Verhaalt wat er van Oliver Twist werd nadat hij door Nancy was meegenomen.
De nauwe straten en stegen liepen ten laatste uit op een groot open plein, waar hier en daar palen stonden om dieren aan vast te binden; deze wezen er op, dat hier veemarkt werd gehouden. Toen zij deze plek bereikt hadden, hield Sikes zijn stap in; het meisje kon niet langer den vluggen pas bijhouden, waarmee zij geloopen hadden. Zich tot Oliver wendend, beval hij hem ruwweg, Nancy's hand vast te houden.
„Hoor je niet?” snauwde Sikes, toen Oliver aarzelde en om zich heen keek.
Ze stonden in een donkeren hoek, waar geen voorbijgangers langs kwamen. Oliver zag maar al te goed in, dat geen tegenstand baatte. Hij stak zijn hand uit, die Nancy stevig in de hare greep.
„Geef mij de andere,” zeide Sikes, terwijl hij Oliver's vrije hand greep. „Hier Bul-oog!”
De hond keek brommend op.
„Hier jongen!” zei Sikes, met zijn andere hand Oliver bij de keel grijpend, „als hij maar één woord spreekt, pak 'm! Denk er om!”
De hond bromde nog eens; hij likte zijn baard en keek naar Oliver, alsof hij er naar verlangde, hem in zijn strot te bijten.
„Hij is zoo ijverig als een Christen; ik mag blind worden als 't niet waar is!” zei Sikes, en keek het dier met een soort grimmige goedkeuring aan.
„Nou jongeheer, je weet, wat je te wachten staat; schreeuw maar zoo hard as je wil; de hond zal er gauw een stokje voor steken. Vooruit jong!”
Bul-oog kwispelde met zijn staart uit dankbaarheid voor deze ongewoon vriendelijke manier van spreken, bromde waarschuwend aan het adres van Oliver en liep vooruit. Ze liepen Smithfield over; voor Oliver kon het evengoed Grosvenor Square zijn, zoo weinig wist hij er van. Het was een donkere, mistige avond. De lichten in de winkels konden nauwelijks door den zwaren mist heendringen, die elk oogenblik dikker werd en straten en huizen als in een somber lijkkleed hulde; dit deed de vreemde plek Oliver nog vreemder toeschijnen en maakte zijn angst nog drukkender en verschrikkelijker.
Ze hadden enkele schreden gedaan, toen een torenklok met lagen klank het uur sloeg. Bij den eersten slag bleven Oliver's geleiders staan en keerden hunne hoofden in de richting vanwaar het geluid kwam.
„Acht uur, Bill,” zeide Nancy, toen de klok ophield met slaan.
„Hoef je mij niet te vertellen, kan ik zelf hooren, zou 'k zeggen!” antwoordde Sikes.
„Of zij 't ook kunnen hooren....” zei Nancy.
„Natuurlijk,” antwoordde Sikes. „Met Sint Bartholomeus zat ik in de kast en der was geen stuiverstrompetje op de markt of ik hoorde 't piepen. Toen ik dien nacht zat opgesloten, leek die dondersche ouwe gevangenis zóó stil bij 't geraas en getier buiten, dat ik m'n kop wel te pletter had willen slaan tegen de ijzeren platen van de deur.”
„Arme kerels!” zei Nancy, nog met haar gezicht gewend in de richting, vanwaar de klok had geklonken. „O, Bill, zulke flinke, mooie jongens!”
„Ja, daar denken de vrouwen altijd aan,” antwoordde Sikes. „Flinke, mooie jongens! Nou, ze zijn zoo goed als dood, dus 't doet er niet veel toe.”
Met dezen troostgrond scheen Sikes een opkomend gevoel van jaloerschheid terug te dringen en Oliver's pols vaster grijpend, beval hij hem weer voort te loopen.
„Wacht even!” zei het meisje. „Ik zou niet zoo haastig voortloopen, Bill, als jij 't was, die bij den volgenden klokslag van achten naar buiten zou komen om opgehangen te worden. Ik zou om de plek heen loopen tot ik er bij neerviel, al lag er sneeuw op de grond en al had ik geen doek om me toe te dekken.”
„En waar zou dat goed voor zijn?” vroeg Mr. Sikes, die vrij was van sentimentaliteit. „Als je geen vijl en een twintig el flink sterk touw naar binnen kon gooien, kon je, wat mij betreft, evengoed twintig mijlen ver loopen of heelemaal niet loopen. Kom vooruit en sta hier niet te preeken.”
Het meisje barstte in een schaterlach uit en trok haar omslagdoek dichter om zich heen; toen gingen ze verder. Maar Oliver voelde, hoe haar hand beefde en toen hij haar bij 't licht van een straatlantaarn in het gezicht keek, zag hij, dat ze doodsbleek was.
Ze liepen een half uur voort langs weinig bezochte morsige straten, waar zij weinig menschen ontmoetten en die ze tegenkwamen, schenen, naar hun uiterlijk te oordeelen, tot hetzelfde gilde als Sikes te behooren. Eindelijk sloegen zij een smerig nauw straatje in, waar elk huis bijna een uitdragerswinkel was. De hond liep vooruit, alsof hij wist, dat hij niet verder behoefde te waken en bleef staan voor de deur van een gesloten winkel, waar niemand in scheen te zijn. Het huis verkeerde in vervallen toestand en op de deur was een plank gespijkerd, waarop te lezen stond, dat het huis te huur was, de plank zag er uit alsof hij daar jaren lang gehangen had.
„In orde!” riep Sikes, voorzichtig rondspiedend.
Nancy bukte zich onder de luiken en Oliver hoorde den klank van een schel. Zij staken de straat over en stonden enkele oogenblikken onder een lantaarn. Er klonk een geluid, alsof een raam zachtjes werd opgeschoven en spoedig daarop werd de deur geopend.
Mr. Sikes greep zonder eenige plichtpleging den angstigen jongen bij de kraag en alle drie kwamen vlug in het huis.
De gang was volkomen donker. Zij wachtten, terwijl de persoon, die hen binnengelaten had, ketting en grendel op de deur deed.
„Iemand hier?” vroeg Sikes.
„Nee,” antwoordde een stem, die Oliver meende meer gehoord te hebben.
„Is de ouwe hier?” vroeg de roover.
„Ja,” antwoordde de stem, „maar hij heeft niet veel losgelaten. Denk je, dat hij blij is, je te zien? O nee!”
De wijze van uitdrukking en de stem schenen Oliver bekend toe, doch het was onmogelijk, zelfs den omtrek van den sprekende in 't donker te onderscheiden.
„Breng 's wat licht,” zei Sikes, „of we breken onzen nek of trappen op de hond. En pas op je beenen als je dat doet. O zoo!”
