De Tocht.
Toen zij op straat kwamen, was het een sombere morgen; harde regen en wind en jagende donkere wolken. Er was 's nachts veel regen gevallen, op straat stonden groote plassen en de goten liepen over. In de lucht scheen een bleeke glans van den aanbrekenden dag, doch deze maakte de omgeving eer somberder dan vroolijker; het flauwe licht diende alleen om dat van de straatlantaarns bleeker te maken, zonder aan de natte daken of sombere straten een warme of vroolijke tint te verleenen. Niemand scheen op te zijn in dit stadsgedeelte; de ramen van de huizen waren alle gesloten en de straten, waar zij doorgingen, stil en leeg.
Toen zij de Bethnal Green Road insloegen, brak de dag geheel aan. Verscheidene straatlantaarns waren reeds gedoofd, enkele boerenwagens kwamen langzaam aanzwoegen in de richting van Londen en nu en dan ratelde een diligence, bedekt met modder, hard voorbij; de postiljon diende in het voorbijrijden den voerman van den zwaren vrachtkar een vermanenden zweepslag toe, daar deze, door den verkeerden kant van den weg te houden, de postkoets in gevaar bracht, een vierde van een minuut over zijn tijd te komen. De herbergen, waar 't gaslicht nog brandde, waren al open. Langzamerhand begonnen de winkels open te gaan en een enkele voorbijganger kwam hen tegen. Dan volgden verspreide groepen werklieden, die naar hun werk gingen; toen mannen en vrouwen met vischmanden op hun hoofd; ezelwagens, beladen met groente; tweewielige karretjes, waarin levend gevogelte of geslacht vleesch; boerinnen met melkemmers, een ononderbroken menschenstoet, die met verschillende artikelen optrok naar de oostelijke voorsteden van Londen. Terwijl zij de city naderden, groeiden het lawaai en het gewoel gestadig aan; toen zij de straten inliepen tusschen Shoreditch en Smithfield, was het gezwollen tot een loeiend geraas. Het was nu zoo licht als het waarschijnlijk blijven zou tot de avond opnieuw viel: de werkochtend van de helft der Londensche bevolking was begonnen.
Langs Sun Street en Crown Street, en over Finsbury Square ging Mr. Sikes door Chiswell Street naar Barbican; vandaar naar Long Lane en zoo naar Smithfield; hier klonk een geraas van de meest verschillende geluiden, dat Oliver Twist met verbazing vervulde.
Het was marktdag. Men zakte tot aan de enkels in het vuil en de modder, waarmee de grond bedekt was; uit de wasemende lichamen van het vee steeg een dichte damp op, die zich met den mist vermengde en zwaar hangen bleef boven de schoorsteenen.
Alle vaste hokken in het midden van de wijde marktplaats en alle tijdelijke, die men op de open ruimte had kunnen opslaan, waren vol schapen; lange rijen van ossen en koeien, drie of vier naast elkaar, stonden aan palen gebonden.
Boeren, slagers, veedrijvers, marskramers, jongens, dieven, leegloopers en zwervers van de allerlaagste soort wriemelden door elkaar; het gefluit van de drijvers, 't hondengeblaf, het loeien en stampen der ossen, het blaten van schapen, het knorren en gillen van varkens, geroep van marskramers, geschreeuw, gevloek en getwist aan alle kanten; het luiden der klokken en het stemmengerucht, dat uit iedere herberg kwam; dringen, stooten, jagen, ranselen, jouwen en schreeuwen; het leelijke onwelluidende rumoer op elken hoek van de markt en de ongewasschen, ongeschoren, vuile gedaanten die onophoudelijk heen en weer renden, nu eens in het gewoel verdwijnend, dan er weer uit te voorschijn komend, dit alles schiep een verbijsterend tooneel, waarin zich de zinnen verwarden.
Mr. Sikes, Oliver achter zich meetrekkend, baande zich met elboogstooten een weg door de dichtste menigte, en gaf weinig aandacht aan al wat er te zien en te hooren was en dat den jongen zoo verbijsterde. Hij knikte twee of driemaal naar een vriend, dien ze passeerden en wees evenveel uitnoodigingen af om een morgenborrel te nemen; steeds ging hij voort, tot zij het tumult achter zich hadden en door Hosier Lane in Holborn waren gekomen.
„Nou jong!” zei Sikes met een blik op de klok van de St. Andries-kerk, „bij zevenen! je moet doorstappen. Kom, luiwammes, blijf je nou al achter?”
Sikes deed deze toespraak vergezeld gaan van een ruk aan den pols van zijn kleinen metgezel; Oliver verhaastte zijn schreden tot een soort van draf, die het midden hield tusschen vlug loopen en hollen en hield zóó de snelle stappen van den inbreker zoo goed mogelijk bij. Ze gingen op deze manier voort, tot zij den hoek bij Hyde Park waren omgeslagen en op weg naar Kensington; toen hield Sikes zijn stappen in, om zich door een leege kar, die hen achterop reed, te laten inhalen. Toen hij zag dat er Hounslow op stond, vroeg hij, zoo beleefd als hem mogelijk was, aan den voerman, of zij tot Isleworth mee mochten rijden.
„Stap maar in,” zei de man. „Is dat je jongen?”
„Ja, 't is mijn jongen,” antwoordde Sikes, terwijl hij Oliver strak aankeek en als toevallig zijn hand in den zak met het pistool stak.
„Je vader loopt wel een beetje gauw voor je, is 't niet mannetje?” vroeg de voerman, die zag, dat Oliver buiten adem was.
„Heelemaal niet,” viel Sikes in. „Hij is er aan gewend. Hier Ned, hou m'n hand vast. En stap in.”
Met deze woorden hielp hij Oliver op de kar; de voerman wees naar een hoop zakken en beduidde hun, daarop te gaan liggen om uit te rusten.
Terwijl zij de verschillende mijlpalen voorbij reden, vroeg Oliver zich àl meer verwonderd af, waar zijn metgezel hem toch heenbracht. Kensington, Hammersmith Chiswick, Kew Bridge, Brentford lagen al achter hen en nog gingen zij gestadig voort, alsof zij hun reis pas begonnen waren. Eindelijk kwamen zij aan een herberg, die „de Koets met de Paarden” heette; dicht daarbij scheen een zijweg te zijn. En hier hield de kar stil.
Sikes stapte haastig uit, Oliver steeds bij de hand houdend; hij tilde hem uit de kar, wierp hem een woedenden blik toe en klopte met zijn vuist veelbeteekenend op zijn zij zak.
„Goeiendag jongen,” zei de man.
„'t Is een botterik,” zei Sikes, en gaf een ruk aan Oliver's arm, „'t is 'n botterik. Een jonge hond! Let maar niet op hem.”
„Mij best!” zei de ander, weer op zijn kar stappend. „'t Is anders mooi weer.” En hij reed weg.
Sikes wachtte tot hij uit het gezicht was; toen zei hij aan Oliver, dat hij hem nog eens na mocht kijken als hij er lust in had en voerde hem verder mee op zijn tocht.
Een eindje voorbij de herberg sloegen zij links af toen weer rechts en liepen een eind voort langs verscheidene groote tuinen en villa's aan weerskanten van den weg; ze hielden zich alleen op om een glas bier te drinken, overigens liepen zij door tot zij in een stad kwamen. Op den muur van een huis las Oliver met groote letters: „Hampton.” Eenige uren lang dwaalden zij door de velden. Eindelijk kwamen zij terug in de stad, gingen een oude herberg met een verweerd uithangbord binnen en bestelden bij het keukenvuur iets te eten. De keuken was een oud, laag vertrek, midden over de zoldering liep een dikke balk en bij het vuur stonden banken met hooge ruggen; hierop zaten eenige ruwe kerels in blauwe kielen te rooken en te drinken. Zij letten in 't geheel niet op Oliver en weinig op Sikes en daar Sikes weinig op hen lette, zaten hij en zijn jonge metgezel alleen in een hoek, zonder veel last van het gezelschap te hebben.
