ik u bij een slip moest vastgrijpen, als iemand die dreigt mij voor eeuwig te zullen verlaten. Ik wilde niet bidden, maar ik mòet bidden, zooals ik adem moet halen wil ik niet stikken. God, God! waarom buigt ge u niet tot mij terneer? Ik ben immers te zwak om tot u op te klimmen? Zie, hier lig ik, als buiten de wereld en buiten den tijd; ik wacht met angst op een wenk van u die mij heet op te staan en te handelen. Jubelend zag ik het dat het gevaar ons naderde, want voor mij was het niets dan een teeken, dat ge u zelf verheerlijken wildet voor uw uitverkorenen. In sidderende verrukking merkte ik dat wat mìj ophief de anderen terneer wierp, want het leek mij of uw vinger genaderijk op mij wees, of uw triomf van mìj moest uitgaan. Met vervoering zag ik dat hij, wien ik het groote werk wilde afstaan om in deemoed het hoogste offer te brengen, laf en sidderend als een wurm in het slijk van zijn armzaligheid schuilkroop. „Jij bent 't, jij bent 't!” riep ik mijzelf toe, en ik wierp mij voor u neer en zwoer met een duren eed nooit meer op te staan tenzij eerst dan wanneer ge mij den weg tot het hart van Holofernes gewezen had. Ik luisterde naar mijn eigen binnenste, omdat ik dacht dat een vernietigende bliksem uit mijn ziel zou te voorschijn schieten; ik luisterde naar de wereld buiten, omdat ik dacht: een held heeft je overbodig gemaakt. Maar in mij en buiten mij blijft het donker. Slechts één gedachte kwam in mij op, slechts ééne; ik speelde er mee en zij keert aldoor terug. Maar zij kwam niet van u. Of kwam zij wél van u? (zij springt op) Zij kwàm van u! De weg tot mijn daad leidt door de zonde! Dank, dank, mijn Heer! Gìj maakt mijn oogen ziende. Voor u wordt het onreine rein; zoo gij tusschen mij en mijn daad een zonde plaatst, wie ben ik dat ik daarover met u zou mogen twisten, dat ik zou trachten mij er aan te onttrekken? Is mijn daad niet zooveel waard als zij mij kost? Mag ik mijn eer, mijn onbevlekt lichaam, méér liefhebben dan u? O, 't is of er een knoop in mij wordt losgemaakt. Gij hebt mij schoonheid gegeven, nù weet ik waartoe! Gij hebt mij een kind ontzegd, nú voel ik waarom en verheug ik mij dat ik mijn eigen wezen niet dubbel behoef lief te hebben. Wat ik vroeger voor een vloek hield, zie ik nu als een zegen! (zij treedt voor den spiegel) Wees mij gegroet, mijn beeld! Schaamt u, gij wangen, dat ge nog niet gloeit; is de afstand tusschen u en mijn hart dan zoo groot? Oogen, ù prijs ik, ge hebt vuur gedronken en zijt bedwelmd! Arme mond, u verwijt ik het niet dat ge bleek zijt; kussen moet ge de Ontzetting (zij gaat van den spiegel heen). Holofernes! dit alles behoort ù, ik heb er geen deel meer aan; ik heb mij diep in mijn binnenste terug getrokken. Neem het, maar sidder als ge het hebt. Ik zal, op een oogenblik dat ge 't niet kunt denken, uit mij zelf schieten als een zwaard uit zijn scheede en met uw leven mij doen betalen! Moet ik u kussen, ik zal mij verbeelden dat het geschiedt met vergiftigde lippen: als ik u omhels zal ik denken dat ik u wurg. God! laat hem gruweldaden begaan voor mijn oogen, bloedige gruweldaden. Maar spaar mij, dat ik niets goeds van hem zie!

Mirza (binnen komend). Riept ge mij, Judith?

Judith. Neen... ja toch. Mirza... je moet mij tooien.

Mirza. Wilt ge niet eten?

Judith. Neen, ik wil dat je mij aankleedt.

Mirza. Eet, Judith. Ik kan het niet langer uithouden.

Judith. Jij?

Mirza. Ja. Toen u zoo niets meer eten of drinken wilde, zwoer ik: dan wil ik het ook niet. Ik deed het om u te dwingen; als ge geen medelijden had met uzelf, zoudt ge het wel met mij krijgen. Ik heb 't u gezegd, maar ge hebt het zeker niet gehoord. Het zijn nu drie dagen.

Judith. Ik wilde dat ik zooveel liefde waard was.

Mirza. Laat ons eten en drinken. Het zal wel gauw de laatste keer zijn, tenminste het drinken. De leidingen naar de bron zijn opgebroken, ook de kleine bronnen bij den muur zijn niet meer te bereiken, ze worden door soldaten bewaakt. Toch zijn er al een paar naar buiten gegaan, die zich liever lieten dooden dan nog langer dorst te lijden. Men zegt dat één, reeds doorstoken, stervend naar de bron kroop om zich nog ééns te laven, maar vòòr hij het water, dat hij al in de hand had, aan de lippen kon brengen, gaf hij den geest. Niemand was op deze wreedheid van den vijand bedacht geweest; daardoor was het gebrek aan water in de stad dadelijk ook zoo algemeen. Wie ook maar een beetje heeft, houdt het verborgen als een schat.