„Blijf een oogenblik staan, dan zal ik licht halen,” antwoordde de stem. De voetstappen van den sprekende verwijderden zich en een oogenblik later verscheen de gestalte van Mr. Jack Dawkins, alias de Vos. In zijn rechterhand had hij een talkkaars die tusschen de einden van een gespleten stok was gestoken.
Het jongemensch verwaardigde zich niet, aan Oliver een ander teeken van herkenning te geven dan een vroolijke grijns; hij keerde zich om en vroeg de bezoekers, hem de trap af te volgen. Ze liepen een ongebruikte keuken door; toen zij de deur openden van een laag, duf riekend vertrek, dat op een kleine binnenplaats uitgebouwd scheen te zijn, werden zij ontvangen met een schaterend gelach.
„O, m'n bol! m'n bol!” riep Charles Bates, wiens longen dat gelach voortbrachten, „daar is hij! O jasses, daar is hij! O Fagin kijk eris! Fagin kijk eris! Ik kan niet meer; 't is zóó fijn, ik kan niet meer van 't lachen. Hou me vast, dat ik kan uitlachen!”
Bij deze onbedwingbare uitbarsting van vroolijkheid liet Bates zich plat op den grond vallen en lag in overmaat van dolle vroolijkheid vijf minuten lang rumoerig met zijn beenen te schoppen. Toen sprong hij op en greep den gespleten stok van den Vos; om Oliver heen loopend, bekeek hij hem van alle kanten, terwijl de Jood, zijn slaapmuts afnemend voor den verbluften jongen, de ééne diepe buiging na de andere maakte. Intusschen begon de Slimme, die van een zwaarmoediger temperament was en zich zelden aan vroolijkheid overgaf, wanneer er zaken te doen waren, Oliver's zakken met grooten ijver te doorzoeken.
„Wat zeg je van z'n plunje, Fagin!” zei Charley en zette het licht zoo dicht bij Oliver's nieuwe buisje, dat hij 't bijna in brand stak. „Kijk die plunje! Piekfijn laken en naar de laatste mode gemaakt! O jasses! wat 'n mop! En boeken ook! Van top tot teen 'n meneer, Fagin!”
„Zeer verheugd u zoo goed gekleed te zien, mijn waarde,” zei de Jood met een spottende buiging. „De Slimme zal u een ander pak geven, anders mocht u dat Zondagsche soms vuil maken. Waarom hebt u niet geschreven, dat u kwam? Dan hadden we gezorgd voor een warm souper.”
Charles Bates begon weer te brullen van 't lachen, zoo luid, dat Fagin zijn gezicht vertrok en zelfs de Vos glimlachte; doch daar hij juist op dat oogenblik het bankbiljet van vijf pond ontdekte, is het twijfelachtig of deze ontdekking dan wel Fagin's grap dien glimlach te voorschijn riep.
„Hallo, wat is dat?” vroeg Sikes, naar voren komend, toen de Jood het bankbiljet greep. „Dat is van mij, Fagin.”
„Nee, nee, m'n waarde,” zei de Jood. „'t Is van mij, Bill, van mij. Jij krijgt de boeken.”
„Als dat niet van mij is,” zei Bill Sikes, terwijl bij zijn hoed opzette, „dat wil zeggen van mij en Nancy, dan breng ik den jongen weer terug.”
De Jood ontstelde. Oliver schrikte ook op, ofschoon om een gansch andere reden; hij hoopte, dat de twist werkelijk daarmee eindigen zou, dat hij teruggebracht werd.
„Kom! Geef op!” zei Sikes.
„'t Is niet eerlijk, Bill, niet eerlijk; wat zeg jij, Nancy?” vroeg de Jood.
„Eerlijk of niet eerlijk,” viel Sikes in. „Geef hier zeg ik! Denk je, dat Nancy en ik niks anders te doen hebben dan onzen kostelijken tijd te gebruiken om alle jongens na te loopen en op te vangen, die door jouw toedoen gesnapt zijn? Geef hier, gierig oud scharminkel, geef hier!” Met deze vriendelijke toespraak peuterde Mr. Sikes het bankbiljet tusschen vinger en duim van den Jood uit; hij keek den ouden man koeltjes in het gezicht, vouwde het bankbiljet klein op en knoopte het in zijn halsdoek. „Dat is voor onze moeite,” zei Sikes, „en 't is niet half genoeg. Jij mag de boeken houden, als je graag leest. En anders verkoop je ze.”
„Ze zijn heel mooi,” zei Charley Bates, die met allerlei vreemde grimassen deed, alsof hij in één van de bewuste deelen las, „prachtig geschreven, is 't niet Oliver?”
Toen hij den wanhopigen blik zag, waarmee Oliver zijn kwelgeesten aankeek, barstte jongeheer Bates, die veel gevoel voor het comische bezat, opnieuw in een lachbui uit, nog luidruchtiger dan te voren.
„Ze zijn van den ouden heer,” zei Oliver, handenwringend, „van den goeden, vriendelijken ouden heer, die mij in huis heeft genomen en opgepast toen ik bijna dood was door de koorts. Och toe, stuur ze terug, stuur hem de boeken en het geld terug. Houd mij hier, mijn heele leven, maar stuur ze asjeblieft terug. Hij zal denken dat ik 't geld en de boeken gestolen heb; en de oude juffrouw en alle menschen, die zoo goed voor me zijn geweest, zullen denken dat ik gestolen heb. O, heb medelijden met me en stuur 't terug!”
Bij deze woorden, uitgestooten met al de kracht die hevig lijden geeft, viel Oliver op zijn knieën voor den Jood en vouwde zijn handen in volslagen wanhoop.
„De jongen heeft gelijk,” merkte Fagin op, terwijl hij listig rondkeek en zijn borstelige wenkbrauwen tot een dikken bos samentrok. „Je hebt gelijk Oliver, je hebt gelijk; ze zullen denken, dat jij 't gestolen hebt! Hè! hè!” gichelde de Jood, zich in de handen wrijvend, „als wij 't uitgezocht hadden, kon 't niet beter treffen.”
„Natuurlijk niet,” zei Sikes, „dat wist ik wel, zoodra ik hem door Clerkenwell zag komen met de boeken onder zijn arm. 't Is prachtig! 't Zijn zeker van die slappe vromen, anders zouden ze hem heelemaal niet in huis genomen hebben; ze zullen geen navraag doen, omdat ze bang zijn, een vervolging te moeten instellen en hem aan de galg te helpen. Dus hij is veilig.”
Terwijl deze woorden werden gesproken, had Oliver als in verbijstering van den een naar den ander gekeken; hij hoorde nauwelijks wat er gezegd werd, maar toen Bill Sikes zweeg, sprong hij plotseling op, stortte de kamer uit en uitte zulke heftige kreten om hulp, dat het oude huis er tot het dak van weergalmde.
„Houd den hond vast, Bill!” riep Nancy, terwijl zij vóór de deur sprong en die sloot, nadat de Jood en zijn twee kweekelingen de kamer uit waren geloopen om Oliver te vangen. „Houd den hond vast of hij verscheurt den jongen.”
