Het was een familiehôtel in een stille, nette straat, dicht bij Hyde Park. Toen het heldere licht van de lamp, die boven de deur brandde, haar den weg wees, sloeg de klok elf uur. Zij had een oogenblik haar schreden ingehouden, besluiteloos eer zij moed vatte verder te gaan, maar het slaan van de klok bracht haar tot een besluit en zij ging de hal binnen. Het portiershokje was leeg. Met onzekere blikken keek ze rond en deed een stap vooruit naar de trap.
„Wel vrouwtje!” zeide een net gekleed meisje, dat uit een deur achter haar te voorschijn kwam, „wie zoekt u?”
„Een dame, die hier logeert,” antwoordde het meisje.
„Een dame!” was het antwoord, dat van een minachtenden blik vergezeld ging. „Welke dame?”
„Miss Maylie,” zei Nancy.
De jonge vrouw, die intusschen haar uiterlijk had opgenomen, antwoordde slechts door een blik van deugdzame verachting en riep een man om Nancy te woord te staan. Nancy herhaalde haar vraag.
„Welken naam moet ik zeggen?” vroeg de bediende.
„U hoeft geen naam te noemen,” antwoordde Nancy.
„En wat komt u doen?” vroeg de man.
„Dat hoeft u ook niet te zeggen,” zei het meisje. „Ik moet die dame spreken.”
„Kom!” zei de man en duwde haar naar de deur. „Daar komt niets van in. Pak je weg.”
„Je krijgt me alleen weg, als je mij er uitdraagt,” zei Nancy woedend, „en dat is een werkje, dat ik twee van jullie te doen geef. Is er dan niemand hier,” vroeg ze om zich heen ziende, „die een boodschap wil overbrengen voor een arme meid als ik ben?”
Dit beroep maakte indruk op den goedhartigen kok, die met eenige andere bedienden stond toe te kijken; hij kwam naar voren.
„Breng haar boodschap over, Joe,” zei deze man.
„Waar zou 't voor dienen?” vroeg de man. „Je denkt toch niet, dat de jonge dame zoo'n mensch te woord zal staan?”
Deze toespeling op Nancy's twijfelachtig fatsoen riep heel wat kuische verontwaardiging op in de harten van vier kamermeisjes, die ijverig verklaarden, dat dat schepsel een schande was voor haar geslacht en met kracht bepleitten, hoe zij zonder pardon in de goot gegooid moest worden.
„Doe met me wat je wil,” zei het meisje, weer tot de mannen gewend, „maar doe eerst wat ik je vraag, en ik vraag u in den naam van God Almachtig de boodschap over te brengen.”
De goedhartige kok kwam nog eens tusschenbeiden en het eind was, dat de man, die 't eerst te voorschijn was gekomen, de boodschap over ging brengen.
„Wat moet ik zeggen?” vroeg de man, met één voet op de trap.
„Dat een jonge vrouw dringend vraagt, Miss Maylie alleen te mogen spreken,” zei Nancy, „en dat de dame, als zij één woord gehoord heeft, weten zal, of ze mijn boodschap aan moet hooren of me als een indringster buiten de deur laten zetten.”
„Nou,” zei de man, „je durft nogal!”
„Je brengt de boodschap over,” zei het meisje op vasten toon, „en zegt mij het antwoord.”
De man liep naar boven. Nancy bleef staan, bleek en bijna ademloos en luisterde met trillende lippen naar de zeer hoorbare uitdrukkingen van minachting, waarmee de kuische kamermeisjes niet karig waren, te minder toen de man terugkwam en zei, dat de jonge vrouw boven moest komen.
„'t Dient nergens toe om fatsoenlijk te zijn,” zei de eerste werkmeid.
„Koper is meer in tel dan goud, dat in 't vuur is geweest,” zei de tweede.
De derde stelde er zich tevreden mee zich af te vragen, „wat zulke dames zich toch in haar hoofd haalden” en de vierde zong de eerste stem in een kwartet van: „Schandelijk!” waarmee de Diana's besloten.
Zonder op dit alles te letten, want zij had gewichtiger zaken aan haar hoofd, volgde Nancy bevend den man naar een spreekkamertje, dat verlicht werd door een lamp aan de zoldering. Hier liet hij haar alleen en ging weg.
Een zonderling onderhoud, dat een vervolg is op het vorige hoofdstuk.
Nancy had haar leven doorgebracht op straat en in de gemeenste bordeelen en holen van Londen, doch in haar was nog iets over van haar oorspronkelijke vrouwennatuur. Toen zij hoorde, hoe een lichte voetstap de deur tegenover haar naderde, en dacht aan het onmetelijke contrast, dat het kamertje een oogenblik later te zien zou geven, kwam een gevoel van diepe schaamte over haar; zij kromp in elkaar, als kon zij nauwelijks de tegenwoordigheid dragen van haar, met wie zij dit onderhoud had verlangd.
Maar tegen deze betere gevoelens streed haar trots—de ondeugd van de laagste en diepst gezonkene wezens zoowel als van de hoogste en meest zelfverzekerde. De ellendige vriendin van dieven en schurken, de gevallen verworpelinge uit de afschuwelijkste holen, de medeplichtige van wat door gevangenis en galeien uitgeworpen werd, die zelf als in de schaduw van de galg leefde—zelfs dit lage schepsel voelde zich te trotsch om een glimp naar buiten te doen komen van het vrouwelijk gevoel, dat zij als een zwakheid beschouwde, maar dat het eenige was wat haar verbond met het ware menschelijke, waarvan haar leven reeds in haar vroegste kindschheid zoovele trekken had verloren. Zij hief haar oogen ver genoeg op om op te merken, dat het gezicht vóór haar het gelaat was van een jong, mooi meisje; toen sloeg zij ze neer en schudde haar hoofd met gewilde onverschilligheid, terwijl zij zeide:
„'t Kost moeite u te spreken te krijgen, juffrouw. Als ik 't kwalijk genomen had en weg was gegaan, zooals velen zouden gedaan hebben, zou het u later gespeten hebben en dat niet zonder reden.”
„'t Spijt mij erg als iemand u onvriendelijk behandeld heeft,” antwoordde Rose. „Denkt u er maar niet meer aan. Vertel me waarom u mij wou spreken. Ik ben Miss Maylie.”
De minzame toon van het antwoord, de lieve stem, de vriendelijke manier van doen, de afwezigheid van elk teeken van trots of geprikkeldheid, namen Nancy als bij verrassing in en zij barstte in tranen uit.
„O juffrouw! juffrouw!” zeide zij en sloeg haar handen hartstochtelijk voor haar gezicht, „als er meer waren zooals u, zouden er minder zijn zooals ik—dat zeg ik—dat zeg ik!”
„Ga zitten,” zei Rose ernstig. „Als u arm bent of ongelukkig, wil ik u graag helpen als ik kan—geloof me. Ga zitten.”
„Laat mij staan blijven, juffrouw,” zei Nancy, nog schreiend, „en spreek niet zoo vriendelijk tegen me eer u me beter kent. 't Wordt laat. Is—is—die deur gesloten?”
„Ja,” antwoordde Rose en week een paar stappen achteruit als om dichter bij hulp te zijn wanneer 't noodig mocht wezen. „Waarom?”
„Omdat,” zei Nancy, „ik op het punt sta mijn leven en het leven van anderen in uw handen te leggen. Ik ben de vrouw, die Oliver bij oude Fagin terugbracht, dien avond, toen hij uit 't huis in Pentonville kwam.”
„U!” zei Rose Maylie.
„Ik juffrouw!” antwoordde het meisje. „Ik ben dat afschuwelijke schepsel, waar u van gehoord hebt; ik leef onder dieven en vanaf het eerste oogenblik, dat ik mij herinner mijn oogen op de Londensche straten te hebben opengedaan, heb ik nooit een beter leven gekend of vriendelijker woorden gehoord dan zij me gaven, dat zweer ik voor God! U mag gerust voor me terugschrikken, juffrouw. Ik ben jonger dan u naar mijn uiterlijk zoudt denken, maar ik ben er aan gewoon. De armste vrouwen gaan op zij als ik in een drukke straat loop.”
