De hooge berg waar aarde gevonden werd, »die wel geleeck naer minerael ende scheen silver bij hem te hebben,” noemde Vries de Mineraelberch, en nam op den 23 Junij van dat lant, hetwelk men voor een eilant hield[104] digt bij de kust van Amerika gelegen, namens de Compagnie bezit, en gaf aan hetzelve den naam van het Compagnyslant[105]. Reeds tegen het einde van de zesde eeuw waren de Japanners met het zuidelijkste gedeelte van Jezo bekend geworden, dat zij Watari simano Jezo, d. i.: Overvaart eiland van Jezo noemden, omdat toenmaals ook nog het noordelijkste gedeelte van Nippon, Jezo genoemd werd. De Kuril’sche eilanden, namelijk de zuidelijkste, die zij Figasi Jezo, d. i.: Oost Jezo noemen, zijn eerst bij toeval in het jaar 1672 door een Japanschen kustvaarder, die daarhenen door eenen storm verslagen geworden is, ontdekt geworden. De Russen hebben dezelve, kort na hunne vestiging op Kamtschatka, leeren kennen en, zoo als boven gezegd is, in de jaren 1737-39 door Spangberg en Walton doen onderzoeken. In het begin dezer eeuw zijn somtijds jagers, zoogenoemde Promuschlenike, van de Russisch-Amerikaansche pelterij-compagnie naar Urup overgekomen, dat, wegens de vele zee-otters[106] die zich daar ophielden, ook Rakkosima door de Japanners genoemd wordt. Omtrent het jaar 1840 dreven de Russen op dat eiland met de Aino’s en met de Japanners, die daar om te visschen kwamen, eenen ruilhandel, die de Japansche regering stilzwijgende scheen te gedogen. In 1854, den 3 September, werd van twee fransche fregatten, behoorende bij het naar Kamtschatka gezondene smaldeel, namens de verbonden Westersche zeemogendheden, van het eiland Urup »den zetel van den Russischen handel op de Kurilen” bezit genomen en aan dit eiland de naam »Alliance” gegeven. Toenmaals was Urup nog geen Keizerl. Russisch gebied, het behoorde wel degelijk nog onder Japan, waar het ook op Sakusajemon’s kaart nog als zoodanig geplaatst is. Maar de Keizerlijk Russische gezant, admiraal Putiatine, was juist ten dien tijde op Japan en had aan het hof van Jedo een tractaat van vrede en handel aangeboden, waarin door den Keizer Nicolaas voorgesteld werd dat: »de grenzen tusschen Rusland en Japan, zullen zijn tusschen de eilanden Iterup (Staaten eiland) en Urup (Compagnie eiland).” Volgens art. 2 van het tractaat in ’t voorleden jaar 1856 tusschen Japan en Rusland gesloten, »behoort Urup tot de Russische bezittingen.” En gelijk wij onlangs vernomen hebben, is aan de Russisch-Amerikaansche Compagnie eene concessie verleend geworden om de op dit eiland ontdekte kopermijnen te ontginnen. Ziedaar de geschiedenis van ons verwaarloosd Compagnyslant! Urup strekt N.O. en Z.W. en breidt zich, volgens de waarnemingen van Golownin, van Caep van der Lijn, 45° 39′ N. en 149° 34′ O., tot Kaap Castricum 46° 16′ N. en 150° 22′ O. uit. Van Kaap Castricum strekt nog, volgens Sakusajemon’s kaart, eene landtong 6 Ri ver N.O. uit. Op Golownin’s kaart is die veel kleiner en met rotsen eindigende aangegeven. Von Krusenstern heeft de geheele lengte van dit eiland op 54 eng. mijlen berekend, hetwelk ook vrij goed met de meergemelde Japansche originele kaart overeenkomt. Ook de geheele gedaante en de configuratie van de kust is zeer overeenstemmende. In het zuiden neemt men den hoogen Mineraelberch, Kabiop genoemd, achter welke de kust inloopt en eene bogt vormt, en langs het noordelijke gedeelte van de westzijde eene reeks van kegelbergen waar, die met een voorgebergte K. Nobu (Castricum) eindigen. Ook aan de oostkust bevinden zich eenige bogten, waarvan de baai van Wanan, ongeveer in het midden gelegen, zich als een goede haven vertoont.
Nog willen wij aanstippen, dat de »Steyle clip, die (in het Z.Z.W. 31⁄2 mijl van den ankerplaats) omtrent een musquetschoot van lant leyt, ende is gelyck eene pyramida ende was vol meeuwen, dan was soo steyl, dat daer niet mogelyck was op te comen, deze clip was wel een musquetschoot hooch,” ook door Golownin op 1⁄2 Eng. mijl afstands van den Z.hoek van Urup gezien is, het op Jansson’s kaart aangegeven rif echter niet waargenomen werd. Golownin en Ricord, die de Straat de Vries drie keeren gepasseerd zijn, deelen niets over de strooming in deze straat mede. Op Sakusajemon’s kaart is de strooming in het midden der straat naar Z.O. aangegeven. Volgens de waarnemingen in het Journael op den 5 Augustus was »met een doorgaende N.wind” »de deyninge seer hol de straet doorrollende uyt een N.N.O.” Daarentegen vermeent de stuurman Coen, op den 20 Junij, het Canaal »eerst om de N.W. ende voorts om de N. doorgedreven” te zijn; de wind was toen variabel, doch de heerschende van dat jaargetijde Z.O. en Z.W.; daaruit mag men besluiten, dat de winden een wezenlijken invloed op de strooming in deze straat uitoefenen, en dat, daar in dat zeegewest, van de maand Mei tot Augustus meestal zuidelijke en van Augustus af aan noordelijke winden waaijen, de strooming gedurende de drie eerste maanden om de N. en vervolgens om de Z. loopt.
Van hier nam Vries eenen N. en N.W. koers tot op de breedte van 47° 27′ N., waar hij besloot wederom naar de Z. te keeren. Mogt hij dezen koers langer vervolgd hebben, dan zoude hij in de zee van Ochots verdwaald zijn. Zoodoende werd door hem de westkust van Jetorop onderzocht, de straat die dat eiland van Kunasiri afscheidt, ontdekt en vervolgens langs de noordkust van Jezo de weg gebaand tot de ontdekking van de bogten van Aniwa en van Patientie, het zuidelijk en zuidoostelijk gedeelte van het zoogenoemde schiereiland Saghalien, dat wij later, volgens de belangrijke onderzoekingen van den Japanner Mamia Rinsô, het eerst als een eiland met zijnen waren naam, dien van Krafto, in de geschiedenis der aardrijkskunde geboekt hebben. De uitkomsten van den togt langs de W.kust van Jeterop en van de waarnemingen op de ligplaats bij het Vossen-eiland, aan den westelijke ingang van de straat Antony van Diemen, hebben wij ons reeds ten nutte gemaakt bij de hydro-geographische beschrijving van dat eiland en van deze straat.