„Zijn verdiende loon!” riep Sikes, worstelend om uit de handen van het meisje te geraken. „Laat me los, of ik sla je hoofd te pletter tegen de muur.”
„Dat kan me niet schelen, Bill, dat kan me niet schelen,” schreeuwde het meisje, terwijl zij hevig worstelde met den man, „dat kind zal niet door den hond verscheurd worden of je moet mij eerst dood maken.”
„Zoo!” zei Sikes, zijn tanden op elkaar klemmend. „Als je mij niet loslaat, zal ik je doodmaken.”
De boef slingerde het meisje van zich af naar den versten hoek van de kamer, juist toen de Jood en de twee jongens terugkwamen, Oliver tusschen hen in voortsleepend.
„Wat is hier gebeurd?” vroeg Fagin rondkijkend.
„Die meid is gek geworden, geloof ik,” antwoordde Sikes woest.
„Nee, dat is ze niet,” zei Nancy, bleek en nog buiten adem door de worsteling, „nee, gek is ze niet, Fagin, denk dat niet.”
„Hou je dan bedaard,” zei de Jood met een dreigenden blik.
„Nee, dat doe ik ook niet”, antwoordde Nancy met harde stem. „Hier! Kom maar op!”
Fagin wist genoeg van de manieren en gewoonten, die dat deel van de menschheid, waartoe Nancy behoorde, er op nahield, om vrij zeker te weten, dat 't niet geraden was, op 't oogenblik het gesprek met haar voort te zetten. Met het oogmerk, de aandacht van het gezelschap op iets anders te vestigen, keerde hij zich tot Oliver.
„Dus je wou wegloopen, lieverdje, is 't niet?” zei de Jood en nam een knoestigen stok op, die naast den haard lag.
Oliver gaf geen antwoord. Maar hij lette op de bewegingen van den Jood en haalde snel adem.
„Je wou hulp halen, om de politie roepen, hè?” smaalde de Jood, terwijl hij den jongen bij zijn arm greep. „We zullen je dat wel afleeren, jongetje.”
De Jood gaf een harden slag op Oliver's schouder en hief den knuppel op voor een tweeden, toen Nancy snel toeliep en den stok uit zijn hand rukte. Ze smeet hem in 't vuur met een kracht, die enkele van de smeulende kolen in de kamer deed spatten.
„Ik wil er niet bijstaan en 't aanzien, Fagin!” riep het meisje. „Je hebt den jongen en wat wil je nu nog meer? Laat hem met rust, laat hem met rust, of ik zal jullie een gedachtenis geven, die mij vóór mijn tijd aan de galg brengt.”
Onder het uiten van deze bedreiging stampte zij heftig met haar voet op den vloer; met op elkaar geklemde lippen en gebalde vuisten keek zij van den Jood naar den anderen boef; haar gezicht was vertrokken door de woededrift, waartoe zij zich langzamerhand had opgewonden.
„Wel Nancy!” zei de Jood sussend, na een oogenblik waarin hij en Sikes elkaar verbluft hadden aangekeken, „je—je overtreft jezelf vanavond. Ha! ha! lieverdje, je speelt je rol prachtig.”
„Zoo?” zei het meisje. „Pas maar op, dat ik 't niet heelemaal natuurlijk doe. Dan zou jij er slecht aan toe zijn, Fagin; dus ik waarschuw je bijtijds: neem je in acht voor me!”
Er is iets in een woedende vrouw, waar de meeste mannen voor terugschrikken, vooral wanneer zich bij al haar andere sterke hartstochten de woeste drift voegt van niets ontziende wanhoop. De Jood zag, dat het geen nut had, nog langer te doen alsof hij Nancy's woede voor voorgewend hield; hij deed onwillekeurig een paar stappen terug, en wierp een half smeekenden, half bangen blik op Sikes, als om aan te duiden, dat deze de meest geschikte persoon was om het gesprek voort te zetten.
Mr. Sikes, op wien aldus zwijgend een beroep werd gedaan en die het misschien voor zijn persoonlijken trots en zijn invloed van belang achtte, Miss Nancy onmiddellijk tot rede te brengen, uitte een aantal vloeken en bedreigingen, die in hun snelle opeenvolging alle eer gaven aan zijn vindingrijkheid. Daar zij echter klaarblijkelijk geen indruk maakten op het voorwerp, tegen wie zij gericht waren, nam hij zijn toevlucht tot meer tastbare argumenten.
„Wat beteekent dat?” vroeg Sikes en zette de vraag kracht bij met een heel gewone verwensching tegen het schoonste deel van het menschelijk gelaat; wanneer die verwensching van de vijftig duizend keeren dat ze hier beneden wordt uitgesproken, daarboven maar eens verhoord werd, zou blindheid even algemeen zijn als mazelen; „wat beteekent dat? De duivel mag me halen. Weet je wie je bent en wat je bent?”
„O ja, ik weet er alles van,” antwoordde het meisje met een hysterischen lach, terwijl zij in een armzalige poging om onverschillig te schijnen, haar hoofd heen en weer wiegde.
„Hou je dan ook bedaard,” voegde Sikes haar toe met een snauw, zooals hij gewoonlijk gebruikte wanneer hij zijn hond aansprak, „of ik zal je voor een flinken tijd stom maken.”
Het meisje lachte opnieuw, nog luidruchtiger dan den eersten keer; zij wierp een haastigen blik op Sikes, wendde haar gezicht af en beet haar lip aan bloed.
„Je bent nogal een mooie,” voegde Sikes er bij, terwijl hij haar minachtend aankeek, „om de menschlievende en fatsoenlijke te spelen! Een mooie om de vriendin te zijn van dat kind, zooals je hem noemt!”
„God is mijn getuige, dat ik zijn vriendin ben!” riep het meisje heftig. „Ik wou, dat ik dood was gevallen op straat of dat ik in de plaats was geweest van de jongens, waar we vanavond zoo dicht voorbij gingen, eer ik een hand had uitgestoken om hem hier te brengen. Van nu af is hij een dief, een leugenaar, een duivel, alles wat slecht is. Is dat nog niet genoeg voor die ouwe schurk; moet hij hem nog slaan ook?”
„Kom, kom Sikes,” zei de Jood op vermanenden toon, terwijl hij naar de beide jongens wees, die gretig het gebeurende in zich opnamen, „we moeten zachte woorden spreken, Bill, zachte woorden.”
„Zachte woorden!” schreeuwde Nancy in ontzettende opwinding. „Zachte woorden, schurk die je bent! Ja, die heb je aan mij verdiend. Ik ging voor je uit stelen, toen ik een kind was, niet half zoo oud als hij!” wijzend op Oliver. „Ik ben in hetzelfde vak geweest en in denzelfden dienst twaalf jaar lang. Weet je dat niet? Zeg op! Weet je dat niet?”
