Het is in het oude huis van Santa Catharina in Siëna, op een dag in het eind van April, in de week, dat haar feest gevierd wordt. Het is in het oude huis in de Verwersstraat, dat huis met het mooie balkon en met de vele kleine kamers, die nu tot kapel en bidkamers zijn ingericht; en daarheen stroomen nu de menschen met bouquetten witte lelies en daar geuren wierook en viooltjes.
En als men daar rondloopt, denkt men: 't Is precies alsof de kleine Catharina pas gestorven is, en alsof allen, die nu haar huis uit en ingaan, haar gezien en gekend hebben.
Maar eigenlijk zou men niet gelooven, dat ze dood is, want dan zou er meer rouw en geween zijn, en niet alleen dat stille gevoel van gemis, dat er nu is. 't Is meer, alsof een geliefde dochter kort geleden getrouwd is, en heengegaan uit het ouderlijk huis.
Zie nu maar eens naar de dichtstbij zijnde huizen. De oude muren zijn feestelijk versierd. En aan haar eigen huis hangen bloemenguirlandes onder de portiek en aan het balcon; daar ligt groen op de stoep en op den drempel en in de kamer geuren groote bouquetten.
En men kan in 't geheel niet gelooven, dat zij al vijfhonderd jaar dood geweest is. 't Is eer alsof ze haar bruiloft gevierd heeft en naar een ander land is getrokken, waarvan ze eerst na langen tijd of nooit terug kan komen. Zijn het niet enkel roode kleeden en draperieën en rood zijden banieren, die 't huis versieren? Zijn niet de grootste, meest vuurroode papieren rozen in de donkere guirlande van eikenbladen gestoken, en zijn de versierselen boven de deuren en vensters niet rood met gouden franjes? Kan men zich wel iets vroolijkers voorstellen?
En let nu eens op hoe oude vrouwen in haar huis rondloopen en alle kleinigheden bekijken, die zij bezeten heeft. Het is alsof ze haar juist die sluier en dat boetekleed hebben zien dragen. Zij bekijken de kamer, waar zij woonde en wijzen naar haar bed en haar brieven. En ze vertellen elkaar hoe ze eerst in het geheel niet kon leeren schrijven, en hoe het toen plotseling over haar kwam en zij het kon, zonder het te leeren. En zie maar hoe goed die brieven geschreven zijn, en wat een vloeienden stijl!—Ze wijzen op het kleine fleschje, dat zij aan den gordel droeg om altijd droppels bij de hand te hebben, als ze een zieke tegenkwam. En zij bidden zegen af over het oude nachtlampje, dat zij in de hand droeg, als ze des nachts naar de zieken en bedroefden kwam zien. Is het niet, alsof ze zeggen willen: „Ach God, dat ze nu weg is, die lieve Catharina Benincasa, dat ze nooit meer naar ons oudjes zal komen zien.”
En zij kussen haar portret en nemen een bloem meê uit de bouquetten, als een herinnering aan haar.
Het is alsof de achterblijvenden in 't huis zich reeds lang op de scheiding hebben voorbereid en al het mogelijke beproefd hebben om de herinnering van haar, die heenging, recht levendig te houden. Zie, daar aan den wand is een schilderij van haar en haar geheele geschiedenis, trek voor trek. Daar ziet ge haar, terwijl ze haar lang mooi haar afknipt, opdat geen man haar liefhebben zal, want zij wil in 't geheel niet trouwen. Ach, ach! hoe werd zij daarom gesmaad. Het is vreeselijk om er aan te denken, hoe haar moeder haar plaagde en haar als een dienstbode behandelde, en haar op den steenen vloer in het voorhuis liet slapen, en haar geen eten wilde geven, alleen omdat zij zoo koppig met dat haar geweest was. Maar wat moest ze beginnen, zij, die geen anderen bruidegom dan Christus wilde hebben, terwijl men haar voortdurend tot een huwelijk wilde dwingen. En daar ziet ge, hoe ze op de knieën lag en bad, en haar vader in de kamer kwam, zonder dat zij het merkte en hoe hij een mooie witte duif boven haar hoofd zag zweven, zoolang het gebed duurde. En hier ziet ge haar in den Kerstnacht, toen ze naar het altaar van de Madonna geslopen was om zich recht te verheugen over de geboorte van Gods Zoon. En toen de mooie Madonna zich neerboog van de schilderij en haar het kindje toereikte, opdat zij 't een oogenblik in de armen zou houden. Ach! welk een zaligheid kwam toen over haar.
Ach ja! men behoeft van Catharina Benincasa niet te zeggen, dat zij dood is. Men kan gerust zeggen, dat zij met haar bruidegom is heengegaan.
In haar vaderstad zal men nooit haar vrome levenswijs en gewoonten vergeten. Alle armen van Siëna komen daar aan de poort kloppen, want ze weten, dat het de bruiloftsdag der jonkvrouw is. En daar vinden ze hooge stapels brood gereed, alsof ze nog thuis was. Ze krijgen manden en zakken vol. Zij zelf zou ze niet zwaarder beladen kunnen wegzenden, als ze nog thuis was.
Zij liet zulk een leegte achter, en men miste haar zóó, dat men haast niet begrijpen kan hoe haar bruidegom het hart had haar weg te voeren.
In de kleine kapellen, die in iederen hoek van het huis zijn ingericht, wordt den heelen dag de mis gelezen en men roept de bruid aan en zendt liederen tot haar op. „Heilige Catharina,” zeggen de menschen, „bid voor ons op uw sterfdag, die tevens uw hemelsche bruiloftsdag is.
Heilige Catharina, gij die geen andere liefde gekend hebt dan die voor Christus, gij die reeds in dit leven zijn bruid waart en in den dood door Hem in het Paradijs ontvangen zijt, bid voor ons!
Heilige Catharina, stralende hemelbruid, gij gelukzalige jonkvrouw, gij die als Moeder Gods aan de zijde van den Zoon zijt verheven, gij die op dezen dag door de engelen wordt ingedragen tot de heerlijkheid des hemels, bid voor ons.”
Het is wonderlijk hoe lief men haar krijgt, hoe haar huis, en de schilderijen, en de liefde van de ouden en armen haar voor ons doen leven. En men gaat over haar peinzen, hoe ze in werkelijkheid wel was, of ze niets dan een heilige, een hemelbruid was, of het waar was, dat ze niet in staat was iemand anders lief te hebben dan Christus. En daar duikt een oud verhaal, dat lang geleden ons hart verwarmde, uit onze herinnering op. Eerst is het heel vaag en vormeloos, maar als men eindelijk alleen overblijft op het balkon van het feestelijk versierde huis en de armen ziet weggaan, met hun gevulde korven en het doffe mompelen in de kapellen hoort, wordt het al duidelijker en staat dan helder voor onzen geest.
Nicola Tungo was een jong edelman uit Perugia, die dikwijls naar Siëna kwam om de wedrennen. Hij merkte spoedig hoe slecht Siëna bestuurd werd en zei vaak in een gesprek met de notabelen en ook als hij in de herberg zat te drinken, dat Siëna moest opstaan tegen de Signoria en zich een ander bestuur veroveren.
De toen regeerende Signoria waren nog geen half jaar aan de regeering geweest. Zij waren nog niet heel zeker van hun macht en het beviel hun niet, dat de Perugiër het volk opruide. Om aan die zaak snel een einde te maken, lieten ze hem gevangen zetten en na een kort verhoor werd hij ter dood veroordeeld.
Hij werd naar de gevangenis in Palazzo publico gebracht, terwijl alles voor de onthoofding, die den volgenden dag op de markt zou plaats hebben, in orde gemaakt werd.