Judith. O, gruwelijk, inplaats van het leven dat men niet nemen kan, de voorwaarde des levens te nemen! Slaat dood, moordt en brandt, maar ontrooft den menschen niet, midden in den overvloed der natuur, het meest noodige. O, ik heb al te lang gedraald.

Mirza. Ephraim heeft mij water voor u gebracht. Daaraan kunt ge zien hoe hij u liefheeft. Zijn eigen broeder heeft hij het geweigerd.

Judith. Bah! Die behoort tot diegenen, die zelfs dan zondigen als zij iets goeds willen doen.

Mirza. Mij beviel dit ook niet; maar u bent toch te hard tegen hem.

Judith. Neen zeg ik je, neen! Iedere vrouw heeft het recht van iederen man te eischen dat hij een held is. Is het je niet, wanneer je er een ziet, als zag je wat je zelf zijn wìlde, zijn mòest? Een man kan een ander zijn lafheid vergeven, een vrouw nooit. Vergeef je 't een kruk als zij breekt? Je vergeeft het je zelf nauwelijks dat je er een noodig hebt.

Mirza. Maar mocht ge wel verwachten dat Ephraim uw bevel zou gehoorzamen?

Judith. Van iemand die de hand al had opgeheven tegen zichzelf, die daardoor zijn leven vogelvrij gemaakt had, mocht ik het verwachten. Ik sloeg hem als een kiezelsteen, waarvan ik niet wist of ik hem houden zou of wegwerpen. Had hij een vonk gegeven... die vonk ware in mijn hart gesprongen. Maar nu schop ik den armzaligen steen met mijn voet.

Mirza. Maar hòe had hij 't dan toch moeten doen?

Judith. Een schutter die vraagt hoe hij moet schieten, zal niet raken. Doel... oog... hand... zoo moet het! (met een blik ten hemel) O, ik zag het boven de wereld zweven als een duif die een nest zoekt om te broeden, en de eerste ziel die uit haar verstijving gloeiend openging, moest de verlossingsgedachte ontvangen. Maar kom, Mirza, ga eten en tooi mij daarna.

Mirza. Ik wacht zoolang als gij wacht!

Judith. Je ziet me zoo droevig aan. Welnu, ik ga met je mede! Maar daarna toon je eens al je vaardigheid en zul je mij tooien als voor een bruiloft. Neen, glimlach niet: Schoonheid is nu mijn plicht. (Af).


(Een openbaar plein in Bethulië. Veel volk. Een groep jonge burgers, gewapend).

Een burger (tot een ander). Wat zeg je, Ammon?

Ammon. Ik vraag je, Hosea, wat beter is, de dood door het zwaard, die zoo gauw komt dat hij je in het geheel geen tijd laat hem te vreezen en te voelen, of dit langzaam verdorren dat ons te wachten staat?

Hosea. Ik zou je wel antwoorden, als mijn keel maar niet zoo droog was. Door spreken krijg je nog erger dorst.

Ammon. Je hebt gelijk.

Ben (een derde burger). Je komt er nog toe jezelf te benijden om die paar druppels bloed die nog door je aderen kruipen. Ik zou mijzelf als een vat kunnen aftappen. (hij steekt den vinger in den mond).

Hosea. Het is tenminste goed, dat je door den dorst den honger vergeet.

Ammon. Nu, te eten hebben we nog wel.

Hosea. Hoe lang zal 't duren? Vooral als we kerels als jij onder ons dulden, die meer proviand in hun maag dan op hun schouders kunnen dragen.

Ammon. Ik teer van mijn eigen goed. Dat gaat niemand wat aan.

Hosea. In oorlogstijd is alles gemeen. Jij en jouwsgelijken moesten op de posten waar de meeste pijlen vallen. Eigenlijk moesten de schransen altijd naar 't front; overwinnen ze, dan heeft men 't niet hen maar de ossen en gemeste kalven te danken, wier merg in hen woedt; komen zij om, dan is 't ook een voordeel.

Ammon (geeft hem een oorvijg).

Hosea. Denk maar niet dat ik teruggeef wat ik ontvang. Maar onthoud dit: als je in gevaar komt, verwacht dan van mij niet, dat ik je zal bijspringen. Ik laat het aan Holofernes over mij te wreken.

Ammon. Ondankbare! Iemand slaan beteekent een pantser voor hem smeden uit eigen huid. De oorvijg van heden maakt je ongevoelig voor die, welke je morgen krijgt.

Ben. Jelui bent dwazen. Staat daar te twisten en vergeet dat je dadelijk naar de wallen moet.

Ammon. Neen, wij zijn juist verstandige kerels: zoolang we met elkaar twisten, denken we niet aan onze ellende.

Ben. Komt, komt, we moeten hier vandaan.

Ammon. Ik weet niet of 't niet maar beter was dat we de poorten voor Holofernes openden. Hem, die dat deed, zou hij zeker niet dooden.

Ben. Dan zou ìk hem dooden. (Alle drie af).

(Twee andere burgers).

Een burger. Heb je weer een nieuw gruwelstuk van Holofernes gehoord?