„Nou ja....” zei de Jood met een poging haar te kalmeeren, „al is dat nou zoo, je hebt er je kost mee verdiend!”
„Ja, dat heb ik,” gaf het meisje terug, de woorden uitstootend in één heftigen aangehouden schreeuw. „Ik leef er van, en mijn thuis is in de koude, natte, vuile straten; en jij, ellendeling die je bent, hebt mij op straat gejaagd, lang geleden en door jou blijf ik daar, dag en nacht, dag en nacht, tot ik sterf!”
„Ik bega een ongeluk an je!” viel de Jood in, woedend over deze verwijten, „en een erger ongeluk dan waar je over klaagt, als je nog één woord zegt!”
Het meisje bracht geen woord meer uit; in waanzinnige opwinding trok zij zich de haren uit het hoofd en scheurde haar kleeren, toen liep zij op den Jood toe en zou zeker zichtbare merkteekens van haar wraak op zijn gezicht achtergelaten hebben, wanneer Sikes haar niet op het juiste oogenblik bij den pols had gegrepen; ze worstelde een oogenblik te vergeefs en viel toen bewusteloos neer.
„Da's in orde,” zei Sikes en legde haar in een hoek neer. „In zoo'n bui is ze bijzonder sterk in haar armen.”
De Jood wischte zijn voorhoofd af en glimlachte, als voelde hij zich verlicht, nu de ruzie voorbij was; maar noch hij, noch Sikes, noch de hond, noch de jongens, schenen het voorgevallene anders te beschouwen dan als iets dat meer in hun bedrijf voorkwam.
„'t Is altijd lastig, als je met vrouwen te doen hebt,” zei de Jood, zijn knuppel neerleggend, „maar ze zijn slim en we kunnen ze bij ons werk niet missen. Charley, breng Oliver naar bed.”
„Hij moet morgen zeker zijn beste kleeren niet aantrekken, is 't wel Fagin?” vroeg Charley Bates.
„Natuurlijk niet,” antwoordde de Jood met denzelfden grijns, waarmee Charley de vraag deed.
Jongeheer Bates, die klaarblijkelijk schik had in zijn opdracht, nam den gespleten stok en bracht Oliver in een aangrenzende keuken, waar twee of drie bedden lagen, zooals waar hij vroeger op had geslapen; en hier, onder veel onweerstaanbare lachuitbarstingen, haalde hij hetzelfde oude pak kleeren voor den dag, dat Oliver met zooveel genot had afgelegd, toen hij bij mijnheer Brownlow was; de Jood, die ze gekocht had, liet ze toevallig aan Fagin zien en bracht deze zóó voor 't eerst op het spoor van Oliver's verblijf.
„Trek dat mooie pakkie nou maar uit”, zei Charley.
„Ik zal 't wel aan Fagin geven om er op te passen. Wat 'n mop!”
De arme Oliver gehoorzaamde met tegenzin. Bates maakte een rolletje van de nieuwe kleeren, nam het onder zijn arm, ging de kamer uit en sloot de deur achter zich. Oliver bleef in donker achter.
Het geluid van Charley's lach en de stem van Miss Betsy, die juist van pas kwam om haar vriendin met koud water te besprenkelen en andere vrouwelijke zorgen te nemen om haar bij te brengen, zou menigeen wakker gehouden hebben, die in gelukkiger omstandigheden verkeerde dan Oliver. Maar hij was ziek en uitgeput en viel spoedig in een diepen slaap.
Het lot blijft Oliver ongunstig gestemd. Een groot man komt naar Londen om schade te doen aan zijn goeden naam.
In alle bloedige melodrama's op het tooneel is het gewoonte, tragische en comische scènes elkaar te doen afwisselen, even regelmatig als de reepen wit en rood in een goed doorregen zijde spek. De held zinkt ineen op zijn strooleger, bezwijkend onder het gewicht van ketenen en ongelukken; in het volgende tooneel vergast zijn trouwe schildknaap, die van niets weet, het publiek op een comisch liedje. Wij zien met jagenden boezem de heldin, in de macht van een trotschen en gewetenloozen baron, waar haar deugd en haar leven gelijkelijk gevaar loopen, een dolk trekken om de eene te beschermen ten koste van het andere en juist als onze verwachtingen ten hoogste gespannen zijn, klinkt er een fluitje en we worden, vóór wij 't weten, overgebracht naar de groote hal van het kasteel, waar een grijsharige drost een grappig liedje zingt met een nog grappiger troepje vasallen, die, zonder zich te storen aan de plaats waar ze zijn, zij 't een kerk of een paleis, gezamenlijk rondtrekken en voortdurend zingen.
Zulke overgangen schijnen dwaas, maar zij zijn niet zoo onnatuurlijk als zij op het eerste gezicht schijnen. De overgangen in het werkelijke leven van een welvoorziene tafel naar een sterfbed, van rouwgewaden naar feestkleederen, zijn niet minder verbijsterend; alleen nemen wij daar aan de handeling deel, in plaats van werkeloos toe te kijken, en dat maakt een groot onderscheid. De spelers op het tooneel van het leven hebben geen oog voor hevige overgangen en plotselinge aandoeningen van hartstocht of gevoel, die, vertoond voor de oogen van hen die bloot toeschouwers zijn, terstond veroordeeld worden als overdreven en ongerijmd.
Daar plotselinge veranderingen van tooneel en snelle veranderingen van tijd en plaats niet alleen door de traditie in boeken goedgekeurd worden, maar zelfs beschouwd worden als de hoogste kunst van den schrijver—door dergelijke critici wordt de bekwaamheid van een schrijver in zijn vak afgemeten naar den aard der dilemma's waarin hij zijn personen aan 't eind van elk hoofdstuk achterlaat—mag deze korte inleiding tot de verandering in mijn verhaal misschien overbodig heeten. Als dit zoo is, moet de lezer deze inleiding beschouwen als een kiesche aanduiding van den verhaler, dat hij op het punt staat terug te gaan naar de stad, waar Oliver Twist werd geboren; de lezer mag zich ervan overtuigd houden, dat er goede en geldige redenen bestaan die reis te doen, anders zou hij niet uitgenoodigd zijn, den tocht te ondernemen.
Mr. Bumble stapte vroeg in den morgen de poort van het armhuis uit en liep met statigen tred en in waardige houding de High Street door. Hij was in vol ornaat van zijn ambt als gemeentebode; zijn steek en zijn manteljas glommen in de morgenzon; de krachtige greep waarmee hij zijn wandelstok omklemde, drukte gezondheid en macht uit. Mr. Bumble droeg altijd het hoofd hoog, maar dezen morgen hield hij 't nog hooger dan gewoonlijk. Er was iets afgetrokkens in zijn oogen en iets waardigs in zijn houding, die een opmerkzaam vreemdeling er op hadden kunnen wijzen, hoe er gedachten in den geest van den bode omgingen, te groot om uitgesproken te worden.