„Wat zegt u 'n verschrikkelijke dingen!” zei Rose, onwillekeurig terugwijkend voor haar vreemde bezoekster.
„Dank God op uw knieën, juffrouw,” riep Nancy, „dat u vrienden had om u te verzorgen en te koesteren toen u een kind was en dat u nooit in aanraking hoefde te komen met kou en honger en losbandigheid en dronkenschap en—en—iets dat nog erger is—zooals ik van de wieg af om mij heen heb gezien. Ik mag dat woord gebruiken, want de straat en de goot waren mijn wieg, zooals ze mijn doodsbed zullen zijn.”
„Ik beklaag u!” zei Rose met gebroken stem. „Mijn hart krimpt ineen als ik u hoor spreken.”
„De hemel zegene u voor uw goedheid!” hernam Nancy. „Als u wist, hoe ik somtijds ben, zoudt u me werkelijk beklagen. Maar ik ben weggeslopen van de menschen, die mij zeker zouden vermoorden, als ze wisten hoe ik hier was, om u te vertellen wat ik heb afgeluisterd. Kent u een man, die Monks heet?”
„Neen,” zei Rose.
„Hij kent u,” hernam Nancy, „en wist, dat u hier was, want ik heb u gevonden, doordat ik hem hoorde zeggen, waar u was.”
„Ik heb den naam nooit gehoord,” zei Rose.
„Dan heeft hij bij ons een vreemden naam aangenomen,” zei Nancy, „dat had ik al meer gedacht. Ik vertrouwde den man niet. Een poos geleden, even nadat Oliver bij u was gebracht dien nacht van de inbraak, luisterde ik een gesprek af, dat hij met Fagin in donker hield. Uit wat ik hoorde, begreep ik, dat Monks—de man daar ik u naar vroeg, ziet u—”
„Ja,” zei Rose, „ik begrijp 't.”
„Dat Monks,” ging het meisje voort, „Oliver toevallig gezien had met twee van onze jongens op den dag, toen wij hem voor 't eerst kwijt raakten en dat hij hem toen dadelijk herkend had als hetzelfde kind, dat hij voortdurend in 't oog hield, waarom kon ik niet begrijpen. Met Fagin werd een overeenkomst gemaakt, dat hij een zekere som zou krijgen als Oliver terugkwam; en nog meer als hij een dief van hem maakte, wat Monks noodig had voor een of ander doel van hemzelf.”
„Voor welk doel?” vroeg Rose.
„Hij kreeg mijn schaduw op den muur in 't oog, terwijl ik stond te luisteren, in de hoop dat te weten te zullen komen,” zei het meisje, „en niet velen zouden 't mij na gedaan hebben, hun uit den weg te blijven zonder ontdekt te worden. Maar 't lukte me en ik heb hem niet weer gezien vóór gisteravond.”
„En wat gebeurde er toen?”
„Dat zal ik u vertellen, juffrouw. Gisteravond kwam hij weer. Weer gingen ze naar boven. Ik wikkelde me zoo in mijn rok, dat mijn schaduw me niet kon verraden en luisterde weer aan de deur. De eerste woorden, die ik Monks hoorde zeggen, waren deze: „Dus liggen de eenige bewijzen voor de identiteit van den jongen op den bodem, van de rivier en de oude heks, die ze van de moeder kreeg, ligt te rotten in haar kist.” Ze lachten en spraken over den goeden loop, die de zaak genomen had. Monks praatte door over den jongen; hij werd erg woest en zei, dat, al had hij nu goed en wel het geld van den jongen duivel, hij 't liever op een andere manier had gehad, want wat zou 't prachtig zijn geweest, dat blufferige testament van den vader ongeldig te maken, door den jongen van de ééne gevangenis naar de andere te jagen en hem eindelijk opgehangen te krijgen voor een of andere groote schurkenstreek, die Fagin makkelijk op touw kon zetten, nadat hij eerst flink voordeel van hem had gehad.”
„Wat beteekent dat alles?” vroeg Rose.
„'t Is de waarheid, juffrouw, al komt 't uit mijn mond,” antwoordde Nancy. „Toen zei hij met eenige vloeken, die in mijn ooren gewoon klinken, maar vreemd in de uwe, dat, als hij zijn haat bot kon vieren door den jongen het leven te benemen zonder zichzelf in gevaar te brengen, hij 't zeker doen zou; maar nu dat niet kon, zou hij wel zorgen bij elke verandering in zijn leven op zijn weg te komen en als hij voordeel dacht te hebben van zijn geboorte en zijn geschiedenis, kon hij hem nog kwaad genoeg doen. Kortom Fagin,” zeide hij, „al ben je een Jood, je hebt nog nooit iemand zulke valstrikken gelegd als ik 't mijn broertje Oliver zal doen.”
„Zijn broertje!” riep Rose uit.
„Dat waren zijn woorden,” zei Nancy en keek onrustig om zich heen, zooals zij voortdurend gedaan had, sinds zij begon te spreken, want ze zag in verbeelding steeds Sikes achter haar staan. „En nog meer. Toen hij van u sprak en van de andere dame, zei hij lachend, dat de hemel of de duivel tegen hem samenspande door Oliver in uw handen te brengen; hij zei, dat dat hem toch ook plezier deed, want hoeveel honderd of duizend pond zoudt u niet willen geven, als u ze had, om te weten, wie uw tweebeenig schoothondje was.”
„U wilt toch niet zeggen,” zei Rose verbleekend, „dat dit in ernst gezegd werd?”
„Hij sprak in vollen, woedenden ernst,” antwoordde Nancy, haar hoofd schuddend. „Als zijn haat gewekt is wordt hij een man om bang voor te zijn. Ik ken er veel, die erger dingen doen, maar ik luister liever twaalf maal naar die anderen dan één keer naar Monks. 't Wordt laat en ik moet thuis zijn, voordat iemand vermoedt, waar ik geweest ben. Ik moet gauw terug.”
„Maar wat kan ik doen?” vroeg Rose. „Wat voor nut heeft die boodschap voor me zonder u? Terug! Waarom wilt u terug naar menschen, die u in zulke vreeselijke kleuren afschildert? Als u dit bericht herhaalt in het bijzijn van een heer, dien ik in een oogenblik uit de kamer hiernaast kan halen, kunt u binnen een half uur naar een veilige plaats gebracht worden.”
„Ik wil terug,” zei Nancy. „Ik moet terug, omdat—hoe kan ik zulke dingen vertellen aan een onschuldig meisje als u?—omdat onder de mannen, waarvan ik u vertelde, er één is—de vreeselijkste van hen allen—dien ik niet kan verlaten; neen, zelfs niet om bevrijd te worden uit het leven, dat ik nu leid.”
„U bent toch vroeger voor dien lieven jongen in de bres gesprongen,” zei Rose, „en u bent met zoo groot gevaar hier gekomen om mij te vertellen, wat u gehoord hebt; uw manier van doen overtuigt me van de waarheid van wat u zegt; uw berouw blijkt zoo duidelijk.... dit alles doet me gelooven, dat u nog gered kunt worden. O!” ging het jonge meisje ernstig voort, „blijf niet doof voor de smeekbeden van iemand van uw eigen sekse; de eerste—de eerste, dat geloof ik zeker, die ooit met medelijdende stem een beroep op u deed. Toe, luister naar mijn woorden en laat mij u tot een beter leven brengen.”
„Juffrouw,” riep het meisje, terwijl zij op haar knieën zonk, „lieve, zoete, engelachtige juffrouw, u bent werkelijk de eerste, die mij de weldaad van zulke woorden bewezen heeft en als ik ze jaren geleden gehoord had, zouden zij mij misschien dit leven van zonde en leed den rug hebben doen toekeeren; maar het is te laat—te laat!”
„Het is nooit te laat,” zeide Rose, „voor berouw en boete.”
„Jawel, jawel,” riep Nancy, zich wringend in haar zielesmart, „ik kan nu niet meer van hem weg! Ik zou zijn dood niet willen zijn.”
„Waarom zoudt u dat zijn?” vroeg Rose.