Nadat Vries, op den 11 Julij, zijne ankerplaats bij het Vossen-eiland verlaten had, nam hij zijnen koers N.N.W., waar zij echter door een »styve fehemente stroom” zoo tegengehouden werden, dat zij weinig vertierden. Deze stroom om de O.Z.O. loopende—naar de straat toe—verminderde allengs en kon op eenen afstand van 9 mijlen Z.t.O. van den piek Antony niet meer gevoeld worden. Op de gegiste breedte van 45° 26′ N. »deden alsdoen den coers W.S.W. aen, om te vernemen ofte by do. Coers weder geen lant souden opseylen ende by dach mochten in ’t gesicht crygen.” Zij krijgen 80 vadem »steekgrond,” vervolgens 60 vadem zwarte zandgrond, verder 50 vadem graauwe fijne zandgrond, en bemerkten eenige ravelingen van stroom.
Op den 14 Julij ’s middags was men op 45° 39′ gegiste breedte en besloot het land aan te doen, waarvan men volgens het opdrogen van den grond niet verre zijn moest; men vervolgde 3 duitsche mijlen eene N. koers op 46 tot 42 vadem fijn graauwen zandgrond en zag alstoen ten 4 ure des namiddags hoog land in het W.t.Z. Dit land »streckte van N.N.O. tot in het N.N.W. van ons, was op sommige plaetsen tusschen het hooch lant met laech lant aen malcanderen gehecht; het naeste lant lach 4 à 5 mylen van ons, was alsdoen diep 35 vadem, fijne wasige santgront. Saegen corts daernae 2 hooge berghen ende lach gelyck een eylant in ’t O.t.N. omtrent 101⁄2 myl van ons.”
De Straat de Lapérouse. Vries bevond zich van den 13 tot den 14 Julij in het midden der straat die Jezo van Krafto afscheidt, en die eerst 144 jaren later, op den 11 Augustus 1787 door Lapérouse is ontdekt en naar dezen grooten zeevaarder benoemd geworden. Zij »saegen eenige raveling van stroom,” en »het scheen dat hier stroom liep, dan conden door de harde coelte weynich bemerken hoe die liep.” De mist, die het lage kustland bedekte en de toppen van bergen, die in het W.t.Z. tot in het N.N.O. uitstaken, misleidden den kundigen zeeman en lieten hem het land in het W. voor zamenhangende houden en een doortogt in de zich diep naar het N. inbuigende golf zoeken, »hadden veel biesen, groente ende hout sien dryven, wisten niet ofte wy in een doorganch lagen ofte in een bocht geset liggende.”
Volgens de peilingen ten 4 uren na den middag van den 14 Julij gedaan, bevond zich Vries reeds in de Golf van Aniwa, en wel 4 à 5 mijlen O.t.N. van het hooge gebergte (Horobori), hetwelk in eene landtong (Notoro) uitloopt, die door Lapérouse Cap Crillon genoemd werd en de westelijke en zuidelijkste grens van de Golf van Aniwa vormt. Wij hebben dan ook reeds op onze kaart van Krafto (Atlas no. 3) den Horobori als den Blydeberg herkend, die het hooge land, door Vries in het W.t.Z. gezien, zijn moet[107]. Het land dat verder van N.N.W. tot N.N.O. strekt, zijn de bergketen, Poortlandt genoemd, die in het westen van de golf tot den Pic Bernizet van Lapérouse, en regts van de Zalmbaai noordelijk strekken, en op Toknai’s originele kaarten de namen van Okosjô en Niwajemesi (de Speenberg, Vries?) dragen; en de twee hooge bergen kort daarna in het O.t.N. op 101⁄2 mijl afstand gezien, die zich gelijk een eiland vertoonden, zijn de kegelbergen Hôru en Serikai welke tot de ketting behooren, die de oostelijke grens van de golf vormt en wier zuidelijkste uithoek Siretoko genaamd en Caep Aniwa, Vries, is. Deze beide kapen, Cap Crillon (volgens von Krusenstern, op 45° 54′ 15″ N.Br. en 141° 58′ O.L.) en Caep Aniwa (op 46° 8′ 20″ N.Br. en 143° 30′ 20″ O.L.) zijn de noordelijke, en Kaap Soja (op 45° 31′ 15″ N.Br. en 141° 51′ O.L.) de zuidelijke grens der Straat de Lapérouse, die aan den westelijken ingang 23 engl. mijlen breed is. Behalve de klip la Dangereuse, 10 engl. mijlen in het Z.O. van Cap Crillon op 45° 47′ 15″ N.Br. en 142° 8′ 45″ N.Br. en 142° 8′ 45″ O.L. gelegen, en die dezen naam draagt, omdat dezelve even boven water ligt en mogelijk bij hoog water onder water. In een’ afstand van 2-3 engl. mijlen daarvan, vonden Lapérouse en Krusenstern 23 à 25 vadem rotsigen grond met kleine steentjes. Beide zeevaarders hebben ook eene sterke strooming (von Krusenstern half Mei om de oost) waargenomen; Lapérouse merkt op, dat de strooming harder aan de noordzijde van de straat, aan de zijde van Krafto, dan aan de zuidzijde, die van Jezo, liep. De diepte in het midden der straat aan den westelijken, den naauwsten, ingang, door Lapérouse en von Krusenstern waargenomen, zijn 36-42 vademen rotsigen grond met kleine steentjes. Vries loodde bij den oostelijken ingang 80 vadem steekgrond en verder, 70 fijne zandgrond; zijne bevonden diepten naar en in de Golf van Aniwa zijn ook grooter als die, welke door von Krusenstern bekend gemaakt zijn. Daar deze waarnemingen bijna een en een halve eeuw uit elkander liggen, zoo mogt men daaruit aanleiding tot de vraag nemen: of dat verschil niet het gevolg kon zijn van verheffing van den bodem der straat, die eene keten van bij voortduring werkzame vuurbergen afbreekt? Dit problema behoort niet alleen tot het gebied van de geologie, het behoort ook wel degelijk tot de hydrographie en verdiende hier en in alle vulkanische landen, van zeevaarders mede in aanmerking genomen te worden. Bij het opzoeken van den westelijken ingang der straat, van het zuiden komende, dienen de eilandjes Risiri en Refunsiri, het eerste met zijne hooge piek, die 50 engl. mijlen uit zee kan gezien worden tot loodsen, en van het noorden komende het eilandje Toto mosori (I. Monneron, Lapérouse). Risiri ligt op 45° 11′ N.Br. en 141° 12′ 15″ O.L.; het eilandje strekt N.N.W. en Z.Z.O. van de kust, ongeveer zeven engl. mijlen lang en drie à vier breed, de oostzijde is stijl, rotsig en schijnt onvruchtbaar te zijn; de westzijde loopt vlakker neer, is ook met rotsen omsingeld, hier en daar echter weelderig begroeid en levert door afwisseling van groene plekken met bosschen een aangenaam gezigt op; de Kegelberg, van welke men duidelijk de vulkanische uitwerkingen en de krater zien