Mr. Bumble bleef niet staan om een praatje te maken met de kleine winkeliers en anderen, die hem eerbiedig aanspraken als hij voorbijging. Hij beantwoordde alleen hun groet met een handwuiving en hield zijn deftigen tred niet in, vóór hij het Buitenhuis bereikt had, waar juffrouw Mann gemeentelijke zorg bewees aan de weeskinderen.
„De drommel zal dien bode halen!” zei juffrouw Mann, toen zij het welbekende gerammel aan het tuinpoortje hoorde. „Wat moet die nou weer zoo vroeg in den morgen?—Wel mijnheer Bumble, wie kon denken, dat u daar was! Maar 't doet me plezier, echt plezier! Kom in de kamer mijnheer, asjeblieft.”
De eerste woorden waren tot Suzanna gericht en de uitroepen van blijdschap tot Mr. Bumble, toen de goede vrouw het tuinpoortje had opengedaan en hem met veel eerbiedige zorg naar het huis geleidde.
„Juffrouw Mann,” zei Mr. Bumble—hij ging niet gewoon zitten of viel niet neer in een stoel, zooals de eerste de beste boerenslungel zou doen, maar liet zich langzaam en allengskens in een stoel neder—„juffrouw Mann, ik wensch u goedenmorgen.”
„En ik u ook, mijnheer,” antwoordde juffrouw Mann met veel glimlachjes, „en ik hoop, dat u 't goed maakt, mijnheer.”
„Zoo-zoo, juffrouw Mann,” antwoordde de bode. „Het leven van een gemeenteambtenaar is geen bed van rozen, juffrouw Mann.”
„Nee, dat is het zeker niet, mijnheer Bumble,” stemde de dame toe. En al de weeskindertjes zouden gerust met dit antwoord hebben kunnen instemmen, als zij het gehoord hadden.
„Het leven van een gemeentebode,” ging Mr. Bumble voort, terwijl hij met zijn stok op de tafel sloeg, „is een leven van moeite en van ergernis en van moed; maar alle publieke personen staan, als ik het zoo zeggen mag, bloot aan onaangenaamheden.”
Juffrouw Mann, die niet goed wist, waar de bode heen wilde, hief 't hoofd op met een blik van begrijpen en zuchtte.
„Ja! U mag wel zuchten, juffrouw Mann!” zei de bode.
Nu zij zag, dat zij goed had gedaan, zuchtte juffrouw Mann nog eens, klaarblijkelijk tot voldoening van den publieken persoon; deze onderdrukte een zelfvoldanen glimlach door strak naar zijn steek te kijken en zeide:
„Juffrouw Mann, ik ga naar Londen.”
„Lieve hemel, mijnheer Bumble!” riep juffrouw Mann, achteruitdeinzend.
„Naar Londen, juffrouw,” hernam de bode onbewogen, „met de diligence. Ik en twee armen uit ons huis, juffrouw Mann! Er is een zaak te behandelen over een gift en de Regenten hebben mij aangewezen—mij, juffrouw Mann—om in betrekking tot die zaak te getuigen vóór de driemaandelijksche zitting in Clerkenwell. En ik vraag mij ernstig af,” voegde Mr. Bumble er bij, de borst vooruit stekend, „of het hof van Clerkenwell niet, vóór ik uitgesproken heb, al ervan overtuigd zal zijn, zich op den verkeerden weg te bevinden.”
„O mijnheer, u moet ze niet al te hard behandelen,” vleide juffrouw Mann.
„De heeren van het Clerkenwell-hof hebben 't aan zichzelf te danken, juffrouw,” antwoordde Mr. Bumble, „en als het Clerkenwell-hof vindt, dat de zaak niet zoo loopt als zij verwacht hadden, dan hebben zij dat ook aan zichzelf te danken.”
Er lag zooveel vastberadenheid en doelbewustheid in de dreigende manier, waarop Mr. Bumble deze woorden uitstootte, dat juffrouw Mann er door overbluft scheen te zijn. Eindelijk zeide zij:
„Gaat u met de diligence, mijnheer? Ik dacht dat de armen altijd met een kar gingen?”
„Als ze ziek zijn, juffrouw Mann,” zei de bode. „De zieke armen leggen we op open karren in den regen, om te zorgen, dat ze geen kou vatten.”
„O!” zei juffrouw Mann.
„De diligence, die weer terugkomt, neemt deze twee mee voor weinig geld,” zei Mr. Bumble. „Ze zijn er allebei slecht aan toe en we hebben bedacht, dat het twee pond goedkooper komt, ze weg te brengen, dan ze te begraven—dat is te zeggen, als wij ze ten laste van een andere gemeente kunnen brengen, wat ik wel denk te kunnen klaarspelen. Wanneer zij ten minste niet, om ons te treiteren, onderweg sterven. Ha! ha! ha!”
Toen Mr. Bumble een poosje gelachen had, viel zijn blik opnieuw op den steek en hij werd ernstig.
„We vergeten de zaken, juffrouw,” zei de bode, „hier is uw toelage van de Gemeente voor deze maand.”
Mr. Bumble haalde uit zijn zakportefeuille wat zilvergeld te voorschijn, in papier, en vroeg een kwitantie, die door juffrouw Mann werd geschreven.
„Er zijn heel wat inktvlekken op, mijnheer,” zei de kinderverzorgster, „maar 't is toch in orde, geloof ik. Dank u, meneer Bumble, ik ben u zeer verplicht.”
Mr. Bumble knikte vriendelijk in antwoord op de beleefde woorden van juffrouw Mann en vroeg, hoe de kinderen het maakten.
„God zegene hun lieve kleine hartjes!” zei juffrouw Mann ontroerd, „ze zijn zoo goed als 't maar kan, de schatjes! Behalve natuurlijk de twee, die verleden week gestorven zijn. En kleine Dick.”
„Is die jongen nog niet beter?” vroeg Mr. Bumble.
Juffrouw Mann schudde het hoofd.
„'t Is een slechte, ziekelijke, koppige weesjongen,” zei Mr. Bumble boos. „Waar is hij?”
„Ik zal hem binnen een minuut hier brengen,” antwoordde juffrouw Mann. „Dick! kom hier!”
Na eenig geroep werd Dick gevonden. Nadat zijn gezicht onder de pomp was gehouden en aan de japon van juffrouw Mann afgedroogd, werd hij in de ontzagwekkende tegenwoordigheid van Mr. Bumble, den bode, gebracht.
Het kind was bleek en tenger, zijn wangen ingevallen en zijn oogen groot en schitterend. De armzalige armhuiskleeren, de livrei van zijn ellende, slobberden om zijn zwakke lichaampje; zijn armen en beenen waren weggeteerd als bij een ouden man.