Als middagmaal kregen ze wat koud vleesch; daarna bleven ze zoo lang zitten, terwijl Sikes drie of vier pijpen rookte, dat Oliver begon te begrijpen, hoe ze niet verder zouden gaan. Daar hij doodmoe was van de wandeling en het vroege opstaan, dommelde hij eerst een beetje; daarna, geheel versuft door vermoeidheid en tabaksrook, viel hij in slaap.
Het was donker, toen een stomp van Sikes hem wakker maakte. Nadat hij genoeg bekomen was, om rechtop te gaan zitten en om zich heen te zien, zag hij den waardigen man in druk en vertrouwelijk gesprek met een boer, over een glas ale zitten.
„Zoo, dus je gaat naar Lower Halliford?” vroeg Sikes.
„Ja”, antwoordde de man, die een beetje te veel gedronken scheen te hebben, „en niet langzaam ook. Mijn paard heeft op den terugweg geen vracht achter zich zooals vanmorgen, toen we naar stad reden, en hij zal er niet lang over doen. Ik drink op z'n gezondheid! 't Is 'n best beest.”
„Kan je mij en mijn jongen zoo ver meenemen?” vroeg Sikes, de ale naar zijn nieuwen vriend toeschuivend.
„Dan moet je dadelijk opbreken,” antwoordde de man over zijn bierpot heen. „Ga je naar Halliford?”
„Nee naar Shepperton,” antwoordde Sikes.
„Ik ben je man zoo ver als ik ga,” antwoordde de ander.
„Is alles betaald, Becky?”
„Ja, die andere meneer heeft betaald,” antwoordde het meisje.
„Nee,” zei de man, met dronkemans ernst, „dat gaat niet.”
„Waarom niet?” vroeg Sikes. „Jij neemt ons zoo ver mee, dan mag ik in ruil toch wel die paar borrels betalen?”
De vreemdeling dacht met een diepzinnig gezicht over deze redeneering na, toen nam hij Sikes' hand en verklaarde, dat deze waarachtig een goeie kerel was, waarop Mr. Sikes antwoordde, dat hij hem voor den gek hield; als de man nuchter was geweest, zou er alle reden zijn geweest, dit te denken.
Nadat nog enkele complimenten gewisseld waren, wenschten zij het gezelschap goedenavond en gingen naar buiten; het meisje ruimde onderwijl de glazen en kannen op en bleef met haar handen vol in de deur staan om de gasten weg te zien rijden.
Het paard, op wiens gezondheid was gedronken, stond buiten voor de kar gespannen. Oliver en Sikes stapten zonder verdere plichtplegingen in; de eigenaar van het paard bleef nog een paar minuten treuzelen om het dier „op te kammen” en den stalknecht met de heele wereld uit te dagen, zijn gelijke te vertoonen; daarna stapte hij op de kar. De stalknecht kreeg bevel, het paard vrij te laten, toen dat gebeurd was, maakte het dier een heel onbehoorlijk gebruik van die vrijheid; het gooide zijn kop met veel trots in de lucht en liep aan den overkant van den weg eenige ruiten in; na deze heldendaad verhief het zich een oogenblik op zijn achterpooten en holde in gestrekten draf weg, als een edel ros de stad uit rennend.
De avond was zeer donker. Uit de rivier en den moerassigen grond steeg vochtige damp op, die zich over de verlaten velden verspreidde. Het was vinnig koud, alles was somber en zwart. Er werd geen woord gesproken, want de voerman was slaperig geworden en Sikes was niet in de stemming om een gesprek te voeren. Oliver zat in elkaar gedoken in een hoek van de kar; angstige voorgevoelens kwelden hem en zijn verbeelding zag vreemde gedaanten in de reusachtige boomen, die woest met hun takken zwaaiden, alsof zij een of andere geheimzinnige vreugde vonden in de verlatenheid van dat oord.
Toen zij Sunbury Church voorbijreden, sloeg de klok zeven. Voor het raam van het veerhuis aan den overkant brandde licht, dat uitscheen over den weg; een donkere iepenboom, waaronder een paar graven lagen, kwam door dit licht in nog somberder schaduw. Niet veraf klonk een eentonig geluid van vallend water en de bladeren van den ouden boom trilden zachtjes in den nachtwind. Het scheen vriendelijke muziek voor de rust van de dooden.
Sunbury lag achter hen en zij kwamen weer op den eenzamen weg. Twee of drie mijlen verder hield de kar stil. Sikes stapte uit, nam Oliver bij de hand en weer liepen ze voort.
Ze gingen in Shepperton geen huis binnen, zooals de doodmoede jongen gedacht had, maar bleven voortloopen door slijk en duisternis, door sombere laantjes en over koude open vlakten, totdat zij op kleinen afstand de lichten van een stad zagen. Toen hij ingespannen voor zich uitkeek, zag Oliver, dat het water juist onder hen was en dat zij vlak bij een brug waren.
Sikes liep recht door, totdat zij bijna op de brug waren, toen keerde hij zich plotseling linksom naar den oever.
„Het water!” dacht Oliver, dol van angst. „Hij heeft me naar deze eenzame plek gebracht om me te vermoorden!” Hij stond op het punt zich op den grond te laten vallen en ten minste eens voor zijn jonge leven te strijden, toen hij zag dat ze voor een eenzaam huis stonden, geheel verwaarloosd en bouwvallig. Aan elken kant van de verzakte deur was een raam; het huis had één verdieping, maar nergens was licht te zien. Het gebouw was donker, ontredderd en naar alle waarschijnlijkheid onbewoond. Sikes, met Oliver's hand steeds in de zijne, ging zachtjes naar de lage deur en lichtte de klink op. De deur gaf mee en ze gingen te zamen binnen.
De inbraak.
„Hallo!” riep een luide, schorre stem, zoodra zij hun voeten in de gang hadden gezet.
„Maak niet zoo'n kabaal,” zeide Sikes, terwijl hij de deur grendelde. „Geef 'n lichie, Tom.”
„Aha! m'n kameraad!” riep dezelfde stem. „'n Lichie Barney, 'n lichie! Laat de heeren binnen, Barney; maar word eerst wakker, als 't je hetzelfde is.”
De spreker scheen een laarzenknecht of een ander dergelijk artikel naar den toegesproken persoon te smijten om hem uit zijn sluimering te wekken, want men hoorde het geluid van een houten voorwerp, dat hard neerkwam, en dan een onverstaanbaar gemompel, als van iemand tusschen slapen en waken.
„Hoor je niet?” riep dezelfde stem. „Bill Sikes staat in de gang en er is niemand om hem te ontvangen, en jij zit te slapen of je bij je eten laudanum gezopen hebt inplaats van wat sterkers. Ben je nou frisch of wil je den ijzeren kandelaar naar je kop hebben om heelemaal wakker te worden?”
Op deze vraag schuifelden een paar voeten in pantoffels haastig over den naakten vloer van de kamer en uit de deur rechts kwam eerst een zwakke kaarslichtschijn te voorschijn en toen de gestalte van denzelfden man, dien wij tevoren hebben leeren kennen als door zijn neus sprekend en die dienst deed als kellner in de herberg van Saffron Hill.
„Beheer Sikes!” riep Barney met echte of gehuichelde vreugde; „kod binnen beheer, kod binnen!”
„Hier! jij eerst,” zei Sikes, Oliver vóór zich uitduwend. „Gauw! of ik trap je op je hielen.”