kan, is rotsig en dor en in de maand Mei nog gedeeltelijk met sneeuw bedekt. De west- en noordwest-kust heeft eenige inhammen, Toto tomari en Benkaï tomari, die bewoond zijn, en waar zich Japansche wachthuizen bevinden. Ook aan het noordeinde is een gehucht van de Aino’s, en eene wacht, Nakkatomari, en aan de N.O.kust (volgens Toknai), eene bogt Otsutsi tomari, waar een riviertje Kusjônaï uitwatert; van deze bogt gaat een landweg naar Toto tomari. In deze bogt ankeren telkens de Japanners op hunne vaart van Matsmaë naar Kaap Soja. Op eenen afstand van 24 engl. mijlen in het Z.W. gezien, vertoont zich dit eilandje als een vrij in zee staande kegelberg, aan welke men nog in den zomer met sneeuw opgevulde voren waarneemt[108]. Refunsiri ligt op 45° 27′ 45″ N.Br. en 141° 4′ O.L., strekt N.t.O. en Z.t.W. en is ongeveer 10 eng. mijlen lang en vier à vijf breed, met stijle rotsen omgeven, heuvelig, zich naar het N.O.einde in een berg verheffend (Cap Guibert), die echter in vergelijking met de piek van Risiri laag is. Aan de Oostzijde, ongeveer in het midden van het eiland bevindt zich een inham Toitsubeki, waar een Aino dorp en een Japansch wachthuis is en een beschermende ankerplaats voor Japansche schepen gevonden wordt. Ook aan de N.zijde buigt de kust diep in, en vormt eene kom naar een binnenmeer gelijkende. Beide eilandjes waren vroeger, meer dan tegenwoordig, door de Aino’s bewoond. Het vaarwater tusschen beide eilandjes is zuiver, insgelijks de vaart tusschen dezelve en de westkust van Jezo. Van het noorden komende, dient het kleine en laage eilandje Tato mosiri, d. i. Walrussen eiland, tot gids. Het ligt op 46° 9′ N.Br. en 141° 15′ O.L., strekt zeven engl. mijlen N. en W., en is ongeveer 18 engl. mijlen (volgens Lapérouse) van de kust van Krafto verwijdert. Lapérouse en Broughton zijn tusschen dit eilandje en de kust, waar niet minder dan 50 vadem water gevonden wordt, gepasseerd; de laatste heeft het echter niet gezien. Men moet dus bij mistig weer hier voorzigtig zijn, te meer daar de afstand van het eilandje van de kust van Krafto niet juist bepaald is. Wanneer men Toto mosiri gepasseerd is, kan men ook reeds de piek van Risiri zien. Den oostelijken ingang van de straat kenmerkt het hooge gebergte van de oostkust van Krafto, die op 46° 8′ 20″ N.Br. en 143° 30′ 20″ O.L. den zuidelijken en oostelijken uithoek van dat eiland vormt, Siretoko, door Vries Caep Aniwa genoemd. Deze kaap vertoont zich als eene steile, losgescheurde rots met een diep gekloofde punt. Volgens Toknai’s kaart liggen eenige rotsen nog buiten de kaap. Von Krusenstern, die de kaap in een afstand van 5 tot 8 engl. mijlen omzeilde, vond het vaarwater zuiver en loodde 75 vadem kleigrond.
De Golf van Aniwa. Aan Vries hebben wij de ontdekking en eerste kennis, aan von Krusenstern de bevestiging dezer ontdekking en een nader geo-hydrographisch onderzoek van deze golf te danken. De Japansche aardrijkskundigen, namelijk Mogami Toknai, en Mamia Rinso, hebben ons meer bijzonder met de configuratie der kusten, met derzelver uithoeken, bogten en inhammen, met de daar uitwaterende rivieren en beeken, met binnenmeren en ketens van gebergten en met de inlandsche namen daarvan en met al de bewoonde plaatsen bekend gemaakt. Maar niet alleen danken wij aan hun de bijzondere kennis van deze golf; met verre het grootste gedeelte van Krafto hebben ons deze onvermoeide reizigers insgelijks bekend gemaakt. Het voorheen zoo weinig bekende voor een schiereiland gehouden Saghalin is door hunne nasporingen van het vaste land van Azië als het ware afgescheurd en door hen is het binnenste van eene terra incognita ontsloten geworden. Men vergelijke de beste Europische kaart van Krafto die bestaat, de Carte de la Presqu’isle de Saghalin in 1827[109], door von Krusenstern uit de waarnemingen van Vries, Lapérouse, Broughton en zyne belangrijke eigene ontdekkingen zamengesteld, met onze kaart »die Insel Krafto und die Mündung des Mankô (Amur) nach Originalkarten von Mogami Toknai und Mamia Rinzo”[110], en het in de lengte grootste eiland der wereld ligt ontsloten voor onze oogen; een eiland, dat met ons toedoen, volgens art. 2 van het tusschen Rusland en Japan gesloten traktaat, als neutraal verklaard, dus van nu af aan niet alleen voor den wereldhandel geopend, maar ook voor kolonisatie door eene nieuwe bevolking vatbaar is gemaakt[111].
In de veronderstelling, dat in het W. het land gesloten en geen doorgang mogelijk was, had Vries zijnen koers noordelijk vervolgd, op een afstand van 4 mijlen van de kust, die hij Poort Landt noemde. Hij bevond zich volgens gissing op de breedte van 46° 30′ N., bij eene diepte van 23 vademen steekgrond. Hij nam nu een N.O. koers en na dien eenige mijlen met opdrogende diepte tot op 16 vadem steekgrond te hebben vervolgd, kwam bij ten anker. Den 16 Julij »’s morgens was ’t noch mistich weder maer daerde een weynich op, saegen dat in een groote inbocht geset lagen.” Men zette de prauw uit, om eene ankerplaats digter bij den wal op te zoeken, die ook op 10 vadem steekgrond, 1⁄3 mijl van het land, gevonden werd. Aanvankelijk liet men het anker verder naar het land toe, op 6 vadem steenachtige grond vallen, daar dit echter niet wilde houden en het van het land begon te waaijen, zeilde men terug en ging op 91⁄2 vadem steekgrond voor anker, het dorp Aniwa-Tamary (tamari, d.i.: woonoord) N.O. 1⁄2 mijl peilende. »Waeren nu op de gegiste breete van 46° 40′.” Deze inbogt werd de »Salmbay” genoemd, omdat men zich hier rijkelijk van zalm voorzag. Op de meergemelde kaart van »Gedaene Coursen” leest men: »Hier komen haer veel inwoonders aen boort, die haer willen beduiden dat hier in ’t gebergte ’t Silver in overvloet te bekomen is, ook houden zij ’t ijzer waerdiger als ’t Silver.” Ook worden in het Journaal merkwaardige verhalen over de inwoners, waarmede onze zeevaarders in aanraking kwamen, medegedeeld. Daarvan op eene andere plaats.