Dat kwam den jongen man eerst zoo wonderlijk voor. Morgen zou hij dus zijn groen fluweelen mantel niet meer dragen, noch zijn mooie wapens; hij zou niet meer op straat loopen met zijn baret met struisveeren en de oogen der jonge meisjes tot zich trekken. En hij voelde het als een smartelijke leegte, dat hij zijn nieuw paard niet zou berijden, dat hij eerst gisteren gekocht en nog maar ééns beproefd had.
Plotseling riep hij den gevangenbewaarder en verzocht hem de heeren van de Signoria te zeggen, dat hij zich niet kon laten onthoofden. Hij had er geen tijd voor. Hij had te veel te doen. Het leven kon hem niet missen. Zijn vader was oud. Hij was de eenige zoon en moest dus het geslacht in stand houden. Hij moest zijn zusters uithuwelijken, hij moest een nieuw paleis bouwen en een nieuwen wijngaard planten.
Hij was een krachtige jonge man; hij wist niet wat ziekte was en in zijn aderen stroomde de levenslust. Zijn haar was donker en zijn wangen rood. Hij kon maar niet begrijpen, dat hij sterven moest.
Als hij er aan dacht, dat men hem wegnam van zijn spel en dans, van karnaval en van de wedrennen op den volgenden Zondag, en van de Serenade, die hij aan de schoone Giulietta Lombardi brengen wilde, werd hij woedend op de raadsheeren, zooals men het op dieven en roovers wordt. Die schurken, die schurken! Zij wilden hem het leven afnemen. Maar hoe meer de tijd voorbijging, hoe meer ontberingen hij voelde. Hij miste de frissche lucht, en water, en hemel en aarde. Hij dacht hoe hij een bedelaar langs den weg zou willen zijn, ziekte, honger en kou verdragen, als hij maar leven mocht. Hij wenschte, dat alles met hem sterven zou, dat er niets meer zou zijn na hem. Dat zou een groote troost geweest zijn.
Maar dat den volgenden dag, en alle dagen daarna, de menschen naar de markt zouden gaan en handel drijven, dat de vrouwen water uit de bron zouden halen en de kindren op straat loopen—en hij het niet zou zien—dát kon hij niet verdragen. Hij benijdde niet alleen hen, die 't goed hadden en feestvieren konden en gelukkig waren. Hij benijdde evengoed de ellendigste gebrekkige. Wat hij wilde was alleen leven!
Toen kwamen de priesters en de monniken bij hem. Hij was er bijna blij om, want nu had hij ten minste iemand om zijn woede aan te luchten. Hij liet ze eerst een poosje praten; het vermaakte hem te hooren wat ze zouden zeggen tegen iemand, die zóó verongelijkt was als hij. Maar toen ze hem zeiden, dat hij zich moest verheugen, omdat hij in zijn bloeiende jeugd dit leven verlaten mocht, stoof hij op en liet zijn woede over hen losbarsten. Hij hoonde God en de vreugden van den hemel. Hij had ze niet noodig. Hij wilde het leven hebben en de aarde en de ijdelheid en de lust. Hij had berouw over iederen dag, dien hij niet in aardsche genoegens verbrast had. Hij had spijt van iedere verzoeking, die hij weerstaan had. Wat had God zich om hem te bekommeren! Hij had niet naar Zijn hemel verlangd. Toen de priesters voortgingen met spreken, greep hij een van hen bij de keel en zou hem vermoord hebben, als niet de gevangenbewaarder zich tusschen hen geworpen had. Nu lieten zij hem binden en zijn mond dichtstoppen en preekten voor hem, maar zoodra hij weer spreken mocht, raasde hij juist als te voren. Zij waren uren met hem bezig, maar zij zagen wel, dat het niet hielp.
Nu wisten ze geen raad meer, en toen stelde een van hen voor, dat men de jonge Catharina Benincasa zou halen, die getoond had groote macht over onbuigzame zielen te bezitten.
Toen de Perugiër dat hoorde hield hij plotseling op, midden in zijn woordenvloed. Waarlijk, dit stond hem wel aan. 't Was heel iets anders met een schoone, jonge maagd te doen te hebben. „Zend mij de jonkvrouw,” zei hij.
Hij wist, dat zij de jonge dochter van een verwer was en alleen in straten en stegen rondliep om te preeken. Sommigen zeiden, dat ze krankzinnig was, anderen dat ze visioenen had. Voor hem was ze altijd beter gezelschap dan de vuile monniken, die hem buiten zichzelf brachten.
Toen gingen de monniken heen en hij bleef alleen achter. Kort daarna ging de deur open, maar als de geroepene binnengekomen was, moest ze al een zeer lichten tred hebben, want hij hoorde niets. Hij lag op den vloer, zooals hij zich in zijn woede neergeworpen had, en hij was te moe om op te staan of om een beweging te maken, of zelfs maar op te zien. Hem waren de armen saamgebonden met touwen, die diep in zijn vleesch sneden.
Toen voelde hij, dat iemand dat touw begon los te maken; een warme hand raakte zijn arm aan en hij zag op. Naast hem lag een klein wezentje in witte dominikanerkleeding met hoofd en hals zóó dicht in een witten sluier gewikkeld, dat er van haar gezicht niet veel meer zichtbaar bleef, dan van een ridder, die een helm met opgeslagen vizier draagt.
Zij zag er in 't geheel niet zoo vroom uit; zij leek eerder verontwaardigd. Hij hoorde haar iets mompelen over den gevangenbewaarder, die het touw zoo vast aangetrokken had. Het was, alsof ze om niet anders dan om die knoopen gekomen was. Ze deed niet anders, dan trachten ze los te maken, zonder hem pijn te doen. Eindelijk moest zij ze met de tanden los trekken, en toen ging het. Ze ontknoopte het touw met vlugge, zachte bewegingen, nam toen het kleine fleschje, dat aan haar gordel hing en goot een paar druppels daaruit op het afgeschaafde vel.
Hij lag haar aldoor aan te kijken, maar zij had hem nog niet in de oogen gezien en scheen alleen te denken aan datgene waar ze meê bezig was. Het was alsof niets verder uit haar gedachten was, dan dat ze hem op den dood moest voorbereiden.
Hij was nu zoo moe van opgewondenheid en voelde zich ook zoo veilig in haar nabijheid, dat hij alleen zeide:
„Ik geloof, dat ik zou willen slapen.”
„Het is schande, dat ze u geen stroo gebracht hebben,” zei ze.
Een oogenblik zag ze besluiteloos rond, toen ging ze achter hem op den grond zitten en legde zijn hoofd in haar schoot. „Hebt ge het nu beter?” vroeg zij. Nooit in zijn leven had hij zich zoo rustig gevoeld.
Maar slapen kon hij toch niet, hij lag stil naar haar gezicht te kijken, dat geelwit en doorschijnend was. Zulke oogen had hij nooit te voren gezien. 't Was alsof ze ver, ver weg zagen en in een andere wereld keken, terwijl ze volkomen onbeweeglijk zat om zijn slaap niet te storen.
„Ge slaapt niet, Nicola Tungo,” zei ze en zag er onrustig uit.
„Ik kan niet slapen.” antwoordde hij, „want ik lig er aldoor over te denken, wie ge toch zijt.”
„Ik ben de dochter van Luca Benincasa, de verwer, en zijn vrouw, Lapa,” zei ze. „Ons huis ligt beneden in het dal onder het dominicanerklooster.”
„Dat weet ik,” zei hij, „en ik weet ook, dat ge op straat predikt. En dat ge het nonnenkleed hebt aangenomen en de kuischheidsgelofte afgelegd. Maar toch weet ik nog niet wie ge zijt.”