Met een vloek om zijn aarzelen, stompte Sikes Oliver naar binnen; ze kwamen in een lage, donkere kamer met een rookend vuur, twee of drie kapotte stoelen, een tafel en een oud bed; hierop, met zijn beenen veel hooger dan zijn hoofd, lag een man in zijn volle lengte uitgestrekt, een lange steenen pijp te rooken. Hij had een goed gemaakte tabakskleurige jas aan met groote koperen, knoopen, een oranje halsdoek, een grof, bontkleurig vest en een gele broek. Mr. Crackit (want die was het) had niet veel haar, noch op zijn hoofd, noch op zijn gezicht, maar wat hij had, was rossig en in lange kurkentrekkerachtige krullen gedraaid, waardoor hij nu en dan zijn smerige vingers haalde, aan die vingers prijkten groote namaakringen. Hij was iets boven de middelmatige lengte en blijkbaar eenigszins zwak op zijn beenen; doch deze omstandigheid deed niets af aan zijn eigen bewondering voor zijn kaplaarzen, die hij van uit de laagte met levendige voldoening bekeek.
„Bill, beste kerel!” zei deze gedaante, terwijl hij zijn hoofd naar de deur wendde. „Blij je te zien. Ik was al bang, dat je 't opgaf; in dat geval had ik zelf een kansje gewaagd. Hallo!”
Mr. Toby Crackit deed dezen uitroep in de hoogste verwondering, toen zijn oog op Oliver viel; hij ging rechtop zitten en vroeg wie 't was.
„De jongen maar!” antwoordde Sikes en trok een stoel bij het vuur.
„Eén van beheer Fagin's jongens,” riep Barney met een grijns.
„Van Fagin, zoo!” riep Toby uit, terwijl hij naar Oliver keek. „Wat 'n prachtige jongen voor de zakken van de oude dames in de kerk!
In dat smoel van 'm zit 'n fortuin.”
„Nou ja—al genoeg,” viel Sikes ongeduldig in; hij boog zich over zijn liggenden vriend heen en fluisterde hem een paar woorden in 't oor, waarop Mr. Crackit geweldig begon te lachen en Oliver vereerde met een langen blik van verwondering.
„Nou,” zei Sikes, terwijl hij weer ging zitten „als je ons wat te eten en te drinken wilt geven, terwijl we wachten, steek je ons een riem onder 't hart; mij ten minste. Kom bij 't vuur zitten, jongen, en rust uit, want je moet er van avond weer met ons op uit, al is 't niet ver.”
Oliver keek Sikes in stomme, angstige verbazing aan; hij trok een stoel bij 't vuur en zat daar met het pijnlijke hoofd in de handen, zich nauwelijks bewust waar hij was of wat er om hem heen gebeurde.
„Asjeblieft!” zei Toby, terwijl de jonge Jood wat etenskliekjes en een flesch op tafel zette, „op 't lukken van de zaak!”
Hij stond op ter eere van de toast, borg voorzichtig zijn leege pijp in een hoek, kwam bij de tafel, vulde een glas met drank en dronk het leeg. Sikes deed hetzelfde.
„Een druppel voor de jongen,” zei Toby en schonk een wijnglas half vol. „Drink op, onschuld.”
„Ik,” wierp Oliver tegen met een klagelijken blik op het gezicht van den man, „gerust, ik—”
„Vooruit!” hield Toby aan. „Denk je, dat ik niet weet wat goed voor je is? Zeg, dat hij 't drinkt, Bill.”
„'t Zou wel zoo goed zijn!” zei Sikes, met zijn hand op zijn zak kloppend. „De duivel mag me halen, als hij niet meer last geeft dan een heele familie Vossen. Drink, leelijke dwerg, drink op!”
Verschrikt door de dreigende gebaren van de beide mannen, dronk Oliver haastig den inhoud van het glas op en kreeg dadelijk een hevige hoestbui, waar Toby Crackit en Barney om schaterden en zelfs de norsche Sikes om glimlachte.
Toen dit voorbij was en Sikes zijn eetlust had voldaan (Oliver kon niets eten als een klein stukje brood, dat zij hem opdrongen), strekten de twee mannen zich uit op een paar stoelen om een dutje te doen. Oliver bleef op zijn stoel bij het vuur en Barney strekte zich, in een wollen deken gewikkeld, vlak bij den haard op den vloer uit.
Zij sliepen of schenen een poos te slapen; niemand verroerde zich als Barney, die eens of tweemaal opstond om kolen op het vuur te gooien. Oliver viel in een zware sluimering, waarin hij zich verbeeldde langs de sombere wegen te loopen of op het donkere kerkhof, of hij doorleefde een of ander tooneel van den vorigen dag; plotseling werd hij gewekt, doordat Toby Crackit opsprong en verklaarde dat het half twee was.
In een oogenblik stonden de andere twee op hun beenen en allen begonnen ijverig hunne toebereidselen te maken. Sikes en zijn metgezel wikkelden hals en kin in groote donkere shawls en trokken hun manteljassen aan, terwijl Barney uit een kast allerlei voorwerpen voor den dag haalde, die hij haastig in hun zakken stopte.
„Pistolen voor mij, Barney,” zei Toby Crackit.
„Hier zijn ze,” antwoordde Barney, twee pistolen te voorschijn halend. „Je hebt ze zelf geladen.”
„Goed!” antwoordde Toby, ze wegstoppend. „De nijptang.”
„Die heb ik”, antwoordde Sikes.
„Looper, sleutels, breekijzers, lantarens—niets vergeten?” vroeg Toby, terwijl hij een klein breekijzer aan een lus binnen in zijn jas vastmaakte.
„In orde,” voegde zijn makker er bij. „Geef de houten, Barney. 't Is hoog tijd.”
Met deze woorden nam hij een dikken stok uit Barney's handen, deze reikte Toby een anderen toe en ging daarna Oliver's cape vastmaken.
„Nou!” zei Sikes en stak zijn hand uit.
Oliver, die als versuft was door de ongewone vermoeienis, de buitenlucht en den opgedrongen drank, legde werktuigelijk zijn hand in de hand, die Sikes hem tot dat doel toestak.
„Neem zijn andere hand, Toby,” zei Sikes. „Ga uitkijken Barney.”
De man ging naar de deur en kwam terug met de boodschap, dat alles stil was. De beide boeven gingen naar buiten, met Oliver tusschen hen in. Barney sloot alles stevig, rolde zich weer in zijn deken en viel spoedig in slaap.
Het was stikdonker. De mist was veel dikker dan in den vooravond en de lucht zóó vochtig, dat Oliver's haar en wenkbrauwen, ofschoon er geen regen viel, enkele minuten nadat zij uit huis waren gegaan, stijf waren door den half bevroren damp, die om hen heen golfde. Ze gingen de brug over en liepen voort in de richting van de lichten, die hij te voren gezien had. Ze waren niet ver af en daar zij vlug doorstapten, waren ze spoedig in Chertsey.
„Steek de stad maar door,” fluisterde Sikes; „er zal vannacht wel niemand op straat zijn, die ons zien kan.”
Toby stemde toe en ze liepen haastig voort door de hoofdstraat van het stadje, op dit late uur geheel verlaten. Hier en daar scheen een flauw lichtje uit 't raam van een slaapkamer en nu en dan werd de nachtelijke stilte verbroken door schor hondengeblaf. Maar er was niemand op straat. Toen de klok twee uur sloeg, hadden zij de stad achter zich.
Hun stap verhaastend, sloegen zij een weg in, die naar links leidde. Na ongeveer een kwart mijl geloopen te hebben, bleven zij voor een alleenstaand huis met een muur er omheen stilstaan; Toby Crackit klom, bijna zonder tijd te nemen om adem te scheppen, in een oogwenk op dien muur.
„Nou de jongen,” zei Toby. „Til hem op, dan zal ik hem anpakken.”
Eer Oliver tijd had gehad om zich heen te zien, had Sikes hem onder de armen gegrepen en drie of vier seconden later lagen hij en Toby aan den anderen kant op het gras.
En nu, voor 't eerst, begreep Oliver, bijna krankzinnig van verdriet en angst, dat inbraak en diefstal, misschien wel moord, het doel was van den tocht. Hij vouwde zijn handen en stootte onwillekeurig een onderdrukten kreet van afschuw uit. Voor zijn oogen kwam een mist, het koude zweet parelde op zijn aschgrauw gezicht, zijn beenen weigerden den dienst en hij zonk op zijn knieën.
