Dat »schier in 't best” staan is evenzeer het geval met de dan volgende
Vischmarkt, waar onze aandacht weldra getrokken wordt door de met keurig
beeldhouwwerk versierde fontein, die daar in het jaar 1692 werd
geplaatst en welker stralen des Woensdags en Zaterdags van 's
voormiddags tien tot elf uren ten hemel stijgen of boogvormig den al te
nabijkomenden toeschouwer bedreigen. Dit heeft evenzoo plaats op den
laatsten werkdag in April van ieder jaar, des namiddags van zes tot
zeven uren, wanneer het schoone klokkenspel van den stadhuistoren, welke
ook van deze zijde door de Vischpoort te naderen is, zich doet hooren,
terwijl eene vroolijke schare
„met juublende onrust in het bloed,
„den eersten Mei begroet.”
Gaan wij thans langs de Vischbrug, waar een cirkel van lichter gekleurde steenen wellicht aan een vroeger rechtsgebied herinnert, naar de Aalmarkt, dan wordt ons oog aangenaam geboeid door de Waag, uit arduin opgetrokken, maar met marmeren gevelsteen »uitbeeldende 't werk, 't welk in de waage werd gedaan”. Ook het daarachter gelegen en daaraan verheelde Boterhuis, welks deur in de Mandenmakerssteeg uitkomt, bezit zoodanigen marmersteen welke de boterhandel aanschouwelijk voorstelt, en die beide kunstgewrochten (helaas met eene dikke verflaag besmeerd) danken wij aan de hand van den kunstenaar ROMBOUT VERHULST, die door dat werk zichzelven, maar ook den kunstzin der regeering vereeuwigd heeft; iets wat men zeker niet getuigen zal van het Schoolgebouw en het Telegraafkantoor, die insgelijks op de Aalmarkt gevonden worden. Wij zullen ons daarbij dan ook niet ophouden; maar, aan de Vrouwensteegsbrug gekomen, daarop even stilstaan om het schoone stadsgezicht te genieten dat zich hier aan beide zijden voordoet. Vervolgens willen wij den Apothekersdijk opgaan, waar ik er op reken dat gij in mijne woning, tegenover het nieuwe schoolgebouw, eenige oogenblikken uitrust. Ik zal u dan menig boekwerk kunnen in handen geven, waardoor gij een juister en ruimer inzicht zult krijgen in zaken, welke ik slechts even kan aanstippen, maar die ORLERS, SIMON VAN LEEWEN, VAN MIERIS, VAN ALPHEN, KIST, SCHOTEL, ELZEVIER, MONTAGNE en anderen u meer uitgebreid willen mededeelen. In elk geval kunnen wij hier een oogenblik uitrusten; gelijk ik voornemens ben het ook te doen.
Zie zoo. Wij zijn bereid onze wandeling voort te zetten. Wilt gij nu, om het varietas delectat toe te passen, in plaats van door de Paardensteeg, met mij, door de Schapensteeg, over de Haarlemmerstraat, naar de Turfmarkt gaan, dan ziet gij aan beide zijden der eerstgenoemde steeg eene herinnering aan het Turfdragersgild—een dier vereenigingen, welke ondanks hare niet te loochenen gebreken, zooveel tot de krachtsontwikkeling en welvaart der burgerij hebben bijgedragen. Aan de zijde der Haarlemmerstraat ontwaart gij het ruime gildehuis, vroeger door den commissaris der corporatie bewoond, aan den kant van het Galgewater de zoogenaamde Turfbel, welke, in den tijd toen het recht tot vervoer van brandstoffen uitsluitend aan het gild behoorde, telkens klepte om de dragers, die gewoonlijk in de buurt der »bel” woonden, uit te noodigen zich voor de loting aan te melden, waarbij het werk verdeeld werd. Ook deze vereeniging heeft haren tijd gehad. De stralenkrans om haar ietwat groezelig hoofd is getaand en verdwenen. Iedereen die turfdragen en turftonnen wil mag het doen naar hartelust. Ieder is vrij in deze eeuw .... maar het is als fluistert de geest van den laatsten der commissarissen uit de bovenvensters van het oude gebouw ons woorden toe, die onze geestdrift zouden temperen .... Daarom luisteren wij er maar niet naar; wij mochten anders eens bekeerd worden van ons liberalisme. Wat baat het toch »de verzenen tegen de prikkelen te slaan”. Wij hebben die »verzenen” veel te veel noodig om verder te wandelen en wel naar den Ouden Cingel—in de volkstaal de Oude Vest geheeten—eene benaming waarop de, parallel met deze loopende, gracht aan de andere zijde van het water slechts aanspraak heeft, om daar stil te houden voor een met portland-cement »volgegooiden” muur, en een poort waarop een volmolen geplaatst is in steen uitgehouwen. »Binnentredende op eene ruime voorplaats ziet men twee uitspringende vleugels, rustende ieder op vier steenen pilaren en twee pilasters, welke eene galerij of wandelplaats maken” zegt VAN MIERIS en nog is dit zoo. Ook het gebouw zelf—van de Jonische bouworde—heeft geene verandering ondergaan. Nog altijd vindt gij bovenaan den muur de verschillende attributen der lakenbereiding voorgesteld. Gij ziet hier dan ook de oude Lakenhalle, gesticht in een tijd toen de regeering zich nog gerechtigd achtte te waken voor den goeden naam der industrie, welke binnen hare muren gedreven werd, gelijk blijkt uit de verordeningen en interpretatiën, welke de laken-, saai-, baai- en greinhallen beheerschten.
