„Waarom heb je hem dan niet bij zijn kraag gepakt?” vraagt Spyers. „Ik was zoo geschrokken, dat je een tandenstoker door mijn schedel had kunnen boren,” zei de arme man, „maar we krijgen hem zeker te pakken, want gisteravond, tusschen tien en elf uur, kwam hij weer voorbij.” Toen Spyers dit hoorde, stopte hij wat schoon linnen en een kam in zijn zak, voor 't geval hij een paar dagen zou moeten blijven; hij ging op weg en zette zich vóór één van de herbergramen met het roode gordijntje met zijn hoed op, om bij den minsten wenk naar buiten te kunnen stormen. Laat in den avond zat hij daar zijn pijp te rooken, toen Chickweed plotseling begon te brullen: „Daar is hij! Houd den dief! Moord!” Jem Spyers vliegt naar buiten en daar ziet hij Chickweed, die al schreeuwend de straat uitholt. Weg holt Spyers; Chickweed gaat voort; het volk loopt om hen heen; iedereen schreeuwt: „Dieven!” en Chickweed zelf schreeuwt aldoor als een dolle mee. Spyers verliest hem een oogenblik uit het oog, als hij een hoek omslaat; vliegt hem na; ziet een troepje menschen staan; dringt er zich tusschen. „Wie is de man?” „Verd....!” zegt Chickweed, „ik heb hem weer uit 't oog verloren! 't Was een wonderlijk toeval, maar hij was nergens meer te zien, dus gingen ze terug naar de herberg. Den volgenden morgen nam Spyers zijn plaats weer in en keek van achter het gordijntje uit naar een langen man met een zwarte pleister op zijn oog, tot zijn eigen oogen er pijn van deden. Eindelijk kon hij niet nalaten ze dicht te doen om ze een minuutje rust te gunnen en op hetzelfde oogenblik hoort hij Chickweed brullen: „Daar is hij!” Weer vliegt hij weg, met Chickweed halfweg de straat voor hem uit en na tweemaal zoo ver gehold te hebben als den vorigen keer, was de man opnieuw verdwenen! Dit gebeurde nog één of twee keer, tot de ééne helft van de buren tot de conclusie kwam, dat Mr. Chickweed bestolen was door den duivel, die nu nog zijn spel met hem speelde, en de andere helft, dat die arme Chickweed gek van verdriet was geworden.”

„En wat zei Jem Spyers?” vroeg de dokter, die kort na het begin van 't verhaal weer in de kamer was gekomen.

Jem Spyers,” antwoordde de hoofdagent, „zei een heelen tijd niets en luisterde naar alles, zonder dat hij 't liet merken, wat aantoonde, dat hij zijn zaakjes verstond. Maar op een morgen kwam hij de herberg binnen, haalde zijn snuifdoos te voorschijn en zei: „Chickweed, ik heb ontdekt wie de diefstal gepleegd heeft.” „O goeie Spyers, laat me mijn wraak hebben, en ik zal rustig sterven! O, goeie Spyers, waar is de schurk?” „Kom,” zei Spyers, terwijl hij hem een snuifje presenteerde, „schei uit met die nonsens! Je hebt 't zelf gedaan.” En dat was zoo, en hij had er aardig wat geld mee gemaakt erbij en niemand zou 't ooit uitgevonden hebben, als hij niet zoo mal bezorgd was geweest om den schijn op te houden; zoo is 't,” zei Mr. Blathers, terwijl hij zijn wijnglas neerzette en de handboeien tegen elkaar sloeg.

„'t Is een merkwaardige geschiedenis,” merkte de dokter op.

„Nu heeren, als u wilt, kunt u naar boven gaan.”

„Als u wilt, mijnheer,” antwoordde Blathers.

Dicht achter Mr. Losberne aan klommen de twee politie-dienaren naar Oliver's slaapkamer; Mr. Giles liep vooruit met een brandende kaars.

Oliver had een beetje gedommeld, maar hij zag er slechter uit en had meer koorts dan te voren. Met behulp van den dokter slaagde hij er in, een paar minuten rechtop te blijven zitten, en keek de vreemdelingen aan zonder in 't minst te begrijpen wat er voorviel, ja zonder zich blijkbaar zelfs te herinneren, waar hij was en wat er was gebeurd.

„Dit,” zei dokter Losberne, zachtjes sprekend, maar toch met drift in zijn stem, „dit is de jongen, die bij ongeluk gewond is door een schot uit een musschengeweertje, toen hij op een of ander jongens-avontuur uit was op het land van Mijnheer-hoe-heet-hij-ook-weer hier achter en die vanmorgen om hulp hier aanklopte; hij is dadelijk beetgepakt en mishandeld door dien snuggeren mijnheer met de kaars in zijn hand; krachtens mijn beroep constateer ik, dat zijn leven door die behandeling in groot gevaar is gebracht.”

De heeren Blathers en Duff keken naar Mr. Giles, toen hun aandacht zoo op hem gevestigd werd. De huisknecht keek als verwezen van hen naar Oliver en van Oliver naar den dokter, met een lachwekkende mengeling van angst en verslagenheid.

„Je zult dit niet willen ontkennen, denk ik?” zei de dokter, terwijl hij Oliver zachtjes weer neerlegde.

„'t Was allemaal om.... om bestwil, mijnheer,” stamelde Giles. „Ik dacht stellig, dat 't de jongen was, anders zou ik me niet met hem ingelaten hebben. Ik ben heelemaal niet onmenschelijk, mijnheer.”

„Welke jongen dacht je dat het was?” vroeg de oudste politieman.

„De dievenjongen, meneer!” antwoordde Giles. „Ze—ze hadden stellig een jongen bij zich.”

„En? Denk je dat nu nog?” vroeg Blathers.

„Wat meneer?” antwoordde Giles met een weifelenden blik op den ondervrager.

„Dat 't diezelfde jongen is, stomkop!” viel Blathers ongeduldig uit.

„Ik weet 't niet, ik weet 't heusch niet,” zei Giles met een berouwvol gezicht. „Ik zou er niet op durven zweren.”

„Wat denk je dan?” vroeg Mr. Blathers.

„Ik weet niet, wat ik denken moet,” antwoordde de arme Giles. „Ik denk niet, dat het de jongen is; eigenlijk weet ik haast zeker, dat hij 't niet is. U weet immers, dat 't niet kan.”

„Heeft die man gedronken, mijnheer?” vroeg Blathers, zich tot den dokter wendend.

„Wat een prachtige warhoofdige kletskous ben jij!” zei Duff met sublieme minachting tot Mr. Giles.

Gedurende dit korte gesprek had dokter Losberne den patient den pols gevoeld; nu stond hij op van den stoel naast het bed en merkte op, dat de heeren, mochten zij omtrent het geval in twijfel verkeeren, misschien wel in de naaste kamer wilden gaan en Brittles ondervragen.

Ingevolge dezen raad begaven zij zich in een aangrenzend vertrek, waar Brittles, na binnen geroepen te zijn, zichzelf en zijn vereerden vriend Giles in een wonderlijk net van nieuwe tegenspraken en onmogelijkheden wikkelde, die geen van allen iets duidelijk in het licht stelden als de verwarring in zijn eigen brein: alleen was van waarde zijn verklaring, dat hij den werkelijken dievenjongen niet zou herkennen, al zag hij hem dadelijk vóór zich; dat hij er alleen Oliver voor hield, omdat Mr. Giles gezegd had, dat hij 't was en dat Mr. Giles vijf minuten te voren in de keuken had bekend, hoe hij vreesde een beetje al te haastig te zijn geweest.

Tusschen andere vernuftige onderstellingen in werd nu de vraag opgeworpen, of Mr. Giles wel werkelijk iemand getroffen had; het zuster-pistool van datgene waarmee hij geschoten had, bleek bij onderzoek alleen geladen te zijn met kruit en bruin papier—deze ontdekking maakte een geweldigen indruk op iedereen, behalve op den dokter, die tien minuten te voren den kogel uit het pistool had gehaald. Op niemand echter maakte dit feit grooter indruk dan op Mr. Giles zelf; hij had eenige uren lang geleden onder het bewustzijn, een medemensch doodelijk gewond te hebben en greep nu dit nieuwe denkbeeld gretig aan en buitte het zooveel mogelijk uit. Ten slotte lieten de politie-beambten, zonder zich verder veel om Oliver te bekommeren, den constabel uit Chertsey in het huis achter en gingen zelf in de stad hun nachtrust zoeken, met de belofte den volgenden morgen terug te zullen komen.

