„Zoolang nu de kassen zelf konden uitkeeren, zouden de gemeentebesturen, door middel hunner organen voor de werkloosheidsverzekering—n.l. de gemeentelijke werkloozenfondsen—de uitkeeringen aanvullen, door daarop een toeslag van 100% te geven, in aansluiting aan de tot nu toe gevolgde practijk. De steun bij werkloosheid zoude op deze wijze aanvankelijk voor de helft voor rekening der kassen, voor de wederhelft voor rekening der gemeenten komen.
„Hierbij werd echter een bepaling gevoegd, die aanstonds ook aan het Rijk een blijvend aandeel der kosten oplegde. De uitkeeringen uit de kassen der arbeiders en de bijslag uit de gemeentelijke fondsen waren n.l., voordat in zake werkloosheidsverzekering eene noodregeling in het leven trad, door statuten en reglementen aan bepalingen gebonden. Zoo moesten de arbeiders gedurende een bepaalden termijn contributie hebben betaald, alvorens recht op uitkeering te bezitten; voorts moesten zij doorgaans een bepaalden tijd in de gemeente hebben gewoond, alvorens bijslag kon worden verkregen. Aan de andere zijde bezaten de verzekerden het recht op uitkeering of bijslag slechts voor een beperkten duur der werkloosheid, waarna zij zoogenaamd „uitgetrokken” waren. Deze beperkende bepalingen, die uitkeering en bijslag aan onderling nog al afwijkende termijnen bonden, zouden tijdens de noodregeling vervallen (behoudens dat een termijn van drie maanden voor de contributiebetaling werd gesteld). Daardoor nu werden uitgaven veroorzaakt, die nu eens de kassen, dan weer de fondsen in normale tijden niet zouden hebben gedaan, en in deze buitengewone uitgaven zou het Rijk van meet af minstens de helft bijdragen.
„Zoodra echter door de uitkeeringen het vermogen van eene kas was gedaald beneden de grens van 25%, zouden hare uitkeeringen en daarmede haar aandeel in den steun, in het algemeen genomen, ophouden. De steunverleening zou dan in haar geheel door de gemeenten worden overgenomen, die voortaan dus èn uitkeering èn bijslag betaalden.
„Ook ten aanzien der gemeentelijke fondsen was een speciale regeling noodig. Voor haar gold ongeveer hetzelfde als voor de werkloozenkassen; ook zij beschikten n.l., toen de noodregeling intrad, slechts over een bepaald bedrag. De gemeenten stellen doorgaans elk jaar een bepaald crediet ter beschikking harer gemeentelijke fondsen, om daaruit den bijslag te betalen, van welk crediet de omvang natuurlijk op de behoefte in normale tijden is berekend. Dit crediet zou door de thans sterk verhoogde eischen zeer spoedig zijn uitgeput; daarom werd bepaald, dat van alle uitkeeringen welke een gemeentelijk fonds zou hebben te doen boven 75% van het voor 1914 toegestane bedrag, het Rijk de helft zou restitueeren, terwijl de wederhelft voor rekening der gemeente bleef en als extra-crediet door haar zou worden beschikbaar gesteld. Op deze wijze zou ook het fonds een vierde deel van het crediet voor 1914 kunnen reserveeren voor de hervatting der taak in normale tijden, en droeg in het algemeen het Rijk voor de helft in den steun bij.
„Inschrijving der kassen bij een gemeentelijk fonds was voor haar een der eerste voorwaarden, om onder deze noodregeling te kunnen vallen; niet alleen echter zouden daarvoor in aanmerking komen die werkloozenkassen, welke reeds in gewone tijden bij de gemeentelijke fondsen ingeschreven waren, doch bovendien zouden voor den duur der noodregeling alle zoodanige kassen kunnen worden ingeschreven, die tot nu toe, om welke reden dan ook, zich niet hadden aangesloten.
„Eindelijk zouden—om het terrein der noodregeling nog verder uit te breiden—de gemeentelijke werkloozenfondsen ook uitkeering kunnen verstrekken aan werklooze, verzekerde arbeiders, wonende in gemeenten, die in de onmiddellijke nabijheid liggen van (onmiddellijk grenzen aan) gemeenten, waar een werkloozenfonds reeds bestond—of zou worden opgericht—voor zoover namelijk die omliggende gemeenten niet zelf voor de oprichting van een fonds in aanmerking kwamen, en de arbeiders leden waren van werkloozenkassen, die in de hoofdgemeente bij het fonds aldaar waren ingeschreven. De bijslag, dien de fondsen aan deze arbeiders verleenden, zou evenwel geheel voor rekening van het Rijk komen, omdat hierbij niet het onmiddellijk belang der gemeente zelf betrokken was. Nam het gemeentefonds de uitkeering zelf over, dan kwam ook deze geheel voor rekening van het Rijk.
„Ten slotte zou de uitkeering niet alleen worden verleend bij geheele werkloosheid, doch ook bij gedeeltelijke, b.v. als een arbeider slechts enkele dagen per week of minder dan het normale aantal uren per dag werkte, of wel het volle aantal uren en dagen werkte, doch tegen verminderd loon. Dit was een belangrijke uitbreiding der bestaande verzekering, die tot nu toe in slechts zeer enkele gevallen bij zulke werkloosheid uitkeerde.”
De uitkeeringen werden bepaald op het peil, waarop zij door de werkloozenkassen zelf, met inbegrip van den bijslag van het werkloozenfonds, voor gewone tijden gemiddeld waren gesteld. Bij gedeeltelijke werkloosheid moesten verdienste en uitkeering beneden het normale loon blijven. De werklooze verzekerden waren verplicht, indien hun passend werk werd aangeboden, dit te aanvaarden, ook al lag het buiten hun woonplaats. Zij behoefden echter geen werk aan te nemen beneden het standaardloon ter plaatse. Bij werkloosheid werd gedurende de eerste week geen uitkeering gedaan. Voor het geval over de toepassing van de noodregeling verschil ontstond tusschen een werkloozenkas en een gemeentelijk werkloozenfonds, kon men zich wenden tot den Minister. Indien geen overeenstemming was te verkrijgen, wees deze een scheidsrechter aan, wiens uitspraak voor beide partijen bindend was. Van deze laatste bepaling behoefde slechts enkele malen te worden gebruik gemaakt.
De uitvoering van de noodregeling werd opgedragen aan het Centraal Bureau voor Werkloosheidsverzekering, dat in verband daarmede werd opgericht en eerst aan het Departement van Landbouw, later aan dat van Financiën verbonden was. (Na mijn aftreden als minister ging het met de geheele arbeidersverzekering naar het Departement van Waterstaat over.) Aan het hoofd van dit bureau werd gesteld de heer Folmer, die in October 1914 ook belast was geworden met het directeurschap van de Centrale Arbeidsbeurs. Hierin lag een eerste uitwerking van de gedachte, welke de geheele noodregeling op het gebied der werkloosheid heeft beheerscht, dat voor de goede werking der werkloosheidsverzekering nauwe samenwerking met de georganiseerde arbeidsbemiddeling een eerste eisch is. Die band tusschen de noodregeling en de arbeidsbeurzen sprak ook uit de verplichting voor de verzekerde werkloozen, zich geregeld bij de arbeidsbeurs hunner woonplaats aan te melden.
De noodregeling bracht met zich, dat de werkloozenkassen, die aanvroegen onder de noodregeling te vallen, alvorens op de aanvraag kon worden beslist, aan eene administratieve en financieele contrôle moesten worden onderworpen, een contrôle die ook na de aansluiting nu en dan moest worden herhaald. Tot het uitoefenen daarvan werd aan den heer Folmer toegevoegd de heer I. G. Keesing, die bij den Algemeenen Nederlandschen Diamantbewerkersbond groote ervaring omtrent de administratie van werkloozenkassen had opgedaan en die van zijn kennis en ervaring op dit gebied als lid van de Staatscommissie over de Werkloosheid de meest doorslaande bewijzen had gegeven. De door hem uitgeoefende contrôle heeft zeer nuttig gewerkt. Helaas bleek daarbij ook een enkele maal van pogingen tot frauduleuze verdraaiing van feiten om onder de noodregeling te kunnen vallen of wel om de financieele uitkomst daarvan voor de kas gunstiger te maken. Gelukkig echter bleef dat tot zeer weinige uitzonderingsgevallen beperkt. Herhaaldelijk daarentegen bleek dat de administratie van een werkloozenkas te wenschen overliet, ook zonder dat daarbij eenige kwade trouw in het spel was. In die gevallen hebben de wenken van den controleur van het Centraal Bureau, wenken die nu en dan den vorm van eischen moesten aannemen, er veel toe bijgedragen de administratie te verbeteren. Op deze wijze is de noodregeling, ook voor de toekomst, aan een behoorlijke administratieve regeling der werkloozenkassen zeer ten goede gekomen.
Voor zoover de vakvereenigingen wel reeds vóór 1 Augustus 1914 werkloosheidsverzekering hadden in toepassing gebracht, maar de werkloozenkas niet afgezonderd hadden gehouden van de centrale kas van de vereeniging of den bond, moest ook een cijfer worden bepaald dat geacht werd op 1 Augustus 1914 voor de werkloozenverzekering te zijn bestemd, en dat tot maatstaf had te dienen voor den duur der bijdrage van de vakvereeniging zelve. Voor den A. N. D. B. werd dit bepaald op ƒ 500.000, zoodat deze bond aan de verzekering zijner leden zelf bijdroeg, totdat het voor dit doel afgezonderde bedrag verminderd was tot ƒ 125.000. Voor de andere vereenigingen en bonden, die geen afzonderlijke werkloozenkas hadden, waren de bedragen welke voor dit doel naar billijkheid volgens den toestand op 1 Augustus 1914 werden afgezonderd, aanmerkelijk lager. Bij die andere was het aantal verzekerde leden dan ook zeer veel minder.