Sedert lang is echter deze belemmering der vrije »handteeringe” opgeheven, en werd het gebouw tot verschillende doeleinden gebezigd, waarvan het magazijn der Maatschappij van weldadigheid het meest dagelijksche en de inrichting tot cholera-hospitaal de schrikwekkendste en aandoenlijkste was. Thans is het ons »Museum van schilderijen en oudheden” dat voor tien cents de persoon dagelijks te bezichtigen is. Het glazen gedeelte van het overigens leien dak moge geschikter zijn voor een photographisch atelier dan voor eene tentoonstelling van schilderijen; toch is het gebouw de moeite der bezichtiging overwaardig; en al blijven wij van oordeel dat menig schilderstuk hier gevonden zijne plaats op het Raadhuis had moeten blijven behouden, wij verheugen ons aan de andere zijde dat menig kunstgewrocht, 'twelk anders door gebrek aan genoegzame zorg zoude zijn teloor gegaan, hier eene schuilplaats heeft gevonden tegen den vernielenden invloed van tijd, vocht en ... wandalisme. Als zoodanig begroeten wij dan ook hier met genoegen de glasschilderijen uit Sint-Joris-doelen en die kloeke hoplieden waarvan wij reeds vroeger gewaagden. Ook »het laatste oordeel” van LUCAS VAN LEYDEN—vroeger in Burgemeesterskamer opgehangen—vindt gij hier met tal van andere kunstgewrochten blijkbaar evenzeer van kerkelijken oorsprong. Ook de Staalmeesters van J. DE BAANE, welke in dit gebouw zoozeer op hunne plaats zijn, en zoovele andere stukken hebben recht op onze aandacht. Wel het laatste, niet het eerste, kan getuigd worden van de schilderij, welke wij aan het penseel van VAN BREE danken, waarin VAN DER WERFFS zelfopofferend aanbod gehuldigd wordt; van de portretten van den beroemden JANUS DOUZA, Noordwijks fieren Heer, van den Burgemeester ORLERS, van den Stadsbode PIETER CORNELISZ VAN DER MORSCH, en van de kast met verschillende voorwerpen, betreffende Leidens beleg en andere voor onze stad belangrijke gebeurtenissen. Dezen behoorden mijns inziens op het Raadhuis te zijn gebleven, tot welks geschiedenis zij, als het ware, behooren. De portretten die VAN DER WERFF en VAN HOUT moeten voorstellen had men echter gerust hier kunnen plaatsen of in »het huis met de hoofden” aan den man brengen, daar deze noch VAN DER WERFFS noch VAN HOUTS gelaatstrekken te aanschouwen geven, en blijkbaar andere minbekende personen moesten vereeuwigen, zooals ook duidelijk blijkt uit het laatstbedoelde portret dat den persoon in quaestie op zijn zeventigste jaar voorstelt, welken leeftijd JAN VAN HOUT nimmer heeft bereikt. Ook de beeltenis van stichters der hofjes hadden wij liever voortdurend op de regentenkamers gewenscht, waar zij eigenlijk tehuis behooren en iets zeggen; terwijl zij hier slechts eene ruimte innemen. Het zal voorzeker uwe aandacht niet ontgaan zijn dat de meeste stukken gerestaureerd en met eene niet geringe hoeveelheid vernis bedekt zijn, welke ons, vooral als de zon zoo schel door de photographische-atelier-bovenramen schiet, zeer doen verlangen naar de peinture mate in het kabinet WIERTZ te Brussel. Toch mogen wij dit gebouw niet verlaten, zonder ons te herinneren wat al ijver, geduld en talent er is noodig geweest om velen dier stukken te herstellen en wij brengen dan ook hulde toe aan de pogingen hier aangewend, om voor de nakomelingschap te bewaren wat anders voor altijd zoude verloren gaan.
Kom, steek nu den catalogus in den zak, en wandel met mij den Ouden Cingel weder op tot aan de Mare, sla linksom en verwijl eenige oogenblikken met mij op de plek waar vroeger de standplaats was der
Zoo gij den blik ter rechterzijde wendt, ziet gij de begraafplaats, welke nog altijd het Papegaaisbolwerk geheeten wordt, omdat daar vroeger de Papegaaistoren stond, een van die talrijke wachttorens, welke op bijna evenredige afstanden tusschen de wallen waren opgericht, waarvan wij ons door dien van Oostenrijk nog eene voorstelling kunnen maken. Daarachter verheffen zich ronde ijzeren gevaarten, de vertegenwoordigers van den nieuwen tijd, de stolpen en retorten der Gasfabriek, welker inkomsten, door een feitelijk monopolie verkregen, gedurende geruimen tijd de stedelijke financiën hebben gebracht in eenen staat welke het mogelijk maakt de drukkende kosten van het onderwijs te bestrijden, welke, door verschillende wetten en verordeningen, van deze stad worden gevorderd. Ter linkerzijde ziet gij een gebouw dat niet minder van den nieuweren tijd en zijne sociale begrippen gewaagt: de broodfabriek door eenige aanzienlijke ingezetenen opgericht om de nijvere burgerklasse goed en goedkoop brood te verschaffen—al werd een deel dier klasse hierdoor het onafhankelijk burgerbestaan ontnomen;—dat desalniettemin de oprichters eene goede zaak voorstonden, zal ieder in het oog vallen, die het succes voor een beginsel aanziet, en geen overwegend bezwaar heeft in het verdwijnen of verzwakken van een eerbiedwaardigen middelstand, welke steeds de kracht van ons vaderland uitmaakte. Dat wij hier tevens de aanlegplaats der Haarlemsche trekschuit voor ons hebben, die ons aan vroegere toestanden herinnert, blijkt u, daar juist een zoodanig vaartuig zich gereed maakt van wal te steken. Natuurlijk stappen wij er niet in, hoewel anders de vaart op een warmen zomerdag niet onaangenaam is, maar gaan wij de brug bij de broodfabriek over en de Korte Langegracht—eene contradictio in terminis—op, slaan een blik op de Armenkerk—de Hoogduitsche geheeten, toen Leiden bij zijne thans nog bestaande Walsche, er ook eene Engelsche en eene Hoogduitsche Gemeente op nahield—en komen al spoedig aan de Westdwers- of zoogenaamde IJzerengracht, welke thans in een ruim plein veranderd is. Haar overgaande komen wij weder op dezelfde brug, welke ons straks tot den Ouden Cingel toegang verleende en slaan linksaf, om zoodoende op de Oude Vest te komen, waar in de eerste plaats onze aandacht getrokken wordt door het Coninckshofje, dat in 1873 zijn honderdjarig bestaan vierde, zoodat het