„Niets zou hem kunnen redden,” riep het meisje. „Als ik aan anderen vertelde, wat ik u verteld heb en daardoor oorzaak was, dat zij gevangen genomen werden, zou hij zeker moeten sterven. Hij is de stoutmoedigste van allen en heeft zulke verschrikkelijke dingen gedaan!”
„Is 't mogelijk,” liep Rose, „dat u ter wille van zoo'n man afstand wilt doen van alle hoop voor de toekomst en van de zekerheid onmiddellijk gered te worden? Dat is waanzin.”
„Ik weet niet wat het is,” antwoordde het meisje, „ik weet alleen, dat het zoo is en niet alleen met mij, maar met honderden en duizenden, die even slecht en ellendig zijn als ik. Ik moet terug. Of dit de wraak van God is, voor het kwaad, dat ik heb gedaan, dat weet ik niet, maar door alle tijden en alle mishandeling heen voel ik me naar hem terug getrokken en dit zou nog zoo zijn, geloof ik, wanneer ik wist, dat ik eindelijk door zijn hand zou moeten sterven.”
„Wat moet ik doen?” zeide Rose. „Ik mag u niet zoo heen laten gaan.”
„U moet me laten gaan, juffrouw, en ik weet, dat u het doen zult,” wierp Nancy tegen, terwijl zij opstond. „U zult me niet tegenhouden, omdat ik vertrouwd heb op uw goedheid zonder een belofte van u te vergen, wat ik toch had kunnen doen.”
„Waartoe dient 't dan, dat u mij dit verteld heeft?” zei Rose. „Dit geheim moet opgehelderd worden; hoe kan 't anders Oliver ten goede komen, die u zoo graag wilt helpen?”
„U kent misschien wel een of anderen goedgezinden heer, die het als een geheim wil aanhooren en u raden zal wat te doen.”
„Maar waar kan ik u weer vinden, als het noodig mocht zijn?” vroeg Rose. „Ik verlang niet te weten, waar die vreeselijke menschen wonen, maar waar kan ik u op een vastgesteld tijdstip zien loopen of voorbijgaan?”
„Wilt u mij beloven, mijn geheim zorgvuldig te bewaren en alleen te komen of met den eenigen persoon, die er van weet; en dat ik niet bespied of achtervolgd zal worden?”
„Dat beloof ik plechtig,” antwoordde Rose.
„Elken zondagavond, zoolang ik in 't leven ben, van elf uur totdat de klok twaalf slaat,” zei het meisje zonder aarzeling, „zal ik op London Bridge heen en weer loopen.”
„Blijf nog een oogenblik,” viel Rose in, toen het meisje haastig naar de deur liep. „Denk nog eens na over uw eigen toestand en over de gelegenheid, die u hebt, er aan te ontkomen. Ik ben u iets schuldig, niet alleen omdat u mij dit uit vrijen wil kwam vertellen, maar omdat u een vrouw bent, die hopeloos verloren is. Wilt u terug naar die troep roovers en naar dien man, als één woord uw redding kan zijn? Welke betoovering kan het zijn, die u terugtrekt en die u vast doet houden aan slechtheid en ellende? O, is er geen snaar in uw hart, die ik aan kan roeren? Is er niets, waarop ik een beroep kan doen tegenover deze verschrikkelijke verblinding?”
„Als jonge dames, zoo goed en mooi als u,” hernam Nancy met vaste stem, „haar hart wegschenken, stelt de liefde ze tot alles in staat—zelfs een meisje als u, die een thuis heeft, vrienden en andere bewonderaars, alles wat uw leven kan vervullen. Wanneer iemand als ik, die geen ander dak met zekerheid heeft dan 't deksel van de doodkist en geen andere vriend in ziekte of dood dan de verpleegster uit het ziekenhuis, als wij ons bedorven hart aan een man geven en hem de plaats laten innemen, die ons heele ongelukkige leven door ledig bleef, wie kan dan hopen ons te genezen? Beklaag ons, juffrouw—beklaag ons, omdat wij nog maar één vrouwelijk gevoel over hebben, en omdat dit gevoel door een drukkend godsoordeel inplaats van ons geluk en onze trots te zijn, verandert in een nieuwe oorzaak van lijden en vernedering.”
„U wilt toch wel,” zei Rose na een oogenblik van zwijgen, „wat geld van me aannemen, zoodat u ten minste, tot we elkaar weer spreken, buiten schande kunt blijven?”
„Geen penny,” antwoordde het meisje en maakte een afwerende beweging met de hand.
„Sluit uw hart niet voor al mijn pogingen u te helpen,” zei Rose en kwam vriendelijk naar Nancy toe. „Ik wil u werkelijk helpen.”
„U zoudt mij 't best helpen, juffrouw,” hernam Nancy handenwringend, „als u mij in eens om 't leven kon brengen, want ik heb er vanavond meer dan ooit verdriet van gehad, te denken, wat ik ben en 't zou ten minste iets zijn, niet te sterven in de hel, waarin ik geleefd heb. God zegene u, lieve juffrouw, en zende zooveel geluk op uw hoofd, als ik schande over het mijne heb gebracht!”
Zoo sprekend en overluid snikkend ging het ongelukkige schepsel heen. Rose Maylie, verbijsterd door dit zonderlinge onderhoud, dat meer op een vluchtigen droom dan op een werkelijke gebeurtenis geleek, viel neer in een stoel en trachtte haar verwarde gedachten te verzamelen.
Bevat nieuwe ontdekkingen en toont aan, dat verrassingen, evenals ongelukken, zelden alleen komen.
Roses toestand was werkelijk niet weinig moeielijk en bezwaarlijk. Terwijl zij hevig en vurig verlangde, tot het geheim, waarin Oliver's geschiedenis was gewikkeld, door te dringen, was zij gedwongen het vertrouwen, dat de ongelukkige vrouw, die zooeven bij haar was, in haar als jong onschuldig meisje stelde, heilig te houden. Haar woorden en gebaren hadden het hart van Rose Maylie getroffen; in de liefde voor haar jongen beschermeling mengde zich even innig de vurige wensch, de verworpelinge terug te winnen tot berouw en hoop.
Ze waren van plan, niet langer dan drie dagen in Londen te blijven, eer zij voor eenige weken naar een afgelegen plaatsje aan de zeekust zouden vertrekken. Het was nu middernacht na den eersten dag. Tot welke gedragslijn kon ze besluiten, die in acht en veertig uur verwezenlijkt kon worden? Of hoe kon zij de reis uitstellen zonder argwaan te wekken? Dokter Losberne was bij hen en zou de twee volgende dagen blijven; maar Rose kende te goed de drift van den goeden man en voorzag te goed met welke woede hij in zijn eerste verontwaardiging de vrouw zou aanzien, die hij voor de bedrijfster van Oliver's oplichting beschouwde, om hem het geheim te durven toevertrouwen, zoo lang haar voorstellen ten gunste van het meisje niet door een ervaren persoon gesteund konden worden. Dit waren redenen om de grootste omzichtigheid en bedachtzaamheid in acht te nemen, eer zij alles aan mevrouw Maylie vertelde, wier eerste ingeving ongetwijfeld zou zijn, met den waardigen dokter het onderwerp te bespreken. Om dezelfde reden kon zij er zelfs niet aan denken, een rechtsgeleerde in den arm te nemen, gesteld dat zij wist, hoe zij dat aan moest leggen. Een oogenblik kwam het denkbeeld in haar op, hulp bij Harry te zoeken; maar dit bracht haar hun laatste afscheid in herinnering en het scheen haar een onwaardige handeling, hem terug te roepen, wanneer hij—de tranen schoten haar in de oogen, toen zij op die gedachte doorging—misschien op dit oogenblik geleerd had haar te vergeten en zich zonder haar gelukkig te voelen.
Door al deze overpeinzingen verontrust, nu eens neigend naar het ééne besluit en dan naar het andere, om ze dan, bij nauwkeuriger beschouwing, alle weer te verwerpen, bracht Rose een slapeloozen, angstigen nacht door. Nadat zij den volgenden dag opnieuw met zichzelf beraad had gehouden, kwam zij tot het wanhopige besluit, Harry in vertrouwen te nemen.