Bij de vaststelling dezer bedragen was het natuurlijk niet mogelijk met een goudschaaltje te wegen, er werd daarbij telkens zoo goed mogelijk en met inachtneming der billijkheid beslist. Dit knoopen doorhakken is trouwens gedurende den oorlogstijd, niet alleen bij de werkloosheidsverzekering, herhaaldelijk noodzakelijk geweest. Voor zoover ik mij daarmede bezig heb gehouden, en dat kwam nog al eens voor, heb ik gemeend dat mijne staatsrechtelijke en ook mijne moreele verantwoordelijkheid ten volle gedekt waren, als ik daarbij steunde op deskundig advies, maar er mij tevens rekenschap van gaf, hoe zulk een advies soms onwillekeurig niet geheel van partijdigheid was ontbloot. Deskundige voorlichting strekte daarbij dus steeds tot richtsnoer; slaafs gevolgd werd zij evenwel niet en mocht zij niet worden.
Zooals in de uiteenzetting van de hoofdpunten der noodregeling werd gezegd, was de financieele kant daarvan zoodanig geregeld, dat Rijk en gemeente de kosten daarvan ongeveer bij helfte deelden. Hierop is slechts één uitzondering van beteekenis gemaakt ten aanzien van de verzekering der diamantbewerkers. Met het uitbreken van den oorlog kwam de diamantnijverheid zoozeer in den druk, dat er een bijna algeheele werkloosheid in het vak ontstond. De financieele gevolgen van de noodregeling wat dit vak betreft, waren derhalve bijzonder zwaar voor Rijk en gemeente te zamen genomen. Het gemeentebestuur van Amsterdam nu voerde aan, dat vooral nu de gemeente door de oorlogscrisis toch reeds met zoo groote buitengewone lasten moest rekenen, het niet gerechtvaardigd zou zijn, indien het Rijk haar bovendien de helft der zeer groote kosten van de werkloosheidsverzekering der diamantbewerkers wilde doen dragen. Het was toch bekend dat de kosten daarvan, na aftrek van het deel dat door den diamantbewerkersbond zelf daarin werd betaald, voor zoover het Rijk die niet voor zijn rekening nam, zoo goed als uitsluitend op de gemeente Amsterdam zouden drukken. De gegrondheid dezer opmerking werd door mij ingezien. Er werd derhalve over de kosten der verzekering der diamantbewerkers met het gemeentebestuur van Amsterdam een speciale regeling getroffen, waarvan de bedoeling en het gevolg was, dat het Rijk het leeuwenaandeel dier kosten voor zijn rekening nam. De noodregeling is voor de diamantbewerkers aan het Rijk op bijna ƒ 2 millioen te staan gekomen; aan de gemeente Amsterdam op ongeveer ƒ 300.000. Voor alle andere vakken te zamen heeft zij aan het Rijk en de gemeenten elk ongeveer ƒ 900.000 gekost. Alles bij elkaar genomen, hebben de uitgaven uit dezen hoofde voor Rijk en gemeente meer dan ƒ 3.600.000 bedragen. Daarvan is het grootste deel aan de werklooze diamantbewerkers ten goede gekomen.
Naast het hoofddoel der noodregeling, de bescherming en instandhouding van het in opkomst zijnde instituut der werkloosheidsverzekering, heeft bij mij zwaar gewogen, dat het van groote maatschappelijke beteekenis was, die arbeiders die zich in tijden dat zij werkten en loon trokken, in den vorm van premiebetaling eenige opoffering hadden getroost om bij werkloosheid niet geheel van inkomen verstoken te zijn, een voorsprong te geven boven hen, die dezen voorzorgsmaatregel hadden verzuimd. Ik behoor tot degenen die nog zoo achterlijk zijn, dat zij hooge maatschappelijke waarde hechten aan de aankweeking van het gevoel van „self help” ook en vooral bij de arbeidende klasse, ter bestrijding van sociale gevaren, welke deze klasse onder bijzondere maatschappelijke of persoonlijke omstandigheden kunnen bedreigen. Gelukkig heeft de politiek haar vangarmen nog niet tot de zoo jeugdige werkloosheidsverzekering uitgestrekt en is ook in arbeiderskringen, wanneer ik de weinige volgelingen der anarchistische arbeidersbeweging ter zijde laat, nog algemeen het besef aanwezig, ook al laat het aan levendigheid soms wel wat te wenschen over, dat het den arbeider siert, als hij in de tijden dat het hem goed gaat, wat terzijde legt om zichzelven en zijn vakgenooten tegen totaal gebrek bij werkloosheid te behoeden. De arbeider komt trouwens gemakkelijk genoeg tot het inzicht, dat een goede werkloosheidsverzekering voor de vakbeweging van groote beteekenis is in den georganiseerden maatschappelijken strijd der werklieden. Die stemming ten aanzien der werkloosheidsverzekering bij de arbeiders zelven, inzonderheid bij de leiders der verschillende schakeeringen in hun vakbeweging, is aan dit cardinale punt van de noodregeling ten goede gekomen. Zij trok met volle bewustheid den verzekerden arbeider boven den niet verzekerden voor, den laatste verwijzende naar het steuncomité. De instemming welke dit van de zijde der arbeidersorganisaties heeft gevonden, is voor een goed deel hieraan toe te schrijven, dat al dekte de aldus gemaakte onderscheiding zich niet geheel met die tusschen de georganiseerde en de ongeorganiseerde arbeiders, beide onderscheidingen toch nauw aan elkander verwant waren.
Het onderscheid tusschen de verzekerde en de niet verzekerde werklieden mocht echter niet verder gaan, dan dat men de eerste categorie in staat stelde door hun eigen verzekeringsorganen, met bijstand van Rijk en gemeente, gedurende de zoo onverwachts opgekomen en zoo buitengewoon heftige crisis te blijven ontvangen, wat zij bij normale werkloosheid in gewone tijden daaruit wekelijks zouden hebben getrokken. Geen enkel steekhoudend motief was er aan te voeren, om gedurende de crisis op den grondslag van werkloosheidsverzekering meer te geven, dan het bedrag waarvoor zij zich zelven verzekerd hadden. Dit kon alweer niet op een goudschaaltje worden gewogen. Er moest eenvormigheid in de regeling zijn en daarom werd het gemiddelde der uitkeeringsbedragen tot algemeenen regel genomen. Had de Regeering zich hieraan niet gehouden, dan zou zij den geheelen grondslag der noodregeling hebben ondermijnd en een niet langer te rechtvaardigen onderscheid hebben gemaakt tusschen werkloozen, die wèl en werkloozen die niet onder de noodregeling vielen. Ik heb mij daarom dan ook stelselmatig tegen den herhaaldelijk op mij uitgeoefenden aandrang tot verhooging der uitkeeringen krachtens de noodregeling verzet.
Het was echter niet te miskennen, dat de rechtvaardigingsgrond van het gemaakte onderscheid tusschen de verzekerde en de niet verzekerde arbeiders zwakker werd, naar gelang de noodregeling langer moest worden in stand gehouden. Hoe verder het eindpunt der medebetaling door de werkloozenkas zelve in het verleden begon te liggen, hoe minder het uitgangspunt van de noodregeling, de instandhouding van de werkloozen-verzekering, op de werkelijkheid steunde, hoe meer de zoogenaamde verzekering het karakter kreeg van een uitkeering om niet, die slechts uiterlijk van de uitkeeringen der steuncomités verschilde. Daarbij kwam, dat de datum van 1 Augustus 1914 wel beslissend was voor de toelating der werkloozenkassen tot de noodregeling, maar niet voor de toetreding der vakgenooten tot de werkloozenkas. Wel is waar werd deze fout in de noodregeling verkleind door de bepaling, dat iemand die werkloos was op het oogenblik dat hij wilde toetreden, niet kon worden toegelaten en dat wie eenmaal toegelaten was, ook al werd hij werkloos, uit de werkloozenkas niet kon trekken, zoolang hij niet gedurende drie maanden contributie had betaald; maar toch stak hierin een fout. Deze zou slechts van theoretische beteekenis zijn geweest, indien de noodregeling na drie maanden had kunnen zijn opgeheven, zij werd echter meer van practische beteekenis, naar gelang de regeling langer moest worden in stand gehouden.
Daarbij kwam eenerzijds, dat de noodregeling er krachtig toe had bijgedragen de beteekenis der werkloosheidsverzekering in arbeidskringen te doen doordringen, met het gevolg dat allengs meer nieuwe werkloozenkassen werden opgericht, die van de noodregeling, indien deze ongewijzigd bleef, geen profijt konden trekken, omdat haar oprichting eerst van later dan 1 Augustus 1914 dagteekende, en anderzijds dat eene gelukkige verandering gaande was in de organisatie van verschillende toegetreden kassen, waardoor de werkloozenkas van de plaatselijke vakvereeniging bij de best georganiseerde vakbonden meer en meer plaats maakte voor de algemeene werkloozenkas van den over het geheele land werkenden bond. Zoowel het een als het ander maakte wijzigingen in de noodregeling wenschelijk, die deden uitkomen, dat zij voor een zóó langdurige oorlogscrisis, als werd doorgemaakt, niet geheel berekend was.
Voorts bleek allengs meer, dat verschillende kassen, niettegenstaande zij volgens de noodregeling niet meer bijdroegen in de kosten der verzekering, uit gedurende de crisis ontvangen contributies hun vermogen hadden zien toenemen niet alleen boven het gestelde minimum van 1⁄4 van het bedrag op 1 Augustus 1914, maar zelfs in verschillende gevallen boven het totale bedrag der kas op dien dag. In één woord, de fouten der noodregeling werden grooter naar gelang zij door den duur harer werking meer het karakter van noodregeling verloor en dat van eene normale regeling begon aan te nemen.