nog in zijne prille (hofjes-) jeugd is, vergeleken bij andere stichtingen van dien aard, en in ancienniteit verre achterstaat bij het Elizabeth-Gasthuis dat niet verre vandaar gevonden wordt. Beter zou het zich in dat opzicht kunnen meten met het nu als schoolgebouw gebezigde Nosocomium Academicum, vroeger het Walsche Weeshuis, en als zoodanig in 1768 ingewijd met een vroolijken maaltijd, die echter zeer onvroolijk verstoord werd door een brand in het Heilige Geest- of Armen-, Wees- en Kinderhuis, welke gelukkig bijtijds ook door de pogingen der Walsche weesjongens werd gestuit. Weinige schreden verder verrijst voor onze oogen de onlangs vernieuwde Schouwburg, thans onzer academiestad waardig, waar, behalve onze binnenlandsche tooneelgezelschappen, zich ook de Vlamingers, en de Fransche en Hoogduitsche operisten doen hooren. Wij zullen er maar niet binnentreden, omdat het er bij dag vrij duister is; maar kunnen u bij een langer verblijf wel aanraden met het keurig nette gebouw en betrekkelijk groot tooneel kennis te maken. Wij gaan dus verder, slaan links den hoek om en bevinden ons vrij spoedig voor de Marekerk, welke in 1649 gebouwd en dadelijk voor den Protestantschen eeredienst ingericht werd. Daar deze kerk als zoodanig noch uit een architectonisch noch uit een historisch oogpunt belangrijk kan geheeten worden, geven wij ons de moeite niet om ons naar de overzijde der gracht te verplaatsen en er toegang te verzoeken. Wij slaan liever dadelijk de een eindweegs verder, ter rechterzijde gelegene, Brandewijnsteeg in, vanwaar wij aan een soort van pleintje komen dat officieel het Vrouwenkerkhof maar in de volkstaal »het klooster” heet, hoewel die naam slechts aan een verder gelegen gedeelte van dit doolhof van straten toekomt. De oude muur welke zich voor ons oog vertoont schijnt voor de juistheid dier benaming te pleiten; hetgeen niet belet dat andere gedeelten dezer buurt daarop een gelijk recht zouden kunnen doen gelden; want inderdaad Leiden was aan deze zijde der stad klooster en weder klooster. Toch hebben wij hier geen kloostermuur, maar wel die der Lieve-Vrouwekerk voor ons, die in de XIVe eeuw gebouwd, en in deze afgebroken werd, nadat zij van 1584 af voor de godsdienstoefeningen der Walsche gemeente gebezigd was. Scaligers gebeente werd daar eens ter ruste gelegd en zijn gedenkteeken daar gevonden. Had de zooeven genoemde kerkgemeente de macht niet om die eerbiedwaardige plek, waar zoovele edele refugiés begraven waren, voor den moker des afbrekers te veiligen? Wij weten het niet; maar dit weten we dat zij, indien ze het gedaan had, aanspraak zou verkregen hebben op de erkentelijkheid van hen, die een eerbiedwaardig overblijfsel uit vroegere eeuwen gaarne voor het nageslacht willen behouden zien.
Niet verre vandaar vindt gij het Sionshofje, het Cecilia-Gasthuis, thans buiten gebruik, en het goed ingerichte Werkhuis; doch ondanks de belangrijkheid dezer gebouwen zal het u wellicht niet onaangenaam zijn dit »dedaal” van straten te verlaten en de Haarlemmerstraat te betreden, welke wij naar de zijde van de Hartebrug verder opwandelen, waarna wij eenige oogenblikken wijden aan de Roomsch-Catholieke kerk, welke aan den hoek der Mare staat en gewijd is aan »Onze lieve Vrouwe onbevlekte ontvangenis”, boven welker hoofdaltaar eene kopie naar RUBENS, »de stervende heilige FRANCISCUS”, onze aandacht trekt. Voordat wij nu de Donkersteeg ingaan, slaan wij weder den blik op een kring van in het oogvallende keien, waar, naar onze meening, de plek moet wezen waar zich het rechtsgebied van Leiderdorp en van Oegstgeest vroeger scheidde en de roode steen te vinden was.
Indien wij aan het eind der steeg op de Hoogstraat gekomen zijn dan
verrijzen rechts het oude huis Ter Lugt, en links eenige huizen voor ons
oog, welke, deels op deze straat, deels op den Nieuwen Rijn gelegen, ten
opschrift dragen »de trouw der burgerij heeft hier 't geen door 't
geweld der vlammen werd vernield in beet'ren staat hersteld” en wij
herinneren ons dat in het jaar 1766 hier een brand woedde, welks
treurige uitwerkselen door vrijwillige giften zoozeer werden gelenigd,
dat niet slechts de verbrande perceelen door nieuwe vervangen werden,
maar zelfs ongeveer twee duizend gulden overschoot, die tusschen de
eigenaars, tevens bewoners, der gebouwen werden verdeeld. De beschrijver
van dit »blij-eindend treurspel” voegt bij zijn verhaal deze opmerking,
welke zeker niet zonder bijgedachte geschreven werd: »onzes bedunkens
verdient het wel opmerking, dat men sedert den brand alhier zoo
menigmalen van zwaren brand hoorde gewagen”. Waarlijk ook die woorden
zouden ons tot nadenken nopen, indien wij niet wat anders te doen
hadden; want reeds zijn wij linksaf den Nieuwen Rijn opgeslagen en gaan
wij, na een blik op de twee Korenbeurzen geworpen te hebben, weder,
linksom, de Burgsteeg binnen, om, na eenige schreden gedaan te hebben,
stil te staan voor een steenen poort met ijzeren hek, waarboven een
klimmende leeuw staat met den eenen voorpoot het Leidsche wapen
vasthoudende en met den anderen een zwaard voerende, om daardoor het
»Pugno pro Patria”, onder dat wapen geschreven, tot waarheid te maken.
Een gedicht in de Latijnsche taal, waarin de Burg sprekende wordt
voorgesteld, verhaalt ons verschillende topographische en historische
bijzonderheden, welke ik bij u als bekend vooronderstel. Gij vindt daar
tevens de namen der Burgemeesteren onder wier bestuur deze poort is
gebouwd en daaronder die van den eersten stedelijken Burggraaf JAN
PIETERSZ. VAN DER MAERSCHE. Die poort in- en het voorplein, door
reusachtige kastanjeboomen overschaduwd betredende, ziet gij ter
linkerzijde eene groote koffiehuiszaal, waar vooral op de marktdagen
eene groote levendigheid heerscht; ter rechterzijde eene stalling en—u
omkeerende—het eigenlijk gezegde »Heeren Logement aan den Burg” alwaar
ook de openbare verkoopingen van onroerende goederen gehouden worden.