Den volgenden morgen ging het gerucht, dat twee mannen en een jongen dien nacht onder verdachte omstandigheden geknipt waren en opgesloten in Kingston; dientengevolge trokken de heeren Blathers en Duff naar Kingston. Toen de verdachte omstandigheden bij navraag echter beperkt bleken te zijn tot het feit, dat de verdachten slapend in een hooiberg waren aangetroffen, op welke misdaad, ofschoon groot, alleen gevangenisstraf staat, daar dit feit in de oogen van de Engelsche wet en dier bekende liefde voor al des konings onderdanen, bij gebrek aan elk ander, niet beschouwd wordt als voldoende bewijs, dat de slaper of de slapers schuldig staan aan inbraak met geweldpleging, waarvoor zij tot den doodstraf veroordeeld zouden kunnen worden, kwamen de heeren Blathers en Duff even wijs terug als zij gegaan waren.

Kortom, na nog eenig onderzoek en heel wat heen en weer gepraat, werd een magistraat uit de buurt bereid gevonden, genoegen te nemen met de verzekering van mevrouw Maylie en Mr. Losberne, hoe zij op zich namen te zorgen dat Oliver, mocht hij opgeroepen worden, voor de rechtbank zou verschijnen; Blathers en Duff, beloond met een paar guineas, keerden naar de stad terug, vervuld van zeer verschillende opvattingen naar aanleiding van hun tocht; de laatste helde na nauwkeurige overweging van al de omstandigheden over tot de opvatting, dat de poging tot inbraak op touw gezet was door de bende van Pett, en de eerste was evenzeer geneigd, de geheele verdienste ervan aan den grooten Conkey Chickweed toe te kennen.

Intusschen ging Oliver, dank zij de vereende zorgen van mevrouw Maylie, Rose en den goedhartigen dokter Losberne, steeds vooruit.

Als innige gebeden, opwellend uit harten vol dankbaarheid, in den hemel verhoord worden—en als zij niet verhoord worden, welke gebeden dan wel? daalde de zegen, die het verweesde kind op hen afsmeekte, neer in hunne harten en vervulde ze met vrede en geluk.

HOOFDSTUK XXXII.

Van het gelukkige leven, dat voor Oliver bij zijn vriendelijke beschermers aanbrak.

Oliver had veel en hevig lijden te doorstaan. Behalve dat de gebroken arm hem veel pijn deed en niet dan langzaam genas, kreeg hij, tengevolge van de koude en vochtigheid, hevige koortsen, die verscheidene weken aanhielden en hem vreeselijk deden vermageren. Maar eindelijk, heel, heel langzaam begon hij te genezen en was hij in staat, nu en dan in enkele woorden, door tranen verstikt, uit te spreken, hoe diep hij de goedheid der twee lieve dames voelde en hoe vurig hij hoopte, als hij weer flink en sterk was, iets te kunnen doen om zijn dankbaarheid te toonen; iets maar, waaruit zij zouden zien, hoe vol zijn hart was van liefde en toewijding; iets, al was het nog zoo weinig, dat bewijzen kon hoe haar goedheid niet weggeworpen was, maar dat de arme jongen, die door hun mededoogen behoed werd voor ellende of dood, niets liever wilde, dan haar met hart en ziel te dienen.

„Arm kereltje,” zei Rose op een dag, toen Oliver met zwakke stem gepoogd had de woorden van dankbaarheid te stamelen, die naar zijn bleeke lippen drongen, „als je wilt, zul je gelegenheid genoeg hebben iets voor ons te zijn. We gaan naar buiten en tante is van plan je mee te nemen. De rust daar, de zuivere lucht en al de schoonheid en blijheid van de Lente zullen je in een paar dagen wel opknappen. Als je eenmaal sterk genoeg bent, om je een beetje in te spannen, zul je ons op honderd manieren nuttig kunnen zijn.”

„Mij in te spannen!” riep Oliver. „O! lieve juffrouw, als ik maar voor u kon werken; als ik maar iets voor u kon doen door uw bloemen water te geven of uw vogels te verzorgen of den heelen dag heen en weer te hollen, wat zou ik daar niet voor geven!”

„Je hoeft er niets voor te geven,” zei Miss Maylie met een glimlach, „want, zooals ik daarnet al zeide, zullen wij je op allerlei manieren aan het werk zetten, en als je wat wij van je vragen, maar met half zooveel plezier doet als je nu belooft, zal ik me heusch heel gelukkig voelen.”

„Gelukkig juffrouw,” riep Oliver. „Wat lief van u om dat te zeggen.”

„Ik kan je niet zeggen, hoe gelukkig ik mij dan zal voelen,” hernam het jonge meisje. „Te denken, dat mijn goede tante het middel is geweest waardoor iemand bewaard is voor al de vreeselijke ellende, waar jij ons van verteld hebt, zou ik al onbeschrijflijk heerlijk vinden; maar te weten, dat het voorwerp van haar goedheid en medelijden oprecht dankbaar gestemd was en zich aan haar gehecht voelde, zou mij gelukkiger maken dan jij je in kunt denken. Begrijp je?” vroeg ze met een blik op Oliver's peinzend gezichtje.

„O ja, juffrouw, ja!” antwoordde Oliver levendig; „maar ik dacht er over, dat ik toch doe of ik ondankbaar ben.”

„Tegenover wie?” vroeg het meisje.

„Tegenover den vriendelijken mijnheer en die lieve oude huishoudster, die een tijd geleden zoo goed voor me gezorgd hebben,” antwoordde Oliver. „Als ze wisten, hoe gelukkig ik nu ben, zouden zij 't zeker prettig vinden.”

„Dat zouden zij zeker,” stemde Oliver's weldoenster toe, „en dokter Losberne is al zoo vriendelijk geweest te beloven, dat hij je, zoodra je sterk genoeg bent om de tocht te doen, naar hen toe zal brengen.”

„Heusch juffrouw?” riep Oliver, terwijl zijn gezicht van blijdschap opleefde. „Ik weet niet wat ik doen zal van vreugde als ik die lieve gezichten weer zie!”

Korten tijd daarna was Oliver sterk genoeg om de vermoeienis van den tocht te doorstaan. Zoo reden hij en dokter Losberne op een ochtend uit in een rijtuigje, dat aan Mevrouw Maylie toebehoorde. Toen zij bij Chertsey Bridge kwamen, werd Oliver bleek en uitte een kreet.

„Wat scheelt je jongen?” riep de dokter, driftig als gewoonlijk. „Zie je wat—hoor je wat—voel je wat—nou?”

„Dat meneer,” riep Oliver en wees uit het raampje. „Dat huis!”

„Nu, wat is daarmee? Stop koetsier. Hou op!” riep de dokter. „Nu vent, wat is er met dat huis, wat?”

„De dieven—het huis, waar ze me heen brachten!” fluisterde Oliver.

„Wat duivel!” riep de dokter. „Hé! Ho!! Laat me er uit!”

Maar eer de koetsier van den bok kon komen, was de dokter al op een of andere manier het rijtuig uitgetuimeld; hij holde naar het verlaten huis toe en begon als een dolle op de deur te bonzen.

„Hé!” zei een leelijke, kleine, gebochelde man, terwijl hij de deur zoo plotseling opentrok, dat de dokter door den schok van zijn laatsten klop bijna voorover de gang inviel. „Wat is er te doen?”

„Te doen!” riep de ander en greep hem zonder nadenken bij den kraag. „Heel wat! Inbraak en diefstal—dat is er te doen.”

„En daar zal gauw moord bij komen,” antwoordde de gebochelde koel, „als je me niet loslaat. Versta je?”

„Ik versta je,” zei de dokter en schudde zijn gevangene flink door elkaar. „Waar is—duivels hoe heet die schurk ook weer—Sikes; dat is 't. Waar is Sikes, dief die je bent?”

Als in de uiterste verbazing en verontwaardiging staarde de gebochelde hem aan; toen rukte hij zich met een handige beweging uit des dokters handen los, stootte een vloed van afschuwelijke vloeken uit en ging in het huis terug. Doch eer hij de voordeur kon sluiten, was de dokter, zonder een woord te zeggen, de voorkamer binnen gegaan. Hij keek opmerkzaam rond; geen enkel meubelstuk, geen aanduiding van iets, hetzij levend of levenloos, dat aan Oliver's beschrijving herinnerde; zelfs niet de plaats waar de kasten stonden.

„Nou,” zei de gebochelde, die met scherpen blik zijn bewegingen gevolgd had, „wat beteekent dat, dat je met geweld mijn huis binnendringt? Wil je mij berooven of vermoorden? Wat wil je?”

„Heb je ooit gehoord dat een man die zooiets wou doen in een karretje kwam en met getuigen, malle ouwe vampier?” vroeg de driftige dokter.

„Wat moet je hier dan?” vroeg de bochel. „Wil je nou dadelijk weggaan, vóór ik een ongeluk aan je bega? Pas op!”