„Als het pijnlijk voor hem is,” dacht zij, „hier terug te komen, hoe pijnlijk zal het dan niet voor mij zijn! Maar misschien komt hij niet; misschien schrijft hij of komt wel, maar vermijdt een ontmoeting met mij—zooals hij bij zijn heengaan deed. Ik had niet gedacht, dat hij zoo doen zou, maar het was beter voor ons beiden.”
Hier liet Rose de pen vallen en wendde zich af, alsof zelfs het papier, dat haar boodschap over moest brengen, niet mocht zien, dat zij schreide.
Vijftigmaal had zij diezelfde pen opgenomen en weer neergelegd en nog eens en nog eens over den eersten regel van haar brief nagedacht, zonder een woord neer te schrijven, toen Oliver, die met Mr. Giles als bewaker door de straten had gewandeld, de kamer kwam binnenstormen, zoo ontroerd en buiten adem, dat dit op een nieuw ongeluk scheen te wijzen.
„Waarom ben je zoo opgewonden?” vroeg Rose hem tegemoet loopend.
„Ik weet niet, hoe ik 't zeggen moet; 't is of ik er in stikken zal,” antwoordde de jongen. „O God! Dat ik hem toch eindelijk gezien heb en dat u nu eindelijk weten zult, hoe ik de waarheid heb gesproken!”
„Ik heb nooit gedacht, dat je tegen ons iets anders als de waarheid hebt gesproken,” zei Rose, trachtend hem te kalmeeren. „Maar wat is er—wie meen je?”
„Ik heb de mijnheer gezien,” antwoordde Oliver, nauwelijks in staat tot duidelijk spreken, „de mijnheer, die zoo goed voor me geweest is—meneer Brownlow, waar we zoo dikwijls over gesproken hebben.”
„Waar?” vroeg Rose.
„Hij kwam uit een koets,” zei Oliver onder tranen van blijdschap, „en ging een huis binnen. Ik heb hem niet gesproken, ik kon niet met hem spreken, want hij zag me niet en ik beefde zoo, dat ik niet naar hem toe kon gaan. Maar Giles vroeg voor me of hij daar woonde en ze zeiden ja. Kijk,” zei Oliver, op een stukje papier wijzend, „hier is 't, hier woont hij—ik ga er dadelijk naar toe! O lieve hemel! lieve hemel! Wat moet ik doen, als ik hem zie en weer met hem kan praten!”
Terwijl haar aandacht niet weinig in beslag werd genomen door Olivers onsamenhangende uitroepen van vreugde, las Rose het adres; het was Craven Street in The Strand, en Rose besloot dadelijk, partij te trekken van de ontdekking.
„Gauw!” zei ze, „laat een rijtuig bestellen en maak je klaar om met me mee te gaan. Ik breng je er dadelijk heen, zonder een minuut tijd te verliezen. Aan tante zeg ik alleen, dat we een uurtje uitgaan; ik ben gelijk klaar met jou.”
Oliver had geen tweede aansporing noodig en binnen vijf minuten waren zij op weg naar Craven Street. Toen zij er aankwamen, liet Rose Oliver in de koets achter, onder voorwendsel, dat zij den ouden heer op zijn komst moest voorbereiden; ze gaf den bediende haar kaartje en verzocht den heer Brownlow over een zeer gewichtige zaak te mogen spreken. De bediende kwam spoedig terug en vroeg haar boven te komen; zij volgde hem naar een bovenkamer, waar Miss Maylie een oudachtig heer van vriendelijk voorkomen vond, gekleed in een flesch-groene jas. Niet ver van hem af zat een andere heer in nanking broek en slobkousen, die er minder vriendelijk uitzag en die zijn handen te zamen hield bovenop een dikken stok, waarop hij zijn kin liet rusten.
„Lieve hemel,” zei de heer in de groene jas, terwijl hij haastig en met groote hoffelijkheid opstond, „ik vraag u wel excuus, jonge dame—ik dacht, dat 't een of andere indringerige.... ik vraag u wel excuus. Neemt u plaats alsjeblieft.”
„Mijnheer Brownlow, geloof ik?” zeide Rose en keek van den anderen heer naar hem, die gesproken had.
„Dat is mijn naam,” zei de oude heer. „Dit is mijn vriend, mijnheer Grimwig. Grimwig, wil je ons een paar minuten alleen laten?”
„Ik geloof”, viel Miss Maylie in, „dat mijnheer Grimwig bij dit deel van ons onderhoud niet de moeite behoeft te nemen, heen te gaan. Naar ik gehoord heb, weet hij alles af van de kwestie, waarover ik u wensch te spreken.”
Mr. Brownlow knikte. Mr. Grimwig, die van zijn stoel was opgestaan en een uiterst stijve buiging had gemaakt, maakte opnieuw een uiterst stijve buiging en liet zich weer in zijn stoel vallen.
„U zult heel verwonderd zijn, denk ik,” zei Rose met natuurlijke verlegenheid, „maar u hebt vroeger eens groote goedheid en vriendelijkheid bewezen aan een vriendje van me en zeker zal 't u interesseeren, weer iets van hem te hooren.”
„Werkelijk?” vroeg de heer Brownlow.
„U kende hem als Oliver Twist,” hernam Rose.
Nauwelijks waren de woorden haar van de lippen, of de heer Grimwig, die bezig was, in een groot boek, dat op tafel lag te bladeren, sloeg het met een luiden slag dicht en viel terug in zijn stoel; met onverholen verbazing op zijn gezicht bleef hij Rose aanstaren; toen, als beschaamd omdat hij zooveel ontroering getoond had, deed hij een heldhaftige poging zijn vorige houding weer aan te nemen en strak voor zich uit kijkend, stiet hij een hard en lang gefluit uit, dat zich echter niet in de ledige lucht scheen op te lossen, doch in den diepsten schuilhoek van zijn maag scheen weg te sterven.
De heer Brownlow was niet minder verbaasd, ofschoon zijn verwondering zich niet op dezelfde excentrieke manier uitte. Hij trok zijn stoel dichter bij die van Miss Maylie en zeide:
„Doe mij het genoegen, juffrouw, en laat de goedheid en vriendelijkheid waarvan u spreekt en waar niemand anders van weet, geheel buiten kwestie; als u het in uw macht heeft, eenige feiten aan 't licht te brengen die verandering kunnen brengen in het ongunstige oordeel, dat ik eens gedwongen was over dat arme kind te koesteren, zeg ze mij dan om 's Hemels wil.”
„Een slechte jongen! Ik wil mijn hoofd opeten als 't geen slechte jongen is!” gromde mijnheer Grimwig, als een buikspreker geluid voortbrengend zonder een spier van zijn gezicht te vertrekken.
„Hij is een kind met een nobelen aard en een warm hart,” zei Rose blozend; „de Macht, die het noodig heeft gevonden, hem boven zijn jaren te beproeven, heeft in zijn hart gevoelens en teederheden gelegd waar zelfs iemand, die zesmaal zoo oud was als hij, zich niet over zou behoeven te schamen.”
„Ik ben maar één en zestig,” zei de heer Grimwig met hetzelfde onbewegelijke gezicht. „En de drommel mag me halen als die Oliver niet minstens twaalf jaar oud is, dus ik zie 't nut van deze opmerking niet in.”
„Let maar niet op mijn vriend, Miss Maylie,” zei de heer Brownlow, „hij meent niet wat hij zegt.”
„Dat doet hij wel,” gromde Mr. Grimwig.
„Dat doet hij niet,” zei Mr. Brownlow en werd blijkbaar driftig onder het spreken.
„Hij zal zijn hoofd opeten als 't niet waar is,” gromde Mr. Grimwig.
„Hij verdiende, dat 't afgeslagen werd, als het waar was,” zei Mr. Brownlow.
„En hij zou wel eens willen zien, wie dat doen wou,” antwoordde Mr. Grimwig, met zijn stok op den vloer stampend.
Toen zij zoo ver gekomen waren, namen beide oude heeren met ernstige gezichten een snuifje en schudden toen elkaar de hand, volgens hun onveranderlijke gewoonte.