Wilt gij hier nu eenige oogenblikken uitrusten, dan zullen wij niet in
de koffiehuiszaal, niet in den zoogenaamden »gemeenen haard”—eene
fiksche zaal die niets gemeens heeft met het gemeene in den slechten zin
des woords—en evenmin in eenig ander vertrek van het ruime gebouw, maar
onder de prachtige kastanjes, waarvan ik zoo straks gewaagde, plaats
nemen; vooral omdat wij hier een goed gezicht hebben op de tweede
burchtpoort, eigenlijk een ijzeren hek dat men bereikt langs een trap
van blauwen steen, aan welker voet twee kolommen gevonden worden, welke
volgens de overlevering op de Vischbrug stonden in het midden der XIIIe
eeuw en, als door WILLEM II (den Hollandschen Graaf en Roomsch Koning)
gesticht, het Keizerlijk en het Stedelijk wapen vertoonden. Ook hier
stond voorheen een Latijnsch vers, evenals dat boven de buitenpoort van
PETRUS SCRIVERIUS, dat, eigenlijk meer een oudheidkundig betoog, op den
leeftijd van den burg een duizendtal jaren afdong, zoodat de »Wachttoren
der Romeinen”—als eene inschrijving der publieke schuld onder
NAPOLEON,—door den dichter nagenoeg getierceerd werd, iets wat den
bezitters natuurlijk geen genoegen deed. Maar nog meer dan door dezen
toegang wordt onze blik geboeid door die groenende, met vruchtboomen,
bloemen en boschjes beplante, met beelden versierde hoogte, waarboven
het ronde gebouw zich verheft, welks kanteelen niet onaardig te midden
dier bloeiende natuur uitkomen. Dat dit gebouw echter slechts een romp
is en geene woning, zult gij straks wanneer gij er met mij binnengaat
ontwaren; dat daarbinnen vroeger een doolhof was, kan uwe belangstelling
te beter wekken, wanneer gij uit LE FRANCQ VAN BERKHEY ziet hoe prettig
keuvelen en koozen het daar moet geweest zijn in den
„Tijd der Werthers en Charlotten,
„Tijd der moesjes en der pruiken,”
toen er nog Arcadische priëeltjes waren, waarin »dartele minnegoodjes”
zweefden en »schoone harderinnen” harten braken en ontstaken, om, gelijk
van zelf spreekt, met roosjes op de kaken, zelven in 't labyrinth te
raken. Nu vinden wij er geene priëeltjes, tenzij gij er de kazematten
voor houden wilt welke op evenredige afstanden onder de borstwering
worden aangetroffen. Of deze priëeltjes ooit voor den dienst van Mars
zijn bestemd geweest is moeilijk te beslissen. Zeker is het dat de
rampspoedige ADA van Holland in Leidens Burg vluchtte, toen zij
„door Kennemers besprongen”,
gelijk zeker dichter het uitdrukt, hier eene belegering doorstond,
waarbij het heet toeging en die met overgave der sterkte en
gevangenneming der rampspoedige vorstin eindigde. Welke rol daarbij deze
steenen omgeving, welke wij hier zien, kan gespeeld hebben is ons
onbekend; maar zooveel schijnt zeker dat het eigenlijk gezegde kasteel
daar ter plaatse niet stond, terwijl het gemis van schietgaten in de
borstwering ook aan een ander gebruik dan dat des krijgs denken doet.
Hoe dit ook zij, de plek waar wij ons thans bevinden is eene
historische, en wanneer wij straks den omgang zullen rondwandelen, zult
gij moeten erkennen dat het gebouw, althans als wachttoren, uitstekende
diensten kan bewijzen. Willen wij nu eens tot die wandeling naar boven
besluiten, dan voer ik u langs bloem- en grasrijke paden tot voor den
hoofdingang der ruimte binnen den muur, boven welken vroeger een
opschrift stond in Latijnsch proza, waarbij het »Aere civitatis publico”
ten bewijze strekte dat burgemeesters te dien tijde wel hunne namen
boven de poorten zetteden, maar toch het geld waarmede die betaald
werden door de burgerij lieten opbrengen. Het tegendeel was dan ook
trouwens niet te vergen of te verwachten, en dat zij hunne namen op die
wijze gaarne vereeuwigd zagen is te begrijpelijker, naarmate dit voor de
meesten hunner wel het eenige middel was om bij de nakomelingschap in
herinnering te blijven. Maar reeds zijn wij de hier en daar met boomen
beplante ruimte binnengetreden, en daar hier, na het verdwijnen van den
put, waaraan zich een volksgeloof vastknoopte—namelijk dat men er mee
naar Katwijk kon komen—, niets te zien valt, haasten wij ons de trap
te beklimmen, welke naar den omgang geleidt. Zie zoo! Wij zijn er. Kijk
nu eens door die muuropeningen naar buiten, waar schoone stads- en
landgezichten—natuurlijk eenigszins à vol d'oiseau—u wachten. De
torenspitsen van Noordwijk, Oegstgeest en Valkenburg duiken uit
een zee van groene weilanden en bosschen aan den gezichteinder op, de
Hooglandsche kerk, dat prachtige overblijfsel van middeleeuwschen
kunstzin ligt voor u; het Raadhuis en de Marekerk, de »Saaihal” en de
Sint-Petruskerk verheffen hunne torentjes van hier gezien minder fier
ten hemel, omdat wij zooveel dichter bij dien hemel zelven staan. Het
westenwindje stoeit met de bladeren der boomen en zendt ons
bloemengeuren toe uit de wandelpaden rondom ons. Dat groote gebouw ginds
is, gij herinnert het u reeds, het Academisch ziekenhuis, dat er met
zijne rechte lijnen van hier gezien uitziet als eene kolossale
sarcophaag. Dat tal van hooge schoorsteenen, waaruit de rookwalm dik en
dompig opstijgt, getuigt van Leidens bloeiende industrie, de talrijke
zwarte en witte stippen op de groenende landouwen zijn de waarborg voor
zijn druk bezochte veemarkt en betoogen de noodzakelijkheid der
voortdurende instandhouding van zijn Boterhuis, terwijl de spoortrein
welke daar ginds zijn vlag van stoom zegevierend doet voortijlen getuigt