„Zoo gauw ik het tijd vind,” zei dokter Losberne en keek in de andere kamer; ook deze leek niets op de beschrijving, die Oliver ervan gegeven had. „Ik zal je wel krijgen, vriendje.”

„Zoo, zal je dat?” smaalde de leelijke stumpert. „Als je mij noodig hebt, ben ik hier. Ik heb hier vijf en twintig jaar lang alleen, als een gek, gewoond en laat me niet door jou wegjagen. Ik zal 't je betaald zetten; ik zal 't je betaald zetten.” Met deze woorden zette het misvormde duiveltje 't op een gillen en danste op den grond alsof hij dol was van woede.

„'n Gekke geschiedenis!” mompelde de dokter in zichzelf. „De jongen moet 't mis hebben. Hier! Steek dit in je zak en sluit je weer op!”

Met deze woorden wierp hij den bochel een geldstuk toe en keerde naar het rijtuig terug.

Onder het uiten van woedende verwenschingen en vloeken, volgde de man tot aan het portier; maar toen dokter Losberne zich een oogenblik omkeerde, om met den koetsier te spreken, keek hij in het rijtuig en staarde Oliver een oogenblik zóó woest en tegelijk zóó woedend en wraakzuchtig aan, dat de jongen er maandenlang wakend en slapend aan bleef denken. Tot de koetsier zijn plaats hernomen had, bleef de misvormde zijn vreeselijke verwenschingen uitbraken; en terwijl het rijtuig wegreed, konden zij hem op eenigen afstand achter zich zien, op den grond stampend en in echte of voorgewende woede, de haren uit zijn hoofd rukkend.

„Ik ben een ezel!” zei de dokter na een lange stilte. „Wist je dat al, Oliver?”

„Nee mijnheer.”

„Vergeet 't dan niet weer.”

„'n Ezel,” herhaalde de dokter na een nieuwe stilte van eenige minuten. „Zelfs al was het de juiste plek geweest en ik had er de kerels, die ik zocht, gevonden, wat zou ik dan alleen hebben kunnen uitvoeren? En als ik hulp had gehad, zou ik nog niets goeds uitgericht hebben; ik zou me zelf in een vreemd daglicht hebben gebracht, want dan zou onvermijdelijk uit zijn gekomen, hoe ik de zaak in de doofpot heb gestopt. 't Zou net goed voor me zijn geweest, want door m'n toegeven aan ingevingen, raak ik altijd in de klem. 't Zou me goed gedaan hebben.”

De waarheid was, dat de brave dokter zijn leven lang volgens niets anders dan ingevingen had gehandeld en het was geen slecht compliment voor die ingevingen, dat hij, verre van in eenig ongeluk of moeilijkheid te geraken, integendeel van harte geëerd en geacht werd door iedereen, die hem kende. Oprecht gesproken was hij een paar minuten lang ietwat uit zijn humeur, doordat hij bij de eerste de beste gelegenheid teleurgesteld was in zijn poging, het verhaal van Oliver door de feiten bevestigd te zien. Doch hij zette dit spoedig weer van zich af en toen hij opmerkte, hoe Oliver's antwoorden op zijn vragen even oprecht en vast klonken als ooit te voren en blijkbaar met dezelfde eerlijkheid en waarheid werden uitgesproken, nam hij zich voor van nu af er ten volle geloof aan te schenken.

Daar Oliver den naam van de straat wist, waarin de heer Brownlow woonde, konden zij er recht naar toe rijden. Toen het rijtuig de straat insloeg, klopte Oliver's hart zoo hevig, dat hij nauwelijks snel genoeg adem kon halen.

„Nu, m'n jongen, welk huis is het?” vroeg de dokter.

„Dàt! dàt!” antwoordde Oliver levendig en wees uit het raampje. „Dat witte huis! O, gauw! Toe gauw! Ik heb een gevoel of ik sterven moet; ik beef zoo.”

„Kom! kom!” zei de dokter, hem op den schouder kloppend. „Dadelijk zie je hen en ze zullen dol blij zijn, je gezond en wel weer te zien.”

„O, dat hoop ik maar!” riep Oliver. „Ze zijn zoo goed voor me geweest, zoo heel, heel goed!”

Het rijtuig rolde voort. Het hield stil. Neen, dat was het verkeerde huis; de volgende deur. Het rijtuig ging een eindje voort en stond toen weer stil. Oliver keek op naar de ramen; langs zijn gezicht stroomden tranen van blij verlangen. Helaas! Het witte huis was leeg en op het raam stond: „Te Huur.”

„Klop hiernaast aan,” zei de dokter en trok Oliver's arm door den zijne. „Wat is er geworden van mijnheer Brownlow, die hiernaast heeft gewoond? Weet u dat ook?”

Het dienstmeisje wist 't niet, maar wou het binnen gaan vragen. Nu kwam ze terug en vertelde, dat de heer Brownlow zes weken te voren zijn inboedel verkocht had en naar West-Indië was gegaan. Oliver sloeg zijn handen samen en dreigde in elkaar te zakken.

„Is zijn huishoudster ook weg?” vroeg de dokter na een oogenblik.

„Ja mijnheer,” antwoordde het dienstmeisje. „De oude heer, de huishoudster en een andere mijnheer, een vriend van mijnheer Brownlow, zijn allemaal samen weggegaan.”

„Dan naar huis,” zeide Losberne tot den koetsier, „en je hoeft niet stil te staan om de paarden eten te geven eer we dat vervloekte Londen weer uit zijn!”

„De man van het boekenstalletje mijnheer!” zei Oliver. „Ik weet de weg er naar toe. Toe asjeblieft, mijnheer, ga naar hem toe! Toe mijnheer!”

„Lieve jongen, dit is teleurstelling genoeg voor één dag,” zei de dokter. „Genoeg voor ons allebei. Als we naar het boekenstalletje gaan, krijgen we zeker te hooren, dat de man dood is, of zijn huis in brand heeft gestoken of weg is geloopen. Neen, we gaan rechtuit naar huis!”

En gehoorzaam aan de ingeving van den dokter, gingen zij naar huis.

Deze bittere teleurstelling bracht Oliver veel leed en verdriet zelfs te midden van zijn geluk; gedurende zijn ziekte had hij zich honderdmaal met genot voorgesteld, wat de heer Brownlow en juffrouw Bedwin zeggen zouden, en hoe heerlijk het zou zijn hun te vertellen, hoeveel dagen en nachten hij had doorgebracht met aan hen te denken en aan wat zij voor hem hadden gedaan en met 't betreuren van zijn wreede scheiding van hen. Ook had de hoop, zich tegenover hen te kunnen rechtvaardigen en uit te kunnen leggen, hoe hij met geweld weggevoerd was, hem onder vele van zijn beproevingen opgemonterd en gesteund, en nu was het denkbeeld, dat zij zoo ver weg waren gegaan en de overtuiging met zich meedroegen, dat hij een brutale dief was—een overtuiging, die nu misschien zijn leven lang onweersproken zou blijven—bijna meer dan hij dragen kon.

Het gebeurde bracht evenwel geen verandering in het gedrag van zijn weldoeners. Veertien dagen later, toen het mooie warme weer was begonnen en alle boomen en bloemen hun jonge blaadjes en welige bloesems ontplooiden, werden er toebereidselen gemaakt om het huis in Chertsey voor eenige maanden te verlaten. Het zilver, dat zoo zeer Fagin's begeerte had opgewekt, werd naar de bank gebracht, de zorg voor het huis aan Giles en een anderen bediende opgedragen; daarna ging de familie naar een landhuis, dat een eind verder het land in lag en namen Oliver mee. Wie zal de vreugde en het genot beschrijven, de liefelijke rust en de vrede in zijn hart, die de herstellende jongen vond in de geurige buitenlucht en tusschen de groene heuvels en welige bosschen van een landelijk dorp! Wie kan in woorden uitdrukken hoe tooneelen van vrede en rust inwerken op de ziel der afgesloofde bewoners van dichtbevolkte, rumoerige steden, en welken diepen indruk de frischheid van het buitenleven maakt op hunne vermoeide harten! Menschen, die een zwoegleven geleid hebben in dichtbevolkte enge stegen en die nooit naar verandering gehaakt hebben; menschen voor wie de gewoonte werkelijk tot een tweede natuur is geworden, en die er bijna toe gekomen zijn te houden van elken steen en elke dakpan waartusschen zij hun dagelijksche wandeling volbrengen, zelfs zij hebben, wanneer zij den dood nabij waren, eindelijk gesmacht naar één blik op het gelaat der Natuur; en wanneer zij weggebracht werden, ver van het tooneel hunner oude smarten en genoegens, schenen zij tot een nieuw bestaan te ontwaken. Terwijl zij zich elken dag naar een groen zonnig plekje sleepten, wekte de aanblik van den hemel, van de heuvels, de wijde vlakten en het blinkende water zulke herinneringen in hen op, dat hun sterven verzacht werd door een voorsmaak van den hemel en zij in het graf zonken even vredig als de zon, die zij enkele uren tevoren van uit het raam hunner eenzame kamer zagen ondergaan, voor hun omfloerste zwakke oogen verdween. De herinneringen, die een rustig landschap in ons opwekt, zijn niet van deze wereld, noch van de verwachtingen en gedachten dezer wereld. Hun liefelijke invloed moge ons leeren, hoe wij frissche kransen moeten vlechten voor de graven van hen, die wij liefhadden; moge onze gedachten verreinen en alle oude vijandschap en haat in ons onderdrukken; maar behalve dit alles, draagt zelfs de meest gedachtelooze geest een vaag en halfgevormd bewustzijn in zich om dergelijke gevoelens reeds gekoesterd te hebben lang te voren in een ver-affe, lang verleden tijd; dit besef roept ernstige gedachten op aan tijden, die nog komen zullen en buigt de trots der wereld neder.