Ze wendde het hoofd wat af. Toen sprak ze fluisterend, als iemand, die zijn eerste liefde bekent:
„Ik ben de bruid van Christus.”
Hij lachte niet; in plaats daarvan voelde hij een stekende pijn in het hart, als van jaloezie. „Ach! Christus!” zei hij, alsof hij hoorde van een mésaillance.
Zij hoorde, dat er verachting in zijn stem klonk, maar zij nam dat op, alsof hij meende, dat zij vermetel was.
„Ik begrijp het zelf niet,” sprak ze, „maar het is zoo.”
„Dat is inbeelding of een droom,” zei hij.
Zij keerde haar aangezicht naar hem toe. Hij zag hoe er een rozigen schijn over lag door 't bloed, dat achter de doorschijnende huid opsteeg. Hij vond opeens, dat ze mooi was als een bloem en hij kreeg haar lief. Zij bewoog de lippen om te spreken, maar gaf geen geluid.
„Hoe kan ik dat nu gelooven?” zei hij koppig.
„Is het u dan nog niet genoeg, dat ik bij u in de gevangenis ben?” vroeg zij luid. „Is het dan een genot voor een jong meisje als ik, bij u en andere misdadigers te komen in hun donkre holen, zooals ik doe, en voor velen een bespotting te zijn? Heb ik dan geen slaap noodig als anderen, en toch moet ik iederen nacht opstaan en naar de zieken in het hospitaal gaan. Ben ik niet bang, zoo goed als anderen? En toch moet ik naar voorname heeren in hun kasteel gaan en hen terechtwijzen. Ik moet naar de pestzieken gaan en alle kwaad en zonde onder de oogen zien. Wanneer hebt ge dat ooit een maagd zien doen? Maar ik moet!”
„Ach, stakker,” zei hij, en streelde zacht haar hand. „Stakker!”
„Want ik ben niet moediger of wijzer of sterker dan iemand anders,” zei ze. „Het is even moeilijk voor mij om dat te doen als voor ieder ander meisje. Dat ziet ge wel. Ben ik niet hier gekomen om met u over uw ziel te spreken? Maar ik weet niet, wat ik tegen u zeggen moet.”
Het was vreemd hoe onwillig hij was zich te laten overtuigen. „Ge kunt u toch wel vergissen,” zei hij. „Hoe weet ge, dat ge u de bruid van Christus kunt noemen?”
Haar stem begon te beven en het was alsof zij zich het hart uit de borst moest scheuren, toen zij antwoordde:
„Dat begon al vroeg met mij, weet ge, toen ik niet ouder was dan zes jaar. Toen liep ik een avond met mijn broer over 't veld, beneden de kerk van de dominicaners, en juist toen ik mijn oogen naar de kerk ophief, zag ik Christus op een troon zitten, met alle macht en heerlijkheid omgeven. Hij was gekleed in lichtende kleuren, zooals de Heilige Vader in Rome. Zijn hoofd was omgeven door een hemelsch licht, en om Hem heen stonden Petrus, Paulus en Johannes, de evangelist. En terwijl ik Hem aanzag, drong in mijn hart zulk een liefde door en zulk een heilige zaligheid, dat ik het bijna niet kon verdragen. Hij hief de hand op en zegende mij en ik zonk neer, en was zoo aangegrepen door mijn geluk, dat mijn broer mij in zijn armen nam en me schudde.—Sedert dien tijd, Nicola Tungo, heb ik Jezus als mijn bruidegom liefgehad.”
Hij bracht er weer tegen in: „Ge waart toen nog een kind. Ge hebt op het veld geslapen en gedroomd.”
„Gedroomd?” herhaalde ze, „zou ik gedroomd hebben ieder keer, dat ik Hem gezien heb? Zou dat een droom zijn, dat Hij bij mij in de kerk kwam in de gestalte van een bedelaar en mij een aalmoes vroeg. Toen was ik toch klaar wakker. En zou ik alleen ter wille van een droom zooveel lijden hebben uitgestaan, als mij werd opgelegd als jong meisje, omdat ik niet trouwen wilde?”
Nicola wilde nog niet toegeven, omdat hij het niet verdragen kon, dat zij liefde voor een ander in haar hart droeg.
„Maar al hebt gij Christus lief, jonkvrouw, hoe weet ge, dat Hij u liefheeft,” vroeg hij.
Toen lachte ze met een blijden, stralenden lach en klapte in de handen als een kind. „Dat zult ge hooren, dat zult ge hooren,” zeide zij. „Nu zal ik u het gewichtigste vertellen. 't Was op een nacht in de vasten. Het was toen ik vrede met mijn ouders gesloten en hun toestemming gekregen had om de kuischheidsgelofte af te leggen en de nonnenkleeren te dragen, hoewel ik nog in hun huis woonde. Het was nacht, zooals ik u zei, de laatste van het karnaval, zoodat allen een dag van den nacht maakten. 't Was feest op alle straten, balkons hingen als kooien aan de muren der groote paleizen. Ze waren bekleed met zijden doeken en vlaggen en vol edelvrouwen. Ik zag al hun schoonheid bij den schijn van de roode flakkerende fakkels, die in de bronzen houders op zij en tot boven aan het dak zaten. Maar op de bont versierde straten kwamen ze aanrijden met wagens en droegen vergulde torentjes, en alle goden en godinnen en alle deugden en schoonheden trokken in een langen optocht voorbij. Maar daartusschen speelden de maskers vroolijk heen en weer, zoodat ge nooit iets uitgelateners gezien hebt. Ik vluchtte in mijn kamer, maar ik hoorde toch het gelach op de straten en nooit heb ik de menschen zóó hooren lachen; 't was zoo heerlijk om te hooren, dat de heele wereld meê zou lachen, en er werden liedjes gezongen, die zeker boos waren, maar die zoo onschuldig klonken, en zoo vol blijdschap waren, dat ze 't hart van vreugde deden trillen, zoodat door al mijn gebeden heen ik me afvroeg, waarom ik ook niet daar buiten was. En het trok me aan en lokte me, alsof ik achter aan een van die schitterende paarden was vastgebonden. Maar nooit te voren had ik zóó innig tot Christus gebeden, dat Hij me toonen zou wat Zijn wil was. En toen hield plotseling alle gedruisch om mij heen op. Een wonderbare stilte daalde neer en ik zag een groene weide, waar de Moeder Gods tusschen de bloemen zat en op haar schoot zat het kind Jezus met leliën te spelen. Maar ik spoedde mij voort met groote blijdschap en viel voor het kind op de knieën en was plotseling vervuld met een grooten, diepen vrede. En toen schoof het heilige kind een ring aan mijn vinger en zeide tot mij: „Weet dan, Catharina! dat ik van daag mijn verlovingsfeest met u vier en u aan mij door het sterkste geloof verbind.””
„O, Catharina!”
De jonge Perugiër had zich op den vloer omgekeerd, zoodat hij nu zijn gezicht in haar schoot kon verbergen. Het was alsof hij niet verdragen kon te zien, hoe ze straalde van geluk onder 't spreken, en hoe haar oogen schitterden als sterren. Zijn lichaam schokte als van smart.
Want terwijl zij sprak, was een groot verdriet in hem ontwaakt. Die jonge maagd, schoon en rein als geen andere, kon hij nooit winnen. Haar liefde behoorde een ander toe, nooit zou ze hem liefhebben. Het gaf niet of hij haar zei hoe lief hij haar had. Maar hij leed er onder. Zijn heele ziel was vol liefdesmart. Hoe zou hij kunnen leven zonder haar. En het was hem bijna een troost te denken, dat hij ter dood veroordeeld was. Hij zou niet behoeven te leven en haar te missen.