Alvorens het Journaal teruggevonden en van de meergemelde twee kaarten, die zich in den »Atlas van geteekende Land- en Zeekaarten,” thans bewaard bij het statistiek Bureau van het Ministerie van Koloniën, bevinden, door ons inzage genomen was, berustte de kennis van den door Vries ontdekten Golf van Aniwa, op de kaart van Jansson en op eenige stuksgewijze mededeelingen van zijnen gedenkwaardigen zeetogt door Nicolaes Witsen en anderen, en deze waren ten opzigte van aardrijkskundige bepalingen zeer gebrekkig. Von Krusenstern had niets dan eene kopij van Jansson’s kaart aan boord, waarop de mond van de rivier, waarmede de »Salmbay” eindigt, op 47° 35′ N.Br. geplaatst was. »Es scheint fast unglaublich,” roept hier de groote hydrograaf uit, »wie man einen Fehler von 52 Minuten in der Breite hat begehen können”[112]. En toch een Vries heeft zulk een misslag kunnen begaan? Neen, nimmer! De ankerplaats van het schip Castricum werd door hem volgens gissing bepaald op 46° 40′ N.B. en die was 1⁄2 mijl in het Z.W. van Aniwa Tamary. De ankerplaats van de Nadeshda werd door von Krusenstern sterrekundig bepaald op 46° 41′ 15″ N.Br. en 142° 33′ O.L. op eenen afstand van 21⁄2 engl. mijlen Z. 49° O. van de Japansche faktorij. Daar nu de ankerplaats van von Krusenstern ten hoogsten 3 minuten noordelijker dan die van Vries was, zoo bedraagt het verschil der breedte, door onzen Nederlandschen zeevaarder in 1643 bij gissing bepaald, slechts 2 minuten van de sterrekundige waarnemingen van een der vermaardste hydrographen dezer eeuw. Voegt men daarbij Vries’ bevonden breedte op den 19 Julij, wanneer hij zich op 46° 27′ N. bevond en »alsdoen lach de steylen hoeck beoosten Tamary N.W. 1⁄2 W. 21⁄2 myl van ons, in ’t N. lach het land 21⁄2, in ’t N.O. 3 myl, in ’t O. 5 myl, in ’t S.O.t.S., de veerste hoeck dien wy sien conden, 8 mylen van ons ende gaven dien hoeck de naam van Caep de Aniwa,” en vindt men uit deze sterrekundige en compas-waarnemingen van Vries, dat de »steyle hoeck beoosten Tamary,” op 46° 37′ ligt, en dat die hoek 4′ zuidelijker dan von Krusenstern’s ankerplaats is, zoo bestaat er geen verschil meer omtrent de aardrijkskundige ligging van de Salmbay, zoo als die door onze beide zeevaarders bepaald geworden is. En neemt men daarbij de gegiste breedte van den volgenden middag (20 Julij) in aanmerking, waar Vries giste Z.t.O. 61⁄2 mijl gezeild en op 46° 1′ 30″ te zijn, en Caep Aniwa O.Z.O. 3 à 4 mijlen van zich te hebben, alsdan wordt ook de aardrijkskundige ligging van Caep Aniwa op 45° 59′ N.Br. bepaald, hetwelk een verschil van 3′ 20″ oplevert met de herhaalde sterrekundige waarnemingen van von Krusenstern, volgens welke deze kaap op 46° 2′ 20″ N.Br. ligt. Ook de inham Tofuts genaamd, in het O.t.Z. van den hoek van Tamary gelegen, en een steile rots, op Vries kaarten Piramyda en op Toknai’s kaart Takatsuka, d. i. de hooge grafheuvel genoemd, die wegens den digten mist door von Krusenstern niet konden gezien worden, bestaan en getuigen van de naauwkeurigheid van Vries waarnemingen en gelijktijdig van de getrouwheid der Japansche kaarten, en met regt, zegt Lapérouse, wanneer hij de waarnemingen van onzen zeevaarder nopens den Golf van Aniwa beoordeelt: »précision étonnante pour le temps où fut faite la campagne du Kastricum,”[113] en niet minder streelend is de uitroep van von Krusenstern, toen ik hem in 1834 op de kaarten van Toknai en Rinso de straat aantoonde, die Krafto van het Amurland afscheidt: »Les Japonais m’ont vaincu!”
De Golf van Aniwa, die 90 engl. mijlen wijd en 70 mijlen diep, en voor zoo verre hij haar onderzocht, vrij van gevaren is, biedt eene ruime en tevens veilige ankerplaats langs de kusten, die haar in het O. en W. omgeven en in de zoogenoemde Salmbay, waarmede zij eindigde. Men vindt van 45 tot 10 vademen steekgrond, rondom naar den wal toe regelmatig opdrogende, waar de grond rotsig met steentjes gevonden wordt. Het tijdstip van hoog water bij nieuwe of volle maan kon door von Krusenstern niet naauwkeurig waargenomen worden; hij gelooft echter dat het omstreeks 5 uren zijn zal. Stuurman Coen zegt: »Het water wast hier (aan de Salmbay) een vaem op en neder, meer malen op den dag.” Er waaijen hier ook regelmatig land- en zeewinden, ’s avonds en ’s morgens. Vries nam hard waaijende landwinden en von Krusenstern een frisschen zeewind waar. De strooming die in het midden der Straat van Lapérouse O. loopt, wordt aan de kust van de golf niet gevoeld; daar schijnt, zoo als aan de noordkust van Jezo, door de getijden afwisselende, eene oostelijke en westelijke strooming plaats te hebben. De miswijzing van het kompas bedroeg (1805) aan den oostelijken uitgang van de golf 1° 11′ Oost. Ten tijde van het bezoek van Vries was de golf alleen van Aino’s bewoond; wel had reeds in het begin van de 17 eeuw de vorst van Matsmaë op Jezo, van Kaap Soja uit eene herhaalde expeditie naar Krafto ondernomen; de Japanners bleven daar overwinteren, keerden echter na verloop van eenige jaren terug. De eerste mededeelingen over Krafto, ook Kita-Jezo, d. i. Noord-Jezo genoemd, heeft men aan den Japanschen aardrijkskundige Fajasi Sivei te danken[114]; daaruit blijkt, dat reeds in het begin van de 18e eeuw een handelsverkeer van Jezo uit, met dat land plaats had, en dat men toenmaals daar reeds 22 Aino-dorpen kende. Men veronderstelde, dat dit land door eene hooge bergketen van het land Santan en Mantschu afgescheiden was en beweerde dat de sterke strooming, klippen en banken in de straat tusschen Jezo en Krafto den vaart daar naar toe zeer gevaarlijk maakten. Een eiland Sagalin (Saghalien) wordt op Sivei’s kaart nog bijzonder tegenover den mond van den Amur vertoont, zoo als dat eiland ook op de Chinesche kaarten geplaatst is. Op de meergemelde kaart van Fukutsi Kensok is Krafto reeds als een eiland uitgeteekend en daarop de vaart van Soja naar Siranusi aangewezen. Eerst sedert Augustus 1785, wanneer de meergenoemde Mogami Toknai ook van Soja uit, met een Japansch koopvaardijschip naar Siranusi, niet verre van Cap Crillon, overzettede, is Krafto aan de Japanners nader bekend en van dien tijd af aan van kooplieden onder het toezigt der regering bezocht geworden. Vischvangst en vischhandel hebben tot op den huidigen dag eene levendige verkeering tusschen Jezo, Japan en de Golf van Aniwa onderhouden, die allengs een onuitputbare en onmisbare bron voor het levensonderhoud van de meer en meer toenemende bevolking van het rijk Nippon geworden is.