Ander burger. Ja.

Een burger. Waar haal je 't toch vandaan? Maar vertel.

Ander burger. Hij stond met een van zijn hoplieden geheime zaken te bespreken. Opeens ziet hij in zijn nabijheid een soldaat. „Heb je gehoord,” vraagt hij dien, „wat ik gezegd heb?” „Neen” antwoordt de vent. „Dat is je geluk,” zegt de tyran, „anders liet ik je je kop afslaan, omdat er ooren aanzitten”.

Een burger. Zou je niet meenen dood te zullen neervallen als je zoo iets hoort? Dat is het verschrikkelijkste van angst, dat hij je maar half doodt, niet heelemaal.

Ander burger. Gods lankmoedigheid is mij onbegrijpelijk. Als hij zulk een heiden niet haat, wien zal hij dan wèl haten? (zij gaan voorbij).

(Samuel, een stokoude grijsaard, door zijn kleinzoon geleid, komt op).

Kleinzoon. Zingt den Heer een nieuw lied, want zijn goedheid duurt eeuwiglijk.

Samuel. Eeuwiglijk! (hij gaat op een steen zitten) Samuel dorst, mijn kleinzoon; waarom ga je niet een frisschen dronk voor hem halen?

Kleinzoon. Grootvader, de vijand staat voor de stad! Alweer had hij het vergeten!

Samuel. De psalm! luider! Waarom blijf je steken?

Kleinzoon. Getuig van den Heer, o jongeling, want ge weet niet of ge een grijsaard wordt. Prijs hem, o grijsaard, want ge werd niet oud om te verzwijgen wat de barmhartigheid aan u heeft gedaan.

Samuel (boos). Geeft de bron niet zooveel water meer als Samuel noodig heeft, wanneer hij voor het laatst wil drinken? Kan mijn kleinzoon niet scheppen al is de middag heet?

Kleinzoon (zeer luid). Zwaarden bewaken de bron, speren blinken, de heidenen hebben groote macht over Israël!

Samuel (opstaand). Niet over Israël! Wien zocht de Heer, toen hij golven en winden macht gaf over het scheepken, dat het op en neder danste? Niet den man die aan het roer zat, noch een ander. Doch den weerspannigen Jonas alleen, die rustig sliep. Uit het veilige schip joeg hij hem in de stormende golven, uit de golven in Leviathan's muil, uit den muil van het ondier door de klippen zijner tanden in zijn donkeren buik. Maar, toen Jonas boete deed, was de Heer toen niet sterk genoeg hem weer uit den buik des Leviathan's te verlossen? Staat op, gij verborgen boosdoeners, die slaapt in uzelve, gelijk Jonas sliep! Wacht niet tot de teerling over u wordt geworpen; komt te voorschijn en spreekt: Wij zijn het, opdat niet de onschuldige verdelgt worde met den schuldige. (hij grijpt zich in den baard) Samuel versloeg Aäron! Scherp was de spijker, week waren de hersenen, diep was Aäron's sluimer in den schoot zijner vrouw. Samuel nam Aäron's vrouw en teelde Ham met haar; maar zij stierf van ontzetting toen zij het kind zag, want op het hoofd droeg het kind het teeken van den spijker, als het hoofd van den doode. En Samuel ging in tot zichzelf en keerde zijn aangezicht tegen zichzelf.

Kleinzoon. Grootvader, grootvader! Uzelf bent Samuel en ik ben de zoon van Ham.

Samuel. Samuel schoor zich het hoofd en plaatste zich voor zijn deur, wachtend op wraak, zooals men wacht op het geluk. Zeventig jaren en langer, tot hij zijn dagen niet meer vermocht te tellen. Maar de pest ging voorbij zonder dat haar adem hem trof; en de ellende ging voorbij, zonder hem aan te raken. De wraak kwam niet vanzelf en hij had den moed niet haar te roepen.

Kleinzoon. Kom, kom! (hij leidt hem terzijde).

Samuel. Zoon van Aäron! waar zijt ge, of zoon van zijn zoon, of zijn broeder? Waarom voelt Samuel niet den stoot uwer handen noch den schop uwer voeten? Oog om oog, sprak de Heer, tand om tand, bloed om bloed!

Kleinzoon. Aäron's zoon is dood en de zoon van zijn zoon, en zijn broeder, het gansche geslacht.

Samuel. Bleef dan geen wreker over? Zijn dit de laatste tijden, dat de Heer de zonde hoogopgeschoten staan laat en de zeisen breekt? Wee, wee! (de kleinzoon leidt hem weg).

(Twee burgers).

Eerste burger. Wat ik je zeg, er is niet òveral gebrek aan water. Er zijn er onder ons die zich niet alleen volzuipen, maar zich zelfs dagelijks een paar keer wasschen.

Tweede burger. O, ik wil 't best gelooven. Ik zal je eens iets vertellen. Mijn buurman Assaph had een geit die vroolijk en wel in zijn tuintje graasde. Ik kijk juist op dat tuintje uit en iederen keer dat ik 't beest met zijn volle uiers zag, werd het mij te moede als een zwangere vrouw. Gisteren zocht ik Assaph eens op en vroeg hem een beetje melk. Toen hij 't mij weigerde, greep ik mijn boog, doodde met een snel schot de geit en zond hem daarna wat ze waard was. Ik deed er goed aan, want de geit verleidde hem tot hardvochtigheid jegens zijn naaste.