Dit was het wezentje, dat stond te beven voor den blik van Mr. Bumble, zonder zijn oogen van den grond te durven opheffen en bang de stem van den bode te zullen hooren.
„Kan je die meneer niet aankijken, ondeugende jongen?” vroeg juffrouw Mann.
Het kind sloeg bedeesd zijn oogen op en ontmoette de oogen van Mr. Bumble.
„Wat mankeert er aan, Dick uit het armhuis?” vroeg Mr. Bumble, met een grappigheid, die zeer ter snede te pas werd gebracht.
„Niets mijnheer,” antwoordde het kind zwak.
„Dat zou ik ook denken,” zei juffrouw Mann, die natuurlijk hartelijk gelachen had om de grap van Mr. Bumble. „Jou mankeert niks, zou ik denken.”
„Ik wou zoo graag....” stamelde het kind.
„Hola!” viel juffrouw Mann in, „ga je nou toch zeggen, dat je wat noodig hebt? Jou klein misbaksel!”
„Stil juffrouw, stil!” zei de bode, met een vertoon van gezag zijn hand opheffend. „Wat wou je zoo graag? nou, vooruit!”
„Ik wou zoo graag,” stamelde het kind, „dat iemand, die schrijven kan, een paar woorden op een stuk papier wou zetten en 't dan wou dichtvouwen en lakken en 't voor mij wou bewaren als ik in de grond lig.”
„Wat? Wat wil de jongen?” riep Mr. Bumble uit, die, ofschoon hij gewend was aan zulke dingen, toch eenigszins onder den indruk kwam van de ernstige manier van doen en het vervallen uitzicht van het kind. „Wat bedoel je?”
„Ik wou zoo graag aan Oliver Twist zeggen, dat ik veel van hem houd,” zei het kind, „en dat ik dikwijls, als ik alleen was, heb zitten huilen, omdat hij zoo alleen rondzwerft in de donkere nachten, met niemand om hem te helpen. En ik wou hem ook zeggen,” voegde het kind er innig bij, zijn dunne handjes vouwend, „dat ik blij was te sterven, toen ik nog jong was; want als ik was blijven leven tot ik een man was, en oud was geworden, zou mijn zusje, die in den hemel is, mij misschien vergeten zijn of heel anders zijn dan ik, en 't zou veel prettiger wezen als we daar samen als kinderen waren.”
Mr. Bumble nam in onbeschrijflijke verbazing het kind van het hoofd tot de voeten op, en tot juffrouw Mann gewend, zeide hij: „Ze zijn allemaal hetzelfde. Die onbeschaamde Oliver heeft ze allemaal bedorven.”
„Ik kan m'n ooren haast niet gelooven!” zei juffrouw Mann met opgeheven handen en een boozen blik naar het kind. „Ik heb nog nooit zoo'n verstokte booswicht gezien.”
„Breng hem weg, juffrouw Mann!” zei Mr. Bumble bevelend. „Hier moeten de Regenten van in kennis worden gesteld, juffrouw.”
„Als de heeren maar begrijpen, dat ik het niet helpen kan,” klaagde juffrouw Mann patetisch.
„Dat zullen ze begrijpen, juffrouw, ze zullen ingelicht worden omtrent den waren stand van zaken,” zei Mr. Bumble. „En breng hem nu weg; ik word er ziek van als ik hem aanzie.”
Dick werd dadelijk weggebracht en in het kolenhok opgesloten. Een oogenblik later nam ook Mr. Bumble afscheid om aanstalten te gaan maken voor zijn reis.
Den volgenden morgen om zes uur nam Mr. Bumble, die zijn steek voor een ronden hoed had verwisseld en zijn gewichtige persoonlijkheid in een blauwe manteljas met pelerine had gehuld, buiten op de diligence plaats met de twee stakkers, wier toelage geschil opleverde; op den bepaalden tijd kwam hij in Londen aan. Onderweg ondervond hij geen andere onaangenaamheden, dan door het slechte gedrag van de twee armen, die voortdurend bibberden en over kou klaagden op een manier, die Mr. Bumble zelf deed klappertanden en hem een onprettig gevoel gaf, ofschoon hij een manteljas aan had.
Nadat hij deze boosaardige schepsels een onderkomen had bezorgd voor den nacht, ging hij de herberg binnen waar de diligence stilhield en bestelde een eenvoudig middagmaal van biefstuk, oestersaus en porter-bier.
Daarna zette hij een glas heete jenevergroc op den schoorsteenmantel en trok zijn stoel voor het vuur; na verschillende zedelijke overpeinzingen over het toenemen der zonde van ontevredenheid en lust tot klagen, maakte hij zich gereed, de courant te lezen.
Het eerste waar zijn oog op viel, was de volgende advertentie:
Vijf guineas belooning.
„Hierbij wordt er de aandacht op gevestigd, dat een jongen, genaamd Oliver Twist, op Donderdagavond l. l. van zijn huis in Pentonville vluchtte of werd opgelicht; sedert werd niets meer van hem vernomen. Bovenstaande belooning wordt uitbetaald aan den persoon, die in staat is, zoodanige inlichtingen te geven als zullen leiden tot de opsporing van genoemden Oliver Twist, of eenig licht kunnen werpen op zijn vroeger leven, waarin steller dezes om verschillende redenen levendig belang stelt.”
Hierna volgde een volledige beschrijving van Oliver's kleeding, gestalte, uiterlijk en verdwijning, met den naam en het adres van Mr. Brownlow voluit.
Mr. Bumble sperde zijn oogen open, las de advertentie langzaam en aandachtig drie keer over en was vijf minuten later op weg naar Pentonville; in zijn opwinding had hij zelfs het glas jenevergroc onaangeroerd gelaten.
„Is mijnheer Brownlow thuis?” vroeg Mr. Bumble aan het dienstmeisje, dat opendeed.
Op deze vraag gaf het meisje het niet ongewone maar ontwijkende antwoord: „Ik weet niet; waar komt u vandaan?”
Nauwelijks noemde Mr. Bumble Oliver's naam als doel van zijn komst, of juffrouw Bedwin, die in de huiskamerdeur had staan luisteren, schoot buiten adem de gang in.
„Kom binnen.... kom binnen,” zei de oude dame; „ik wist wel, dat we van hem zouden hooren. Arme lieve jongen! Ik wist 't wel! Ik wist 't zeker. Och, dat lieve hartje. Ik heb 't altijd wel gezegd.”
Toen zij dit gezegd had, liep de waardige oude dame haastig terug in de huiskamer, viel op een sofa neer en barstte in tranen uit. Het dienstmeisje, dat niet zoo gevoelig was, was intusschen vlug naar boven geloopen en kwam terug met het verzoek aan Mr. Bumble, haar dadelijk te volgen; waar hij aan voldeed.