De Bocht van Patientie. Na de omzeiling van de Caep Aniwa (21 Julij) nam Vries zijnen koers N. en vervolgens N.W. en verder N.W.t.W. en »corts daernaer W.N.W. om te soecken om de W. te komen, hadden slecht water. Giste ’s middachts gezeylt te hebben N.W. 1⁄2 W. 11 mijlen, waeren volgens dien op de breete van 46 gr. 28 min. Omtrent 4 uren naer de middach cregen wy weder de cust van Eso in ’t gesicht, ende was een steile uytsteeckende hoeck met laech afgaende lant om de N. streckende, geleeck wel naer een tonyns hooft, gaeven do. hoeck de naem van Tonyns hoeck, do. hoeck lach W.S.W. 1 myl van ons. Hadden van ’s middachts geseylt 5 mylen W.N.W.; vonden de diepte van 44 vadem steeckgrond, ende corts daernae 58 vadem.” Vries bevond zich toen aan de oostkust van Krafto. Van de Caep Aniwa af aan, die het uiteinde als het ware van eene door eene hooge bergketen gevormde landtong is, kenmerkt zich de oostkust daarvan door vier uithoeken, waar de zuidelijke en kleinste op Toknai’s kaart Tsisinoje, de volgende grootere Hontob (Cap Löwenorn, Krusenstern), dan wederom een kleine uitstekende hoek Niteosi en eene groote met een voorgebergte naar het N. uitloopende hoek aan zijn zuidelijk uiteinde Wojakutsi en aan zijn noordelijk Ajerub genaamd is. Von Krusenstern heeft aan dat noordelijk uiteinde den naam van Cap Tonyn gegeven en de aardrijkskundige ligging daarvan op 46° 50′ N.Br. en 143° 33′ O.L. bepaald, en die van Cap Löwenorn op 46° 23′ 10″ N.Br. en 143° 40′ 20″ O.L. Deze kaap is eene steile uitstekende rots, door zijne gele kleur van andere rotsen verscheiden en kenbaar. Na de kaart van Jansson en van die van de »Gedaene ontdeckinghe” (Atlas von Land- und Seekarten, No. 11. D.) te oordeelen, zoude de Tonyns hoeck zuidelijker liggen en de uithoek Hontob (Cap Löwenorn) zijn; neemt men daarentegen de op den middag van den 23 Julij gegiste waarnemingen van breedte aan boord van de Castricum, 46° 28′ N. en reekent daarbij vijf mijlen met een W.N.W. koers en den afstand van den Tonyns hoeck van 1 mijl W.Z.W.; zoo komt deze hoek op ongeveer 46° 47′ N.Br., dus 24′ noordelijker dan C. Löwenorn en 3′ zuidelijker dan C. Tonyn, Krusenstern, te liggen. Op onze kaart van Krafto (Atlas, No. 3) hebben wij reeds aan het zuidelijke uiteinde, aan Wojakutsi, dat ongeveer 6 à 8 minuten zuidelijker ligt dan von Krusenstern’s C. Tonyn, den naam van Tonyns hoeck toegekend.
Het lage land »tot 3 à 4 myl benoorden de Tonyns hoeck,” is ontwijfelbaar de bogt, die zich van Ajerub (C. Tonyn, Krusenstern) tot Notsuitoko (C. Seniavin, Krusenstern) in eene N.W. rigting uitbreidt, en door von Krusenstern, Mordwinoff’s baai genoemd werd. Onze meergenoemde Japansche reizigers hebben ons deze bogt nader leeren kennen en wij zien daar eenen diepen inham en een groot binnenmeer, Omutô, dat door eene rivier in zee uitwatert en door een ander riviertje en drie meer zuidelijk gelegene kleinere meren, Tsisikusitô, Hotoma en Tôfuts, eenen weg ter verbinding met den Golf van Aniwa opent. Deze communicatie is voor de langs de geheele oostkust van Krafto tot de in de »Bocht Patientie” wonende bevolking zeer nuttig, omdat zij daardoor ontheven zijn van met hunne kleine vaartuigen de Caep Aniwa om te zeilen, wanneer zij ten handel daar naartoe willen komen (vergelijk Atlas, No. 3).