„Sta op!” fluisterde Sikes, bevend van woede en 't pistool uit zijn zak trekkend, „sta op, of ik schiet je door je hersens.”
„O! Om Gods wil, laat me heengaan!” riep Oliver, „laat me wegloopen en ergens sterven. Ik zal nooit in de buurt van Londen komen, nooit, nooit! Och toe, heb medelijden met me en laat me niet stelen. Ter wille van al de goede engelen in den hemel, heb medelijden met me.”
De man, tot wien deze smeekbede was gericht, stootte een verschrikkelijken vloek uit en haalde den haan van het pistool over, toen Toby het uit zijn hand sloeg, zijn vinger op Oliver's mond legde en hem meesleepte naar het huis.
„Stil!” zei Toby, „dat zou hier verkeerd zijn. Zeg nog één woord en ik doe wat jij wou doen met een mep op zijn kop. Dat maakt geen leven en is net zoo zeker en menschlievender. Hier Bill, maak 't luik open. Hij heeft nou z'n vet wel, denk ik. Ik heb wel andere jongens in een kouden nacht voor een paar minuten zich net zoo zien aanstellen.”
Sikes riep de vreeselijkste verwenschingen op Fagin's hoofd in, omdat hij Oliver op zoo'n tocht had meegegeven en zwaaide woedend met het breekijzer, echter zonder er veel leven bij te maken. Na een oogenblik, toen Toby geholpen had, zwaaide het luik, waaraan hij gewerkt had, open op zijn hengsels.
Het was van een klein tralievenster, ongeveer vijf en een halve voet boven den grond, aan den achterkant van het huis; dit leidde naar een wasch- of bierhok aan het eind van de gang. De opening was zóó klein, dat de bewoners het waarschijnlijk niet noodig hadden gevonden, dat raampje beter te verzekeren, maar het was toch wijd genoeg om een jongen van Oliver's grootte door te laten. Een korte greep van Sikes' hand was voldoende om de tralies los te wringen, zoodat het raampje spoedig wijd open stond.
„Luister nou, klein mormel,” fluisterde Sikes, haalde een dievenlantaarn uit zijn zak en liet het licht op Oliver's gezicht schijnen, „ik zal je hier doorheen zetten. Neem dit licht, loop zachtjes de trap op, die je recht voor je ziet en door de kleine hal naar de straatdeur; doe die open en laat ons binnen.”
„Bovenaan zit er een boom op, daar kan je niet bij,” viel Toby in. „Ga dan op een van de stoelen uit de hal staan. Er zijn er drie, Bill, met een mooie blauwe eenhoorn en een gouden hooivork er op, het wapen van de oude dame.”
„Hou je mond liever,” zei Sikes met een dreigenden blik. „De kamerdeur staat immers open?”
„Wijd open,” antwoordde Toby, nadat hij naar binnen had gekeken om zich te overtuigen. „De mop daarvan is, dat zij hem altijd op een kier open laten; dan kan de hond, die in de kamer slaapt, de gang in loopen als hij wat hoort. Ha! ha! Barney heeft hem vannacht weg weten te lokken. O zoo netjes!”
Ofschoon Crackit bijna onhoorbaar fluisterde en geluidloos lachte, gebood Sikes hem uit de hoogte stil te zijn en aan het werk te gaan. Toby deed dit, door eerst zijn lantaarn te voorschijn te halen en op den grond te zetten; vervolgens plantte hij zich stevig neer onder het raam, met zijn hoofd tegen den muur en zijn handen op zijn knieën, zoodat zijn rug als opstap kon dienen. Dadelijk klom Sikes op hem en tilde Oliver zachtjes door het raampje met zijn voeten naar voren; zonder zijn kraag los te laten, zette hij hem veilig binnen op den grond.
„Neem deze lantaarn,” zei Sikes met een blik in het kamertje. „Zie je de trap vóór je?”
Oliver, meer dood dan levend, bracht met moeite uit: „Ja.”
Sikes wees met zijn pistool naar de voordeur en raadde hem kortaf aan, er om te denken, dat hij den heelen weg binnen schot was en dat hij, bij de minste aarzeling, op hetzelfde oogenblik dood zou neervallen.
„'t Is in 'n minuut gedaan,” zeide Sikes, even zacht fluisterend. „Dadelijk, als ik je los laat, doe jij je werk. St!”
„Wat is dat?” fluisterde de ander.
„Niets,” zei Sikes en liet Oliver los. „Nou!”
In den korten tijd, dien hij gehad had om zijn gedachten te verzamelen, had de jongen het dappere besluit genomen, of het zijn leven kostte of niet, een poging te doen, uit de hal naar boven te hollen en de familie te waarschuwen. Vervuld van dit denkbeeld, sloop hij zachtjes voort.
„Kom terug!” schreeuwde Sikes plotseling hardop. „Terug! terug!”
Ontsteld door dit plotselinge verbreken van de doodsche stilte in huis en door een luiden schreeuw, die volgde, liet Oliver zijn lantaarn vallen en wist niet of hij vooruit ging of vluchtte.
De kreet werd herhaald—een licht verscheen—een visioen van twee verschrikte, half gekleede mannen boven aan de trap wemelde voor zijn oogen—een flits—een hard geluid—rook—een gekraak ergens, waar wist hij niet—en hij tuimelde terug.
Sikes was een oogenblik verdwenen, maar hij sprong op en greep, eer de rook was opgetrokken, Oliver bij zijn kraag. Hij schoot zijn eigen pistool af naar de mannen die reeds achteruitweken en trok den jongen omhoog.
„Hou me steviger vast,” zei Sikes, terwijl hij hem door het raam trok. „Geef me een doek. Ze hebben 'm geraakt. Gauw! Vervloekt, wat bloedt de jongen.”
Toen volgde luid belgerinkel, vermengd met het knallen van vuurwapens en kreten van menschen, en de gewaarwording, alsof hij snel over een oneffen grond voortgesleept werd. De geluiden verwarden zich in de verte en een koude als van den dood bekroop de borst van den jongen; hij zag of hoorde niets meer.
Bevat den hoofdinhoud van een aangenaam gesprek tusschen Mr. Bumble en een dame, en toont aan, dat zelfs een gemeentebode op sommige punten gevoelig kan zijn.
Het was een bitter koude avond. De sneeuw lag op den grond, bevroren tot een harde krakende korst, zoodat alleen de hoopen, die in hoekjes en gaten bij elkaar gestoven lagen, door den scherpen huilenden wind opgewaaid werden; alsof de wind met dubbele woede op deze prooi aanviel, blies hij hier de sneeuw woest op in vlagen, en deed ze ronddwarrelen als duizenden nevelkolken, die zich ten slotte in de lucht verspreidden. Somber, donker en vinnig koud, was het een avond voor hen, die een goed tehuis hadden en weldoorvoed waren, om bij het vroolijke vuur te schikken en God te danken, dat ze binnen waren, en voor den ellendigen, hongerigen zwerver om zich neer te leggen en te sterven. Menige paria, door honger uitgeput, die buiten in onze straten zijn oogen sluit, kan ze, welke misdaden hij ook gepleegd moge hebben, moeielijk in een wreeder wereld dan de onze opendoen.
Zoo zagen de zaken er uit, toen juffrouw Corney, de Moeder van het armhuis dat onze lezers reeds kennen als de geboorteplaats van Oliver Twist, voor een vroolijk vuurtje in haar eigen kamertje ging zitten en met zeer behagelijke gevoelens naar een klein rond tafeltje keek, waarop een schotel, die niet veel kleiner was, klaar stond, voorzien van alles wat maar noodig kon zijn voor het lekkerste maal, dat de Moeder van een armhuis te beurt kan vallen. Juffrouw Corney was van plan, zich met een kopje thee wat op te monteren. Terwijl zij van de tafel naar den haard keek, waar het kleinst denkbare keteltje met fijn stemmetje een fijn liedje zong, groeide het gevoel van behagelijkheid in haar klaarblijkelijk nog aan—zoozeer, dat juffrouw Corney het tot een glimlach bracht.