„Nu, Miss Maylie,” zei de heer Brownlow, „om op het onderwerp terug te komen, waarin uw menschlievendheid zooveel belang stelt. Wilt u mij vertellen, wat u van den armen jongen afweet? U wilt mij wel toestaan eerst te verklaren, dat ik alle middelen, hem te ontdekken, heb uitgeput, en dat, sedert ik buitenlands was, mijn eerste indruk van hem—dat hij mij had voorgelogen en door zijn vroegere kameraden overgehaald was, mij te bestelen, een grooten schok heeft gekregen.”
Rose had intusschen tijd gehad, haar gedachten te verzamelen en vertelde nu in weinige welgekozen woorden, alles wat er met Oliver gebeurd was, sinds hij het huis van den heer Brownlow verliet; Nancy's mededeeling bewaarde zij voor een onderhoud met hem alleen, doch besloot met de verzekering, dat Oliver's eenige verdriet in de afgeloopen maanden daarin had bestaan, dat hij zijn vroegeren weldoener en vriend niet kon spreken.
„Goddank!” zei de oude heer. „Dit maakt me heel gelukkig—heel gelukkig. Maar u hebt me nog niet verteld, waar hij nu is, Miss Maylie.—Vergeef me, dat ik 't ronduit zeg, maar waarom heeft u hem niet meegebracht?”
„Hij wacht in 't rijtuig voor de deur,” antwoordde Rose.
„Voor deze deur!” riep de oude heer uit. Zonder een woord meer te zeggen holde hij de kamer uit, de trap af, de tree van de koets op en in de koets.
Toen de kamerdeur achter hem dicht ging, lichtte Mr. Grimwig zijn hoofd op, gebruikte één van de achterpooten van zijn stoel als spil en beschreef zoo, in den stoel zittende, met behulp van zijn stok en de tafel, drie cirkels. Nadat dit kunststuk volbracht was, stond hij op en hinkte zoo vlug hij kon, ten minste twaalf keer de kamer op en neer; toen bleef hij vóór Rose staan en gaf haar zonder eenige plichtpleging een kus.
„St!” zei hij, toen 't meisje bij deze ongewone handelwijze een beetje verschrikt opsprong, „Wees niet bang. Ik ben oud genoeg om je grootvader te zijn. Je bent 'n lief meisje. Ik houd van je. Daar zijn ze!”
Terwijl hij zich met een handigen zwaai weer in zijn stoel wierp, kwam werkelijk Mr. Brownlow terug met Oliver, die door Mr. Grimwig zeer genadig ontvangen werd; als 't geluk van dit oogenblik de eenige belooning was geweest voor al haar angst en zorg ter wille van Oliver, zou Rose Maylie zich goed beloond rekenen.
„Er is nog iemand, die we ondertusschen niet mogen vergeten,” zei de heer Brownlow en schelde. „Laat juffrouw Bedwin boven komen.”
De oude huishoudster gaf dadelijk aan den oproep gehoor; ze maakte een buiging bij de deur en wachtte op verdere bevelen.
„Jij wordt elken dag blinder, Bedwin,” zei Mr. Brownlow, ietwat knorrig.
„Dat is zoo mijnheer,” antwoordde de oude dame. „De oogen van de meeste menschen worden er niet beter op mijnheer, als ze zoo oud zijn als ik.”
„Dat kan ik je ook wel zeggen,” viel Mr. Brownlow in, „maar zet je bril op en kijk eens of je niet ontdekken kunt, waarom wij je hier lieten komen.”
De oude dame begon in haar zak te rommelen naar haar bril. Maar Oliver's geduld hield 't niet langer uit; gehoor gevend aan zijn verlangen, sprong hij in haar armen.
„God moge me zegenen!” riep de oude dame, hem omhelzend, „'t is mijn onschuldige jongen!”
„Mijn lieve verpleegster!” riep Oliver.
„Ik wist wel, dat hij terug zou komen—ik wist 't wel,” zei de oude dame met haar armen om hem heen. „Wat ziet hij er goed uit en gekleed als de zoon van een heer! Waar ben je al dien tijd geweest? Hè! 't zelfde lieve gezicht, maar niet zoo bleek; dezelfde lieve oogen, maar niet zoo droevig. Ik heb ze nooit vergeten en ook niet zijn stille glimlach; elken dag heb ik ze voor me gezien, met de gezichten van mijn eigen lieve kinderen; zooals die waren, toen ik nog een vroolijk, jong ding was. Nu zijn ze dood of weg.”
Zoo vertelde de goede ziel voort, hield nu eens Oliver op een afstand om te zien hoe hij gegroeid was, en trok hem dan weer tegen zich aan, streek liefkoozend met haar vingers door zijn haar en lachte en schreide bij beurten.
De heer Brownlow liet haar en Oliver alleen om op hun gemak verder te praten en bracht Rose in een andere kamer; hier kreeg hij van Rose een volledig verslag van haar onderhoud met Nancy, hetgeen hem niet weinig verbaasde en in de war bracht. Rose legde ook uit, waarom zij liever haar vriend Dr. Losberne niet terstond in vertrouwen had genomen. De oude heer vond, dat zij voorzichtig gehandeld had en bood bereidwillig aan, zelf met den waardigen dokter te beraadslagen. Om hem in staat te stellen, zoo spoedig mogelijk aan dit voornemen gevolg te geven, werd besloten, dat hij om acht uur dien avond aan het hôtel zou komen en dat mevrouw Maylie in dien tijd op de hoogte zou worden gebracht van alles, wat was voorgevallen. Toen deze voorbereidingen getroffen waren, keerden Rose en Oliver naar huis terug.
Rose had zich volstrekt geen te groot denkbeeld gemaakt van des dokters woede. Nauwelijks had hij Nancy's geschiedenis gehoord of hij stootte een stortvloed van bedreigingen en verwenschingen uit; dreigde dat Nancy het eerst door Blathers en Duff ingerekend zou worden en zette zelfs zijn hoed op om dadelijk de hulp van die beide waardige heeren in te gaan roepen. Ongetwijfeld zou hij, in zijn eersten drift, zonder een oogenblik over de gevolgen na te denken, zijn plan ten uitvoer hebben gebracht, indien hij niet teruggehouden was, ten deele door een even groote heftigheid van den heer Brownlow, die zelf van een driftig temperament was, en ten deele door overredingen en voorstellingen, die wel in staat waren, hem van zijn heetgebakerd voornemen af te brengen.
„Wat moet er dan gebeuren, voor den duivel?” zei de driftige dokter, toen zij weer bij de twee dames waren.
„Moeten wij een adres van dankbaarheid opstellen aan al die vagebonden, mannen en vrouwen, en hun verzoeken een honderd pond te willen aannemen of zoo, als een nederig blijk van onze hoogachting en een klein bewijs van erkentelijkheid voor hun vriendelijkheid tegenover Oliver?”
„Dat nu juist niet,” zei de heer Brownlow lachend, „maar we moeten zachtjes en heel voorzichtig te werk gaan.”
„Zachtheid en voorzichtigheid,” riep de dokter. „Ik zal ze allemaal naar—”
„'t Komt er niet op aan, waar u ze naar toe wilt sturen,” viel Mr. Brownlow in. „Maar de vraag waar ze heen gestuurd zullen worden, heeft weinig te maken met het doel, dat wij voor oogen hebben.”
„Wat voor doel?” vroeg de dokter.
„Eenvoudig, Oliver's familie uit te vinden en voor hem de hand te leggen op de erfenis, waarvan hij—als het verhaal waar is—wederrechtelijk werd beroofd.”
„Ha!” zei de heer Losberne en wuifde zich koelte toe met zijn zakdoek, „dat vergat ik haast.”
„U ziet,” ging de heer Brownlow voort, „al laten we dat arme meisje heelemaal buiten kwestie en al zou het mogelijk zijn, die schurken aan de justitie over te leveren zonder haar veiligheid in gevaar te brengen—wat voor goeds zouden we daarmee uitrichten?”