van eene aansluiting bij het Europeesch spoorwegnet, die niet anders dan
gunstig op de welvaart dezer gemeente kan werken.—Niet waar? Gij kunt u
bijna niet losscheuren van dat schoone gezicht, en toch het moet, want
wij hebben nog veel te zien eer onze wandeling ten einde is. Volg mij
dus weder naar beneden, sla een blik op dat ronde bekken in verband
staande met de fontein op de Vischmarkt, welke daaruit, met een paard en
molen, wordt voorzien van het genoegzame water, dat door kunstmatige
persing naar boven moet gedreven worden, en verlaat dan met mij eene
stichting die zoo zij al geene Romeinsche is—toch de taal der Romeinen
menigmaal moet gehoord hebben wanneer de professoren er hunne maaltijden
hielden en de studenten hunne promotiepartijen vierden. Wij gaan dus de
Nieuwstraat op—die, gelijk dit ook in vele andere steden het geval
is—tot de oudste gedeelten der bebouwde stad behoort, en bereiken door
de Wintersteeg de Hooglandsche Kerkgracht, waar wij ons haasten een blik
te slaan eerst op het Heilige Geest- of Armen-, Wees- en Kinderhuis, met
zijn zestiende-eeuwsch voorkomen, zijne beelden en eigenaardige
voorstelling van het nederdalen des Heiligen Geestes boven de voorpoort,
dan op de daartegenover gelegene Luthersche kerk; maar keeren
onmiddellijk op onze schreden terug, om het grijze gebouw, welks schoone
Gothische vormen ons reeds getroffen hebben, toen wij op de burgtinne
wandelden, de Sint-Pancraskerk, in 1315 gewijd, eerst van buiten dan van
binnen te beschouwen. Heeft zij, wat haar leeftijd betreft, het hoofd te
buigen voor de stichting ter eere van St.-Pieter en Paulus, in
kunstwaarde is hare victorie over hare oudere zuster onbetwistbaar. Hoe
stout en harmonisch zijn die lijnen aan de beide hoofdingangen, vooral
die van den noorder transept-gevel, hoe fijn is dat boven-muurwerk, hoe
indrukwekkend dat geheel, waar het niet door kleingeestige winzucht en
huisjesmelkerij tot omsluiering veroordeeld werd. Waarlijk ORLERS had
wel gelijk door te verklaren dat er geen »constrycker kercke in gantsch
Holland” zou geweest zijn indien zij afgebouwd ware en in plaats van
het klokhuis, waarin de zware klok hangt, welke vroeger »de Cruysmarckt”
(kermis) placht in te luiden, een toren het gebouw waardig daaraan ware
toegevoegd. Toch is het uiterlijke van dat gebouw indrukwekkend en
vooral is het prachtig en schoon den Godgewijden tempel te zien zooals
hij zich vertoont aan de zijde der Hartesteeg, wanneer het blauwachtig
zilveren maanlicht zijn steenen kantwerk omstraalt en zich spiegelt in
zijn hooge kruisramen. En behalve die schoonheid van bouw bezat zij ook
nog andere voorrechten, welke haar boven hare oudere zuster verhieven.
Zij werd namelijk vijftig jaren na hare inwijding eene canonicale kerk,
de zetel van het kapittel »Ten hoogen lande,” welks rijke prebenden en
vicary-goederen eene bron van inkomsten waren voor de geestelijkheid,
doch later aan de stad Leiden en nog later aan den staat gekomen zijn.
Zoo gij wilt, zullen wij ons thans door de kosterij in de kerk begeven welke op zes en dertig zuilen rust en, met bruin-eikenhouten banken bezet, er zeer eerwaardig uitziet. Ook hier betreden wij heiligen grond, want onder de kille zerken rusten mannen van groote verdiensten. Niet de minste onder hen is hij wiens naam en afbeeldsel aan een der hoofdzuilen gevonden wordt, PIETER ADRIAANSZ. VAN DER WERFF, twaalf malen—en ook in 1574—Burgemeester van Leiden, twee malen lid van Hollands staten, de man voor wien Leiden een standbeeld wil oprichten op een der openbare pleinen, als wilde men daardoor aanduiden dat hij zich niet jegens een kerkgenootschap, maar omtrent het geheele vaderland had verdienstelijk gemaakt. Maar ook andere regeeringsfamiliën der stad hebben hier eene rustplaats gevonden. Dat getuigen de grafschriften der VAN DER MEERS en VAN BANCHEMS, en van die EVA VAN HOOGEVEEN, wier naam zich hecht aan eene weldadige stichting—het Hoogeveenshofje in de Doelensteeg, welke wij straks voorbijgingen. Vergeet vooral niet die zerk in het koor te bezichtigen, waarop een man en eene vrouw, de eerste in ijzeren krijgsgewaad, staan afgebeeld, en waarop vroeger een ijzeren hoofdhelm was geplaatst, die thans aan zijne bestemming schijnt onttrokken te zijn; want daaronder rust, in een looden kist, het gebeente van JUSTINUS VAN NASSAU, natuurlijken zoon van den »Vader des Vaderlands” en Admiraal van Zeeland, met dat zijner gemalin ANNA VAN MERODE.
Het samentreffen dier twee namen is vooral opmerkelijk in het oog van
hem, die zich herinnert dat in de St.-Gudule te Brussel een monument
gevonden wordt voor een Graaf DE MERODE, wiens voorname aanspraak op die
onderscheiding juist daarin bestond dat hij met de zijnen er in geslaagd
is de regeering van een anderen WILLEM DEN EERSTE, Grave van Nassau,
omver te werpen. Ook CULBIUS VAN ZOLM, de getrouwe dienaar, eerst van
„Ce héros qui régna sur la France
„Et par droit de conquête et par droit de naissance”,
later van den rampspoedigen FREDERIK V, Koning van Boheme,
rust daar van zijnen edelmoedigen arbeid. Maar reeds valt uw oog met
welgevallen op een gedenkteeken ter eere van den dichter JOANNES LE
FRANCQ VAN BERKHEY, wiens zoetvloeiende poëzie zoo dikwijls Leidens
roem verheerlijkte en nog heden meer moest gekend en gewaardeerd worden,
en dan weder maakt die geest der poëzie zich van u meester, dat is uwe
verbeeldingskracht ontwaakt en voert u terug naar de dagen van weleer.
