1 Vragen, het ontstaan der wereld betreffende.
2 Toch had ook deze wijsheid, gelijk wij zien zullen, een „metaphysischen grondslag.” Goed staatsburger zijn behoort ook tot het opvolgen van ’s hemels ordeningen.
3 Daar is thans nog de groote tempel ter eere van Confucius, waar den heiligen ouden wijze geschenken worden gebracht.
4 Wij vergeten daarbij echter het woord niet, dat niemand groot is voor zijn kamerdienaar.
5 Mannen van rang dragen twee zwaarden.
6 Hsiao-king.
7 Tahio.
8 Chung yung.
9 Daarom offeren ook gesnedenen, die in hun jeugd door de ouders verkocht zijn om hen te laten ontmannen, aan de gestorven ouders niet, daar dezen hun de vervulling van den plicht der kinderlijke liefde onmogelijk gemaakt hebben. Volwassenen, die zichzelf voor dit doel verkocht hebben, brengen die offers wel: evenals de Boeddhistische (uiteraard ongehuwde) priesters.
10 De Cynici vormden een wijsgeerige school in het oude Griekenland. Zij versmaadden alle beschaving en trachtten naar den grootsten eenvoud: men denke aan Diogenes en zijn ton!
11 Diogenes leefde in de 4e eeuw v. C. Van hem is bekend dat hij den strengsten eenvoud betrachtte: een ton was zijn woning. Van Alexander den Groote vroeg hij als gunst slechts dat de vorst wat op zijde zou gaan om hem niet te berooven van ’t genot van den zonneschijn.
12 Zie blz. 165.
13 vgl. Ev. n. Johannes, hfdst. I.
14 „Jehovah”. Een juistere uitspraak is Jahve.
16 Wij zouden hier eerder „bemoeizucht” verwachten.
17 of liever Boeddhistisch in den geest van „den grooten overtocht”, het latere, sceptische Boeddhisme, zie blz. 118 en 119.
18 Alchimie = het zoeken van den steen der wijzen, necromantie = het bezweren der dooden.
19 Dat de mensch in een droom of onder suggestie in een ongelooflijk korten tijd veel kan doorleven is een feit, door nieuwere onderzoekingen bevestigd.
20 De aanhangers van Confucius en Mencius.
21 de Taipings, die in 1864 van zich deden spreken, wilden de Mandschoe dynastie verdrijven en het zuiver Chineesche element op den voorgrond stellen. De gansche beweging werd echter in bloed gesmoord.
22 men zie over het Lamaïsme blz. 150 enz. van dit werk.
23 incubi zijn geesten, die als mannen met vrouwen den bijslaap uitoefenen, succubi zijn geesten, die dit als vrouwen met mannen doen.
24 deze laatsten wilden wel de Joodsche traditie handhaven, doch hadden zeer veel aan de denkbeelden der Grieken ontleend en in hun philosophie opgenomen.
25 de vertegenwoordiger van het „gewijzigde” Confucianisme, zie blz. 182, 216 en 221.
26 Zie blz. 216 enz.
27 In China zijn geen wettig aangestelde advocaten, daardoor werden rechtszaken behandeld door „winkeladvocaten”, die niet zeer in eere staan, doch bij domme menschen toch maar al te veel invloed hebben. In de omschrijving van deze sententie worden zij geducht doorgehaald, o. a. dit: heeft men ooit gehoord dat een dezer lieden een natuurlijken dood stierf? (m. a. w. zulke ellendelingen treft des hemels straf).
28 Zooals men weet leeft de zijderups op den moerbeiboom.
29 Met die valsche leeringen wordt niet alleen op het Taoïsme en het Boeddhisme, maar ook op het Christendom, bepaald in zijn Roomsch-Katholieken vorm gedoeld. Over het Christendom handelt deze omschrijving: „Zelfs de leer van de „secte van den heer des hemels” (zoo noemen de Chineezen het R. K. geloof) die over den hemel spreekt en over de aarde zwetst en over dingen zonder schaduw en wezen, is valsch en bedorven. Dewijl echter de leeraren van dezen godsdienst met de sterrekunde bekend zijn en in de wiskunde ervaren, gebruikt de regeering hen om den kalender te verbeteren. Dat bewijst echter bij lange niet, dat hun godsdienst goed is. Gij moet hen tot geen prijs geloof schenken. De wet is streng tegen al deze valsche secten. De straf die hen treft is dezelfde als die voor mannelijke en vrouwelijke toovenaars is vastgesteld. De regeering heeft deze wet uitgevaardigd om het volk te verhinderen kwaad te doen en het aan te moedigen goed te doen, van verdorvenheid te wijken en tot de waarheid terug te keeren, gevaar te vermijden en rust te verkrijgen.”
Deze uitspraak is een van de krachtigste hindernissen, die de toelating van het Christendom in den weg staan en misschien nog lang zal nawerken.
30 de bedoeling is deze: iedere klasse heeft hare eigene bezigheid, waaraan zij vast moet houden: de geleerde, de landman, de handwerksman, de koopman. Doen zij dat niet, dan ontbreekt hun bestendigheid, en al arbeiden zij ook den ganschen dag, zoo brengen zij toch niets tot stand. Daarom moet ieder vasthouden aan datgene, wat hij eenmaal begonnen heeft. Behalve de vier zooeven genoemde klassen zijn er nog soldaten—verder nog een klasse van arme lieden, die geen land hebben om te bebouwen, geen geld om handel te drijven, en die geen handwerk hebben geleerd. Tot dezen wordt hier gezegd: „Gij kunt niet anders dan u als daglooners verhuren om in uw levensonderhoud te voorzien, uw rug en uw schouders moeten dragen, weest echter eerlijk en vlijtig, en noch aan eten noch aan drinken zal het u ontbreken.”
31 Tien of honderd familiën vormen eene vereeniging, die solidair voor elkaars medeleden verantwoordelijk is. Zoo worden b.v., als iemand een deserteur heeft geherbergd, de vijf huizen rechts en de vijf huizen links medegestraft. Toen er in 1891 opstand in Mongolië was, werd deze organisatie weer in herinnering gebracht en scherp doorgevoerd. In ieder huis moest een tafel zijn, waarop de namen van alle bewoners van het huis stonden vermeld.
32 Trigrammen, uit drie, hexagrammen, uit zes letters bestaande teekens, waaraan men een geheimzinnige waarde toekende. Zie ook blz. 221 en 222.
33 220–205 v. C.
34 deze leefde van 371–288 v. C.
35 Zie blz. 180.
36 zie bladz. 228 enz.
37 Zie blz. 191.
38 Zie blz. 202 enz.
39 Zie blz. 193 enz.