„We zouden er tenminste een stuk of wat aan de galg krijgen en de rest gedeporteerd,” zei de dokter.
„Wel mogelijk,” hernam de heer Brownlow met een glimlach, „maar naar alle waarschijnlijkheid zullen zij dat na verloop van tijd wel zelf over zich brengen en 't komt mij voor, dat als wij stappen doen op dien tijd vooruit te loopen, wij iets heel zots doen, en iets, dat recht tegen ons eigen belang ingaat—of ten minste tegen Oliver's belang, wat hetzelfde is.”
„Hoedat?” vroeg de dokter.
„Wel—'t is duidelijk, dat wij groote moeite zullen hebben, tot dit geheim door te dringen, tenzij wij dien man, dien Monks, op zijn knieën kunnen brengen. Dat kan alleen door een krijgslist gebeuren en door hem te vangen als hij die andere schurken niet om hem heen heeft. Want, gesteld hij werd gearresteerd, dan hebben we geen bewijzen tegen hem. Hij is zelfs niet, (voor zoover wij weten en naar de feiten te oordeelen) betrokken bij één van de diefstallen. Als hij niet vrijgesproken werd, zou hij toch waarschijnlijk geen andere straf kunnen krijgen, dan als vagebond en heler, en dan zou natuurlijk zijn mond voor altijd zoo volkomen gesloten zijn, dat hij wat ons betreft, evengoed doofstom, blind en idioot kon zijn.”
„Dan,” zei de dokter driftig, „dan moet u eens zeggen, of u het verstandig vindt, dat wij de belofte aan dat meisje gedaan, als bindend beschouwen; een belofte, die met de beste en vriendelijkste bedoeling werd gegeven, maar die toch werkelijk....”
„Begin niet over dit punt te discussiëeren, meisjelief,” zeide Mr. Brownlow, terwijl hij Rose, die op het punt was te spreken, in de rede viel. „De belofte zal gehouden worden; ik denk, dat dit in 't minst geen bezwaar bij onze werkzaamheden op zal leveren. Maar, eer wij onze gedragslijn precies vaststellen, zal het noodig zijn, die vrouw te spreken, en ons ervan te verzekeren dat zij ons dien Monks aan wil wijzen, met dien verstande, dat hij alleen met ons te doen zal krijgen en niet met de wet; of wanneer zij dit niet kan of wil doen, zoodanige aanwijzing omtrent zijn verblijf en beschrijving van zijn persoon te verkrijgen, dat deze ons in staat zullen stellen hem te vinden. We kunnen haar pas zondagavond ontmoeten; 't is nu dinsdag. Ik stel voor, dat wij in dien tusschentijd volkomen zwijgen en deze zaken geheim houden, zelfs voor Oliver.”
Ofschoon Dr. Losberne allerlei scheeve gezichten trok bij een voorstel, dat een uitstel van vijf heele dagen meebracht, was hij gedwongen toe te stemmen, voor 't oogenblik niets beters te weten; en daar Rose en mevrouw Maylie beiden met allen ijver den kant van den heer Brownlow kozen, werd het voorstel van dezen heer met algemeene stemmen aangenomen.
„Ik zou graag,” zeide hij, „de hulp van mijn vriend Grimwig inroepen. Hij is een beetje vreemd, maar zeer scherpzinnig en kan ons van werkelijk nut zijn; ik kon hier vertellen dat hij advocaat is geweest en de rechtbank verliet uit teleurstelling, omdat hij in twintig jaar maar één zaak kreeg en dat nog een heel onbelangrijke, maar of dit een aanbeveling is of niet, moet u maar voor u zelf uitmaken.”
„Ik heb er niet op tegen, dat u uw vriend er in haalt, als ik den mijne er in mag halen,” zei de dokter.
„We moeten er over stemmen,” antwoordde Mr. Brownlow, „wie is het?”
„De zoon van die dame, en de.... jeugdvriend van deze jonge dame,” zei de dokter, met een knikje naar mevrouw Maylie en een welsprekenden blik naar haar nichtje.
Rose kleurde hevig, maar zij maakte geen hoorbare tegenwerping tegen dit voorstel, (misschien voelde zij, dat ze hopeloos in de minderheid was) en dus werden Harry Maylie en de heer Grimwig aan het comité toegevoegd.
„Wij blijven natuurlijk in de stad,” zei Mevrouw Maylie, „zoolang er maar eenig uitzicht is het onderzoek met kans op succes te kunnen voeren. Ik zal moeite noch kosten sparen ten behoeve van de zaak, waarin wij allen zooveel belang stellen, en zoo lang u mij verzekert, dat er eenige hoop overblijft, wil ik met pleizier hier blijven, al duurt het twaalf maanden.”
„Goed!” stemde de heer Brownlow toe. „Ik lees op de gezichten om mij heen de neiging, te vragen, hoe het kwam, dat ik er niet was om Oliver's verhaal te bevestigen en waarom ik zoo plotseling buitenslands was gegaan, doch laat mij het beding maken, dat mij geen vragen gedaan zullen worden, eer het tijdstip is gekomen, waarop 't mij goed zal dunken alle vragen te voorkomen door mijn eigen geschiedenis te vertellen. Geloof mij, ik heb goede redenen voor dat verzoek, want anders zou ik misschien verwachtingen opwekken, die nooit verwezenlijkt zullen worden en de moeielijkheden en teleurstellingen, die er al genoeg zijn, nog vermeerderen. Kom! Het souper is opgediend en Oliver, die alleen is in de kamer hiernaast, zal wel beginnen te denken, dat wij genoeg van zijn gezelschap hebben en een of andere duistere samenzwering smeden om hem de wijde wereld in te jagen.”
Bij deze woorden reikte de oude heer zijn hand aan mevrouw Maylie en bracht haar in de kamer, waar het avondeten klaar stond. Dokter Losberne volgde met Rose en zoo was de vergadering voor het oogenblik opgeheven.
Een oude kennis van Oliver legt besliste bewijzen van genie aan den dag en wordt een publiek persoon in de hoofdstad.
Op den avond, toen Nancy, nadat zij Mr. Sikes in slaap gesust had, naar Rose Maylie op weg was om daar haar vrijwillige zending te volbrengen, liepen op den Great North Road, in de richting van Londen, twee personen, aan wie ons verhaal eenige aandacht dient te schenken.
Het waren een man en een vrouw, of misschien is het juister te zeggen een mannelijk en een vrouwelijk wezen; want de eerste was een van die waggelende, beenige figuren met lange ledematen en doorzakkende knieën, wier juiste leeftijd heel moeielijk te bepalen is—terwijl zij nog jongens zijn zien zij er uit als slecht uitgegroeide mannen en als ze bijna man zijn als uit hun kracht gegroeide jongens. De vrouw was jong, maar sterk en forsch gebouwd, wat zij noodig had om in staat te zijn het gewicht van den zwaren bundel te torschen, die op haar rug gesnoerd was. Haar metgezel had zich niet met bagage overlast; het eenige was een klein pakje in een zakdoek geknoopt, dat aan een stok over zijn schouder bengelde en er licht genoeg uitzag. Deze omstandigheid, gevoegd bij de buitengewone lengte van zijn beenen, deed hem gemakkelijk een zestal passen voor zijn gezellin uit loopen; nu en dan keerde hij zich tot haar met een ongeduldig hoofdschudden, als om haar haar traagheid te verwijten en tot grooter inspanning aan te sporen.
Zoo zwoegden zij voort langs den stoffigen weg, zonder veel notitie te nemen van eenig voorwerp, dat hun voor oogen kwam, behalve als zij op zij gingen om de postwagens, die uit de stad aan kwamen ratelen, voorbij te laten gaan. Toen zij de bogengang van Highgate door waren, bleef de voorste voetganger staan en riep zijn tochtgenoote ongeduldig toe:
„Kom nou, kan je niet meer? Wat ben jij 'n luiwammes, Charlotte.”
„'t Is een heele vracht, dat verzeker ik je,” zei de vrouw en kwam, hijgend van vermoeienis, bij hem aan.