Eerste burger. Zoo'n streek was van jou te verwachten. Heb je niet als klein kind al eens een maagd tot moeder gemaakt?

Tweede burger. Wat?

Eerste burger. Zeker. Ben je soms niet de eerstgeborene? (gaan voorbij).

(Een der ouderlingen op).

Ouderling. Hoort, hoort! mannen van Bethulië (het volk verzamelt zich om hem heen). Hoort wat de vrome Hoogepriester Jojakim u door mijn mond weten doet!

Assad (een burger, zijn stommen en blinden broeder bij de hand leidend). Let op, de Hoogepriester verlangt dat wij leeuwen zijn zullen. Dan kan hìj des te beter een haas blijven.

Een ander burger. Laster niet!

Assad. Ik laat geen andere troostredenen gelden dan die ik uit de bron kan scheppen.

Ouderling. Denkt aan Mozes, den dienaar des Heeren, die niet met het zwaard, doch door het gebed Amalek versloeg. Ge moogt niet sidderen voor schild en speer, want één woord des Heeren maakt ze te schande.

Assad. Waar is Mozes? Waar zijn die heiligen?

Ouderling. Moed zult ge scheppen en indachtig zijn dat het Heiligdom des Heeren in gevaar ìs.

Assad. Ik dacht dat de Heer òns beschermen zou. Nu komt het er op neer dat wij Hèm beschermen moeten.

Ouderling. En bovenal moogt ge niet vergeten dat de Heer, zoo hij u laat omkomen, u uwen dood en uw martelingen in uw kinderen en kindskinderen tot in het tiende geslacht kan vergoeden.

Assad. Wie zegt mij hoe mijn kinderen en kindskinderen zullen uitvallen? Kunnen het niet rakkers zijn waarover ik me te schamen heb, die tot mijn schande rondloopen? (tot den ouderling) Man, je lippen beven, je oogen dwalen onzeker, je tanden zouden de klinkende woorden, waarachter je je angst verbergt wel willen verscheuren. Hoe kun je van ons den moed verlangen dien je zelf niet bezit? Ik zal nu eens uit naam van al dezen tot je spreken. Geef bevel om de poorten der stad te openen. Onderworpenheid ontmoet barmhartigheid. Ik zeg het niet voor mijzelf; ik zeg het terwille van dien armen stomme; terwille van de vrouwen en kinderen. (omstanders geven teekenen van instemming) Geef het bevel, dadelijk, of we doen het zonder uw bevel.

Daniël (zich losrukkend). Steenigt hem! Steenigt hem!

Volk. Was die man niet stom?

Assad (vol ontzetting zijn broeder aanziend). Stom en blind! Hij is mijn broeder. Dertig jaar is hij en nooit heeft hij een woord gesproken.

Daniël. Ja, dat is mijn broeder. Hij heeft mij gelaafd met spijs en drank; hij heeft mij gekleed en liet mij bij zich wonen. Hij heeft voor mij gezorgd bij dag en bij nacht. Geef mij uw hand, mijn trouwe broeder. (zoodra hij zijn hand genomen heeft slingert hij haar weer als door ontzetting aangegrepen van zich weg) Steenigt hem! Steenigt hem!

Assad. Wee, wee! de geest des Heeren spreekt uit den mond van den stomme! Steenigt mij, steenigt mij! (Het volk achtervolgt hem, hem steenigend).

Samaja (hen verschrikt naloopend). Wat wilt ge doen! (Af).

Daniël (in vervoering). Ik kom, ik kom, spreekt de Heer. Maar ge moogt niet vragen vanwaar. Meent ge dat het tijd is? Ik alleen weet wanneer het tijd is.

Volk. Een profeet, een profeet!

Daniël. Ik liet u groeien en gedijen als het koren in zomertijd. Meent ge dat ik den heidenen mijn oogst zal overlaten? Waarlijk, ik zeg u, dat zal nooit geschieden! (Judith en Mirza verschijnen onder de burgers).

Volk (zich ter aarde werpend). Heil ons!

Daniël. En al is uw vijand nog zoo groot, ik heb slechts weinig noodig om hem te vernietigen. Heiligt u, heiligt u; want ik wil wonen bij u en zal u niet verlaten, zoo ge mìj niet verlaat. (na een pauze) Broeder, je hand!

Samaja (terugkeerend). Je broeder is dood! Jìj hebt hem vermoord! Dàt was je dank voor al zijn liefde. O, hoe graag had ik hem gered; wij waren vrienden van jeugd af! Maar wat kon ik doen tegen zoo velen die jouw dwaasheid krankzinnig gemaakt had. „Zorg voor Daniël!” riep hij mij nog toe, toen zijn brekende oogen mij herkenden. „Als een gloeiende plicht leg ik dit woord in je ziel.”

Daniël (wil spreken, maar kan het niet; hij kreunt).