„Ja!” zei de Moeder, terwijl zij met haar elleboog op tafel, peinzend in het vuur staarde, „we hebben toch allemaal heel veel om dankbaar voor te zijn! Heel veel, als wij het maar wisten. O!”
Juffrouw Corney schudde droevig het hoofd, als beklaagde zij de armen, die dit niet wisten, om hun geestelijke blindheid; zij stak een zilveren lepeltje, (privaat-eigendom) in de diepste schuilhoeken van een twee-ons theezakje en maakte aanstalten om thee te zetten. Hoe weinig is er soms noodig om het evenwicht van onze zwakke zielen te verstoren! De zwarte trekpot, die erg klein was en dus gauw vol, liep over, terwijl juffrouw Corney aan het moraliseeren was en het water brandde lichtelijk juffrouw Corney's hand.
„Die verwenschte trekpot!” zeide de waardige matrone, terwijl zij den pot haastig op de schoorsteenplaat zette, „zoo'n akelig klein ding, waar maar twee kopjes in gaan! Daar heeft niemand wat aan! Behalve,” zeide juffrouw Corney en wachtte even—„behalve zoo'n arm verlaten schepsel als ik ben. Och hemel!”
Met deze woorden liet de Moeder zich in haar stoel vallen en opnieuw met haar elleboog op tafel geleund, dacht zij na over haar eenzaam lot. De kleine trekpot en het ééne kopje hadden treurige herinneringen in haar gewekt aan mijnheer Corney (die nog maar vijf en twintig jaar dood was), en ze smolt weg in ontroering.
„Nooit krijg ik er meer één!” zei juffrouw Corney neerslachtig. „Nooit krijg ik er meer één zooals hij.”
Of dit gezegde op haar man sloeg of op den trekpot, is twijfelachtig. Waarschijnlijk op de laatste, want juffrouw Corney keek er naar, terwijl zij sprak en nam hem daarna in haar hand. Ze had juist een slokje uit haar eerste kopje genomen, toen zij opgeschrikt werd door een zacht tikje aan haar kamerdeur.
„O, kom maar binnen!” zei juffrouw Corney op scherpen toon. „Er ligt zeker weer een oudje op sterven, hè? Ze gaan altijd dood, als ik aan 't eten ben. Blijf daar niet staan; toe—der komt zooveel kou binnen. Wat is er te doen, nou?”
„Niets juffrouw, niets,” antwoordde een mannestem.
„Hemel!” riep de Moeder op veel zachter toon, „is meneer Bumble daar?”
„Tot uw dienst, juffrouw,” zei Mr. Bumble, die buiten de deur was blijven staan om zijn voeten te vegen en de sneeuw van zijn jas te slaan. Hij maakte zijn opwachting met zijn steek in de ééne hand en een pakje in de andere. „Zal ik de deur dichtdoen, juffrouw?”
De dame draalde zedig met haar antwoord, omdat het misschien niet betamelijk was, met gesloten deur een gesprek te voeren met Mr. Bumble. Deze deed zijn voordeel met de aarzeling; daar hij 't zelf erg koud vond, deed hij zonder toestemming de deur dicht.
„Naar weer, meneer Bumble,” zei de Moeder.
„Dat zegt u wel, juffrouw,” antwoordde de bode. „Nadeelig voor de Gemeente, zulk weer, juffrouw. We hebben vanmiddag eventjes, we hebben eventjes de kleinigheid van twintig broodjes en anderhalve kaas uitgedeeld en nog zijn de armen niet tevreden.”
„Natuurlijk niet. Wanneer zijn die tevreden, meneer Bumble?” zei de Moeder, haar thee slurpend.
„Zeg u dat wel, juffrouw!” stemde Mr. Bumble in. „Als ik u zeg, dat er een man hier is, die, ter wille van zijn vrouw en groot gezin een kwart-ponds-broodje en een heel pond kaas krijgt. Is hij dankbaar, juffrouw? Is hij dankbaar? Voor geen cent! Hij durft om een beetje steenkolen te vragen, al is 't maar zooveel als je in je zakdoek kan knoopen, zegt hij. Steenkolen! Wat zou hij met steenkolen uitvoeren? Z'n kaas er op roosteren en dan om meer komen vragen. Zoo doen die menschen, juffrouw; geef ze vandaag een schortvol steenkolen en overmorgen komen ze er nog een vragen; ze zijn zoo hard als staal en albast!”
De Moeder betuigde haar volkomen instemming met deze goedgekozen vergelijking en de bode ging voort.
„Ik heb nog nooit,” zei Mr. Bumble, „zoo iets gezien als waartoe de onbeschaamdheid van de armen nu gekomen is. Eergisteren komt een man—u bent getrouwd geweest juffrouw, dus ik kan er met u wel over spreken—een man met een half blooten rug (hier keek juffrouw Corney naar den grond) aan de deur van onzen opzichter, die juist gasten te eten had en zegt, dat hij ondersteuning noodig heeft. Omdat hij niet weg wou gaan en zijn blijven het gezelschap erg hinderde, liet onze opzichter hem een pond aardappelen en een halve kop havermeel geven. „Och God!” zegt die ondankbare schurk, „wat heb ik daaraan? U ken me net zoo goed een ijzeren kogel geven.” „Heel goed,” zegt onze opzichter en neemt 't eten weer terug, „je krijgt hier niets anders.”—„Dan sterf ik op straat,” zegt de vagebond.—„Dat zal je wel laten,” zegt onze opzichter.”
„Ha! Ha! die was goed! Echt iets voor mijnheer Grannet!” viel de Moeder in. „En toen, meneer Bumble?”
„Wel juffrouw,” antwoordde de bode, „hij ging weg en hij stierf werkelijk op straat. Zoo'n koppige schooier!”
„Dat is het ongelooflijkste, wat ik ooit gehoord heb,” merkte de Moeder met nadruk op. „Maar vindt u niet, dat onderstand aan menschen buiten het Huis een heel verkeerd ding is, meneer Bumble? U bent een man van ondervinding en weet er dus alles van. Nou?”
„Juffrouw Corney,” zei de bode, glimlachend als een man, die weet, dat hij een zaak beter inziet, „onderstand buiten het Huis, goed aangewend—goed aangewend, zeg ik, juffrouw—is het doelmatigste wat de Gemeente doen kan. Het hoofdbeginsel van zulken onderstand is, de armen precies te geven wat zij niet noodig hebben, dan verveelt het hun te komen vragen.”
„Nee maar!” riep juffrouw Corney uit. „Nee maar, die is ook goed!”
„Ja. Onder ons gezegd, juffrouw,” hernam Mr. Bumble, „dit is het groote beginsel en dat is de reden waarom, als u op enkele gevallen let, waarvan die schandelijke couranten bericht geven, u altijd zien zult, hoe een doodziek gezin bedeeld is met sneedjes kaas. Dat is nu regel, juffrouw Corney, door het heele land. Maar,” zei de bode, zijn verhaal afbrekend om zijn pakje uit te gaan pakken, „dit zijn ambtsgeheimen juffrouw, waar niet over gesproken mag worden, behalve, mag ik wel zeggen, onder beambten van de Gemeente, zooals u en ik. Hier is de portwijn juffrouw, die de Regenten voor de ziekenzaal hebben bestemd; echte, versche, onvervalschte portwijn; vanmorgen pas afgetapt, helder als kristal, zonder bezinksel!”
Mr. Bumble hield één van de flesschen tegen het licht, schudde ze om te laten zien hoe helder de wijn bleef, en zette toen beide flesschen op het kabinet, vouwde den zakdoek, waarin ze geweest waren op, stak hem zorgvuldig in zijn zak en nam zijn steek op als om heen te gaan.