Den 24 Julij. »Wy vervolchden onse cours om de N.N.W. aen. Giste ’s middachts geseylt te hebben N. 2⁄3 W. 15 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 47 gr. 27 min., maer bevonden ons te wesen op de breete van 47 gr. 49 min., soodat ons de stroom wat om de N. geset had, omtrent 3 mylen veerder als gegist hadden. Alsdoen lach het lant in ’t S.W.t.W. 5 mylen ende in ’t W. 6 mylen van ons. In ’t N.W. 1⁄2 W. lach een hoogen berch met een scherp toppie boven op, gaeven die de naem van Tepelberch, ende lach 10 à 11 mylen van ons. Conden noch in ’t N.W.t.N. lant sien, ’t welck noch al N.waert heenstreckte. Hadden alsdoen de diepte van 55 vadem, steckgront.” Volgens deze waarnemingen en verkenningen bevonden zich onze zeevaarders tusschen Cap Seniavin en Cap Muloffsky, Krusenstern, die op Toknai’s kaart de namen Notsuitoko en Sjojunkotan dragen en waarvan de eerste op 47° 16′ 30″ N.B. en 143° O.L. en de laatste op 47° 57′ 40″ N.Br. en 142° 44′ O.L. door von Krusenstern geplaatst is. Ongeveer naar het midden van deze kuststreek toe wordt het land lager, valt naar het W. af, en vormt eene bogt, waar de grootste rivier op de oostkust, de Naifuts. zich in zee stort, en de bergketen, die Z.W. en N.O. strekt en die von Krusenstern op het denkbeeld bracht, dat zich daar eene doorvaart opende, is het gebergte, door welks valleijen deze rivier stroomt. De berg dien Coen den »Tepelberch” noemt, is waarschijnlijk dezelfde die op alle andere kaarten van Vries’ zeetogt Speenberg genaamd is. Wij hielden den Speenberg voor het gebergte Niwajemesi, op den regten oever van den Naifuts gelegen. Von Krusenstern die denzelven als een hoogen afgeronden berg beschrijft en op 47° 33′ N.Br. en 142° 20′ O.L. plaatst, meent dat het de op de westkust door Lapérouse geziene piek Bernizet zijn kon, die volgens Lapérouse op 47° 25′ N.Br. en 142° 21′ 20″ O.L. ligt. Daar in het Journael de afstand van den Tepelberch (Speenberg) op 10 à 11 mijlen opgegeven is, zoo kan het niet wel een berg op de oostkust zijn, daar hier (op 471⁄2 gr. N.Br.) Krafto niet veel breeder dan 30 engelsche mijlen is. Op de Japansche kaarten bevinden zich op de oostkust twee bijzonder gekenmerkte bergen, de voormelde Niwajemesi en de Tokitaë. Het is niet onwaarschijnlijk dat de eerste de ronde berg is, die door von Krusenstern, na de omzeiling van zijn Cap Tonyn (Ajerub) is gezien geworden[115], en de andere die, waarvan in het Journaal (den 24 Julij namiddag) gezegd wordt: »in ’t W.t.N. saegen wy eenige berghen daer spitsies op stonden als stompe torens.” De Tokitaï, die door twee kegelvormige toppen gekenmerkt is, ligt ongeveer op 47° 50′ N.Br., juist in de bogt in het Z. van de Cap Muloffsky, waar de kust zich N.t.O. begint uit te strekken. Nog willen wij de aandacht van zeevaarders op eenige meer naar het N. op de westkust van Krafto gelegene hooge bergen vestigen, die waarschijnlijk ook van de oostzijde van dat eiland kunnen gezien worden. Het zijn de kegelbergen Raitsiska, Jesijaran en Rijonai, waarvan de eerste door Lapérouse Pic de Lamanon genoemd en op 48° 45′ N.Br. en 141° 56′ O.L. geplaatst is en de laatste, Pic de Mongez, ongeveer 38′ noordelijker ligt. Wij hebben meer breedvoerig over deze bergen uitgewijd, omdat in dit zeegebied meestal een digte mist het lage land bedekt en de hoogste bergtoppen dikwijls maar met een blik ten voorschijn komen en tot verkenning dienen kunnen.
Alvorens wij echter deze kust verlaten en mede in de »groote bocht van Eso” zeilen, die zich aan onze zeevaarders in het N.N.W. tot O.Z.O. opende, kunnen wij niet onopgemerkt laten, dat Vries daar eene strooming waarnam, die hem in 24 uren 3 mijlen om de N. zette; en dat aan von Krusenstern, ongeveer op de hoogte van Cap Muloffsky, het land een veel aangenamer gezigt opleverde dan de meer zuidelijk gelegene landstreken van Krafto en Jezo[116]. Mag daartoe reeds de ligging dezer kust naar het oosten en derzelver bescherming door hooge bergketens in het W. en N.W. tot in het N.O. veel bijdragen tot de voortbrenging van een zachter klimaat, toch moet men niet miskennen, dat de uit warmere gewesten naar het noorden stroomende wateren—een zijtak van den meergemelden Japanschen stroom—eenen even gunstigen invloed op deze kust, die zij bespoelen, uitoefenen als de in het noorden tot IJsland doordringende verwarmende vloeden van den Atlantischen Golfstroom. Ook willen wij bij herhaling beweren, dat de in dat zeegewest heerschende mist door de onevenredigheid van de temperatuur van het zeewater tot die van de lucht voortgebragt wordt en gedurende het grootste gedeelte van den zomer aanhoudt.
Op de gegiste breedte van 48° 25′ N.Br., waar men de bogt door hoog land van W.Z.W. tot in het N.O. begrensd zag, lag W.t.N. 1⁄2 N. op een afstand van 8 à 9 mijlen »een hooge hoeck, geleeck wel een eylant, ende was geheel gehackelt boven op gelyck of het een saech was.” Deze uithoek is hoogst waarschijnlijk het voorgebergte, dat door een bergrug gevormd wordt, die N. en Z. strekt, steil aan den oever der zee neerloopt en zich als geheel vrijstaande vertoont, en op de Japansche kaarten Uri en door von Krusenstern Cap Dalrymple genoemd en op 48° 21′ N.Br. en 142° 50′ O.L. geplaatst is. De kust die van de Cap Muloffsky aan N.t.O. strekt, neemt van Cap Dalrymple af aan eene noordelijke rigting. Daar Vries van den 25 tot den 26 Julij eenen N.N.O. koers vervolgde, zoo kon hij Cap Soimonoff, een hoog, ver naar het O. uitstekend voorland, dat men ligt voor een eilandje houden kon, in het W. niet duidelijk gezien hebben. Het land echter dat ’s middags den 26, wanneer Vries zich op 48° 56′ N.Br. bevond, 61⁄2 mijl in het W. gezien werd, kan niets anders dan deze kaap zijn, die, volgens de waarnemingen van von Krusenstern, op de breedte van 48° 52′ 30″ en 143° 1′ 30″ O.L. ligt. Van deze kaap aan strekt de kust al wederom meer westelijk en vormt eene bogt, die op Jansson’s kaart en op die van »Gedaene Ontdeckinghe” de »bocht van Sainct-Iacob” genaamd is, waarvan echter in het Journael niets vermeld wordt. De groote rivier Boronai, die in het meer Sânai zijn oorsprong heeft, dat in het midden van het breedste gedeelte van Krafto, op de breedte van ongeveer 501⁄2 gr., een waterbekken vormt, rondom van hoog sneeuwgebergte omgeven[117], aan de N.W.zijde van deze bogt in delta-gedaante uitwatert, en twee meeren voedt, die zich regts en links wijd uitbreiden, deze is het en zijn ruim stroomgebied, dat van verre gezien, zich als eene diepe bogt vertoont. Van boord van het schip Castricum is de mond van deze rivier gezien geworden. Ook von Krusenstern heeft den mond dezer rivier van nabij onderzocht: »Wir entdeckten zwei Mündungen, von welchen die nördliche, welche auch die grösste war, in N.W. 72° lag. Die Mündung dieses Flusses, welche ich die Newa nannte, ist über eine halbe Meile (engl.) breit. Sie liegt in 49° 14′ 40″ N.Br. und 143° 2′ O.L.”[118].