Die ledige ruimte wordt gevuld met eene knielende schare, waarop de
Heiligenbeelden, getint door de veelkleurige kerkglazen, goedkeurend
schijnen neder te zien. Het hoogaltaar straalt in den glans van het
aangebrachte waslicht en eene rij kanunniken mengt zijne stemmen in het
koor dat het »Gloria in excelsis” of het »Dies irae, dies illa” doet
klinken door de hooge gewelven; het laatste zeker niet het minst nu van
verre reeds de noodstorm brult—die den beeldstorm voorafgaat. De
beeldstorm. Zie, hij is gekomen met moker en houweel. De biddende schare
is uiteengestoven, de priesters zijn verdwenen, de lichten des altaars
gedoofd en in plaats van dat alles eene woeste schare die in luttel uren
vernielt, vergruizelt, neerhaalt, vertrapt, vernietigt wat jaren
kunstvlijts hebben in het leven geroepen. Dan ook dit tooneel gaat
voorbij. De orde is hersteld, het hoogaltaar verdwenen en de ledige
draagsteenen duiden nog slechts de plaats aan waar de Heiligenbeelden
gestaan hebben. En weder klinkt daar een kerkgezang; maar 't is niet
meer het plechtige lied in de Latijnsche taal door weinigen voor de
gemeente aangeheven—neen, het dankt aan de Dietsche sprake eene ruwe
kracht en klinkt tegelijk uit duizend monden, want het wordt gezongen
door al de vergaderden, zonder onderscheid van leeftijd of kunne. Zie
hen daar neergezeten, die kloeke poorters met den ernst des levens op
het gelaat, en wees er zeker van dat die handen, welke zich zoo
gewillig vouwen ten gebede, zich straks—mocht het noodig zijn—even
krachtig zullen klemmen om den greep van het zijdgeweer of de kolf van
den snaphaan. En weder .... maar reeds lang genoeg verwijlden wij te
dezer plaatse. Wij moeten verder en gaan door de Hooglandsche
Kerkkoorsteeg naar de Hooigracht, slaan linksaf, laten het kerkje der
Bisschoppelijke Klerezij, welks toegang wij hier zien, onbezocht, en
bereiken spoedig een hofje, »het Sint-Anna Aalmoezeniershuis”, waar de
portierster ons gaarne in de gelegenheid stelt de kleine kapel, in 1492
gebouwd, met het zich daarin bevindende altaar »ghewijt in die eer der
heylighe vrouwe sinte an̄a”, het eenige dat in den beeldstorm gespaard
bleef, te bezichtigen. Zij vertoont u dan ook het kamertje en eenige
voorwerpen bij den laatsten pastoor in gebruik, die nu reeds ongeveer
driehonderd jaren tot zijne vaderen verzameld is, zoodat die zaken een
zeer eerbiedwaardigen ouderdom moeten hebben. Ik raad u echter, voor
zooveel deze niet in schilderijen, altaarsieraden en koperen kandelaars
bestaan, omzichtig te wezen bij uwe bewondering, aangezien het glas- en
aardewerk niets anders met den pastoor gemeens heeft dan dat het dienen
moest om het gebrokene te vervangen. Wij treden dus maar weer naar
buiten waar wij de Hooigracht ten einde, links, den nieuwen Rijn op-,
het kerkgebouw eener vrije gemeente voorbijgaan, en Middelste en
Uiterste gracht onbezocht latende op de Heerengrachtsbrug gekomen een
blik slaan op het rechts gelegen Utrechtsche veer, waar de stoomboot
naar Woerden juist haar schril gefluit doet hooren en de Utrechtsche
trekschuit spreekt van een rustiger geslacht, dat dit middel van vervoer
voor zijne behoeften voldoende vond. Zoo een schuitenmijmering zou,
onder de hand van een DICKENS, iets belangwekkends kunnen verkrijgen,
iets elegisch, dat als maatgezang zou ruischen wanneer het water
zachtkens kabbelt tegen het kalm voortschrijdende vaartuig; maar voor
zoo iets ontbreekt ons alweer de tijd. Wij slaan dus linksom, de
oostzijde der Heerengracht op en zijn dus in het nieuwste gedeelte der
stad, door de zesde vergrooting, in 1659, verkregen. De vijfde toch
bracht het niet verder dan het aan de westzijde gelegen huis, waar een
gedenksteen in den gevel ons te lezen geeft:
Aan onze zijde zien wij het »Oude mannen- en vrouwenhuis” in het jaar 1783 gesticht en zouden u ook het Minnehuis, eene dergelijke inrichting, kunnen aanwijzen, indien wij de aan onze rechterhand gelegene vierde Groenesteeg binnentraden, welker bewoners met »de Predikantsdochter” van HEINE getuigen kunnen:
Daar ik u echter niet op eene begraafplaats rondleiden wil, gaan wij die steeg voorbij, bereiken het Waardkerksplein en zien daar de groote fabriek der Heeren DE HEYDER EN Co. die ook al »door 't geweld der vlammen vernield” doch evenzeer »in beetren staat hersteld” werd; echter niet door de »trouw der burgerij” maar door eenige brandwaarborgmaatschappijen, die zulk eene trouw tegenwoordig overbodig maken. Op datzelfde plein staat ook de nieuwe kerk van de Waard, in de wandeling »de Loodskerk” genoemd, een hoogst eenvoudig Godsgebouw, voor het meerendeel uit hout samengesteld, en in niets gelijkende op de verwezenlijking van het plan, om daar ter plaatse eene groote kerk met een »driehonderd Rijnlandsche voeten hoogen toren” te bouwen; welk voornemen een begin van uitvoering ontving, toen het vierjarig zoontje van Burgemeester JOHAN MEERMAN, op den 5en November 1663 er de eerste steen van leide. Er werd zelfs nog meer gedaan: de Thesaurier-extra-ordinaris maakte een reisje naar Amsterdam om Noordsche masten voor het heiwerk aan te koopen; doch hierbij bleef het dan ook. De staatkundige verwikkelingen der volgende jaren gedoogden niet het plan uit te voeren en de houten loods die wij voor ons zien was het vrij mager surrogaat voor het schoone Godsgebouw, dat men zich gedroomd had. Wanneer wij den blik naar de overzijde wenden, ontdekt gij het nederig bedehuis eener Christelijk-Gereformeerde gemeente, die er, zonder inmenging van staats- of stadsbestuur, vrij spoedig in slaagde zich eene vergaderplaats tot godsdienstig doeleinde te verzekeren, welke hoewel niet weelderig ingericht, althans uit steen is opgetrokken en aan de eenvoudige eischen van den daarin uitgeoefend wordenden eeredienst voldoet.