Samaja (tot het volk). Schaamt u, dat ge op de knieën ligt, en schaamt u nog dieper, dat ge een edelen man, die het wel meent met u allen, hebt vermoord. Ha! ge hebt hem zòò verwoed vervolgd, als woudt ge in hem uw eigen zonden dood steenigen! Alles wat hij hier tegen den ouderling, niet uit lafheid, maar uit medelijden met uw ellende, heeft gezegd, was al heden morgen tusschen ons afgesproken; de stomme zat er in elkaar gedoken en onverschillig, als altijd, bij; met geen spier verried hij zijn afschuw. (tot den ouderling) Al wat mijn vriend eischte, eisch ik nog; onmiddellijk openen der poorten, onderwerping op genade of ongenade. (tot Daniël) Laat nu zien dat de Heer uit je sprak. Vervloek mij, zooals je je broeder vervloekte!

Daniël (in hoogsten angst, wil spreken, maar kan niet).

Samaja. Ziet ge nu den profeet? Een demon der hel, die u verzoeken wilde, ontzegelde zijn mond, maar God sloot hem weer en sloot hem voor eeuwig. Of kunt ge gelooven dat de Heer de stommen doet spreken om ze tot broedermoordenaars te maken.

Daniël (slaat zichzelf).

Judith (tusschen het volk tredend). Laat u niet in verzoeking brengen. Heeft het u niet aangegrepen als Gods nabijheid en in heiligen ootmoed ter aarde geworpen? En zult ge het dan nu dulden dat men uw diepste gevoel liegen heet?

Samaja. Vrouw, wat wilt ge? Ziet ge niet dat deze man vertwijfelt? Voelt ge niet dat hij vertwijfelen mòet als hij een mensch is? (tot Daniël) Ruk je de haren uit! Stoot je hoofd te pletter tegen den muur, dat de honden je hersens oplikken, dat is het eenige wat je nog op de wereld te doen hebt! Wat tegen de natuur is, dat ìs tegen God.

Volk. Hij heeft gelijk!

Judith (tot Samaja). Wilt ge den Heer den weg voorschrijven dien Hij gaan moet? Reinigt Hij niet iederen weg dààrdoor dàt Hij hem gaat?

Samaja. Wat tegen de natuur is, is tegen God! De Heer deed wonderen onder onze vaderen, onze vaderen waren beter dan wij. Als Hij nù wonderen wilde doen, waarom laat Hij het dan niet regenen? En waarom bewerkt hij niet een wonder in het hart van Holofernes om hem tot den aftocht te bewegen?

Een burger (op Daniël indringend). Sterf, zondaar, die ons er toe verleid hebt ons te bezoedelen met het bloed eens rechtvaardigen.

Samaja (tusschen beiden tredend). Niemand zal Kaïn dooden! Zoo sprak de Heer. Maar Kaïn mag zichzelf dooden. Zoo spreekt een stem in mij. En Kaïn zal het doen! Dit zij u een teeken: leeft deze mensch nog tot morgen, kan hij zijn daad een ganschen dag en een ganschen nacht dragen, doet dan naar zijn woorden en houdt vol tot ge er dood bij neer zinkt of tot een wonder u verlost. Zoo niet, doet dan wat Assad u zeide: opent de poorten en geeft u over. En als ge onder het gewicht uwer zonden niet waagt te hopen dat de Heer het hart van Holofernes zal verzachten, slaat dan de hand aan uzelf, doodt elkander en laat alleen de kinderen in leven. Hen zullen de Assyriërs sparen, want zij hebben zelf kinderen of verlangen ze te krijgen. Maakt er een groote moordpartij van, waarin de zoon den vader neersteekt en de vriend den vriend zijn liefde bewijst door hem de keel af te snijden zonder zich eerst te laten bidden. (grijpt Daniël bij de hand) Den stomme neem ik mee naar mijn huis. (voor zich) Neen zeker, de stad, die zijn broeder wilde redden, mag niet door zìjn razernij te gronde gaan. Ik zal hem in een kamer opsluiten, ik zal hem een blank mes in de hand duwen en zoolang tot zijn geweten spreken, tot hij volbrengt wat ik in naam der natuur en als haar profeet van te voren heb verkondigd. Goddank dat hij slechts stom en blind is en niet òòk doof. (met Daniël af).

Volk (door elkaar). Waarom worden ons de oogen eerst zoo laat geopend. Wij willen niet langer wachten. Geen uur langer! Wij willen de poorten openen. Komt!

Josua (een burger). Wie waren er schuld aan dat wij ons niet verootmoedigden zooals de andere volken? Wie overreedden ons de reeds gebogen nekken weer trotsch omhoog te heffen? Wie heetten ons naar de wolken te kijken en daardoor de aarde te vergeten?

Volk. Wie anders dan de priesters en de ouderlingen?

Judith. O God, nu twisten de rampzaligen met hen die hen van niets tot iets gemaakt hebben!—(luid) Ziet ge in het ongeluk dat u treft slechts een aanleiding om het door uw laaghartigheid te verdienen?