’s Namiddags den 26 Julij 31⁄2 mijl O.t.Z. gezeild zijnde, kwam Vries ten 6 ure ten anker op 18 vadem steekgrond met kleine steentjes vermengt. Hij bevond zich omtrent 11⁄2 mijl van het land, op 48 gr. 54 min. »Hadden een hoeck alwaer wy geen lant buyten sien conden, als een cleyn eylantie S.O.t.O. 5 mylen van ons ende do. eylantie lach S.S.O. 4 mylen van ons. Het lant van do. hoeck streckt om de N.W. soo veer wy conden beoogen.” Deze hoek is benaamd geworden Caep Patientie en het eilandje Robben eylant. Von Krusenstern ging, nadat hij de bogt rondom van nabij omgezeild had, ook aan de oostzijde van de bogt op 11 vadem kleigrond voor anker. Op zijne kaart (Atlas No. LXXIII) is de ankerplaats van de Nadeshda op 49° 11′ N.Br. en 142° 10′ O.L. aangeteekend; dus 17′ noordelijker en 8′ westelijker dan die van het Castricum. Volgens zijne waarnemingen ligt de noordelijkste grens van de bogt op 49° 19′ N.Br., terwijl naar de bepaling van de ankerplaats van Vries, die nog 11⁄2 mijl van den noordelijken wal afgelegen was, dezelve op 49°, en volgens Jansson’s kaart op 49° 15′ N.Br. ligt. Uit het onderzoek, dat den volgenden dag door den stuurman Janz Coen aan het land is ingesteld geworden, blijkt dat daar de landtong, die naar de Caep Patientie uitloopt, niet breeder dan een mijl is, dat men de zee aan de oostkust kon hooren ruischen en van eene hoogte uit zien; ook heeft men het groote binnenmeer van Taraika duidelijk kunnen onderscheiden, dat op Toknai’s kaart in den achtergrond der bogt zich diep in het land uitbreidt. Ook werden door hem Aino-woningen langs het noordwestelijke strand gevonden en eenige daarvan bezocht. Daaruit laat zich afleiden, dat het schip Castricum veel zuidelijker en oostelijker geankerd lag dan de Nadeshda, van welke de Luit. Ratmanoff met een boot de noordelijke kust onderzocht, en de mond van eene rivier ontdekt heeft, die 15 vadem wijd, 7 voet diep en zeer vischrijk was, en welke hij vijf engl. mijlen ver opgevaren is. Deze rivier, die haren oorsprong neemt in het hooge gebergte, dat zich van 50 tot 501⁄2 gr. breedte uitbreidt, is, naast de Boronai, de grootste die in de bogt uitwatert. Haar mond is op Toknai’s kaart tusschen de Aino-dorpen Nokoro en Nifiktoi. Coen vond het eene schoone landouw, maar nog eene groote plek sneeuw op het strand, en Ratmanoff het land deels modderig, deels met eenen vetten, zwarten grond bedekt. In het laatst van Mei zag men nog op vele plaatsen sneeuw en de boomen begonnen naauwelijks uit te botten. Nergens bemerkten de Russen sporen van bevolking dan eenige Aino’s die hen ontvlugtten; onze Nederlanders daarentegen vonden woonhuizen, begraafplaatsen en gastvrije inwoners, waarmede zij in vriendschap verkeerden en die zij voor denzelfden landaard als die van het zuiden van Jezo hielden. Mogelijk is het dat de bevolking in dat gedeelte van Krafto sedert 170 jaren verminderd is; doch op de kaart van Toknai van 1786 zijn van de westelijke uitwatering van de Boronai, rondom het meer van Taraika tot aan het Caep Patientie, 96 woonplaatsen met namen opgegeven. Er zijn echter hier meestal jager- en visschernomaden te huis, die meestal eerst van de maand Junij af aan naar de kusten en de monden van de rivieren trekken, om daar hunnen voorraad van visch voor den langdurigen winter te verzamelen.
De Caep Patientie is door von Krusenstern op 48° 52′ N.Br. en 114° 46′ 15″ O.L. geplaatst. Volgens de waarnemingen van Vries zoude dezelve op ongeveer 48° 34′ N.Br. te liggen komen en op de kaart van Jansson is dezelve op 48° 23′ en op de overige kaarten nog zuidelijker geplaatst. Deze kaap is een laag voorgebergte en wordt door eenen dubbelden heuvel gevormd, en loopt in eene lange, platte landtong naar het Z. uit, die duidelijk op Vries kaarten aangewezen is.
In het Z.W.t.Z. van de Caep Patientie werd op den 26 Julij van Vries’ ankerplaats in deze bogt een »Eylantie” Z.Z.O. op 5 mijlen afstand gezien en op den 28en nader onderzocht. »Alsdoen heeft den Commandeur den Stuerman Roelof Sievertsz. met de boot naer do. eylant gestiert om dat te visiteeren; daer aencomende vonden do eylant rontom met onder water liggende clippen beset, siende die wel by een myl op sommige plaetsen veerder in see strecken. Dit rif streckt N. van ’t eylant naar ’t vaste lant, ende oock op syn langst S. in see, maer heeft veel uitsteeckende riffen. Daer streckt oock een punt van een rif N.N.O. af, alwaer noch een groote clip of cleyn eylantie op leyt; deze reven lycken schier aen de hoeck van ’t vaste lant vast te loopen, dan scheen oock wel een nauwe deurganck te hebben.” »Hadden oock by duysende robben op de clippen ende het water vernomen; oock twee cleyne huties met vuerplaesies op ’t eylantie gevonden. Wy gaven het eylant den naem van Robben eylant.” Deze voortreffelijke beschrijving hebben wij woordelijk uit het Journael overgenomen, omdat dezelve tot bijvoegsel dienen mogt van de beschrijving die ons de groote russische hydrograaph daarvan medegedeeld heeft. »Wir sahen in einer Entfernung von höchstens 3 bis 4 Meilen (engl.) das gefährliche Felsenriff, welches das Robben Eyland umgiebt. Es erstreckte sich von N.N.W. 1⁄2 W. bis N.O. Die Wellen brachen sich heftig. Ueberall im Norden sahen wir ein grosses Eisfeld, unter welchem wahrscheinlich die Klippen fortgingen, die wohl auch das weitere Treiben des Eises in dieser Richtung aufhielten. Einzelne Brandungen konnte man nach Osten zu, so weit das Auge reichte wahrnehmen.” »Die Nordost Spitze liegt nach unsern Beobachtungen in 48° 36′ der Breite und 144° 33′ der Länge, und derjenige Theil, den man für die Südwest Spitze ansehen kann, in 48° 28′ und 144° 10′, so dass der ganze Umfang des Riffs gegen 35 engl. Meilen ausmacht[119].” Op