Het was een liefelijk oord, waarheen zij gingen. Oliver, die tot nu toe zijn dagen had doorgebracht onder vuile menschen, te midden van rumoer en geschreeuw, scheen hier een nieuw leven begonnen te zijn. Rozen en kamperfoelie klommen tegen de muren van het huis; om oude boomstammen slingerde zich de klimop en de bloemen in den tuin wademden heerlijke geuren uit. Dichtbij lag een klein kerkhof, niet overvol groote, leelijke grafmonumenten, maar met bescheiden grafheuvels, overgroeid met frisch gras en mos, waaronder de oude menschen van het dorp te ruste waren gelegd. Hier dwaalde Oliver dikwijls rond en als hij dacht aan het armzalige graf, waarin zijn moeder rustte, ging hij somwijlen zitten en schreide stil; doch wanneer hij zijn oogen ophief naar den diepblauwen hemel boven zich, dacht hij niet langer aan haar, alsof zij in den grond lag, en zijn verlangend weenen om haar werd vrij van pijn.

Het was een gelukkige tijd. De dagen waren vredig en helder, de nachten brachten zorg noch angst; geen gedachten aan een vreeselijke gevangenis of slechte menschen, waaraan hij geketend was; niets dan prettige en gelukkige gedachten. Elken morgen ging hij naar een ouden heer met wit haar, die dicht bij de kerk woonde; deze leerde hem beter lezen en schrijven en sprak zoo vriendelijk en gaf zich zooveel moeite voor hem, dat Oliver zich nooit genoeg in kon spannen om het hem naar den zin te maken. Daarna ging hij gewoonlijk wandelen met Mevrouw Maylie en Rose en hoorde haar over boeken spreken, of hij zat op een schaduwrijk plekje bij haar en luisterde, terwijl het jonge meisje voorlas; dit zou hij hebben willen doen tot het te donker werd om de letters te zien. Hij had werk te maken voor zijn les van den volgenden dag en daar werkte hij hard voor in een klein kamertje, dat op den tuin uitzag; dan viel de avond langzamerhand en gingen de dames gewoonlijk weer wandelen en hij met haar; met wat een plezier luisterde hij naar alles wat zij spraken en hoe gelukkig maakte het hem als zij om een bloem vroegen, die hij met eenige moeite plukken moest, of als zij iets vergeten hadden en hij kon terugloopen om het te halen en in een ommezien weer terug te zijn. Als het geheel donker was geworden en zij weer in huis waren, placht het jonge meisje voor de piano te gaan zitten en een mooi lied te spelen, of wel zij zong met zachte, lieve stem een of andere oude melodie, die haar tante graag hoorde. Op zulke avonden werden de kaarsen niet opgestoken en Oliver zat gewoonlijk voor het raam en luisterde in verrukking naar de liefelijke muziek. En de Zondag, hoe heel anders werd die doorgebracht dan hij dien dag tot nu toe had doorgebracht en hoe heerlijk was dit evenals al de andere dagen van dezen gelukkigen tijd. 's Morgens was daar het kerkje, waar de groene bladeren langs de ramen streken; buiten zongen de vogels en de zacht geurende lucht sloop door de lage deuren binnen en vervulde het gezellige gebouwtje met zijn aroma. De arme menschen zagen er zoo netjes en zindelijk uit en knielden zoo vroom neer in gebed, dat het scheen alsof zij voor hun plezier hier samenkwamen en niet om een lastigen plicht te vervullen en ofschoon het zingen wat ruw van toon was, klonk het welgemeend en (tenminste in Oliver's ooren) muzikaler dan eenig kerkgezang, dat hij nog gehoord had. Dan volgden de gewone wandelingen en vele bezoeken aan de zindelijke boerenhuisjes en 's avonds las Oliver een paar hoofdstukken voor uit den bijbel, waar hij de heele week op gestudeerd had; bij het vervullen van die taak voelde hij zich zoo trotsch en gelukkig alsof hij de dominee zelf was.

's Morgens stond Oliver om zes uur op, dwaalde door de velden en plunderde wijd en zijd de heggen om bossen wilde bloemen te verzamelen; met zijn armen volgeladen kwam hij thuis. Dan kostte het heel wat zorg en hoofdbreken, de bloemen zoo mooi mogelijk te schikken ter versiering van de ontbijttafel. Ook bracht hij frisch muurt mee voor de vogels van Miss Maylie, waarmee Oliver, die onder de bekwame leiding van den dorpsonderwijzer het onderwerp bestudeerd had, de kooien op smaakvolle wijze versierde. Als de vogels allen hun dagelijksche verzorging en opknap gehad hadden, was er meestal een of ander te brengen aan een arm gezin in het dorp, of anders speelde hij cricket op het grasveld, of anders was er altijd wel wat in den tuin te doen of met de planten. Oliver had hiervan ook een en ander geleerd van denzelfden meester, die plantkundige van beroep was en legde er zich met veel goeden wil op toe. Daarna verscheen Miss Rose en prees hem met duizend glimlachjes voor alles wat hij gedaan had.

Zoo gingen drie maanden voorbij; drie maanden, die in het leven van den mensch, die 't meest door de fortuin gezegend was, vol onvermengd geluk geweest zouden zijn, en die in Oliver's leven als een paradijs-periode waren. Aan den eenen kant de zuiverste en meest innemende gulheid, aan den anderen kant de meest oprechte, warme, diepgevoelde dankbaarheid; het is geen wonder dat Oliver Twist na verloop van dien korten tijd door de oude dame en haar nicht als één der hunnen werd beschouwd en dat zij van haar kant tegenover de vurige gehechtheid van zijn jong, gevoelig hart, trotsch op hem waren en van hem hielden.

HOOFDSTUK XXXIII.

Waarin het geluk van Oliver en zijn vriendinnen een plotselingen schok krijgt.

De lente vervloog snel en de zomer kwam. Was het dorp eerst al mooi geweest, nu straalde het in de volle glorie en glans van zomerweelde. De groote boomen, die in de vroege maanden nog kaal en dun bebladerd hadden geschenen, werden nu in eens vol sterk leven en gezondheid; zij strekten hun groene takken over den dorstenden grond, herschiepen open kale plekken in heerlijke hoekjes, waar men van uit diepe, vriendelijke schaduw uitkeek in wijde verten, die zich in zonneschijn baadden. De aarde had zich omhangen met haar vroolijken groenen mantel en verspreidde haar weligste geuren. Het jaar verkeerde in den tijd van jeugdige kracht; alle dingen bloeiden en waren blij. In het kleine landhuis ging het leven even rustig voort en onder de bewoners heerschte dezelfde vroolijke opgewektheid. Oliver was flink en gezond geworden; maar gezondheid of ziekte brachten geen verschil in zijn warme gevoelens voor de menschen om hem heen, zooals bij vele menschen gebeurt. Hij was nog hetzelfde lieve, zachte, gevoelige kind, dat hij was geweest, toen zijn kracht werd ondermijnd door pijn en leed, en toen hij voor de minste verlichting van pijn afhing van hen, die hem verzorgden.

Op een mooien avond waren zij verder gewandeld dan gewoonlijk; het was overdag buitengewoon warm geweest, nu scheen de maan prachtig en er stak een koeltje op, dat heerlijk verfrisschend aandeed. Rose was heel vroolijk geweest en ze hadden opgewekt pratend voortgewandeld, tot zij ver buiten hun gewone grenzen waren gegaan. Daar mevrouw Maylie moe was, wandelden zij langzamer terug. Het jonge meisje gooide alleen haar eenvoudige kapje neer en ging als gewoonlijk voor de piano zitten. Nadat zij eenige minuten lang afgetrokken over de toetsen heen was gegleden, zette zij een zacht, ernstig lied in en terwijl zij het speelde hoorden de anderen een geluid, alsof zij schreide.