Hij werd in de kleine achter-studeerkamer gelaten, waar de heer Brownlow en zijn vriend Grimwig bij elkaar zaten met een karaf en glazen vóór zich. De laatste riep dadelijk uit:
„Een bode! Een gemeentebode, of ik wil mijn hoofd opeten!”
„Toe! val hem nu niet in de rede,” zei de heer Brownlow. „Ga zitten, wil je?”
Mr. Bumble ging zitten, geheel in de war gebracht door de vreemde manier van doen van den heer Grimwig.
De heer Brownlow verzette de lamp, zoodat hij Bumble goed in 't gezicht kon zien en zei met eenig ongeduld:
„Dus u komt ten gevolge van de advertentie?”
„Ja mijnheer,” zei Mr. Bumble.
„En u bent gemeentebode nietwaar?” vroeg de heer Grimwig.
„Ja heeren, dat ben ik,” stemde Mr. Bumble met trots toe.
„Zie je wel,” fluisterde de heer Grimwig zijn vriend in, „dat wist ik. Op en top een gemeentebode!”
De heer Brownlow schudde zachtjes zijn hoofd om zijn vriend tot stilte te vermanen en hernam:
„Weet u waar de arme jongen op 't oogenblik is?”
„Net zoo min als niemand ter wereld,” antwoordde Mr. Bumble.
„Wat weet u dan van hem?” vroeg de oude heer. „Spreek vriend, als je iets te zeggen hebt. Wat weet u van hem?”
„Je weet toch bij geval niets goeds van hem?” vroeg de heer Grimwig ijverig, nadat hij Mr. Bumble's gezicht met aandacht bekeken had.
Mr. Bumble ging gretig op deze vraag in en schudde zijn hoofd met onheilspellende plechtigheid.
„Zie je?” zei de heer Grimwig met een triomfantelijken blik naar den heer Brownlow.
Brownlow keek eenigszins ongerust naar het opgeblazen gezicht van Mr. Bumble en verzocht hem, met zoo weinig mogelijk woorden te berichten, wat hij omtrent Oliver wist.
Mr. Bumble zette zijn hoed af, knoopte zijn jas open, sloeg zijn armen over elkaar, boog nadenkend zijn hoofd, en na een paar minuten gepeinsd te hebben, begon hij zijn verhaal.
Het zou vervelend zijn, het in Bumble's woorden weer te geven, want het nam twintig minuten om het te vertellen, maar de slotsom ervan bleek te zijn, dat Oliver een vondeling was, geboren uit gemeene, misdadige ouders. Dat hij van zijn geboorte af geen betere eigenschappen had getoond dan onoprechtheid, ondankbaarheid en lust in kwaaddoen. Dat hij zijn korte loopbaan in zijn geboorteplaats beëindigd had door een woesten, lafhartigen aanval te doen op een jongen, die hem niets in den weg had gelegd en in den nacht weg was geloopen uit zijn meesters huis. Ten bewijze, dat hij werkelijk de persoon was, waarvoor hij zich uitgaf, spreidde Mr. Bumble de papieren op tafel, die hij naar Londen had meegebracht en wachtte met over elkaar geslagen armen de opmerkingen van den heer Brownlow af.
„Ik vrees, dat het alles maar al te waar is,” zeide de oude heer verdrietig, toen hij de papieren had ingekeken. „Hier is de kleinigheid voor uw moeite; ik zou graag driemaal zooveel hebben gegeven, als uw inlichtingen gunstig voor den jongen waren geweest.”
Het is niet onwaarschijnlijk, dat, als Mr. Bumble dit wat vroeger in het gesprek had vernomen, hij zijn verhaal heel anders gekleurd zou hebben. Maar hier was het nu te laat voor, dus schudde hij ernstig zijn hoofd, stak de vijf guineas in zijn zak en ging heen.
De heer Brownlow liep eenige minuten de kamer op en neer; klaarblijkelijk was hij zoo getroffen door het verhaal van den bode, dat zelfs Mr. Grimwig hem niet verder durfde plagen.
Eindelijk bleef bij staan en trok heftig aan de bel.
„Juffrouw Bedwin,” zei de heer Brownlow, toen de huishoudster binnenkwam, „die jongen, die Oliver, is een bedrieger.”
„Dat kan niet, mijnheer. Dat kan niet,” zei de oude dame beslist.
„Ik zeg je, dat het zoo is,” zei de oude heer scherp.
„Wat wil je zeggen met dat: 't kan niet? We hebben juist een volledig relaas over hem gehoord van zijn geboorte af; hij is zijn leven lang een doortrapte kleine deugniet geweest.”
„Ik zal 't nooit gelooven, mijnheer,” antwoordde de oude dame dapper. „Nooit!”
„Jullie ouwe wijven gelooven nooit iets anders als kwakzalvers en boeken met leugen-verhalen,” snauwde de heer Grimwig. „Dat wist ik al lang. Waarom heb je niet dadelijk naar mijn raad geluisterd; als hij maar geen koorts had gehad, zou je 't wel gedaan hebben, niet? Hij was interessant hè? Interessant! Bah!”
En de heer Grimwig begon heftig in het vuur te poken.
„Hij was een lieve, dankbare, gevoelige jongen, mijnheer,” viel juffrouw Bedwin verontwaardigd uit. „Ik weet wat kinderen zijn, ik heb veertig jaar lang met ze omgegaan en menschen, die dat niet kunnen zeggen, moesten er liever niet over meepraten. Zoo denk ik er over!”
Dit was een steek op den heer Grimwig, die vrijgezel was. Toen de oude heer er alleen met een glimlach op antwoordde, schudde de oude dame haar hoofd en streek haar schort glad om een nieuwe toespraak te beginnen, doch de heer Brownlow hield haar tegen.
„Stilte!” zei de oude heer, met een vertoon van boosheid, die hij in 't minst niet voelde. „Laat mij nooit meer den naam van den jongen hooren. Ik heb gescheld om u dat te zeggen. Nooit. Nooit, onder welk voorwendsel ook, denk daarom! U kunt heengaan, juffrouw Bedwin. Denk om wat ik gezegd heb. Ik meen het in ernst.”
Dien avond waren er droeve harten in het huis van den heer Brownlow.
Ook Oliver voelde zijn hart bezwaard, wanneer hij aan zijn lieve, goede vrienden dacht; gelukkig voor hem, dat hij niet kon weten, wat zij gehoord hadden; anders zou zijn hart gebroken zijn.
Hoe Oliver zijn tijd doorbracht in het verheffende gezelschap van zijn eerbiedwaardige vrienden.