„'n Vracht! Waar heb je 't over? Waar ben je dan voor gemaakt?” zei de mannelijke reiziger en gooide onder het spreken zijn kleine bundeltje over den anderen schouder. „O, daar moet ze alweer rusten! Als jij iemands geduld niet uitput, weet ik niet, wat 't dan wel doen kan!”
„Is 't nog ver?” vroeg de vrouw; zij leunde tegen een aarden wal en keek naar hem op, terwijl het zweet haar over het gezicht gudste.
„Nog ver! We zijn zoo goed als aan 't eind,” zei de langbeenige wandelaar, terwijl hij vóór zich uit wees. „Kijk! Dat zijn de lichten van Londen.”
„'t Is minstens nog 'n goede twee mijl,” zei de vrouw neerslachtig.
„'t Doet er niet toe, of 't twee mijlen of twintig ver is,” zei Noah Claypole, want hij was het; „maar sta op, of ik zal je beenen leeren maken.”
Noah's roode neus werd nog rooder van boosheid en hij stak den weg over alsof hij aanstalten maakte, zijn bedreiging ten uitvoer te brengen; de vrouw stond zonder eenige verdere opmerking op en zwoegde weer naast hem voort.
„Waar denk je vannacht te blijven, Noah?” vroeg ze, nadat zij een paar honderd yards voort waren geloopen.
„Hoe weet ik dat?” antwoordde Noah, wiens stemming er door de wandeling niet beter op was geworden.
„Dichtbij, hoop ik?” zei Charlotte.
„Nee, niet dichtbij,” antwoordde Mr. Claypole. „Daar! Niet dichtbij; denk dat maar niet.”
„Waarom niet?”
„Als ik je zeg, dat ik iets doe, dan is dat genoeg, zonder waaroms of daaroms,” antwoordde Mr. Claypole waardig.
„Nou, je hoeft niet zoo te snauwen,” zei Charlotte.
„'t Zou prachtig zijn, hè, om bij de eerste de beste herberg buiten de stad halt te houden, zoodat Sowerberry, als hij ons achterna komt, dadelijk zijn neus naar binnen kan steken en ons in een kar terug kan laten brengen met de handboeien aan,” zei Mr. Claypole op smalenden toon. „Nee! ik ga door de nauwste steegjes dwalen, die ik vinden kan en sta niet stil eer wij bij de afgelegenste herberg zijn gekomen, waar m'n oog op valt. Je mag je gesternte wel danken dat ik ten minste hersens heb, want als we eerst niet expres den verkeerden weg waren ingeslagen en door de velden weer teruggekomen, zou je zoo zeker als twee maal twee vier is een week geleden al opgesloten zijn. En dan had je je verdiende loon, omdat je een zottin bent.”
„Ik weet wel, dat ik niet zoo snugger ben als jij,” hernam Charlotte, „maar je hoeft mij niet van alles de schuld te geven en te zeggen, dat ik opgesloten zou zijn. Als ik opgesloten was, zou jij in elk geval mee zijn gegaan.”
„Jij heb 't geld uit de lâ genomen, dat weet je ook wel,” zei Mr. Claypole.
„Ik heb 't voor jou genomen, Noah, lieverd,” wierp Charlotte tegen.
„Heb ik 't gehouden?” vroeg Mr. Claypole.
„Neen, je vertrouwde op me en laat 't mij dragen, omdat je een lieverd bent,” zei Charlotte, terwijl zij hem om de kin streelde en haar arm door den zijne stak.
Dit was inderdaad het geval; doch daar het niet Mr. Claypole's gewoonte was, een blind en dwaas vertrouwen te stellen in wie ook, moeten wij, om hem recht te doen, opmerken, dat hij Charlotte hierin zijn vertrouwen had geschonken, opdat het geld, wanneer ze vervolgd werden, op haar gevonden zou worden; dit zou hem de gelegenheid schenken, zijn onschuld aan elken diefstal te bewijzen en zijn kansen om te ontsnappen zeer vergemakkelijken. Natuurlijk trad hij onder de gegeven omstandigheden niet in een verklaring van zijn beweegredenen, en zij liepen zeer eendrachtig voort.
Tengevolge van zijn omzichtig plan, liep Mr. Claypole voort zonder stil te staan, tot zij bij „de Engel” in Islington kwamen, waar de massa voorbijgangers en het groote aantal voertuigen hem terecht op het denkbeeld brachten, dat hier Londen in ernst begon. Een oogenblik stilstaande om te zien, wat de drukke straten waren, die hij dus vermijden moest, ging hij St. John's Road in en verloor zich spoedig in het duistere warnet van vuile straten, die tusschen Gray's Inn Lane en Smithfield liggen en dit stadsgedeelte maken tot een van de slechtste en gemeenste, dat niettegenstaande alle verbeteringen midden in Londen is blijven bestaan.
Door deze straten liep Noah Claypole, Charlotte achter zich aan zeulend; nu eens stapte hij in de goot langs de straat om met één blik het uiterlijk voorkomen van de een of andere herberg op te nemen; dan sjokte hij weer voort, omdat iets in het uiterlijk van 't huis hem deed denken, dat het te druk bezocht was om hem dienstig te zijn. Eindelijk bleef hij staan vóór een herberg, de onaanzienlijkste en smerigste die hij nog gezien had; nadat hij naar den overkant van de straat was gegaan en het huis vandaar af had opgenomen, gaf hij genadig zijn voornemen te kennen, hier nachtverblijf te zoeken.
„Geef mij het pak,” zei Noah, terwijl hij het Charlotte afnam en 't over zijn eigen schouders wierp, „en pas op, dat je niet praat, behalve als ze tegen jou praten. Hoe heet de herberg—de—de drie—wat?”
„Kreupelen,” zei Charlotte.
„Drie Kreupelen,” herhaalde Noah, „'n best uithangbord, dat moet ik zeggen. Nou! Blijf vlak achter me; kom.”
Met deze vermaningen duwde hij de krassende deur met zijn schouder open en ging, gevolgd door zijn gezellin, de herberg binnen.
Er stond niemand bij het buffet als een jonge Jood, die, met zijn ellebogen op de toonbank, een vuile courant stond te lezen. Hij keek Noah strak aan en Noah keek hem strak aan.
Als Noah zijn liefdadigheidskleeren aan had gehad, zou er eenige reden voor den Jood zijn geweest zijn oogen zoo wijd open te sperren; doch daar hij de jas met de opslagen had uitgelaten en een korten kiel boven zijn leeren broek droeg, scheen er geen bijzondere reden te zijn waarom zijn verschijning in een herberg zoozeer de aandacht zou trekken.
„Is dit „De drie Kreupelen?”” vroeg Noah.
„Dat is de daam van dit 'uis,” antwoordde de Jood.
„We komen van buiten en een meneer dien wij onderweg tegenkwamen, heeft ons deze herberg genoemd,” zei Noah, Charlotte aanstootend, misschien om haar aandacht te vragen voor dezen vernuftige manier, zich een houding te geven, misschien om haar te waarschuwen geen verwondering te verraden. „We willen hier vannacht slapen.”
„'k Weet diet zeker of 't khan,” zei Barney—want hij was de gedienstige geest, „maar 'k zal 't vragen.”
„Wijs ons de gelagkamer en geef ons wat koud vleesch en een kruik bier, terwijl je 't gaat vragen,” zei Noah.
Barney voldeed aan dit verzoek door hen naar een klein achtervertrekje te brengen, waar hij het bestelde voor hen neerzette; daarna bracht hij de boodschap, dat de reizigers daar dien nacht konden logeeren en liet het beminnelijke paar aan hun maaltijd.
Deze achterkamer lag vlak achter het buffet en eenige treden lager dan dit, zoodat iemand, die hier thuis behoorde en een gordijntje wegtrok, dat een klein glasruitje in den muur van het buffet, zoowat vijf voet van den grond af, bedekte, niet alleen de gasten in de achterkamer kon bespieden zonder veel kans te loopen door hen opgemerkt te worden, (het ruitje bevond zich in een donkeren hoek van den muur, waar de bespieder door een dikken rechtopstaanden balk verborgen was) maar, door zijn oor tegen den tusschenmuur te leggen, vrij duidelijk het gesprek kon volgen. De waard had niet langer dan vijf minuten deze spionage-plaats verlaten en Barney had juist zijn boodschap aan Noah gebracht, toen Fagin, in den loop van zijn avondbezigheden, het buffet kwam binnenloopen om naar enkelen van zijn jonge leerlingen te vragen.