Jansson’s kaart is het N.O. punt van het rif op 47° 25′ N.Br. en het Z.W. punt op 47° 8′. Ook zoo zuidelijk ligt het eilandje op de kaart van »Gedaene ontdeckinghe.” Op de kaart van »Gedaene Coursen” echter bevindt zich het midden op ongeveer 48° 12′ geplaatst. Volgens de waarnemingen op Vries’ ankerplaats zoude het Robben Eylant op 48° 31′ der breedte liggen, hetwelk bijna met die van von Krusenstern overeenkomt. Toknai noemt op zijne kaart het Robben eiland: Wotamo siri en de Caep Patientie: Fumonots. De aan boord van de Castricum waargenomene lengte hebben wij om vroeger aangehaalde reden ook hier overgeslagen, en ook niet overal van de diepte en den grond gewaagd, die onze nederlandsche en russische zeevaarders langs de oostkust van Krafto en in de Bocht Patientie zoo zorgvuldig aangeteekend hebben. Aan boord van de Castricum, die zich verder van de kust gehouden heeft, zijn 60 tot 34 vadem meestal steekgrond (kleigrond) tot op de parallel van het Robben eiland en verder de bogt in tot op een afstand van 11⁄2 mijl van den wal, 18 vadem steekgrond met kleine steentjes vermengd, gelood geworden. Aan boord der Nadeshda, die eenige malen de kust op korter afstand genaderd is en zich wederom verder verwijderd heeft, peilde men de diepte van 95 tot 20 vadem kleigrond, en aan het noordeinde van de Bocht Patientie van 9 tot 4 vadem kort op elkander. Eene mijl in het N.W. van het Robben eiland vond Coen de diepten van 35 vadem steekgrond tot 16 vadem schelp- en singelgrond opgedroogd en 2 mijlen in het Z.t.O. 1⁄2 O. daarvan 10 vadem schelpachtige grond. In het oosten van de Caep Patientie nemen de diepten schielijk toe tot op 80 en 95 vadem, minder en langzamer naar het Z.O. toe, waar op een afstand van 9 mijlen 75 vadem steekgrond gevonden werd. Von Krusenstern, die op zijne kompassen weinig vertrouwen stelde, geeft de miswijzing op zijner tweede ankerplaats (op 49° 13′ 53″ Br. en 143° 48′ 30″ Lengte) gemiddeld op 0° 38′ Oost. Aan boord van de Castricum werd die op 48° 26′ N.Br. op 7° 30′ oostelijk bevonden en »de compassen op 9 gr. oostering geleyt.”
Op den 3 Augustus op de gegiste breedte van 47 gr. 81⁄2 min. werdt »geresolveert, alsoo onse bestemde tyt volgens Instructie van den E. Heer Generael ende Raeden van India geexpireert is, dat men onse best soude doen om weder te comen in de Suytsee, derhalve onse cours naar het Canael de Vries toe te stellen.” De Caep Patientie bekwam dan ook nog de bijnaam »Caep Keer Weer.”
Op den 5 Augustus hebben wij reeds onze stoute zeevaarders in de Straat, die den naam van hunnen Commandeur vereeuwigt, ontmoet en hun verblijf in de Baai »de Goede Hoop” van den 16 Augustus tot den 1 September beschreven en hunne waarnemingen toegelicht en bevestigd. Ook hebben wij reeds hunne ontdekkingen op de terugreis langs de oostkust van Japan en van de eilanden, aan welke wij den naam van eenen nog meer verdienstelijken zeevaarder, Abel Tasman gegeven hebben, in de geschiedenis der ontdekkingen geboekt. Laten wij dan nog den dag vermelden, waarop het fluitschip Castricum, onder het Commando van den Commandeur Maerten Gerritz Vries behouden in den haven van Tayouan op Formosa binnengeloopen is en de uitboezeming van vreugde en dank herhalen, waarmede het Journael eindigd:
»Quaemen—den 18 November 1643—binnen ten ancker op 10 vadem, waervoer wy niet genoech de goede Almachtige Godt connen looven ende dancken, dat Hy ons van dese gedaene peryckeleuse reyse soo genaedelyck bewaert ende hier binnen Tayouan behouden heeft gebracht; Hem sy alleen eer, Amen.”
Hiermede sluit ik mijne geo-hydrographische toelichtingen, waarin ik aan zeevaarders eenige nuttige aanwijzingen en wenken tot de uitbreiding van de aardrijks- en zeevaartkunde gegeven heb. Deze schreef ik met het hoofdoogmerk neder, om dezelve in de handen van de Officieren der Koninklijke Marine, van mannen versiert met kunde en ervaring en meer dan ooit bezield met den geest van onze Nederlandsche zeevaarders in de 17de eeuw, neder te leggen, en bij voorkeur van degenen, die thans te Japan gedétacheerd zijn, aan welke niet alleen de taak van wetenschappelijke verlichting der weetgierige bevolking van dat rijk toevertrouwd, maar aan die nog bijzonder opgedragen is, daar den grondslag te leggen van eene marine volgens Europesche beginselen, en bovendien aan Japan de wereld, aan zijne schepen de vaart in den Grooten Oceaan, en aan zijn volk den wereldhandel te openen. Heeft Nederland’s invloed en vertrouwen de klippen van vooroordeel en achterdocht bij eene regering kunnen wegruimen, die het stelsel van afsluiting als grondstelling tot behoud van rust en vrijheid, niet willekeurig maar door nood gedrongen, aangenomen en eeuwen lang vol gehouden heeft; hebben Nederlanders van geboorte, of mannen met eenen anderen tongval, evenwel door getrouwe en veeljarige diensten aan Nederland verknocht en ingelijfd, van 1641 af, in hunne gevangenis op het afgesloten Dezima, zorgvuldig het verlichtend vuur van de wetenschap als het ware in het geheim weten te onderhouden, welke verwachtingen laten zich thans met regt koesteren, waar het aan de Nederlandsche vertegenwoordigers van de Europesche wetenschap in Japan vergund is, de fakkel der verlichting openlijk en ongehinderd te mogen voordragen en langs den weg van onderwijs aan de Japanners, zichzelven nopens Japansche zaken en wetenschap te onderrigten; en waar hun de schoonste gelegenheid gegeven is, het zoo ver uitgebreide gebied van de geographie en hydrographie, dat, tot voor korten tijd, de vreemdeling niet anders dan op geheime wegen heeft mogen bewandelen, onder de Nederlandsche met de Japansche vereenigde vlag te onderzoeken en door nieuwe waarnemingen en ontdekkingen uit te breiden.