XII.

Waarin de assistent Ygeen een verstandigen raad geeft, die driftig door Dr. Ox wordt van de hand gewezen.

»Wel! meester,” zei de assistent Ygeen den volgenden dag, terwijl hij emmers met zwavelzuur in den bak zijner enorme batterijen uitstortte.

»Wel!” hernam dokter Ox, »had ik geen gelijk? Daarvan hangt nu niet alleen de physische ontwikkeling van een geheele natie af, maar haar zedelijkheid, haar waardigheid, haar talenten, haar politieke zin! ’t Is maar een quaestie van moleculen.”

»Zeker, maar...”

»Maar?...”

»Vindt u niet, dat het nu al wel zoo is en dat die arme duivels nu genoeg overprikkeld zijn?”

»Neen! neen!” riep de dokter uit, »neen! ’k houd tot het einde toe vol.”

»Zooals u wilt, meester, ofschoon de proef, naar ’t me voorkomt, genoeg bewijst en daarom dunkt me, zou het tijd zijn om...”

»Om?...”

»De kraan te sluiten.”

»Nu nog mooier!” riep dokter Ox uit. » Probeer het eens als je ’t hart hebt!”