Rose, lieveling!” zei de oudere dame.

Rose gaf geen antwoord, maar speelde iets vlugger voort, alsof de woorden haar uit een of andere pijnlijke gedachte gewekt hadden.

Rose, lieverd!” riep mevrouw Maylie, terwijl zij opsprong en zich over haar heenboog. „Wat is er? In tranen! Lieve kind, wat scheelt er aan?”

„Niets tante, niets,” antwoordde het meisje. „Ik weet niet wat het is; ik kan 't niet beschrijven, maar ik voel me zoo....”

„Toch niet ziek, lieveling?” viel mevrouw Maylie in.

„O! Neen, neen! Niet ziek!” antwoordde Rose met een huivering, alsof onder het spreken een doodelijke kilte haar beving. „'t Zal dadelijk wel weer over gaan. Zou je 't raam dicht willen doen?”

Oliver haastte zich, aan haar verzoek te voldoen. Het jonge meisje deed een poging, haar vroolijkheid te herwinnen en trachtte een lichter wijsje te spelen; doch haar vingers vielen machteloos neer op de toetsen. Zij bedekte haar gezicht met haar handen, viel op een sofa neer en liet den vrijen loop aan de tranen, die zij niet langer weerhouden kon.

„Lieve kind!” zei de oudere dame en sloeg de armen om haar heen, „ik heb je nog nooit zoo gezien.”

„Ik zou u niet ongerust maken, als ik er iets aan kon doen,” viel Rose in, „maar heusch, ik kan 't niet helpen. Ik geloof toch wel, dat ik ziek ben, tante.”

Zij was werkelijk ziek; toen de kaarsen binnen werden gebracht, zagen de anderen, hoe in den korten tijd sinds zij thuis waren, de blos op haar gezicht in marmer-bleekheid was veranderd. De trekken hadden niets van hun schoonheid verloren, maar op het lieve gezichtje lag een angstige, verschrikte trek, die het nooit gehad had. Een oogenblik later werd zij vuurrood en in haar oogen kwam een wilde, starende uitdrukking. Ook deze verdween, als de schaduw van een overtrekkende wolk en zij werd opnieuw doodsbleek.

Oliver, die angstig naar de oude dame keek, merkte op hoe deze teekens haar verontrustten; hij was ook ongerust, maar ziende, dat zij haar best deed, haar onrust te verbergen, trachtte hij hetzelfde te doen en zij slaagden in zoover, dat, toen Rose door haar tante overgehaald was zich voor den nacht terug te trekken, zij opgewekter was en er zelfs beter uitzag; ze verzekerde, dat zij stellig den volgenden morgen heelemaal beter op zou staan.

„Ik hoop toch,” zei Oliver, toen mevrouw Maylie terugkwam, „dat er niets is. Ze ziet er niet goed uit, maar....”

De oude dame wenkte hem, niet te spreken en ging in een donkeren hoek van de kamer zitten. Het bleef een poos stil. Eindelijk zeide zij met bevende stem:

„Ik hoop 't, Oliver. Ik ben deze jaren zoo gelukkig met haar geweest—te gelukkig misschien. 't Is zeker tijd, dat er een of ander ongeluk over me komt, maar ik hoop, dat het dit niet is.”

„Wat?” vroeg Oliver.

„De vreeselijke slag,” zei de oude dame, „dat ik het lieve meisje zou moeten verliezen, dat zoo lang mijn geluk en mijn troost is geweest.”

„O! dat verhoede God,” riep Oliver haastig.

„Amen! kindlief!” zei de oude dame handenwringend.

„Er is toch geen gevaar voor zoo iets vreeselijks?” vroeg Oliver. „Twee uur geleden was zij nog heel goed.”

„Nu is zij heel ziek,” antwoordde mevrouw Maylie, „en ik geloof zeker, dat 't nog erger zal worden. Mijn lieve, lieve Rose! O, wat zou ik moeten doen zonder haar!”

Zij gaf blijk van zulk een hevige smart, dat Oliver, zijn eigen ontroering onderdrukkend, het waagde haar moed in te spreken, en haar ernstig te verzoeken, ter wille van de lieve jonge dame zelf, kalmer te zijn.

„En bedenk, mevrouw,” zeide Oliver, terwijl de tranen hem in de oogen sprongen, ondanks al zijn pogingen ze te onderdrukken. „O, bedenk, hoe jong en goed ze is en hoeveel vreugde en geluk zij geeft aan allen om haar heen. Ik weet zeker—heusch, heel zeker, dat zij, ter wille van u, die zoo goed bent en ter wille van haar zelf en ter wille van allen, die zij zoo gelukkig maakt, niet zal sterven. De Hemel zal haar zoo jong niet doen sterven.”

„St!” zeide mevrouw Maylie, terwijl zij haar hand op Oliver's hoofd legde. „Je denkt als een kind, arme jongen. Maar ondanks dat, wijs je mij op mijn plicht. Ik had die een oogenblik vergeten, Oliver, maar ik hoop, dat dit mij vergeven zal worden, want ik ben oud en heb genoeg van ziekte en dood gezien om de smart te kennen, die de scheiding van wie ons lief zijn, meebrengt. Ik heb ook genoeg gezien, om te weten, dat het niet altijd de jongste en beste zijn, die gespaard worden voor wie hen liefhebben; maar dit moet ons tot troost zijn in onze droefheid, want de Hemel is rechtvaardig en zulke dingen leeren ons onafwijsbaar, dat er een schooner wereld bestaat dan de onze en dat de overgang erheen plotseling kan zijn. Gods wil geschiede! Ik heb haar lief; Hij weet hoe lief.”

Tot zijn verwondering zag Oliver, dat mevrouw Maylie, terwijl zij deze woorden sprak, haar klachten als met één poging onderdrukte; toen zij uitgesproken had, was zij weer zelfbeheerscht en flink. Nog meer verwonderd was hij te ontdekken, dat die flinkheid aanhield en dat mevrouw Maylie bij al de zorg en het nachtwaken, dat volgde, steeds zelfbeheerscht en kalm bleef; al de plichten, die op haar rustten, vervulde zij vastbesloten en naar het uiterlijk te oordeelen, zelfs opgewekt. Maar hij was jong en wist niet, waar sterke geesten onder beproevingen toe in staat zijn. Hoe zou hij dat ook kunnen weten, waar de sterke geesten zelf zoo zelden zichzelf kennen?

Een bange nacht volgde. Toen de morgen kwam, ging de voorspelling van mevrouw Maylie maar al te zeer in vervulling. Rose verkeerde in het eerste stadium van een hooge, gevaarlijke koorts.

„We moeten iets doen Oliver en niet toegeven aan onnutte droefheid,” zei mevrouw Maylie, terwijl zij den vinger op de lippen legde en hem strak aankeek, „deze brief moet zoo gauw mogelijk naar dokter Losberne gezonden worden. De brief moet naar het marktstadje gebracht worden, dat is niet verder dan vier mijlen langs het voetpad door de velden; vandaar moet hij door een bode te paard recht naar Chertsey worden gebracht. De menschen uit de herberg zullen daar wel voor zorgen en ik kan jou wel toevertrouwen, den brief daarheen te brengen, nietwaar?”

Oliver kon niet antwoorden, maar zijn oogen zeiden hoe verlangend hij was, dadelijk op weg te gaan.

„Hier is nog een brief,” zei mevrouw Maylie en dacht een oogenblik na, „maar ik weet niet goed, of ik hem nu zal verzenden of wachten zal, tot ik weet, hoe 't met Rose gaan zal. Ik zou hem alleen verzenden, als ik het ergste vreesde.”

„Moet hij ook naar Chertsey, mevrouw?” vroeg Oliver, ongeduldig om zijn boodschap te verrichten en stak zijn bevende hand uit naar den brief.

„Neen,” antwoordde de oude dame en reikte hem den brief werktuigelijk toe. Oliver wierp er een blik op en zag, dat hij geadresseerd was aan den heer Harry Maylie, in een of ander groot landhuis, waar kon hij niet uitmaken.

„Moet hij mee, mevrouw?” vroeg Oliver en keek ongeduldig op.

„Ik geloof 't niet,” antwoordde mevrouw Maylie, terwijl zij den brief terugnam. „Ik zal tot morgen wachten.”