Toen zuchtte de jonge vrouw daar voor hem diep, en keerde met haar gedachten van de vreugden des hemels tot de arme menschen terug en zei: „Ik vergeet met u over uw ziel te spreken”.
Toen dacht hij: „Zie, die zorg kan ik haar ten minste afnemen.”
En hij sprak: „Zuster Catharina, ik weet niet welke hemelsche troost over mij gekomen is. In Godsnaam, ik zal mij op den dood voorbereiden. Gij kunt de priesters en de monniken laten komen en ik zal voor hen biechten. Maar één ding moet ge me beloven eer ge heengaat. Ge moet morgen komen, als ik sterven moet en mijn hoofd tusschen uw handen nemen, zooals ge nu doet.”
Toen hij dat gezegd had voelde ze een vreugde zóó groot, dat ze begon te schreien: „Nicola Tungo, hoe gelukkig zijt ge,” sprak ze. „Ge zult vóór mij in het Paradijs zijn.” En ze streek hem zacht over het haar.
Toen zei hij weer: „Ge komt immers morgen bij mij op de markt? Misschien wordt ik anders bang. Misschien kan ik anders niet met waardigheid sterven. Maar als gij daar zijt, zal ik niets dan vreugde voelen en alle angst zal van mij wijken.”
„Ik zie u niet meer als een arm menschenkind,” zei ze, „maar als een hemelbewoner. Het is me alsof ge straalt van licht en door wierook omringd zijt. Van u stroomt zaligheid over mij uit, van u, die zoo spoedig mijn geliefden bruidegom zult ontmoeten. Geloof maar, dat ik zeker komen zal en u zien sterven.”
Daarop leidde ze hem naar de biecht en het avondmaal. Hij deed het als een slaapwandelaar; alle vrees voor den dood en verlangen naar het leven was verdwenen. Hij verlangde naar den morgen, dat hij haar weer zien zou, hij dacht alleen aan haar en aan zijn liefde voor haar. Nu week het sterven bij hem geheel op den achtergrond bij de smart, die hij voelde, omdat zij hem nooit zou kunnen liefhebben.
Het jonge meisje sliep niet veel dien nacht en vroeg in den morgen was zij al op de plaats van de terechtstelling om hem op te wachten. Zij riep onophoudelijk Maria, de moeder van Jezus en de heilige Catharina van Egypte aan, de maagd en martelares, opdat zij zijn ziel zouden redden. Onophoudelijk zei ze: „Ik wil, dat hij gered zal worden, ik wil het, ik wil het.” Maar ze was bang, dat haar gebeden vruchteloos zouden zijn, want ze voelde de geestdrift niet meer, die den vorigen avond over haar gekomen was. Zij voelde alleen een grenzenloos medelijden met hem, die sterven moest. Niets dan smart en rouw was in haar hart.
De markt liep langzamerhand vol menschen. De gevangenisknechten kwamen aanmarcheeren, de beulen waren reeds gekomen. Om haar heen was een verward geruisch van stemmen, maar ze zag of hoorde niets. Het was haar alsof ze alleen was.
En toen hij kwam, ging het hem evenzoo. Hij had geen gedachte over voor alle anderen. Hij zag haar alleen. Maar toen hij bij den eersten blik reeds zag, hoe diep bedroefd de uitdrukking van haar gezicht was, helderde het zijne op en hij was bijna blij.
Hij riep haar luid toe: „Ge hebt van nacht niet geslapen, jonkvrouw.”
„Neen,” zei ze, „ik heb gewaakt en voor u gebeden, maar nu ben ik wanhopig, want mijn gebeden hebben geen kracht.”
Hij ging liggen bij het blok en zij lag op de knieën er voor, om zijn hoofd tusschen haar handen te kunnen houden.
„Nu zal ik uw bruidegom ontmoeten, Catharina.”
Ze snikte steeds meer. „Ik kan u zoo slecht troosten,” sprak ze.
Hij zag haar aan met een wonderlijken glimlach. „Uw tranen zijn voor mij de beste troost.”
De beul stond naast hen met getrokken zwaard, maar ze wenkte hem, dat ze nog een paar woorden met den veroordeelde wilde spreken.
„Voor ge hier kwaamt,” zei ze, „heb ik mijn hoofd op dit blok gelegd om te beproeven, of ik het zou kunnen verdragen. En toen voelde ik, dat ik nog angst voor den dood had, dat ik Jezus niet genoeg liefhad om op dit oogenblik te willen sterven. En ik wil ook niet, dat gij zult sterven, en mijn gebeden hebben geen kracht.”
Toen zij dat zei, dacht hij: „Als ik leven bleef zou ik haar toch kunnen winnen.” En hij was blij, dat hij sterven moest, eer hij de stralende hemelbruid naar de aarde neergetrokken had. Maar toen hij het hoofd in haar handen gelegd had, kwam er een groote troost over hen beiden.
„Nicola Tungo,” zei ze. „Ik zie den hemel open. De engelen dalen neer om uw ziel te ontvangen.”
Een verwonderde glimlach gleed over zijn gezicht. Zou hij om harentwil den hemel waard zijn?—Hij hief de oogen op om te zien wat zij zag—op dat oogenblik viel de bijl. Maar zij zag de engelen al lager en lager neerzweven, zag hoe ze zijn ziel ophieven, zag hoe zij die ten hemel voerden.
Het komt ons zoo natuurlijk voor, dat ze al deze vijfhonderd jaar geleefd heeft. Hoe zou men de kleine, zachte jonkvrouw, met dat groote, liefdevolle hart kunnen vergeten. Het kon niet anders of men moest liederen zingen ter harer eere, zooals men nu in de kleine kapellen doet.
De Booze wilde den spot drijven met een wijzen monnik. Hij wikkelde zich daarom in een wijden mantel en zette een grooten slappen hoed op, zoodat niemand hem kon herkennen en begaf zich naar den grijsaard, die in den biechtstoel zat in den dom en op zijn biechtelingen wachtte.
„Eerwaarde Vader,” zei de Booze, „ik ben een landman. Ik sta met de zon op en vergeet nooit mijn morgengebed. Daarna werk ik den heelen dag buiten op het veld. Mijn voedsel is brood en melk en als ik mij met mijn vrienden vermaken wil, onthaal ik hen op honing en vruchten. Ik ben de eenigste steun van mijn bejaarde ouders. Ik heb geen vrouw en verlang ook niet naar vrouwen. Ik ga vlijtig ter kerk en geef een tiende van al wat ik bezit. Eerwaarde vader, ge hebt mijn biecht gehoord. Wilt ge mij nu absolutie geven?”
„Mijn zoon,” zei de monnik. „Gij zijt de vroomste man, dien ik ooit gekend heb. Ik wil u gaarne absolutie geven. Maar laat mij u eerst vertellen, wat kort geleden hier in deze streken gebeurde. Dat zal uw hart verheugen, want ge zult van vele uitstekende daden hooren en toch zult ge voelen, dat zij, die deze daden volbrachten, nog maar arme zondaars waren in vergelijking met u.”
„Vader, ge verleidt me tot hoogmoed,” zei de man.
„God beware mij voor zulk een groote zonde,” antwoordde de monnik, „als ge mijn verhaal gehoord hebt, zult ge wel anders denken.”
En hij vertelde:
„De fiere ridder, die het groote kasteel op den berg, aan den overkant van de rivier, bezit, besloot op zekeren dag zijn dochter uit te huwelijken aan een rijk en machtig man, die haar zeer lief had. Maar het meisje had hier veel op tegen, want zij had reeds aan een ander haar trouw beloofd.