„U hebt nog een koude wandeling, meneer Bumble,” zei de Moeder.
„De wind is zoo scherp, juffrouw,” antwoordde Mr. Bumble en zette den kraag van zijn jas op, „dat je ooren bijna afgesneden worden.”
De Moeder keek van het keteltje naar den bode, die naar de deur toestapte en toen de bode kuchte, als voorteeken dat hij haar goedenavond ging wenschen, vroeg zij schuchter, of hij niet—of hij niet „een kopje thee wilde drinken?”
Mr. Bumble sloeg dadelijk zijn jaskraag weer naar beneden; legde steek en stok op een stoel, en trok een anderen stoel bij de tafel. Terwijl hij zich langzaam op den stoel neerliet, keek hij naar de dame. Zij hield haar oogen op den trekpot gericht. Mr. Bumble kuchte opnieuw en glimlachte even.
Juffrouw Corney stond op om nog een kopje en schoteltje uit de kast te halen. Terwijl zij ging zitten, ontmoetten haar oogen opnieuw die van den galanten bode; zij bloosde en wijdde zich aan de taak, zijn thee in te schenken. Weer kuchte Mr. Bumble—ditmaal luider dan hij nog gekucht had.
„Houdt u van zoet, Meneer Bumble?” vroeg de Moeder, met het suikerpotje in de hand.
„Ik houd bijzonder van zoet, juffrouw,” antwoordde Mr. Bumble. Terwijl hij dit zeide, richtte hij zijn oogen op juffrouw Corney en als ooit een gemeentebode innig kon kijken, dan was Mr. Bumble op dit oogenblik die man.
De thee was gereed en werd in stilte toegereikt. Mr. Bumble spreidde eerst een zakdoek uit over zijn knieën, om te zorgen, dat geen kruimeltje de reinheid van zijn broek zou bevlekken; toen begon hij te eten en te drinken en wisselde deze genoegens af door nu en dan een diepen zucht te slaken; deze zuchten echter hadden geen schadelijken invloed op zijn eetlust, doch schenen integendeel zijn werkzaamheden ten opzichte van de thee en het geroosterde brood te vergemakkelijken.
„U hebt een kat, zie ik, juffrouw,” zei Mr. Bumble, terwijl hij naar het dier keek, dat zich met haar kleintjes vóór het vuur lag te koesteren, „en kleine katjes ook!”
„Ik houd zooveel van die beestjes, Mr. Bumble, dat weet u niet,” antwoordde de Moeder. „Ze zijn zoo gelukkig, zoo koddig en zoo vroolijk, dat 't mij een heele gezelligheid geeft.”
„Aardige diertjes, juffrouw,” prees Mr. Bumble, „en zoo huiselijk.”
„O ja!” stemde de Moeder enthousiast bij, „ze zijn zoo dol op hun thuis, dat 't een mensch goed doet, dat verzeker ik u.”
„Juffrouw Corney, juffrouw....” zei Mr. Bumble langzaam, terwijl hij met zijn theelepeltje de maat sloeg, „ik wou zeggen, juffrouw, dat een kat of een katje, dat bij u woont en niet dol is op zijn thuis, wel een ezel moet zijn, juffrouw.”
„O, Meneer Bumble!” weerde juffrouw Corney af.
„'t Dient nergens toe, de waarheid te verzwijgen, juffrouw,” zei Mr. Bumble, terwijl hij het theelepeltje langzaam streelde met een soort verliefde waardigheid, die hem dubbel indrukwekkend maakte, „zoo'n beest zou ik zelf met pleizer verdrinken kunnen.”
„Dan bent u een wreede man,” viel de Moeder levendig in, terwijl zij haar hand naar het kopje van den bode uitstak, „en een harde man erbij!”
„Hard juffrouw?” zei Mr. Bumble. „Hard?”
Hij reikte haar het kopje, zonder een woord meer te zeggen en drukte even haar pink, terwijl zij het aannam; met de open hand klopte hij tweemaal op zijn geborduurde vest, loosde een diepen zucht en schoof zijn stoel een heel klein eindje verder van het vuur af.
Het was een ronde tafel en daar Mr. Bumble en juffrouw Corney bij het vuur tegenover elkaar hadden gezeten, op kleinen afstand van elkaar, is het duidelijk, dat Mr. Bumble, door van het vuur weg te schuiven en bij de tafel te blijven, den afstand tusschen zichzelf en juffrouw Corney vergrootte, welke daad enkele voorzichtige lezers ongetwijfeld geneigd zijn te bewonderen van Mr. Bumble's zijde en als een heldhaftige daad te beschouwen; op een of andere wijze toch brachten tijd, plaats en gelegenheid hem in verzoeking, uiting te geven aan enkele teedere, nietszeggende woorden, die, hoe goed zij mogen klinken van de lippen der lichtzinnigen en leeghoofden, onmetelijk ver beneden de waardigheid schijnen van rechters, leden van het parlement, ministers van staat, burgemeesters en andere grootwaardigheidsbekleeders, maar vooral beneden den ernst en de waardigheid van een gemeentebode, die (als algemeen bekend is) de strengste en onbuigzaamste van allen behoort te zijn.
Wat echter Mr. Bumble's bedoelingen ook mochten zijn, (en zij waren ongetwijfeld van de beste soort), geviel het ongelukkig zoo, zooals reeds tweemaal werd opgemerkt, dat de tafel rond was; dientengevolge begon Mr. Bumble, zijn stoel bij kleine beetjes opschuivend, den afstand tusschen hem en de Moeder te verminderen en bracht, al voortreizend langs den omtrek van den cirkel, na verloop van eenigen tijd zijn stoel dicht naast die, waarin de Moeder zat. De twee stoelen raakten elkaar aan en toen 't zoover was, verschoof Mr. Bumble zijn stoel niet meer.
Als de Moeder haar stoel naar rechts had geschoven, zou zij gevaar hebben geloopen, door het vuur geschroeid te worden en naar links zou zij in de armen van Mr. Bumble zijn gevallen; dus (zij was zeer zedig en voorzag ongetwijfeld terstond deze gevolgen) bleef zij waar zij was en reikte Mr. Bumble een tweede kop thee.
„Hard, juffrouw Corney,” zei Mr. Bumble, terwijl hij zijn thee omroerde en de Moeder in 't gezicht zag, „bent u hard, juffrouw Corney?”
„Goeie hemel!” riep de Moeder, „wat een gekke vraag van een man, die niet getrouwd is. Waarom wil u dat weten, Mr. Bumble?”
De bode dronk zijn thee tot den laatsten druppel uit, at een stukje geroosterd brood, sloeg de kruimels van zijn knieën, veegde zijn lippen af en gaf de Moeder doodbedaard een kus.
„Meneer Bumble!” riep de zedige dame fluisterend, want zij was zóó ontsteld, dat ze haar stem er door verloren had, „Meneer Bumble, ik ga schreeuwen!”
Mr. Bumble gaf geen antwoord, maar legde langzaam en waardig zijn arm om de taille van juffrouw Corney. Als de dame haar voornemen om te schreeuwen gestand had willen doen, zou zij natuurlijk bij deze nieuwe brutaliteit geschreeuwd hebben, doch de uitvoering werd onnoodig gemaakt door een haastigen klop op de deur; nauwelijks werd dit kloppen gehoord of Mr. Bumble sprong met groote vlugheid naar de wijnflesschen en begon ze met woedenden ijver af te stoffen, terwijl de Moeder op scherpen toon vroeg, wie er was. Het is de moeite waard, op te merken, als een merkwaardig voorbeeld, hoe de werking van een plotselinge verrassing de werking van hevige vrees op kan heffen, dat haar stem den gewonen scherpen klank terug had gekregen.