Bij deze woorden gaf zij Oliver haar beurs en zonder zich langer op te houden, rende hij weg zoo hard hij kon. Vlug liep hij door de velden en langs de paadjes, die ze hier en daar doorsneden; nu eens was hij bijna verborgen door het hooge koren aan weerskanten, dan weer kwam hij op een open weiland, waar de maaiers en hooiers druk aan 't werk waren; hij bleef niet staan, behalve nu en dan een paar seconden om op adem te komen, tot hij warm en met stof bedekt op het marktplein van het stadje aankwam.

Hier bleef hij staan en keek om zich heen naar de herberg. Er was een witte bank en een roode brouwerij en een geel stadhuis en in één hoek stond een groot huis, waarvan al het houtwerk groen geschilderd was en waar op het uithangbord stond: „De George.” Zoodra hij dit in het oog kreeg, ging hij er haastig op af.

Hij sprak een postjongen aan, die onder de poort zat te dommelen en die hem, toen hij hoorde, wat hij verlangde, naar den huisknecht verwees; toen deze ook alles aangehoord had wat hij te zeggen had, stuurde hij hem naar den waard; deze was een lange man met een blauwe das, een witte hoed, een grijze broek en kaplaarzen; hij leunde tegen de pomp bij de staldeur en bewerkte zijn tanden met een zilveren tandenstoker.

Deze heer ging met veel omslag de gelagkamer binnen om de kosten te berekenen, wat heel wat tijd kostte; toen dit klaar was en het geld betaald, moest een paard gezadeld en een man reisvaardig gemaakt worden, wat opnieuw tien minuten kostte. Intusschen verkeerde Oliver in zulk een wanhopigen toestand van ongeduld en angst, dat hij 't gevoel had, alsof hij zelf op het paard zou willen springen om in galop naar de volgende pleisterplaats te rijden. Eindelijk was alles klaar; toen Oliver het briefje had overgereikt met allerlei verzoeken en aanbevelingen om het spoedig te bezorgen, gaf de man zijn paard de sporen, draafde over de oneffen steenen van de markt, reed de stad uit en galoppeerde twee minuten later langs den straatweg.

Het bewustzijn, dat er om hulp was gezonden en dat geen tijd verloren was gegaan, was ten minste iets en Oliver liep met lichter hart de binnenplaats van de herberg op. Toen hij het koetshuis uitkwam, botste hij tegen een langen man in een wijde jas aan, die op dat oogenblik uit de herbergdeur kwam.

„Ha!” riep de man, met zijn oogen op Oliver gericht en plotseling terugdeinzend. „Wat is dat, voor den duivel?”

„Neem me niet kwalijk, mijnheer,” zei Oliver, „ik liep hard naar huis en zag u niet aankomen.”

„Dood en duivel!” mompelde de man, den jongen met zijn groote, donkere oogen aanstarend. „Wie zou dat gedacht hebben? Vermorzel hem tot gruis! Hij zou nog uit een steenen kist springen en me in den weg komen!”

„'t Spijt me,” stamelde Oliver, onthutst door den woesten blik van den vreemde. „Ik hoop, dat ik u geen pijn heb gedaan!”

„Verrek jij!” mompelde de man woest tusschen zijn gesloten tanden, „als ik maar moed had, het woord te zeggen, zou ik in één nacht van je af zijn. Vloek over je hoofd en dat de pest je hale, duivelsjong! Wat doe je hier?”

De man balde zijn vuist terwijl hij deze woorden uitstootte. Hij liep op Oliver toe, als om hem een slag te geven, maar smakte op den grond, waar hij zich in een zenuwtoeval heen en weer rolde, terwijl het schuim hem op den mond kwam.

Oliver keek een oogenblik naar den krankzinnige (want daar hield hij hem voor) en liep toen het huis in om hulp te halen. Nadat hij den man veilig het hotel had zien binnen dragen, wendde hij zich huiswaarts en liep zoo hard hij kon om den verloren tijd in te halen; intusschen dacht hij nog eens met groote verbazing en iets als angst aan het vreemde gedrag van den man, dien hij zoo juist ontmoet had.

Hij bleef echter niet lang aan het voorval denken, want toen hij het landhuis bereikte, was er genoeg om zijn geest bezig te houden en alles wat hemzelf betrof voor 't oogenblik volkomen uit zijn gedachten te bannen.

Rose Maylie was veel erger geworden; tegen middernacht begon zij te ijlen. Een dokter, die in het dorp woonde, bleef voortdurend bij haar; nadat hij de patiënte gezien had, nam hij mevrouw Maylie ter zijde en verklaarde, dat de ziekte van den meest ernstigen aard was. „Eerlijk gezegd,” verklaarde hij, „zou het iets als een wonder zijn, wanneer ze beter werd.”

Hoe dikwijls sprong Oliver dien nacht zijn bed uit, sloop onhoorbaar naar de trap en luisterde naar het minste geluid uit de ziekenkamer! Hoe dikwijls schokte een huivering door zijn leden en parelden koude angstdruppels op zijn voorhoofd, wanneer een plotseling geluid van voetstappen hem deed vreezen, dat er iets gebeurd was, te vreeselijk om aan te denken! En wat waren de vurigste gebeden, die hij ooit geuit had, vergeleken bij de gebeden die hij uitstootte, nu hij in doodsangst hartstochtelijk smeekte om leven en gezondheid voor het liefelijke wezen, dat aan den rand van het donkere graf verkeerde!

O! de onzekerheid, de vreeselijke, drukkende onzekerheid, waarin men het werkeloos aan moet zien, hoe het leven van iemand, die ons dierbaar is, in de waagschaal staat.

O! de folterende gedachten, die in ons brein woelen en ons hart hevig doen kloppen en onzen adem beklemmen, door de voorstellingen die zij in onzen geest oproepen; de wanhopige begeerte, iets te doen om de pijn te verzachten of het gevaar te verminderen, dat wij niet kunnen bezweren; de somberheid, die over onze ziel en onzen geest komt, door de droeve gedachte aan onze hulpeloosheid; welke folteringen zijn daaraan gelijk? door welke gedachten of ingespannen werkzaamheden kunnen wij er leniging voor vinden in de koortsachtige opwinding van het oogenblik?

De morgen brak aan en het landhuisje was eenzaam en stil. Men sprak fluisterend; angstige gezichten kwamen van tijd tot tijd aan de deur; vrouwen en kinderen gingen in tranen heen. Heel den langen dag, en uren nadat het donker was geworden, liep Oliver langzaam op en neer in den tuin; ieder oogenblik keek hij op naar de ziekenkamer en schrikte terug als hij het omfloerste raam zag, dat er uitzag, alsof de dood daarachter huisde. Laat in den avond kwam dokter Losberne. „Het is hard,” zei de goede dokter en wendde zijn hoofd af onder het spreken „zoo jong, zoo bemind; maar er is heel weinig hoop.”

Een nieuwe morgen. De zon scheen helder—zoo helder, alsof zij niet neerzag op ellende en zorg; en terwijl alle bladeren en bloemen in vollen bloei om haar heen stonden, terwijl leven, gezondheid, klanken en kleuren van zomerweelde haar aan alle kanten omringden, lag het mooie, jonge schepseltje snel weg te teren. Oliver sloop naar het oude kerkhof, ging op een van de groene grafheuvels zitten en schreide en bad in stilte voor haar.

Alles was zoo vredig en schoon, het zonnige landschap scheen zoo vol licht en vroolijkheid, de zang der zomervogels zoo vol streelende muziek, er sprak zulk een besef van vrijheid uit de snelle vlucht der kraaien, die hoog door de lucht zeilden, zooveel leven en blijheid uit alles, dat in den jongen, toen hij zijn stekende oogen ophief en om zich heen keek, onwillekeurig de gedachte opkwam, hoe dit geen tijd was voor den dood; Rose kon niet sterven, wanneer dingen van lager orde alle zoo vroolijk en blij waren; de graven waren er voor den kouden droeven winter, niet voor den tijd van zonneschijn en bloei. Hij dacht bijna dat lijkkleeden alleen bestonden voor ouden en afgeleefden en dat hun spookachtige plooien nimmer zulk een jong, bekoorlijk wezen omhulden. Deze kinderlijke gedachten werden plotseling onderbroken door het luiden van de kerkklok. Daar! Weer! De klok luidde voor een begrafenis. Een groep armelijke rouwdragers kwam het hek binnen; zij droegen witte rouwbanden, want de gestorvene was jong. Met onbedekte hoofden stonden zij bij het graf en in den treurenden stoet was een moeder—die geen moeder meer was. Maar de zon scheen helder en de vogels zongen.