Josua (tusschen de burgers rondgaande). Toen ik van Holofernes' tocht hoorde was mijn eerste gedachte dat we hem tegemoet gaan en om genade smeeken moesten. Wie van jelui dacht daar anders over? (allen zwijgen) Waarvoor kwam Holofernes? Toch alleen om ons te onderwerpen; had hij die onderwerping halfweegs gevonden, dan zou hij den héélen weg niet gekomen zijn, maar rechtsomkeert gemaakt hebben; hij heeft genoeg te doen. Dan zaten we ons nu in vrede aan spijs en drank te vergasten, terwijl ons ellendig leven nù niets anders is dan een vòòrproefje van alle mogelijke martelingen.

Volk. Wee, wee!

Josua. En we zijn onschuldig; we hebben nooit getrotseerd, altijd hebben we gesidderd. Maar Holofernes was nog zoo ver en de ouderlingen en priesters waren dichtbij om ons te bedreigen. Zoo vergaten we den eenen angst door den andere. Weet jelui wat? Laten we de ouderlingen en priesters de stad uitjagen en tegen Holofernes zeggen: Daar heb je de oproerlingen! Ontfermt hij zich over hen, best; doet hij het niet, dan willen we toch liever om hen klagen dan om ons zelf.

Volk. Zal dat ons redden?

Judith. Dat is alsof iemand met het zwaard waarmee hij zich niet kan verdedigen, den wapensmid die het hem gaf, wilde vermoorden.

Volk. Zou het werkelijk helpen?

Josua. Natuurlijk zou het! Hoofd af, heet het, niet voet af of hand af.

Volk. Je hebt gelijk. Dat is de weg.

Josua (tot den ouderling die ernstig heeft toegekeken). Wat zeg je daarvan?

Ouderling. Ik zou er zelf den raad toe geven als 't helpen kon. Ik ben vandaag juist drie-en-zeventig jaar geworden en graag zou ik tot mijn vaderen ingaan; op een paar ademtochtjes meer of minder komt het er niet aan. Wel geloof ik een eerlijk graf verdiend te hebben en ik zou liever in den grond dan in de maag van een wild beest rusten; maar als ge meent dat ik genoeg ben voor u allen, ben ik bereid. Ik schenk u dit grijze hoofd; maar maakt voort, dat de Dood je niet vòòr is en het geschenk hoonlachend in een kuil werpt. Maar sta me toe dit hoofd, dat nu aan u behoort, nog één keer te gebruiken. Niet van mij alleen, van alle ouderlingen en priesters was hier sprake. Zoudt ge niet, éér ge begint te offeren, u de moeite getroosten, de offerdieren te tellen?

Judith (woest). Dit kunt ge aanhooren zonder u op de borst te slaan, zonder u neer te werpen en dien grijsaard de voeten te kussen? O, nu zou ik Holofernes bij de hand willen nemen en binnen de stad leiden, nu zou ik zelf zijn zwaard willen scherpen als het bot werd éér het al deze hoofden had afgemaaid!

Josua. De ouderling sprak listig, heel listig. Verzetten kon hij zich niet, dat zag hij wel. Daarom schikte hij zich in zijn lot en dat op een manier... ik wed dat als de lammetjes spreken konden er geen enkel geslacht zou worden. (tot Judith) U zult stellig de eenige niet zijn die hij geroerd heeft.

Judith. Verzetten kon hij zich niet, maar hij kon je laag plan toch te schande maken, hij kon zich dooden. En krampachtig greep hij naar zijn zwaard, ik zag het wel en trad dichter bij hem om het te beletten; maar dadelijk daarop straalde als een innerlijke zegepraal uit zijn gelaat, hij trok zijn hand terug en zag naar boven.

Ouderling. Ge denkt te edel van mij. Niet op mijzelf, op hèm was het gemunt.

Volk. Je raad is slecht, Josua, we zullen hem niet opvolgen.

Judith. Hebt dank.

Josua. Maar dat de poorten geopend worden, daarop blijft ge toch zeker staan? Bedenkt dat een vijand, wien ge de poorten opent nooit zoo wreed kan zijn als een die ze zelf moet openen. (tot den ouderling) Geef het bevel! Ik wil u vergeving vragen voor mijn voorstel, dat wil zeggen morgen, als ik dan nog leef.

Judith (tot den ouderling). Zeg neen!

Ouderling. Ik zeg ja, want ik zie zelf niet waar nog hulp vandaan moet komen.

Achior (tusschen het volk tredend). Zet maar open, maar verwacht geen genade van Holofernes. Hij heeft gezworen het volk dat zich het laatst aan hem zou onderwerpen, van de aarde te verdelgen, zoodat er geen spoor van overbleef. Gij zijt de laatsten.

Judith. Dat heeft hij gezworen?

Achior. Ik stond er zelf bij. En dat hij zijn eed zal houden kunt ge daaraan zien: hij geraakte in toorn tegen mij toen ik van de macht van uw God sprak; en zijn toorn is de dood. Maar inplaats van mij neer te slaan, beval hij, zooals ge weet, mij naar u te brengen. Ge ziet, zòò weinig twijfelt hij aan uw ondergang dat hij den man dien hij haat en wiens hoofd hij met zijn gewicht aan goud wil betalen, laat loopen omdat hij zich eerst dàn op hem wreken wil wanneer hij zich tegelijk kan wreken op u. En zòò ver is hem iedere gedachte aan genade dat hij voor zijn vijand geen harder straf weet te verzinnen dan die welke hij u heeft toegedacht.