„Och juffrouw,” zei een uitgemergeld, afschuwelijk leelijk oud vrouwtje, terwijl zij haar hoofd door de deur stak, „ouwe Sally leit op het uiterste.”
„Nou, wat raakt mij dat?” vroeg de Moeder boos. „Ik kan haar niet in 't leven houden, zou 'k denken.”
„Nee, nee juffrouw,” hernam het vrouwtje, „dat kan niemand, voor haar is der geen hulp meer. Ik heb al veel menschen zien sterven, kleine kindertjes en groote sterke mannen, en ik weet best, wanneer de dood komt. Maar ze heeft iets op haar hart en als ze geen pijnen lijdt en dat gebeurt niet dikwijls, want ze heeft een harden doodsstrijd—dan zegt ze, dat ze iets te vertellen heeft dat u hooren moet. Ze kan niet rustig sterven, eer u bij haar bent geweest, juffrouw.”
Bij deze mededeeling mompelde de waardige juffrouw Corney een keur van scheldwoorden aan het adres van oude vrouwen, die zelfs niet konden sterven zonder hun meerderen last te veroorzaken; ze greep haastig een dikken shawl, wikkelde zich daarin en vroeg Mr. Bumble, te blijven tot zij terugkwam, tenzij er iets bijzonders mocht gebeuren; daarna beval zij de boodschapster, vlug te loopen, anders kon zij er wel den heelen nacht over doen om boven te komen en volgde haar hevig ontstemd de kamer uit, den heelen weg over mopperend.
De handelwijze van Mr. Bumble, toen hij alleen achterbleef, was eenigszins zonderling. Hij deed de kast open, telde de theelepeltjes, woog de suikertang op zijn hand, onderzocht nauwkeurig een zilveren melkkan om zich ervan te overtuigen, dat deze echt was en toen hij zijn nieuwsgierigheid op deze punten bevredigd had, zette hij zijn steek schuin op zijn hoofd en danste met veel waardigheid vier maal om de tafel heen. Nadat deze buitengewone vertooning was afgeloopen, zette hij zijn steek weer af, ging wijdbeens voor het vuur staan, met zijn rug er naar toe en scheen zich er ernstig in te verdiepen, een nauwkeurige inventaris van het ameublement op te maken.
Handelt over een heel arm schepsel—maar het is kort en kan van belang zijn in dit verhaal.
Het was een echte boodschapster van den dood, die de rust in de kamer der armmoeder was komen verstoren. Haar lichaam was gebogen door ouderdom, haar ledematen beefden tengevolge van een beroerte, haar gezicht, tot een grijns verwrongen, scheen eer de groteske schepping van een onbeheerscht schilderspenseel, dan het werk van de hand der Natuur.
Helaas! Hoeveel gezichten, door de Natuur gevormd, blijven onberoerd om ons met hun schoonheid gelukkig te maken? De zorgen, smarten en nooden der wereld veranderen de gezichten, zooals zij de harten veranderen; het is alleen wanneer deze hartstochten slapen en voor altijd hun macht verloren hebben, dat de donkere wolken wegtrekken en de heldere Hemel te zien komt. Het gebeurt niet zelden, dat het gelaat van een doode, zelfs in dien verstijfden toestand, de lang vergeten trekken weer aanneemt van een slapend kind en er weer uitziet als in het vroegere leven; zoo kalm, zoo vredig wordt het weer, dat zij, die den gestorvene gekend hebben in zijn gelukkige kindsheid, in eerbied nederknielen bij de baar, als zagen zij den engel reeds op aarde.
Het oude bestje strompelde de gangen door en de trappen op, onder het mompelen van eenige onhoorbare antwoorden op het gescheld van haar metgezel; toen zij eindelijk genoodzaakt was stil te staan om adem te scheppen, gaf zij juffrouw Corney de kaars in de hand en volgde zoo goed en kwaad als het ging op een afstand, terwijl de Moeder, die beter ter been was, naar de kamer ging waar de zieke vrouw lag.
Het was een kale zolderkamer; in den versten hoek brandde een flauw lichtje. Bij het bed zat nog een oud vrouwtje, de apothekersleerling van de Gemeente stond bij het vuur een tandenstoker te snijden uit een veerenschacht.
„'t Is koud vanavond, juffrouw Corney,” zeide dit jongemensch, toen de Moeder binnenkwam.
„Ja mijnheer, heel koud,” antwoordde de juffrouw, op haar vriendelijksten toon en met een buiging.
„U mocht wel betere steenkolen van uw leveranciers hebben”, zei de apothekers-gezant, terwijl hij een stuk steenkool boven op het vuur met de roestige pook door midden sloeg, „dit zijn geen kolen voor een kouden avond.”
„De Regenten hebben ze zoo besteld, mijnheer,” wierp de moeder tegen. „Het minste wat zij doen konden, is toch wel het ons behoorlijk warm te geven; onze betrekking is al moeielijk genoeg.”
Hier werd het gesprek afgebroken door een kreunen van de zieke vrouw.
„O!” zei de jonge man, terwijl hij zijn gezicht naar het bed wendde, alsof hij te voren de patiente geheel had vergeten, „'t is hier u.i.t. juffrouw Corney.”
„Zou u denken?” vroeg de Moeder.
„Als 't nog twee uur duurt, zal 't mij verwonderen,” zei de apothekersleerling, heel zijn aandacht bij zijn tandenstoker. „Alles geeft 't op. Slaapt ze, oudje?”
De waakster boog zich over het bed en knikte bevestigend.
„Dan gaat ze misschien zóó heen, als je geen leven maakt,” zei de jonge man. „Zet het licht op den grond. Dan ziet ze het niet.”
De waakster deed wat haar gezegd werd, terwijl zij haar hoofd schudde om aan te duiden, dat de vrouw zoo gemakkelijk niet sterven zou; daarna nam zij haar plaats weer in naast de oude verpleegster, die nu ook binnen was gekomen. De Moeder wikkelde zich met een ongeduldig gebaar in haar shawl en ging aan het voeteneinde van het bed zitten.
De apothekers-leerling, gereed met zijn tandenstoker, plantte zich voor het vuur en genoot er een minuut of tien van; toen verveelde het hem blijkbaar, hij wenschte juffrouw Corney veel plezier met haar baantje en ging op de teenen weg.
Nadat de twee oude vrouwtjes een poos stil bij het bed hadden gezeten, stonden zij op, slopen naar het vuur en staken hun uitgemergelde handen uit om de warmte op te vangen. De vlammen wierpen een spookachtig schijnsel op hun rimpelige gezichten en in dien schijn werd haar leelijkheid angstwekkend, toen zij in dezelfde houding met zachte stem begonnen te praten.
„Zei ze nog iets, Anny, terwijl ik weg was?” vroeg de boodschapster.
„Geen woord,” antwoordde de ander. „Ze trok en plukte een poosje aan haar armen, maar ik hield haar handen vast en toen zakte ze gauw weg. Ze heeft niet veel kracht meer over, dus ik kon haar makkelijk stil houden. Ik ben nog niet zoo erg zwak voor een oude vrouw, al word ik door de Gemeente onderhouden, nee, nee!”
„Heeft ze den warmen wijn opgedronken, die de dokter zei dat ze hebben moest?” vroeg de eerste.
„Ik probeerde 't er in te krijgen,” antwoordde de ander. „Maar ze hield haar tanden stijf op elkaar en klemde de kroes zoo vast, dat ik hem haast niet los kon krijgen. Toen heb ik de wijn opgedronken en 't heeft me goed gedaan.”
Voorzichtig rondspiedend om zeker te zijn niet verstaan te worden, hurkten de twee oude wijfjes dichter bij het vuur en gichelden vroolijk.
„Ik denk aan den tijd,” zei de eerste spreekster, „toen zij hetzelfde zou gedaan hebben en er later heel wat grappen over zou hebben gemaakt.”