„St!” zei Barney, „vreemden in 't achterkamertje.”
„Vreemden!” herhaalde de oude man fluisterend.
„Ja! En rare ook,” voegde Barney er bij. „Van buiten, baar iets voor jou of ik heb 't bis.”
Fagin ontving deze mededeeling blijkbaar met veel belangstelling. Hij klom op een krukje en bracht voorzichtig zijn oog voor het ruitje; van deze geheime observatiepost kon hij zien, hoe Mr. Claypole koud vleesch van den schotel nam en porter uit de kruik en homoeopatische doses van beide aan Charlotte toediende, die er geduldig bij zat en at en dronk, wat hij haar geven wilde.
„Aha!” fluisterde hij tot Barney, „die kerel staat me aan. Hij kan ons van nut zijn; hij weet al hoe hij met 'n meid moet omspringen. Hou je zoo stil als een muis jongen, dan kan ik hooren wat ze zeggen.”
Weer bracht hij zijn oog vóór het ruitje, legde zijn oor tegen den tusschenwand en luisterde met alle aandacht; op zijn gezicht lag een sluwe nieuwsgierige trek, die het op 't gezicht van een ouden kobold deed gelijken.
„Dus nou word ik een heer,” zei Mr. Claypole, zijn beenen uitstrekkend, met welke woorden hij een gesprek voortzette, waarvan Fagin het begin gemist had. „Geen malle doodkisten meer, Charlotte, maar een heerenleventje voor mij; en als jij wil dan ben je 'n dame.”
„Dat wil ik graag genoeg, lieverd,” antwoordde Charlotte, „maar der zijn niet elken dag lâtafels om te leegen zonder dat ze ons bij de kladden krijgen.”
„Lâtafels kennen opvliegen!” zei Mr. Claypole; „der zijn nog andere dingen, die geleegd kennen worden.”
„Wat meen je?” vroeg zijn gezellin.
„Zakken, reticulen, huizen, diligences, banken!” zei Mr. Claypole, opgewonden door het bier.
„Maar dat kan je niet allemaal doen,” zei Charlotte.
„Ik zal zien, met anderen samen te komen, die het wel kunnen,” antwoordde Noah. „Ze zullen ons wel op een of andere manier kunnen gebruiken. Jij alleen bent vijftig vrouwen waard, want ik heb nooit zoo'n sluw, leugenachtig schepsel gezien als jij, als ik je niet onder den duim houd.”
„Gunst, wat heerlijk dat je dat zegt!” riep Charlotte uit en drukte een kus op zijn leelijke gezicht.
„Nou, 't is al mooi; je moet niet al te lief doen als ik kwaad op je ben,” zei Noah en maakte zich met groote strengheid los. „Ik zou graag de hoofdman van een bende willen zijn en ze allemaal de baas wezen en ze overal volgen zonder dat zij 't zelf wisten. Dat zou me bevallen als 't wat opleverde; konden we maar in aanraking komen met een of andere kerel van dit soort, daar zou ik het biljet van twintig pond dat jij hebt, voor over hebben, vooral omdat we toch niet goed weten hoe wij het aan den man zullen brengen.”
Nadat hij dit als zijn oordeel had uitgesproken, blikte Mr. Claypole met een air van diepe wijsheid in de bierkan; hij schudde den inhoud flink door elkaar, gaf Charlotte een genadig knikje en nam een teug, die hem bijzonder scheen te verfrisschen. Hij dacht er juist over, een tweede kan te bestellen, toen hij gestoord werd doordat de deur plotseling openging en een vreemdeling binnenkwam.
De vreemdeling was Mr. Fagin. Hij zag er zeer beminnelijk uit en maakte een diepe buiging, terwijl hij nader kwam, aan het tafeltje naast dat van Noah ging zitten en aan den grinnikenden Barney iets te drinken bestelde.
„Een mooie avond meneer, maar koel voor den tijd van 't jaar,” zei Fagin, zich in de handen wrijvend. „U komt van buiten, zie ik, mijnheer?”
„Hoe ziet u dat?” vroeg Noah Claypole.
„We hebben in Londen zooveel stof niet,” antwoordde Fagin en wees van Noah's schoenen naar die van Charlotte en toen naar de twee pakken.
„U bent 'n snuggere kerel,” zei Noah. „Ha! ha! heb je 't gehoord Charlotte?”
„Ja, mijn waarde heer, in de stad moet je uitgeslapen zijn,” antwoordde de Jood en liet zijn stem tot vertrouwelijk gefluister dalen; „dat is de waarheid.”
Fagin zette deze opmerking kracht bij, door met zijn rechter wijsvinger langs den kant van zijn neus te strijken—een gebaar, dat Noah trachtte na te volgen, ofschoon hij er niet geheel in slaagde, daar zijn neus niet groot genoeg was tot dit doel. Mr. Fagin echter scheen de poging op te vatten als de uitdrukking van volkomen eensgezindheid met zijn oordeel en liet met gul gebaar den drank, dien Barney juist binnenbracht, rondgaan.
„Beste waar, dat!” merkte Mr. Claypole op, met zijn lippen smakkend.
„Maar duur!” zei Fagin. „Als een man dit geregeld wil drinken, moet hij in de gelegenheid zijn, een lade te leegen of een zak of een reticule of een huis of een diligence of een bank.”
Nauwelijks hoorde Mr. Claypole dit uittreksel van zijn eigen opmerkingen of hij viel vol ontzetting terug in zijn stoel en keek met aschgrauw gezicht van den Jood naar Charlotte.
„Maak u niet ongerust,” zei Fagin en trok zijn stoel dichter aan de tafel. „Ha! ha! 'n geluk, dat ik 't maar was, die het toevallig hoorde. 'n Groot geluk, dat ik het maar was.”
„Ik heb niet gestolen,” stamelde Noah; hij stak zijn beenen niet meer rechtuit als een onafhankelijk heer, maar verstopte ze zoo goed mogelijk onder zijn stoel; „zij heeft 't allemaal gedaan; je hebt 't nou nog, Charlotte, dat weet je.”
„'t Komt er niet op aan beste jongen, wie 't heeft of wie 't gedaan heeft!” antwoordde Fagin, maar gluurde desondanks met een haviksblik naar het meisje en de twee bundels. „Ik ben zelf in dat soort zaken en 't bevalt me in je.”
„In wat voor zaken?” vroeg Mr. Claypole, terwijl hij een beetje opleefde.
„Wel—dat soort zaakjes,” herhaalde Fagin, „en de menschen van de herberg hier hooren ook tot ons soort. Je hebt den spijker op den kop geslagen en bent hier zoo veilig als 't maar kan. Er is geen veiliger plaats in heel Londen dan „De Kreupelen;” dat wil zeggen als ik 't veilig wil maken. En jij en die vrouw staan me aan; dus heb ik het wachtwoord gegeven en je hart kan gerust zijn.”
Misschien was Noah's hart gerust na deze verzekering, maar zijn lichaam was 't zeker niet; hij schuifelde heen en weer en wrong zich in allerlei zonderlinge houdingen, terwijl hij zijn nieuwen vriend intusschen met vrees en argwaan opnam.
„Ik zal je nog meer zeggen,” zei Fagin, nadat hij het meisje door vriendelijke knikjes en gemompelde aanmoedigingen gerust gesteld had, „ik heb een vriend, die, naar ik meen, je liefste wensch kan vervullen en je den weg zal wijzen, waarop je kunt kiezen, welke branche van de zaak je denkt, dat je vooreerst het best zou lijken; langzamerhand kun je dan al het andere leeren.”
„U praat of u 't meent,” antwoordde Noah.
„Wat zou ik er aan hebben, het te zeggen als ik 't niet meende?” vroeg Fagin, zijn schouders ophalend. „Hier! Laat me buiten de kamer een woordje met u alleen spreken.”