Toen schreef de maagd een brief aan hem dien ze liefhad en vertelde hem hoe ze door haar vader gedwongen werd een ander toe te behooren. „Daarom zeg ik u duizend keer vaarwel,” schreef zij hem, „en smeek u, uzelf geen kwaad te doen om mijnentwil, want ik ben u trouw in mijn hart.”
Maar de ridder, haar vader, nam den bode den brief af en verbrandde hem in stilte.
Toen kwam de trouwdag van het meisje en zij begroette dien met bittere tranen. Maar in de kerk schreide zij niet:—de smart zette zich vast op haar gelaat en versteende dat. En alle menschen in de kerk schreiden om haar.
De ridder, haar vader, zag ook hoe de smart haar gezicht versteende. Toen schrikte hij van wat hij gedaan had. En toen ze thuis kwamen uit de kerk, riep hij zijn dochter bij zich in zijn kamer en zei: „Lieve, ik heb verkeerd jegens u gehandeld.” En hoewel hij trotsch was, viel hij op de knieën voor haar en bekende, dat hij een slechte daad begaan had en haar brief vernietigd. Want hij was bang geweest, dat haar geliefde met zijn mannen zou zijn komen aanrijden om de bruid met geweld weg te voeren, als hij van de bruiloft geweten had.
Zij zei alleen: „Uw verontschuldiging, vader, is, dat u niet weet, wat een ellende u over ons gebracht hebt.”
En toen ging ze naar het balkon.
Daar kwam haar bruidegom bij haar.
„Lieve, hoe sta je hier zoo, met zulk een droefheid op je gezicht?” vroeg hij.
Toen antwoordde de bruid; „Omdat ik een ander lief heb en gezworen hem nooit te verlaten.”
Maar hij sprak: „Wees niet bedroefd, omdat je mijn vrouw zijt geworden. Ik heb je zóó lief, dat ik niet geloof, dat iemand je zoo gelukkig kan maken, als ik doen zal.”
„Dat denken alle menschen, die liefhebben,” antwoordde zij.
„Zeg me maar, wat ik doen kan, om die droefheid van je gezicht weg te nemen,” zei hij, „en ik zal je toonen, dat ik de waarheid spreek.”
Toen vatte de bruid moed en dacht: „Ik zal het zeggen. Het is mogelijk, dat God zijn hart beweegt.”
En zij vertelde hem, dat zij en de man, dien ze liefhad, elkaar gezworen hadden, dat degeen, die door den ander verlaten werd, zich op diens bruiloftsdag om het leven zou brengen. „Dus vandaag sterft mijn geliefde,” zei de bruid. En in haar ellende zonk zij ineen en lag als een bedelares aan de voeten van haar bruidegom.
„Laat mij naar hem toe gaan eer het te laat is!”
Er was zulk een macht in de droefheid van die vrouw, dat haar man, hoewel hij dacht: „Als ik haar laat gaan naar hem, dien ze liefheeft, dan zie ik haar nooit weer,”—zichzelf overwon en sprak: „Ge moogt doen zooals ge wilt.”
Toen stond zij op en dankte hem met tranen. En zij ging in de zaal en kwam bij de bruiloftsgasten, die bij hun plaatsen aan de gedekte tafel stonden en met verlangen op den maaltijd wachtten, want zij waren zeer hongerig na den langen rit en de lange mis.
„Lieve vrienden,” zei de bruid tot hen, „ik moet u zeggen, dat ik met toestemming van mijn man van avond naar hem, dien ik lief heb, ga. Want hij is voornemens zich vandaag van het leven te berooven, omdat ik hem ontrouw ben. Nu wil ik hem gaan zeggen, dat ik tot dit huwelijk gedwongen ben. Wees niet verwonderd, dat ik dit zelf ga zeggen, want voor zulk een boodschap is geen brief of bode voldoende. Maar ik verzoek u: eet en drink en wees vroolijk, terwijl ik weg ben, want ik kom terug, als ik het leven van mijn geliefde gered heb.”
Maar alle gasten schreiden, toen zij sprak van het verdriet, dat haar dreigde en antwoordden: „Geenszins willen we eten en drinken, terwijl gij zulk een verdriet hebt. Ga en als ge terug komt, zullen wij den maaltijd beginnen.”—En zij gingen van de tafel weg.
Toen de bruid over de slotplaats kwam, hoorde zij roepen en schreeuwen in de keuken. Want een kleine jongen was naar den kok gegaan om te zeggen, dat de maaltijd eenige uren was uitgesteld. En de kok was bedroefd geworden bij de gedachte aan zijn gebraad en de heerlijke gerechten, die nu bederven moesten. Een pond boter wierp hij in 't vuur en een mand eieren sloeg hij stuk op den steenen vloer, en daarop gooide hij den jongen de keuken uit en op den grond en stond klaar om hem met een grooten bezem te slaan.
Maar toen de bruid op de plaats kwam, verzocht zij hem den jongen los te laten. En hij werd door haar smeeken bewogen en liet hem dadelijk los. En hij riep uit: „Geloofd zij God, die u zoo lief en mooi gemaakt heeft. Ik wil u niet nog meer verdriet doen dan ge al hebt.” En hij bewaarde het eten vele uren lang, zonder tegen iemand een onvriendelijk woord te zeggen.
En de bruid ging alleen door het groote bosch, want zij wilde te voet en zonder gevolg naar den geliefde gaan, zooals men in de kerk naar de Moeder Godskapel gaat, als men in nood verkeert.
Maar in het bosch woonde een vogelvrije, een roover. Terwijl hij op de loer lag, zag hij de bruid aankomen. Zij had ringen aan den vinger, een gouden kroon op het hoofd, een zwaren zilveren gordel om het middel en paarlen om den hals. Toen zei de roover in zich zelf. „Dat is maar een zwakke vrouw—haar zal ik vangen. Dan ben ik rijk genoeg en later kan ik naar een ander land gaan, met dit ellendige leven in 't bosch ophouden en een geacht en eerlijk man worden.”
Maar toen de bruid dichterbij kwam en hij haar gezicht zag, voelde hij zich machteloos. Want God had haar wonderbaar schoon gemaakt. Hij dacht: „Ik kan haar geen kwaad doen. Zij is een bruid en ik kan die schoone maagd toch niet uitgeplunderd naar het bruidsfeest laten gaan.” En hij eerde God, die haar zoo mooi gemaakt had en liet haar ongehinderd voortgaan.
In hetzelfde bosch woonde een oude hermiet, die zijn lichaam tuchtigde door zes etmalen te waken en alleen het zevende te slapen. Hij had zichzelf tot wet gesteld, dat hij als hij het zevende etmaal niet sliep, nog zes andere etmalen waken moest. Want hij meende, dat God het zoo wilde. Nu was zijn zevende etmaal al weer bijna voorbij, zonder dat hij geslapen had, want vele zieken en bedroefden waren tot hem gekomen. Maar toen hij ze allen afgewezen had, en wilde gaan slapen, zag hij de bruid door het dichte bosch aankomen. En hij dacht bij zichzelf. „Hoe zal die vrouw over de woeste beek komen, die van nacht gezwollen is en de brug heeft stuk geslagen.”
En hij stond van zijn leger op en ging met haar mee naar de beek en droeg er haar op zijn schouders over.
Maar toen hij in zijn grot terugkwam, was zijn tijd om en hij moest nog zes etmalen waken, terwille van deze vreemde vrouw. Maar hij had er geen spijt van, want zij was zóó bekoorlijk, dat allen, die haar zagen, blij waren iets voor haar te mogen opofferen.