Dit leidde er toe, dat in de tweede helft van 1915 met ernst aan hare opheffing werd gedacht. Dit kon echter niet geschieden zonder een blijvend betere passende regeling daarvoor in de plaats te stellen. Het Rijk kon niet eenvoudig zijn handen van de werkloosheidsverzekering aftrekken; daarvoor is de zaak van een te groot maatschappelijk belang. Na verschillende besprekingen met den Directeur van het Centraal Bureau voor Werkloosheidsverzekering en met Prof. de Vooys als voorzitter van den Werkloosheidsraad, werd den 19en Januari 1916 een circulaire aan de gemeentebesturen gericht, welke ten doel had die besturen te brengen tot vrijwillige medewerking aan een nationale regeling der werkloosheidsverzekering, die voor de noodregeling in de plaats zou treden. In die circulaire werd door mij als Minister van Financiën toegezegd, dat—indien de Staten-Generaal daartoe hunne medewerking zouden verleenen—het Rijk in de toekomst 50 pct. van den geldelijken steun aan de werkloozenkassen voor zijn rekening zou nemen. Bij die blijvende regeling zouden eenige maatregelen worden getroffen voor den overgang van de noodregeling in de blijvende organisatie en werd er voor gezorgd, dat de werkloozenkassen weder geregeld hun aandeel in de kosten der werkloosheidsverzekering zouden betalen. Opdat de voorgestelde organisatie in toepassing zou kunnen komen, was algemeene deelneming der gemeentebesturen noodig; de circulaire wees er daarom op dat, indien het beroep op vrijwillige medewerking niet het gewenschte resultaat had, een wettelijke regeling, waarbij medewerking zou worden opgelegd, niet zou kunnen uitblijven. De bedoeling was de nieuwe regeling op 1 Mei 1916 voor de noodregeling te doen plaats maken.
De circulaire van 19 Januari 1916 heeft haar doel bereikt. Wel kon de nieuwe blijvende regeling niet te gelijk met de opheffing der noodregeling op 1 Mei worden in werking gesteld, maar blijkens de Memorie van Toelichting van den Minister van Waterstaat bij het wetsontwerp waarbij de noodige gelden daarvoor worden aangevraagd, is het de bedoeling haar met 1 October 1916 in werking te doen treden. De Tweede Kamer heeft de noodige gelden voor de werkloosheidsverzekering met staatsbijdrage reeds toegestaan; vermoedelijk zal de Eerste Kamer haar daarin weldra volgen. Dan zal de werkloosheidsverzekering, al is zij nog niet wettelijk geregeld, toch op wettelijken grondslag komen te staan.
Evenals het geval was bij de organisatie der nationale arbeidsbemiddeling moet ik mij ook hier weerhouden van eene bespreking van de hoofdtrekken der blijvende nationale regeling van de werkloosheidsverzekering. Tusschen beide organisaties is een nauw verband gelegd en bij haar uitbouw is van de resultaten van den arbeid der Staatscommissie over de Werkloosheid ruimschoots gebruik gemaakt.
Ten aanzien van de werkloosheidsverzekering heeft de oorlogscrisis hetzelfde effect gehad als waarop bij de bespreking der organisatie van de arbeidsbemiddeling reeds werd gewezen; zij heeft er toe bijgedragen dat de Staatswerkzaamheid op dit gebied zeer is bespoedigd; voorts heeft zij niet alleen de Regeering en de gemeentebesturen maar ook de arbeiders zelf, meer dan vóór dien het geval was, van de beteekenis zoowel van de nationale arbeidsbemiddeling als van de nationale werkloosheidsverzekering doordrongen. Beide groote sociale maatregelen zijn doorgevoerd, wel niet zonder medewerking van den wetgever,—deze toch heeft er de gelden voor beschikbaar gesteld,—maar zonder wettelijken grondslag voor de maatregelen zelf. Voor de werkloosheidsverzekering geldt te dezen aanzien, wat reeds bij de bespreking van de nationale arbeidsbemiddeling werd opgemerkt: een wettelijke regeling zal op den duur niet kunnen uitblijven; doch bij het maken daarvan zal de toekomstige wetgever zich in hoofdzaak kunnen bepalen tot het geven van sanctie aan hetgeen de ervaring als bruikbaar en maatschappelijk gewenscht zal hebben aangewezen.
Ik kan van de bespreking der maatregelen tot voorkoming en leniging van nood in den crisistijd niet afstappen, zonder nog een oogenblik terug te komen op de noodregeling in zake de werkloosheidsverzekering en haar verband met de steunorganisatie. Die beide stonden met elkander in nauw verband en hebben elkander op gelukkige wijze aangevuld. Toch was er een groot principieel verschil tusschen het karakter der uitkeering krachtens de noodregeling en die der uitkeeringen van de steuncomités. Deze laatste waren vrijwillige giften, welke beperkt werden tot de personen en gezinnen die daaraan behoefte hadden; de eerste waren uitkeeringen, waarop de verzekerde zich, althans in beginsel, een recht had verworven door zijn premiestorting. Hier was dus geen onderzoek naar de behoefte noodig, al zal de uitkeering wel slechts in uitzonderingsgevallen zijn in handen gekomen van personen, die daaraan geen behoefte hadden. Toch zijn zulke uitzonderingsgevallen voorgekomen, wanneer de verzekerde behoorde tot een gezin, waarin door den arbeid van andere gezinsleden het wekelijksch inkomen niet onvoldoende was voor het onderhoud van alle gezinsleden te zamen. In zulke gevallen was van uitkeering door een steuncomité natuurlijk geen sprake; dit had te rekenen met het gezinsinkomen. Wel nam het voor de gezinnen, waarvan sommige leden door hun arbeid iets inbrachten, doch die toch nog beneden de grens bleven van waar af geen steun meer werd verleend, het loon, dat die leden ontvingen, bij de bepaling van het bedrag der uitkeering slechts ten deele in aanmerking, ten einde den prikkel tot werken niet weg te nemen. De uitkeering krachtens de noodregeling was daarentegen van het gezinsinkomen onafhankelijk. Op zich zelf was dit juist, maar hoe meer de noodregeling haar karakter van de regeling eener verzekering verloor, hoe minder deze principieel juiste toepassing practisch te rechtvaardigen bleef. Ook dit heeft bij de opheffing der noodregeling gewogen.
Veel meer dan het uitkeeren krachtens de noodregeling aan personen die daaraan, strikt genomen, geen behoefte hadden, is het voorgekomen, dat de uitkeering krachtens die regeling onvoldoende was. Wanneer de werklooze verzekerde een gezin had te onderhouden, waarvan geen der andere leden iets inbracht, kon hij met de ƒ 6 die hij van de noodregeling bleef trekken, niet rondkomen. In die gevallen vulde het steuncomité door den huurbon en door suppletoire uitkeering aan, wat de verzekering te weinig gaf. Ten einde er echter ook alsdan voor te zorgen, dat de werklooze verzekerde het gevoel bleef behouden, dat hij de uitkeering principieel althans grootendeels dankte aan eigen premiebetaling vóór de crisis intrad, drong het Kon. Nat. Steuncomité er steeds op aan, dat ook in die gevallen de uitkeeringen van de plaatselijke comités aan de verzekerden door tusschenkomst van de werkloozenkas werden verstrekt.
Vraagt men zich nu af, hoe het oordeel over de steunbeweging en de noodregeling moet luiden, dan komt in de eerste plaats op het credit van de noodregeling, dat zij haar hoofddoel, de instandhouding en bevordering der werkloosheidsverzekering, ten volle heeft bereikt. Het aantal verzekerden dat op 1 Augustus 1914 omstreeks 70.000 bedroeg, was op 1 Mei 1916 haast verdubbeld. Overigens geldt voor beide dat zij, al kleefden er ook fouten aan en al was de toepassing, vooral bij de steunbeweging, niet altijd en overal even onberispelijk, in den aanvang hoogst nuttig hebben gewerkt en veel ellende hebben voorkomen en gelenigd. Naar gelang de buitengewone toestand evenwel langer duurde, werden de fouten grooter en steeg het gevaar van ontaarding der steunbeweging. Allengs groeide het getal dergenen onder de gesteunden aan, voor wie de steunorganisatie niet was bestemd, namelijk de half-validen en brekebeenen, of die dezen vorm van steun niet waardig waren, namelijk de arbeidsschuwen.
Zeker mede ten gevolge van verschillende maatregelen, welke reeds besproken werden of in de volgende hoofdstukken ter sprake komen, maar vooral tengevolge van een wending in de oorlogsconjunctuur, welke voor ons land zoo gunstig was als bij het uitbreken van den krijg niet alleen niemand verwachtte, maar zelfs niemand durfde hopen, is de werkloosheid in een groot aantal vakken vrij spoedig tot normale verhoudingen teruggedrongen en is er zelfs, ook in verband met de onttrekking van arbeidskrachten door de mobilisatie, in verschillende bedrijven gebrek aan arbeiders ontstaan. Dit heeft er toe geleid, dat een aantal steuncomités, zonder zich officieel te ontbinden, in afwachting van een eventueelen slechten keer in den toestand, het bijltje er bij neerlegden. Het vroegst geschiedde dit ten platten lande, waar de toestand het eerst weer normaal werd en na eenigen tijd zelfs een abnormaal gunstige phase intrad. Weldra volgden verschillende bedrijven de zwenking, die het landbouwbedrijf had gemaakt, ook al was over het algemeen de conjunctuur voor hen lang niet zoo gunstig als voor de boeren.
Het gevolg was, dat in het eind van 1915 en het begin van 1916 in hoofdzaak alleen het havenbedrijf, en dit nog wel hoofdzakelijk te Rotterdam, overbleef, waar ten gevolge van het gedurende den oorlog stop gezet blijven van den doorvoer, slechts 1⁄3 van het normale aantal havenarbeiders noodig bleef. Ook hier was in zoover verbetering gekomen, dat een deel dier arbeiders, ook wegens de hooge loonen die in den landbouw verdiend konden worden, naar het platteland was teruggestroomd. Maar toch bleef in het havenbedrijf, vooral te Rotterdam, een overschot van arbeiders, dat niet aan zijn lot kon worden overgelaten.
In het bouwbedrijf werd de toestand allengs zóó gunstig voor de arbeiders, dat niettegenstaande dit bedrijf grootelijks belemmerd werd door de hooge prijzen van hout en ijzer, in het voorjaar van 1916 veeleer gebrek aan- dan overschot van arbeidskrachten viel waar te nemen. Alleen Amsterdam maakte hierop een uitzondering; de Amsterdamsche bouwvakarbeiders konden echter, zoo zij wenschten, elders arbeidsgelegenheid vinden.