Oliver ging naar huis terug, denkend aan al de vriendelijkheden, die Rose hem bewezen had, en wenschend dat er nog eenmaal een tijd mocht komen, waarin hij haar voortdurend zou kunnen toonen, hoe dankbaar hij haar was en hoe zeer aan haar gehecht. Hij had zich niets te verwijten, wat betreft onachtzaamheid of gedachteloosheid, want hij had haar met toewijding gediend en toch kwamen honderd kleine voorvallen in zijn herinnering op, waarbij hij ijveriger had kunnen zijn en toegewijder en hij wenschte, dat hij zóó geweest was. Wij moeten voorzichtig zijn, hoe we met de menschen om ons heen omgaan, daar elk sterfgeval in den kleinen kring der overlevenden gedachten oproept aan veel, dat werd nagelaten en aan weinig, dat gedaan werd—aan zooveel vergeten dingen en aan zooveel meer, dat hersteld had kunnen worden! Geen berouw zoo diep als over iets, dat niet te herstellen is; als wij behoed willen blijven voor de kwellingen ervan, laat ons hier dan bijtijds aan denken.

Toen hij thuiskwam, zat mevrouw Maylie in de kleine huiskamer. Oliver ontstelde, toen hij haar zag; zij had tot nu toe geen oogenblik het ziekbed van haar nichtje verlaten en hij beefde bij de gedachte, welke verandering haar vandaar verdreven kon hebben. Hij vernam, dat Rose in een diepen slaap was geraakt, waaruit zij wakker zou worden, hetzij tot beterschap en leven of om afscheid van hen te nemen en te sterven.

Uren lang zaten zij bij elkaar, luisterend en bang om te spreken. Het eten bleef onaangeroerd en werd zoo weer afgenomen; met gezichten, waarop te lezen stond, hoe hunne gedachten elders waren, keken zij naar de zon, die lager en lager zonk en eindelijk over hemel en aarde de schitterende kleuren goot, die haar heengaan inleiden. Hun ooren vingen van verre het geluid van naderende voetstappen. Onwillekeurig snelden zij beiden naar de deur, toen dokter Losberne binnenkwam.

„Hoe is 't met Rose?” riep de oude dame. „Zeg 't me in eens. Ik kan 't dragen; alles, behalve deze onzekerheid. O, zeg 't me om 's Hemels wil!”

„U moet kalm blijven,” zei de dokter en ondersteunde haar. „Kalm, lieve mevrouw, kalm.”

„Laat mij in Gods naam naar haar toe gaan! Mijn dierbaar kind! Ze sterft! Ze sterft!”

„Neen!” riep de dokter ontroerd. „Dank zij Gods goedheid en genade, zal zij nog jaren leven en ons tot vreugde zijn.”

Mevrouw Maylie viel op de knieën en trachtte hare handen te vouwen; maar de wilskracht, waarmede zij zich zoo lang had opgehouden, ontzonk haar tegelijk met haar eerste dankgebed ten Hemel en zij viel neer in de vriendenarmen, die uitgestrekt waren om haar op te vangen.

HOOFDSTUK XXXIV.

Bevat eenige voorloopige bijzonderheden betreffende een jongmensch, dat nu ten tooneele verschijnt; en een nieuw avontuur, dat Oliver overkwam.

Het geluk was bijna te groot om gedragen te worden. Oliver was als verbijsterd en bedwelmd door de onverwachte tijding; hij kon schreien noch spreken, noch rust vinden. Hij was nauwelijks in staat, iets te begrijpen van wat er was voorgevallen, totdat, nadat hij langen tijd in den stillen avond buiten had geloopen, een stroom van tranen hem verlichting schonk; toen scheen alles plotseling in hem wakker te worden: het volle besef van de gelukkige verandering, die gekomen was en van het bijna ondragelijke gewicht van angst, dat van zijn borst was genomen.

De avond viel snel, terwijl hij naar huis terugkeerde, beladen met bloemen, die hij met bijzondere zorg verzameld had ter versiering van de ziekenkamer. Terwijl hij haastig langs den weg liep, hoorde hij achter zich het geratel van een voertuig, dat met razenden vaart naderkwam. Toen hij omkeek zag hij, dat het een postsjees was, die met groote snelheid voortjoeg; daar de paarden galoppeerden en de weg smal was, drukte Oliver zich tegen een hekje aan om het rijtuig voorbij te laten.

Terwijl het voorbijreed, zag hij in een flits een man met een witte slaapmuts op; het gezicht kwam hem bekend voor, doch hij had het maar zoo vluchtig gezien, dat hij niet uit kon maken, wie 't was. Een oogenblik later werd de slaapmuts uit het portierraampje gestoken en een stentorstem riep den koetsier toe, stil te houden, hetgeen deze deed, zoo gauw hij zijn paarden tot stilstand brengen kon. Toen verscheen de slaapmuts opnieuw en dezelfde stem riep Oliver bij zijn naam.

„Hier!” riep de stem. „Oliver, hoe is het? Miss Rose! Oliver dan!”

„Bent u 't, Giles?” riep Oliver en holde naar het portier van de postkoets.

Giles stak zijn slaapmuts weer naar buiten, met het doel eenig antwoord te geven, toen hij plotseling achteruit werd getrokken door een jongeren heer, die het andere hoekje van de sjees innam en driftig vroeg hoe het ging.

„Zeg maar één woord!” riep deze, „beter of erger?”

„Beter—veel beter!” antwoordde Oliver haastig.

„Goddank!” riep de jonge man uit. „Weet je 't zeker?”

„Heel zeker, mijnheer,” antwoordde Oliver. „Een paar uur geleden is er verandering gekomen en dokter Losberne zegt, dat alle gevaar voorbij is.”

De jonge man antwoordde niet, maar deed het portier open, sprong uit het rijtuig, greep Oliver bij den arm en trok hem mee naar den kant van den weg.

„Weet je 't heel zeker? Is 't niet mogelijk, dat je je vergist, mijn jongen?” vroeg de heer met trillende stem. „Bedrieg me niet, door verwachtingen op te wekken, die niet vervuld zullen worden.”

„Dat zou ik voor niets ter wereld willen doen, mijnheer,” hernam Oliver. „Heusch, u kunt me gelooven. Dokter Losberne's eigen woorden waren, dat zij leven zou om ons aller vreugd te zijn. Dat heb ik hem zelf hooren zeggen.”

Tranen stonden in Oliver's oogen, toen hij weer dacht aan dat oogenblik, dat zooveel geluk inluidde; de jonge man wendde het gezicht af en bleef enkele minuten zwijgen. Oliver meende hem meer dan eens te hooren snikken, maar hij vreesde hem te storen door een of andere opmerking—want hij begreep wel, wat de ander voelde—dus bleef hij op zij staan en deed alsof hij met zijn bloemen bezig was.

Al dien tijd zat Mr. Giles met zijn slaapmuts op de tree van de koets; hij liet op iedere knie een elleboog leunen en veegde zijn oogen af met een blauw katoenen zakdoek met witte stippen. Dat de ontroering van den braven kerel niet geveinsd was, werd ten stelligste bewezen door de roode oogen, waarmee hij den jongen man aankeek, toen deze zich omkeerde en hem aansprak.

„Het lijkt mij 't best, dat jij in de sjees doorrijdt naar mijn moeder, Giles,” zeide hij. „Ik wou liever langzaam oploopen om wat tijd te winnen, eer ik haar zie. Je kunt vast zeggen, dat ik kom.”

„Neem me niet kwalijk, mijnheer Harry,” zeide Giles, terwijl hij zijn gerimpelde gezicht een laatsten veeg gaf met den zakdoek, „maar ik zou u heel dankbaar zijn, als u den postjongen met die boodschap wou sturen. 't Zou geen pas geven, dat de meisjes in de keuken mij zóó zagen, mijnheer; dan zou ik mijn gezag over haar voor goed kwijt zijn.”

„Nu,” antwoordde Harry Maylie met een glimlach „je kunt doen zooals je wilt. Laat de postjongen doorgaan met de bagage, als je dat liever hebt en kom jij met ons na. Maar verruil dan die slaapmuts voor een of ander meer passend hoofddeksel, anders zien ze ons nog voor gekken aan.”

Mr. Giles, die nu eerst dacht aan zijn minder passend toilet, trok de slaapmuts van zijn hoofd en stak ze in zijn zak; toen haalde hij uit de koets een hoed van ernstig deftigen vorm te voorschijn en zette dien op. Daarna reed de postiljon weg; Giles, de heer Maylie en Oliver volgden op hun gemak.

Onder het voortloopen keek Oliver van tijd tot tijd met veel belangstelling en nieuwsgierigheid naar den nieuw-aangekomene. Hij scheen ongeveer vijf en twintig jaar te zijn en van middelbare grootte; zijn gezicht was knap en innemend en zijn manieren gemakkelijk en ongedwongen. Ondanks het verschil tusschen jeugd en ouderdom was de gelijkenis tusschen hem en de oude dame zoo opvallend, dat het Oliver niet moeilijk zou gevallen zijn, hunne familiebetrekking te raden, ook wanneer de vreemde niet reeds van haar had gesproken als van zijn moeder.