Vervolgen wij onzen weg, dan bereiken wij al spoedig de ter linkerzijde gelegene Haven, waar een zeker getal stoombooten met verschillende nummers ons de graden van »Volharding” tebinnenbrengen, welke de Maatschappij van dien naam noodig had om Gouda, Leiden en tusschenliggende gemeenten eene geregelde stoom-communicatie te verzekeren. Aan het einde dezer gracht verrijst, de in Dorischen stijl gebouwde Zijlpoort, waarvan in 1667 de eerste steen gelegd werd, op welks bovenlokaal een tijdt lang de Leidsche Rederijkers vergaderden, waarna het in 1736 tot Armenschool werd ingericht. Nevens die poort zien wij den toegang tot de begraafplaats der Catholieken, maar bezoeken deze evenmin als wij dit de overige Godsakkers gedaan hebben. Wij gaan dus eenige voetstappen terug en bereiken door de Korte Looierstraat, de Verwersstraat, een tamelijk ruim plein, waar eenige nette arbeiderswoningen staan door de Diaconie der Nederduitsche Hervormde Gemeente voor minvermogenden gebouwd en tegen zeer matige huurprijzen beschikbaar gesteld. Vervolgens komen wij weder op de Heerengracht, maar op dat gedeelte 't welk den bijnaam van »Oude” draagt, omdat het geacht wordt niet tot de vijfde of zesde—maar tot de vierde vergrooting der stad te behooren, welke reeds in 1610 plaats had. Slaan wij vanhier een blik op de tegenover ons gelegene Oude Vest en Ouden Cingel, dan zien wij op den hoek der laatstgenoemde gracht en der Koolstraat een groot gebouw, »de Zoutkeet” van de firma »WEYLAND en DE FREMERIJ”, welke aldaar korten tijd na de zooeven genoemden vierde vergrooting der stad gesticht werd en zeker onder de meest belangrijke industrieele ondernemingen mag gerekend worden. Achter haar ligt alweder eene begraafplaats, die der minste klasse, wanneer men in het doodenrijk nog van klassen mag gewagen. Wij laten beiden—evenals de daartegenover gelegene bad- en zwemplaats—onbezocht, slaan eerst links- dan rechtsom en komen op die wijze naar de Haarlemmerstraat, welke wij aan de Donkersteeg hebben verlaten, om haar aan de Havenbrug weder te betreden. Het Sint-Janshofje den 26en Juni 1504 opgericht en gesticht »ter Eere Gods, van MARIA zijn gebenedijde moeder en van de twaalf apostelen” onbezien latende, wijden wij onze aandacht aan eene andere stichting bij welke insgelijks van dezelfde »gebenedijde” sprake is, namelijk de Roomsch-Catholieke kerk aan »onze Lieve Vrouwe Hemelvaart” toegewijd, in quasi-Gothischen stijl opgetrokken, en inwendig der bezichtiging waardig, al ware het slechts om het beeldhouwwerk van VENEMAN, dat daarin wordt aangetroffen en de fraaie beschildering (polychromie) van het priesterkoor met het kostbare hoofdaltaar. Zij heet in den mond des volks, nog steeds »de Monpeer”, afgeleid van het Fransche »Mon Père” en verkregen door het oude gebouw »de zon” genaamd, dat op dezelfde plaats stond, waarin—gelijk VAN MIERIS ons mededeelt—een Fransche ongeschoende Karmeliet den dienst als pastoor waarnam. Een weinig verder staat weder een kerk, thans schoolgebouw voor eene Roomsch-Catholieke onderwijs-inrichting. Gaan wij nu de daarnevens gelegene Bakkerssteeg—ook Pelikaanstraat genoemd—in, dan wordt onze aandacht ter linkerzijde getrokken door een groot gebouw dat zich bijna van de Marendorps Achtergracht tot aan de Oude Vest uitstrekt: eene bewaarschool voor kinderen derzelfde godsdienstgezindte, door geestelijke zusters bestuurd. Op die (gedempte) achtergracht vindt gij eene poort, thans mede tot dit gesticht behoorende en een bijzonder, eenigszins vervallen woonhuis, beiden duidelijke sporen vertoonende van een bouwtrant, welke aan vroegere eeuwen herinnert. Door wien en wanneer het gesticht werd, boezemt ons voor het oogenblik minder belangstelling in. Het is ons genoeg te weten dat het huis, waartoe ook de poort behoorde, in 1574 bewoond werd door PIETER ADRIAANSZ. VERMEER, of zooals hij meer bekend is VAN DER WERFF, Leidens fieren burgemeester, een van die krachtige heldengestalten onzer historie, welke het begrijpelijk maken hoe het kleine handelsvolk zich, met goed gevolg, tegen het machtig Spanje kon verzetten, eene figuur die met JOHAN VAN DER DOES en JAN VAN HOUT een drietal uitmaakt, dat bij het nageslacht zal leven, zoolang Nederland zich zijne groote mannen herinnert.
Zijn wij de kleine straat ten einde en, linksaf, de Oude Vest opgegaan, dan trekt al spoedig »Meermansburg”, een zeer deftig en aanzienlijk hofje, onze aandacht. Gesticht door den Heer MAERTEN MEERMAN, bewindhebber van de Oost-Indische compagnie »ter kamere van Delft” en zijne echtgenoote HELENA VERBURCH, op den grond van het vroegere klooster Nazareth, dient het, volgens de bepalingen van den stichtbrief, behalve voor den portier die gehuwd mag wezen, voor »eerbaere, nugtere weduwen ofte vrouwspersonen, ten minste boven de veertigh jaeren oudt sijnde, geen kinderen hebbende, ofte, dezelve hebbende, te moeten houden t' eenemaal buyten laste van 't voorz. hofken” en is eene hoogstgezochte verblijfplaats voor burgerjuffrouwen, wier middelen niet te ruim zijn of althans geacht worden dat niet te wezen en die gaarne in eene hoogstkalme omgeving hare laatste levensdagen slijten willen.