„Of ze,” viel de ander bij, „ze was een vroolijke ziel. Ze heeft heel wat mooie lijken afgelegd, zoo netjes en precies alsof 't wassen poppen waren. Mijn oude oogen hebben ze gezien—en deze oude handen hebben ze aangeraakt ook, want ik heb haar wel honderdmaal geholpen.”
Het oude menschje stak onder het spreken haar bevende vingers uit en schudde ze met vroolijk gebaar vóór haar gezicht; toen grabbelde ze in haar zak en haalde een oude doffe tinnen snuifdoos te voorschijn, waaruit zij eerst enkele korrels in de uitgestoken hand van haar gezellin schudde en toen in de hare. Terwijl zij daarmee bezig waren kwam de Moeder, die ongeduldig had zitten wachten of de stervende vrouw uit haar verdooving zou ontwaken, bij haar vóór 't vuur en vroeg op scherpen toon, hoe lang zij nog moest wachten.
„Niet lang, juffrouw,” antwoordde het tweede vrouwtje, terwijl zij naar haar opkeek. „Wij hoeven geen van allen lang op den Dood te wachten. Geduld, geduld! Hij zal gauw genoeg hier zijn voor ons allemaal.”
„Houd je mond, suffe idioot!” zei de Moeder bits. „Martha, zeg eens, is ze al meer zoo geweest?”
„Dikwijls!” antwoordde de eerste vrouw.
„Maar ze zal nooit meer zoo zijn,” voegde de tweede er bij, „dat is te zeggen, ze zal nog maar één keer bijkomen—en, let op wat ik zeg, juffrouw, dat zal dan niet lang duren!”
„Lang of kort,” zei de Moeder driftig, „ze zal me hier niet vinden als ze wakker wordt; pas op, als jullie me weer voor niets lastig valt. Het hoort niet tot mijn werk, er bij te zijn als de oude vrouwen uit het Huis sterven, en wat meer zegt, ik heb er geen zin in. Denk daar om, brutale ouwe sloeries! Als je mij nog eens voor den gek houdt, zal ik 't je wel afleeren, dat verzeker ik je!”
Ze liep met een vaart weg, toen een schreeuw van de twee vrouwen die weer naar het bed waren gegaan, haar deed omkijken. De zieke was rechtop gaan zitten en stak haar armen naar hen uit.
„Wie is dat?” vroeg zij met holle stem.
„St!” zei één van de vrouwen, en boog zich over haar heen. „Ga liggen, ga liggen!”
„Ik ga niet meer liggen, zoolang ik nog leef!” zei de zieke, tegenstribbelend. „Ik moet 't haar zeggen! Kom hier! Dichterbij! Laat mij 't in je oor fluisteren.”
Zij greep de Moeder bij haar arm, trok haar neer op een stoel naast het bed en stond op het punt te spreken, toen zij, al rondkijkend, de twee oude vrouwtjes in het oog kreeg, die, voorovergebogen, gretig stonden te luisteren.
„Stuur die weg,” zei de stervende, mat, „gauw! gauw!”
Als uit één mond begonnen de twee bestjes in allerlei droeve klaagtonen te betuigen, dat 't arme, goede menschje te ver heen was om zelfs haar beste vriendinnen te kennen; zij stribbelden tegen en beweerden, dat ze haar nooit verlaten zouden, maar de Moeder duwde haar de kamer uit, sloot de deur en keerde naar het bed terug. Nu zij buitengesloten waren, sloegen de oude dames een anderen toon aan en riepen door het sleutelgat, dat oude Sally dronken was; wat werkelijk niet onwaarschijnlijk was, want behalve dat zij, op voorschrift van den apotheker, een behoorlijke dosis opium had gebruikt, leed zij onder de werking van een laatste slokje jenever met water, dat de waardige vriendinnen zelf, in de gulheid van haar hart, heimelijk voor haar hadden weten te krijgen.
„Luister,” zei de stervende vrouw hardop, als deed zij een geweldige poging om de laatste levenskracht, die in haar sluimerde, op te wekken. „In deze zelfde kamer—in ditzelfde bed—heb ik eens een mooi jong schepseltje opgepast; ze werd in het huis gebracht met doorgeloopen, gezwollen voeten en vol slijk en bloed. Zij bracht een jongen ter wereld en stierf. Laat me eens nagaan—in welk jaar was het ook weer?”
„Dat doet er niet toe,” zei de ongeduldige toehoorster, „wat was er met haar?”
„Ja,” mompelde de zieke, terugvallend in haar toestand van versuffing, „wat was er met haar?—wat—ik weet 't!” riep zij en sprong met een woeste beweging overeind, haar gezicht gloeide en haar oogen sperden open—„ik heb haar bestolen, ik! Ze was nog niet koud, nog niet koud, zeg ik, toen ik 't heb gestolen!”
„Wat gestolen, om Gods wil?” riep de Moeder met een gebaar, alsof zij hulp wilde halen.
„Dàt!” antwoordde de vrouw en legde haar hand op den mond van de Moeder. „Het eenige wat zij had. Ze had geen kleeren om zich te warmen en geen eten, maar zij had het veilig bewaard, op haar borst. Het was goud, zeg ik je! Echt goud, dat haar leven had kunnen redden!”
„Goud!” herhaalde de Moeder en boog zich ijverig over de vrouw heen, toen deze terugviel. „Vertel verder—verder—ja—toe—wat....? Wie was die moeder? Wanneer was 't?”
„Zij vroeg me, het te bewaren,” hernam de vrouw kreunend, „en vertrouwde 't mij toe, omdat ik de eenige vrouw om haar heen was. In mijn hart stal ik het al, toen zij 't mij voor 't eerst liet zien, zooals het om haar hals hing en misschien is de dood van het kind ook wel mijn schuld! Ze zouden hem beter behandeld hebben, als ze alles hadden geweten!”
„Wat geweten?” vroeg de ander. „Spreek!”
„De jongen ging zoo op zijn moeder lijken,” zei de vrouw afgetrokken en zonder op de vraag te letten, „dat ik er altijd aan moest denken, als ik zijn gezicht zag. Arm meisje! Arm meisje! Ze was nog zoo jong! En zoo'n zacht lammetje! Wacht, er is nog meer te vertellen. Ik heb u nog niet alles verteld, is 't wel?”
„Nee, nee,” antwoordde de Moeder, haar hoofd voorover buigend om de woorden op te vangen, die door de stervende àl zwakker werden uitgebracht. „Gauw, of 't is te laat!”
„Toen,” zei de vrouw met een nog heftiger poging dan te voren—„toen haar doodsstrijd begon, fluisterde de moeder mij in 't oor, dat als haar kindje levend geboren werd en opgroeide, dat er dan een dag zou komen, waarop het zich niet zou behoeven te schamen als zijn moeders naam genoemd werd.—En o, barmhartige Hemel!—zei ze, haar magere handen vouwend,—of het een meisje of een jongen is, geef 't kind een paar vrienden in deze droeve wereld, en heb medelijden met een arm, verlaten kind, overgelaten aan de barmhartigheid van die wereld!”
„Hoe heet de jongen?” vroeg de moeder.
„Ze noemden hem Oliver,” antwoordde de vrouw zwak. „Het goud, dat ik gestolen heb, was....”
„Ja, ja.... wat?” riep de ander.
Ze boog zich haastig over de vrouw, om het antwoord te hooren, maar week instinctmatig terug, toen de stervende nog eens langzaam en stijf oprees, met beide handen de deken vastgreep, eenige onverstaanbare klanken murmelde die in haar keel bleven steken en levenloos terug viel op het kussen.
„Morsdood!” zei één van de oude vrouwtjes, haastig binnenkomend, zoodra de deur open ging.
„En niets te zeggen, per slot van rekening,” voegde de Moeder er bij, terwijl ze onverschillig heenging.
De twee bestjes, klaarblijkelijk te zeer ingenomen door de toebereidselen voor hun vreeselijk werk om eenig antwoord te geven, bleven alleen achter, en bogen zich over het lijk.