Zelfs de diamantindustrie leefde zoozeer op, dat de toestand in het begin van 1916 over het algemeen gunstiger was dan bij het uitbreken van den oorlog. Alleen de roosjesslijperij, waarvan het product voornamelijk naar de Balkanlanden gaat, bleef nog kwijnend. Overigens was van gebrek door buitengewone werkloosheid in het voorjaar van 1916 over het algemeen weinig of niets meer te bespeuren.
Dit gaf het Kon. Nat. Steuncomité aanleiding, door tusschenkomst van zijn subcommissie voor de liefdadige stichtingen overleg te plegen met armeninstellingen, tot overneming van het overgebleven overschot van gebrekkigen en arbeidsschuwen, die bij de steuncomités niet thuis behoorden en tot het richten van een circulaire aan de plaatselijke comités, welke de uitkeeringen nog niet hadden gestaakt, om het voorbeeld der comités, die dit wél hadden gedaan, te volgen, met dit voorbehoud dat met steun zou worden doorgegaan ten aanzien van de beoefenaars van die vakken, waarin nog steeds eene buitengewone werkloosheid heerschte. De circulaire had niet ten doel de plaatselijke steuncomités er toe te bewegen, zich te ontbinden. Daarvoor is de toestand nog veel te onzeker en moet nog te veel gerekend worden met de mogelijkheid, dat de zaken door gebrek aan grondstoffen voor verschillende takken van nijverheid of door andere vooraf niet te bepalen oorzaken zich ten kwade zullen keeren. Wel beoogde zij het résidu van lijntrekkers op te ruimen en de plaatselijke comités beter paraat te maken voor de taak, welke zij opnieuw zullen hebben op te vatten, indien onverhoopt de steunverleening op groote schaal weer in gang zou moeten worden gezet. Daartoe hield de circulaire in, dat uit de kas van het Kon. Nat. Steuncomité, behalve in bijzondere gevallen, geene bijdragen voor uitkeeringen meer zouden worden verstrekt, tenzij die werden gedaan aan personen, behoorende tot een vak, waarin, hetzij nog steeds hetzij opnieuw, buitengewone werkloosheid heerschte.
Voor het diamantbewerkersbedrijf werd na eenige besprekingen een regeling met den Algemeenen Nederlandschen Diamantbewerkers Bond getroffen, waartoe ook de andere organisaties van diamantbewerkers alsmede het gemeentebestuur van Amsterdam toetraden, en welke tot grondslag had, dat de organisaties der arbeiders zoowel als het Kon. Nat. Steuncomité en de gemeente elk een deel der verdere kosten van den steun aan werklooze diamantbewerkers zouden dragen en dat de contrôle op de uitkeering van dien steun in de eerste plaats bij die organisaties zelve zou berusten.
Evenzeer als de noodregeling ter zake van de werkloosheidsverzekering heeft ook de steunbeweging haar schaduwzijde gehad. Een onvermengd goed is zij, vooral bij den langen duur waarvoor zij gelden moest en waarop in het begin van Augustus 1914 niet kon worden gerekend, niet geweest. Maar geen ingewijde zal ontkennen, dat zij, alles bijeengenomen, groot en goed werk heeft gedaan en dat zij de taak heeft vervuld, die de Koningin haar bij de installatie van het Kon. Nat. Steuncomité toedacht: zij heeft bewerkt, dat menig bezorgd hart verruimd heeft kunnen kloppen!
Moge het verloop der omstandigheden zoodanig zijn, dat zij, behalve in de uitzonderingsgevallen, waarin zij ook thans nog optreedt en vooreerst zal moeten blijven optreden, haar taak niet opnieuw zal behoeven op te nemen!
Ware ik in het neerschrijven mijner herinneringen en indrukken naar chronologische volgorde te werk gegaan, dan zou dit hoofdstuk als eerste in de rij zijn geplaatst. Immers de algemeene beroering zette in op de beurs; maatregelen naar aanleiding daarvan moesten worden genomen, zelfs nog vóór tot mobilisatie besloten werd. De beurs heeft met den barometer gemeen, dat zij bij kleine schommelingen in den atmospherischen druk vaak miswijst en hem die te veel op haar aanwijzingen vertrouwt, de kans doet loopen bedrogen uit te komen. Maar evenmin als de orkaan uitblijft, wanneer de barometer plotseling sterk daalt, evenmin blijft groote maatschappelijke beroering uit, als de beurs plotseling onrustig wordt. De beurs maakt wel eens kleine storingen. Groote storingen maakt zij niet; zij ondergaat die en kondigt ze aan, zonder er meer schuld aan te hebben, dan een lage barometerstand aan het slechte weer. Zoo ging het thans meer dan ooit.
Bij de voortschrijding der maatschappelijke ontwikkeling, het ingewikkelder en onderling samenhangender worden van de onderdeelen van het raderwerk der maatschappelijke samenleving wordt het onderlinge vertrouwen een factor van steeds grooter beteekenis. Vertrouwen nu in het economische fundament dier samenleving is synoniem met crediet. Niet alleen hij die geld ter leen geeft, ook hij die ter beurze een obligatie koopt in een staatsleening of een aandeel in een Amerikaansche spoorwegonderneming, geeft crediet. Het verschil is alleen, dat in het eene geval credietgever en credietnemer wat dichter bij elkaar staan dan in het andere. Brengen groote politieke of maatschappelijke gebeurtenissen plotseling onrust, dan wordt het onderlinge vertrouwen dat, algemeen genomen, een der hoofdpijlers is waarop de onderbouw der moderne maatschappelijke samenleving rust, geschokt en maakt het plaats voor een algemeen angstgevoel. Evenals het in het algemeen onmisbaar onderling vertrouwen in bijzondere gevallen vaak misplaatst of overdreven is, zoo gaat het ook met het algemeen wantrouwen, dat er bij dreigende maatschappelijke onheilen voor in de plaats treedt. Het verschil is alleen, dat misplaatst vertrouwen in bijzondere gevallen slechts dengene treft, die te goedgeloovig was, en dat een plotseling opkomend algemeen wantrouwen een der pijlers van het tegenwoordig maatschappelijk leven aan het wankelen brengt.
Hetgeen zich op de beurs in dagen van groote politieke of maatschappelijke beroering afspeelt, dringt ver buiten de beurskringen zelve door. Niet ieder koopt effecten; het aantal speculanten is gelukkig nog kleiner dan het aantal beleggers; maar als de belegger en de speculant beangst worden, is dat een teeken dat de pijler van het crediet niet meer voldoende draagt. Wordt de onrust zóó groot, dat zij tot beurssluiting leidt, dan doet deze sluiting dien pijler niet vallen, maar is zij het teeken, dat hij op vallen staat en dat daarmede het heele zakenleven met ontreddering wordt bedreigd. En komt het eens zoover, dan heeft zulk een gebeurtenis, door de wisselwerking, die in de maatschappelijke samenleving nooit ontbreekt, het noodlottig gevolg, dat zij de onrust vermeerdert, welke haar veroorzaakte.
Dat is de groote, ver buiten beurskringen reikende beteekenis geweest van hetgeen op 28 Juli 1914, onder den invloed van de oorlogsverklaring van Oostenrijk-Hongarije aan Servië en van de onweerswolken, welke zich in verband daarmede aan den internationalen politieken hemel samenpakten, op de Amsterdamsche effectenbeurs geschiedde. De beurs werd gesloten niet als gevolg van een weloverwogen besluit van haar bestuur, maar onder den onweerstaanbaren drang der leden, die—bevreesd voor het opkomende onweer—hun zaken in den steek lieten en, in overdrachtelijken zin, hun heil zochten in de vlucht. Het was het hijschen van den stormbal, ten teeken dat een economische orkaan in aantocht was en dat de pijler van het crediet zou vallen, zoo hij niet werd geschraagd.
Men heeft de paniek die de Amsterdamsche beurs op 28 Juli 1914 beving, wel toegeschreven aan het daar geldend prolongatiestelsel. Zij die aldus oordeelden, drongen niet tot het wezen der zaak door. Het crediet dreigde niet tegen den grond te worden geslingerd, omdat het prolongatiestelsel zijn dienst weigerde; het prolongatie-stelsel kon zijn dienst niet langer doen, omdat het crediet op omvallen stond. Met verschillen van enkele dagen waren of werden ook de beurzen te Weenen, Parijs, Brussel, Frankfort, Berlijn, Londen, New-York gesloten. Door de beurssluiting te Amsterdam aan de fouten van het prolongatiestelsel toe te schrijven, doet men dit stelsel onrecht, door er te veel eer aan te bewijzen.
Onmiddellijk na de beurssluiting staken de voornaamste bankiers en commissionnairs in effecten de hoofden bij elkaar, om het wankel geworden crediet te ondersteunen. Aan volledig herstel viel zelfs niet te denken. De leiding bij al hetgeen zoowel in de eerste dagen van de crisis als daarna geschiedde tot steun van de geldmarkt was bij de Nederlandsche Handel-Maatschappij, dank zij de voortvarendheid van haar president, den heer C. J. K. van Aalst. De heer Van Aalst is een homo novus in de Amsterdamsche bankierswereld. Wel telt hij niemand minder dan Admiraal de Ruyter onder zijn voorvaderen, afstammen van de oude Amsterdamsche handelspatriciers doet hij echter niet; maar door zijn helderen blik, zijn koopmansgaven en zijn „pushing power” was hij reeds vóór den oorlog zoozeer primus inter pares geworden, dat bij het uitbreken van de crisis de veldheerstaf hem als het ware van zelf in de hand viel.