Zoo kwam de bruid aan het huis van haar geliefde. Maar hij was in een der zalen gegaan en had de deur met zware grendels afgesloten. En toen zij aan de deur klopte, wilde hij niet open doen; want hij had het zwaard getrokken en wilde zich van het leven berooven.
De jonkvrouw kon niet roepen of spreken, want de angst had haar de keel toegesnoerd. Maar haar tranen vielen op den steenen vloer en hij hoorde haar snikken achter de eikenhouten deur. En hij kon zich niet dooden, maar luisterde er naar en deed open.
Daar stond ze voor hem met gevouwen handen en zei hem, dat zij tot dit huwelijk gedwongen was. En toen hij zag, dat zij hem nog liefhad, beloofde hij zich niet te dooden. Toen ging ze naar hem toe en legde haar hoofd aan zijn borst. En hij kuste haar en ze voelden op dat oogenblik alle vreugde en alle droefheid, die een hart maar voelen kan.
Hij sprak het eerst: „Nu moet je gaan, want je behoort een ander toe.”
En zij antwoordde: „Hoe kan ik dat?”
Maar de ridder, die haar liefhad, maakte zich uit haar armen los en sprak. „Ik wil hem, die u naar mij toe heeft laten gaan, geen onrecht aandoen.” En hij liet twee paarden zadelen en reed met haar naar het huis van haar vader.”
Dit alles vertelde de monnik aan den Booze en hij wist nog niet, met wien hij sprak. En toen vroeg hij hem, wie van alle menschen, van wie hij verteld had, nu het grootste offer gebracht had. Want de monnik was een wijs man en wist wel, dat niemand zóó vrij van zonde is, als deze man beweerde te zijn. En door dit verhaal wilde hij te weten komen, welke zijn lievelingszonde was. Want naarmate hij antwoordde, dat de vader, of de bruidegom, of de bruiloftsgasten, de kok of de roover, de hermiet of de minnaar het meest geofferd had, kon de monnik weten of hoogmoed, afgunst of onmatigheid, toorn, gierigheid, luiheid of wellust de zonde was, die zijn ziel beheerschte. Want de vrome man wist, dat de deugd, die hij bij anderen het meest bewonderde, degeen was, die hij zelf het moeilijkst te betrachten vond.
Maar de Booze was zóó verdiept in zijn eigen spel, dat hij de list van den monnik niet merkte. „In waarheid,” zei hij, „dat is niet gemakkelijk te beantwoorden. Het komt mij voor, dat de bruidegom geen grooter offer bracht dan de minnaar, en de tafelgasten geen grooter dan de roover. Zij verdienen allen den grootsten lof.” En hij meende te antwoorden zooals de monnik het liefste wilde, dat hij doen zou.
„Om Godswil,” riep de vrome monnik uit, die zeer verschrikt werd, „zeg toch, dat ge de eene daad boven de andere kiest of zeg, dat ge geen van allen veel waard vindt.”
„Dat kan ik niet, eerwaarde Vader,” antwoordde Satan. „Niets van al wat deze menschen deden komt mij gemakkelijk voor. Ik kan 't een niet boven het andere stellen.”
Maar de monnik bracht de lippen aan zijn oor en sprak met snijdende stem:
„Ik bezweer u, dat ge zegt, dat een van hen de beste is.”
Maar de Booze ontkende dat en vroeg om absolutie.
„Dan zijt ge schuldig aan alle zeven doodzonden,” barstte de monnik uit, „en ge moet de duivel zelf zijn en geen mensch.” Toen hij dit gezegd had, vloog hij uit den biechtstoel en vluchtte naar het altaar. En hij begon de duivelbezwering te lezen:
„Vade retro Satanas....”
Maar toen de Booze zag, dat hij zich verraden had, liet hij zijn mantel uitwapperen als een paar vleugels en vloog op in 't donkere gewelf van de kerk als een groote, zwarte vleermuis.
En het was niet genoeg, dat hij zijn boos opzet gemist had, maar door Gods genade werd dit in een zegen verkeerd. Want het verhaal van den monnik is lange jaren gebruikt om te ontdekken, wat er in de menschen woont. Als men dat goed gebruikt, is het als het net in de hand van den visscher. Zooals dat in zee geworpen wordt en visschen ophaalt, zoo werpt men dit verhaal in de zielen der menschen en brengt daarmeê zonden aan het licht, opdat ze bestreden en onderdrukt kunnen worden.
De bisschop had pater Verneau ontboden.—Dat was een heel lastig en onaangenaam geval.
Pater Verneau was uitgezonden om te prediken in een fabrieksdistrikt in den omtrek van Charleroi, maar was midden in een groote werkstaking aangekomen, op een oogenblik, dat de arbeiders bizonder woest en teugelloos waren. Hij vertelde den bisschop, dat hij dadelijk bij zijn aankomst in het „zwarte land” een brief gekregen had van een van de leiders der arbeiders, waarin hem werd aangekondigd, dat het hem vrij stond te spreken, maar dat als hij het waagde Gods naam in zijn preek te noemen,—direct of indirect—er spektakel in de kerk zou gemaakt worden. „En toen ik op de preekstoel kwam en de gemeente zag,” zei de pater, „twijfelde ik er niet aan of ze zouden gevolg aan hun bedreiging geven.”
Pater Verneau was een kleine, uitgedroogde monnik. De bisschop zag op hem neer, als op een wezen van lager orde. Zulk een ongeschoren, kleine, vuile monnik met het onbeduidenste gezicht van de wereld kon niet anders dan laf zijn. Hij was zelfs bang voor hem, den bisschop.
„Men heeft mij ook bericht,” zei de bisschop, „dat gij den wensch van de arbeiders hebt vervuld, maar ik behoef u toch zeker niet te zeggen....”
„Monseigneur,” viel hem pater Verneau in allen ootmoed in de rede. „Ik meende, dat de kerk zoo mogelijk storende tooneelen vermijden moest.”
„Maar een kerk, waarin Gods naam niet genoemd mag worden....”
„Heeft Monseigneur mijn preek gehoord?”
De bisschop liep heen en weer in de kamer om weer kalm te worden.
„U kent hem natuurlijk!” zei hij.
„Natuurlijk, Monseigneur.”
„Laat mij hem dan hooren, zooals hij uitgesproken is, pater Verneau, woord voor woord, precies zooals hij uitgesproken is.”
De bisschop ging in zijn leunstoel zitten. Pater Verneau bleef staan.
„Medeburgers en medeburgeressen,” begon hij, oogenblikkelijk in zijn voordrachtstoon vervallend.
De bisschop sprong op.
„Zoo worden ze graag genoemd, Monseigneur.”
„Dat doet er niet toe, pater Verneau,” zei de bisschop, „ga voort.” Een lichte rilling liep den bisschop door de leden; deze twee woorden hadden hem op wonderbare wijze den heelen toestand doen begrijpen. Hij zag ze voor zich, de kinderen van „het zwarte land” tot wie pater Verneau gesproken had. Hij zag veel ruwe gezichten, veel lompen, veel woeste uitgelatenheid. Hij zag die menschen waar niets voor gedaan werd.
„Medeburgers en medeburgeressen,” begon pater Verneau opnieuw. „Hier in het land is een uitstekende vorstin, zij is de wijste en voortreffelijkste, die ooit België regeerde.
Andere regenten, medeburgers, andere regenten krijgen opvolgers na hun dood en verliezen allen invloed over hun volk. Niet aldus de groote keizerin Maria Theresia.
Misschien heeft zij den troon van Oostenijk en Hongarije verloren, misschien zijn Brabant en Limburg in andre handen overgegaan, maar niet haar goed graafschap West-Vlaandren.