Mevrouw Maylie wachtte haar zoon in spanning op, toen deze bij het landhuis aankwam. De ontmoeting had plaats onder groote ontroering van weerszijden.

„Moeder!” fluisterde de jonge man, „waarom hebt u niet eer geschreven?”

„Ik had geschreven,” antwoordde Mevrouw Maylie, „doch bij nader bedenken besloot ik den brief achter te houden tot ik het oordeel van dokter Losberne wist.”

„Maar waarom”—zei de jonge man—„waarom de kans te loopen van wat toch bijna gebeurd was? Als Rose—ik kan 't woord nu niet noemen—als haar ziekte een anderen loop had genomen, hoe zoudt u 't dan uzelf hebben kunnen vergeven? Hoe zou ik dan ooit weer geluk gekend hebben?”

„Als dat gebeurd was, Harry,” zeide Mevrouw Maylie, „vrees ik, dat je geluk voor goed verwoest zou zijn en dat het er heel weinig toe zou doen, of je hier een dag eer of een dag later was gekomen.”

„En wien zou het verwonderen, als dat zoo was, moeder?” hernam de jonge man, „of waarom zou ik zeggen: „als?” 't Is zoo—'t is zoo. Dat weet u moeder—dat moet u weten!”

„Ik weet, dat zij de beste en reinste liefde waard is, die 't hart van een man geven kan,” zei mevrouw Maylie; „ik weet, dat de innigheid en toewijding, die zij in zich heeft, meer eischen dan wat gewoonlijk in ruil gegeven wordt: een diepe, altijddurende liefde. Als ik dit niet voelde en bovendien wist, dat een verandering in de liefde van iemand, dien zij liefhad, haar hart zou breken, zou mijn taak mij niet zoo moeilijk te vervullen toeschijnen, en zou ik in mijn eigen hart niet zooveel strijd hebben te voeren, nu ik den weg ga, die mij, naar ik geloof, door mijn plicht is voorgeschreven.”

„U bent hard, moeder,” zeide Harry. „Beschouwt u mij als een jongen, die zijn eigen innerlijk niet kent en zich vergist in den drang van zijn eigen hart?”

„Ik geloof, mijn lieve jongen,” antwoordde mevrouw Maylie, terwijl zij hare hand op zijn schouder legde, „dat jeugd veel edelmoedige ingevingen heeft, die niet duren, en dat daar enkele onder zijn, die, wanneer zij gevolgd worden, des te eer vervliegen. Bovenal geloof ik dit,” zeide de oude dame, haar oogen strak op 't gezicht van haar zoon gevestigd: „Als een enthousiast, vurig en eerzuchtig man een vrouw trouwt, op wier naam een vlek kleeft, die, al heeft zij zelve er geen schuld aan, door toedoen van koude, lage menschen, toch op haar hoofd neerkomt en op zijn kinderen; wanneer dit hem, juist in dezelfde mate als hij succes heeft in de wereld, zijdelings verweten wordt en 't onderwerp uitmaakt van schampere opmerkingen, dat het dan zou kunnen gebeuren, dat hij, hoe goed en edelmoedig zijn aard ook zij, op zekeren dag die verbindtenis uit zijn jeugd zou gaan berouwen. En dan komt voor haar het leed, omdat zij dit begrijpt.”

„Moeder,” zei de jonge man ongeduldig, „wie zoo deed zou een ruwe egoïst zijn, evenmin waard den naam van man te dragen, als de vrouw, die u beschrijft, de zijne te noemen.”

„Zoo denk je nu, Harry,” antwoordde zijn moeder.

„En zoo zal ik altijd denken,” zei de jonge man. „De zielsangst, waaronder ik de laatste twee dagen geleden heb, dringt mij tot de bekentenis van een hartstocht, die, zooals u wel weet, niet van gisteren is en niet de inval van een oogenblik. Mijn hart hangt aan Rose, het lieve, teere meisje! zoo innig, als ooit het hart van een man aan een vrouw gehangen heeft. Ik heb geen gedachte, geen uitzicht, geen hoop in mijn leven, waar zij niet in betrokken is; en als u mij tegenwerkt in dit, dat de inzet van mijn leven is, dan neemt u mijn geluk en mijn zielevrede in uwe handen en verstrooit ze in den wind. Moeder, denk beter van mijn liefde en van mij en misken het geluk niet, waarover u zoo gering schijnt te denken.”

Harry,” zeide mevrouw Maylie, „'t is juist, omdat ik zoo goed denk over warme, gevoelige harten, dat ik ze voor pijn wil behoeden. Maar we hebben nu reeds genoeg en meer dan genoeg over de kwestie gezegd.”

„Laat Rose dan beslissen,” viel Harry in. „U zult die overdreven ideeën van u toch zeker niet zoo ver willen drijven van eenigen hinderpaal op mijn weg te werpen?”

„Dat zal ik niet doen,” antwoordde mevrouw Maylie. „Maar ik wou dat jij bedacht—”

„Ik heb alles bedacht,” was het ongeduldige antwoord; „moeder, ik heb er jaren en jaren over gedacht. Ik heb er over gedacht zoo lang ik in staat ben ernstig na te denken. Mijn gevoelens blijven onveranderd, zooals zij altijd zullen blijven, en waarom zou ik mijzelf pijn doen, door nog langer te wachten er gehoor aan te geven, wat voor niemand ter wereld dienstig kan zijn? Neen! Eer ik 't huis verlaat, zal Rose mij aanhooren.”

„Goed,” zei mevrouw Maylie.

„Er is iets in uw manier van doen, moeder, waaruit ik bijna opmaak, dat zij mij koel aan zal hooren,” zei de jonge man.

„Koel niet,” antwoordde de oude dame, „verre van dien.”

„Wat dan?” vroeg de jonge man. „Ze heeft toch geen ander lief?”

„Dat niet,” antwoordde zijn moeder, „als ik mij niet vergis, heb jij maar al te zeer haar genegenheid reeds gewonnen. Wat ik zeggen wilde,” hernam de oude dame, haar zoon, die wilde spreken, in de rede vallend, „is dit. Vóór je alles op 't spel zet; vóór je jezelf opvoert tot de hoogste verwachtingen; denk eerst eens na, jongenlief, over Rose's geschiedenis en bedenk, welke invloed het kennen van haar twijfelachtige geboorte op haar besluit kan hebben—gehecht als zij is aan ons, met al de innigheid van haar gevoelig hart en met die volkomen opoffering van haarzelf, die haar in alle zaken, groot of klein zoo eigen is.”

„Wat bedoelt u?”

„Dat uit te maken, laat ik aan jezelf over,” antwoordde mevrouw Maylie. „Ik moet nu naar haar terug. God zegene je!”

„Ik zie u vanavond toch nog?” vroeg de jonge man gretig.

„Strakjes,” antwoordde zijn moeder, „als ik van Rose terug kom.”

„Vertelt u haar, dat ik hier ben?” vroeg Harry.

„Natuurlijk,” antwoordde mevrouw Maylie.

„En hoe angstig ik ben geweest, en hoe ik heb geleden, en hoe ik naar haar verlang. U zult dat toch niet weigeren, moeder?”

„Neen,” zei de oude dame; „ik zal haar alles vertellen.”

Ze drukte innig de hand van haar zoon en ging haastig de kamer uit.

Terwijl dit gesprek op haastigen toon gevoerd werd, waren Oliver en dokter Losberne in een anderen hoek van de kamer gebleven. De eerste stak nu Harry de hand toe en hartelijke begroetingen werden over en weer gewisseld.

In antwoord op ontelbare vragen van zijn jongen vriend, gaf de dokter nauwkeurig verslag van den toestand zijner patiente, een verslag dat even troostend en veelbelovend van toon was als Oliver's bericht hem had doen hopen. Mr. Giles, bezig met de bagage, luisterde er met gretige ooren naar.

„Heb je den laatsten tijd nog iemand neergeschoten, Giles?” vroeg de dokter, toen hij had uitgesproken.

„Niemand dokter,” antwoordde Mr. Giles, met een kleur tot op zijn voorhoofd.

„Geen dieven gevangen of inbrekers herkend?” vroeg de dokter.

„Heelemaal niet, mijnheer,” antwoordde Mr. Giles, dood-ernstig.

„Hé,” zei de dokter, „dat spijt me, je kunt die dingen zoo knap. En hoe maakt Brittles 't?”

„Die jongen maakt 't best, mijnheer,” zei Mr. Giles weer op zijn gewonen beschermenden toon, „hij doet u zijn eerbiedige groeten.”