Den volgenden dag tegen den middag, toen de Vos en Charley Bates uit waren gegaan om hun gewone vak uit te oefenen, nam Fagin de gelegenheid waar, Oliver de les te lezen over de ten-hemel-schreiende zonde der ondankbaarheid, waaraan hij duidelijk verklaarde, dat Oliver zich in buitengewone mate had schuldig gemaakt door zich willens en wetens aan het gezelschap van zijn bezorgde vrienden te onttrekken en nog meer door zijn poging, van hen weg te loopen, nadat zooveel moeite en kosten waren besteed om hem te vinden. Fagin legde er grooten nadruk op, dat hij Oliver had opgenomen en verzorgd, toen hij (Oliver) zonder die tijdige hulp, gevaar liep van honger om te komen; en hij vertelde de verschrikkelijke en aangrijpende geschiedenis van een jongen, dien hij (Fagin) met zijn gewone liefdadigheid onder gelijke omstandigheden verzorgd had, maar die zich zijn vertrouwen onwaardig had getoond; die jongen had neiging getoond zich met de politie in verbinding te stellen en was ongelukkigerwijs op een morgen opgehangen in Old Bailey. Mr. Fagin deed geen moeite te verbergen, welk aandeel hijzelf in dezen ongelukkigen afloop had gehad, maar betreurde het met tranen in de oogen, dat de domme en verraderlijke handelwijze van het jongemensch in kwestie een zekere getuigenis had uitgelokt, die, al was zij niet precies waar, onvermijdelijk was geworden ter wille der veiligheid van Fagin en enkele eerbiedwaardige vrienden. Mr. Fagin besloot met een ietwat onplezierige schildering te geven van de onaangenaamheden, die hangen meebracht en drukte met groote vriendelijkheid en beleefdheid zijn vurige hoop uit, dat hij nooit in de noodzakelijkheid zou komen, Oliver Twist aan die minder prettige kunstbewerking bloot te stellen.
Terwijl Oliver naar de woorden van den Jood luisterde en vaag begreep, welke donkere bedreigingen zij inhielden, kreeg hij een gevoel of het bloed hem in de aderen stolde. Dat het mogelijk was, zelfs voor het gerecht, onschuldigen en schuldigen te verwarren, wanneer zij toevallig in elkaars gezelschap waren, wist hij reeds, en wanneer hij bedacht van welken aard in het algemeen de woordenwisselingen waren tusschen den ouden Jood en Sikes, leek het hem in 't geheel niet onwaarschijnlijk, dat Fagin bij meer dan één gelegenheid geheimzinnige plannen had gesmeed en ten uitvoer gebracht, om personen, die te veel wisten of te veel babbelden, uit den weg te ruimen. Die woordenwisselingen schenen betrekking te hebben op een of andere dergelijke samenzwering in het verleden. Toen hij schuchter opkeek en den onderzoekenden blik van den Jood ontmoette, voelde hij, dat deze waardige oude heer de bleekheid van zijn gezicht en het beven van zijn handen en voeten niet zonder innerlijke voldoening opmerkte.
De Jood glimlachte grijnzend; hij streek Oliver over het hoofd en zei, dat zij nog heel goede vrienden zouden worden, wanneer Oliver zich bedaard hield en zich op het werk toelegde. Toen nam hij zijn hoed, sloeg een oude gelapte manteljas om en ging heen, de deur achter zich dichtsluitend.
En zoo bleef Oliver dien dag en de meeste van vele volgende dagen achter, zonder iemand te zien tusschen vroeg in den morgen en laat in den nacht en was gedurende die lange uren aan zijn eigen gedachten overgelaten; en deze, die altijd weer naar zijn goede vrienden terugdwaalden en naar het oordeel, dat zij zich over hem moesten gevormd hebben, waren van treurigen aard.
Na verloop van een week ongeveer sloot de Jood de kamerdeur niet meer af en Oliver was vrij, door het huis te dwalen.
Het was er vreeselijk vuil. De bovenkamers hadden groote houten schoorsteenmantels en breede deuren, betimmerde wanden en geplafoneerde zolderingen, die, ofschoon zwart door verwaarloozing en stof, op verschillende wijze versierd waren; uit al deze teekens maakte Oliver op, dat het huis lang geleden, voordat de oude Jood geboren werd, aan welgestelde menschen had behoord en er toen misschien vroolijk en vriendelijk had uitgezien, hoe vervallen en verschrikkelijk het nu ook was geworden. Spinnen hadden hun webben gemaakt in de hoeken van de muren en zolderingen; soms, als Oliver zachtjes een kamer binnenkwam, schoten de muizen over den grond en verdwenen verschrikt in hun holletje. De muizen en spinnen uitgezonderd, was er geen levend wezen te bekennen; dikwijls, als het donker werd en hij was moe van het loopen door de kamers, placht hij neer te hurken in den hoek van de gang bij de straatdeur, om ten minste zoo dicht mogelijk in de buurt van levende menschen te zijn; daar bleef hij dan zitten, terwijl hij al luisterend de uren telde, tot de Jood of de jongens terugkwamen.
In alle kamers waren de vermolmde luiken stijf gesloten; de boomen, die ze dichthielden, waren in het hout gedrukt; het eenige licht, dat toegang vond, sloop binnen door de gaten boven in de luiken; door dit licht leken de kamers nog somberder en vol geheimzinnige schaduwen. Aan den achterkant was een dakraampje met roestige tralies aan den buitenkant, maar zonder luik. Oliver zat hier dikwijls uren achtereen met een verdrietig gezicht uit te kijken; maar er was niets te ontdekken als een warrelige massa daken, zwartberookte schoorsteenen en geveltoppen. Soms kwam wel eens boven in een verwijderd huis een schimachtig hoofd te zien, maar het verdween altijd dadelijk weer, en daar het raam van Oliver's uitkijkplaats dichtgespijkerd was, en dof door regen en rook, was alles wat hij doen kon de vormen van de dingen buiten trachten na te gaan, zonder een poging aan te wenden om gezien of gehoord te worden—waar trouwens evenveel kans op was, als wanneer hij binnen in den bal op de St. Pauluskerk had gewoond.
Op een middag, toen de Vos en jongeheer Bates bezigheden hadden voor den avond, kreeg eerstgenoemde het in zijn hoofd, eenige zorg aan zijn uiterlijke persoon te besteden (men moet hem de eer geven, dat hij gewoonlijk niet leed aan deze zwakheid), en met dit doel voor oogen, verwaardigde hij zich, Oliver rechtaf te bevelen, hem bij zijn toilet behulpzaam te zijn.
Oliver was zoo blij, dat hij zich nuttig kon maken, zoo gelukkig, een paar gezichten te zien, al waren ze nog zoo terugstootend en zóó verlangend de menschen om hem heen genoegen te doen, wanneer hij dit in eerlijkheid doen kon, dat hij geen enkele tegenwerping tegen dit voorstel inbracht. Dus verklaarde hij zich terstond bereid, knielde op den grond, terwijl de Vos op de tafel zat, zoodat deze zijn voet op Oliver's schoot kon zetten, en zette zich met ijver aan een kunstbewerking, die jongeheer Dawkins: „schoonmaak van de pootenwagen” noemde. Wat in gewone taal overgebracht, schoenpoetsen beteekende.