In West-Vlaanderen, waar ik deze laatste jaren gewoond heb, kent men nog heden ten dage geen anderen regent dan Maria Theresia. Wij weten, dat koning Leopold in Brussel woont, maar hij gaat ons niet aan. Maria Theresia regeert nog altoos daar ginds bij de zee. Vooral in visschersdorpen. Hoe dichter men bij de zee komt, hoe machtiger Maria Theresia is.
Noch de groote revolutie, noch het keizerrijk, noch de Hollanders hebben macht genoeg gehad om haar te onttroonen. Hoe zouden ze ook? Ze hebben niets voor de kinderen der zee gedaan, wat met haar werkzaamheid te vergelijken is.
Want wat heeft zij niet aan de menschen op de duinen gegeven! Dat is niet genoeg te waardeeren, medeburgers.
Voor ongeveer honderdvijftig jaar, onder haar eerste regeeringstijd, deed zij een reis naar België. Toen kwam zij te Brussel en te Brugge; ze kwam naar Luik en Leuven en toen ze eindelijk genoeg van de groote steden gezien had en van de met schilderijen versierde stadhuizen, kwam ze ook naar de kust om de zee en de duinen te zien.
Dat was niet vroolijk voor haar om te zien. Zij zag de zee, te groot en te machtig, dan dat een mensch haar kan bestrijden. Zij zag de kust, hulpeloos en onbeschermd. Daar waren duinen, maar de zee was vroeger over hen heen gespoeld en kon het weer doen. Er waren ook enkele dijken, maar zij waren vervallen en ingestort.
Daar zag ze verzande havens, daar zag ze moerassen, zóó doorweekt, dat enkel riet en biezen er groeien wilden; daar zag ze visschershutten door den storm vernield, beneden aan de duinen gebouwd, als in zee geworpen, en daar zag ze armoedige, oude kerkjes, die steeds meer door de zee omringd werden en ver weg op drijfzand en in onbereikbare eenzaamheid lagen.
De groote keizerin zat een heelen dag aan de zee. Zij liet zich vertellen van overstroomingen en weggespoelde dorpen. Zij liet zich de plaats aanwijzen, waar een geheele landstreek in zee gezonken was. Zij liet er zich heen roeien, daar stond een oude kerk op den bodem van de zee. En ze liet berekenen, hoeveel menschen er al verdronken waren, en al het vee, dat verloren gegaan was, toen de zee de laatste keer tot binnen de duinen was doorgedrongen.
En dien heelen dag dacht de keizerin in zichzelf: hoe moet ik dit arme volk op de duinen toch helpen? Ik kan de zee toch niet verbieden te stijgen en te dalen, ik kan haar niet verbieden het strand te ondermijnen. Evenmin kan ik den wind aan banden leggen of hem beletten de booten van de visschers stuk te slaan. En allerminst kan ik de visschen in hun netten zenden of de biezen door voedende boekweit vervangen. Er is geen monarch in de wereld, die zoo sterk is, dat hij dit arme volk uit zijn ongeluk kan helpen.
De volgende dag was een Zondag en de keizerin ging naar de mis in Blankenberghe. Daar waren alle kustbewoners, zelfs van Duinkerken tot Sluis om haar te zien. Maar vóór de mis ging de keizerin rond en sprak met het volk.
De eerste, die ze ontmoette was de havenmeester van Nieuwpoort.
„Wat nieuws is er in uw stad?” vroeg de keizerin.
„Niets,” antwoordde de havenmeester, „niets anders, dan dat Cornelis Aertsen's boot gisteren nacht als door een valwind is omslagen en dat hij van morgen bij de kust gevonden is, zittend op de kiel van zijn boot.”
„Gelukkig, dat hij het leven redde,” zei de keizerin.
„Dat is nog niet zeker,” zei de havenmeester, „want hij was krankzinnig, toen men hem aan land bracht.”
„Was dat van schrik?” vroeg de keizerin.
„Ja,” zei de havenmeester, „'t was omdat we hier in Nieuwpoort niets hebben om op te vertrouwen in tijd van nood. Cornelis wist, dat zijn vrouw en kindertjes doodhongeren zouden, als hij omkwam, en die gedachte maakte hem zeker krankzinnig.”
„Dus, dat, wat u hier in de duinen eigenlijk noodig hebt,” zei de keizerin, „is iets om op te vertrouwen.”
„Ja, dat is het,” zei de havenmeester. „De zee is onzeker, de visscherij en alle verdienste zijn onzeker. We moeten iets hebben, waar we op rekenen kunnen.”
De keizerin ging verder tot ze bij den predikant van Heyst kwam.
„Is er iets nieuws in Heyst?” vroeg zij hem.
„Niets nieuws,” antwoordde hij, „alleen heeft Jacob van Ravestein opgehouden met het aanleggen van dijken, met het uitgraven van de haven, met het bouwen van den vuurtoren en met alle andere nuttige werken, waarmee hij begonnen was.”
„Hoe komt dat?” zei de keizerin.
„Hij heeft een erfenis gekregen,” zei de predikant, „en die vindt hij kleiner, dan hij verwachtte.”
„Maar nu heeft hij toch iets vast,” zei de keizerin.
„Ja zeker,” antwoordde de predikant, „maar nu hij het geld in handen heeft, durft hij geen groot werk meer aan, uit angst, dat het niet toereikend zal zijn.”
„Dus het moet iets onmetelijk groots zijn, dat u hier in Heyst noodig heeft, om de menschen te helpen,” zei de keizerin.
„Ja, zoo is het,” zei de predikant, „er is oneindig veel te doen en niets kan gedaan worden eer we iets onmetelijk groots hebben om op te steunen.”
De keizerin ging verder, tot ze bij den loods in Middelkerke kwam en vroeg ook hem naar nieuws van zijn stad.
„Niets nieuws weet ik te vertellen,” zei de loods, „dan dat Jan van der Meer ongenoegen heeft met Lucas Neerwinden.”
„Werkelijk?”
„Ja, zij hebben nu die plaats in zee gevonden, waar zoo'n massa kabeljauw is, en waar ze levenslang naar gezocht hebben. Ze hadden er van oudsher van hooren vertellen en hebben op zee rondgezworven om die te vinden. En ze waren de beste vrienden, tot ze die plek gevonden hebben, en daarna hebben ze twist gekregen.”
„Dan was het maar beter, dat ze die nooit gevonden hadden,” zei de keizerin.
„Ja,” zei de loods, „dat was zeker beter geweest.”
„Dus wat u hier in Middelkerke zou kunnen helpen,” zei de keizerin, „zou iets moeten zijn, dat zóó verborgen was, dat niemand het vinden kon.”
„Juist,” zei de loods, „goed verborgen moest het zijn, want als iemand het vinden kon, zou er niets dan gekibbel en vijandschap van komen en 't zou gauw opgebruikt zijn en dan kon 't geen nut meer doen.”
De keizerin zuchtte en voelde, dat ze niets doen kon. Ze ging later naar de mis en onder de geheele godsdienstoefening lag zij op de knieën en smeekte, dat zij 't volk toch mocht kunnen helpen. En, met uw verlof, medeburgers, aan 't eind van de mis was het haar duidelijk geworden, dat het beter was weinig dan niets te doen. Toen het volk uit de mis kwam, ging ze op de stoep van de kerk staan om tot hen te spreken.
Geen mensch uit West-Vlaanderen zal ooit vergeten, hoe zij er uitzag. Mooi als een keizerin was ze en gekleed als een keizerin.