Nadat de beurssluiting op 28 Juli het bestuur der Vereeniging voor den Effectenhandel overvallen had, noodigde dit den volgenden ochtend den waarnemenden president van de Nederlandsche Bank (de president bracht zijn vacantie in Zwitserland door en had nog niet kunnen terugkeeren), den president van de Nederlandsche Handel-Maatschappij en den voorzitter van de Kamer van Koophandel uit tot een bijeenkomst ter beraadslaging over hetgeen gedaan moest worden. Aangezien de tijd te kort was om vóór het openingsuur reeds daarmede gereed te zijn, werd besloten de effectenbeurs voor dien dag gesloten te houden. ’s Middags had ten kantore van de Nederlandsche Handel-Maatschappij een groote vergadering plaats van de voornaamste bankiers en commissionnairs in effecten, die door de genoemde heeren was voorbereid en waarin, mede als gevolg van het overleg gepleegd met de Nederlandsche Bank, een syndicaat gevormd werd van ƒ 25 millioen, om door het beschikbaar stellen van gelden voor prolongatiën als anderszins den effectenhandel te steunen. Als voorwaarde werd gesteld, dat de effectenbeurs den volgenden dag weer zou worden geopend. Het bestuur van de Vereeniging voor den Effectenhandel was hiermede accoord gegaan. Men had echter de beteekenis en de diepte van de crisis onderschat. Het meerendeel der in prolongatie gegeven effecten was, als gevolg van de vrees voor het onheil, dat over de wereld dreigde te komen, zóó diep in koers gezonken, dat beursopening, welke de mogelijkheid van aanzegging van prolongatieposten met zich zou brengen, voor vele beursbezoekers doodend zou zijn geweest. De commissionnairs in effecten vreesden van de beursopening „afslachting” op groote schaal. Den 30sten waren velen hunner reeds ’s morgens vroeg ter beurze; hun vrees voor de onheilen, die van heropening der beurs het gevolg zouden zijn, en hun aandrang om ze te voorkomen, waren zóó groot, dat het bestuur zwichten moest. De beurs bleef gesloten; het syndicaat kwam niet tot stand. Het was een daad van eigen rechting van de commissionnairs geldnemers,—een daad die onder minder abnormale omstandigheden volstrekt onverdedigbaar zou zijn geweest, maar die nu als uiting van noodweer verklaarbaar was en spoedig door den loop van zaken gerechtvaardigd zou worden.
Nu moest opnieuw raad geschaft worden. Onder de leiding van den president der Nederlandsche Handel-Maatschappij kwamen de voornaamste bankiers ten kantore dier maatschappij opnieuw bijeen. De besprekingen, welke in hun bijeenkomst werden gehouden, hadden ten gevolge, dat de heer Van Aalst den voorzitter van den Ministerraad telefonisch op de hoogte bracht van den toestand en door zijn tusschenkomst den Minister van Financiën en den Minister van Landbouw, als Minister tevens van den handel, verzocht in de vergadering van bankiers te komen, opdat overleg met hen en met de Nederlandsche Bank zou kunnen worden gepleegd over hetgeen door samenwerking tusschen de Regeering en de „haute finance” zou kunnen geschieden, om aan de eischen van het oogenblik te gemoet te komen. De Ministerraad vergaderde in die dagen dagelijks, hij was zelfs bijna permanent bijeen. Het was dus geen groot toeval, dat het telefonisch gesprek van den heer Van Aalst met den heer Cort van der Linden plaats had terwijl de Ministerraad bijeen was. Men begreep terstond, dat hier zeer groote economische belangen op het spel stonden en dat aan het verzoek gevolg moest worden gegeven. De heer Bertling en ik verlieten den Raad en gingen met den eersten trein, dien wij nemen konden, naar Amsterdam.
Ten kantore van de Nederlandsche Handel-Maatschappij gekomen, vonden wij daar de vertegenwoordigers van de Amsterdamsche bankwereld bijeen. Ons werd bij monde van den heer Van Aalst medegedeeld, wat er den vorigen dag en denzelfden ochtend was geschied. Daaraan werd toegevoegd, dat nu de berichten uit het buitenland sedert den vorigen dag zooveel dreigender waren geworden en de toestand op de geheele geld- en effectenmarkt dientengevolge zooveel ernstiger was, aan heropening van de beurs vooreerst niet meer kon worden gedacht. Daarvan uitgaande, waren maatregelen beraamd om aan de credietbehoeften van handel en nijverheid te kunnen voldoen buiten de beurs om, en dat wel op zoodanige wijze, dat het speculatieve crediet geheel zou worden uitgeschakeld en alleen in reëele credietbehoeften zou worden voorzien. Het plan was een algemeen syndicaat daartoe te vormen, dat over ten minste ƒ 200 millioen zou kunnen beschikken. Men was hierover al in voorloopige besprekingen getreden met de Directie van de Nederlandsche Bank, welke zich in beginsel tot medewerking bereid had verklaard. Echter deed zich daarbij een moeilijkheid voor. Hoewel de positie van de Nederlandsche Bank voor normale omstandigheden zeer krachtig was (zij had in Juli 1914 een beschikbaar metaalsaldo van ruim 371⁄2 millioen), was toch te voorzien, dat nu het geheele credietwezen tijdelijk bij de Bank zou worden geconcentreerd, een uitzetting van de bankbiljettencirculatie daarvan het gevolg zou wezen, waarbij de metaaldekking wel eens onvoldoende zou kunnen blijken. Men achtte het dus voorzichtig zoo niet noodzakelijk, dat haar verplichte metaaldekking, welke volgens het bankoctrooi bestaat in een bij Koninklijk besluit, op voordracht van de directie der Bank, bepaalde verhouding tot het gezamenlijk bedrag van bankbiljetten, bankassignatiën en rekening courant saldo’s, zou worden herzien. Alleen onder die voorwaarde zou haar vermogen om als centrale credietinstelling in den crisistijd op te treden, de vereischte rekbaarheid krijgen. Sedert 1864 was die verhouding twee vijfden van het bedrag dier obligo’s geweest; in overweging werd gegeven, dat die dekking tot een vijfde gedeelte zou worden verminderd.
Nadat wij de uiteenzetting hadden gehoord, verklaarden wij ons bereid over deze vermindering van de metaaldekking met de directie der Nederlandsche Bank te spreken en eventueel, op haar voorstel, daartoe het noodige te doen. Evenwel werd door ons opgemerkt, dat men bij het nemen van dien maatregel, er wel op bedacht moest zijn, dat hij tot geen wegvloeiing van goud naar het buitenland zou mogen leiden. Ons werd op die opmerking geantwoord, dat men ook hieromtrent reeds van gedachten had gewisseld. De aanwezige bankiers verklaarden, dat zij geen goudzendingen naar het buitenland zouden doen en daarvoor ook niet hun tusschenkomst zouden verleenen, maar zij erkenden dat zulk een verklaring niet voldoende was. Er moest tegelijk met de vermindering van de verplichte metaaldekking van de Nederlandsche Bank een uitvoerverbod van goud worden uitgevaardigd. Hierin lag een groote moeilijkheid. Daar de gebeurtenissen elkander zoo bliksemsnel opvolgden, moest de Nederlandsche Bank zonder verwijl gereed staan, om te voldoen aan eene te verwachten uitzetting harer bankbiljetten circulatie, die het normale hoogtepunt daarvan ver zou overschrijden. Uit dien hoofde was oogenblikkelijke vermindering van de verplichte metaaldekking noodig en deze kon gevaarlijk zijn, indien zij niet met een verbod van gouduitvoer gepaard ging. De moeilijkheid nu was, dat de Regeering tot zulk een verbod geen bevoegdheid had.
Het zal wel geen verwondering wekken, dat mijn ambtgenoot van Financiën en ik er tegen op zagen de verantwoordelijkheid te dragen van een maatregel waartoe, naar wij wisten, de Regeering onbevoegd was. Na eenig heen en weer praten kwamen wij tot de volgende oplossing. Indien het onderhoud, dat met de directie van de Nederlandsche Bank zou worden gevoerd, er toe zou leiden, dat van die directie een voorstel zou uitgaan tot vermindering der metaaldekking en indien ook zij van oordeel was, dat met die vermindering een onmiddellijk verbod van gouduitvoer moest gepaard gaan, zouden wij onze ambtgenooten trachten te overtuigen van de noodzakelijkheid om de verantwoordelijkheid van zulk een extra-legaal verbod te dragen. Wij knoopten hieraan echter de voorwaarde vast, dat zoowel de directie van de Bank als de ter vergadering aanwezige bankiers des avonds in den Ministerraad zouden komen en de zaak daar zouden voordragen, opdat de verantwoordelijkheid voor een zóó buitengewone daad niet alleen formeel maar in werkelijkheid voor dien geheelen Raad zou komen.
Nadat dit voorloopig resultaat werd bereikt, hadden de Minister van Financiën en ik, in het bijzijn van enkele der heeren, met wie wij ten kantore van de Nederlandsche Handel-Maatschappij hadden vergaderd, in het gebouw der Nederlandsche Bank een bijeenkomst met de directie. Daar werd ons bevestigd, wat wij in de pas verlaten vergadering hadden gehoord. De directie van de circulatiebank zou, overeenkomstig de wet, een voorstel doen ter vermindering van de verplichte metaaldekking. Zij verklaarde zich bereid met de andere heeren des avonds naar Den Haag te komen, om in verband daarmede, de noodzakelijkheid van een onverwijld verbod van gouduitvoer te bepleiten.
In den Haag teruggekeerd, brachten wij den Ministerraad op de hoogte. Deze vergaderde des avonds opnieuw. In den laten avond deed zich toen het in onze staatkundige geschiedenis wel nooit voorgekomen geval voor, dat de vergadering van den Raad door een zoo groot aantal personen werd bijgewoond, dat uit verschillende kamers van het Departement van Justitie stoelen en banken moesten worden bijeengehaald, opdat de heeren althans konden zitten.
Ter vergadering van den Ministerraad voerde de heer Van Aalst het woord uit naam van de aanwezige bankiers; daarna werd, in aansluiting aan het door hem gesprokene, door den heer Van Heukelom, als waarnemend president van de Nederlandsche Bank, de noodzakelijkheid van het nemen van de zooeven uiteengezette maatregelen betoogd.
