Het is ouderwetsche dichtkunst, deze ballade, daarom niet zonder bekoring. Tot onze vreugde valt ons te binnen, dat Geesteranus met zijne lotgenooten 19 Juli 1631 heeft kunnen ontvluchten en dat zijne dappere vrouw verlof kreeg hem te volgen.
Eindelijk nog uit dezen zelfden tijd vermeld ik de Rispa-rol door de vrouw van Hendrik Slatius gespeeld. Deze gewezen predikant had een werkzaam aandeel genomen in de befaamde samenzwering tegen prins Maurits, was te Rolde gevangen genomen (nog is de spreekwijze niet onbekend: „Slatius laat zijn kan bier staan”) en 5 Mei 1623 in Den Haag onthoofd. Men kan er in de romanliteratuur Lodewijk Mulders „Jan Faessen” op nalezen. Het lichaam werd op het galgenveld bij Rijswijk op een horizontaal rad gelegd, waaraan ook zijne rechterhand, door den beul, met het hoofd, afgehouwen, gespijkerd werd. Zes dagen later, in den nacht tusschen 11 en 12 Mei kwam Slatius' weduwe, de zuster van een der andere veroordeelden Cornelis Gerritsz., en stal het lijk van het rad. Dit „kraaienaas” (zeggen de gelijktijdige historici) begroef zij in een akker bij de Geestbrug omtrent eene spade diep onder de aarde. Maar nog vond het geen rust. Den 16den Mei ontdekte een boer het bij het ploegen, hij waarschuwde het gerecht en toen sleepte men het lijk weder naar 't galgenveld, gelijk staat afgebeeld, in akelige ruwheid, op de prent uit dien tijd „Slatius komt uyt het graf”. Maar ten tweeden male stal de weduwe het lichaam van het rad. Toen voerde zij het per schuit „eenen grooten stanck van zich gevende” door Leiden naar Warmond en begroef het daar in een boomgaard, waar het niet meer werd verontrust en „mogelijk sal leggen tot d'opstanding uit de dooden”. Wat Slatius' vrouw aangaat, haar trouw is niet minder groot dan van Maria van Reigersberch, al werd zij aan onwaardiger voorwerp geschonken.
En nu, om enkele bekender gestalten langs den lezer heen te voeren, hier zijn Jacobus Arminius en Elisabeth Reaal, Johannes Bogerman en Grietje Piers, Vondel met zijn Maaike Wolff, in de aandoenlijkste verzen herdacht:
en Rembrandt met Saskia, op onsterfelijk doek vereeuwigd. Langs ons heen gaan Dirk Volkerts Coornhert en Neeltje Simonsdr., wier „herten elkander liefhadden”, en Huig de Groot met Maria van Reigersberch, en Oldenbarnevelt met Maria van Utrecht. Daar schrijden voort, hand in hand, Huygens met Susanne van Baerle, zijne „sterre” („nu 't den hemel soo gepast heeft, dat mijn ziel aan d'uwe vastleeft”) en Balthasar Bekker met Froukje Fullenius,
en Jacobus Fruytier, de heftige voetiaan, maar trouw en zacht tegenover zijne „zeer waarde en veel geliefde huisvrouw”, Agneta Sassenraat, en burgemeester de Beyer van Nijmegen, die zijne gestorven vrouw zoo bitter beweent, en (in dat zelfde midden der 18de eeuw) de ouders der bekende Belle van Zuylen, en de Amsterdamsche koopman Jacob de Clercq, van wien zijn Zweedsche gast Ferrner getuigt, dat hij nooit gelukkiger getrouwd man zag...
Zoo glijdt de stoet der „zwevende gestalten” voor onze oogen voorbij. En als op zijne verheven geleidsters zien wij op de vorstinnen, die het leven van de twee grootste Oranjevorsten hebben gewijd: Charlotte van Bourbon en Louise de Coligny èn Maria, de vrouw des konings-stadhouders, die, in dagboek en brieven hare reine ziel ons openlegt en die haren echtgenoot, met zijne zonden en afwijkingen, heeft bemind met eene liefde, zooals er inderdaad „geene Gods liefde naderkomt”. Zoet is ons de gedachte, dat, toen Willem III, groot bij zijne niet geringe fouten, in den morgen van 19 Maart 1702, stierf, hij op zijn borst bleek te dragen een zijden lint met een haarlok en een gouden ring der vrouw, die eindelijk ook zijne liefde gewonnen had.
Geen beteren naam dan den haren konden wij schrijven aan het einde van dit hoofdstuk over het huwelijksleven der vaderen, het einde meteen van het gansche boekje, dat over hun verloven en trouwen den toegenegen lezer eenige kennis moge hebben aangebracht.
7 Maart 1914.
De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:
| Plaats | Bron | Correctie |
|---|---|---|
| Blz. vii | Inleiding | Voorrede |
| Blz. vii | 3 | 1 |
| Blz. 17 | . | , |
| Blz. 25 | [Niet in Bron.] | een |
| Blz. 37 | [Niet in Bron.] | ” |
| Blz. 38 | osser | losser |
| Blz. 63 | [Niet in Bron.] | ” |
| Blz. 63 | „ | [Verwijderd.] |
| Blz. 81 | „ | [Verwijderd.] |
| Blz. 85 | diende | dienden |
| Blz. 105 | abonimabel | abominabel |
| Blz. 108 | Ariaantje | Arriaantje |
| Blz. 109 | Cat's | Cats' |
| Blz. 133 | Rembrandt's | Rembrandts |
| Blz. 144 | ” | [Verwijderd.] |
| Blz. 144 | „ | [Verwijderd.] |
| Blz. 144 | ” | [Verwijderd.] |
| Blz. 144 | [Niet in Bron.] | ” |
| Blz. 154 | officieële | officiëele |
| Blz. 158a | 16e | 16e |
| Blz. 161 | [Niet in Bron.] | „ |
| Blz. 175 | [Niet in Bron.] | was |
| Blz. 185 | alleguéz | alléguez |
| Blz. 216 | zoo | zou |