Men vergunne ons thans door de Bouwelouwesteeg weder de Haarlemmerstraat te bereiken en aangezien wij dit niet kunnen doen zonder de Marendorpsachtergracht over te steken, wijs ik u op het nieuwe schoollokaal daar verrezen, dat alweder doet zien hoe onbekrompen alles wat het openbaar onderwijs betreft hier geregeld wordt; terwijl ik op die straat gekomen, linksaf gaande, mij haast weder de Bakkerssteeg te bereiken, thans echter dat gedeelte 't welk naar de Hooigracht voert, waar ik u verzoek een blik te slaan op de tweede kerk der Christelijk-Gereformeerden, hun Diaconiehuis en het hofje van FRANÇOIS HOUTTIJN, om dan door de rechts gelegene Heerensteeg op den Middelweg te komen, waar wij eerst de Remonstrantsche kerk, dan het Evangelisch-Luthersch Wees- en Oudeliedenhuis, eindelijk het Invalidenhuis aanschouwen. Van het laatste zullen wij ons echter een beter denkbeeld kunnen maken, indien wij—gelijk we dan ook doen—ons door de Koppenhinksteeg naar den Ouden Rijn begeven, rechtsafgaan en den blik vestigen op het ruime met hoog geboomte beplante plein, waar wij op de daar geplaatste banken eenige grijze verdedigers des vaderlands zien neergezeten. Zij zijn, gelijk we aan hunne bewegingen meenen te bemerken, in een levendig gesprek gewikkeld. Spreken zij over de dagen vanouds, toen zij onder de vanen van den algemeen beminden WILLEM II ten strijde togen op de velden van Waterloo of lauwren gaarden bij Hasselt en Leuven of geldt wellicht hunne conversatie de gewichtige vraag of de kok genoegzame zorgen heeft gewijd aan den reusachtigen soepketel? Wij weten het niet; maar zooveel is zeker dat zij veel gezien, veel gedaan, veel ondervonden hebben, dat zij het vaderland trouw dienden en een onweersproken recht bezitten op de eervolle rust, welke hun hier verleend wordt; zoodat wij, hen ziende, instemmen met het woord van onzen JACOB VAN LENNEP:
Weder een eindweegs verder zien wij een gebouw, dat, bekend onder den naam van »Huiszittenhuis” de zetel is der Diaconie van het Nederduitsch-Hervormd kerkgenootschap en tevens als armbakkerij gebruikt wordt. Ruim het vierde eener eeuw geleden was het een twistappel tusschen de Stedelijke regeering en den Kerkeraad. Thans is de veete daardoor ontstaan, en door eenige eerzuchtigen op treurige wijze gevoed, naar het gebied der historie verwezen, en is er, welke quaestiën ook aan de orde gesteld worden, althans van de befaamde »huiszittenhuisquaestie” geene sprake meer.
Zoo pratende zijn wij de Vischbrug weder genaderd en voeren wij u langs Aal-, Bloem- en Boommarkt, over de Borstelbrug, door de Paardensteeg, over de Blauwpoortsbrug en Steenstraat, weder naar den Heerenweg, welke eigenlijk de Stationsweg heeten moest; natuurlijk met het doel om u naar de plek te geleiden, vanwaar wij het genoegen hadden u te komen afhalen. Daar de trein nog lang niet in het gezicht en het aan zoo'n station gewoonlijk vrij saai en vervelend is, noodig ik u uit eenige oogenblikken met mij dat Zomerzorg binnen te treden, waar wij zoo straks voorbijgingen.
Gij zult u voorzeker dat bezoek niet beklagen, hetzij ge u nederzet onder het geboomte en den blik slaat op die inderdaad keurige bloemperken en op dien vijver door den zonneglans verzilverd en met goudschubbige visschen als bezaaid; hetzij gij de zaal beschouwt, waarin Leidens beau monde de vlucht neemt, wanneer het zomerweder maar niet wil toegeven dat DUNKLER of VÖLLMAR juist in de open lucht de gaven van hun muziekcorps moeten tentoonstellen, hetzij gij u begeeft naar de achterzijde en, neergezeten op de eenvoudige houten bank het oog laat weiden over een echt Hollandsch landschap,—steeds zult gij moeten toegeven, dat Zomerzorg met zijne vriendelijke wandeldreven ook in uw oog den goeden dunk rechtvaardigt, dien stadgenoot en vreemdeling daarvan koesteren; dat het, welke plaatsen van vereeniging en genot er ook in en om Leiden verrijzen mogen, eene geheel eigenaardige aantrekkelijkheid bezit, die het in den strijd met deze de overwinning verzekeren—althans geene nederlaag berokkenen zal.
Maar reeds klinkt de schel ten teeken dat de trein in het gezicht is.
Ik bid u, schrik niet op en haast u maar niet!
Men waarschuwt hier bijtijds, dat wil zeggen vroeg genoeg voor lieden die aan langdurig afscheidnemen gewoon zijn.
En daar wij niet tot die soort behooren kunnen wij doodbedaard opwandelen naar het Station.
Zie zoo, we zijn er. De locomotief vertraagt hare vaart, het geratel houdt stil.
»Leiden, Heeren!” klinkt het vele malen uit den mond der conducteurs en de reizigers komen een voor een uit de deurtjes der rijtuigen.
Het is tijd in te stappen. Een handdruk nog door het portier en gij verlaat mij.
Hebt gij u nog al geamuseerd, mijn waarde tochtgenoot; hebt gij u althans niet verveeld?
Het antwoord gaat verloren in het krijschend schel gefluit van het snuivende en kokende monster, dat zich in beweging stelt; en voordat ik mijne vraag kan herhalen glijdt de wagen voort.
Hoe het ook zij, God zegene u! Vaarwel!