Zoowel des middags op de bijeenkomsten te Amsterdam als des avonds in de vergadering van den Ministerraad was bovendien de wenschelijkheid besproken, aan de Regeering de bevoegdheid te geven, zoo dit onverhoopt noodig mocht blijken, de verplichting van de Bank om hare biljetten bij aanbieding te betalen, in den oorlogstijd op te schorten. Waar de toestand zóó onzeker was en de gebeurtenissen elkaar zóó snel opvolgden, moest gerekend worden met de mogelijkheid, dat de Nederlandsche Bank in moeilijkheden zou kunnen geraken, indien zij in een tijd, waarin zulke buitengewone beroepen op haar hulp als centrale credietinstelling werden gedaan, verplicht zou kunnen worden tevens groote bedragen aan bankbiljetten te verzilveren. Niemand ontveinsde zich welk een diepen indruk het zou maken, indien de Regeering van zulk een bevoegdheid gebruik zou moeten maken, maar dit nam niet weg dat, waar men de mogelijkheid voorzag, dat het daartoe zou moeten komen, het toch voor het geval die mogelijkheid onverhoopt eens werkelijkheid mocht worden, niet slechts gewenscht maar noodig was, dat de opschorting der uitbetaling wettelijk was geregeld. Het schriftelijk verzoek van de Bank aan de Regeering tot het voorstellen van dien maatregel werd dien nacht nog opgemaakt en onmiddellijk aan haar ter hand gesteld.
Nadat de bankiers en de directie van de Nederlandsche Bank de vergadering hadden verlaten, besloot de Ministerraad, overtuigd van de noodzakelijkheid, dat de Regeering naar vermogen zou medewerken tot herstel van het geschokte crediet, aan de Koningin voor te stellen: de verplichte metaaldekking van de Nederlandsche Bank van twee vijfden op een vijfde terug te brengen; den gouduitvoer te verbieden, en een wetsvoorstel in te dienen tot wijziging van het bankoctrooi op het punt van de betaalbaarheid der bankbiljetten. Het gevolg van een en ander was, dat reeds den volgenden dag twee Koninklijke besluiten werden afgekondigd; één tot verbod van den uitvoer van gouden munt en goudmuntmateriaal en één betreffende de verplichte metaaldekking van de Nederlandsche Bank, terwijl voorts een ontwerp van wet werd ingediend, betreffende de mogelijkheid van opschorting der verplichte betaling van de bankbiljetten.
In het bovenstaande vindt men tevens de verklaring hoe het kwam, dat het verbod van gouduitvoer de medeonderteekening draagt van alle leden van den Ministerraad. Het wetsontwerp tot wijziging van het octrooi der Nederlandsche Bank, wat betreft de betaalbaarheid van hare biljetten, verkreeg den 3den Augustus kracht van wet. De wet van denzelfden dag op de uitvoerverboden hield tevens een terugwerkende bekrachtiging in van hetgeen de Regeering eigenmachtig ten aanzien van den uitvoer van goud had gedaan.
Na den Ministerraad van 30 Juli werd aan het Nederlandsch-Indische Gouvernement telegrafisch opgedragen ten aanzien van de Javasche Bank overeenkomstige maatregelen te treffen als voor de Nederlandsche Bank genomen of voorgesteld waren.
Van de bevoegdheid aan de Regeering bij de eerstgenoemde wet gegeven, om de betaalbaarheid der bankbiljetten zoo noodig op te schorten, behoefde gelukkig geen gebruik te worden gemaakt. Daarentegen bleek de halveering van de verplichte metaaldekking spoedig geen overvoorzichtigheidsmaatregel te zijn geweest. Het verslag van de Nederlandsche Bank over het boekjaar 1914/15 zegt hiervan: „De uitkomst heeft geleerd, dat deze vermindering inderdaad tijdelijk noodzakelijk is geweest; immers de dekking is tijdelijk teruggeloopen tot beneden 40% (laagste percentage 32.59% op 16 October 1914). De emissiekracht der Bank was door dit Besluit zeer belangrijk toegenomen, hetgeen zeker eene groote gerustheid voor de gemeenschap is geweest. Reeds vrij spoedig was het percentage van 40 pct. metaaldekking wederom bereikt (op 12 December 1914) en werd zelfs de dekking bijna doorloopend sterker, om op 31 Maart 1915 tot ruim 52% op te loopen.” In het boekjaar 1915/16 namen de dekking en dus ook het beschikbare metaalsaldo nog zeer aanmerkelijk toe. Op het eind van het boekjaar 1914/15 bedroeg dat saldo ongeveer 1691⁄2 millioen; op het eind van 1915/16 omstreeks 373 millioen. Op de hoofdoorzaken van de toeneming van den goudvoorraad kom ik hieronder terug.
Eerst moet ik nog melding maken van hetgeen verder onverwijld noodzakelijk was ter ontspanning van de geld- en credietcrisis. De onrust die op de beurs reeds in het laatst van Juli geleid had tot de paniek, waarvan haar sluiting het resultaat was, kwam heel spoedig daarna op allerlei wijzen over heel het land tot uiting. De meest algemeene en tegelijk voor het geregeld verkeer gevaarlijkste uiting van het angstgevoel, dat zich van het publiek had meester gemaakt, was het onttrekken van zilver aan de circulatie en het oppotten van alles wat men aan gereed geld machtig kon worden. Bijna ieder werd in de eerste week van Augustus 1914 een Warenar. Helaas was de voorraad gemunt zilver bij de Nederlandsche Bank bij den aanvang der crisis zeer klein; op 25 Juli bedroeg hij slechts ruim 8 millioen gulden. De oorzaken van dien beperkten voorraad zilvergeld bespreek ik niet. Dat zou mij te ver in het verleden terugvoeren; genoeg dat de groote behoefte aan zilvergeld in Nederlandsch-Indië daartoe veel heeft bijgedragen. Die betrekkelijk kleine voorraad zilvergeld slonk in een week tijds, deels ten gevolge van grootere behoefte aan ruilmiddel als uitvloeisel van de stoornis in het crediet, maar vooral tengevolge van het oppotten van zilver, tot beneden 3 millioen. Aan redding in den nood door het in circulatie brengen van goud viel niet te denken; daardoor zou de positie van de Nederlandsche Bank zijn verzwakt, zonder dat het iets zou hebben gebaat. Meer nog dan het zilver zou de gouden munt zijn opgepot, en er was bovendien vooral behoefte aan ruilmiddel van kleinere waarde dan het gouden tientje of het gouden vijfje.
Reeds aanstonds toen de wegvloeiing van zilver zich openbaarde, werd tusschen de directie van de Nederlandsche Bank en het Ministerie van Financiën van gedachten gewisseld over hetgeen gedaan kon worden om in de behoefte aan kleiner ruilmiddel tegemoet te komen. De Nederlandsche Bank kon daarin door de uitgifte van klein bankpapier niet voorzien, daar het bankoctrooi haar uitgifte van biljetten tot een lager bedrag dan ƒ 10 verbiedt. Men wist geen anderen uitweg dan dat de staat tijdelijk papieren geld in kleine coupures zou uitgeven. Voor men in beginsel het er over eens was geworden, dat daartoe zou moeten worden overgegaan, was het noodig verschillende punten betreffende de uitvoering van het denkbeeld mondeling te bespreken. Daartoe zouden de president van de Nederlandsche Bank, die terstond uit Zwitserland was teruggekomen, en de president van de Nederlandsche Handel-Maatschappij met den Minister van Financiën op den avond van den 3den Augustus eene bijeenkomst hebben.
Aangezien zulke zaken in die dagen geregeld tusschen den Minister van Financiën en mij, als Minister van Handel, besproken werden, vroeg mijn ambtgenoot mij bij die bijeenkomst tegenwoordig te zijn. Des avonds omstreeks elf uur stapten wij van huis. De Amsterdamsche heeren hadden getelefoneerd, dat zij ongeveer half twaalf zouden komen. De bijeenkomst zou plaats hebben in de Kamer van den Thesaurier-Generaal, den tegenwoordigen Minister van Financiën, die, toen wij aankwamen, reeds aanwezig was. Wij moesten echter wachten tot omstreeks half een voor de heeren uit Amsterdam aankwamen. Het was in de drukste dagen van de mobilisatie; per trein konden zij dus niet komen en zij hadden oponthoud gehad onderweg door het springen van een band van hun automobiel. Wij begonnen al wat te wanhopen, toen de heeren eindelijk, vergezeld van den heer A. L. Kulenkamp Lemmers, den Agent van het Ministerie van Financiën, aankwamen. Nauwelijks hadden wij tijd gehad om te verklaren, dat wij het in principe over de uitgifte van klein papier van Regeeringswege eens waren, of de heer Van Aalst vloog naar de telefoon om Maastricht op te roepen. Van Amsterdam uit was er namelijk voor gezorgd, dat de telefoon te Maastricht tot ’s nachts half een zou open blijven; het was dus hoog tijd, dat er verbinding gevraagd werd. Om geen tijd te verliezen, had men zich ’s middags reeds, van Amsterdam uit, met de vraag der papierlevering bezig gehouden,—waarbij was gebleken dat de Koninklijke Nederlandsche Papierfabriek te Maastricht in staat was het noodige terstond te leveren. Voor veel heen en weer praten over de keuze van een leverancier was geen tijd. De Minister van Financiën ging er dan ook mede accoord, dat het benoodigde papier terstond telefonisch aan de genoemde fabriek zou worden besteld. Hetgeen door den heer Van Aalst, sprekende namens den Minister van Financiën, geschiedde.