Volk. We zullen niet open doen. Als we door het zwaard moeten sterven, dan hebben we zelf nog zwaarden!

Josua. Laten we dan een tijd bepalen. Aan alles moet een einde komen.

Volk. Een tijd, een tijd!

Ouderling. Lieve broeders, hebt dan nog vijf dagen geduld en beidt de hulp des Heeren.

Judith. En als de Heer nu nog eens vijf dagen langer noodig had?

Ouderling. Dan zijn wij dood. Wil de Heer ons redden, dan moet het in deze vijf dagen gebeuren, wij zullen toch al niet allen hun afloop beleven.

Judith (plechtig, als sprak zij een doodvonnis uit). Dus binnen vijf dagen moet hij sterven!

Ouderling. Wij moeten het uiterste doen om het nog zòò lang uit te houden. Wij moeten de offergaven des Heeren, den heiligen wijn en de olie, onder ons verdeelen. Wee mij, dat ik zulk een raad moet geven!

Judith. Ja, wee u! Waarom raadt ge niet liever een ander uiterste aan? (tot het volk) Mannen van Bethulië, waagt een uitval! De kleine bronnen liggen vlak bij den muur, splitst u in twee helften, de eene moet den terugtocht en de poort dekken, terwijl de andere in dichten drom aanstormt. Het kan niet missen of ge brengt water mee.

Ouderling. Ge ziet het, niemand antwoordt.

Judith (tot het volk). Wat moet ik hiervan denken? (na een pauze) En toch verheugt het mij. Als ge niet den moed hebt het op te nemen tegen een paar honderd soldaten, dan zult ge ook niet zoo vermetel zijn den Heer tot wrake uit te dagen door uw misdadige hand uit te strekken naar zijn altaarspijzen.

Ouderling. Het is noodig. Honderdvoudig zal het vergoed worden. Dat andere is te bedenkelijk. Een geopende poort ware de doodwond der stad. Ook David at van de heilige brooden en hij at zich niet den dood.

Judith. David was een gewijde des Heeren. Wilt ge eten als David, zoo wordt ook eerst als David. Eet en drinkt, maar heiligt u eerst.

Een uit het volk. Waarom luisteren we toch naar haar?

Ander. Schaamt je die het niet doen. Lijkt ze niet een engel?

Een derde. Zij is de godvruchtigste vrouw in de stad. Zoolang het ons goed ging, zat ze stil in haar kamertje; heeft ooit iemand haar in het openbaar gezien behalve als zij ging bidden of offeren? Maar nù, nu we op het punt staan te vertwijfelen, verlaat ze haar huis en loopt tusschen ons om ons moed in te spreken.

Vorige. Zij is rijk en bezit veel goederen. Maar weet ge wat zij ééns gezegd heeft? „Ik beheer die goederen slechts, zij behooren den armen.” En zij zègt dat niet alleen, zij dòet het. Ik geloof dat zij alleen daarom geen man meer neemt, omdat zij dan zou moeten ophouden de moeder der behoeftigen te zijn. Als de Heer ons helpt, doet hij het om harentwil!

Judith (tot Achior). Gij kent Holofernes; vertel mij van hem.

Achior. Ik weet dat hij dorst naar mijn bloed, maar denk niet dat ik hem zal smaden. Wanneer hij met geheven zwaard voor mij stond en mij toeriep: „Doodt mij, anders dood ik jou!”... ik weet niet wat ik zou doen.

Judith. Dat is uw gevoel. Hij had u in zijn macht en heeft u vrij gelaten.

Achior. Neen, dat is het niet! Dat brengt mij éér in opstand. Het bloed stijgt mij naar de wangen, wanneer ik er aan denk, hoe gering hij een man moet achten, dien hij zelf, met de wapenen in de hand, tot zijn vijanden stuurt.

Judith. Hij is een tyran.

Achior. Ja, maar hij werd geboren om het te worden. Men houdt zichzelf en de wereld voor niets wanneer men bij hem is. Eens reed ik met hem door het meest woeste gedeelte van het gebergte. Wij komen aan een kloof, breed en duizelingwekkend diep. Hij geeft zijn paard de sporen, maar ik grijp het bij den teugel, wijs op den afgrond en zeg: „hij is bodemloos”. „Ik wil ook niet er in, maar er òver!” roept hij en waagt den vreeselijken sprong. Nog éér ik volgen kan is hij alweer omgekeerd en naast mij. „Ik dacht daar een bron te zien,” zeide hij, „en wilde drinken, maar het was niets. Laten we onzen dorst maar verslapen.” Meteen werpt hij mij de teugels toe, springt van zijn paard en slaapt. Ik kon mij niet bedwingen; ik steeg eveneens af, raakte zijn gewaad aan met mijn lippen en plaatste mij tegen de zon, dat hij schaduw had. Schande over mij! Zoozeer ben ik zijn slaaf dat ik hem prijs wanneer ik over hem spreek.

Judith. Houdt hij van vrouwen?

Achior. Ja, maar niet anders dan van eten en drìnken.

Judith. Vloek over hem!