Zij had zich de kroon en den mantel laten brengen en de staf in de hand genomen. Zij had hoog opgestoken, wit gepoederd haar en een snoer groote echte paarlen door de golvende lokken gevlochten. Ze was in schitterende roode zijde gekleed, en heel haar gewaad was overtrokken met echte vlaamsche kant. Ze had roode schoenen met hooge hakken en juweelen gespen op de wreef. Zoo ziet ze er nog uit en regeert over West-Vlaanderen tot op dezen dag toe.
Nu sprak ze tot de kustbewoners en maakte hun haar wil bekend.
Zij zei hun hoe ze gepeinsd had, om middelen te vinden om hen te helpen.
Zij zei, dat ze wel wisten, dat zij de zee niet tot kalmte kon dwingen of den wind vastbinden, dat ze de visschen niet naar de kust kon voeren of de biezen in boekweit veranderen. Maar wat zij, armzalig mensch, voor hen doen kon, zou ze doen.
Allen lagen geknield, terwijl ze sprak. Nooit te voren hadden ze zóó het kloppen van een zacht moederlijk hart gevoeld. De keizerin sprak met hen over hun moeilijk leven, zoodat ze schreiden uit dankbaarheid voor haar medelijden.
Maar nu, zei de keizerin, was ze besloten hun haar schatkist te laten met alle schatten, die er in waren. Die zou een geschenk zijn voor allen, die op de duinen woonden. Het was de eenige hulp, die ze geven kon en ze vroeg hun haar te vergeven, dat die zoo klein was. En ze had tranen in de oogen toen ze dat zei.
Ze vroeg hun nu of ze beloven wilden en zweren dien schat niet aan te spreken, voor de nood zóó hoog was, dat hij niet hooger stijgen kon. En verder, of ze wilden zweren, dat ze dien aan hun erfgenamen na zouden laten, als ze dien zelf niet noodig hadden. En eindelijk smeekte ze ieder afzonderlijk, dat hij niet voor zichzelf den schat zou gebruiken, zonder eerst de geheele visschersbevolking te hooren.
Of ze dat zweren wilden? Ja, dat wilden ze allen. En zij zegenden de keizerin en schreiden van dankbaarheid. En zij schreide ook en zei, dat ze wel wist, dat ze een steun noodig hadden, die hun nooit begaf, en oneindige schatten en een onbereikbaar geluk, maar dat kon ze hun niet geven. Ze had zich nooit zoo machteloos gevoeld, als hier buiten in de duinen.
Medeburgers, zonder dat zij 't wist, door de hooge regentenwijsheid, die in deze groote vrouw was, is het haar toch gelukt nog meer goed te doen dan ze bedoelde, en daarom kan men zeggen, dat ze nog heden in West-Vlaanderen regeert.
Ge zult er van genieten, als ge van al den zegen hoort, die het geschenk van de keizerin over West-Vlaanderen heeft gebracht. Nu hebben de menschen daar iets, waar ze op vertrouwen kunnen, wat ze zoo noodig hadden,—wat wij allen zoo noodig hebben. Hoe groot de nood ook wezen kan, dáár wanhoopt men niet.
Men heeft mij gezegd hoe de schatkist van de keizerin er uitziet. Zooals het kistje van de heilige Ursula in Brugge, zei men, en zelfs nog mooier. Het is een reproductie van de domkerk in Weenen en van het zuiverste goud; maar op de zijwanden ziet men het leven van de keizerin in het helderste albast afgebeeld. Op de vier kleine zijtorens schitteren de vier diamanten, die de keizerin uit de kroon van den Sultan van Turkije gerukt heeft en op den gevel is haar naam ingelegd met robijnen. Maar toen ik hun vroeg of ze het kistje gezien hadden, zeiden ze, dat de schipbreukelingen, die in levensgevaar zijn, het altijd vóór zich zien op de golven, als een teeken, dat ze niet moeten wanhopen voor vrouw en kinderen, als ze die moeten verlaten.
Maar dit zijn de eenigen, die het kistje gezien hebben; anders is niemand het zóó nabij gekomen, dat hij het kon onderscheiden. En ge weet, medeburgers, dat de keizerin niet gezegd heeft, hoeveel het bevatte. Maar als ge er soms aan twijfelen mocht of het nuttig was en nog is, dan zou ik u willen aanraden naar de zee te reizen en zelf te zien. Sinds dien tijd is er steeds gegraven en gebouwd, en de zee is nu bedwongen door golfbrekers en dijken en doet geen schade meer, en er zijn groene velden binnen de duinrijen en badplaatsen en steeds in bloei toenemende steden aan den zeekant. Maar bij iederen vuurtoren, die gebouwd is, bij iedere haven, die werd uitgediept, bij ieder schip, waarvan de bouw begonnen werd, en iederen dijk, die werd opgeworpen, heeft men gedacht: „Als ons geld niet toereikend is, helpt ons de genadige keizerin Maria Theresia. Maar dat was maar een aanmoediging; het eigen geld was altijd voldoende.
Ge weet ook, dat de keizerin niet zei, waar zich de schat bevond. Was dat niet goed bedacht, medeburgers? Iemand bewaart dien, maar niet vóór allen hebben besloten dien te deelen, mag hij, die hem bewaart, zich aanmelden en zeggen waar de schat is. Daardoor weet men, dat hij nu noch later onrechtvaardig verdeeld worden zal. Hij komt aan allen toe. Ieder weet, dat de keizerin aan hem evenveel denkt als aan zijn buurman. Daar bij die menschen kan geen twist of afgunst ontstaan, want het beste bezitten ze allen in gemeenschap.””
De Bisschop viel pater Verneau in de rede.
„Het is genoeg. Hoe hebt u het slot gemaakt?”
„Ik zei hun,” sprak de monnik, „dat het een groot ongeluk was, dat de goede keizerin ook niet naar Charleroi gekomen was. Ik beklaagde hen, dat zij haar schatkist niet bezaten. Met de groote dingen, die zij voornemens waren te doen, met de zee, die ze moesten beteugelen, en het drijfzand, dat ze moesten regeeren, zei ik, was er zeker niets, dat ze noodiger hadden.”
„En....?” vroeg de bisschop.
„Een paar koolrapen, Monseigneur, en hier en daar fluiten, toen ik den preekstoel al af was. Anders niets.”
„Ze hadden begrepen,” zei de Bisschop, „dat u van Gods voorzienigheid tot hen gesproken hadt.”
De monnik boog.
„Zij hadden begrepen, dat u hun wilde toonen, dat de macht, die ze hoonden, omdat ze haar niet zien, zich verbergen moest. Dat ze misbruikt zou worden, zoodra ze zich in zichtbaren vorm openbaarde. Ik maak u mijn compliment.”
De monnik trok zich buigend tot aan de deur terug.
De bisschop volgde hem stralend van welwillendheid.
„Maar de schatkist...., gelooven ze daar nog aan.”
„Of ze er aan gelooven!—Ja zeker, Monseigneur.”
„En de schat? Was er ooit een schat?”
„Met uw verlof, Monseigneur,—ik heb het gezworen.”
„Nu ja,—maar voor mij...” zei de bisschop.
„De predikant te Blankenberge bewaart hem. Hij heeft hem mij laten zien. Het is een klein houten kistje met ijzer beslag.”
„En....?”
„Op den bodem liggen twintig blanke daalders van Maria Theresia.”
De bisschop glimlachte, maar werd spoedig weer ernstig.
„Kan men nu zulk een kistje met de Voorzienigheid vergelijken?”
„Alle vergelijkingen zijn gebrekkig, Monseigneur. Alle menschelijke voorstellingen zijn ijdel.”
Pater Verneau boog nog eens en gleed uit het vertrek.