Bij die gelegenheid bleek ons spoedig dat de directeur der papierfabriek te Maastricht een voorzichtig man is, die niet over één nacht ijs loopt. De aandeelhouders van zijne vennootschap hebben reden hem in eere te houden. Geen kwartier nadat het bedoelde telefonisch gesprek was gevoerd, werd de Thesaurier-Generaal uit Maastricht opgescheld en vroeg de directeur der fabriek, of hij inderdaad met het Ministerie van Financiën gesproken had. Nadat de papierkwestie geregeld was, moest de vraag over de grootte der stukken behandeld worden. Na eenig overleg werd besloten, coupures te maken van ƒ 1.—, ƒ 2.50 en ƒ 5. Daarna moest worden beslist, hoe het tijdelijke papieren geld zou heeten. Daarover was men het spoedig eens; de naam „zilverbon” werd gekozen als kort en sprekend. Maar toen kwam het groote vraagstuk: hoe zou men een voldoend aantal van die bons in enkele dagen gedrukt krijgen, zóó dat namaak daarvan niet al te gemakkelijk zijn zou? De agent van het Ministerie van Financiën had zich daaromtrent reeds voorloopig in verbinding gesteld met de firma J. H. de Bussy te Amsterdam. Hij had van die firma eenige „gronden” en modellen meegekregen, die moeilijk zouden zijn te vervalschen. Na eenig wikken en wegen werd een keus gemaakt en werden model en kleur van de verschillende soorten van zilverbons bepaald. In hoofdzaak werd gevolgd het model der vroegere zoogenaamde „kasorders” van de Nederlandsche Handel-Maatschappij ter Oostkust van Sumatra. Ook werd de vraag behandeld of de bons genummerd zouden worden. Door mij werd er zeer op aangedrongen, dat dit ter vermindering van het vervalschingsgevaar zou geschieden. Toen mij echter den volgenden dag werd medegedeeld, dat de nummering zooveel vertraging in de aflevering zou brengen, dat per dag in plaats van 700.000 stuks, slechts 300.000 stuks zouden kunnen worden gemaakt, gaf ik mij gewonnen. De behoefte aan ruilmiddel was zoo uitermate dringend, dat hetgeen niet volstrekt noodzakelijk was, achterwege moest blijven, zoodra het vertraging van beteekenis zou veroorzaken.
Daar het bankoctrooi aan den Staat, op straffe van verlies van de voordeelen, welke het aan den Staat toekent, verbiedt muntpapier uit te geven, moest vastgesteld worden, dat de Bank de zilverbons niet zou beschouwen als muntpapier in den zin dier wet, omdat zij slechts een tijdelijk hulpmiddel zouden zijn, niet uitgegeven met de bedoeling om geld te verschaffen aan den Staat. Echter moest de Staat begrijpelijkerwijze de verplichting op zich nemen, de zilverbons in te trekken, zoodra de Nederlandsche Bank voldoende zilver ter beschikking van de Regeering zou kunnen stellen, ter inwisseling daarvan. Hoewel men het omtrent dit punt van den aanvang af geheel eens was, moest het toch vastgesteld worden. Dit geschiedde in een correspondentie met de directie der Bank.
Toen eenmaal de zaak zelve zoover was voorbereid, was het wetsontwerp dat aan de Staten-Generaal moest worden ingediend, aangezien de Regeering zonder machtiging van den wetgever geen bevoegdheid had tot uitgifte van papieren geld, spoedig gereed. Den volgenden dag werd het aan het Departement van Financiën in orde gemaakt en om advies naar den Raad van State gezonden. Op 5 Augustus werd het aan de Tweede Kamer aangeboden. Den volgenden dag werd het in spoedvergaderingen van de beide Kamers der Staten-Generaal behandeld en aangenomen. Nog denzelfden dag bekrachtigde de Koningin het ontwerp en verscheen de wet tot uitgifte van zilverbons tot een bedrag van ten hoogste ƒ 25 millioen in het Staatsblad, onmiddellijk gevolgd door het Koninklijk besluit tot vaststelling van den uiterlijken vorm en de hoeveelheid van elke soort der uit te geven bons.
Doordien men alles wat op de uitvoering van den maatregel betrekking had, terstond met den meest mogelijken spoed had ter hand genomen, vertrouwende dat de Staten-Generaal hunne medewerking niet zouden weigeren, was het mogelijk Vrijdag 7 Augustus reeds voor een bedrag van ruim ƒ 1.700.000 aan zilverbons in omloop te brengen. Dat om dit te bereiken de uiterste inspanning van allen, die bij de vervaardiging, de controle en de uitgifte betrokken waren, noodig was, behoeft wel niet te worden gezegd. Zelfs met die inspanning was het resultaat nog niet voldoende, maar het gaf toch verlichting. De heele week had men onder gemis aan klein geld gezucht en daarvan de moeilijkheden ondervonden: in winkels, aan de postkantoren, aan de spoorwegstations, letterlijk overal. Het op zilvergeld beluste publiek trachtte bovendien overal waar het maar kon, daarvan wat machtig te worden door niet met gepast geld te betalen, maar bankbiljetten aan te bieden, waarop wisselgeld terug moest worden gegeven. Dit kunstmiddeltje leidde weer tot den maatregel van tegenweer, dat aan stations, postkantoren enz. niet anders dan gepast geld werd aangenomen en dat in koffiehuizen en winkels dit voorbeeld werd gevolgd, voor zoover niet met bons werd verrekend. In één woord, in de week van 3-8 Augustus 1914 was het alledaagsche verkeer geheel ontredderd door gebrek aan voldoende klein ruilmiddel. Zoo sterk was dit het geval, dat verschillende gemeente-besturen het niet durfden laten aankomen op de maatregelen van Rijkswege, die men in voorbereiding wist en, deels in overleg met de Regeering, deels geheel op eigen gezag gemeentelijke bons uitgaven.
In theorie was daartegen veel, zoo niet alles te zeggen. De veelsoortigheid van papier, dat op die wijze in enkele gemeenten in omloop kwam, moest wel verwarrend op het muntwezen werken; maar.... hoe ongewenscht ook, het was noodig. De toestand was de heele week al zoo slecht geweest als hij maar wezen kon; den Zaterdag, den dag waarop overal arbeidsloonen moesten worden betaald, kon men op die manier niet ingaan. De Regeering was niet bij machte meer te doen, dan zij deed, en dat was, hoe uiterst verdienstelijk de praestatie met de aflevering der zilverbons op zich zelf ook was, niet genoeg. Men moest dus wel over alle bezwaren heenstappen en zag met vreugde, zij het ook gemengd met eenigen weemoed, dat de gemeenten waar de meeste arbeidsloonen te betalen waren, zich zelf hielpen. Zoo is men den critieken Zaterdag, 8 Augustus, doorgekomen. Het zal wel niet overal even gemakkelijk zijn gegaan, maar men kwam er door. Toen was het gevaar geweken. De volgende week konden zilverbons in genoegzaam getal beschikbaar worden gesteld. Hoe noodig de maatregel wel was, kan men afleiden uit het feit, dat van 7 Augustus tot half September omstreeks ƒ 19 millioen aan zilverbons in het verkeer werd opgenomen. Sedert dien is het bedrag geleidelijk verminderd. De bons van ƒ 5 waren niet in trek; de uitgifte daarvan werd spoedig gestaakt.
Toen in het begin van 1915 de namaak der zilverbons onrustbarende afmetingen aannam, werd besloten de oorspronkelijke stukken door andere te vervangen, die zorgvuldiger konden zijn voorbereid en beter afgewerkt en daardoor niet alleen sierlijker waren van uiterlijk, maar ook meer waarborg boden tegen valschheid. Daarbij werden voor de ingetrokken zilverbons van ƒ 1 geen nieuwe in de plaats gesteld. Men bepaalde zich tot stukken van ƒ 2.50. Toen er in April 1916 weer een klein paniekje kwam, openbaarde zich dit opnieuw in onttrekking van zilver aan de circulatie en moest mijn opvolger als Minister van Financiën zijn toevlucht weer nemen tot de uitgifte van zilverbons ook van een gulden.
Men heeft het intusschen niet bij den aanmaak van zilverbons gelaten. Ook aan het gemunt zilver heeft men terstond zijn aandacht gewijd. Door tusschenkomst van de Nederlandsche Bank en de Nederlandsche Handel-Maatschappij werden groote aankoopen van zilver voor den Staat gedaan en aan ’s Rijks Munt werd voorbeeldig gewerkt om den voorraad gemunt zilver aan te vullen. Maar het was echte Sisyphus-arbeid. Toen ik het Departement van Financiën verliet, was er sedert het begin van de crisis voor ruim ƒ 30 millioen zilvergeld aangemunt, maar steeds vloeide het weer uit de circulatie weg. De honger naar zilvergeld was onverzadiglijk. Wel was in verband daarmede het bedrag der in omloop zijnde zilverbons tot omstreeks ƒ 6 millioen teruggebracht, maar zelfs als men dit in aanmerking neemt, was het in omloop verkeerend en vastgehouden gemunt zilver, met inbegrip van de zilverbons, ruim 50 pct. hooger dan de normale behoefte.
Toen het hoogtepunt der geldcrisis achter ons lag, en men den toestand weer meester was geworden, werd op 17 Augustus 1914 door het Departement van Financiën de medewerking van de Commissarissen der Koningin ingeroepen, opdat de gemeentelijke bons, welke nu niet meer noodig waren, zoo spoedig mogelijk uit het verkeer zouden worden genomen. De gemeenten, die waarlijk niet voor haar genoegen tot het uitgeven van eigen bons waren overgegaan, gaven hieraan gereedelijk gehoor, met het gevolg dat die bons spoedig tot de geschiedenis behoorden.
Intusschen had het gebrek aan zilver in de week van 3 tot 8 Augustus nog tot een anderen zeer bedenkelijken misstand geleid. De omstandigheid dat men bankbiljetten niet meer aan postkantoren, stations enz. in betaling kon geven, als men kleinere sommen te betalen had en wisselgeld terug moest hebben, gaf er aanleiding toe, dat een deel van het publiek in den waan begon te verkeeren, dat ze geen vertrouwen meer verdienden. Eenige minder kieskeurigen onder de zilverpotters, die de leer van keizer Vespasianus omtrent den oorsprong van het geld waren toegedaan, als men het maar binnen kreeg, maakten van dat volkomen onredelijk, maar uit de algemeene paniekstemming verklaarbare wantrouwen in de credietwaardigheid van de Nederlandsche Bank gebruik om hun beangste medeburgers af te zetten, door bankbiljetten van tien gulden ter inwisseling tegen ƒ 9, ƒ 8 of nog minder aan te nemen. Enkele schaamden zich zelfs niet die afzetterij, in de dagen van den zilvergeldnood, openlijk als bedrijf aan te kondigen en uit te oefenen.