Achior. Wat zegt ge?—Ik heb een vrouw gekend, eene van mijn eigen volk, die krankzinnig werd omdat hij haar versmaadde. Zij sloop zijn slaapvertrek binnen en trad plotseling, toen hij zich juist te bed gelegd had, met getrokken dolk dreigend vóór hem.

Judith. En wat deed hij?

Achior. Hij lachte, lachte net zoolang tot zij zichzelf doorstak.

Judith. Heb dank, Holofernes. Slechts aan deze ééne zal ik hoeven te denken om moed te hebben als een man.

Achior. Wat hebt ge?

Judith. O, stijgt voor mij op uit uw graven, gij, die hij liet vermoorden, dat ik in uw wonden zie; treedt vóór mij, gij die hij onteerd heeft en slaat de voor eeuwig toegevallen oogen nog één keer op, dat ik er in lezen kan hoeveel hij u schuldig is! Allen zult ge betaald worden. Doch waarom denk ik aan u, waarom niet aan de jongelingen die zijn zwaard nog vreten, aan de maagden die hij in zijn armen nog verpletteren kan! Ik wil de dooden wreken en de levenden beschermen! (tot Achior) Ben ik voor een offer niet schoon genoeg?

Achior. Nooit zag men uwsgelijke.

Judith (tot den ouderling). Ik heb iets bij Holofernes te doen. Wilt ge de poort voor mij doen openen?

Ouderling. Wat zijt ge van plan?

Judith. Niemand mag het weten als de Heer onze God.

Ouderling. Zoo zij Hij met u. De poort staat voor u open.

Ephraim. Judith, Judith! Nooit kun je het volvoeren!

Judith (tot Mirza). Heb je moed mij te vergezellen?

Mirza. Ik zou nog minder den moed hebben u alleen te laten gaan.

Judith. En heb je gedaan wat ik je beval?

Mirza. Wijn en brood heb ik hìer. 't Is maar weinig.

Judith. Het is nog te veel.

Ephraim (voor zich). Had ik dat kunnen vermoeden, dan had ik haar woorden gehoorzaamd. Wreed word ik gestraft.

Judith (gaat een paar schreden, keert zich dan nog eens tot het volk) Bidt voor mij, als voor een stervende! Leert den kleinen kinderen mijn naam en laat ze voor mij bidden. (Zij gaat op de poort toe, die geopend wordt. Zoodra zij buiten is zinken allen, behalve Ephraim, op de knieën).

Ephraim. Ik wil niet bidden dat God haar bescherme. Ik zal haar zelf beschermen! Zij gaat het hol van den leeuw binnen; ik geloof dat ze het alleen doet omdat ze verwacht dat alle mannen haar zullen volgen. Ik volg, als ik sterf, sterf ik immers alleen maar een beetje eerder dan de anderen. Misschien keert zij nog wel om. (af).

Delia (in groote ontsteltenis op). Wee, wee!

Een ouderling. Wat is er?

Delia. De stomme! De vreeselijke stomme! Hij heeft mijn man gewurgd!

Een stem. Dat is de vrouw van Samaja.

Ouderling (tot Delia). Hoe is dat gebeurd?

Delia. Samaja kwam met den stomme thuis. Hij ging met hem in de achterkamer en grendelde de deur. Ik hoorde Samaja luid spreken en den stomme kreunen en snikken. Wat zou er toch zijn, denk ik; sluip naar de kamerdeur en luister door een kier. Ik zie den stomme zitten met een scherp mes in de hand; Samaja staat naast hem en doet hem hevige verwijten. De stomme zet zich het mes op de borst, ik stoot een gil uit van ontzetting omdat ik zie dat Samaja hem niet in zijn razernij stuit. Maar opeens werpt de stomme zijn mes weg, stort zich op Samaja, sleurt hem met bovenmenschelijke kracht tegen den grond en pakt hem bij de keel. Samaja kon hem niet van zich afhouden en worstelt met hem. Ik roep om hulp. Buren komen er bij, de deur, die van binnen gegrendeld was, wordt ingetrapt. Te laat. De stomme heeft Samaja al gewurgd; als een beest woedt hij nog tegen den doode en lacht als hij ons ziet binnenkomen. Toen hij mij aan mijn stem herkende werd hij stil. Op zijn knieën schuift hij naar mij toe. „Moordenaar” roep ik.—Hij wijst met den vinger naar den hemel; zoekt naar het mes op den grond, raapt het op, reikt het mij over en duidt op zijn borst, alsof hij wilde dat ik hem zou doorsteken.

Priester. Daniël is een profeet! De Heer heeft den stomme laten spreken. Hij heeft een wonder gedaan opdat ge gelooven zult aan de wonderen die Hij nog doen zal. Samaja is te schande gemaakt met zijn voorspelling. Aan Daniël heeft hij gezondigd, uit Daniël's hand heeft hij zijn loon ontvangen.

Stemmen uit het volk. Naar Daniël! dat ze hem geen kwaad doen!

Priester. De Heer heeft hem gezonden, de Heer zal hem beschermen! Gaat heen en bidt!

(Het volk verspreidt zich naar verschillende kanten).

Delia. Een anderen troost hebben ze niet voor me, dan te zeggen dat hij, dien ik lief had, een zondaar was (af).