Door geruststellende openbare mededeelingen van de Regeering en van enkele gemeentebesturen werd al het mogelijke gedaan om het vertrouwen te doen terugkeeren en tegen de afzetterij, waarvan ik zoo even sprak, te waarschuwen. De pers, die op slechts enkele hooge uitzonderingen na, gedurende den geheelen oorlogstijd en vooral in de zoo critieke eerste weken, steeds bereid was de Regeering met haar invloed te steunen, droeg daartoe met al haar krachten bij. Dit een en ander miste zijn effect niet, maar toch zou een ware ramp over ons land zijn gekomen, indien er op 8 Augustus niet genoeg ruilmiddel was geweest om de loonen te betalen. Onder het neerschrijven hiervan ontsnapt mij nu nog een zucht van verlichting bij de gedachte, dat men met vereende krachten er in slaagde die ramp te bezweren.
Sprekende in de vergadering van de Tweede Kamer van 3 Augustus 1914, zeide ik onder den indruk van het nieuwe gevaar, dat het hoofd had opgestoken en dat het publiek, als het zijn kalmte niet had verloren, zich zelf en de Regeering had kunnen besparen:
„Er zijn blijkbaar een aantal personen, die meenen dat zij zich zelf op het oogenblik helpen door zooveel mogelijk zilver-ruilmiddel aan het verkeer te onttrekken en weg te bergen. Ik zou wenschen dat elk in eigen kring, en de pers in breeden kring, toch ieder tracht te overtuigen dat hij, door dat te doen, niet alleen zeer schaadt het algemeen belang, maar per slot van rekening ook zich zelf. Wat er op het oogenblik gebeurt met het onttrekken van zilver aan het verkeer is in hooge mate ernstig en door niets gemotiveerd.
„Tot nog toe was het onverstandig, maar het ziet er uit of het weldra misdadig zou kunnen worden. En wanneer het mocht blijken dat een deel van het Nederlandsch publiek, op hetwelk wij allen toch wel recht hebben een beroep te doen, doorgaat met op deze wijze het belang van het volk te schaden, dan zal de Regeering zeker niet aarzelen om met de middelen die zij heeft of, voor zoover zij op het oogenblik nog geen middelen heeft, met de middelen die zij dan zal voorstellen, zoo krachtig mogelijk daartegen in te gaan.
„Er is aan de Regeering ook ter oore gekomen, dat gewetenlooze individuen nu reeds er een bedrijf van maken, om de goedgeloovige gemeente, welke inderdaad vreest, dat de bankbiljetten niet meer hun volle waarde zouden hebben, haar goed bankpapier af te nemen tegen minderen prijs in zilver.
„Ik aarzel niet dat te noemen gewetenloos en op dit kritieke oogenblik voor ons land zóó ernstig, dat, indien dit in eenige mate mocht doorgaan, de Regeering geen oogenblik zal aarzelen door krachtig in te grijpen, het tegen te gaan.”
Gelukkig behoefde het daartoe niet te komen. Wel bleef een deel van het publiek aan het opzamelen van zilvergeld, maar het vertrouwen in de bankbiljetten keerde toch spoedig geheel terug. Ook de zilverbons kwamen onder den drang der omstandigheden zonder moeite in het verkeer. Dit neemt niet weg, dat er in enkele gevallen daarmede moeilijkheden werden ondervonden. Een winkelier in Den Haag plakte zelfs op zijn winkelraam aan, dat zilverbons niet in betaling werden genomen. Zoodra ik dat hoorde, verzocht ik den burgemeester den heelen winkelvoorraad krachtens de levensmiddelenwet in beslag te nemen, daar het niet aannemen van wettig betaalmiddel wel de ergste vorm van prijsopdrijving is. De schadevergoeding zou dan dien vijand der zilverbons uitsluitend in dat geld zijn uitbetaald. Toen de man werd gewaarschuwd en begon te begrijpen wat hem boven het hoofd hing, koos hij eieren voor zijn geld, of liever: zilverbons voor zijn eieren, en gaf hij zijne oppositie tegen den zilverbon op.
Een duidelijk beeld van de snel stijgende maar ook spoedig gelukkig weer dalende lijn van het algemeen wantrouwen in de eerste oorlogsweek geven de cijfers der opvragingen bij de Rijkspostspaarbank. Het normale getal opvragingen bij die instelling is per dag omstreeks 800 tot een bedrag van ƒ 200.000. In de ergste crisisdagen beliep het aantal en het bedrag der aanvragen tot terugbetaling:
| op | aantal | bedrag | |
| Juli | 29 | 1.408 | 362.000 |
| „ | 30 | 2.871 | 1.035.000 |
| „ | 31 | 6.874 | 2.585.000 |
| Augustus | 1 | 13.771 | 4.821.000 |
| „ | 3 | 11.228 | 3.718.000 |
| „ | 4 | 1.607 | 515.000 |
| „ | 5 | 1.777 | 518.000 |
| „ | 6 | 1.289 | 336.000 |
| „ | 7 | 696 | 176.000 |
Toen de storm opstak, was het noodig dat ook hier maatregelen werden genomen. Op 30 Juli verscheen een communiqué in de dagbladen, den spaarders waarschuwende tegen geheel ongemotiveerde ongerustheid, daar de Staat den inleggers de teruggaaf hunner inlagen waarborgt. Toen de run niettemin toenam, was het noodig de Rijkspostspaarbank tegen dien stroom in zoover te beveiligen, dat de termijn van verplichte uitbetaling werd verlengd en zoodoende tijd werd verkregen om aan de aanvragen daartoe geleidelijk te kunnen voldoen. Daartoe werd bij Koninklijk besluit van 3 Augustus de termijn der verplichte terugbetaling van 14 dagen op zes maanden gebracht, met dien verstande dat binnen dien termijn ten hoogste ƒ 25 in één week zou worden uitbetaald. Toen bleek dat die maatregel tot misverstand aanleiding gaf en het publiek daaruit las, dat iedere inlegger op de Rijkspostspaarbank zes maanden op de terugbetaling van zijn spaarpenningen zou moeten wachten, gaf de Directie een communiqué aan de dagbladen, waarin duidelijk gemaakt werd, dat die termijn alleen als uiterste termijn bedoeld en gesteld was, doch dat daarbinnen de terugbetalingen geleidelijk zouden geschieden. Aangezien spoedig bleek dat de meeste aanvragers hun spaargeld eigenlijk niet terugverlangden, maar alleen hadden gehandeld onder den invloed van de algemeene ongerustheid, werd hun op 8 Augustus door de Directie medegedeeld, dat hun aanvraag als vervallen zou worden beschouwd, indien zij niet werd herhaald. Een even nuttige als practische maatregel. Op 13 Augustus werd medegedeeld dat niet of niet voldoende gemotiveerde aanvragen voorloopig zouden worden ter zijde gelegd, maar dat terstond ƒ 25 per week zou verkregen kunnen worden. Den 19den werd bericht dat alle aanvragen tot terugbetaling weer dadelijk in behandeling zouden komen; den 20sten dat de aanvragen verder niet meer behoefden te worden gemotiveerd, en den 24sten dat de termijn van afdoening van niet met redenen omkleede aanvragen werd teruggebracht op zeven dagen. De snelle opeenvolging van de dagteekeningen dezer maatregelen en communiqués geeft een duidelijk en zeer overzichtelijk beeld zoowel van de plotselinge zenuwachtigheid van het publiek als van den spoedigen terugkeer tot bezinning.
Geheel in dezelfde lijn als de maatregelen van de Rijkspostspaarbank lag hetgeen gedaan werd door den Bond voor den Geld- en Effectenhandel in de Provincie. Het bestuur van dezen bond had zich Zaterdag 1 Augustus met mij in verbinding gesteld en wendde zich den volgenden ochtend ook tot de directie van de Nederlandsche Bank, daar het van het geschokte vertrouwen en van de plotseling opgekomen zucht tot oppotten van geld niet slechts voor de leden van de vereeniging maar ook voor het publiek onheilen vreesde, als niet door de provinciale bankiers één lijn werd getrokken tegenover reeds begonnen en nog meer te verwachten zenuwachtige opvragingen van geld. Als gevolg van de besprekingen met mij en met de directie van de Bank, verzocht het bestuur van den Bond op Zondag 2 Augustus per circulaire aan zijne leden „zich bij het doen van uitbetalingen te beperken tot hetgeen noodig is voor levensonderhoud, werkloonen of onafwijsbare verplichtingen.”
Men heeft achteraf den Provincialen Bond en zijn bestuur daarover hard gevallen. Die grief is ongerechtvaardigd. Wat dat bestuur deed, lag geheel in de lijn der maatregelen, die zoowel door de Regeering als door de Nederlandsche Bank en den Geldhandel te Amsterdam tot beperking der speculatie en tot intooming van het oppotten van geld werden genomen of bevorderd. Voor die circulaire, welke zich geheel aansluit bij de gedragslijn door de Regeering en de Directie dezer Rijksinstelling ten aanzien van de Rijkspostspaarbank gevolgd, dragen èn de Regeering èn de Nederlandsche Bank mede de moreele verantwoordelijkheid. Ik voor mijn deel aanvaard die zonder voorbehoud. De Amsterdamsche bankiers, die in de eerste crisisdagen een overeenkomstige gedragslijn volgden, maar die daarvan spoediger dan hun collega’s in de provincie konden afwijken, toen zij uit den aard der zaak het eerst aan bod waren bij de hulp, welke de Vereeniging voor den Geldhandel verleende, hadden niet noodig dit bij circulaire bekend te maken. Ook zij waren echter in den aanvang terughoudend in het doen hunner uitbetalingen. Diegenen onder hen die dit schijnen vergeten te hebben, vergeten daarmede tevens, dat zij tegenover alle maatregelen, die genomen moesten worden om ongewenschte speculatie en oppotting van geld tegen te gaan, onverantwoordelijk zouden hebben gehandeld door hun medewerking daaraan te onttrekken. Zij deden beter, dan zij het zich achteraf nog herinneren.